Van de Zwarte Zee naar de Kaspische Zee

Wat neem je in vredesnaam mee als je vijf weken een zwerftocht gaat maken door de Kaukasus? Als je in dorpen terecht gaat komen waar de wc het niet doet, en op bergen gaat filmen waar het sneeuwt? En waar je ook nog eens elke dag enigszins acceptabel voor de camera moet kunnen staan, want je bent op stap voor een nieuwe serie van de VPRO?

Een reisstrijkboutje gaat altijd mee, net als een handdoek, die in combinatie met een gammele hotelkamertafel dienst kan doen als een strijkplank. Een speciaal spulletje dat ik op mijn voorhoofd kan smeren, zodat het wat minder in de camera glimt. Niet uit ijdelheid, maar omdat kijkers anders alleen met een lasbril naar de serie kunnen kijken. Een hele hoop kleren, want god weet wanneer je weer in een oord bent met een wasmachine. De elektrische tandenborstel, waarvan je de lader in hotel 1 laat liggen. Je herfstjas, die je in hotel 2 laat liggen. En natuurlijk een berg souvenirs, die je cadeau kan geven als je in een Kaukasisch dorp weer wordt onthaald op een enorme tafel met lekkere hapjes. Dan blijft er alleen nog ruimte over voor een enkel colbertje, dat al op dag tien zo erg naar zweet ruikt dat je dankbaar bent dat geurtelevisie nog niet bestaat.

En reisgezelschap, onontbeerlijk voor een goede reis. Sinds mijn Rusland-serie zijn dat altijd dezelfde mensen: regisseur en cameraman Hans Pool, geluidsman Alex Tugushin en producer Sasha Ourikh. Het is een bijzondere band die wij met elkaar hebben na al die heftige reizen in Rusland en India. Te vergelijken met de band die soldaten aan het front hebben, stel ik mij voor. Je deelt heftige herinneringen van plekken waar je bent geweest, en mensen die je hebt gesproken. En ’s avonds drink je ter ontlading sloten bier. En wodka natuurlijk, want zoals de Russen zeggen: ‘Bier zonder wodka is geld in de wind gooien.’ Het is wonderlijk; Hans, Alex en Sasha ken ik nog maar kort, en toch heb ik hun dingen verteld die ik in mijn leven aan niemand anders verteld heb.

Dit keer stond een reis van de Zwarte Zee naar de Kaspische Zee op het programma, door een van de meest onherbergzame gebieden ter wereld: de Kaukasus. Het laatste ingrediënt was een auto die de bergen aan zou kunnen, ik wist al meteen welke dat zou zijn: de UAZ 452, je ziet hem op de voorkant van het boek staan. Russen noemen hem liefkozend ‘boekhanka’ wat ‘een heel brood’ betekent, want daar lijkt hij op. Mooi is hij niet, en snel gaat hij ook niet, onze topsnelheid was zeventig kilometer per uur. In de maand die wij doorbrachten in de boekhanka hebben wij één keer een andere auto ingehaald, maar het zou kunnen dat die vrachtwagen stuk was. Ook de boekhanka ging af en toe stuk, maar in elk dorp waren wel onderdelen te vinden.

De reis begon in Krasnodar, nog een end van de Kaukasus vandaan. We maakten een stop in Krasnodar omdat ik aandacht wilde besteden aan de moeilijke situatie voor homo’s in Rusland. Dat heeft weliswaar niets te maken met de bergvolkjes in de Kaukasus, waar de serie over gaat, maar ik vond het gewoon een belangrijk onderwerp. Het is voor een Nederlander moeilijk voor te stellen hoe homofoob de gemiddelde Rus is. Zo zag ik ooit twee meisjes hand in hand lopen, op de Arbat in Moskou, zowat het meest kosmopolitische plekje van Rusland. Achter hen liepen drie omaatjes te vloeken en te tieren. Dat hoort toch niet, riepen ze.

Een vriend werd geboren in Chukotka, een afgelegen gebied in het oosten van Siberië. In de puberteit kwam hij erachter dat hij op jongens viel. Maar dit was de Sovjet-Unie, homoseksualiteit bestond gewoon niet, helemaal niet in een afgelegen dorp in Chukotka. Hij was ervan overtuigd dat het een ziekte was en vloog naar Moskou om genezen te worden in een of andere kliniek. De avond voordat hij de kliniek in ging wandelde hij godzijdank een bar binnen waar hij hoorde dat homoseksualiteit helemaal geen ziekte was. Hij kan gelukkig homo zijn, al is hij intussen wel geëmigreerd naar het buitenland. Ik snap dat heel erg goed. Het is moeilijk om homo te zijn in Rusland, helemaal sinds de ‘wet tegen de propaganda van niet-traditionele relaties’ is ingevoerd. Zo kan je al worden opgepakt als je rondloopt met een bord waarop staat: ‘homoseksualiteit is niet pervers’, zoals een mensenrechtenactivist in Sint-Petersburg gebeurde.

We hadden afgesproken met een groepje homo’s en lesbiennes in Krasnodar, het ging allemaal nogal geheimzinnig; ze wilden niet dat andere mensen wisten waar zij afspraken, want voor je het weet word je in elkaar geslagen. We ontmoetten elkaar op een onverlicht binnenplaatsje, het enige wat ik kon zien waren de kegels van sigaretten die af en toe oplichtten. Het bleken pijpen te zijn. De vijf meisjes en de jongen rookten allemaal pijp, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Een meisje vertelde: ‘Ik heb altijd een plan in mijn hoofd voor als wij worden aangevallen: een vluchtroute, hoe ik terug moet slaan, hoe ik mijzelf kan verdedigen. Die angst blijft, zolang die nieuwe wet er is.’ Een jongen was niet op komen dagen. Die avond had hij de coming-out gehad met zijn ouders, en dat was niet helemaal goed afgelopen, begreep ik.

De volgende dag probeerden we hem opnieuw voor de camera te krijgen. Hij wilde alleen maar afspreken in een hotelkamer, en niet met zijn gezicht in beeld. Aan dat gezicht kon je zien hoe de avond was verlopen: hij had schrammen en een blauw oog. Het was een mooie jongen, hij vertelde dat hij was begonnen met modellenwerk, en dat zelfs de fotograaf niet wist dat hij homo was. Maar het was echt tijd om het in ieder geval aan zijn ouders te vertellen, vond hij. Zodra hij het had uitgesproken ging zowel zijn vader als zijn moeder hem te lijf. Hij vertelde het nogal onbewogen, wat ik mij wel voor kon stellen: sommige zaken zijn te pijnlijk om echt ten volle te beseffen. Na het interview liet hij mij een briefje zien dat iemand in het trappenhuis van zijn flatgebouw had gehangen: Op de zevende verdieping van deze flat woont een homo. Pas op: hij is moeilijk te herkennen, want hij is net zo gekleed als u en ik.

