9-12 maanden

Psychomotorische ontwikkeling
Nadat het kind heeft leren kruipen, komt nu de fase van het gaan staan. Vaak gaat het kind vanaf negen à tien maanden eerst nog staan op de knieën, terwijl het zich vasthoudt aan de spijlen van de box. Vanaf tien à elf maanden lukt het om op de eigen voetjes te staan, met houvast aan de box of een stoel. Triomf! De leeftijd van twaalf maanden wordt (althans volgens de statistiek) gekenmerkt door de eerste stapjes die los gezet worden. Vaak werden in de maanden daarvoor al aan de hand van de ouders enkele stapjes gezet. Een éénjarig kind heeft dus zowel voor het eerst een (vaag) lichaamsbewustzijn, als een vrije verhouding tot de ruimte en de zwaartekracht.
Overigens is de hier in fasen beschreven ontwikkeling een gemiddelde. Vrijwel geen enkel kind voldoet aan deze statistiek. Sommige kinderen zijn sneller, andere trager. Soms toont een kind iets wat later ‘hoort’ te komen of slaat een bepaalde fase over. Dit hoeft meestal geen reden tot ongerustheid te zijn. Wanneer je twijfelt, overleg dan op het consultatiebureau.
Naast de eenkennigheid kan zich nu ook de zogenaamde scheidingsangst voordoen. Het kind wordt zich ervan bewust als moeder even uit de buurt is, en gaat huilen, ‘s Nachts kan dit aanleiding geven tot slaapproblemen.
Slapen en waken
In het begin van deze periode is het slaap-waak-ritme meestal hetzelfde als in de periode ervoor. Aan het eind van het eerste levensjaar komt er voor veel kinderen een verschuiving naar maar één slaap overdag. De overgang kan zowel voor het kind als voor de ouders een lastige, onritmische periode zijn. Het kind is te klein voor één slaap, te groot voor twee. Het kan een maand of langer duren voor er een nieuw ritme gevonden is, zowel wat betreft de slaap als de voedingstijden.
Verzorging
Tandenpoetsen
Het is aan te raden om in deze fase, als het kind al tanden heeft, met tandenpoetsen te beginnen, al moet je daar aanvankelijk niette veel van verwachten. Kies voor je kind een kleine borstel en poets zijn tandjes of laat het hem zelf doen. Als je kind absoluut niet gepoetst wil worden, kan dat liggen aan pijnlijk tandvlees als gevolg van tandjes die aan het doorkomen zijn. Poets regelmatig je eigen tanden in het bijzijn van het kind, het goede voorbeeld doet navolgen! De tanden kunnen eventueel ook met een nat gaasje worden schoongemaakt.
Tandpasta is naar onze mening nog niet nodig. Geef in ieder geval na het poetsen een slokje water, dat reinigt de mond ook.
De box
Rond negen maanden, als het kind gaat staan en kruipen, wordt de drang om de hele wereld te willen ontdekken vaak zo groot, dat de box als frustrerende beperking van die drang door het kind afgewezen wordt. Als je op dat moment ziet vol te houden, kan er voor de maanden erna veel gewonnen zijn. De veiligheid is dan tenminste voor één of twee uur per dag gewaarborgd en dat is een groot goed in een periode waarin het kind steeds minder gaat slapen, dus steeds meer actief aanwezig is, het bijna overal bij kan en van alles overhoop zal halen. Met een kind dat ineens baby-af is kun je als ouders in opvoedingsproblemen verzeild raken die een maand daarvoor nog ondenkbaar waren. Moet ik verbieden, moet ik straffen als mijn kind aan de planten komt of kaften van de boeken scheurt? De box stelt een duidelijke grens aan het kind en dat maakt dat je zelf even die grens niet hoeft aan te geven.
In de box leert een kind spelen met datgene wat er op dat moment is. Deze beperking maakt het spel vaak geconcentreerder dan buiten de box, waar het aanbod aan interessante dingen zoveel groter is.
Een ander voordeel van de box is dat andere kinderen in het gezin tenminste een paar momenten van de dag ongestoord kunnen spelen zonder dat bijvoorbeeld de mooie blokkentoren die zij willen maken al bij de vierde steen omgegooid wordt.
Het zal duidelijk zijn dat een kind naast de box ook echt de ruimte moet krijgen om te kunnen kruipen en lopen.
