INSPECTEUR ARGLISTIG EN DE SMOKKELKONING

HOOFDSTUK I

Receptie

Het was druk op de receptie bij de opening van de nieuwe zaak van de Klerk die deze gelegenheid hadden aangegrepen om enige mededelingen aan de pers te doen. De journalisten wisten al dat het de tiende zaak was en dat de heren Klerk met nog meer plannen rondliepen.

Daar ging het ditmaal niet om, want iedereen was nieuwsgierig wat de heer Klerk te vertellen had over de nieuwe stof. Het was bekend dat Klerk de hand had weten te leggen op de eerste 50.000 kostuums gemaakt van de geheimzinnige nieuwe stof. Daar maakte de heer Klerk ook geen geheim van, maar waarvan die nieuwe stof eigenlijk gemaakt was, kwamen ze niet te weten. Wel, dat alle goede eigenschappen van andere stoffen hierin verenigd waren. Een paar krantenmensen haalden berustend de schouders op en wijdden verder hun aandacht aan de glazen sherry en port, de zoutjes en de hartige hapjes, die aan het geïmproviseerde buffet verkrijgbaar waren. De anderen bleven nog in de buurt van de heren Klerk en trachtten

 

door het stellen van vragen wat meer aan de weet te komen. De heer Klerk lachte maar eens en vertelde opnieuw dat je met deze stof praktisch alles kon doen. Ze was kreukvrij, onbrandbaar, ‘s winters warm en ‘s zomers koel, tot de laatste draad kleurhoudend en als klap op de vuurpijl absoluut vlekvrij.

„Dat vlekvrij wil ik dan weieens proberen,” mompelde een van de journalisten terwijl hij schuin naar de etalagepop keek, die omhuld door een grijs kostuum gemaakt van de nieuwe stof midden in de zaak stond.

De heer Klerk lachtte en zei: „Liever op een andere keer, want het geeft zo’n rommel.”

Zijn collega’s lachten en dromden samen rond de etalagepop met het grijze kostuum. Ze konden er echter niet vlakbij komen, want rondom de verhoging waarop de pop stond had men met behulp van houten standaards een dik groen koord gespannen. Daarachter stonden bordjes met het verzoek niet over het koord te klimmen en daar hield zelfs de brutaalste zich aan. Ze konden trouwens de stof van dichtbij zien en zelfs in hun handen nemen. Op een van de toonbanken lag namelijk een flink stuk van de nieuwe stof van hetzelfde grijs als het kostuum. Er stonden reeds een paar mensen van grote textielfabrieken bij, maar veel wijzer werden ze niet. Ze mochten de stof zien en betasten, maar omdat er een dubbele zoom inzat kregen ze geen kans om ook maar een klein rafeltje ervan mee naar huis te nemen. Men had zelfs op scharen of andere scherpe voorwerpen gerekend, want in de zoom zat een stalen band gestikt zodat het onmogelijk was om er met een schaar een stuk af te knippen. De fabrikant had dus alle voorzorgsmaatregelen genomen en bovendien hielden twee potige mannetjes er nog toezicht op.

„Ze zijn nogal angstig,” bromde een van de textielman-nen teleurgesteld.

„Jij zou misschien nog veel gekkere dingen doen,” zei een collega hatelijk.

De man draaide zich nijdig om en slenterde naar het buffet. Hij dronk slechts een enkel glas sherry voordat hij naar huis ging om te vertellen dat hij niets wijzer was geworden. Hij had evenals de rest niet kunnen vaststellen wat er in die stof verwerkt was en ook niet uit welk land hij afkomstig was. Het leek hem Engels fabrikaat toe, maar zeker wist hij het niet. Het kon net zo goed Frans of Italiaans zijn, maar mooi was het, al zou hij dat niet tegen iedereen willen vertellen. De concurrentie zou er nog feller door worden en nu wisten ze zelfs niet uit welke hoek het ditmaal kwam. In ieder geval waren de klanten van Klerk er goed mee, dat zag hij zo wel. Die lui hadden trouwens een fijne neus voor dergelijke dingen. Jammer dat hij er niet een klein snippertje van te pakken had kunnen krijgen.

Enfin, wij zullen maar afwachten, mompelde hij, toen hij in zijn wagen stapte.