Vanuit Krasnodar reden we de bergen in, op weg naar Naltsjik, aan de voet van de Kaukasus. In 2005 hebben Tsjetsjeense rebellen kortstondig het centrum van de stad ingenomen, ongeveer honderddertig mensen gingen dood. Intussen is het er een stuk veiliger, en met de bergen op de achtergrond heeft het wel iets van Zwitserland. Onze chauffeur heette Aslan, een enorme Tsjerkes. Toen hij mij de hand schudde kraakte er iets in mijn wijsvinger, en had ik nog een week last van mijn hand. Als hij praatte in de boekhanka, een van de luidruchtigste auto’s ooit, kon je achterin precies horen wat hij zei. Volgens Aslan begint de geschiedenis van de mensheid bij de Tsjerkessen, een terugkerend thema bij wat voor bergvolk dan ook in de Kaukasus. Ook een hoop uitvindingen zijn gedaan in Tsjerkessië. Zo zouden Tsjerkessen de techniek van pasteurisatie in het oor van Pasteur hebben gefluisterd. Eigenlijk zou je het dus Tsjerkessisatie moeten noemen. De Tsjerkessen zijn machtige strijders, en een van de laatste volkjes die zich hebben onderworpen aan de Russen. De overwinning van de Russen op de andere volkeren in de Kaukasus werd formeel verklaard in 1864, na 47 jaar bloedige strijd. Dat gebeurde in de stad met de veelzeggende naam Krasnaya Polyana (rood veld), waar deze winter de Spelen worden gehouden. De grond kleurde rood door bloed. Het is heilige grond voor de Tsjerkessen, maar de Tsaar had zo’n hekel aan die Tsjerkessen, dat hij het hele volk heeft gedeporteerd. Iedereen werd op boten de Zwarte Zee op gestuurd. Een hoop kwamen terecht in Turkije, anderen weer in Syrië. Aslan vertelde over een Syrisch vluchtelingenkamp in Naltsjik, en ik vroeg hem of we daarheen konden. ‘Een willekeurig kunstje!’ schreeuwde Aslan. Dat riep hij telkens als wij hem iets vroegen. Ik ga ervan uit dat het zoiets als ‘geen probleem’ betekent.

In het vluchtelingenkamp was het best een gezellige boel, gezien de omstandigheden. Het was ook een rare situatie: deze vluchtelingen waren van oorsprong Tsjerkessen die een paar honderd jaar eerder waren gedeporteerd naar Syrië. Ze waren dus gevlucht, maar kwamen eigenlijk ook thuis. De Tsjerkessen uit Tsjerkessië probeerden chocola te maken van het obscure Tsjerkessisch van de Syriërs, die natuurlijk helemaal een eigen richting op was geëvolueerd. En ze vonden het maar raar dat mannen en vrouwen niet in één kamer mochten zitten, zulke strenge islam is totaal onbekend bij de meeste moslims in de Kaukasus. Hoe dan ook, iedereen had het eigenlijk best naar zijn zin. De vluchtelingen zaten in een voormalig sanatorium, dus dat was ook geen ramp. Behalve in één kamertje, waar een oud vrouwtje stilletjes zat te huilen. Wat bleek: haar dochter zat nog in Damascus, en zij was doodsbang dat Obama Syrië zou gaan bombarderen. Het was vlak na de gifgasaanval, en Amerika overwoog toen om Assad te straffen met bommen. Zij kon al twee dagen niet bellen met Damascus, en bleef maar herhalen: ‘Waarom hebben zij mij naar Rusland gestuurd? Waarom zijn ze zelf niet gegaan? Ik ben al oud, mijn leven is al voorbij. Waarom ik?’

We gingen verder naar een of ander archeologisch centrum, waar een groep mannen regelmatig samenkomt om het Nart-epos van de Tsjerkessen te zingen. Het epos bestaat al een paar duizend jaar, en wordt nog steeds overgeleverd van vader op zoon, zoals de Ilias ooit mondeling werd overgedragen bij de Grieken. De taal verandert mee met de volgende generatie, dus het wordt nooit onbegrijpelijk. De mannen wilden het epos per se alleen maar zingen in een heel deprimerende bedrijfskantine met systeemplafond en tl-buizen. Na lang praten overtuigden wij de mannen om naar een sfeervollere ruimte te verkassen, waar zij nogal ongeïnspireerd hun epos opdreunden, of in ieder geval een gedeelte ervan. We probeerden het toch nog maar even in de bedrijfskantine; het zag er niet uit, maar de mannen gingen los. Ik kwam in een soort trance terecht. Voor de komst van het schrift was dit natuurlijk de enige manier om verhalen te vertellen, misschien werd een of ander primitief deel van mijn hersenen geactiveerd. Of misschien was ik gewoon dronken; voor het zingen ging er een heel grote houten kom rond met een alcoholische drank, gemaakt van honing, iedereen moest er drie slokken van nemen. Aslan was ook niet meer helemaal zo stabiel; zijn grote lijf tikte aan tegen een kast met allemaal prehistorische Tsjerkessische potjes en pannetjes. Een pannetje viel eruit, maar Aslan ving het op.

’s Avonds aten wij in de tuin van het hotel, onder een soort partytent. Er kwamen vier zwarte Mercedes-jeeps aanrijden, de favoriete auto voor de gemiddelde corrupte Russische official. Zodra de inzittenden onder hun partytent zaten kwam er een ober aan en die ritste hun tent van alle kanten dicht. Het gebeurt wel vaker dat er in restaurants nisjes en gordijntjes zijn waar je je met je maîtresse of schimmige zakenpartner kan verstoppen, maar dit was de overtreffende trap. Na een halfuur, twee potten thee waren naar binnen gebracht (al weet je natuurlijk nooit wat er in de potten zat), werd de tent weer opengeritst en stapten zij weer in hun jeeps. Iemand was een stuk rijker geworden, dat staat vast. Wat ik dan wel weer wonderlijk vind: als je schimmige zaakjes hebt, waarom zou je dat dan überhaupt doen op een openbare plek? Is het niet handiger om dat bijvoorbeeld thuis doen?

Aslan schudde zijn hoofd over zo veel onbegrip, en begon aan een relaas over corruptie in de Kaukasus, dat zo luid was dat ik zeker wist dat elk woord te horen was in het gebouw van de FSB, dat zich toevallig (of niet toevallig) pal naast ons hotel bevond. Hij vertelde dat hij twee keer was ontvoerd in Tsjetsjenië, toen de ontvoeringsindustrie nog op volle toeren draaide. Het was midden in de oorlog, en Aslan kwam elke week in de hoofdstad Grozny. ‘Ik verkocht ovens om brood in te bakken. De hele stad was platgebombardeerd, en er waren dus ook geen ovens meer. En mensen moeten eten, toch?’ schreeuwde hij.

