[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XII.

Consul voor het Leven.

Van de “zuivering” in het Tribunaat en in het Wetgevend Lichaam, door allen een staatsgreep genoemd, welke die van den 18en Brumaire in stoutheid overtrof, maakte Bonaparte terstond gebruik om eenige reeds lang gereedliggende ontwerpen van wet, op welker aanneming hij bijzonder was gesteld, in behandeling te doen nemen. ’t Waren die op het reeds zeven maanden te voren geteekende Concordaat, op de amnestie der émigrés, op de reorganisatie van het openbaar onderwijs, eindelijk op het vredestractaat van Amiens en op de instelling van het Legioen van Eer.

Den 5en April werd de nieuwe zitting geopend; een regeling, door Lucien voorgesteld, had het Tribunaat zoo goed als machteloos gemaakt; het Wetgevend Lichaam was bevreesd geworden, en de vooral bij het leger zeer onwelkome wet op het Concordaat, werd in twee dagen afgehandeld. Die op de émigrés, welke laatsten al de goederen terug ontvingen, die nog niet publiek verkocht en dus nog staatseigendommen waren, werd bij senaatsbesluit aangenomen, maar de bosschen, waarover Bonaparte de vrije beschikking aan zich behield, bleven uitgezonderd.

De wet op het onderwijs vond bestrijders genoeg. Roederer zeide o. a. dat ze niet alleen een zedelijke doch ook een politieke strekking had, dat men de ouders door de kinderen aan het gouvernement trachtte te verbinden, dat er niets in bepaald was voor de meisjes en dat er van zorg voor het allereerste onderwijs geheel niet werd gerept. “Voor dit laatste was de moeder ruimschoots voldoende; daarmede had de staat zich niet te bemoeien,” beweerde echter Challan, een der voorstanders van de wet. Eenige stemmen gingen [168]zelfs op om ’t volk kosteloos lager onderwijs te geven, doch al deze voorstellen werden ter zijde geschoven. Het onderwijs werd een voorwerp van staatszorg, den reusachtigen invloed der geestelijkheid op de opleiding der jeugd werd hiermede tegelijkertijd een stevige breidel aangelegd.

Als een bekroning op zijn wetgevenden arbeid deed de Eerste Consul eindelijk in Mei zijn ontwerp van wet indienen tot instelling van een Legioen van Eer. Tijdens de omwenteling was aan militairen, die zich in den krijg hadden onderscheiden, van rijkswege een eeregeweer of een eeresabel uitgereikt; de instelling van het Legioen van Eer had een veel ruimere strekking; in de eerste plaats zou het voor het leger bovengenoemde eereteekenen vervangen door een decoratie met het devies: Honneur et Patrie; dan zou hierdoor een uit burgers en militairen samengesteld lichaam ontstaan, dat den Eersten Consul tot hoofd had en door een eed, een jaargeld en een reeks bijzondere verplichtingen aan hem was verbonden, tenslotte zou hierdoor zooveel doenlijk die hiërarchie van notabelen vervangen worden, welke haar ontstaan had te danken aan de grondwet van het jaar VIII. “Die notabelen zou hij, het hoofd van den staat, voortaan zelf wel aan de natie aanwijzen en ze stempelen met zijn eigen zegel.”

Feitelijk schiep Bonaparte hiermede een zuiver persoonlijken adelstand, waarin men enkel en alleen kon worden opgenomen door verdiensten en die ook slechts verleend werd aan landskinderen, want wie niet kon bewijzen, dat hij in zijn woonplaats had gediend bij de nationale garde, werd er niet in opgenomen, al had hij overigens nog zoo groote verdienste. Niet de Eerste Consul benoemde, doch een Groote Raad van zeven leden, bestaande uit de drie consuls en één afgevaardigde uit ieder groot staatslichaam, terwijl het geheele Legioen zou tellen vijftien cohorten, ieder van zeven groot-officieren, eenige commandeurs en officieren en 350 ridders, te zamen zes duizend hoofden.

Wel weerde de oppositie, vooral de republikeinsche partij zich heftig tegen een instelling, die naar de dagen der monarchie terugvoerde, doch Bonaparte gaf niet toe. “Alles heeft men vernietigd, ’t is zaak weder op te bouwen,” zei hij o. a.; de wet werd aangenomen en het Legioen van Eer bestaat nog.

Vooral Lucien had als tribuun voor de wet in heftige, bevelende taal tot zijn collega’s gesproken. Van den Jacobijn van 1793 was niets meer overgebleven. Van nu af was bij de republikeinen het verzet zoo goed als gebroken; zelfs de wet op het beheer der koloniën, welke de slavernij weder in ’t leven riep, vond slechts weinig tegenstand.

Dat de omvangrijke arbeid, besteed aan de samenstelling van al die nieuwe wetten, niet ten doel had Bonaparte als Eerste Consul slechts een beperkt aantal bestuursjaren te schenken, maar veeleer om zijn gezag ten slotte onbeperkt te maken, was voor niemand meer een geheim. Een ieder [169]sprak er over, alleen hij zelf zweeg. Dat een Consulaat van tien jaar hem niet langer bevredigde hield hij zelfs geheim voor zijn broeders. Onbevangen sprak hij met Cambacérès, die in hooge mate zijn vertrouwen bezat en met Talleyrand en Fouché, wier invloed hij zelf gestadig deed aangroeien over alle publieke belangen; zijn eigen persoon bracht hij echter nooit in ’t debat. Zooveel te meer spraken zijn broeders en hun aanhang, de zoogenaamde monarchalen over en met hem. Vooral Lucien, nog steeds vervuld met erfelijkheidsbedoelingen, drong krachtig bij hem aan om de souvereine macht te grondvesten op de puinhoopen der Republiek en met de hem eigen autoriteit verkondigde Talleyrand telkens weder, dat er met Europa beter viel te onderhandelen uit naam eener monarchie, dan uit naam eener republiek.

Doch Bonaparte zweeg. Toen Joséphine zich met de quaeste wilde bemoeien en hem waarschuwde voor Lucien, die alleen zijn eigen belang op ’t oog had, niet was te vertrouwen en steeds klaagde, dat hij niets kon worden, zoolang Napoleon slechts consul voor tien jaar was, snauwde hij haar een bits: “Blijf jij bij je spinnewiel” toe. Wel verlangde hij naar het oppergezag, doch voor een monarchie vond hij zoo kort na de omwenteling den tijd nog niet gekomen; voor zich zelf iets vragen wilde hij niet; wat hij wenschte moest hem worden aangeboden. Het oogenblik, waarop dit zou geschieden, verbeidde hij te Malmaison.

Den 6en Mei gaf hij in dezen een wenk. Bij monde van Cambacérès deed hij het Tribunaat weten, dat het vredestractaat met Engeland op het bureau zou worden nedergelegd om tot wet te worden verheven en dat het tijdstip gunstig was “om een wensch te uiten, die den Eersten Consul aangenaam kon zijn.” Terstond werd nu de Senaat uitgenoodigd den Eersten Consul een schitterend bewijs te geven van de voldoening der natie.

Hiermede in kennis gesteld, sprak hij zich nog niet uit over de wijze, waarop dit kon geschieden; de man, die zijn meening anders altijd in zoo heldere, duidelijke taal wist te kennen te geven, antwoordde slechts met een paar ontwijkende woorden. “Anderen roem, dan dien, dat hij de hem opgedragen taak ten einde gebracht had, verlangde hij niet” en dergelijke. Hij speelde de Sfinx. Dit was gevaarlijk, want Fouché had hem doorzien en Fouché, die bij Joséphine steeds steun had gevonden, doch al zijn pogingen om bij den ouden adel en de aristocratie eenigermate in de gratie te komen, enkele contant betaalde edelen uitgezonderd, had zien mislukken, die de vijand was van Lucien en Talleyrand, Bonaparte’s stuwkrachten naar het Consulaat voor het leven, besloot terstond een spaak in ’t wiel te steken. Hij bewerkte ijlings den Senaat, betoogde, dat Bonaparte zelf geen hooge wenschen koesterde en wist zoodoende te bewerken, dat het senaatsbesluit van den 8en Mei alleen sprak van een verlenging van tien jaar.

Dit vernemende, werd Bonaparte geweldig boos, beraadslaagde met zijn [170]broers en Cambacérès en deed den Senaat toen weten dat: “De natie hem had bekleed met het oppergezag en hij zich van haar vertrouwen niet zeker zou achten, als zij thans ook niet haar stempel drukte op de acte, waarbij men hem dat gezag voor langer tijd wilde verleenen” enz. De wenk was duidelijk genoeg en den 11en Mei bevatte de Moniteur het Senaatsbesluit, dat de natie zou worden geraadpleegd over de vraag: “Of Napoleon Bonaparte Consul zou worden voor het leven.

Van erfelijkheid of van het recht van aanwijzen eens opvolgers werd niet gesproken. Denkende ook den Eersten Consul hiermede een dienst te bewijzen, had Roederer een van Jozefs vrienden de woorden “en of hij de bevoegdheid zal hebben zelf zijn opvolger aan te wijzen” wel bij het oorspronkelijke ontwerp ingelascht, doch Bonaparte had ze geschrapt. Geen Jozef, geen Lucien zou hem de baas zijn of dwang op hem uitoefenen. Aan zijn hoofd behoefde Frankrijk geen babbelaar doch een soldaat en soldaat waren die twee niet; nog in andere opzichten schoten zij in zijn oog te kort; in geld en goed en vette baantjes was hij bereid hun een vergoeding te geven, verder verkoos hij niet te gaan. Bovendien had hij aan zijn intiemen reeds vaak genoeg ruiterlijk te verstaan gegeven, dat hij nog jong was, nog niet het minste plan had op te stappen en dat al die speculaties op zijn dood hem hartelijk begonnen te vervelen. Jozef verried zijn teleurstelling alleen aan zijn vertrouwelingen ; zijn broer, beweerde hij, was op zijn gezag zoo ijverzuchtig, dat hij het met niemand wilde deelen; dat zijn bestaan voor Frankrijk onmisbaar was, moest de natie diep beseffen; daarom wilde hij geen opvolger zien benoemd.

Dat de aard der dingen, de omstandigheden waarin Bonaparte verkeerde, de nieuwe wetten, welke in voorbereiding waren en die Jozef reeds kende, de zijdelingsche invloed der émigrés en der geestelijkheid ten slotte toch in de richting der erfelijkheid zouden wezen, was echter nu reeds te voorzien.


Nog voordat de uitslag van de stemming bekend was, die op Frankrijks lot van zoo onberekenbaren invloed zou worden, werd de instelling van het Legioen van Eer tot wet verheven, werden Jozef en Lucien, de eerste door den Raad van State, de tweede door het Tribunaat verkozen in den Grooten Raad en de Constitutie van het jaar VIII naar den nieuw te scheppen toestand omgewerkt en aangevuld. In den vorm van een organiek Senaatsbesluit tot wet verheven, bestemd “de vrijheid en de gelijkheid te beschutten tegen de grillen van het toeval en de onzekerheid van de toekomst,” was deze grondwet toch voor velen, in de eerste plaats voor Joséphine een verrassing, zooals bleek, toen de Eerste Consul, die in alle staatsstukken voortaan Napoleon Bonaparte zou worden geheeten, den 2en Augustus met ruim drie en een half millioen stemmen tegen iets meer dan negen duizend, waaronder die van Massena, [171]tot Consul voor het leven was uitgeroepen. Van de grondwet van het jaar VIII was weinig of niets overgebleven. Het Tribunaat werd teruggebracht tot vijftig leden; zelfs voor de behandeling der wet op de middelen behoefde het Wetgevend Lichaam geen verplichte zittingen meer te houden en de Raad van State zag zijn invloed op de staatszaken overgebracht naar een geheimen Raad, waarvan de samenstelling telkens naar behoefte kon worden gewijzigd.

Alleen de Senaat had nòg meer macht gekregen dan hij reeds bezat, o. a. het recht de grondwet aan te vullen en den tekst er van te verklaren, de vonnissen der rechtbanken te vernietigen, het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam te ontbinden enz. Zijn voorzitters waren de Consuls, die alle drie voor het leven werden benoemd. De Eerste verkreeg bovendien het recht het ledental van den Senaat te brengen op 120 (dus 54 nieuwe leden te kiezen en de meerderheid naar willekeur te verplaatsen.) Ongeacht hun leeftijd—dit sloeg op Jozef en Lucien, die nog te jong waren—werden de leden van den Grooten Raad van rechtswege senatoren. Gratie verleenen, beslissen over oorlog en vrede zou voortaan eveneens tot Bonaparte’s attributen behooren, eindelijk zou hij zelf zijn opvolger reeds bij zijn leven of bij testament kunnen aanwijzen.

Het recht, dat hij kort te voren had verworpen, had hij thans dus toch aanvaard. Waarom? Natuurlijk dacht ieder, dat hij voor zijn opvolger een zijner broeders op het oog had. Volstrekt niet; die twee had hij met zijn sluw berekenend brein zelf senator gemaakt, hen dus opgenomen in een groot lichaam, waarover hij zich meester achtte en hen met al hun geheime plannen hierdoor tot machteloosheid gedoemd en in zijn diepste diep waarschijnlijk toen reeds besloten, het kind dat Hortense, sinds 3 Januari de vrouw van Louis, reeds enkele maanden onder het hart droeg, mocht het een zoon wezen, tot zijn erfgenaam te bestemmen. Tegenover een zoo jeugdig wezen was alle achterdocht van zelf uitgesloten; op hem invloed uitoefenen kon het niet, hem weerstand bieden evenmin en tegen deze keuze konden zijn broeders, die zelf nog geen mannelijke nakomelingen bezaten, niet in opstand komen.

In Bonaparte’s positie was dus opnieuw een groote wijziging gekomen, het oppergezag in den ruimsten zin des woords bezat hij reeds; van het republikeinsche beginsel was nog maar een schaduw overgebleven; nog niet in naam, wel feitelijk was hij reeds alleenheerscher. De eenige, die bij deze wijziging schade leed was Fouché. Bonaparte zag in hem alleen nog den man, die in den Senaat tegen hem had geïntrigeerd en hield geen rekening met de groote diensten, hem door Fouché den 18en Brumaire en later bewezen. Hij ontnam hem dus de portefeuille van Justitie, maar schonk hem tevens een zetel in den Senaat. Algemeen liep het praatje, dat hij aldus handelende, was gezwicht voor den invloed van Jozef en Lucien, met wie hij in de laatste weken (Augustus) druk had beraadslaagd, dat hij het gouvernement tusschen [172]hen beiden en Talleyrand wilde verdeelen en Duroc in ’t paleisbeheer vervangen zou worden door Louis; in één woord dat hij zijn broeders baas laten wilde.

Van kommer en angst voor de toekomst wist Joséphine niet, waar zij ’t zoeken zou, tot Bonaparte haar met een enkel woord geruststelde: “Dien zotteklap kan ik niet smoren, maar ik ben niet gek genoeg mij afhankelijk te maken van mijn vijanden. Over Lucien krijg ik dagelijks klachten, onlangs nog weer uit Madrid,” zei hij.—De nieuwe functionarissen, allen vrienden van haar, als Regnier, die als opperrechter de portefeuille van Justitie in naam overnam, doch deze terstond toevertrouwde aan den staatsraad Real, ook een intimis; Chaptal, die minister van Binnenlandsche Zaken bleef, en Fouvevoy, die den ook tot senator benoemden intrigant Roederer verving als directeur-generaal van het openbaar onderwijs, verrieden haar, dat zij bij deze omwenteling veeleer gewonnen dan verloren had. Bovendien bleek duidelijk, dat Bonaparte geen plan had het oppergezag met wien ook te deelen, dat hij zich van zijn broers had bediend om zich zelf te dekken en dat hij door Fouché te ontslaan zoowel hen als de monarchale partij slechts in schijn een offer had gebracht, want de nieuwgekozenen behoorden evenals Fouché tot de republikeinsche fractie; alleen waren zij minder berucht, minder verdacht en heel wat eerlijker dan de man, dien Bonaparte tijdelijk had op zijde geschoven om hem terug te roepen, zoodra hij hem weder noodig had.

Bij de nieuwe grondwet was het tractement van den Eersten Consul voor representatie- en reiskosten en voor het onderhoud van de Tuilerieën en van het paleis te St. Cloud1 vastgesteld op zes millioen francs, doch door verschillende baten van allerlei aard was dit cijfer in het jaar X reeds gestegen tot bijna dertien millioen; in ’t jaar XI klom het tot zestien millioen; de kosten der huishouding waren echter eveneens geweldig vermeerderd. Dat Bonaparte gehecht was aan uiterlijke pracht en praal, had hij reeds bewezen, toen hij in October 1801 den minister van Binnenlandsche Zaken de opdracht had gegeven voor hem een kort zwaard te doen vervaardigen om te dragen bij plechtige gelegenheden en dit wapen o. a. te doen versieren met den Regent en andere kostbare diamanten uit de schatkist. Voltooid vertegenwoordigde dit wapen alleen aan edelgesteenten een waarde van veertien millioen francs.

Op Paaschdag 18 April bij gelegenheid van het herstel van den eeredienst, was hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig in een rood fluweelen rok met gouden palmen, het hoofd gedekt door een gepluimden hoed naar de Nôtre Dame gereden. De leden van den Raad van State, de gezanten, de ministers en de twee andere consuls in koetsen met vier en met zes paarden gingen voorop, omstuwd door een drom van lakeien in kostbare livrei. [173]Zestig kanonschoten hadden het vertrek van dien meer dan vorstelijken stoet, te Parijs de eerste na de omwenteling, aangekondigd; met zes door mamelukken aan de hand geleide paarden voor zijn rijtuig uit, en de te Parijs bevelvoerende garde- en divisiegeneraals hier om hem, was hij het Te Deum gaan hooren; het publiek had dien praal en vooral dien drom van lakeien prachtig gevonden.