Gebruik de box op vaste momenten, bijvoorbeeld ‘s ochtends na het ontbijt en ‘s middags tijdens het eten koken. Sommige kinderen zijn tevreden in de box als vader of moeder binnen hun gezichtsveld blijft. Andere kinderen komen pas tot spelen, vaak na aanvankelijk protest, als er niemand in de kamer is (maar wel binnen gehoorsafstand).
Slaapproblemen
Tijdens deze fase kunnen zoals al eerder genoemd werd, slaapproblemen ontstaan. Kinderen willen dan ‘s avonds niet gaan slapen of zijn een aantal keren ‘s nachts wakker en huilen. Het kind moet leren erop te vertrouwen dat, ook al ziet het de ouders niet, ze toch in de buurt zijn. Keer op keer wordt om die bevestiging gevraagd. Wat een kind vertrouwen kan geven is: een goed ritueel bij het naar bed gaan, eventueel de deur op een kier en licht aan in de gang, een eigen pop met een vertrouwd geurtje, en slapen bij een broertje of zusje op de kamer.
Als er inslaapproblemen zijn, ga dan na of het kind overdag wellicht teveel slaapt, of voor het naar bed gaan te drukke spelletjes heeft gedaan, waardoor het ‘s avonds te wakker is. Soms helpt een bad om goed tot rust te komen.
Als het kind ‘s nachts huilt, neem het dan niet mee uit zijn eigen kamer, maar probeer het door een aai over de bol of een zacht geneuried liedje tot rustte brengen.
Het slaapprobleem oplossen door het kind in het ouderlijke bed te laten slapen, levert op den duur veelal een groter probleem op, namelijk dat het kind alleen daar wil slapen en niet meer in het eigen bed.
Spel en speelgoed
Als het kind met de leeftijd van acht à negen maanden los kan zitten, dan kan het vanuit die houding iets in een doos of mandje doen. Een ouderwets stoofje leent zich er bijvoorbeeld heel goed voor om dingen in te laten verdwijnen, zoals blokjes en klosjes.
Met het aanbreken van de eenkennigheidsfase is er het moment waarop het kind voor het eerst beleeft dat het werkelijk van de wereld gescheiden is. Het ‘kiekeboe-spel’ laat het kind onbewust ervaren dat je er wel degelijk bent, ook al ziet het je niet. Het roept een vertrouwen op dat er toch altijd mensen liefdevol om het kind heen staan.
Zittend in de kinderstoel doet het kind de ervaring op dat als je iets laat vallen, het plotseling ver weg is, of niet meer te zien. En dat verschillende voorwerpen verschillende geluiden maken als ze op de grond vallen. Dit is een dermate fascinerende ervaring, dat het kind daar uit zichzelf niet makkelijk mee kan ophouden. Je zult op een goed moment de grens moeten aangeven door bijvoorbeeld niets meer op te rapen.
Steeds meer naar het einde van het eerste levensjaar toe kunnen we zien dat het kind alles nabootst wat om hem heen gebeurt: het roert ook het liefst met een lepeltje in een kommetje als het dit vader of moeder zelf ziet doen. Of het wil ook zelf eten, omdat een ouder broertje of zusje dat ook doet.
Veiligheid
De meest voorkomende ongelukken zijn zoals beschreven bij 6-9 maanden. In deze fase wordt het kind echter beweeglijker, het kan veel meer en daarmee nemen de risico’s toe. Breng duidelijke grenzen aan door middel van traphekjes, tuigjes in de kinderstoel, en de box. Zorg voor een veilig fietsstoeltje en een windscherm. Pas de situatie in huis aan deze leeftijd aan, door gevaarlijke of kwetsbare spullen hoog te zetten of weg te bergen. Geef het kind een eigen plank of kastje, waar het z’n gang kan gaan. En haal het steeds weg bij die plekken waar het ‘kwaad’ kan; verbieden heeft op deze leeftijd geen zin. Let erop dat er in de omgeving van het kind geen losse dingen liggen waar het zich in kan verslikken; berucht zijn knikkers, kralen en nootjes.
Voeding
Een kind in deze fase geeft vaak al duidelijk te kennen erbij te willen horen. Op deze leeftijd betekent dit, dat het wil meegenieten van bijvoorbeeld de huiselijke gezelligheid aan tafel; mee-eten met de pot hoeft nog niet.