Binnen bleef het gedrang aanhouden en de heren Klerk hadden het druk om alle handen te drukken en de beste wensen aan te horen. De belangstelling rondom de pop en de lap stof was aan het minderen. Het buffet was nu de grootste trekpleister. Enige journalisten, die wat opzij stonden, wisselden de laatste nieuwtjes uit, terwijl zij de volle glazen van de bladen namen. Slechts enkele mensen bekeken de dure bloemstukken, die op de toonbanken en langs de kanten op de vloer waren uitgestald.

Een nog jonge vrouw met blond haar boog zich over een boeket prachtige rozen heen om de geur op te snuiven. Vlak bij haar in de buurt, maar met de rug naar haar toe stond een man met zwart haar en donker bruine ogen, waarmee hij schichtig rondkeek.

„Het wordt niets,” fluisterde de blonde dame tegen

 

zijn rug, „er zit staal of ijzer in de naden, waar je niet met een schaar door kunt komen.”

Hij knikte zachtjes met het hoofd ten teken dat hij het had gehoord en zij ging verder met: „Er staan ook nog twee kerels op je vingers te kijken en daarom kan je geen stuk uit het midden knippen.”

Weer knikte hij met het hoofd, draaide zich toen op zijn hielen om en wandelde langs de blonde zonder haar aan te kijken.

Onder het langslopen fluisterde hij: „Wachten, Mia… straks misschien.”

Zij wilde nog iets terugfluisteren maar hij was al tussen de mensen verdwenen. Onwillig haalde ze haar schouders op en op hetzelfde ogenblik voelde ze, dat de donkere ogen van de man haar over de hoofden van een groepje mensen heen aankeken. Ze probeerde de andere kant uit te kijken, maar de donkere ogen dwongen en tenslotte verloor zij haar houding van protest en rook weer aan de rozen. Door het leer van haar handtasje voelde zij de schaar, die ze voor een speciaal doel had meegenomen, maar waar ze tot nu toe geen kans voor had gekregen. Ze liet een diepe zucht horen en schuifelde langzaam in de richting van het groepje journalisten, waar het nu luidruchtig toeging. Voor de schijn schreef ze het één en ander op een blocnote, want ze was hier binnengekomen met een perskaart van een bekend damesblad.

Toen de kelner weer met een blad langs kwam, nam ze er een glas sherry af, waarvan ze even nipte en het daarna achter zich op een tafel neerzette. Het smaakte haar niet, want ze voorzag een onaangename avond. Ze was in het geheim getrouwd met de man met de donkere ogen, die uit België afkomstig was en Pierre heette. Ze was razend verliefd op hem en daar maakte Pierre misbruik van om haar voor zijn gemene karweitjes te gebruiken. Zo was het

ook weer vandaag. Waar haar man zijn brood mee verdiende wist ze niet precies, maar ze had allang gemerkt, dat een dergelijke broodwinning het daglicht niet kon velen. Zo nu en dan verdween Pierre voor enige weken uit het gezicht en stond dan plotseling weer voor haar neus. Meestal moest zij dan iets voor hem doen. Soms moest ze een pakje wegbrengen of geld halen. Een andere keer had ze voor Pierre in een café moeten aanpappen met een vent, die baas was op een grote fabriek. Ze had de man uitgehoord en was er achter gekomen, dat hij meer in de kroeg dan thuis zat en daarom ook met geldgebrek te kampen had. Daar hadden Pierre en een andere Belg, die ze als Gaston kende, gebruik van gemaakt om het één of andere geheim van die baas te kopen. Vermoedelijk een fabrieksgeheim, waar blijkbaar weer iemand anders veel geld voor over had om het ook te weten. Deze keer had het iets te maken met de nieuwe stof, waarvan ze herenkostuums gingen maken. Ze had niets anders te doen dan een klein stukje van de lap afknippen, had Pierre gezegd, maar zo gemakkelijk ging dat niet. Hij kon nu wel boos naar haar kijken, maar met een schaar kon je niet door een ijzeren strip heenkomen en bovendien kreeg je er geen kans voor.