Nog vóór zijn benoeming tot Consul voor het leven had ook zijn omgeving een groote wijziging ondergaan. Had hij aanvankelijk slechts een militair huis gehad, gevormd door zijn adjudanten en had een voormalig minister de functie van kamerheer en ceremoniemeester vervuld, de gezanten binnengeleid en meer van die diensten van ceremonieel bewezen, zonder dat er op het punt van etiquette en vormen eenige regels waren vastgesteld, zelfs zonder dat er voor den Eersten Consul een officieele titulatuur bestond, dit alles veranderde thans geheel. Een civiel huis met kamerheeren, paleisprefecten en dergelijk personeel trad in functie; voor het costuum, het ceremonieel en de recepties kwam een uitgebreid voorschrift; een gestrenge etiquette, die o.a. zelfs het ten paleize gaan zitten en gedekt blijven verbood, werd ingesteld en de garde uitgebreid. Dat men den monarchalen regeeringsvorm snel tegemoet ging was voor niemand meer een geheim en wie dit nog mocht hebben betwijfeld, zou wel tot andere gedachten zijn gekomen bij het aanschouwen van den luister, waarmede de geboortedag van den Eersten Consul den 15en Augustus in de geheele Republiek voor de eerste maal werd gevierd.

Eenige dagen later aanvaardde Bonaparte het voorzitterschap van den Senaat. Begeleid door de consulaire garde te paard, omstuwd door een schitterenden staf, reed hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig, gevolgd door de andere consuls, de ministers en verdere grootwaardigheidsbekleeders naar het paleis van het Luxemburg en zette zich op een soort van troon. Hier nam hij de nieuwgekozen senatoren Jozef en Lucien den eed af, deed zich de senaatsbesluiten voorleggen, waarbij o. a. het ceremonieel voor de hoogste staatsdienaren, de wijze van vernieuwing en ontbinding van het Wetgevend Lichaam en het Tribunaat werden vastgesteld en het eiland Elba met Frankrijk werd vereenigd en deed daarop door Talleyrand lezing geven van een hoogst belangrijk rapport over de schikkingen, onder zijn leiding in Duitschland in voorbereiding, om de vorsten langs den linker Rijnoever uit de kerkelijke goederen schadeloos te stellen voor het door hen bij de vredes van Campo Formio en Lunéville geleden verlies.

Een enkel woord moge dienen om den toestand duidelijk te maken.

Bij die verdragen was bepaald, dat Frankrijks oostelijke grens onder anderen zou worden gevormd door den Rijn, van Bazel tot een punt tusschen Emmerik en Nijmegen.

Zoodoende had Beieren het hertogdom Zwei-Brücken, Rijn-Beieren en [174]het hertogdom Gülick, zoo hadden Wurtemberg en Baden het prinsdom Montbehard en andere domeinen moeten afstaan. De geestelijke keurvorsten van Maintz, Trier en Keulen hadden zoo goed als niets overgehouden. Ook Hessen, de bisschop van Luik en die van Bazel waren aan den dijk gezet. Pruisen had het hertogdom Gelre, een deel van dat van Kleef en het prinsdom Meurs moeten afgeven. In Italië hadden twee aartshertogen uit het Oostenrijksche huis respectievelijk Toscane en Modena verspeeld en in Holland was het huis van Oranje-Nassau, de bondgenoot van Pruisen, eveneens uit een aantal persoonlijke eigendommen ontzet.

Al deze vorsten nu, die van Nassau, van Toscane en Modena hieronder begrepen, zouden uit de verbeurd verklaarde kerkelijke bezittingen in Duitschland, gezamenlijk ongeveer één zesde van het geheele grondgebied, worden schadeloos gesteld. Vrij van alle lasten, zooals kosten van belasting heffen, van privileges en andere te betalen toelagen en tractementen, bedroeg de opbrengst van die goederen te zamen wel vijftig millioen gulden.

Te Parijs hoorde Bonaparte nu de verschillende partijen. Bij Engelands onbetrouwbare politiek was het voorkomen eener nieuwe coalitie voor hem van ’t meeste belang en een hecht bondgenootschap op het vasteland met Pruisen bijvoorbeeld, hiertoe van onberekenbaar nut, al mocht deze staat hierom toch ook weder niet zoo machtig gemaakt worden, dat hij Oostenrijk overheerschte, anders kon die op zijn beurt van een nuttigen bondgenoot een gevaarlijke mogendheid worden.

In het door hem ontworpen plan zouden Oostenrijk, Pruisen en Frankrijk drie groote staten vormen met ver van elkander verwijderde grenzen. Midden tusschen deze drie gelegen, zou de Duitsche Bond, tot één groot lichaam vereenigd, dan de even eervolle als belangrijke rol vervullen van scheidsmuur en van stootkussen tevens.

Het slot der onderhandelingen, door dit van grondige zaakkennis getuigende plan noodzakelijk geworden, was, dat met Pruisen en met Beieren, na Oostenrijk Duitschlands hoofdstaten, een overeenkomst werd getroffen, waarbij ook de belangen van het huis van Oranje-Nassau niet waren vergeten.

Het hoofd van dit huis zou de republiek erkennen; Pruisen zou ditzelfde doen ten opzichte van de Italiaansche republiek en het koninkrijk Etrurië en onvoorwaardelijk goedkeuren, dat Piëmont met Frankrijk werd vereenigd.

Wel kwam Oostenrijk een oogenblik tegen de uitvoering van het plan in verzet, dreigde er weder een oorlog, en stonden de Beiersche troepen bij ’t bezetten der hun toegewezen landstreken, bij Passau een korte poos tegenover de Oostenrijksche, maar de energieke houding van Frankrijk, Pruisen en Beieren had tengevolge, dat feitelijke vijandelijkheden uitbleven, en dat de vrede in Duitschland niet werd verstoord. Den 25en Februari 1803 werd een [175]beslissing verkregen. Beurtelings Pruisens eerzucht en Ruslands trots als middel bezigende om Oostenrijk te weerstaan, de macht van dezen staat verkleinende, zonder hem tot wanhoop te drijven, had Bonaparte voor Duitschlands welzijn en voor Europa’s rust zijn wil in midden-Europa doen zegevieren.


Laten wij thans in ’t kort nagaan, wat sinds 18 Brumaire door Bonaparte was verricht. Het Directoire eenmaal omver geworpen, had hij de teugels van het bewind met forsche vuist aangegrepen, de door Siéyès ontworpen grondwet ten deele gewijzigd, het staatsbeheer in allerijl geordend, het staatscrediet opgebeurd, voor de geregelde heffing en storting der belastingen maatregelen getroffen, de legers de eerste hulp doen toekomen, de Vendée onverhoeds met troepen overstroomd en den opstand hier ten deele bedwongen, uit diezelfde troepen daarna in stilte een reserveleger bijeengebracht; dit, toen Europa nog van geen vrede wilde hooren zelf over de Alpen naar Italië gevoerd, Oostenrijk hier bij Marengo verslagen en het verbijsterde Europa een wapenstilstand van een half jaar afgedwongen.

Deze tijdruimte had hij gebezigd om in de politiek van het vaste land een volkomen omkeer te brengen; de Ligue der Onzijdigen in ’t leven te roepen, Pruisen tot vriend te krijgen, al de havens van Europa van Texel tot Otrante voor Engeland te doen sluiten en reusachtige toerustingen te maken tot hulp van Egypte. In ’t binnenland had hij tegelijkertijd het financiewezen en het staatscrediet hersteld, de Fransche Bank in ’t leven geroepen, de wegen vernieuwd, de rooverbenden uitgeroeid, over de bergen prachtige verbindingen met Italië aangelegd, allerwege aan kanalen en bruggen een ontstaan gegeven en de grondslagen gelegd voor een nieuw stelsel van wetten. Dan had hij Oostenrijk, dat nog altijd aarzelde met vrede sluiten, door Moreau’s schitterende overwinning bij Hohenlinden gedwongen de door hem gestelde voorwaarden aan te nemen en het tractaat van Lunéville te onderteekenen. Eindelijk hadden zijn onverzettelijke wilskracht en de geduchte slagen, door zijn ijzeren vuist aan Engelands handel en industrie toegebracht, ook dit rijk genoopt in zijn vijandige houding tijdelijk verandering te brengen en had hij door het sluiten van den vrede van Amiens de kroon gezet op zijn werk tegenover het buitenland. Een Concordaat, waardoor Rome zich had verzoend met de Republiek, een amnestie voor de bannelingen, een reeks heilzame staatswetten, een krachtig stelsel voor openbaar onderwijs, een Legioen van Eer ter belooning van iederen Franschen burger, die zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, hadden hem in drie jaar tijd in het hart der natie een plaats doen veroveren, zoo hoog, zoo verheven als vóór hem zelfs een vorst nog nooit had ingenomen. Voor Frankrijk was hij geworden l’Homme. Schooner eeretitel kon hem niet worden gegeven. Dat anderen dan hij, vrienden van hem als Tronchet en Cambacérès, zijn buitengewone werk- en wilskracht, [176]zijn ver strekkende fantasie en grootsche bedoelingen opmerkende, beducht waren voor de toekomst; dat de eerste, hem vergelijkende met Cesar, de vrees uitsprak, dat hij ook als die Romeinsche Imperator eenmaal zou eindigen, deed niets af aan de glorie, welke zijn naam thans omgaf. Dat hij van de Republiek weinig meer dan een naam had overgelaten, zag ieder; dat hij Frankrijk de vrijheid niet had gebracht, eveneens. Maar de Republiek had Frankrijk aan den rand van den afgrond gevoerd, en de vrijheid waarvoor het tien jaar lang goed en bloed had veil gehad, was een droombeeld gebleken. Waarom den man, die rust, vrede en welvaart had doen wederkeeren, de oppermacht niet geschonken, waarnaar hij de hand uitstrekte? Niemand had die nog ooit zoo ten volle verdiend.

Zoo dacht de natie.

Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.

Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.

[177]


1 Uitsluitend de restauratie en meubileering van dit vorstelijk verblijf had zes millioen gekost.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XIII.

Oorlog met Engeland. Een nieuwe Samenzwering.

“Steeds heb ik, door alle met de waardigheid der Fransche natie vereenigbare middelen, gestreefd naar vrede met Engeland,” heeft Napoleon op St. Helena gezegd. “Ik voedde haat noch naijver tegen dat land. Wat raakte het mij of het toenam in rijkdom en voorspoed, mits dit ook het geval was met Frankrijk. De heerschappij over den oceaan betwistte ik het niet, alleen verlangde ik, dat het de vlag van Frankrijk eerbiedigde op zee, zooals de keizer van Rusland en die van Oostenrijk dit deden te land.”

Maar Engeland verkoos Frankrijks vlag niet te eerbiedigen. Het tegendeel was waar. Frankrijk moest, zoo beweerde o. a. lord Aukland, vernederd, klein gemaakt, zijn politieke invloed vernietigd worden om de Engelschen gelegenheid te geven hun zeemacht, hun handel en hun industrie zonder concurrentie uit te breiden. Alleen onder deze voorwaarde wilde Albion hooren van een wereldvrede.

Met al den hartstocht van zijn vurig temperament heeft Napoleon dit stelsel bestreden. Een jarenlange oorlog is hiervan het gevolg geweest, maar de verantwoordelijkheid voor dezen strijd draagt Engeland, want dit heeft al de coalities tegen Frankrijk in ’t leven geroepen en ze met millioenen gesteund. Dat de vrede van Amiens zoo spoedig is verbroken, is in hoofdzaak alleen te wijten aan Engeland en zelfs een van Napoleons heftigste bestrijders1 der laatste jaren, heeft dit in zijn biografie van Napoleon I erkend. “De Engelschen,” schreef hij, “hadden gehoopt van den vrede te kunnen profiteeren om hun [178]handel op te heffen uit zijn verval, doch zagen zich reeds enkele maanden later in hun plannen bedrogen. Napoleon had niet alleen niet bewilligd in een vernieuwing van het handelstractaat van 1786, dat den invoer van Engelsche koopwaren in Frankrijk begunstigde ten koste der Fransche nijverheid, maar zelfs een nieuwe overeenkomst gevorderd, die de ontwikkeling van Frankrijks handel onbelemmerd liet. De onderhandelingen werden slepende gehouden of leverden niets op; intusschen vaardigde Napoleon een decreet uit, waarbij de Engelsche koopwaren door hooge invoerrechten werden getroffen. Van stonde aan eischten fabrikanten en kooplieden toen den oorlog; voor hun belangen was deze nog minder nadeelig dan een vredestoestand, die hen ruïneerde.”

Engeland wilde Frankrijk verarmd, onderworpen, Napoleon wilde het groot, machtig en geëerd zien. Van een botsing tusschen deze twee beginselen was een oorlog op leven en dood het noodzakelijke gevolg. Reeds in September 1802 achtte Bonaparte het raadzaam Pruisen, waarmede hij den 5en dier maand een militaire conventie had gesloten, te waarschuwen voor “de Engelsche kuiperijen.” Redenen hiertoe waren voor ’t grijpen. De voornaamste bepalingen van het tractaat o. a., het binnen drie maanden ontruimd hebben van Malta en Egypte waren door de Engelschen nòg niet nagekomen; de pretendent, de graaf van Artois, de Condé’s werden nog geregeld uit de Engelsche schatkist ondersteund, droegen nog de vervallen Fransche decoraties en vertoonden zich hiermede zelfs bij wapenschouwingen, genoten vorstelijke eerbewijzen en spanden openlijk samen tegen de bij den vrede officieel erkende Republiek. Dan stond George Cadoudal, Napoleons belager, te Londen in hoog aanzien, leefde er op staatskosten als een grand seigneur; eindelijk ging er geen dag voorbij, waarin de Engelsche pers en die der émigrés geen variatie leverden op het grondthema, dat tirannenmoord geen misdaad was en regende het pamfletten, waarin Bonaparte en zijn familieleden op de gemeenste manier in woord en beeld werden gehoond en belasterd.

Had Napoleon die aanvallen op zijn persoon met hooghartig zwijgen beantwoord, dan zou hij hierdoor niet alleen Europa achting hebben afgedwongen, maar zijn aanvallers tevens geen voldoening hebben geschonken. Voor het volgen van zulk een gedragslijn was hij echter veel te opvliegend en te lichtgeraakt. Dat in Engeland vrijheid van drukpers bestond en zelfs de persoon des konings daar in schotschriften vaak belachelijk werd gemaakt en over den hekel gehaald, telde hij niet, maar greep zelf naar de pen, gaf in verschillende dagbladen lucht aan zijn verbolgenheid, stelde het Engelsche gouvernement verantwoordelijk voor ’t geen tegen hem werd geschreven en vorderde op hoogen toon een verbod, dat aan dien schimp een einde kwam.

Onder allerlei voorwendsels begon Engeland in November, dus in vollen vrede, zich weder te wapenen. Dat Frankrijk Louisiana, waarop het zelf was belust geweest, in ruil voor klinkende munt wilde afstaan aan Noord-Amerika; [179]dat het Piëmont in 1801 bij zijn grondgebied had ingelijfd; dat de Eerste Consul in Zwitserland als bemiddelaar was opgetreden; dat de kolonel Sebastiani, belast geweest met een zending naar het Oosten, over den toestand van Egypte een omstandig rapport had uitgebracht, dat echter volstrekt niet geheim gehouden doch in extenso in den Moniteur opgenomen was, waren feiten, zoo beweerde de minister Hawkesbury, die ieder op zich zelf wel geen casus belli vormden, maar te zamen genomen blijk gaven van vijandige bedoelingen bij Frankrijk. Het bezit van Malta was des Pudels Kern; dat Engeland dit eiland onder geen beding meer wilde loslaten, nu Napels en Tarente door de Fransche troepen waren ontruimd en het den sleutel der Middellandsche Zee hiermede had in handen gekregen, zei de minister niet, maar was voor niemand een geheim. Wel bleef geheim, dat het Engelsche gouvernement om een schikking mogelijk te maken, Bonaparte door bemiddeling van Jozef verschillende persoonlijke voordeelen als zijn erkenning tot consulaire Majesteit met de erfelijkheid van dezen titel in zijn familie, deed aanbieden, mits hij niet langer aandrong op Malta’s ontruiming.—

Wat kenden de Engelsche diplomaten nog weinig van dien eenvoudigen soldaat, die op alle politiek gedraai antwoordde met heldere, onverbiddelijke logica, die nooit doekjes wond om zijn voornemens, hen met hun diplomatiek gebazel deed versteld staan en o. a. den gezant Whitworth de uitdrukking ontlokte, “dat hij bij zijn onderhoud met hem (1803) veeleer gedacht had een Franschen ritmeester tegenover zich te hebben dan het hoofd van een der machtigste staten van Europa.” Oorlog met Engeland wilde hij bepaald niet. Toen de ontruiming van Malta nog altoos niet volgde, verzocht hij de bijeenroeping van een Europeesch congres om de uitvoering van het tractaat van Amiens te waarborgen, noodigde keizer Alexander, in de quaestie van Malta scheidsrechter te wezen, verpandde bij voorbaat zijn eerewoord, dat hij zich aan diens beslissing zou onderwerpen, zelfs al zou Malta ten eeuwigen dage aan Engeland toebehooren, maar dat zijn eer en plicht hem verboden het af te staan uit vrije beweging en dwong door deze fiere en ridderlijke taal den Russischen gezant Markoff eerbied af.2

Van een congres, zooals hij dit voorstelde, wilde Europa niets weten; dan had het hierdoor niet alleen het door Frankrijk gekozen gouvernement erkend en bevestigd, maar ook de verheffing gesanctionneerd van dien soldaat van onbekende afkomst, die de roem en de grootheid der schoonste dagen van Lodewijk XIV aan Frankrijks horizon deed gloren. Dit wilde Europa juist niet. Frankrijk moest liever klein en zwak dan groot en machtig gemaakt worden.

En keizer Alexander? Deze stond te zeer onder den invloed van Engeland, [180]waaraan hij waarschijnlijk in hoofdzaak zijn vroegtijdige troonsbeklimming had te danken, om in dezen scheidsrechter te willen wezen. Ook Pruisens houding was niet bijster vriendschappelijk.

“Mijn hof wil zeker van zijn oogenblikkelijk zoo gunstige positie gebruik maken om Frankrijk zeer gevoelige slagen toe te brengen zonder dat het zelf er iets van heeft te duchten,” mocht Whitworth wel schrijven aan zijn Russischen collega te Parijs en Bonaparte was zoo overtuigd van zijn onmacht ter zee en wist daarbij zoo goed hoe de zaken loopen zouden, dat hij den minister van financiën Marbois vroeg “of de Fransche reeders niet te bewegen zouden zijn hun ladingen te verzekeren bij Engelsche maatschappijen.”