In onderstaand voedingsoverzichtje zijn daarom de tijden weggelaten en de maaltijden aangeduid met ontbijt, avondeten, enzovoort. De middagmaaltijd wordt echter meestal veel vroeger gegeten dan op de gangbare lunchtijd, omdat dit beter aansluit bij het slaapritme.
- ontbijt: bord pap en wat brood + zonodig een beker drinken eventueel een tussendoortje met wat drinken
- middagmaaltijd: groentehap + zuiveltoetje
- theetijd: fruithapje + zonodig wat drinken
- avondeten: pap en wat brood + zonodig wat drinken
De fles verdwijnt in deze periode meestal langzaam van het toneel. Pap wordt uit een bordje gegeten en drinken lukt vaak al vrij aardig uit een bekertje.
Pap
Je kunt de vlokkenpap geven die bij 6-9 maanden beschreven staat.
Brood en beleg
In deze periode begint een kind vaak met kauwen. Heeft het nog geen of maar weinig tanden, dan doet het dat met de kaakranden. Het kind zal vanaf nu dus ook echt op brood kunnen gaan kauwen, in plaats van te sabbelen en te kluiven zoals in de vorige fase. Voor het eten van een echte boterham is het van belang dat het kind kan zitten, zodat het zich niet zo makkelijk kan verslikken. Het brood zal geleidelijk, maar meestal niet voor het eerste jaar, de pap vervangen. In het begin dient het brood als kennismaking met kauwbaar voedsel. Begonnen wordt met lichtbruin brood. Rond één jaar kan worden overgegaan op volkorenbrood.
Beleg Ongezouten roomboter, notenpasta, kwarkmengsel, jonge kaas, fruitbeleg, appelstroop.
De pinda is geen noot maar een peulvrucht. Daarom kan pindakaas beter niet gegeven worden.
Drinken
Het kind krijgt, met het vaster worden van de voeding, behoefte aan wat extra drinken, zeker met warm weer. De totale hoeveelheid vocht per dag moet echter niet meer dan één liter zijn.
Dranken Kruidenthee, vruchtensap, NatuC of diksap zijn geschikt om te geven. Maar probeer eenzijdigheid – bijvoorbeeld alleen maar appelsap – te voorkomen! Melk is geen dorstlesser, maar een voedingsmiddel. Of je melk bij het eten geeft, hangt af van het verdere eetpatroon. De melkbehoefte neemt in deze drie maanden af van 500 naar ca. 300 ml, ervan uitgaande dat er twee porties kaas per dag gebruikt worden. Een portie kaas kan vervangen worden door een bekertje melk.
Het drinkflesje
Sommige kinderen zijn onafscheidelijk van hun flesje. Zij willen het liefst de hele dag door drinken. Wij raden af hieraan toe te geven, omdat te veel drinken de eetlust vermindert en vaak diarree veroorzaakt. Dit is zeker het geval als er limonade of iets dergelijks gedronken wordt. Bij het drinken van zoet sap uit een flesje bestaat bovendien naast het probleem van de zoetgewenning, het gevaar voor gaatjes in de voortanden. Een tuitbeker als overgang van fles naar beker is naar onze mening onwenselijk, omdat ook daar vaak de hele dag aan gesabbeld wordt.
Tussendoortjes
Geschikt zijn: toast of beschuit, een korst brood, knackebröd, rijstwafels, granenkoek. Voor tengere kinderen kunnen die belegd zijn. Geef het kind deze tussendoortjes nooit zonder toezicht in verband met verslikkingsgevaar.
Groentehap
De groentehap kan grover gemalen of geprakt worden. In plaats van olie kan nu ook roomboter of wat room, kaas, crème fraîche of amandelpasta aan het hapje worden toegevoegd. De vlokken kunnen afgewisseld worden met volkoren macaroni of spaghetti. Voor hele graankorrels van rijst, gierst, enzovoort is het nog te vroeg.
Fruithap
De fruithap moet zo voedzaam gemaakt worden, dat het kind de middag goed doorkomt. Maar hij moet ook weer niet zo zwaar zijn dat deze het avondeten in de weg staat. Afhankelijk van het kind zal de fruithap dus bestaan uit gepureerd fruit, al dan niet in combinatie met vlokken en⁄of zuivel.