Een heftige discussie ontspon over het circus, waar we eerder op de middag langs waren gereden. Het was een circus op het ijs, en midden op de poster stond pontificaal een beer. Kunnen beren schaatsen, daar ging de discussie over. Geluidsman Alex liet een filmpje zien dat nog stamde uit de Sovjettijd: een stuk of twintig beren die ijshockey spelen. In een stadion met publiek. Een van de beren weet nog te scoren ook. En dat allemaal op schaatsen. Alex en Aslan, de Russen, wisten zeker dat het echt was. De Nederlanders geloofden er niet in.

De volgende ochtend vroeg ik aan Aslan of wij de berenman van het plaatselijke circus konden vinden. ‘Willekeurige verrassing!’ De berenman haalde een van de beren uit zijn kooi, die meteen naar mij toe liep en zijn klauwen om mij heen sloeg en rare grommende geluiden maakte. ‘Waarom ben je zo gespannen?’ vroeg de man. ‘Het is maar een beer.’ We lieten het Sovjetfilmpje aan de man zien, en hij keek ernaar alsof hij het al duizend keer had gezien, wat misschien ook zo was. Hij kende niet alleen de beren, maar ook de trainers van de beren. Is natuurlijk een klein wereldje, die van de berentrainers.

Hij nodigde ons uit om naar de beer in het circus te kijken. Als je even de dierenmishandeling vergeet, was het best knap wat de beer allemaal deed. Hij reed op een brommer, en trok zelf een onderbroek aan. En kon ook nog koorddansen, niet onverdienstelijk. Zijn beren zouden ook wel kunnen schaatsen, maar dan hadden ze bij geboorte gelijk op schaatsten moeten worden gezet. ‘Hele kleine schaatsen,’ voegde hij eraan toe.

We gingen verder, met de nachttrein vanuit Mineralnye Vody naar Sotsji. Vijf jaar geleden waren wij voor het laatst in Mineralnye Vody (betekent ‘waterbronnen’), toen filmden wij ’s werelds enige monument voor de klysma. Dat staat voor een sanatorium waar uiteraard heel veel klysma’s worden gezet, wat natuurlijk reuzegoed voor je darmen en je lichaam is. Het monument is symbolisch heel erg toegankelijk: het is een reusachtige bronzen klysma ter grootte van een Smart, omringd door engeltjes. Ik interviewde de dokter bij het monument, die was omringd door heel knappe zusters die elke dag de klysma’s zetten. Heel leuke televisie, maar helaas paste het niet in onze serie.

Wij kwamen ’s ochtends aan in Sotsji, en vlogen die avond alweer door. We hadden bewust weinig tijd voor Sotsji genomen: in de aanloop naar de Spelen is de stad veranderd in een onneembare vesting. Op heel erg veel plekken mag je niet filmen, en als je toch kan draaien dan wil niemand praten, onder druk gezet door schimmige mannetjes. De Winterspelen in Sotsji zijn met 37 miljard euro verreweg de duurste spelen ooit, en wellicht ook de grootste witwasoperatie ooit: vele, vele dichtgeritste partytenten zijn hier aan te pas gekomen. Vandaar dat dit onderwerp zo gevoelig ligt bij de Russen.

Toch maar proberen. We gingen naar het strand van Sotsji, waar graafmachines af en aan reden. Op het strand was het een bende. Ik probeerde een weg te vinden tussen prikkeldraad en, vreemd genoeg, aangespoelde schuimrubberen matrassen. Een paar jongens namen een duik in de zee. Wat vonden zij van de veranderingen? ‘Het is er niet beter op geworden. Kijk maar rond, het is vies, het is een rommeltje.’ En toen, beseffend dat ze voor een camera stonden: ‘Maar er is verbetering. Nieuw asfalt, nieuwe wegen. Eigenlijk is het best goed geworden.’ Dat was het grootste diepte-interview van Sotsji. De rest van de mensen zweeg, liep weg, of haalde de politie erbij. Na een dag van droefenis vlogen we verder naar Azerbeidzjan, na een nachtje slapen in Moskou.

Alina, onze assistent in Azerbeidzjan, nam ons op stap door de stad. We liepen langs een klein parkje bij de Kaspische Zee. Alle aarde van het parkje is afkomstig uit andere landen. De eerste schepen die olie haalden in Bakoe, tijdens de eerste olieboom aan het eind van de negentiende eeuw, waren verplicht om een lading met aarde te brengen. Olie hadden de Bakinisten zat, maar aarde niet. Vlak voor de olieboom van de negentiende eeuw was dit een dor moeras, maar met de ontdekking van de olie veranderde Bakoe compleet. Het moeras werd drooggelegd, en er verrezen paleizen van de oliemagnaten, de een nog exorbitanter dan de ander. Een oliemagnaat wilde zijn huis zelfs van puur goud maken; de enige reden waarom dat er nu niet staat is omdat goud te slap is om een huis van te bouwen. In de Sovjettijd verdween Bakoe op de achtergrond; voor de Sovjets draaide alles om de olievelden van Siberië. Na de val van de Sovjet-Unie, en vooral na de opkomst van de offshore olie-industrie is daar verandering in gekomen. Azerbeidzjan beleeft zijn tweede olieboom. De hele stad is onherkenbaar veranderd. De straten zijn geplaveid met marmer, en elke maand verrijst ergens wel een mooi, glimmend gebouw. Het pronkstuk zijn de flame towers, die torens in de vorm van vlammen, in het kader van toegankelijke symboliek. Dit keer zijn het niet de magnaten die er rijk van worden, maar de Aliyev-familie, die sinds de val van de Sovjet-Unie aan de macht is. Het portret van Heydar (spreek uit als Gaydar) Alijev, de vader van de huidige president, is op elke straathoek te zien, een beetje als Ataturk in Turkije. Vrije pers en vrije verkiezingen zijn er niet, maar de meeste mensen hebben er vrede mee, zolang ook maar wat rijkdom in hun richting terechtkomt.

De volgende ochtend gingen wij naar de olievelden van Bibi Heybat, een van de allereerste olievelden ter wereld. De ingenieur die destijds het olieveld drooglegde was zo idolaat van zijn eigen project, dat hij als laatste levenswens had dat zijn lichaam in de zeewering zou worden gemetseld. De Kaspische Zee klotst nog steeds tegen zijn graf aan. Ik was op stap met een historicus die vertelde dat Hitler tijdens de oorlog een grote slagroomtaart kreeg met een plattegrond van de Kaukasus erop. De taartpunt met Bakoe ging naar Hitler. De olievoorraden van Bakoe waren een van de belangrijkste redenen voor Hitler om de Sovjet-Unie binnen te vallen. Verder dan Stalingrad is Hitler nooit gekomen.