In Maart 1803 werd het duidelijker dan ooit, dat Engeland den oorlog wilde. In dezelfde maand had Bonaparte op een receptie den Engelschen gezant in heftige bewoordingen te verstaan gegeven, wat hij van Engelands houding dacht.—“Gijlieden zijt tot den oorlog besloten; gijlieden verlangt oorlog. Reeds vijftien jaar hebben wij dien gevoerd; een tijdperk van nog vijftien wilt gij er aan toevoegen en gij dwingt mij er toe!” had hij Lord Withworth letterlijk toegesnauwd, zoodat al de aanwezigen over dien uitval versteld stonden. Geen twee maanden later was het zwaard reeds weder uit de scheede gerukt. Engeland dacht er niet aan Malta los te laten en voor Bonaparte was de Middellandsche Zee dan gesloten; hij bleef dus bij zijn eisch volharden het tractaat van Amiens na te komen en Malta te ontruimen. Ja, Engeland ging nog verder en eischte zelfs Lampedouze tusschen Malta en Tunis gelegen, hoewel dit in het tractaat van 1802 niet eens genoemd was. Deze laatste eisch kon als een soort ultimatum worden opgevat en nog voor het midden van Mei vertrok de Engelsche gezant.

Wederom oorlog dus en met den erfvijand! Weg waren de gedachten aan welvaart en voorspoed, aan dagen van vrede. Al zijn droomen van voorheen, de visioenen van grootheid, van een reusachtig rijk in het Westen van Europa’s vastland rezen weder bij Bonaparte op.—Engeland moest overwonnen, vernederd, verlaagd en als het kon vernietigd worden, dit werd van af dit oogenblik de hartstocht van zijn leven en in de eerstvolgende twee jaren zien wij hem met al den ijver, met al het vuur van vroeger bezig om van Den Helder tot Brest een transportvloot en een leger bijeen te brengen, zoo geducht, zoo geweldig, dat geheel Europa er van versteld stond en Albion de schrik om ’t hart sloeg.

Nog voor de gezant het Fransche territoir had verlaten, waren de vijandelijkheden van Engelsche zijde reeds begonnen met het in bezit nemen van tal van handelsschepen. Bij een decreet van den 22en Mei, den dag waarop Frankrijk haar oorlogsverklaring deed, werd bepaald, dat al de Engelschen, die zich op Fransch grondgebied bevonden, in hechtenis moesten worden genomen.

Bovendien kreeg Mortier last van uit Nijmegen met een leger naar [181]Hannover te gaan en dit keurvorstendom, dat aan den koning van Engeland behoorde, binnen te rukken en te bezetten. De pas 35jarige generaal kweet zich goed van zijn taak, want reeds negen dagen na ontvangst van het bevel tot den inval, had het Hannovraansche leger van bijna 40 000 man zich overgegeven, een succes, dat Napoleons bewondering opwekte. Tevens begon de generaal Saint-Cyr dwars door den Kerkelijken Staat naar de haven van Otranto te marcheeren om deze te wapenen. Moest Mortier zorgen het Pruisisch territoir ongeschonden te laten, Saint-Cyr kreeg in opdracht de grootste gematigdheid tegenover de Italiaansche bevolking aan den dag te leggen; bovendien moesten alle leveringen contant worden betaald, terwijl alle oproerige bewegingen terstond onderdrukt dienden te worden.

Vergezeld van Joséphine begon Bonaparte zelf in Juni een militaire en politieke inspectiereis door het noorden der Republiek en België langs Antwerpen en Vlissingen. Hier bezocht hij alle scheepstimmerwerven, tuighuizen en magazijnen en vond te midden van alle feestelijkheden, welke hem overal doch voornamelijk te Brussel wachtten en waarvan zijn vrouw volop genoot, nog tijd om aanteekeningen te maken betreffende ’t geen hij had gezien en verkeerd bevonden.

Ternauwernood te Parijs terug van dezen vermoeienden tocht door dat bij uitstek roomsche land, waarheen hij uit staatkunde ook den stokouden, pauselijken legaat Caprara had meegenomen, begon hij naar aanleiding van die opmerkingen een reeks van bevelen te geven.—Hier had de schatkist verzuimd, tijdig genoeg fondsen te zenden voor de aannemers; daar had het departement van marine nagelaten de benoodigdheden voor de vloot te bezorgen; verderop was de directie over de bosschen te laat met den aankoop en de levering van hout; nog verder was ’t de artillerie geweest, die vergeten had vuurmonden of munitie af te geven en zoo meer.

Voor dit alles zorgde hij thans zelf. Voor hem bestonden geen bezwaren. Ten slotte begaf hij zich naar Boulogne, het middelpunt van de beweging tegen Engeland, de plaats, waar de hoofdtoebereidselen nu werden gemaakt om 120 000 soldaten, 15 000 paarden en circa 400 bespannen vuurmonden met hun voertuigen in te schepen en over het Kanaal, dat daar ongeveer tien zeemijlen breed was, naar de Engelsche kust te voeren. Het plan was, dat ook van Brest en van Texel tegelijkertijd een groot eskader, elk met 15 000 man aan boord, zou uitzeilen. De oorlogs- en de transportvloot, voor het geheel benoodigd, zou ongeveer 2300 vaartuigen omvatten. Het was inderdaad een reusachtige onderneming. Daar deze geweldige massa schepen van allerlei soort en grootte niet in drie havens gebouwd en bijeengebracht kon worden, werd in alle kustplaatsen van Bayonne tot Texel met onverdroten ijver dag en nacht gearbeid.

Van dit reuzenwerk was Bonaparte de ziel. Omgeven door een staf van [182]ingenieurs en marineofficieren, de bekwaamsten van hun wapen, zag hij persoonlijk alles. IJverig en trouw stonden de minister Decrès en de admiraal Bruyes hem hierbij ter zijde.

Het is te begrijpen, dat het kabinet van St.-James ongerust werd, toen ze die geweldige toebereidselen tot een verpletterenden aanval op zijn grondgebied dagelijks zag toenemen. De oud-minister Pitt nam weder zitting in het Lagerhuis; een reserveleger werd bijeengebracht en een oproeping gedaan tot het vormen van vrijwilligerskorpsen. Tegelijkertijd begon Albion Pitts tactiek van vroeger weder te volgen door samenzweringen der émigrés opnieuw te steunen. Te Londen werd alles voorbereid tot een aanslag; daar vertoonde zich zelfs een Bourbon in een vergadering der chouans, die gezworen hadden den Eersten Consul, hoe dan ook, uit den weg te ruimen. Deze Bourbon, de Graaf van Artois, gaf dus openlijk zijn instemming met het laaghartige plan en compromitteerde zich daardoor voor zijn geheele leven.

Een hertog de Polignac, een markies de Rivière waren erbij betrokken. George Cadoudal, de ons reeds bekende aanvoerder der chouans, stond ditmaal aan het hoofd van de onderneming, die niets minder beoogde dan Bonaparte op den weg tusschen Malmaison en Parijs met honderd gewapenden aan te grijpen, zijn klein escorte van gewoonlijk twaalf guides over de kling te jagen en hem zelf?—Och hem zelf in het hierbij ontstane gevecht overhoop te steken. Dan was hij immers niet gevallen door de handen van een troep moordenaars, maar in een eerlijk gevecht! Dan kon het niet heeten dat de koningsgezinden hun tegenstander door een moord uit den weg hadden geruimd, dan was de eer tegenover Europa gered!

Ook generaal Pichegru, de dappere veroveraar van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, eenmaal Bonaparte’s leermeester te Brienne, later wegens verraad naar Cayenne verbannen, doch ontsnapt en nu te Parijs verscholen, had zich laten vinden bij deze nieuwe poging om de Bourbons weder op den troon te brengen. Zelfs Moreau, die zich op het oorlogstooneel steeds dapper toonde, maar in het burgerlijke leven zwakheid verried en zich geheel door zijn vrouw liet beheerschen, was niet onkundig aan de kwade bedoelingen van Pichegru. Als altijd jaloersch op Bonaparte zou Moreau niet ongenegen geweest zijn bij den val van den Eersten Consul een staatkundige rol te spelen.

Het nieuwe complot omvatte dus personen van verschillende richting, agenten van de Bourbons, voormalige aanvoerders der chouans, ontevredenen als Moreau; maar de ziel, de kern er van vormden de émigrés, de royalisten, dezelfde mannen dus die Bonaparte uit de verdrukking geholpen en met behulp van den grooten ijver van Joséphine uit de ballingschap teruggeroepen had. Niet alleen hadden zij de hoedanigheid van Franschman en staatsburger teruggekregen maar zooveel mogelijk waren hun, de tijdens de omwenteling verloren [183]bezittingen, teruggeschonken. Tot dank voor dit alles hadden ze in 1800 getracht hem door middel van een vat buskruit in de lucht te laten vliegen; thans wilden ze hem op den openbaren weg door een bende struikroovers—want een andere benaming verdienen Cadoudal en zijn aanhangers toch zeker niet—laten vermoorden. Dat zij zelven hierbij geen werkdadige rol speelden, doet ter beoordeeling van hun moreele schuld weinig af, want zij die de moordenaars van goud en wapens voorzien, achten we even misdadig als den moordenaar zelf. Zij zijn bovendien nog lafaards.

Reeds maanden lang wist Bonaparte, dat er in de Vendée iets tegen hem broeide; enkele chouans waren reeds in hechtenis genomen en zijn voormalige adjudant Savary, kolonel der gendarmerie geworden, had daar zelfs duidelijk de sporen ontdekt van een geheime beweging; ook had hij eenige verspreide benden deserteurs en kwaadwilligen uiteengedreven, die, zooals later bleek, handelden op aanstoken van Cadoudal. Voorzien van een massa Engelsch goud, hield deze zich met eenige makkers sinds maanden te Parijs verborgen en stond in rechtstreeksche gemeenschap met Pichegru en Moreau.

Van het bestaan van een complot tegen Bonaparte’s leven was echter nog niets gebleken, toen achtereenvolgens door een samenloop van omstandigheden, waarin Fouché en zijn agenten zeer waarschijnlijk een rol hebben gespeeld, in ’t begin van Februari 1804 eerst Picot, een bediende van Cadoudal, en daarop Bouvet de Lozier, diens voornaamste onderbevelhebber, te Parijs met de wapens in de hand en beiden met een zeer aanzienlijk bedrag aan goud op zak werden gearresteerd. De eerste bekende, dat hij zich reeds sinds Augustus met Cadoudal in de hoofdstad bevond. Bouvet zweeg doch poogde zich in zijn cel op te hangen.

Nog juist bijtijds door den cipier gered, deed Bouvet den minister Real daarop een omstandig verhaal van al ’t geen hij wist, n.l., dat Pichegru zich te Parijs bevond en tegelijk met Cadoudal en diens bende aan de klip van Biville bij Saint Leu in Bretagne was geland; dat een prins van den bloede van het komplot wist en naar Frankrijk zou komen, zoodra hier alles voor den aanslag was voorbereid; dat Pichegru, Cadoudal en Moreau op de boulevard de la Madeleine een nachtelijke bijeenkomst hadden gehad, en dat alleen Moreau’s besluiteloosheid de oorzaak was geweest, dat nog niet tot handelen was overgegaan.

Uit al de hierna volgende verhooren bleek hoe langer hoe duidelijker, dat het geheele komplot uitsluitend door de koningsgezinden en de émigrés in Engeland was op touw gezet, terwijl de groote hoeveelheden Engelsch goud, in ’t bezit der gearresteerden gevonden, genoegzaam aanwezen welk een aandeel Engeland zelf er aan had. De émigrés waren arm; zij hadden door de omwenteling alles verloren.

Was het te verwonderen, dat Bonaparte, die terwille van diezelfde [184]uitgewekenen zijn populariteit en, wat in die dagen van heel wat meer beteekenis was, het vertrouwen van alle oprechte en eerlijke aanhangers der omwenteling had op ’t spel gezet, ziende, wie hier achter de schermen zaten, woedend werd, zoo woedend zelfs, dat hij dagen achtereen zijn plannen te Boulogne, Brest en Texel vergat?

Een voorbeeld zou gesteld worden en den Bourbons moest worden duidelijk gemaakt, dat men niet ongestraft zich in verbinding stelde met lieden als Cadoudal en anderen. Bovendien, die voortdurende onrust nagejaagd te worden en elk oogenblik misschien door een sluipmoordenaar zijn leven te verliezen, daaraan diende voor goed een einde te komen; in drie jaar tijd waren er reeds zeven samenzweringen geweest. Uitgebreide maatregelen werden genomen en Savary lag weken achtereen, met een sterke brigade gendarmes op de loer bij de klip van Briville, nabij Dieppe aan ’t Kanaal, een bij de smokkelaars in die dagen welbekende landingsplaats. Volgens getuigenis van Picot en van Bouvet de Lozier was daar de plek, waar een der prinsen zou landen, zoodra te Parijs alles voor den aanslag gereed was. Op diezelfde plaats waren maanden te voren Pichegru en Cadoudal ook op Fransch grondgebied gekomen en vandaar waren ze langs boschwegen en afgelegen paden naar Parijs gegaan, waar zij zich hadden verscholen.—

Ofschoon uit de verhalen van eenige der gevangen genomen chouans vernomen werd, dat Moreau aan de samenzwering niet wilde meedoen, werd hij den 15en Februari toch gevangen genomen. Niet lang daarna vielen ook Pichegru en tal van bij het komplot betrokken edelen en chouans in handen der politie. Den 9en Maart werd ook Cadoudal na een woedend verzet op straat gevangen genomen.—

Terwijl het proces tegen deze samenzweerders in vollen gang was en men nog niet wist in hoever Fouché en zijn gewetenlooze agenten in deze zaak een rol hadden gespeeld, werd Bonaparte, zoowel misleid door verkeerde voorstellingen en door de inblazingen van zijn vleiers en enkele verdorven of blindelings gehoorzamende personen uit zijn omgeving, tot een daad gebracht, die ten eeuwige dage als een bloedvlek op zijn naam zal blijven kleven.

Wij bedoelen de terechtstelling van den jeugdigen hertog van Enghien, den kleinzoon van den prins van Condé.

In het Badensche plaatsje Ettenheim ten N. W. van Freiburg, niet ver van de Fransche grenzen woonde deze Bourbon reeds sinds het voorjaar van 1801. Had hij vroeger in de gelederen der émigrés als kolonel van een Oostenrijksch regiment tegen Frankrijk gestreden, na den vrede van Lunéville had hij zich in Ettenheim gevestigd uit genegenheid voor de aldaar vertoevende prinses Charlotte de Rohan-Rochefort; tevens om in het Zwarte Woud van de jacht te kunnen genieten. Nog steeds stond hij met Engeland in betrekking en ontving zelfs van dit land een maandelijksche toelage van 150 pond sterling. [185]In zijn omgeving bevonden zich o. a. de markies de Thumery en eenige andere uitgewekenen van minder beteekenis.

In tegenwoordigheid van Talleyrand werd Napoleon door Fouché ingelicht betreffende de aanwezigheid van dezen Bourbon zoo dicht bij de Fransche grenzen.

Bonaparte liet daarop in stilte door een sluwen wachtmeester der gendarmerie, die Enghien van vroeger kende, een onderzoek ter plaatse instellen en daardoor kwam hij onder meer te weten, dat de hertog, hoewel zijn vader hem tegen dergelijke onvoorzichtigheden van uit Engeland ernstig gewaarschuwd had, zich wel eens te Straatsburg vertoonde. Tevens werd meegedeeld, dat ook de generaal Dumouriez (een naamsverandering met Thumery) zich vaak te Ettenheim bevond.

Dit rapport van den gendarme, waarin de naam van den gedeserteerden generaal Dumouriez voorkwam naast dien van Enghien, bracht Bonaparte in verband met de verklaring van Cadoudal voor den rechter, dat een prins van den bloede, wiens naam nog niet zeker bekend was, met Cadoudal te Parijs zou samenwerken tot het volvoeren van den aanslag.—

Hij verweet den minister Real, het nieuwe hoofd der politie op heftigen toon zijn onbekendheid met het feit, dat een Bourbon zich zóó dicht bij de grenzen ophield en belegde daarop terstond tegen den 10en Maart een buitengewone vergadering, waarin de twee andere consuls, de ministers en ook Fouché tegenwoordig waren.

De minister van Justitie deed verslag van ’t geen het verhoor van Cadoudal en diens medeplichtigen had aan ’t licht gebracht. Talleyrand volgde met een lang rapport over de vertakkingen van het komplot, onder anderen in Baden en besloot met het voorstel den hertog van Enghien op te lichten en aan de zaak een einde te maken.

Cambacérès was de eenige, die zich ernstig tegen dit plan verzette, daar hij ook vreesde, dat deze schending van Badens grondgebied op de kabinetten van Europa een ongunstigen indruk zou maken. Maar Napoleon riep hem toe: “Denkt gij dan mijnheer, dat ik mij zal laten vermoorden als een hond? Dat ik niet anderen de verschrikkingen zal laten ondervinden, waarmee zij mij mijn leven willen omringen? Neen, neen, ik zal een slag toebrengen, die hen allen zal doen sidderen.”

Het voorstel van Talleyrand werd met algemeene stemmen, op die van Cambacérès na, aangenomen.

Onmiddellijk werden maatregelen genomen; aan den Badenschen minister werd door Talleyrand bericht gezonden van den voorgenomen aanslag en uit het decreet van den keurvorst van Baden, waarbij aan alle émigrés het verdere verblijf in de staten werd ontzegd, uitgevaardigd een dag na de arrestatie van den hertog, blijkt voldoende, dat er bij den keurvorst niet over werd [186]gedacht te protesteeren wegens de schending van grondgebied. Dat de keurvorst zijn waardigheid aan Napoleon dankte en tevens dat zijn grondgebied onder de kanonnen van Straatsburg lag, werkten zeker mede tot deze zachte stemming.

In den morgen van 15en Maart werd Enghien te Ettenheim door den majoor der gendarmerie Charlot zonder verzet gevangen genomen. Zijn papieren werden in beslag genomen en hij zelf onder bewaking van Charlot eerst naar Straatsburg, vervolgens naar Verdun gevoerd.