Thema’s in de zorg voor het kleine kind
PKU-, CHT- en AGS-onderzoek
Tussen de vijfde en zevende dag na de geboorte komt, afhankelijk van de woonplaats, de wijkverpleegkundige, verloskundige of soms de huisarts langs voor het ‘hielprikje’ bij het kindje. Het tijdstip is mede afhankelijk van de dag waarop het kind werd aangemeld bij de burgerlijke stand, maar het moet in ieder geval voor de negende dag gebeuren.
Na een prikje in de hiel worden enkele druppels bloed verzameld. Dit bloed wordt onderzocht op PKU (phenylketonurie, een stofwisselingsziekte), CHT (een schildklierhormoon waarvan een tekort mogelijk is) en ACS (adrenogenitaalsyndroom, een ziekte van de nier die leidt tot verstoring van de hormoonproductie). Deze zeldzame ziekten kunnen schade aan de lichamelijke ontwikkeling en zwakzinnigheid veroorzaken, maar zijn met een dieet (PKU) en medicijnen (CHT en AGS) goed te behandelen.
Zorg ervoor dat de baby lekker warme voetjes heeft bij het prikken. Dan is er makkelijker bloed af te nemen.
Vitamine K
In Nederland wordt geadviseerd om aan zuigelingen extra vitamine K te geven. Ook in België wordt dit advies door een groot aantal artsen gevolgd. Het advies geldt voor de periode dat het lichaam zelf onvoldoende vitamine K aanmaakt, dat wil zeggen in de eerste drie maanden. Men hoopt daarmee te voorkomen dat sommige zuigelingen een ernstige, soms dodelijke bloeding (bijvoorbeeld een hersenbloeding) krijgen. Deze bloedingen zijn uiterst zeldzaam. Ze worden geweten aan een te langzaam op gang komen van de bloedstolling, een ingewikkeld systeem met vele ‘stollingsfactoren’. Men hoopt door het geven van vitamine K de rijping van het stollingsmechanisme te versnellen en daardoor de kans op een bloeding te verkleinen.
De beslissing of je wel of niet vitamine K aan je kind geeft, speelt alleen een rol wanneer je kind geen industriële flesvoeding krijgt. Daaraan is namelijk verplicht vitamine K toegevoegd. Bij de afweging of je je kind wel of geen vitamine K geeft, kunnen de volgende argumenten een rol spelen. Het geven van vitamine K heeft als doel ernstige bloedingen te voorkomen, die in zeldzame gevallen bij zuigelingen optreden. Wanneer de bloeding bijvoorbeeld in de hersenen optreedt, zijn de gevolgen ernstig. Daarbij komt dat je de bloedingen doorgaans niet ziet aankomen: wanneer je ze opmerkt, is het vaak al te laat.
De gegeven hoeveelheid vitamine K is uiterst gering – namelijk 25 microgram. De afgelopen jaren is er geen enkele verdenking gerezen wat betreft het optreden van bijwerkingen.
Wij zijn van mening dat – gezien de ernst van de complicatie, de geringe hoeveelheid vitamine gedurende een korte periode en het ontbreken van bijwerkingen – er veel voor te zeggen is om het borstgevoede kind gedurende de eerste drie maanden extra vitamine K te geven.
Vitamine D en rachitis
De standaardbehandeling met vitamine D, ter voorkoming van rachitis, wordt in Nederland twee weken na de geboorte ingezet (in België een maand na de geboorte), tenzij het kind een industriële flesvoeding krijgt, waaraan altijd vitamine D is toegevoegd.
Rachitis kan men beschouwen als een ziekte waarbij het lichaam te weinig ‘aards’ wordt. Dit uit zich in een rijpings- en kalkafzettingsstoornis van met name het skelet. Het ‘aards’ worden van het lichaam hangt samen met verbening en verkalkingsprocessen. Deze processen verdichten het lichaam. Tegelijkertijd treedt er een rijpingsvooruitgang op. Zo kan het te laat of niet doorkomen van de tanden of het achterblijven van de motorische ontwikkeling bij rachitis met behulp van vitamine D in versneld tempo ‘ingehaald’ worden.
Bij kinderen die geen rachitis zouden hebben gekregen wordt evenwel onder normale omstandigheden door vitamine D een extra versnelling in de ontwikkeling gestimuleerd. Deze kinderen worden als het ware vroeger rijp, en dus ook intellectueel gestimuleerd. Of men dit wil, verdient een bewuste keuze, omdat een ontwikkelingsversnelling niet altijd onschadelijk is. Deze onttrekt vitale gezondheidskrachten aan het lichaam, die eigenlijk voor het lichaam nog langere tijd in de opbouw nodig zijn. Het zonder meer vitamine D geven lijkt daarom ook niet gewenst.