We gingen door naar een kunstenaar die al zijn portretten met ruwe olie schildert. De man, die sprekend op Maradona leek, zat in een klein appartementje in een oude Sovjetflat. Het appartement hing vol met heel lelijke schilderijen. Waarom schildert hij met olie, vroeg ik hem. ‘De wereld bestaat niet zonder olie. Dan zouden er geen auto’s zijn. En geen oorlogen!’ Tijdens het interviewen maakte de schilder een vrij slecht portret van mijzelf. Toen het portret ‘af’ was liet hij een collage zien van een gigantisch hoofd van Heydar Alijev die de top van de hoogste berg van Azerbeidzjan innam. Wat vond ik ervan, vroeg hij. ‘Zeer toegankelijke symboliek,’ antwoordde ik. Hij vertelde dat hij niet in het appartement woonde, maar toen ik wat ging rommelen in de andere kamer zag ik een opklapbedje achter een schilderij staan. En op de koelkast lag een tandenborstel. In de borstel zaten allemaal bruine klodders. Zou hij zijn tanden poetsen met olie? In de andere kamer werd Alex belaagd door de kunstenaar ‘Er was hier laatst een Zwitserse cameraploeg, die hebben allemaal cadeautjes voor mij meegenomen, hebben jullie ook cadeautjes voor mij. Nee? Wat rook je daar, een elektronische sigaret? Zou je er mij eentje kunnen geven? En de lader ook, anders kan ik hem niet opladen natuurlijk. Heb je niet bij je? Je kan hem ook wel morgen langsbrengen, hoor.’

De volgende dag spraken wij af met een miljardair met de geweldige naam Ibrahim Ibrahimov. Hoe hij rijk is geworden werd niet heel duidelijk, zoals dat wel vaker gaat in dit soort landen, je komt er eigenlijk niet achter. Maar dat hij geld had was duidelijk. Ibrahimov ontving ons in zijn tweede huisje, een bescheiden optrekje ter grootte van het Thialf. Even verderop bouwde hij nog een Thialf. ‘Mijn zoon heeft iets nodig om in te wonen als hij in Bakoe komt studeren.’ Hij liet ons binnen in zijn eigen Thialf en liep onmiddellijk naar de bar en trok een fles open, terwijl de camera aanstond. Deze man had nog nooit een mediatraining gehad, zoveel was duidelijk. Hij schonk mij een glas uit een fles cognac van vijftig jaar oud. ‘Ik heb tweeduizend flessen Franse wijn,’ voegde hij eraan toe. Daarna moest er gegeten worden; de tafel werd gevuld met heerlijke Azerische hapjes. Er ging een Chablis open. Toen ik hem vroeg of er in Azerbeidzjan ook wijn werd gemaakt fluisterde Ibrahimov iets in het oor van zijn ober. Die kwam de kelder uit rennen met een stoffige fles. ‘Uit 1947. Gemaakt door Duitse krijgsgevangenen. Dat kan je wel aan die Duitsers overlaten, wijn maken,’ zei Ibrahimov en hij schonk mij een glas in met bruine, maar heerlijke wijn.

Lichtelijk aangeschoten vertrokken we met zijn speedboot naar de Khazar Eilanden, een groep kunstmatige schiereilanden voor de kust van Bakoe. Die Azeri’s moeten hebben gedacht: als Dubai kunstmatige eilanden heeft, dan wij ook. Overigens is het de bedoeling dat Bakoe ook het hoogste gebouw ter wereld krijgt: meer dan een kilometer hoog. De eilanden waren het geesteskind van Ibrahimov. Het idee voor de eilanden kreeg hij in het vliegtuig. Bij gebrek aan papier vroeg hij de stewardess om een servetje. Het eiland heeft precies de vorm zoals ooit geschetst op het servetje.

Ibrahimov stond erop dat wij terugreden in zijn Rolls Royce. Met 180 kilometer per uur zoefden wij op de vluchtstrook, aan de verkeerde kant van de snelweg langs het vaststaande verkeer. Een politiepost flitste voorbij. ‘Een politieagent maakte een keer de fout om mij aan te houden. Toen hij zag wie er in de auto zat begon hij te bibberen. Elke keer als ik hem tegenkom op de weg stopt hij zijn auto en buigt hij voor mij!’ vertelde hij triomfantelijk. Een andere keer dreigde zijn vrouw haar vlucht naar Amerika te gaan missen. Ibrahimov belde de luchtvaartmaatschappij die een technisch probleem met het vliegtuig verzon. Het vliegtuig vertrok uiteindelijk met vier uur vertraging, met zijn vrouw erin.

De volgende dag spraken wij af met een man wiens vader en oom waren gedeporteerd tijdens de terreur van Stalin, die is geboren in de Kaukasus, en die een grote stempel op dit gebied heeft gedrukt. Daarom wijdden wij een complete aflevering aan hem. Dat is een van de miljoenen; bijna elke inwoner van de voormalige Sovjet-Unie heeft wel een ‘vijand van het volk’ in de familie die naar de goelagkampen was gestuurd voor een onzinnige reden. In het geval van de oom van de man was dat het hebben van een radio. Het was wat lastig filmen in zijn appartement, en ik vroeg hem of wij het interview op zijn balkon konden doen. Dat ging niet; zijn balkon keek uit op het ministerie van Binnenlandse Zaken, en hij had liever niet dat zij hem met een camera op het balkon zagen staan. Straks dachten ze nog dat hij van de oppositie was, en de verkiezingen kwamen er ook nog aan! Die niet helemaal eerlijke verkiezingen won Alijev overigens met 85 procent van de stemmen. Ik vond het voor de man heel erg verdrietig dat hij vertelde over de terreur van Stalin, en intussen zijn eigen balkon niet op durft te gaan.

Aan het eind van de middag gingen we naar de gloednieuwe boulevard die langs de Kaspische Zee loopt. De boulevard eindigt bij de op een na grootste en hoogste vlag ter wereld. De hoogste vlag wappert nu drie meter hoger in het straatarme Tadzjikistan. Op de plek van de vlag stond vroeger ooit de beruchte Bailov-gevangenis, waar Stalin nog een tijdje heeft doorgebracht. Stalin werd opgepakt in Bakoe, toen een revolutionair wespennest. Dat is ook niet zo gek, met arbeiders die olie moesten winnen onder dickensiaanse omstandigheden, terwijl de magnaten droomden van massief gouden paleizen. Overigens deden die magnaten wonderlijk genoeg regelmatig contributies aan de communistische partij, waardoor ze in feite hun eigen einde financierden. Hoe dan ook, Stalin werd opgepakt en in de gevangenis gegooid. Elke nacht werden er gevangenen opgehangen op de binnenplaats. Kennelijk ging dat nogal slordig want er werd een hoop gegild en gegorgeld. Alle gevangenen lagen wakker, behalve Stalin, die overal doorheen sliep, meldt het boek The Young Stalin, dat ik in Bakoe aan het lezen was.

Ik wilde passanten vragen stellen over de gevangenis, maar er kwam een politieman op ons af die zei dat we moesten stoppen met filmen. Hij belde met zijn superieuren. Die deelden ons mee dat we er wel mochten filmen, maar dat we niemand mochten aanspreken. Opnieuw bekroop mij het gevoel dat de geest van Stalin nog door Bakoe waarde.