Ze nam nog een slokje van haar glas en zocht met haar ogen Pierre om hem te wenken, dat ze naar huis toeging. Ze kon hem echter zo gauw niet vinden en werd afgeleid door de luidruchtige journalisten, die opnieuw in de richting van de pop met het grijze kostuum üepen. Eén van hen had een glas port in de hand en een halfvolle asbak. Daarmee wilde hij nu wel eens de proef nemen of de nieuwe stof werkelijk vlekvrij was. Een paar collega’s hitsten hem op en beweerden, dat hij het recht had om dat te proberen. Eén van hen was zo verstandig om hem te bewegen de pop met rust te laten en liever zijn kunsten op

de lap stof te proberen. Daar was hij het mee eens en onder algemeen gelach liepen ze naar de toonbank waar de lap stof lag. Ook de heren Klerk lachten erom, want de receptie was toch bijna afgelopen. Hierdoor aangemoedigd naderde de groep de toonbank, maar ze kregen geen schijn van kans. Voordat het zover was, hadden de potige kerels de lap opgerold en in een doos gelegd. De heren protesteerden luid tegen dit vroegtijdige einde van het lolletje, maar de twee mannen lieten zich niet vermurwen. Ook Mia was teleurgesteld, want ze had gedacht in de drukte nog een kans te krijgen en nu lag de lap al in een doos. Op enige afstand zag ze Pierre staan, die met een nors gezicht naar haar stond te kijken. Hij kneep zijn ogen half dicht en gaf een licht knikje in de richting van de uitgang. Ze begreep, dat hij het opgaf en weg wilde. Het werd trouwens hoog tijd, want de nieuwe zaak van Klerk liep langzaam leeg. Het was al kwart over vijf en het personeel repte zich om de zaak op te ruimen, want de volgende morgen werd deze voor het publiek geopend. Ze zag Pierre voor zich uit naar de auto stappen en ging zwijgend naast hem zitten. Als het gelukt was om een stukje van de stof af te knippen, zou ze niet bij Pierre in de wagen gekropen zijn, want dat was dan gevaarlijk, had hij gezegd. Nu was er echter geen vuiltje aan de lucht en ze was daar nog blij om ook. Met Pierre was dat anders, want hij liet enige lelijke woorden horen en als Mia iets aan hem vroeg, werd ze afgesnauwd. Hij bracht haar niet eens behoorlijk naar huis, want hij had plotseling haast en zou wel zien of hij die avond nog kwam. De tranen kwamen Mia in de ogen, maar daar trok Pierre zich niets van aan. Hij haastte zich naar de kroeg van Renee en belde in de telefooncel zijn opdrachtgevers op om te vertellen, dat ‘t niet gelukt was. Aan de andere kant van de lijn hoorde hij iemand een serie vloeken uitstoten, waarna de

vloekerd hem vertelde, wat hij wel van Pierre dacht. Toen dat gebeurd was, vroeg Pierre: „Heb je anders niets voor mij?” De man begon opnieuw te vloeken en gaf toen Pierre opdracht in het café van Renee te blijven totdat hij bij hem kwam. Toen Pierre uit de cel kwam wreef hij zijn bezwete voorhoofd af, bestelde een borrel en ging aan een leeg tafeltje zitten.

Intussen was de nieuwe zaak van Klerk al aardig opgeruimd en maakte het personeel aanstalten om te vertrekken. De twee potige mannen hadden het grijze kostuum van de pop gehaald en het zorgvuldig bij de lap in de kartonnen doos gedaan. Daarna stapten ze met één van de heren Klerk in een auto en reden naar het kantoor, waar de doos met het grijze kostuum in de brandkast werd opgeborgen. Dat was één van de voorwaarden die de verzekeringsmaatschappij had gesteld alvorens men het grijze kostuum en het lapje stof tegen diefstal had willen verzekeren. De verzekeraar was blijkbaar een beetje geschrokken van het grote bedrag, dat volgens de fabrikant de schade zou zijn, als de nieuwe stof in handen kwam van één van zijn concurrenten. Aan die voorwaarde was voldaan en nadat de twee mannen overtuigd waren, dat de brandkast en de buitendeur van het kantoor behoorlijk waren gesloten, gingen ze in hun hotel eten en slapen. De volgende dag zouden ze het grijze kostuum en de lap stof naar Tilburg terugbrengen, waar de fabriek gevestigd was.