Aandacht voor het voorkómen van rachitis is zinvol vooralle kinderen. Hóe rachtitis kan worden voorkomen, moet voor elk kind door de consultatiebureau-arts mede beoordeeld worden.
Rachitis kan worden voorkomen door voldoende contact met zonlicht en buitenlucht of door vitamine D te geven.
Zo is het zinvol het kind gedurende ten minste anderhalf uur per dag in direct contact met de buitenlucht oftewel het daglicht te brengen. Het is voldoende dat daarbij alleen het gezicht onbedekt is. In een zonodig met kruiken en dekens goed verwarmde kinderwagen kan dat óók in herfst, winter en voorjaar, ijs en weder dienende.
Kinderen met een donkere huidskleur lopen een extra risico. De consultatiebureau-arts moet hierop letten!
Aan industriële flesvoeding is vitamine D standaard toegevoegd; ook dat verdient dus aandacht bij het maken van keuzen.
In ons land worden alle kinderen op het consultatiebureau gecontroleerd op rachitis-verschijnselen, althans daar wordt naar gestreefd. Het verdient aanbeveling het vitamine D-beleid bewust te hanteren en te bespreken met de consultatiebureau-arts. Rachitis, hoewel een zeldzame ziekte, kan een aantal onaangename verschijnselen geven die niet altijd voorspelbaar zijn. Ook is het moeilijk te voorspellen wie wél en wie géén aanleg voor rachitis heeft. Dat maakt het moeilijker om tot een individueel beleid te komen. Toch is het de moeite waard daarnaar te streven.
De ontwikkeling van het gebit – het geven van fluor
Het lijkt zo gewoon, maar het is eigenlijk heel bijzonder: we worden geboren zonder zichtbare tanden. In de loop van de eerste drie levensjaren komt het zogenaamde melkgebit door en rond de leeftijd van zes jaar beginnen de tanden zomaar uit te vallen om plaats te maken voor het blijvende ‘eigen’gebit. De tanden en kiezen van dit blijvende gebit worden pas na de geboorte gevormd.
Het bijzondere is, dat we aan deze ontwikkeling kunnen aflezen hoe het eigenlijk gaat met de ontwikkeling van het gehele organisme. Bij de geboorte is dit ‘melk-organisme’ nog verregaand onaf; het moet nog narijpen. Daarnaast moet het héle organisme in de eerste zeven jaren omgebouwd worden tot een eigen, blijvend organisme.
De gebitselementen zijn door het glazuur de hardste organen die we bezitten; ze zijn harder dan bot. Het doorbreken van het melkgebit, een proces dat gemiddeld plaatsvindt tussen zes maanden en tweeëneenhalf jaar, toont mijlpalen in de ontwikkeling van een weke, nog niet standvastige zuigeling tot een peuter met een zelfstandige verhouding tot de ruimte en een (eerste) zelfstandige denkactiviteit.
We zagen al dat het ik-beleven en het ik-zeggen pas optreden wanneer lopen, spreken en denken ontwikkeld zijn; het is boeiend om te zien dat de ontwikkeling van het gebit hieraan parallel loopt. Dat is misschien wel te begrijpen: de harde kristallijne gebitselementen worden gevormd onder invloed van heel specifieke krachten, en deze krachten komen vrij wanneer ze deze taak volbracht hebben.
De antroposofische menskunde legt een verband tussen deze vrijkomende gebitsvormende krachten en het ‘aardse’ denken. Met het aardse denken bedoelen we het ‘vaste’, heldere denken zoals we dat als volwassen mensen meer of minder sterk ontwikkeld hebben, maar dat bij een pasgeboren kind totaal afwezig is. Een kind kan dit denken pas ontwikkelen wanneer het lichaam, en dan met name het melkgebit, tot op zekere hoogte gevormd is.
Een probleem dat tegenwoordig vrijwel niemand bespaard blijft, zijn de gaatjes in de tanden, de cariës. Het harde glazuur wordt opgelost doordat bacteriën in de tandplak zuren produceren. De gangbare wetenschap heeft ontdekt dat het geven van fluor, in de vorm van tabletten, tandpasta of applicatie, het glazuur kan harden en daarmee cariës tegengaat.