We besloten om de bergen in te rijden, misschien was de sfeer daar wat meer ontspannen. We reden met de boekhanka naar het noorden van Azerbeidzjan. Eerst door de woestijn langs de kust. De chauffeur sloeg ineens een niet bestaande weg in, en na een lange hobbelige rit belandden wij op het strand, met auto en al. Wat moesten we hier doen, vroegen we Zaur. ‘Zwemmen.’ De Kaspische Zee is niet echt een zee. Het is eigenlijk een gigantisch meer, al is het water niet helemaal zoet. Na afloop dronken we op het strand koffie met een fles cognac die we nog van Ibrahimov cadeau hadden gekregen. De cognac had de geweldige naam ‘Merci Baku’.

De tocht ging verder, de woestijn verdween, er kwam steppe voor in de plaats. Daarna verdween de steppe, en opnieuw doemden de bergen van de Kaukasus voor ons op. De bestemming was het dorpje Khinalug (wat ook mag: Khinalugh, Khinalig, Xınalıq, Khanaluka, Khanalyk, Khinalykh, of Khnynalyk en, fascinerend genoeg: Kets) in de buurt van de grens met Rusland. De bewoners van Khinalug zweren dat het het hoogst gelegen dorp ter wereld is, op 2350 meter hoogte. Interessant: elke dinsdag voor een feestdag maken ze een vuurtje en springen ze eroverheen. Alle ziektes en andere ellende blijven achter in het vuur. We spraken de schaapherder Ali die vanwege Stalin zijn vader veertig jaar niet had gezien. Die was tijdens de oorlog soldaat in het Rode Leger en werd gevangengenomen door de Duitsers. Stalin vond soldaten die zich overgaven maar laffe verraders. Zijn eigen zoon Yakov werd gevangengenomen door de Duitsers. Zij boden Stalin vervolgens aan hem te ruilen voor maarschalk Paulus, die was gevangengenomen tijdens de slag om Stalingrad. Stalin antwoordde: ‘Ik ruil geen luitenant in voor een maarschalk.’ Zijn zoon overleed in concentratiekamp Sachsenhausen. Na terugkomst werden Russische krijgsgevangenen linea recta naar de goelags gestuurd. Om niet in een goelagkamp te belanden keerde de vader van Ali niet terug naar de Sovjet-Unie, maar ging in Turkije wonen. Pas in 1981 durfde hij terug te gaan naar zijn familie.

’s Avonds sliepen wij in het beste – en enige – hotel van Khinalug. Nou ja hotel, het was een huis met een paar lege kamers. Een douche was er niet. Ik sliep gezellig met de geluidsman en de cameraman op een kamer. Onze bedjes stonden gezellig naast elkaar en wij voelden ons net de drie biggetjes. Toen ik ’s ochtends in het donker slaapdronken mijn weg zocht naar het schijthuisje struikelde ik over een schaap.

We gingen verder naar het westen van Azerbeidzjan, een rit die in theorie maar een uur of zes is, maar onze ervaring was intussen dat je met de boekhanka het dubbele moet rekenen. Daarom besloten wij om de nachttrein te nemen. Want de trein, dat is toch het meest comfortabele voertuig ter wereld? Niet per se. We vonden het al vreemd dat de trein praktisch uitgestorven was bij vertrek. Toen we eenmaal reden bleek wel waarom: in Bakoe mogen de straten dan wel met marmer zijn geplaveid, aan de trein is helemaal niks veranderd in de laatste vijfentwintig jaar. De trein schudde de hele nacht keihard heen en weer. Ik werd ’s nachts wakker met een half bierflesje naast mijn hoofd dat van de tafel was gevlogen en over mijn hoofd en kussen lekte. Enger waren de flinke gaten tussen de railsstukken, waardoor je het gevoel kreeg dat de trein elk moment kon ontsporen.

Om vier uur ’s nachts werd er op de deur geklopt, ik moest opstaan. Niet dat ik lag te slapen, maar goed. Ergens tussen halfvijf en halfzes zouden we aankomen bij ons station. We hadden precies één minuut om uit te stappen met onze belachelijke hoeveelheid koffers en apparatuur. Uiteindelijk stopte de trein in the middle of nowhere; een perron was er niet. Maar onze vriend de boekhanka stond er gelukkig wel. We belandden bij het enige café dat geopend was op dit onchristelijke tijdstip. Er stonden alleen maar gebakken eieren op het menu, en chasj, een van de smerigste gerechten ter wereld. Ik heb in Noord-Ossetië ooit de fout gemaakt om chasj te bestellen. Ik kreeg een bak soep met halfgare tweederangs kippeningewanden. Geen niertjes, maar longen en hartjes. Verder geen bouillon ook, maar gewoon gekookt water. Wijselijk nam ik dus de gebakken eieren, maar de lucht die van de chasj kwam was genoeg om mij misselijk te maken. Om mij heen zaten allemaal mannen met een bord chasj en een glas wodka. Het was halfzes ’s ochtends.

Een paar gebakken eieren is geen goede bodem voor de jacht. We gingen jagen met wat veteranen van de Karabach-oorlog, die de Azeri’s in de jaren negentig voerden met de Armeniërs om het gebiedje Nagorno-Karabach. Op dit moment hebben de Armeniërs het gebied in handen, maar een vredesverdrag is nooit ondertekend. Officieel zijn de landen nog steeds in oorlog, en af en toe wordt er nog over en weer geschoten. De veteranen waren natuurlijk erg handig met hun geweren, wat je niet van mij kan zeggen. Sterker nog, ik had nog nooit in mijn leven ook maar een geweer in mijn handen gehad. Met z’n vieren reden we rond in een Lada, met uit elk raam de loop van een geweer. Een van de jongens was een vluchteling uit de Karabach-oorlog. Op zijn vijfde vluchtte hij weg uit Karabach. Het moest allemaal zo snel gebeuren dat zij geen kleding mee konden nemen. Het sneeuwde, iemand verloor zijn voet, een ander zijn kind. Mensen werden gevangen, zwangere vrouwen werd de buik opengesneden nadat ze waren verkracht, vertelde hij onbewogen. Zonder cynisch te worden: het verhaal van de zwangere vrouwen hoor je in elke oorlog, ook van de Armeniërs aan de andere kant van de grens.