De bevelen werden stipt uitgevoerd en het bevelschrift van Charlot was even kort als duidelijk:

Op last van den Eersten Consul. 14 Maart 1804.

Begeef u terstond bij nacht naar Ettenheim, neem den hertog van Enghien gevangen en leg beslag op al zijn papieren. Met uw hoofd staat gij voor hem in.

Moncey, generaal der gendarmerie.”

Van Verdun bracht men hem naar Parijs en hier kwam het bevel, dat de hertog naar Vincennes moest worden overgebracht, waar hij den 20en Maart aankwam. Alles ging met de grootste geheimzinnigheid, want aan niemand mocht iets omtrent den gevangene worden meegedeeld en in Vincennes, waar men niets wist van zijn komst, moest in allerijl een kamer voor hem in gereedheid worden gebracht. Het bevel tot opsluiting was inmiddels verschenen.

Dienzelfden nacht nog, want alles moest, volgens Bonaparte’s last aan Savary, voor het aanbreken van den dag zijn afgeloopen, kwam onder voorzitterschap van generaal Hulin op het kasteel een krijgsraad bijeen. Murat, gouverneur van Parijs, had dezen krijgsraad op de gebruikelijke wijze samengesteld; over den beklaagde moest onverwijld een vonnis worden geveld naar aanleiding van de punten van beschuldiging, welke in een bijgevoegd besluit van het gouvernement waren vervat. Dit besluit luidde:

Vrijheid.—Gelijkheid.

Parijs, 29 Ventôse, jaar XII der Één en ondeelbare Republiek.

“Het gouvernement der Republiek besluit als volgt:

“Artikel I.—De voormalige hertog van Enghien, verdacht van het dragen van de wapenen tegen de Republiek, van ook nu nog in Engelsche soldij te staan, van deel uit te maken van de komplotten, door deze mogendheid gesmeed tegen de binnen- en de buitenlandsche [187]veiligheid der Republiek, zal worden gebracht voor een krijgsraad, samengesteld uit zeven leden, te benoemen door den generaal-gouverneur van Parijs en zitting nemende te Vincennes.

“Artikel II.—De groot-rechter, de minister van oorlog en de generaal-gouverneur van Parijs zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

De Eerste Consul
Bonaparte.

Voor dezen krijgsraad erkende Enghien ruiterlijk, dat hij de wapenen tegen de Republiek had gedragen, het laatst als bevelhebber der voorhoede van het leger van zijn grootvader Condé; ook deelde hij mede maandelijks van Engeland geld te ontvangen, maar nooit had hij in eenige betrekking gestaan tot Pichegru of Dumouriez en gaf zelfs zijn afkeer te kennen van de verachtelijke middelen, waarvan de eerste zich, naar hij gehoord had, wilde bedienen. Dat hij bereid was wederom de wapens op te nemen ontkende hij niet, integendeel, hij deelde zelfs mede, dat hij bij het uitbreken van den oorlog aan Engeland had gevraagd dienst te mogen nemen in het Engelsche leger; de Engelsche regeering had hem echter geantwoord hem daartoe niet de gelegenheid te kunnen geven, maar dat hij aan den Rijn moest blijven, waar hij een rol te vervullen zou hebben.

Ten slotte vroeg hij om een onderhoud met den Eersten Consul, “mijn naam, mijn rang, mijn wijze van denken en het gruwelijke van mijn toestand doen mij hopen, dat hij mijn verzoek niet zal afwijzen,” voegde hij erbij.—

De nachtelijke beraadslaging had een paar uur geduurd en daarna ging de krijgsraad tot beraadslaging over met het gevolg dat de krijgsraad hem met algemeene stemmen schuldig verklaarde en hem ter dood veroordeelde. De wetten op het dragen van wapenen tegen de Republiek waren zeer streng en dat de jonge hertog er prijs op stelde de eerste te zijn, die de degen zou trekken in den oorlog van Engeland tegen Frankrijk, dit laatste had vooral op de leden van den krijgsraad, allen oude soldaten, o. a. de kolonels van de Parijsche regimenten, een zeer ongunstigen indruk gemaakt.

Onmiddellijk moesten de maatregelen worden genomen om het vonnis te voltrekken, want de last was zeer duidelijk geweest, dat alles voor het aanbreken van den dag moest zijn afgeloopen. Wel had Enghien verzocht om een onderhoud met den Eersten Consul te hebben, doch de krijgsraad had zich niet gerechtigd geacht eigenmachtig op te treden en de executie van het vonnis uit te stellen.

Nog voor het daglicht aanbrak, was de laatste telg der Condé’s in een der grachten van het kasteel door Fransche soldaten gefusilleerd! Het drama was afgespeeld en tegen zes uur had Savary van af de borstwering van het slot zich overtuigd, dat aan het bevel van zijn meester was voldaan. [188]

Nog denzelfden morgen deed Savary rapport over hetgeen was voorgevallen aan Bonaparte, die zich echter ontstemd toonde over de groote haast, die gemaakt was en over de mislukking van de opdracht aan Real gegeven om Enghien te hooren omtrent punten, die in verband stonden met het proces tegen Cadoudal en Pichegru.

Met betraande oogen kwam Joséphine daarna zijn kabinet binnen.—“Och, och, wat heb je gedaan! Wat heb je gedaan!”

“Die ongelukkige kerels hebben te veel haast gemaakt,” gaf hij driftig ten antwoord.—


Bij het bekend worden van het vonnis ging er in Europa een kreet van verontwaardiging op.

De Chateaubriand, de schrijver van Atala en van Génie du Christianisme was door Bonaparte benoemd tot gevolmachtigd minister in Wallis (Zwitserland). Toen hij kennis kreeg van hetgeen er in Vincennes had plaats gehad, vroeg hij zijn ontslag alsof hij hiermee zeggen wilde: “Gij hebt een misdaad gepleegd. Een gouvernement, dat zich bevlekt met het bloed van een Bourbon, verkies ik, oud-uitgewekene, niet langer te dienen.”

“In Frankrijk,” zegt Talleyrand “verhief zich geen enkele stem tegen deze daad van snood geweld. Dit is bedroevend doch waar; het kan alleen worden verklaard door de angst van de natie voor het schokken van een gouvernement, dat Frankrijk aan de anarchie had ontworsteld.” De moordaanslag in de Rue Nicaise was blijkbaar nog niet vergeten.

Aan de hoven was men bewogen met het lot van den jongen hertog en vertoornd op Bonaparte, maar van een krachtig protest was geen sprake. Zagen we dat Baden een decreet uitvaardigde, waarbij aan de émigrés het verder verblijf in het land werd ontzegd, ook Beieren en Hessen volgden dit voorbeeld. Was men in de omgeving van de Pruisische koningin hevig verontwaardigd op de gewelddaad van den Eersten Consul, de koning liet door zijn minister aan de Fransche regeering zeggen, dat hij hoopte dat het Bonaparte zou gelukken de samenzweringen tegen zijn persoon en het gouvernement voor goed te vernietigen!

Rusland, juist met Engeland in onderhandeling over een verdrag om geldelijke steun, verzette zich meer officieel. Een uitnoodiging aan Oostenrijk om zich bij het protest aan te sluiten werd beantwoord met een veelbeteekenend: “Nous sommes à la bouche du canon,” zoodat Rusland alleen te Parijs om opheldering vroeg. Het kwam van een koude kermis thuis, want Bonaparte gaf een vlijmend scherp antwoord terug, daarbij doelende op den geheimzinnigen dood van Paul I. Terecht, want Rusland, met zijn historie zoo vol van gewelddaden, had zeker het minste recht een protest te doen hooren.

Aan Zweden verschafte de zaak een mooie gelegenheid om zijn haat [189]eens flink te luchten en sinds dien werd er altijd gesproken van “Mijnheer Napoleon Bonaparte.”

Meer dan een eeuw ligt er tusschen het heden en den dag waarop de hertog van Enghien het leven liet. Veel van hetgeen toen nog in het duister lag, is thans bekend. Intusschen hebben wij ook het tweede keizerrijk leeren kennen met zijn heirleger van mouchards en agents provocateurs, een bende uit de geheime middelen betaalde, gewetenlooze ellendelingen, die menigmaal een onschuldig gezegde tot een misdaad tegen den staat wisten op te blazen. Hoe dieper men doordringt in de bijzonderheden dier laatste dagen van het Consulaat, hoe meer zich de overtuiging vestigt, dat de agent provocateur en de betaalde spion onder de opperste leiding van den gewetenloozen oud-Jacobijn, den gehaten en gevreesden minister van politie Fouché, ook in het drama van Cadoudal en in de verdachtmaking van Moreau en den hertog van Enghien een rol hebben gespeeld. Niets ontzag Fouché om zijn persoonlijk belang te bevorderen en bij Bonaparte in het gevlei te komen om weder tot minister van politie te worden benoemd, hetgeen hem inderdaad ook gelukt is.

En niet alleen Fouché, maar ook Talleyrand heeft in deze zaak een belangrijke rol vervuld en meegewerkt tot de afwikkeling van het drama. Hij heeft er zich zelfs op beroemd, Napoleon tot een krachtig optreden te hebben aangespoord. Was deze dan misleid? Naar onze meening, wat betreft Enghiens aandeel in het komplot, wel, wat zouden anders zijne woorden: “Mijn God, wat hebben de ellendelingen mij laten doen!” voor zin hebben, toen hij later vernam, dat de hertog in die dagen nooit te Parijs was geweest en dat hij ook nooit met Dumouriez in eenige relatie had gestaan.

Maar dit alles neemt niet weg, dat ook Bonaparte schuld treft, want de schending van het neutrale grondgebied vindt geen verdediging met een beroep op het meer voorkomen in de geschiedenis van dergelijke gevallen. Deze schending was in hooge mate af te keuren.

Toch nam Bonaparte de verantwoordelijkheid ook van het vonnis geheel op zich en dat standpunt heeft hij ook nog op St. Helena ingenomen, want in zijn testament lezen wij: “Ik heb den hertog van Enghien doen gevangen nemen en vonnissen, omdat dit voor de veiligheid, het belang en de eer van het Fransche volk noodzakelijk was, nadat was gebleken, dat de graaf van Artois zestig moordenaars op mij had afgezonden. In een soortgelijk geval zou ik wederom zoo handelen.

Het echt Corsicaansche begrip van de vendetta kwam ook bij deze terdoodbrenging terstond aan het licht, de Bourbons tegen de Bonaparte’s; het leven van Bonaparte was op het spel gezet, men schoot op hem, welnu hij eveneens op hen. De samenzweringen moesten eindigen, men hoort er de eerste jaren ook niet meer van; het voorbeeld had geholpen; “het is misschien een misdaad,” zegt Masson, “het is niet een fout.” [190]

Al is het overtuigend gebleken, dat de hertog van Enghien, noch met Dumouriez, noch met Pichegru in verbinding stond, al wist hij van het komplot niets dan toen het iedereen bekend was, dit alles wist Bonaparte niet, hij was door al wat hij had gehoord overtuigd, dat Enghien wel degelijk daarbij was betrokken.

Dat Cadoudal en zijn chouans het op Napoleons leven hadden toegelegd staat vast; dat Engeland dezen struikroover met goud steunde, valt niet te loochenen en dat Drake, de Engelsche gezant aan het hof van Beieren, een diplomaat van hoogen rang dus nog wel, eveneens tegen Bonaparte samenspande is bewezen.

Persoonlijk heeft hij meegewerkt om dezen schavuit in een geborduurden rok te ontmaskeren.

Vernemende, dat ook nog anderen den Eersten Consul naar het leven stonden, had Drake o. a. durven zeggen, “dat het onverschillig was door wien het beest werd neergeveld, als allen slechts terstond gereed waren om aan de jacht deel te nemen.”

Bemerkende, welken indruk de moord van Enghien alom in het buitenland teweegbracht, zond Bonaparte aan al de hoven van Europa een afschrift van de correspondentie, tusschen dezen Drake en diens agenten gevoerd, om hierdoor het bewijs te leveren, welke ellendige rol Engeland tegenover hem speelde. [191]


1 Dr. A. Fournier, professor aan de universiteit te Praag.

2 Russische staatsarchieven.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XIV.

De Keizerskroon.

Het is zeker, dat Bonaparte nooit zoo’n hoog standpunt heeft ingenomen in de oogen van de natie dan na den vrede van Amiens. Zoowel de boer op het land als de bezitter van goederen, zoowel de niet-beroepssoldaat als de middenklasse in stad en provincie, ja allen, alleen enkele onverzadelijken en ontevredenen uitgezonderd, wenschten den vrede. Bonaparte had hem gebracht en hij verscheen daardoor in de oogen van de natie als de overwinnaar en de vredestichter! Geschikter oogenblik was er dus niet om zijn gezag voor goed te vestigen en Bonaparte was er de man niet naar, dit juiste moment te laten voorbijgaan. Het Consulaat voor het leven werd gevestigd en aan de inrichting van het staatsbestuur, maar ook aan tal van andere maatregelen, als de instelling van het Legioen van Eer en den terugkeer van vele emigranten, was het duidelijk zichtbaar, dat dit alles slechts een overgang was tot nog hoogere macht en titel. De instelling van een hof werd aangekondigd en al wat er geschiedde, duidde op de uitwerking van het monarchale idee.

Dat echter het aanbieden van de keizerlijke waardigheid aan den Eersten Consul een uiting is geweest van de dankbaarheid van het Fransche volk tegenover den man, die na den val van het Schrikbewind en het Directoire welvaart, voorspoed en rust had gebracht, kan niet worden gezegd. Alles werkte er toe mede en reeds maanden waren de gemoederen in Frankrijk op een verandering van den staatsvorm voorbereid.

De ontdekking van de samenzwering van Cadoudal veroorzaakte een bijzonder gunstige stemming van de natie ten opzichte van Bonaparte en hiervan werd door hem gebruik gemaakt om thans de vervulling van een zijner liefste [192]wenschen te verkrijgen. Fouché, de man, dien hij verachtte, doch dien hij noodig had, al wilde hij dit niet erkennen, dreef hem uit eigenbelang letterlijk de trappen van den troon op, zijn omgeving zag er een middel in tot vermeerdering van haar inkomsten en aan de meeste familieleden was het niet onwelkom in de grootheid en de eer van Bonaparte te deelen.

Het voorstel van het Tribunaat om hem als hoofd van de Republiek de keizerskroon te schenken, deze erfelijk te verklaren en het goedkeurend adres in denzelfden zin van het Wetgevend Lichaam, werden gevolgd door de opdracht van den Senaat. (Mei 1804.)

Dat de natie, die eenige jaren te voren het hoofd van haar koning had geëischt, thans eenstemmig dacht met den Senaat, bewees de uitslag van het plebisciet van 1 December 1804. De vraag op Napoleons uitdrukkelijk verlangen daarbij aan haar voorgelegd, was: “of ze de erfelijkheid der keizerlijke waardigheid verlangde in de rechte, natuurlijke, wettige en adoptieve lijn van Napoleon Bonaparte en van Louis Bonaparte, zooals die was geregeld bij besluit van den Senaat van 29 Floréal van het jaar XI.”

Van de ruim drie en een half millioen thans uitgebrachte stemmen waren er nog geen 2600 “tegen.”

Nauwelijks had Napoleon zijn nieuwe waardigheid aanvaard (18 Mei) of hij begon met zijn gewone voortvarendheid te werken aan de inrichting van het bestuur en aan het vaststellen der met deze verbonden waardigheden.

Het eerst dacht hij aan zijn vroegere ambtgenooten. Cambacérès werd aartskanselier, Lebrun aartsthesaurier. Zijn broeder Jozef benoemde hij tot groot-keurvorst, Louis tot connétable. Achttien zijner oude krijgsmakkers, zooals Augereau, Lannes, Massena, Davoust, Murat, Berthier, Bernadotte, Soult, Ney en Bessières werden maarschalk en ontvingen voor ’t meerendeel tevens den titel van prins, hertog of graaf naar de plaatsen, waar zij hadden gezegevierd.

Tot groot-officieren der kroon werden voorts benoemd: tot groot-aalmoezenier zijn oom, de kardinaal Fesch, tot opperkamerheer Talleyrand, tot hofmaarschalk Duroc, tot opperjagermeester Berthier, enz. De titels van Hoogheid, Excellentie, Majesteit en Keizerlijke Hoogheid kwamen weder in gebruik. Het geheele arsenaal van betrekkingen, vormen en ceremoniën van den vroegeren tijd werd tegelijkertijd met den geborduurden rok, den staatsiedegen en den gegalonneerden steek weder te voorschijn gehaald. Het is te begrijpen, dat al die nieuwe baantjes tevens goed werden betaald, zelfs kreeg Talleyrand later jaarlijks 495.000 francs, ja de dotaties gedurende het keizerrijk gegeven aan chefs van korpsen en ministers overtroffen voor enkelen zelfs het bedrag van 1.000.000 francs!

Napoleon I. Keizer der Franschen.

Napoleon I. Keizer der Franschen.

De eenige, die protest indiende tegen den nieuwen toestand, was de broeder van den onthoofden koning, Lodewijk XVI, maar Napoleon nam van [193]dit protest geen notitie en duchtte het zoo weinig, dat hij het in zijn geheel in den Moniteur liet opnemen.

Den 10en Juni 1804 wees het crimineele gerechtshof van de Seine vonnis in de zaak van George Cadoudal. Het veroordeelde hem en negentien van zijn medeplichtigen ter dood; de overigen tot gevangenisstraf, Moreau tot twee jaar detentie. Pichegru had zijn vonnis niet afgewacht maar, heette het, zelfmoord gepleegd en zich in het begin van April in zijn cel opgehangen, hetgeen niet best te verklaren is, want het was hem bekend, dat Bonaparte plannen met hem had in Guyana en hij kon dus begrijpen, dat er voor hem geen doodvonnis was te wachten. Napoleon, zooals hij van nu af aan zou heeten, begon zijn regeering als zoodanig met een daad van grootmoedigheid en genade. Acht van de twintig ter dood veroordeelden, waaronder Lozier, generaal Lajolais, de markies de Rivière en Armand de Polignac kregen gratie. De hechtenis van Moreau werd veranderd in verbanning naar Noord-Amerika. Zijn goederen werden verbeurd verklaard.