Fluor vinden we van nature vooral in tandglazuur en in botweefsel. De stof heeft een bindende, levensremmende, vormende werking en maakt de weefsels hard.
Een heel andere substantie is het tandbeen, het weefsel onder het glazuur. Daar is vooral de stof magnesium werkzaam. Magnesium heeft een levensbevorderende werking. We vinden magnesium ook in het bladgroen van planten.
In de tandontwikkeling speelt de verhouding tussen het magnesium en de fluor een grote rol. Van nature is die verhouding zo dat er 33 keer zoveel magnesium als fluor in de tand aanwezig is, wat aangeeft hoe ongelooflijk krachtig de werking van fluor is.
In onze tijd gaan de aandacht en het begrip vooral uit naar de levensremmende, verhardende stof: de fluor. Vanuit de zorg voor de wijdverbreide cariës is het begrijpelijk dat geadviseerd wordt om ieder kind fluor te geven. Fluor vermindert inderdaad het optreden van cariës. Maar wat doet het nog meer?
Vanuit de hierboven beschreven verhouding tussen glazuur (fluor) en tandbeen (magnesium) is het te begrijpen dat te veel fluor in het tandbeen juist beschadigend werkt; daar hoort magnesium te werken. Als bijwerking van jarenlang fluorgebruik kan inderdaad een beschadiging van het tandglazuur optreden.
Maar fluor heeft ook een werking in het subtiele verband tussen de gebitsvormende, verhardende krachten en de ontwikkeling van het denken. Door het geven van fluor vanaf de geboorte worden de verhardende processen in het gehele lichaam versterkt en versneld. Door het versterken van de lichamelijke verharding roepen we ook een versnelling op in de psychische ontwikkeling van het kind: we roepen een vervroegde rijping op in het denken en voelen. Een van de gevolgen daarvan is dat we het kind sneller ‘wakker maken’ voor de wereld.
In combinatie met een goede voeding zou het toedienen van extra fluor weleens tot een teveel kunnen leiden. De marge is klein! Bovendien beïnvloedt fluor ook de darmperistaltiek in negatieve zin. Geen extra fluor toedienen dus, in de zin van tabletjes of via tandpasta.
§
Wat kun je doen om cariës te voorkomen als je geen fluor wilt geven?
Ook voor het gebit is een goede volwaardige voeding (volkorenproducten en spaarzaam met zoet) tot de tandenwisseling van zeer groot belang. Voor de opname van fluor uit de voeding is de aanwezigheid van kiezel bevorderend, bijvoorbeeld uit gerst, haver en noten. Goed leren kauwen is belangrijk en ook een goede mondhygiëne. Bij de eerste tanden is het zinvol, deze met water te poetsen. Tandpasta is ons inziens nog niet echt nodig. Vanaf tweeënhalf jaar is het raadzaam een tandarts te bezoeken.
Belangrijk is het om oog te krijgen voor de verhouding tussen magnesium- en fluor-processen. We zien bijvoorbeeld dat kinderen bij wie de wakkere processen overheersen, eerder kleine tandjes krijgen onder invloed van de fluorwerking, en dat kinderen die eerder dromerig zijn vaak grote tanden krijgen als gevolg van de magnesiumwerking. Overigens kunnen beide typen kinderen cariës krijgen! Het kan zinvol zijn met behulp van antroposofische medicamenten, via de antroposofische huisarts of tandarts, de gebitsontwikkeling te ondersteunen. In de voeding kunnen we de magnesiumprocessen versterken door bladgroente te geven (in verband met het nitraatgehalte niet vaker dan tweemaal per week).
§
Samenvattend kunnen we zeggen dat de gebitsontwikkeling uitdrukking is van de gehele kinderlijke ontwikkeling, en dat fluor daar een rol in speelt, maar niet de enige. Het poetsen met fluortandpasta bevordert de verhardende processen.
Vaccinaties
Als ouder van een pasgeborene krijg je onherroepelijk te maken met het thema vaccinaties. Er kan tegen een heel aantal besmettelijke ziekten ofwel infectieziekten ingeënt worden. Enkele van die infectieziekten worden ook wel de klassieke kinderziekten genoemd. Elke ouder is vrij zijn of haar eigen keuze te maken wat betreft het vaccineren.