Intussen wachtte Pierre geduldig in de kroeg van Renee tot zijn opdrachtgever kwam. Eindelijk kwam het kleine, driftige mannetje binnen en liet zich naast Pierre op een stoel zakken. Eerst spuide hij een stroom verwijten tegen Pierre, vergezeld met de ergste scheldwoorden, die Pierre gelaten over zijn hoofd liet gaan. Toen deze goed verstaan had, dat hij een sufferd, een kluns en nog erger was, wenkte hij met de hand, dat ze daar niet wijzer van werden. Dat begreep het driftige mannetje tenslotte ook e daardoor kreeg Pierre kans om te zeggen: „Kijkt u eens mijnheer Verbist, ik … wij hebben altijd goed voor u gewerkt en omdat dit nu mislukt is, maakt u ons … mij ui voor alles wat mooi en lelijk is.”

„Mag ik alstublieft voor mijn vele geld, dat ik aan jullie betaal, ook eens iets zeggen,” bromde Verbist en keek vuil naar Pierre.

Die haalde de schouders op en mompelde: „Moet ik nog iets aan die zaak doen of gaat dat niet door?”

„Niet doorgaan … ben je helemaal… het gaat wel degelijk door. Wij moeten ten koste van alles een stuk van die stof in handen zien te krijgen,” blafte Verbist.

„Vertel het dan maar,” zei Pierre en keek vol verwachting naar Verbist. Die keek eerst eens om zich heen en toen hij zag, dat Renee druk achter het buffet bezig was en dat de dichtstbijzijnde klant twee tafeltjes verder zat, boog hij zich naar Pierre over om deze wat in het oor te fluisteren. Die keek eerst stomverbaasd … toen ongelovig en schudde tenslotte het hoofd, terwijl hij terugluisterde: „Mij niet gezien … ik doe niet mee.”

Verbist keek hem met een vals lachje aan en zei toen: „Daar is mijnheer zeker te netjes voor, of misschien heeft hij geen lef genoeg, dan zal ik Gaston wel inschakelen.”

Pierre wist, dat het inschakelen van Gaston betekende, dat Verbist hem liet vallen en juist nu hij geld nodig had. Wat Verbist van hem wilde was bloedlink en lag niet in zijn lijn, maar aan de andere kant zou het dik geld opbrengen. Het geld won het tenslotte en daarom was het niet nodig dat Gaston werd ingeschakeld. Met een listig lachje op zijn gezicht betaalde Verbist aan het buffet de vertering en liep, gevolgd door Pierre, de kroeg van Renee uit naar zijn auto toe. Eerst gingen ze samen een stukje eten, maar alleen Verbist liet het zich goed smaken, want Pierre

kon bijna geen brok door zijn keel krijgen. Met een strak gezicht luisterde hij naar Verbist, die vertelde wat zijn aandeel in het werk zou zijn.

Pierre knikte zo nu en dan met het hoofd en trachtte zoveel mogelijk zijn angst niet te laten blijken. Dat lukte maar gedeeltelijk, want Verbist had het wel in de gaten. Aan het einde van de maaltijd gaf hij Pierre een flinke mep op de schouder en zei: „Je moet wat meer vent worden als je geld wilt verdienen.”

Pierre mompelde iets binnensmonds, dat Verbist niet kon verstaan. Het kon deze trouwens niets schelen, wat Pierre dacht en mompelde, als het maar gebeurde zoals hij het wilde. Nadat ze hun koffie ophadden, verlieten ze het restaurant en reden naar een adres in de binnenstad, waar Verbist blijkbaar goed bekend was. Hij parkeerde tenminste zijn wagen een eind verder en liep langzaam terug tot een steeg. Op de hoek bleef hij even staan en keek om zich heen. Een eind verder stonden twee vrouwen te praten, die elk een hondje uitlieten. Een paar opgeschoten jongens stoeiden onder een lantaarnpaal en verderop liepen een jongen en een meisje. Verder was er niemand te zien in de straat. Hij keek nog even naar de huizen aan de overkant, waarvan de gordijnen stijf gesloten waren en zei toen tegen Pierre: „Vooruit… opschieten,” en liep gelijk de steeg in, waar hij in het donker verdween. Pierre volgde hem aarzelend en bleef van schrik stokstijf staan toen hij tegen Verbist opbotste, die hem halverwege de steeg opwachtte. Die grinnikte zachtjes, pakte Pierre bij de arm vast en trok hem een portaal in, waarvan de deur openstond. Daar binnen kon je helemaal niets zien en blindelings liep Pierre achter Verbist aan de trap op.