Het jagen gebeurde in de buurt van Naftalan, waar mensen sinds Sovjettijden een bad nemen in ruwe olie. Zolang het maar smerig is, is het goed voor je lichaam, ben ik intussen wel achter. Ik was al eerder in een sanatorium waar ze modder gebruiken, de klysma’s noemde ik al. In Krasnojarsk kan je gemasseerd worden door een Afrikaanse reuzenslak, die algauw een kilo weegt. Ze plaatsen de slak op je gezicht, is goed voor je. En in Azerbeidzjan is ruwe olie het wondermiddel. We liepen een oud Sovjetsanatorium binnen dat elk moment in elkaar kon storten. Een vrouw uit Georgië was zojuist in bad gegaan in de badzaal, waar elk bad besmeurd was met olie. Dit was haar zesde bad, maar tien baden was voor haar wel het absolute minimum, ze bleef dus nog even. Het was zondag, er waren weinig mensen die ik kon spreken, dus ging ik er zelf maar in. Een kordate zuster stopte mij in een bad. De olie had een temperatuur van 37 graden, en eerlijk gezegd was het best aangenaam om de olie over mijn lichaam te voelen verspreiden. Toen het bad vol was vroeg ik waarom het nou zo goed was voor je lichaam. ‘De olie trekt in je bloedbaan, en blijft daar ongeveer nog een halfjaar,’ was het antwoord van de zuster. Na dit geruststellende antwoord klom ik het bad weer uit. Een andere zuster verscheen om met een schoenlepel de olie van mijn huid te schrapen. Opnieuw: er zijn ergere dingen op deze wereld. Daarna werd ik met een fles shampoo de douche in gestuurd. Ik heb de hele fles gebruikt.

Nog steeds naar olie geurend stak ik even later de grens over naar Georgië. Vergeleken met de halve politiestaat Azerbeidzjan is Georgië een verademing. Al bij de paspoortcontrole merk je het verschil: de paspoorthokjes zijn doorzichtig, en er is een wc die min of meer schoon is. Sinds de Rozenrevolutie van 2003 doet Saakashvili er alles aan om het land te moderniseren en minder corrupt te maken. Maar sinds kort is daar Bidzina Ivanishvili aan de macht, die zich van het Westen heeft afgekeerd, en zich wat meer concentreert op Rusland. Ik weet niet of het daar mee te maken heeft, maar we hadden onverwachte problemen aan de grens. Eerder was onze researcher uit het vliegtuig geplukt bij aankomst in de hoofdstad Tbilisi door ‘vliegveldmedewerkers’ die zich niet wilden identificeren. Nu hadden wij ineens documenten nodig om het land in te komen, hoewel ons van tevoren was beloofd dat dat niet het geval was. We brachten twee uur door in een hokje waar zoveel gerookt werd dat je niet kon zien wie er achter het bureau zat.

Niemand weet eigenlijk veel af van Ivanishvili, los van dat hij heel erg veel geld heeft. Dat is ook de reden waarom veel Georgiërs op hem hebben gestemd. Hij heeft al geld, dus hij zal weinig geld van de staat jatten, is de redenering van velen. Ivanishvili is wat meer pro-Rusland, op zich niet een heel erg slecht idee. Sinds de oorlog van 2008 om het republiekje Ossetië zijn de twee landen geen grote vrienden om het zachtjes uit te drukken. Rusland kijkt al langere tijd met hongerige ogen naar de Kaukasus. Het verhaal ging dat Rusland stapje voor stapje de grenzen verschuift richting Georgië. Dat gingen wij uitzoeken.

Eerst deden we boodschappen in de hoofdstad Tbilisi. Het is in de bergen gebruikelijk om bij een bezoek een zak meel of iets dergelijks mee te nemen, als dank voor de koffie en de koekjes van de bergen: een tomaatje, verse schapenkaas, vers brood, wat zout, en een kopje thee. Shatili, onze eindbestemming, is soms meer dan een halfjaar ingesneeuwd, en de dorpsbewoners moeten dan zien te overleven van de spullen die ze al hebben ingeslagen. Dus kochten we de grootste supermarkt van Tbilisi helemaal leeg. Een klant bestelde een verse karper, die met zijn vriendjes in een tank zwom. De karper werd in een bak gelegd waar een draadje naar het stopcontact liep. Het draadje ging in het stopcontact, en de vis kon in de verpakking.

De volgende halte was de automarkt van Tbilisi. We hadden een imperiaal nodig, want de boodschappen pasten niet meer in de boekhanka met al onze bagage. Dit is de automarkt waar de hele Kaukasus komt. Azeri’s kopen uitlaten bij hun vijanden de Armeniërs, en Georgiërs lassen een nieuwe uitlaat voor hun Russische buren. Het deed mij in de chaos en smerigheid erg aan India denken. Een man verkocht tweedehands portieren. Er was ook nog een gloednieuwe, maar halve Mercedes in de aanbieding. Uiteindelijk vonden wij het imperiaal, dat natuurlijk niet op onze boekhanka paste. En alles bleek gewoon in de auto te passen. Een willekeurig kunstje!

We kwamen die dag niet verder dan Borisacho, waar we logeerden bij een oude Georgische die verse chinkali voor ons ging maken. Chinkali zijn de essentie van de Georgische cultuur. Het zijn deegbuideltjes gevuld met vlees en jus, en elke chinkali is ongeveer zo groot als een hand. Het is de bedoeling dat je chinkali uit het vuistje eet. Je bijt er een klein gaatje in, en je zuigt dan de gloeiend hete jus eruit. Als dat is gebeurd, eet je de rest op. Een echte Georgische man eet er dertig, ik kwam niet verder dan vijf.

Ik ging aan de tafel zitten waar de vrouw haar chinkali’s aan het maken was. Ze vertelde dat het deeg van een chinkali met negentien vouwtjes moet zijn dichtgemaakt, om de liefde te tonen voor de man die het opeet: hoe meer vouwtjes, des te groter de liefde. Ik vroeg waar haar man was. Die bleek te zijn opgeblazen door een Russische landmijn in het grensgebied.

De volgende ochtend reden wij door naar Shatili. We reden door een bergpas. Hier groeide helemaal niets meer, het was een kale vlakte. Beneden in de vallei zag je duizenden bomen in rood, geel en groen, de herfst was begonnen. Midden op die kale vlakte stond een schurftige hond die bedelde om wat eten. Dat heb ik vaker op de reis gezien; zwerfhonden die wonen op plekjes waar absoluut helemaal niets aan eten is te krijgen, op wat zij toegeworpen krijgen van de passanten na. Een herder kwam te paard langs met een kudde schapen, ik vroeg hem of het klopte dat Rusland de grenzen opschuift: ‘Poetin houdt de grenzen aan een touwtje,’ antwoordde hij.

We kwamen terecht in Shatili, een nogal onooglijk dorpje ware het niet voor de schitterende wachttorens die hier al duizend jaar staan. De wachttorens werden vroeger gebruikt als verdedigingslinie door de Chevsoeren, die dit gebied nog steeds bewonen. Vroeger beschermden ze, meestal futiel, tegen het dozijn aan grootmachten die Georgië hebben bezet. Tegenwoordig beschermen de Chevsoeren de grens met Rusland. Alle torens leken uitgestorven, maar uit één toren kwam getimmer. Daar zat een jongen, Shota, met zijn vriend de binnenkant van een van de torens te renoveren. Tot een jaar of dertig geleden woonden hier nog mensen, vertelde hij. Maar in het kader van het beschavingsoffensief van de Sovjets werden zij in moderne huizen ondergebracht, en zijn de torens verwaarloosd.