Met elf man van zijn bende liet Cadoudal het leven op het schavot. Zijn familie werd na den val van Napoleon door Lodewijk XVIII in den adelstand verheven!!


Wel mag de laatste helft van het jaar 1804 een tijdperk heeten van groote plechtigheden en schitterende feesten. Den 14en Juli, den gedenkdag van Frankrijks vrijmaking, werd de instelling van het Legioen van Eer in de kerk van het hotel der Invaliden plechtig ingewijd. Vier dagen later vertrok de Keizer, vergezeld van een reusachtigen stoet grootwaardigheidsbekleeders en groot-officieren der kroon, waaronder Jozef en Louis, naar het kamp van Boulogne, om de versierselen der Orde daar zelf aan het leger uit te reiken. Meer dan een maand bleef hij aan den oever der zee, voortdurend te midden van zijn soldaten, vervuld met trots over de snelheid, waarmede de toebereidselen tot een overtocht naar Engeland vorderden, terwijl hij door zijn tegenwoordigheid allen tot nog meer inspannning opwekte, en niet schroomde zich als de geringste matroos bloot te stellen aan al de gevaren, die de vaak woelige zee en de nabijheid der Engelsche oorlogsschepen opleverden.

Eenmaal nam hij zelfs deel aan een aanval, door een flottille van kanonneerbooten gewaagd op eenige vijandelijke fregatten, die de Fransche kust te dicht waren genaderd en thans de ondervinding konden opdoen, dat die kleine, vlugge schepen hun reusachtigen romp heel wat schade konden toebrengen, doch zelf door hun laag boord zoo goed als ongedeerd bleven.

Tevens werden toebereidselen gemaakt voor de plechtigheid der ordeverleening zelve, die den 15en Augustus, den verjaardag des Keizers, zou plaats grijpen.—Met den rug naar de zee, op een heuvel, die het omliggende terrein geheel beheerschte, werd een ijzeren zetel geplaatst, die afkomstig [194]heette van koning Dagobert. Achter dezen zetel verhief zich een reusachtige tropee van wapenen en op den vijand veroverde vaandels. Een geweldige kroon van gouden lauwerbladeren, waarboven paardenstaarten en veldteekens der mamelukken golfden, bedekte het geheel. Op het schild en in een helm van Bayard en Duguesclin, de helden uit Frankrijks roemrijk verleden, gedragen door adjudanten-generaal, lagen de uit te reiken eereteekenen.

Voor dezen troon schaarden zich in een halven cirkel al de regimenten, te zamen meer dan tachtigduizend man, die onder maarschalk Soult in het kamp van Boulogne en in dat van Montreuil waren bijeengebracht; de nieuwbenoemde ridders, in pelotons geformeerd, stonden het dichtste bij den Keizer.

Om den indruk te verhoogen was als verzamelpunt gekozen de plek, waar eeuwen te voren Cesars legioenen het strand zouden hebben bereikt, en waar de bouwvallen van een toren, naar hem genoemd, nog zichtbaar waren. Die omgeving, die praal, die pracht, dat grootsche militaire vertoon werkten electriseerend op het licht ontvlambare gemoed der soldaten. De verschijning eener vloot van zeven en veertig oorlogsschepen, die, van Havre komende, bij hooge zee, onder het dreunen van ’t kanon naar de haven van Boulogne zeilde, werkte mede om de plechtigheid nog aangrijpender te maken. Toen de Keizer, na het afnemen van den eed aan de gedecoreerden, zich tot de troepen wendde en met luide, boven alles uit klinkende stem vroeg: “En gij, soldaten, zweert gij de eer van Frankrijks naam, uw vaderland, uw Keizer zelfs met gevaar van uw leven te zullen verdedigen?” klonk uit tachtigduizend kelen een allesoverweldigend: “Dit zweren wij!” boven het loeien van de verbolgen zee uit, terstond gevolgd door een even indrukwekkend: “Leve de Keizer!”

Dit oogenblik moet ook voor den imperator te midden van zijn trouwe krijgers, waarvan velen reeds jaren onder hem dienden, even onvergetelijk zijn geweest als voor allen, die er van getuige waren. Zijn gelaat glansde van voldoening. Zijn oog straalde van trots.

Nog enkele dagen bleef hij in het kamp, inspecteerde de batterijen langs de kust, opgeworpen om de transportvaartuigen te beveiligen tegen een coup de main der vijandelijke vloot, bracht toen een bezoek aan België en de nieuwe departementen langs den linker Rijnoever, vond te Maintz de keizerin, die zich baadde in het genot van schitterende feestelijkheden en openbare huldebetuigingen, bereidde hier de vorming voor van een Duitschen Statenbond en de ontbinding van het eeuwenoude Roomsche Keizerrijk en keerde in het midden van October naar de hoofdstad terug.

Ondanks het vele werk, dat dit alles hem gaf, had hij toch nog tijd gevonden aan Frankrijks wetenschappelijke instellingen te denken en de organisatie van de Polytechnische school, die der school voor burger-ingenieurs en die voor de Studie van het Recht ter hand te nemen en te voltooien. [195]

Nog wachtte den pas benoemden keizer een zeer belangrijke gebeurtenis welke de bevestiging van het keizerrijk moest zijn: de kroning.

Ten einde het indrukwekkende van de plechtigheid te verhoogen en wel wetende dat dergelijke ceremoniën de verbeelding van de natie treffen, wilde Napoleon den paus doen tegenwoordig zijn bij die groote gebeurtenis.

De correspondentie met den paus was begonnen door eene briefwisseling van Joséphine met hem; de onderhandelingen, welke hierop volgden met den Heiligen Stoel, werden gevoerd door den reeds genoemden kardinaal Fesch. Deze “oom Fesch,” evenals meer andere leden zijner naaste familie, in het geheim geen groot vriend van zijn neef Bonaparte, was een ijdel en bekrompen, maar stoutmoedig man. Hij had een eigenaardig leven achter den rug. Tijdens de Republiek had hij den priesterrok uitgetrokken en was zelfs onder la Terreur commissaris van oorlog in Italië geworden. Zijn gedragingen in dien tijd deden niet erg aan den oud-priester denken, want groote rijkdommen wist hij zich toen te verwerven door aankoop van meesterstukken uit de oude Italiaansche school, door de Fransche generaals uit de musea gestolen en vaak voor een appel en een ei aan den sluwen Corsicaan, die een goed kunstkenner was, overgedaan. Na den 18en van Brumaire was hij, die door zijn afzondering en vrome houding vergiffenis van zonden had verworven, weder geestelijke geworden en op voorspraak van zijn neef door den paus tot kardinaal benoemd.—

Met zijn plaatsing in Rome, nog wel ter vervanging van den gematigden en zeer voorzichtigen Cacault was de paus wel niet bijzonder ingenomen, maar, hoewel op diplomatiek gebied een volslagen leek, kon Fesch in handen van Napoleon een zeer bruikbaar werktuig worden voor de taak, welke Napoleon in Rome voor hem bestemd had. De Chateaubriand, die in alles ver boven hem stond, werd hem daar als secretaris toegevoegd.

Na de onderhandelingen had Napoleon in September van uit Keulen schriftelijk den wensch te kennen gegeven van de overkomst. “Die daad zou den zegen des Heeren, die in zijn raadsbesluiten over het lot der volkeren en der huisgezinnen beschikt, op hem en op zijn volk doen nederdalen.”

Met eenige verbazing had men in Rome eerst dit verzoek ontvangen en al was Pius VII een der eersten, die Napoleon met zijn keizerskroon had gelukgewenscht, hij had er wel wat op tegen voor een dergelijk menschelijk motief Rome zoo lang te verlaten. Ook bij het Heilige College vond Napoleons uitnoodiging ernstige tegenkanting. Daar was men de hoofdartikelen van het Concordaat en die inmenging van het wereldlijk gezag in “zoogenaamd” geestelijke belangen nog volstrekt niet vergeten en was de achterdocht tegen den nieuwen monarch zeer levendig.

Zelfs de gezant Cacault, die zooals we zagen te Rome voor Fesch had moeten plaats maken, schudde over al die grootsche plannen het hoofd.—[196]“Zie nu eens aan!” zei hij, “de Keizer acht zich zelf een Karel de Groote. Een zoon van hem zou zoo’n figuur kunnen worden, ja, doch hij zelf zal ten allen tijde een Pepijn de Korte blijven. Met Albion zoo dicht bij de poorten van Parijs is geen Karel de Groote denkbaar. Caprara (de kardinaal) heeft hem het hoofd op hol gebracht. Wat hebben ze mij mijn generaal en mijn Eersten Consul bedorven! Hij luistert niet meer naar mij. Hij heeft mij senator gemaakt—mij dus met stomheid geslagen.”

Toch zwichtte de paus ten slotte voor de bijna brutale betooggronden van Fesch en voor de wel niet eerbiedige, doch tevens bevelende brieven van den Keizer, die zich in een der laatste dezer o, zoo sluw en voorzichtig gestelde epistels “zijn vrome zoon” had genoemd. Noch de lange reis, noch het protest van Lodewijk XVIII of van de te Londen aanwezige, uit Frankrijk gevluchte bisschoppen, weerhield den paus om aan het verzoek te voldoen. Wat den paus er toe bewoog? Zeker niet eigen belang maar alleen het belang van de kerk en de vrees, bij weigering haar bloot te stellen aan onherstelbare slagen. Ook de angst voor bezetting van Rome door Fransche troepen had hem zeker tot toegeven genoopt. In een college van kardinalen werd onder zekere voorwaarden bij groote meerderheid van stemmen het plan goedgekeurd, maar we kunnen ons voorstellen, dat velen onbewimpeld hun afkeuring er over te kennen gaven.

Vooral de vermaarde pamfletschrijver de Maistre viel ’s pausen zwakheid heftig aan en stelde deze nog beneden de misdaden van een Alexander Borgia. Zelfs hoopte hij dat “die goedzak” het onderweg zou afleggen en zijn “afschuwelijke geloofsverzaking” met den dood zou bekoopen.

Doch aan het besluit viel niets meer te veranderen. Alle bijkomende bezwaren waren door Napoleon uit den weg geruimd.

De kosten van de reis zouden door Frankrijk worden gedragen; aan al de eischen van etiquette, voor den Heiligen Stoel altijd een zaak van het allerhoogste gewicht, zou worden voldaan. Ook was door Napoleon uitdrukkelijk bedongen, dat de kroning door hem zelf verricht zou worden.

Vol angst voor allerlei denkbeeldige gevaren, die hem in dat “goddelooze” Frankrijk wachtten, maar tevens innig overtuigd, dat hij dit offer moest brengen ter verhooging van de glorie der kerk, aanvaardde Pius VII, vergezeld van een aantal kardinalen, in de eerste dagen van November 1804 den langen tocht over de bergen. Een massa paternosters voor de dames der hofhouding, een paar antieke vazen voor Joséphine en voor Napoleon twee antieke cameeën, eenig van bewerking en teekening, voorstellende Achilles en Scipio’s zelfbeheersching, bracht hij als geschenken mede. Was zijn angst op de reis over Piacenza, Parma en Turijn reeds eenigermate begonnen te wijken bij het zien van den eerbied, waarmede hij overal werd begroet, te Lyon verdween die volkomen om plaats te maken voor een nameloos gevoel van [197]verrukking.—Zijn oude raadsman Caprara had dus de waarheid gesproken, toen hij beweerde, dat deze reis de kerk tot heil strekken en hem zelf overgroote voldoening schenken zou!—

Te Lyon was de gansche bevolking van Provence, van Dauphiné en Bourgogne samengestroomd om hem, den kerkvorst te zien, te eeren en geknield zijn zegen te ontvangen.

Was dàt nu het volk, dat steeds in opstand heette tegen God en zijn gebod, dat tronen omvergeworpen en een vorigen paus gevangen gezet had!

Den 25en November had in het bosch van Fontainebleau de eerste ontmoeting met Napoleon plaats en hier werd de paus door de keizerin en de leden der keizerlijke familie enz. opgewacht. Drie dagen later zegende de kerkvorst van het balkon der Tuilerieën in ’t bijzijn van Napoleon de buiten geknielde menigte. Welk een schouwspel in de Tuilerieën, waar twaalf jaar geleden de meest gruwelijke tooneelen hadden plaats gehad. Dat alles voor den paus was ingericht op de wijze als in het Vaticaan, een attentie van Napoleon, trof den kerkvorst bijzonder. Welk een ontvangst te Parijs! Het scheen half een droom voor den vromen man, die zelfs te midden van de groote weelde, waarmede Napoleon hem deed omringen, in levenswijze en voeding aan allen, die hem zagen, tot voorbeeld had kunnen strekken. Een paar schoteltjes met in olie toebereide groenten vormden o. a. zijn middagmaal.

Het is te begrijpen, dat de a. s. plechtigheid van de kroning voor tal van familieleden, die daarbij zouden tegenwoordig zijn, reeds weken lang een onderwerp van bespreking vormde en het vooral een zeer gewichtige zaak was, welke rol ieder daarbij zou moeten vervullen. Bij het verdeelen van die rollen tusschen de schoonbroeders en de zusters was in de eerste plaats de vraag besproken, of Joséphine ook zou worden gekroond. Napoleon had met zijn antwoord geaarzeld. De hartstochtelijke drift harer schoonzusters vooral van Murats vrouw Caroline, om bij de plechtigheid een hoofdrol te vervullen, had de jaloezie van Joséphine in zoo hooge mate opgewekt, dat zij, zich niet langer meester, op deze schoonzuster een toespeling maakte, in haar wezen gelijkstaande met de afschuwelijke verdachtmakingen waarvan niet de koningsgezinden alleen zich in dien tijd tegenover Napoleon bezondigden, en die ook later door allerlei letterkundig gespuis zijn gebezigd om den Keizer in de oogen der nakomelingschap te verlagen tot een monster, voor wie zelfs de banden des bloeds niet heilig waren. Lodewijk XVIII vond een beetje cronique-scandaleuse, waarvan zijn gevallen vijand het onderwerp was, zelfs wàt aardig.

Verwoed was Napoleon opgestoven; zijn drift had over zijn liefde gezegevierd; dreigend had hij haar het woord “echtscheiding” toegeslingerd. Hortense en Eugène hadden ridderlijk de partij hunner moeder gekozen, doch de Bonapartes hadden gejuicht over deze nederlaag der gehate Creoolsche, [198]“die haar man geen nakomelingen schonk.” Hierdoor was Napoleon tot bezinning gekomen; hij had de kracht gemist de gezellin zijner jeugdige jaren en haar twee kinderen, die hij zoo bijzonder genegen was, in ballingschap te zenden; een omhelzing was gevolgd en daarbij de belofte, dat Joséphine tegelijk met hem zou gekroond worden.

Schier kinderlijk blij was zij nu terstond voor haar toilet gaan zorgen.


IJdel en wuft, spilziek en lichtzinnig, een echt kind der tropen, doch medelijdend en zielsgoedhartig tevens, werd zij volkomen terecht door de Parijzenaars “de goede keizerin” geheeten en door hen letterlijk op de handen gedragen. Vaak bedrogen, vaak misleid, bleef ze niettemin in haar goeddoen volharden. Zij kon geen tranen zien en vergoot er zelve zooveel! Ook haar hebben de jaloezie en de haat aan al wat met het huis Bonaparte verwant was, niet gespaard. Niet geheel ten onrechte is haar verweten, dat zij als de weduwe de Beauharnais onvoorzichtig is geweest en met den verwaanden cynieken Barras op al te intiemen voet verkeerd heeft, niet ten onrechte ook, dat haar gedrag in de eerste maanden van haar huwelijk tegenover Bonaparte verkeerd was. De tijd echter, waarin die behaagzieke jonge vrouw, de vriendin van mevrouw Tallien, later bijgenaamd Nôtre Dame de Thermidor, leefde, was een tijd van algemeene verdorvenheid van zeden en zeker waar is het, dat uit diezelfde vrouw door haar innige liefde voor Napoleon, een levensgezellin is geboren even vlekkeloos van levenswandel als eenmaal de vrouw van Cesar Augustus. Zelfs de boosaardige steken door Barras in zijn gedenkschriften op haar gericht, zijn niet bij machte geweest dit feit te ontzenuwen. Voor den Keizer is zij een brave, trouwe echtgenoote geweest, die hem aanhing met hart en ziel, die hem daarbij dermate vereerde, dat zij hem nooit anders dan met “U” en “Sire” toesprak.

Dat zij later om staatkundige redenen is verstooten, zij, die zooveel leed gelenigd, zooveel smart verzacht had, hebben velen Napoleon nooit kunnen vergeven.

Men houde ons deze kleine uitweiding ten goede, zij was hier, dachten wij, niet misplaatst.


Joséphine had dus gezegevierd, ze zou worden gekroond, maar voor dit geschiedde, behaalde ze een tweede overwinning. We zagen vroeger, hoe ze bij het huwelijk van Louis en Hortense het verzoek achterwege liet om evenals Murat en Caroline de kerkelijke wijding van haar huwelijk te ontvangen. Thans echter wist ze het zoover te brengen. Nog altijd vreezende voor een scheiding, bang voor de intriges aan het hof en die van Napoleons broers, ook om godsdienstige redenen, vroeg zij een dag voor de kroning een audientie bij den paus. Dezen vertelde ze, dat ze nooit voor een priester [199]gehuwd was en de paus gaf haar daarop ten antwoord, hetgeen zij wel had voorzien, dat hij dan noch den Keizer, noch haar kon zalven overeenkomstig de wetten en hoewel vertoornd op zijn vrouw, was Napoleon wel genoodzaakt toe te geven. Zoo werd het huwelijk den 1en December in het diepste geheim en zonder getuigen door “oom” Fesch nog kerkelijk gewijd. Joséphine zorgde er wel voor van Fesch een certificaat te ontvangen en eenmaal kerkelijk ingezegend, duchtte ze geen echtscheiding meer, want een kerkelijk gesloten huwelijk kon immers niet meer worden ontbonden! We weten, hoe de tijd haar anders leerde.—


2 December 1804 was de groote dag!

Onder klokkengelui stroomde het volk door de met vlaggen getooide stad naar de plaats der plechtigheid, de Nôtre-Dame. Voorafgegaan door den paus kwam Napoleon, gevolgd door de keizerin, de prinsen en prinsessen de kerk binnen, daarop volgden de maarschalken, dragende de kroon, de schepter, degen enz. Met plechtige toespraken werden de verschillende initialen door den paus aan den Keizer overhandigd, daarna zette hij zich zelf de kroon op het hoofd en ontving daarop den pauselijken zegen.