Toen ze bijna boven waren, flitste er plotseling een fel licht van een zaklamp aan, waarop Verbist en Pierre achteruit deinsden. Bovenaan de trap hoorden ze iemand la-

 

chen en een hese stem zei: „Zo, komt gij er eindelijk aan.”

Verbist gaf geen antwoord, waarop het licht van hen afgleed en nu een openstaande deur bescheen. Pierre had nog steeds niet gezien wie er achter dat licht stond, maar hij kreeg al direct een hekel aan de eigenaar van het hese stemgeluid. Dat werd nog erger toen de kamerdeur achter Verbist en hem gesloten werd en de tot nu toe onzichtbare man het licht aandraaide. Nieuwsgierig keek Pierre naar de man met de hese stem. Zijn mond viel half open van verbazing, welke langzaam in afkeer overging. Tegen de gesloten kamerdeur leunde een man, die met zijn varkensoogjes naar Pierre loerde. Hij was klein van stuk, maar wat hij aan lengte tekort kwam, had hij in de breedte over. Op zijn te brede schouders rustte een groot hoofd met daar middenin een enorme neus. Onder de grote neus een te kleine mond met dunne vuurrode lippen en boven de neus de half dichtgeknepen varkensoogjes. Hij stond wijdsbeens op zijn grote voeten, die aan een paar koddige beentjes vastzaten. Toen Pierre hem goed bekeken had, schudde hij het hoofd, alsof hij een boze droom van zich af wilde schudden. Dat lukte niet, want de droom was werkelijkheid. Over zijn rug liepen een paar koude rillingen, vooral toen de dwerg zijn hese lach liet horen en tegen Pierre vertelde, dat hij die nacht zijn maat zou zijn. Pierre kon geen woord uitbrengen en knikte slechts, dat hij het begrepen had. Verbist was intussen in druk gesprek gewikkeld met een tweede man, die aan de tafel zat. Ook de dwerg en Pierre schoven aan, waarop Verbist en de onbekende vertelden wat er die nacht van hen verwacht werd. Pierre luisterde aandachtig, maar schrok telkens van de dwerg, die op de meest onverwachte ogenblikken zijn hees gelach liet horen. Met hoog opgetrokken wenkbrauwen keek hij vragend naar Verbist en de onbekende. Verbist haalde onwillig de schouders op, maar de onbekende man maakte, toen de dwerg niet keek, het bekende gebaar voor iemand, die niet geheel normaal is. Dat had Pierre zelf ook al gedacht en zijn angst werd er nog groter door. Hij wilde al een paar keer opstaan en zeggen, dat hij niet meedeed, maar hij had het geld te hard nodig en bleef zitten. Aan het eind van het verhaal moesten Pierre en de dwerg beloven, dat ze nooit en te nimmer de naam van Verbist of van de onbekende zouden noemen als ze soms gepakt werden. Ze beloofden het, waarop Verbist zei: „Het maakt trouwens toch niet veel uit, want wij hebben jullie nog nooit gezien.”

„Nooit gezien,” herhaalde de dwerg en stootte zijn hees gelach uit. Dat zou hem niet glad zitten, bedacht Pierre, want Renee had hen samen in zijn kroeg zien zitten, hoewel caféhouders, over het algemeen wat hun klanten betreft zeer zwijgzaam zijn. Het zou hem trouwens toch niet helpen of hij Verbist en de andere er ook bijlapte, want straf zou hij toch krijgen. Hij rilde bij de gedachte aan de gevangenis, want veel vertrouwen had hij niet in de dwerg en de hele onderneming. De dwerg steunde intussen met de ellebogen op de tafel en liet zijn grote hoofd op zijn handen rusten. Daarbij keek hij onafgebroken Pierre aan, die daar doodzenuwachtig van werd. Op het laatst wendde de dwerg zich met een minachtend gesnuif van Pierre af en liet één van zijn sinistere lachjes horen. Nogmaals kreeg Pierre de aanvechting om weg te lopen, maar tegelijk stonden Verbist en de onbekende op omdat zij gingen vertrekken.

„Over een half uur staan wij met de wagen om de hoek van de straat,” zei de onbekende man, terwijl hij beurtelings de dwerg en Pierre aankeek.

Pierre knikte dat hij het begrepen had en de dwerg liet een dom gegrinnik horen. Verbist grijnsde nog eens tegen Pierre en liep toen achter de onbekende man de deur uit.