Met Shota klom ik op het dak van zijn toren, waar je een dramatisch uitzicht op de bergen had. ‘Hier zit ik vaak als ik moet nadenken,’ vertelde hij. Een jaar geleden had zijn vriendin het uitgemaakt, onder meer vanwege het plan van Shota om in een van de oude torens te gaan wonen. Ik vroeg hem of het niet eens tijd werd om haar te vergeten, en vooruit te kijken. ‘Nee, want ze komt terug, dat weet ik zeker. Als ik er niet meer in geloof, dan gebeurt het ook niet.’ Ik zag dat hij op het punt stond om in huilen uit te barsten. Om van onderwerp te veranderen vroeg ik hem wat die witte stenen aan de overkant van de heuvel waren. ‘Dat is een begraafplaats. Daar ligt mijn vader. Hij is vermoord in een bloedwraak toen ik drie jaar oud was.’

’s Avonds maakte Shota in de bergen een vuur met zijn vrienden. Wodka en balalaika waren ook mee. Hij vertelde dat het als zoon zijn taak is om degene te vermoorden die zijn vader heeft vermoord. En diens zoon zal Shota weer vermoorden, et cetera. Gelukkig is de dader nooit gevonden. Wat zou je doen als het een bekende van je was, vroeg ik hem. ‘Als ik hem zou kennen, dan zou ik hem waarschijnlijk niks doen. Maar als hij van ver komt zou ik wraak nemen. Het is jammer dat hij zou sterven, maar door hem ben ik zonder vader opgegroeid. Ik ben de enige man in het gezin, ik heb alles geleerd op straat. Als je een vader hebt is het anders, voel je je anders.’

Ons hotel had geen stromend water, de enige waterleiding van het smeltwater liep van een gletsjer naar beneden, en die was gesprongen. Het frusterende was dat je met het blote oog het water kon zien gutsen uit de leiding. Bij de wc was het behelpen met onduidelijke en vooral kleine emmertjes water van dubieuze en onduidelijke komaf. Pas op dag drie konden we douchen, zij het wel met koud gletsjerwater, maar dat maakt op zo’n moment weinig uit.

In een dorp verder woonde een ‘vrijwillige grenswacht’. Eigenlijk is hij een schaapherder, maar ze zijn hier zo gek van de grens bewaken dat ze ook in hun vrije tijd bij de grens patrouilleren. De vrijwillige grenswacht had een heel groot oor en een heel klein oor. Maar telkens als hij mij niet verstond draaide hij mij zijn kleine oor toe. We stonden in the middle of nowhere aan de rand van een afgrond, diep beneden in de vallei liep een riviertje. Vanuit hier kon je de Russische grenspost zien, die vorige winter een paar honderd meter op was geschoven. Aan drie masten wapperden Russische vlaggen. Het was niet te zien of de Russen ook naar ons zaten te kijken. We stonden op een stenen huisje, ook dit was gebouwd zonder cement. Na de opnames klommen we van het huisje, de man nam mij mee naar een raam met tralies. De hele ruimte binnen lag vol met botten en schedels. ‘Dit is de plek waar ze vroeger mensen heen brachten die bijna dood waren door de pest. Dit was veiliger, ver van de dorpen vandaan.’ Ik moest denken aan hoe gruwelijk het moet zijn geweest om te sterven aan de pest, achtergelaten in een afgelegen huisje, liggend op de botten van de stakkers die je voor zijn geweest.

De man met de verschillende oren nam ons mee naar zijn huis, waar we werden getrakteerd op een schaal met schapenvlees. Zijn vrouw, die het vlees had gemaakt, was nergens te zien. Het is op het Georgische platteland de gewoonte om de vrouwen en het bezoek gescheiden te houden.

Na een nachtje beschaving in Tbilisi reden wij opnieuw de bergen in, dit keer op weg naar de Tsjetsjeense vluchtelingen van de Pankisi-vallei. Aan de andere kant van de bergen ligt Tsjetsjenië. Tijdens de Tsjetsjeense oorlog vluchtten veel Tsjetsjenen in deze richting, en voerden vanuit de Pankisi-vallei ook aanslagen uit in Rusland. In 2003 bombardeerden Georgiërs en Amerikanen het gebied om alle Al Qaeda-krijgers uit te roeien, wat redelijk gelukt is: het gebied is intussen veilig genoeg om heen te gaan. Sterker nog: ik zag in de berm van de weg zelfs twee toeristen lopen met dagrugzakjes en gelijkkleurige Gaastra-jasjes, ongetwijfeld Nederlanders.

Het uitroeien van de Al Qaeda-strijders veroorzaakte, in combinatie met hoge werkloosheid en een hoop oud-veteranen, voorspelbaar genoeg nog meer extremisme. Overal worden moskeeën gebouwd met Saoedisch geld. Eén moskee is neergezet door de misdadiger Shamil Basajev, het meesterbrein achter het gruwelijke gijzelingsdrama van de school in Beslan. We logeerden bij Layla, een gevluchte Tsjetsjeense. Ze woonde daar met een Georgische die een tijdje in Europa had gewoond in allerhande kunstenaarskraakpanden. Ze zong voortdurend, wat in het begin best leuk is maar na enige tijd werd het wel irritant.

Layla kookte die avond voor ons, en vroeg tijdens de maaltijd of ze ons gezelschap kon houden. Ze dronk zelf geen alcohol, maar Poolse gasten hadden de nacht ervoor een vijfliter-jerrycan met wijn achtergelaten die wij op mochten drinken. Ze vertelde dat haar zoon vorig jaar in Syrië was omgekomen. Ze had ooit drie zoons, maar een was om het leven gekomen in de Tsjetsjeense oorlog, net als haar man. Uit verveling en interesse was een van de overgebleven zonen naar een van de nieuw gebouwde moskeeën gegaan, en was daar een vaste gast geworden. De baard bleef groeien, de djellaba ging aan en hij ging zich gedragen als een salafist. Toen werd Layla al ongerust. Nog erger werd het toen hij zijn strenge versie van de islam ook nog eens aan zijn moeder ging opleggen. Ze mocht niet meer zingen thuis, want dat mocht niet van Allah. En dat terwijl Layla in een zangkoor zat. Tsjetsjeense dansen vond hij eigenlijk ook niet meer kunnen. Terwijl dansen voor Tsjetsjenen zoiets is als fietsen voor Nederlanders. Op een dag was haar zoon verdwenen, een paar weken later kreeg zij een bericht uit Syrië. Hij had zich aangesloten bij de rebellen en zat ergens in de buurt van Aleppo. Oorlog of niet, haar moederhart dwong Layla er gelijk achteraan te gaan om haar zoon terug te halen. Via Turkije, in allerhande minibusjes, zonder een woord Engels of Arabisch te spreken, midden in een burgeroorlog, vond zij haar zoon. Drie dagen praatte ze op hem in. Dat hij een gezin had. Dat ze de buitenlanders, en al helemaal de Tsjetsjenen, naar de gevaarlijkste plekken stuurden. Het hielp allemaal niet; drie dagen na terugkomst hoorde ze dat hij was doodgeschoten.