Vervolgens nam Napoleon de kroon en plaatste deze op het hoofd van Joséphine, die met tranen in de vriendelijke oogen voor het altaar geknield lag; het was het meest aangrijpende oogenblik, alleen verstoord door den perfiden glimlach van Talleyrand. Wat moet dit moment voor haar wel geweest zijn, maar ook welk een gebeurtenis in het leven van den Corsicaan, die zoo echt eenvoudig maar begrijpelijk tijdens de ceremonie zijn broer Jozef aanstootende, zeide: “Jozef, als vader ons nu eens zag.

De mooie rede van den kerkvorst, zijn waardige verschijning, verhoogde nog de plechtigheid en toen Napoleon ten slotte den eed had afgelegd, daverde een “Leve de Keizer” door de kathedraal.

De kroning maakte zoowel in als buiten Frankrijk grooten indruk en in zoover had Napoleon dus volkomen zijn doel bereikt.

Pius VII vertrok niet direct na de kroning, maar bleef nog enkele maanden in Frankrijks hoofdstad, het scheen den kerkvorst goed te bevallen en ten onrechte heeft men wel beweerd, dat er niet de noodige egards voor hem werden in acht genomen. Na in April van ’t volgende jaar nog het kind van Louis en Hortense te hebben gedoopt, vertrok hij weder naar Rome, waar hij in Mei aankwam, zoo al niet verheugd over den afloop der onderhandelingen met Napoleon dan toch uiterst voldaan over de hartelijke ontvangst hem allerwege bereid en de groote piëteit, die de Franschen voor hem als hoofd der kerk hadden aan den dag gelegd.

Het kind, dat de paus had gedoopt en welke plechtigheid met groot ceremonieel was gevierd en waarvan aan alle hoven bericht was gezonden, [200]bracht, evenals het eerste kind, in het droevige huwelijksleven van Hortense en Louis een lichtstraaltje; reeds van het begin af was de verhouding slecht geweest. Louis, in den regel afwezig, had reeds in de eerste dagen van hun huwelijk de weinige kieschheid gehad, Hortense in te lichten over het vroegere leven van haar moeder en men zal erkennen, dat deze volstrekt onnoodige mededeelingen niet bevorderlijk waren voor een goede verhouding. Zijn hard en dikwijls onbillijk optreden tegen Hortense hadden bovendien de uitwerking, dat zij in stilte leed en in de afwezigheid van haar man, zonder haar hart uit te storten, in de omgeving van Napoleon en Joséphine eenige vergoeding trachtte te vinden, voor ’t geen ze met Louis samenwonende, volkomen miste. Wel scheen de komst van het eerste kind eenige verandering ten goede te brengen, maar het was van korten duur en de melancolieke man van vroeger, die het nergens kon vinden, telkens voor ziekte naar het Zuiden moest en zich ook op politiek gebied niet bewoog, zooals zijn broers, maakte het leven van Hortense inderdaad ongelukkig. Wel nam hij ten slotte zijn betrekking van divisiegeneraal en lid van den Staatsraad aan, maar noch het een, noch het ander had zijn belangstelling.

Geheel anders Jozef! We weten, hoe deze altijd in oppositie was tegen zijn jongeren broer; wat had het Napoleon een hoofdbreken gekost bij de regeling van het erfrecht, Jozef te voldoen. Nauwelijks was het hem bekend, dat Napoleon het kind van Louis als zijn opvolger wilde aanwijzen of Jozef ging direct aan het werk om voor zijn rechten op te komen en hierin vond hij zoowel bij Lucien als Louis steun, zoodat deze zelfs door hem werd overgehaald de aanwijzing van zijn kind als opvolger te weigeren. Napoleon was geëindigd met Jozef naar Boulogne te zenden, waardoor hij niet in Parijs kon komen en Napoleon de gelegenheid kreeg het erfrecht te regelen op de wijze, zooals hij dat wilde, zonder dat Jozef hem hierin kon weerstreven en tevens aanhangers kon winnen om zich tegen de plannen van zijn broer te verzetten.

Ten slotte was Jozef gezwicht. ’t Was dan ook al te verleidelijk; de waardigheid van Prins met een tractement van één millioen, die van Groot-Keurvorst met 333.333 francs en dan nog als woning een paleis, wie zou er niet wat voor laten loopen, vooral als men dan nog binnen 6 weken twee gratificaties ontvangt uit de “grande-cassette” van 300 en 50.000 francs! ’t Was de moeite waard, doch ’t verzet van Jozef tegen zijn broer eindigde er toch niet mee. Dat zat nu eenmaal in ’t bloed.

Dat Jozef zoo intiem was met Bernadotte, die ook al door zijn toedoen o.a. maarschalk was geworden, hinderde den Keizer geweldig; dat hij zijn huis inrichtte op zoodanige wijze dat daaraan lieden werden verbonden, die Napoleon niet gezind waren, eveneens en toen Napoleon in October 1804 o.a. met Jozef overleg pleegde over de regeling der kroning, kwam het tot een [201]hevige uitbarsting tusschen de broers. Napoleon wist wel waar hem de schoen wrong. Jaloezie tegenover Eugenius de Beauharnais en Hortense speelde een hoofdrol en in het bijzijn van anderen kwam het soms tot heftige scènes, waaruit Napoleons groote genegenheid voor zijn stiefkinderen ten duidelijkste bleek. Ten slotte stelde Napoleon zijn broer voor de keuze òf zich geheel uit het publieke leven terug te trekken, òf te blijven voortgaan hem tegen te werken, òf zich openlijk met hem te verbinden. Napoleon zegt hem openhartig, dat hij het laatste hoopt, maar geeft hem ook duidelijk te verstaan, dat hij het tweede niet zal dulden en dat hij hem dan ook openlijk als vijand zal beschouwen. Jozef onderwerpt zich en kiest het laatste; we zullen zien, dat het meer schijn dan werkelijkheid was.

Van de zijde van Jozef dus verzet, met Lucien was de band reeds geheel verbroken! Zagen we vroeger hoe deze broer in Portugal goede zaken had gemaakt en van het aldaar verkregen geld goede sier maakte in Parijs en zich grandioos inrichtte, een tweede huwelijk van Lucien met Madame Jouberthon was de oorzaak van de verwijdering tusschen hem en Napoleon. Juist in den tijd, dat Napoleon het plan had hem te doen huwen met een Spaansche Infante, weduwe van den vorst van Etrurië, kwam Napoleon tot de ontdekking, dat hij in alle stilte gehuwd was met Mme Jouberthon, een toch al niet te gunstig bekend staande dame en dat niet alleen, maar zelfs was er voor de sluiting van het huwelijk reeds een kind geboren. Het is te begrijpen, dat de huwelijksvoorstellen van Napoleon bij Lucien weinig ingang vonden, maar eveneens, dat zijn broer, alles van het tweede huwelijk hoorende, in woede ontstak. Aanvankelijk van plan ernstige maatregelen te nemen, begreep Napoleon, dat deze toch weinig zouden uitwerken en het wijzer was niets meer te doen, daar noch hij, noch ook zijn moeder eenigen invloed op Lucien zou hebben. Eenmaal voor dit fait-accompli geplaatst, eischte hij echter, dat Luciens vrouw niet den naam van Bonaparte zou dragen. De jongere broer dacht er niet over naar den anderen te luisteren, eischte wel degelijk dien naam voor zijn vrouw op en dat niet alleen, hij wilde ook voor haar een plaats in de familie.

Het slot was, dat Napoleon hem gaf te verstaan, dat dit zoo niet kon gaan en Lucien zich had te onderwerpen. Deze wilde dit niet en op het einde van December 1803 vertrok hij uit Parijs naar Italië, zooals hij aan Jozef schreef “met haat in het hart.” Wel kwam hij het volgend jaar in Parijs terug, wel gaf hij te kennen geen afstand te doen van zijn aanspraken wat het erfrecht betreft, wel deed Napoleon een uiterste concessie door hem te beloven in het erfrecht ook hem een plaats te geven, onder beding dat zijn kinderen uit het tweede huwelijk voor altijd bleven uitgesloten, het baatte alles niets; Lucien eischte opname in de familie en in het erfrecht, Napoleon weigerde beslist. Met Lucien werd gebroken; deze vestigde zich te Rome [202]en de poging van mama om Lucien weder in Napoleons gunst te doen opnemen, nog eenige weken voor de kroning aangewend, had geen resultaat.


Was Lucien dus niet bij de plechtigheid op 2 December tegenwoordig, ook Napoleons jongste broer Jérome ontbrak. Met het oog op het groote verschil in leeftijd, Napoleon was 15 jaar ouder, kunnen we ons begrijpen, dat Napoleon de zorg voor zijn opvoeding geheel op zich moest nemen en tijdens het Consulaat zien we Jérome dan ook in de omgeving van Napoleon en Joséphine; deze vond hem blijkbaar een aardigen jongen, maar verwende hem in den grond en Jérome maakte daar flink gebruik van en leidde een gemakkelijk en lui leventje. Uitgaan en pret maken waren zijn hoofdbezigheden, terwijl het koopen van een reisnecessaire voor de som van 15000(!) francs wel voldoende bewees, dat hem de waarde van het geld niet erg bekend was.

Reeds waren er klachten van de broers ingekomen bij Napoleon over de verkeerde wijze, waarop hij door Joséphine werd opgevoed en zoo werd besloten hem eene opleiding voor zeeofficier te geven. Hij werd naar de vloot gezonden om onder leiding van den admiraal Gautheaume, die zeer strenge instructies van Napoleon kreeg, aan orde en tucht te gewennen. Misschien, dacht Napoleon, zou hij een groote rol ter zee kunnen vervullen evenals zijn broers in het leger en in de politiek! Aanvankelijk ging het goed en kon Gautheaume gunstige rapporten over zijn discipel aan Napoleon zenden. Jérome viel het niet moeilijk aan de nieuwe omgeving te wennen en voelde zich ook ter zee geheel op zijn plaats. Dat hij de ernst van het leven nog niet goed begreep, was met het oog op zijn jeugdigen leeftijd te verklaren en dat hij na zijn aanstelling tot luitenant ter zee, in Parijs teruggekeerd, deze bevordering duchtig vierde, eveneens. Toch schijnt hij het wat al te bont te hebben gemaakt, want Napoleon zond hem spoedig weer naar Nantes met bevel op een der schepen, de Epervier, te embarkeeren. Wel duurde het nog eenigen tijd, voor hij aan den last voldeed en zette hij in Nantes de festijnen van Parijs voort, maar eindelijk zien we hem weer zee kiezen.

Zoo treffen we Jérome op zijn brik de Epervier in het begin van 1803 in de West-Indische wateren aan; zelfs werd hij bij ontstentenis van zijn kapitein door den vlootvoogd tijdelijk met het commando over een der schepen belast, voorwaar voor Jérome, die het schip meer als een plezierjacht, dan als een oorlogsschip beschouwde en op zijn schip nu en dan als huzarenkapitein gekleed ging, een te verantwoordelijke betrekking. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Niettegenstaande de admiraal Villaret hem beval, ook met het oog op den uitgebroken oorlog met Engeland, te vertrekken, haastte Jérome zich niet, bleef lang op Martinique, zond ten slotte de Epervier naar Frankrijk terug, maar ging zelf met enkele vrienden naar... de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zoodat we hem in Juli van het jaar [203]1803 in Washington aantreffen. Dit uitstapje kostte geld, maar Jérome wist raad. Hij nam den vertegenwoordiger van Frankrijk aldaar, zekeren Pichon, in den arm en deze moest hem geld geven, wat ook geschiedde. Zoo leefde hij er te Washington en Baltimore lustig op los en dacht niet aan vertrekken, ook niet toen een Fransch schip zich in de haven bevond en de gelegenheid voor vertrek hem dus werd geboden.

In Baltimore had hij kennis gemaakt met de nog jeugdige en mooie Miss Elisabeth Patterson. De jongen, hij was pas negentien jaar, was spoedig doodelijk verliefd en wilde huwen met de schoone Amerikaansche. De consul trachtte hem er van af te brengen en waarschuwde Jérome, dat hij de toestemming van zijn moeder moest hebben en dat dit huwelijk volgens de Fransche wetten ongeldig zou wezen, maar het gelukte noch Pichon, noch anderen hem te bewegen van het huwelijk af te zien. En Miss Patterson zelf? Geen raadgevingen baatten, ook haar tot andere gedachten te brengen. “’t Was beter één uur de vrouw van Jérome Bonaparte te zijn, dan van een ander gedurende het geheele leven,” gaf ze als bescheid. Zoo werd de verbintenis gesloten en zorgde vader Patterson wel, dat het huwelijkscontract de duidelijke bepaling inhield, dat bij scheiding, hetzij door Jérome, hetzij veroorzaakt door de verwanten, de dochter het recht had op het eigendom en het volle genot van een derde der goederen van Jérome en tevens, dat bij afwezigheid van Elisabeth dit aan de erfgenamen kwam!

Napoleon, dit alles vernemende, was ten hoogste ontstemd en wilde natuurlijk het huwelijk niet erkennen. Ook eischte hij onmiddellijken terugkeer naar Frankrijk, doch wel schrijft Jérome een zeer onderworpen brief aan Talleyrand met belofte van terug te komen, maar in een brief aan zijn moeder, waarin hij haar het huwelijk mededeelde, vermeldt hij niets over den terugtocht, noch roert hij daarin het ernstige feit aan, dat hij vrijwel desertie heeft gepleegd. Jérome neemt nu eenmaal alles nog al licht op; hij blijft, viert feest, maakt pret en... schuld.

We kunnen dus niet zeggen, dat de verhouding tusschen Napoleon en zijn broers tijdens de kroningsdagen zoo bijster goed was, aan de eene zijde stil verzet met schijnbare onderwerping, aan den anderen kant volkomen opstand en verwijdering.


Drie dagen later vierde Parijs wederom een luisterrijk feest, doch thans een van zuiver militairen aard. Aan al de regimenten in de hoofdstad in garnizoen en aan al de korpsen daar buiten, door den kolonel en een keurbende zijner soldaten vertegenwoordigd, reikte Napoleon de nieuwe adelaars uit, die kostbare veldteekens, zwaar van zijde, borduursels en goud, de zinnebeelden van eer en trouw, welke binnen weinige jaren zegevierend door Europa zouden gaan om ten slotte in den reuzenslag van Waterloo weg te zinken in een zee van bloed. [204]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XV.

Oorlog in Duitschland.

Napoleons geduchte krijgstoerustingen aan ’t Kanaal hadden de onrust in Engeland sterk doen toenemen, doch Pitt was weder in het kabinet getreden. De partij van den vrede had het onderspit gedolven.

Den 5en October had een Engelsch eskader weder het bewijs geleverd, dat zeeroof nog altoos een zijner geliefkoosde middelen was tot vermeerdering van zijn gezag op den oceaan. Vier Spaansche fregatten met een lading van circa zeven millioen gulden aan boord waren zonder oorlogsverklaring buit gemaakt en prijs verklaard, omdat Spanje geweigerd had aan de Fransche schepen den toegang tot zijn havens te verbieden. Uit niets was dus af te leiden, dat Engeland naar vrede verlangde.

Voor de grondvesting zijner dynastie dezen vrede vóór alles wenschende, deed Napoleon in de eerste dagen van Januari 1805 toch nog een poging om tot dezen te geraken. Voor de tweede maal schreef hij een brief aan Engelands koning en bezwoer hem hierin “zelf aan de wereld vrede te schenken en deze zoete voldoening niet over te laten aan een volgend geslacht.” Bovendien wees Napoleon op het hooge punt van welvaart en voorspoed, waarop Engeland stond; een oorlog was zonder nut en “de wereld is toch groot genoeg, dat onze beide volken er kunnen leven.” Het antwoord was koel en ontwijkend. Verschillende teekenen wezen zelfs er op, dat het Pitt was gelukt den Frankrijk vijandigen geest op Europa’s vastland weder tot oorlogswoede te prikkelen. Inmiddels verliep de gunstige periode voor een landing; alles werkte tegen en machteloos tegenover de elementen, die hij niet voor zijn wil kon doen bukken, moest Napoleon toezien, dat het leger aan ’t Kanaal wederom een [205]tijd tot werkeloosheid was gedoemd. Een oogenblik rees in zijn machtig brein het plan op, een legermacht van dertigduizend man om de Kaap de Goede Hoop heen naar Britsch-Indië te voeren, met de Mahratten tot bondgenoot dit land te veroveren en Albion op die wijze te treffen, doch de hierbij te overwinnen bezwaren waren te groot. Ten slotte bedacht hij een middel, dat wel uitvoerbaar was en waar hij terstond een begin mee deed maken.

Bij zijn plan voor een landing op de Engelsche kust hing alles af van tweemaal vier en twintig uur goed weer en van de aanwezigheid eener Fransche vloot in ’t Kanaal, sterk genoeg om het daar onafgebroken kruisende Engelsche eskader van vijftien schepen in toom te houden. Dus ontving de admiraal de Villeneuve, opperbevelhebber over de circa zestig Fransche en andere schepen, in de havens van Brest, van Rochefort, van Le Ferrol en van Cadix verspreid, den last met die vloot in zee te steken en den steven te wenden naar Martinique in West Indië.

Natuurlijk zouden de Engelsche eskaders in den Atlantischen Oceaan hem dan derwaarts volgen.—Hun komst aldaar moest hij echter niet afwachten doch, Martinique verlatende, naar Europa terugkeeren, noordwaarts om Schotland heen naar het Nauw van Calais stevenen en het Kanaal-eskader vernietigen. Dan kon de landing geschieden. Voordat de Engelsche vloot, van Martinique terugkeerende, zijn spoor had gevonden, zou het pleit zijn beslist.—

Aanvankelijk liep alles naar wensch. Alleen had Villeneuve slechts ruim dertig schepen kunnen bijeen brengen; de Spaansche waren niet gereed. Martinique werd bereikt, ook vroegtijdig genoeg weder verlaten, maar nu richtte de admiraal den steven niet naar ’t noorden, naar Schotland, doch naar ’t zuiden, naar Cadix, om hier de bij de uitreis nog niet slagvaardige bodems af te halen. Een kort gevecht voor Ferrol volgde. De vloot leed schade en nu bleef de admiraal te Cadix liggen “timmeren,” zoodat de vijand al den tijd had om eveneens naar Europa terug te keeren. Toen kwam het slechte weder, dat uitzeilen belette en ten slotte werd de vloot in de haven van Cadix geblokkeerd.

Voorloopig zag Napoleon van verdere landingsplannen af.


Opnieuw wijdde hij zijn aandacht aan de stoffelijke en zedelijke belangen van zijn volk. Het Burgerlijk Wetboek kwam gereed, terwijl ook voor het onderwijs maatregelen werden genomen om dit te verbeteren. In zijn jeugd had hij de ondervinding opgedaan van hoe luttele waarde het onderwijs van pastoors en geestelijken op de scholen was; ook had hij de onverdraagzaamheid dier mannen tegenover andersdenkenden leeren kennen. Hierin moest een radicale verandering komen en de eerste schreden hiertoe had hij al gedaan. Het Concordaat had de positie geregeld van de Fransche geestelijken tegenover den staat; zij waren door het land bezoldigde, doch door den paus in hun geestelijk ambt bevestigde dienaren geworden. Staatskerk was die van [206]Rome niet geworden. Aan Pius gaf hij onomwonden te kennen, dat hij van de Roomsch-Katholieke kerk als staatskerk niet wilde weten; ieder geestelijke zou bij schending van de wetten van den staat evenals ieder Fransch burger aan de bestaande rechtbank worden overgegeven; bovendien deelde hij den paus mede, dat er in de rijksscholen wel geestelijken zouden worden toegelaten tot het geven van godsdienstonderricht, maar dat alleen de staat op de scholen gezag moest uitoefenen, terwijl het onderwijs alleen door mannen van het vak mocht gegeven worden. Als een balsem op deze wond beloofde hij den kerkvorst op diens vraag of hij niets zou terugkrijgen van ’t geen hij in grondgebied, o.a. de legatiën en inkomsten had verloren, dat hij in den materieelen toestand van den Heiligen Stoel langzamerhand verbetering zou brengen; ook wilde Napoleon zelfs terstond geldelijke steun verleenen, maar hij gaf daarbij te kennen, dat hij geen verraad kon plegen tegenover een staat, die hem gekozen had tot hoofd.

Dit laatste doelde op het nieuwe koninkrijk, dat uit de Italiaansche republiek was voortgekomen en waarvan hem de kroon in het midden van Maart 1805 was aangeboden. Napoleon had pogingen aangewend om deze kroon aan Jozef te geven, dit zou dan een soort compensatie zijn geweest voor zijn afstand van het erfrecht in Frankrijk, waarvan Napoleon dan hoopte een bepaalde afstandsacte in handen te krijgen; na eerst zoo goed als aangenomen te hebben, had Jozef ten slotte toch bedankt tot groote ontstemming van zijn broeder, die daarna nog een vergeefsche poging had aangewend om de Italiaansche kroon voor een kind van Louis te bestemmen, terwijl het regentschap gedurende de minderjarigheid aan Napoleons beslissing zou zijn gebleven.

Dat de geheele intrige van de aanbieding van dit koningschap over Italië door Napoleon en Talleyrand was op touw gezet en uitgewerkt, vordert zeker geen nader betoog. Europa had deze gedaantewisseling van Noord-Italië verwacht; daar was men hem met plannen maken zelfs reeds voor. Zoo heette het in die dagen reeds, dat hij aan Louis in Holland, aan Jozef in Napels een kroon wilde geven, dat hij zijn oom Fesch tot Paus zou verheffen en Zwitserland en Genua met Frankrijk wilde vereenigen; Spanje heette al bestemd voor een derden broer. Zoo werd de publieke opinie vaak reeds voor hem bewerkt, zonder dat hij hiertoe aanleiding gaf.

Toen alle toebereidselen gemaakt waren en de ijzeren kroon der Lombardische koningen uit de schatkamer van Monza te voorschijn was gebracht, ging Napoleon, vergezeld van Joséphine en een groot deel der hofhouding, den laatsten April op reis naar Italië en gaf ook nu weder een bewijs van zijn belangstelling in al wat de bevolking zelve of het algemeen belang ten goede kon komen. Zoo liet hij o.a. te Lyon den last achter een bewaarplaats te bouwen voor niet verboden handelsartikelen van vreemden oorsprong, een [207]brug over de Saône te hernieuwen, een graanhal te stichten benevens een teekenschool. Acht dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Milaan.

God geeft ze mij. Wee hem die ze aanraakt!” werd het devies der orde van de IJzeren Kroon. ’t Waren de woorden, door hem met luider stem gesproken, terwijl hij zich in de hoofdkerk te Milaan de kroon der Longobarden op de slapen drukte en zich tooide met den koninklijken ring, den mantel en het zwaard. (26 Mei 1805.) Italië werd geschoeid op de leest van het keizerrijk. Beslist was echter nog niet, wat met Italië zou geschieden, wie n.l. Napoleon aldaar zou vervangen.

Terwijl hij zich te Milaan bevond werd er een geregelde correspondentie met Pesaro gevoerd, waar Lucien vertoefde. Reeds vroeger had deze broer een soort poging gewaagd met Napoleon op beteren voet te komen en de gansche familie was in de weer om Lucien weder in genade te doen aannemen, maar Napoleon bleef bij zijn vroegeren eisch, dat Mme Jouberthon niet den naam van Bonaparte mocht dragen, terwijl Lucien wel wilde beloven, dat zijn vrouw niet aan ’t hof zou komen en het ook goedkeurde, dat zij geen titel zou ontvangen, maar de twee dochters uit het eerste huwelijk moesten deel uitmaken van de keizerlijke familie. Hierover loopt in die dagen de briefwisseling van de broers, welke echter het gewenschte resultaat niet heeft.

Vlijmend scherp is Napoleons antwoord aan de familieleden, waarin hij in krasse bewoordingen Luciens gedrag afkeurt en hem verwijt de eer van zijn naam en van zijn familie op te offeren aan een “oneervolle” vrouw. Toch valt de beslissing over Italië nog niet. Nog hoopt hij op onderwerping en dan, zoo had Napoleon beloofd, wachten hem schitterende vooruitzichten. Lucien volhardt en den 7en Juni valt de beslissing over Italië, waar Eugenius de Beauharnais tot onderkoning wordt aangewezen. Ofschoon pas vier en twintig jaar oud, in administratief werk niet thuis en van de politiek nog niet op de hoogte, benoemt Napoleon zijn stiefzoon tot dit belangrijk ambt, maar waar broers renonceeren blijft hem niet veel anders over en Eugenius, die het volkomen vertrouwen van zijn stiefvader genoot en bekend stond als een ridderlijk, trouw soldaat, een der nobelste figuren uit die dagen van intrige en onbetrouwbaarheid, zou onder leiding van Napoleon spoedig de bewijzen geven, dat de keuze van zijn stiefvader niet zoo verkeerd was geweest.

De republiek Genua verzocht nog vóór Napoleons vertrek uit Milaan bij het koninkrijk Italië te worden gevoegd.

De regeling der Italiaansche zaken had tusschen Napoleon en Jozef een groote verkoeling doen ontstaan, terwijl de breuk met Lucien nu volkomen was geworden. Tevergeefs had Jozef bij zijn plannen op zijn zuster Caroline gerekend, deze had zich geheel van de broers afgescheiden, daar er met hen niets was te verkrijgen en zij beter alleen, gesteund door haar man, Murat, die als gouverneur van Parijs in de nabijheid van Napoleon vertoefde, [208]van de goede gelegenheid kon gebruik maken om van broerlief een en ander gedaan te krijgen. Het gevolg was dan ook, dat aan Murat steeds meer waardigheden werden opgedragen en hij o. a. tot prins van het keizerrijk benoemd werd. Ook Caroline ondervond in stoffelijke dingen de groote voordeelen met Napoleon op goeden voet te wezen, zooals bleek uit de groote toelagen, die haar en Murat ten deel vielen en het kostbare geschenk van bijna een millioen francs na de geboorte van een kind aan Caroline bij haar eersten kerkgang gegeven.

Had Elisa reeds vroeger Piombino, in Toskane, van Napoleon gekregen, thans werd haar de kleine republiek Lucca als een prinsdom nog toegewezen, terwijl haar gemaal Bacciochi den titel van prins van Lucca en Piombino ontving. Dat Napoleon zijn zuster, die zich ook aan de politiek begon te geven daardoor uit Parijs verwijderde was zeker ook een hoofdmotief van deze benoeming. Elisa kon nu in haar gebied met de 130.000 inwoners naar hartelust aan de politiek doen en ze liet zich ook niet onbetuigd, terwijl ze wel zorgde, dat haar onbeduidende man tevreden bleef met den titel te voeren, zonder ook maar iets in het bestuur te zeggen te hebben.

Dat de verhouding van Napoleon weer hersteld was en aan Borghese het Fransch burgerrecht was verleend, had Pauline in hoofdzaak te danken aan haar moeder, die nooit ophield in de bres te springen voor die kinderen, welke in ongenade waren gevallen of die naar haar meening door Napoleon niet werden behandeld zooals dat behoorde.

In de eerste maanden na de kroning vinden we de moeder in Parijs, eigenlijk in afwachting van hetgeen Napoleon aan haar zou geven, want zij had noch een titel, noch een of andere bezitting ontvangen en hierover had ze meermalen haar ongenoegen te kennen gegeven en oom Fesch had er vroeger reeds met Napoleon over gecorrespondeerd. Niet alleen kostte het dezen nog al hoofdbreken welken titel aan haar te geven, maar het wekte Napoleons ontstemming ook op, dat zij voor Lucien telkens opnieuw opkwam in plaats van er voor te zorgen, dat Lucien zich onderwierp en het huwelijk verbrak. Ook tegenover Jérome moest zij voor Napoleon partij kiezen. Aan haar wensch werd echter voldaan en behalve den titel van Madame-Mère werd haar een groot jaargeld toegewezen, terwijl ze een mooi kasteel aan de Seine ter bewoning ontving, en haar zoon nog een aardige som voor de meubileering verstrekte. Toch was het er verre van af dat mama zich bijzonder dankbaar toonde; haar wenschen en begeeren reikten veel verder. Ze was te veel Corsicaansche om niet te pogen, dat de Corsicanen in Frankrijk in betrekkingen werden geplaatst, maar zooals we vroeger reeds zeiden, Napoleon dacht er niet over Frankrijk aan de clan over te leveren; zorgvuldig waakte hij ervoor dat de verspreiding der Corsicanen over Frankrijk werd voorkomen en bij de inrichting van de hofhouding van het huis zijner moeder werden [209]wel tal van personen van het oude en nieuwe regime daaraan verbonden, maar aan de enkele Corsicanen in de omgeving van zijn moeder, werden zelfs geen officieele functies gegeven. Het was, vond Napoleon, al mooi genoeg, dat hij zijn broers en zusters zoo bedacht; nog verder te gaan, daar dacht hij niet over en de tijd zou hem leeren, dat hij zelfs met dit te doen, al veel te ver was gegaan en het woord van Stendhal: “Het was gelukkiger voor Napoleon geweest geen familie te hebben gehad” waarheid zou bevatten.

Intusschen meende Oostenrijk, dat zich bij den vrede van Lunéville zooveel van zijn invloed op het lot van Europa had zien ontnemen, in Frankrijks krijgstoerustingen tegen Engeland een geschikte gelegenheid te vinden om weder de tanden te laten zien.

Reeds in Januari was de verhouding tusschen Napoleon en Frans II een korte poos zeer gespannen geweest. Nu de eerste voor het kroningsfeest te Milaan Fransche afdeelingen hierheen had samengetrokken, achtte de laatste dit een aanleiding om zijn leger in Carinthië en Venetië op 40.000 man te brengen. In Juli d. a. v. sloot Frans met Alexander van Rusland een bondgenootschap. Deze zou twee legers, samen 100.000 man, vormen; het eene zou den 20en October bij Braunau aan de Inn staan het andere naar Bohemen marcheeren. Voorts zouden twee sterke landingskorpsen worden gevormd, bestemd zoowel voor Napels als voor Pommeren om hier samen te werken met de Zweden. Ook Engeland en Rusland waren vroeger reeds tot een overeenkomst gekomen om Frankrijk tot zijn oude grenzen terug te brengen. Napoleon was van dit alles wel op de hoogte en schreef o.a. aan Cambacérès in Augustus, dat als Oostenrijk met de ontwapening geen begin maakte Napoleon haar met 200.000 man een duchtig bezoek zou brengen, dat haar lang zou heugen; door Talleyrands bemiddeling werden aan den Oostenrijkschen gezant alle brieven ter inzage gegeven over de geheime bewapening en Napoleon gaf duidelijk te verstaan alles terug te brengen tot op den voet van drie maanden te voren, anders binnen een maand oorlog. “Indien uw meester den oorlog wil, mij best, maar zeg hem dat hij Kerstmis niet te Weenen zal vieren,” zei Napoleon aan den Oostenrijkschen gezant.

Door Engelands millioenen gesteund, stonden in het najaar van 1805 met uitzondering van Turkije weer dezelfde mogendheden tegenover Napoleon als vroeger; hun doel was aan de steeds toenemende veroveringszucht van den Franschen Keizer, getuige Italië en Genua, paal en perk te stellen. Dit verbond, de 3e coalitie genoemd, was de kroon op het werk van Engelands regeering, die niets onbeproefd had gelaten de mogendheden voor het verbond te winnen. Alleen Pruisen, waar de koning binnen twee dagen na mededeeling omtrent het instellen van het keizerrijk reeds antwoord had gezonden aan zijn, “bon frère et ami” bleef voorloopig nog onzijdig. Geheel alleen stond Frankrijk ditmaal niet; in Beieren, Wurtemberg en Baden vond het steun. [210]

Het plan van aartshertog Karel, den opperbevelhebber der Oostenrijkers, was eenvoudig. Terwijl een leger van circa 60.000 man in naam onder aartshertog Ferdinand, feitelijk onder den veldmaarschalk Mack, in Duitschland de komst der Russen afwachtte, wilde hij met een macht van de dubbele sterkte in Tyrol, doch hoofdzakelijk in Italië, aanvallend te werk gaan en hier een beslissende overwinning trachten te behalen.

Napoleon bevond zich sedert den 3en Augustus weder in het kamp van Boulogne, toen hij de tijding ontving, dat de Oostenrijkers, de Inn, de grens van Beieren, den 16en waren overgetrokken. Een korte poos hoopte hij nog, dat het eskader van Villeneuve het Kanaal zou binnenstevenen, de Engelsche vloot vernietigen en hem zoodoende gelegenheid geven zou zijn grootsche landingsplannen toch nog te verwezenlijken.—In de voornemens der bondgenooten zou dit dan natuurlijk een geduchte verandering hebben teweeg gebracht.—Eenmaal echter de zekerheid verkregen hebbende, dat de Villeneuve niet naar ’t noorden maar naar Cadix was gezeild om te “repareeren,” was zijn besluit genomen.

“Ik hef mijn kamp op, laat mijn veldbataljons door mijn derde bataljons vervangen, houd aldus bij Boulogne nog een sterke macht over, sta den 23en September met 200.000 man in Duitschland, met 25000 in Napels, marcheer naar Weenen en steek het zwaard niet op, voordat ik Napels en Venetië in mijn macht en Beierens grondgebied zoodanig vergroot heb, dat er van Oostenrijk niets meer is te vreezen,” zeide hij.

Murat, Bertrand en Savary kregen in opdracht een verkenningsreis te maken langs den Neckar en den linkeroever van den Donau, de dwarswegen tusschen de rivieren onderling en den Rijn hieronder begrepen. In enkele uren dicteerde Napoleon aan Daru het gansche marschbevel van de geweldige macht, die onder den naam van het “Groote Leger” nog verspreid stond langs de kust over een frontlijn van tweehonderd uren gaans en welke den 23en September moest staan in het vak Mannheim—Straatsburg.

De verschillende korpsen wel eens “de zeven stroomen” genoemd, onder bekwame aanvoerders als Davoust, Soult, Lannes, Ney e. a. begaven zich op marsch om het tot in onderdeelen vastgestelde plan van den Keizer na te komen met als einddoel Weenen, waar men den Oostenrijkschen keizer het beloofde bezoek zou brengen.

Zoolang Napoleon niet zelf het commando op zich had genomen zou Murat hem vervangen.

Ten einde de aandacht van het buitenland uitsluitend op Boulogne gevestigd te houden, bleef hij hier nog vertoeven en veranderde oogenschijnlijk niets aan den toestand, doch verbood de dagbladen langs den linker Rijnoever over de troepenbewegingen aldaar te spreken.

Het geheele leger met inbegrip van de hulpkorpsen der bondgenooten [211](te zamen nog geen 30.000 man) telde ongeveer 219.000 krijgers. “Zeker bestaat er in gansch Europa geen mooiere armee dan die, welke ik thans bezit,” zei Napoleon en hij had gelijk. Een keur van oudgediende soldaten vormde de minderheid ervan; het meerendeel behoorde tot de conscriptie van 1804. Anderhalf jaar lang waren die mannen dus reeds onder de wapenen, uitstekend geoefend, goed georganiseerd en nog niet door de ontberingen, de gevaren en de uitputtende diensten van den oorlog verzwakt.

Jonge uitmuntende generaals voerden hen aan. Van de zeven korpscommandanten waren alleen Augereau en Bernadotte de veertig gepasseerd.

Drie er van, Lannes, Soult en Ney waren zoo oud als de Keizer zelf. Davoust was nog één, Marmont zelfs nog vijf jaar jonger. Van de divisiegeneraals had de helft den veertigjarigen leeftijd nog niet bereikt. Al die mannen, in de volle kracht van het leven, zagen een toekomst vol grootheid en roem tegemoet, waren vol energie en krijgsvuur, kenden den oorlog en Napoleons wijze van aanvoering en waren gewoon zijn bevelen onvoorwaardelijk te gehoorzamen.