Ik zat met open mond te luisteren, mijn eten was al koud geworden. Ik had te doen met Layla, en als ik heel eerlijk ben had ik ook met mijzelf te doen, want dit zijn precies de verhalen die je wilt horen met een camera erbij. De volgende dag deden wij het gesprek opnieuw met de camera erbij, wat natuurlijk een stuk minder goed uitpakte dan de nacht ervoor. Mensen gedragen zich toch meestal anders voor de camera, wat zelfbewuster. Het gebeurt maar zelden dat mensen zich er niets van aantrekken. Ik vroeg over haar nog enige levende zoon, die naar Wenen was gevlucht tijdens de Eerste Tsjetsjeense oorlog. Hij had daar een goede baan als programmeur, en een gezin, vertelde ze. Aan het eind van het verhaal werd Layla verdrietig om haar doodgeschoten zoon, en ik besloot om even een pauze te houden om haar tot rust te laten komen.

Terwijl ik wat mierzoete thee dronk zag ik haar bellen op een boomstronk in de tuin. De regisseur draaide een shot van haar dat we later bij het interview konden gebruiken. Ineens begon Layla te gillen, en rende huilend het huis in. Het was haar schoondochter in Wenen; haar laatste levende zoon was zojuist naar Syrië vertrokken.

Ik probeerde in contact te komen met salafisten in de buurt, maar voorspelbaar genoeg hadden die geen zin om met een journalist te praten. Van een Tsjetsjenië-veteraan begreep ik dat het voetbalelftal van het dorp voor de helft uit salafisten bestond, misschien was dat wel een ingang. ‘Ze hebben net de derby met het andere dorp gespeeld, maar ze willen vast wel revanche voor hun verlies. Ze spelen altijd om een schaap, dus als je een schaap weet te regelen gaat het wel lukken.’

Met de boekhanka reden wij naar een herder die net uit de bergen was afgedaald om zijn schapen te scheren. Een ongelukkig schaap ging mee in de auto naar de wedstrijd. Toen de wedstrijd was begonnen was het schaap gelukkig afgeleid, toen er werd gescoord maakte hij zelfs een sprongetje. Dit keer won het dorp waar wij logeerden, en het schaap ging naar de moskee waar hij zou worden opgepeuzeld. Tijdens het slachten hoorde ik nog wat saaie verhalen aan over de islam, maar het was het allemaal waard: even later hadden wij een interview geregeld met een van de salafisten die gewiekst genoeg was om zich in te houden als de camera aanstond, maar zodra de camera uitstond dingen riep als: ‘Over 300 jaar ziet iedereen Bin Laden als Jeanne d’Arc’ en de klassieker ‘De holocaust heeft nooit plaatsgevonden’. Er volgde ook nog een deprimerende en voorspelbare discussie over cartoons die over Allah gaan, die jullie zelf wel kunnen spellen.

Onze reis eindigde in de stad Gori, waar Stalin is geboren. Zijn geboortehuis staat er nog steeds, dat wil zeggen een kopie ervan. Als je naar binnen kijkt zie je het eenvoudige interieur van de dronken schoenlapper en zijn moeder, die hem bij toerbeurten afranselden. Het huis ligt aan de Stalin-laan, een van de laatste overgebleven Stalin-lanen ter wereld. De vorige keer dat ik hier was stond hier ook nog een groot Stalin-standbeeld, maar dat is op bevel van Saakashvili weggehaald. Op de plaats van het beeld is nu een herdenkingsteken gepland voor de miljoenen slachtoffers van Stalin. Maar sinds Ivanishvili aan de macht is, ligt dat plan in de koelkast. En wordt er zelfs weer gesproken over de terugkeer van het beeld van Stalin, ietsje verderop, op het plein waar een Nederlandse cameraman omkwam door een Russische clusterbom tijdens de oorlog van 2008.

Ik probeerde wat mensen op straat te vragen of zij iets wisten van de terugkeer van Stalin, en zo ja, wat ze ervan vonden. Niet geheel verrassend had niemand zin om iets te vertellen. De enige man die iets wilde vertellen, met een massieve hoornen bril op, had net genoeg tanden om fatsoenlijk zijn verhaal te doen.

We gingen nog even filmen bij het Stalin-museum. Een Russische bezoeker had het museum in het gastenboek gecomplimenteerd met de ‘objectieve blik’, een Belgische bezoekster sprak haar afgrijzen uit over het ontbreken van de terreurdaden. In de giftshop zag ik een dichtbundel van Stalin. Het bleek dat Stalin een buitengewoon gemiddelde dichter was. Veel gelul over vogeltjes, de herfst en natuur. In de vitrine zag ik zo’n bol die je moet schudden zodat het gaat sneeuwen, met een plaatje van Stalin. Ik rekende de bol en de dichtbundel af bij de caissière, die stemmig was gekleed in een legeruniform.

Buiten, tijdens het eten van nog meer chinkali’s zat ik te denken: wat zouden Oostenrijkers vinden van een Hitler-museum in zijn geboorteplaats Braunau am Inn? Met een kopie van zijn geboortehuis? Met een giftshop waar ze reproducties van zijn middelmatige schilderijen verkopen, waar je afrekent bij een caissière in een nazi-uniform?

De laatste stop op onze reis was de grote begraafplaats van Tbilisi, om het graf te filmen van Kato Svanidze, de eerste vrouw van Stalin, die op drieëntwintigjarige leeftijd overleed. Kato was met Stalin meegegaan naar Bakoe, maar kon slecht tegen de hete en klamme zomers. Ze keerde terug naar haar geboortedorp, maar het was al te laat: ze ging dood aan tyfus, die ze had opgelopen in Bakoe. Op de begrafenis zei Stalin: ‘Dit schepsel ontdooide mijn stenen hart. Ze is nu dood, en met haar sterven mijn laatste warme gevoelens voor de mensheid.’ Dat hebben we allemaal geweten.

Tijdens de begrafenis van Kato stortte Stalin zich in het graf, maar krabbelde gelijk weer op. De ochranka, de geheime politie van de tsaar, was ook naar de begrafenis gekomen om hem op te pakken. Stalin klom over een hek, en rende weg van de begrafenis van zijn eigen vrouw. Speciale coulantie had Stalin niet voor de Svanidzes: haar broer en zus werden in de jaren dertig geëxecuteerd. Iemand had onlangs nog een kaarsje voor Kato gebrand, een stompje was hing tegen de grafsteen. Bij het graf kwam ik een grafdelver tegen. Ik vroeg hem wat hij van Stalin vond. ‘Een genie. Dit is een man die zijn lagere school niet heeft afgemaakt, maar toch de hele wereld in zijn reet heeft geneukt.’