Een enkel woord over het ontstaan dezer bevelen, ontleend aan Jomini, den grooten strateeg, die langen tijd Ney’s chef van den staf was, vinde hier zijn plaats.—De eigenlijke chef van zijn generalen staf was Napoleon zelf. Gebogen of liggende over een kaart, waarop de standplaatsen zijner korpsen en de vermoedelijke stellingen der tegenpartij door spelden met koppen van verschillende kleur,—rood en zwart—waren aangegeven, gewapend met een passer, die steeds openstond voor een afstand van zeven of acht uur gaans in rechte lijn, dus, rekening houdende met de krommingen der wegen, voor een marschdag van negen of tien uur, beoordeelde hij in een oogwenk het aantal dagen, voor ieder korps vereischt om op een bepaald tijdstip een zeker punt te bereiken. Terwijl hij spelden in die nieuwe punten stak en de voor elke colonne gevorderde snelheid in verband bracht met het hiervoor zoo mogelijk te stellen uur van afmarsch, dicteerde hij zijn “aanwijzingen.”

Een algemeen legerbevel vaardigde hij zelden uit, want het kon den vijand in handen vallen.—Zijn onderbevelhebbers lichtte hij betreffende zijn operatieplannen meestal niet in, uit vrees, dat het geheim er van in het leger niet zou bewaard blijven.—“Den vijand verrassen in ruimte en tijd” was zijn stelregel.—Iedere korpscommandant kreeg dus meestal alleen kennis van ’t geen hij zelf in verband met den algemeenen toestand had te verrichten en van ’t geen zijn nevenkorpsen zouden doen.

Ongeëvenaard zijn de kracht en de oorspronkelijkheid, door hem hierbij in zijn woorden gelegd. Men voelt als ’t ware de onmogelijkheid om aan zulk een bevel niet te gehoorzamen.—“Niet naar bed, voordat u mij al die détails hebt gemeld,” schrijft hij aan Bernadotte.—“Ik wensch u geluk met uw succes. Maar geen rust nemen nu; den vijand achterna met het staal in de [212]ribben en hem van al zijn verbindingen afgesneden,” krijgt Murat van hem in last.—“Is de vijand niet te Memmingen, dan als de bl... terug tot op onze hoogte,” kan Soult in zijn order lezen, daarna in een tweede: “Ik geef u in overweging uw adjudanten en ordonnansen hun paarden desnoods te laten doodrijden. Verdeel ze in relaisposten langs den weg naar Weissenhorn, maar bericht moet ik zoo snel mogelijk van u krijgen.”

De uitwerking van de bevelen, het regelen van de bijzonderheden en de zorg, dat de orders aan de armee werden bekend gemaakt, dit alles was het werk van den Chef van den Generalen Staf Berthier. Gedurende tal van jaren heeft deze werkzame man onschatbare diensten in deze functie aan Napoleon verleend, daarbij altijd zorgende nooit in de plaats van zijn meester te treden, maar stipt zijn bevelen uit te voeren. Niets was den Chef van den Generalen Staf ooit te veel, geen werk was hem te zwaar en toen Napoleon eens tegen Daru zei, dat hij een werkezel was, gaf deze ten antwoord, dat hij in negen dagen en nachten niet had geslapen, maar dat Berthier hem ver overtrof, want deze had in dertien dagen en nachten geen oog dicht gedaan.


Den 21en September vernam de Senaat door Talleyrand in tegenwoordigheid des Keizers de grieven, welke deze tegen het Kabinet van Weenen had. De Senaat beantwoordde deze mededeeling met het beschikbaar stellen van 30.000 conscrits der lichting van 1806 en met een plan tot reorganisatie der nationale garde. Zoolang het leger zich op vreemd grondgebied bevond, zou deze zorgen voor de handhaving der orde en voor de verdediging van de grenzen en de versterkte plaatsen.

Vergezeld van Joséphine, die hem tot Straatsburg uitgeleide zou doen, vertrok Napoleon den volgenden dag naar den Rijn, terwijl Jozef, die ook naar het leger moest vertrekken, ten slotte, geheel naar zijn zin in Parijs bleef, om tijdens Napoleons afwezigheid in zijn plaats te treden, meer echter in naam, dan in werkelijkheid.

In den loop van September had Mack de rivier de Iller en de positie van Ulm verkend en besloten de komst der Russen niet af te wachten, doch achter die rivier en bij Ulm een verdedigende stelling in te nemen, terwijl hij zijn onderbevelhebbers order had gegeven in die lijn bij hem aan te sluiten.

Deze order zou nimmer tot uitvoering komen. Den 5en October stond zijn leger nog verspreid langs de Iller in Vorarlberg, in Tyrol en bij het meer van Constanz. Van het plan zijner tegenpartij had hij nog geen flauw begrip.

Uit het bevel tot samentrekken tusschen Mannheim en Straatsburg viel reeds af te leiden, wat het plan des Keizers was. Terwijl zijn cavalerie Mack in den waan bracht, dat hij, den Rijn gepasseerd, door de passen van [213]het Schwarzwald vooruitrukte, moest de hoofdmacht de passen van dat zware bergterrein rechts laten liggen, in oostelijke richting marcheeren en daar een rechtsche zwenking verrichten, front naar den Boven-Donau. Bleef Mack dan achter de Iller staan, trok hij niet terug naar Tyrol dan moest die hoofdmacht hem insluiten en tot capitulatie dwingen.

“Wee den Oostenrijkers, als ze mij eenige dagmarschen op hen laten winnen! Dan kom ik met mijn geheele leger tusschen de Lech en de Isar,” zei de Keizer een der laatste dagen van September, toen zijn cavalerie reeds lang op marsch was. En de volgens Napoleon, “zeer middelmatige” Mack liet zijn tegenpartij, onbewust van het dreigende gevaar, dien voorsprong krijgen; steeds nauwer werd de kring, waarin Ney, Lannes en Soult hem sloten; den 15en October vermeesterde Ney de Michelberg ten noorden van Ulm en vijf dagen later capituleerde Mack met het overschot van zijn leger. Zoo had Napoleon in vijftien dagen met een verlies van nog geen 2000 man een leger van bijna 100,000 strijders uiteengeslagen of gevangen genomen.

Onmenschelijk zwaar was de taak van de infanterie geweest. Van den 8en af had het onophoudelijk zoo geweldig geregend, dat de wegen grondeloos waren geworden, de paarden stervende neervielen voor de voertuigen en alleen maraude op groote schaal en een gestadige jacht op het in die streken zeer talrijke wild de soldaten in ’t leven deden blijven.

Napoleon had zich door dit hondenweer niet laten weerhouden en was zelf overal in het dichtste gedrang geweest. Den 15en bij de brug van Elchingen een zwaar gewonden artillerist ziende, die hem niettemin nog salueerde, schonk hij hem zijn eigen kruis van het Legioen van Eer. Een grenadier uit Egypte, die met doorschoten lichaam en naar boven gewend gelaat in den slagregen lag en toch nog: En avant! riep, dekte hij toe met zijn eigen overjas: “Breng mij die terug en het kruis en pensioen zijn je deel,” voegde hij er bij. Een kleine gewonde tamboer, die half bewusteloos in een boerenwoning naast den brandenden kachel lag en begon te mopperen, toen men hem wilde wegjagen, omdat men daar voor den Keizer een onderkomen had gemaakt moest op zijn last met rust worden gelaten. Dus sliepen Napoleon en een tamboer bij één vuur, terwijl een drom van generaals over dien slaap waakten.

Zoo leefde de veldheer met zijn krijgers. Wie zou hem niet hebben gevolgd, overal waar hij voorging?

Dat de Keizer voldaan was over dit begin van den veldtocht laat zich begrijpen. Aan Joséphine schrijft hij den 19en: “Ik heb mijn doel bereikt, ik heb het Oostenrijksche leger vernietigd eenvoudig door marschen. Ik heb 60,000 gevangenen gemaakt, waaronder 30 generaals, 120 kanonnen genomen, terwijl 90 vaandels in onze handen zijn gevallen. Ik ga mij nu op de Russen werpen, ze zijn verloren. Ik ben tevreden over mijn leger...” Dat mocht hij zijn en wat zijn infanterie vermocht zou weldra nog krachtiger blijken, [214]want de veldtocht was niet ten einde; deze begon nu eerst.—“De Russische armee, die door Engelsch goud van de uiterste grenzen der wereld herwaarts is gevoerd, moet hetzelfde lot ondergaan,” had Napoleon in zijn proclamatie aan de troepen gezegd. Een gedeelte van die armee onder Kutusof stond reeds bij Braunau aan de Inn.

Terwijl Massena met zijn kleine macht in Italië den strijd aanbindt met aartshertog Karel, dezen, nu Mack geslagen is, op zijn terugtocht over de Etsch, de Brenta en de Tagliamento nazet en hem eindelijk bij Castel Franco het zwaarste verlies toebrengt, terwijl Marmont eerlang door het bezitten van Leoben het leger van den aartshertog belet iets van belang tegen Napoleons rechterflank te ondernemen, breekt deze van Ulm op. Van de Lech wordt een tijdelijke nieuwe operatiebasis gemaakt en nu begint hij in een zoo breed mogelijk front,—om aan den kost te komen, want magazijnen had hij niet—den zwaren tocht naar het Oosten, dwars door Beieren en Oostenrijk heen, niet langs goede, harde wegen, maar langs zandwegen, mul en slecht, of, zooals de rechtervleugel onder Ney en Marmont langs bergpaden, steil en ongelijk. Het doel is Weenen.


Ging de veldtocht voor de Franschen zeer voorspoedig, ter zee was op den dag na de capitulatie van Ulm een nederlaag geleden zóó groot, dat daarmee voorloopig over de heerschappij ter zee ten voordeele van de Engelschen was beslist. Den 21en October was het admiraal Nelson gelukt de vereenigde Fransche en Spaansche vloot onder de Villeneuve bij Kaap Trafalgar, niet ver van de haven van Cadix, een nederlaag toe te brengen, zoo geducht, dat Frankrijk de gevolgen ervan in jaren niet zou te boven komen. Een zware storm had het overschot der ontredderde schepen ten slotte overvallen. De Villeneuve had zich moeten gevangen geven. Alleen de wetenschap, dat Engelands grootste vlootvoogd te midden van de zegepraal was gesneuveld, kon den Keizer eenigen troost schenken. Aan zijn grootsche plannen tegen Engeland was nu met één slag een einde gemaakt; zijn reusachtige toebereidselen te Boulogne en langs de kust waren vergeefsch geweest.

Zuid-Duitschland.

Zuid-Duitschland.

Dat de Keizer ontstemd was over den geleden nederlaag laat zich begrijpen, maar hij ging in zijn verbittering over dit verlies veel te ver. Aan de couranten liet hij verbieden over Trafalgar te schrijven. Niet aan het beleid van Nelson, aan den storm na den slag was de ondergang van zooveel schepen te wijten, beweerde hij. Tegen de scheepskapiteins, die het gevecht ontweken of door hun verkeerde manoeuvres tot de ramp hadden bijgedragen, deed hij geen vervolging instellen, maar ook weigerde hij halsstarrig eenige belooning toe te kennen aan die honderden andere officieren en schepelingen, die zich als helden hadden gedragen, die de eer der vlag hoog gehouden en hun totaal ontredderde schepen ten slotte nog in een der Spaansche havens [216]gebracht hadden. Een pijnlijk contrast maakte hij zoodoende met de manier, waarop de koning van Spanje aan zijn zeemacht niettemin bewijzen van achting en erkentelijkheid schonk.


Den 13en November wordt Oostenrijks hoofdstad bereikt. Nergens heeft Kutusofs achterhoede ernstigen wederstand geboden; zelfs Braunau met zijn magazijnen vol buskruit en schietvoorraad is zonder slag of stoot door hem ontruimd; alleen zijn de bruggen overal vernield. “De menschen hier hebben geen aanvoerders meer. Een panische schrik heeft zich van hen meester gemaakt,” zei Napoleon terecht. De Russische generaal was in vollen aftocht naar het noorden de Donaubrug bij Krems over, naar Brünn en Olmütz, naar het tweede Russische leger in Moravië.

Den 1en November hadden Lannes en Soult de boorden van de Inn verlaten; in dertien dagen had hun infanterie 32 Duitsche mijlen, in rechte lijn gemeten, afgelegd en Davoust in zestien dagen, dwars door het gebergte, 40 mijlen.

Slechts één verlies was onderweg geleden. Door een minder juist inzicht in den toestand had Napoleon aan Mortier bevel gegeven van af Passau den linker Donauoever te volgen. Den 11en door Kutusof bij Dürrenstein aangegrepen, had dat korps, dat van den rechteroever niet kon worden ondersteund, zwaar geleden; een der divisiën was zoo goed als vernietigd.

Maar Weenen was bereikt!

Dit succes was Napoleon echter niet voldoende. Het Russische leger moest worden verslagen!—Hiertoe moesten de bruggen ten oosten van Weenen over den Donau, die door de Oostenrijkers bezet en wel tot vernieling voorbereid doch niet vernield waren, in zijn bezit komen. Aan Murat, die de voorhoede commandeerde, en aan Lannes had hij hiertoe bevel gegeven. Een zooal niet bloedig, in elk geval langdurig gevecht om ’t bezit er van was dus te verwachten, toen een krijgslist van deze maarschalken—een ongeoorloofde zet—hun dien overgang zonder slag of stoot in handen speelde.

Een paar dagen te voren had keizer Frans, die het overschot van zijn leger onder Kienmayer aan Kutusof had toegevoegd, een adjudant naar Napoleon gezonden om te onderhandelen. Wel was er van deze onderhandelingen niets gekomen, doch het praatje van een wapenstilstand had bij beide partijen toch reeds de ronde gedaan.

Van dit losse gerucht maken Murat en Lannes thans gebruik.

Door slechts enkele Duitsch sprekende officieren vergezeld, hun infanterie een weinig achter zich latende, wandelen zij de voorste Donaubrug op. Wel vallen er enkele schoten, maar op hun roepen, dat er wapenstilstand is, wordt dit vuur gestaakt. Bedaard blijven zij voortgaan, praten met [217]den sergeant, die tijdelijk aan ’t begin van de langste brug het bevel voert en niet durft handelen, bereiken de overzijde, rukken een onderofficier, die de zaak toch niet vertrouwt en de brug in brand wil steken, de lont uit de handen, gaan op een der vuurmonden zitten, welke den overgang in de lengte bestrijken, en maken ten slotte generaal Auersperg, die daar commandeert en in allerijl is gewaarschuwd, zelfs wijs, dat de bruggen aan hen moeten worden overgegeven.

Intusschen zijn Oudinots grenadiers vooruitgegaan; zij beginnen de kanonnen in te sluiten; en als Auersperg ten slotte aan al die mooie praatjes van Murat geloof slaat, zijn troepen verzamelt en afmarcheert, is Napoleon meester van ’t terrein.

Cassatie met eerloosverklaring, gevolgd door sleuren op een horde naar ’t schavot om hier te worden onthoofd, was de straf die de krijgsraad over Auersperg uitsprak. Keizer Frans veranderde ze in levenslange gevangenisstraf.

Een paar dagen later liet Murat zich op zijn beurt door den sluwen Kutusof verschalken. Deze zond n. l. prins Bagration als parlementair naar Hollabrünn deed Murat hier de stellige verzekering geven, dat er te Weenen tusschen de twee keizers een wapenstilstand was gesloten, en deed hem voorstellen het zwaard voorloopig nu ook in de scheede te steken.

Murat stemde toe en onder achterlating eener sterke achterhoede tegenover Hollabrünn trok Kutusof, van ’t terrein gebruik makende, nu met zijn uitgeputte mannen zoover weg in de richting van Znaim, dat van inhalen geen sprake meer was, en hij zich vereenigen kon met het tweede Russische leger, dat hem was te gemoet getrokken en Olmütz reeds naderde.

Toen Napoleon hoorde hoe leelijk zijn zwager zich had laten beetnemen, werd hij boos.—“Hij doet mij de vruchten van den ganschen veldtocht verliezen,” zeide hij. Oogenblikkelijk moest Kutusof met alle kracht worden nagezet.

Thans begon die bij Hollabrünn staan gebleven Russische achterhoede echter een woord mede te spreken. Verwoed werd daar den ganschen dag gevochten; in het geheele stadje bleef geen enkel huis overeind; alles verbrandde, ook honderden zwaar gekwetsten, die dezen helschen oven niet hadden kunnen ontvlieden.

Eenmaal Brünn met geforceerde marschen bereikt, altoos Kutusof achterna, deed Napoleon zijn uitgeputte soldaten halt houden. Door die onafgebroken zware marschen was het aantal achterblijvers en maraudeurs bij de verschillende korpsen reusachtig toegenomen. Van het regiment gardejagers te paard alleen mankeerden niet minder dan vierhonderd ruiters, ruim een derde van de sterkte. Wel sloten die achterblijvers zich in de eerstvolgende dagen grootendeels weder bij hun regimenten aan, doch in de sterktestaten, welke Napoleon ontving, was het cijfer “present onder de wapens” [218]veel te hoog, dus onbetrouwbaar. De regimentscommandanten wisten dit; alleen de omstandigheden, waarin zij verkeerden, vergoelijkten dit misbruik eenigermate. Door de snelle marschen zonder magazijnen of voertuigen kon lang niet altijd in het onderhoud van man en paard worden voorzien; dan moest vaak ver van den marschweg gefourageerd worden op een manier, die vrijwel met stroopen gelijk stond. Oogluikend werd zelfs toegelaten, dat geheele detachementen, in strijd met ’s Keizers bevelen, in den omtrek gingen maraudeeren.—De menschen en paarden moesten toch eten, werd gezegd; maar de krijgstucht leed er onder.—Dit euvel heeft Napoleon nooit kunnen meester worden. Zijn wijze van oorlogvoeren zonder magazijnen of nasleep had les défauts de ses qualités. [219]

Napoleon Geschetst Tweede omgewerkte druk
0.html
1.html
2.html
3.html
4.html
5.html
6.html
7.html
8.html
9.html