Hier wordt beschreven tegen welke infectieziekten gevaccineerd kan worden, wat de voor- en nadelen van vaccineren kunnen zijn, en hoe eventuele alternatieve keuzen eruit kunnen zien. De informatie die wij geven kan binnen dit bestek niet volledig zijn. Wij hopen echter dat met de hier gegeven informatie en visie, en met de aanbevolen aanvullende informatie, in samenspraak met de (huis)arts een afgewogen keuze kan worden gemaakt wat betreft het vaccineren. Mocht je kind een infectieziekte krijgen, neem dan altijd contact op met je huisarts. In de antroposofische geneeskunde bestaan overigens ondersteunende behandelingen voor verschillende infectieziekten.
INFECTIEZIEKTEN WAARTEGEN GEVACCINEERD KAN WORDEN
Het Rijksvaccinatieprogramma bevat vaccins tegen de volgende ziekten: Difterie, kinkhoest, tetanus, poliomyelitis (het DKTP-vaccin), Hib-ziekten, waaronder een vorm van hersenvliesontsteking (het Hib-vaccin), bof, mazelen, rode hond (het BMR-vaccin), meningokokken C en voor een deel van de kinderen hepatitis B. Kinkhoest, bof, mazelen en rode hond worden de klassieke kinderziekten genoemd. We noemen zeer beknopt deziekteveroorzaker, het ziektebeeld, de mogelijke complicaties (die dus soms, maar niet bij alle ziektegevallen kunnen optreden), de behandelingsmogelijkheden en de bescherming die het vaccin biedt.
Difterie
Difterie is een bacteriële infectie die door hoesten wordt overgebracht. De ziekte speelt zich vooral af in het gebied van neus, keel en strottenhoofd, en kan ademnood veroorzaken, zelfs tot stikkens toe. De ziekte kan blijvende schade toebrengen aan hart, nieren en zenuwstelsel, en kent een hoog sterftecijfer. Het difterievaccin beschermt volledig tegen deze ziekte.
Kinkhoest
Kinkhoest is een bacteriële, zeer besmettelijke infectieziekte, die door hoesten wordt overgebracht. De hoestaanvallen komen meestal ‘s nachts, en houden zo’n zes weken aan. Het kind slaapt na een hoestbui meestal direct weer in, en is overdag vitaal en vrolijk. Met name voor de ouders kan het echter een zeer vermoeiende periode zijn. Bij kinderen jonger dan één jaar kunnen als complicatie aanvallen van ademstilstand optreden, die tot hersenbeschadiging kunnen leiden. Ook kan het lange geforceerde hoesten schade aan de longen veroorzaken, en kan er een middenoorontsteking optreden. Complicaties bij kinderen ouder dan één jaar zouden nauwelijks voorkomen. In een vroeg stadium is kinkhoest met antibiotica te behandelen; in dat stadium van de ziekte is het echter niet te zeggen of het om kinkhoest of om een flinke verkoudheid gaat.
Na vaccinatie treedt sporadisch toch kinkhoest op. De ziekte verloopt dan vaak milder. Om kinderen beter tegen de ziekte te beschermen is vanaf juli 2001 een herhalingsvaccinatie met het aK – het acellulaire kinkhoestvaccin – voor vierjarigen ingevoerd.
Tetanus
Een tetanusbesmetting kan bij vele soorten wonden worden opgelopen, daar de tetanusbacterie zich binnen en buiten op vele plaatsen kan bevinden. De ziekte gaat gepaard met heftige spierkrampen, ook van de ademhalingsspieren. De ziekte is moeilijk te behandelen, en het sterftecijfer is hoog. Het tetanusvaccin biedt volledige bescherming tegen de ziekte.
Poliomyelitis (kinderverlamming )
Polio wordt veroorzaakt door een virus. De besmetting wordt via de ontlasting van de besmette persoon overgebracht. De ziekte verloopt over het algemeen onschuldig met alleen wat diarree, maar veroorzaakt bij een klein percentage blijvende beschadigingen aan het zenuwstelsel en het bewegingsstelsel. Voor polio is, net als voor andere virusziekten, geen regulier geneesmiddel zoals een antibioticum beschikbaar. Het vaccin beschermt tegen de drie typen polio die hier voorkomen.
De Hib-ziekten
Het gaat hier om ernstige, niet zeldzame, bacteriële infectieziekten, die vooral bij zeer jonge kinderen voorkomen. De Hib-bacterie wordt door hoesten en niezen overgebracht, en kan een vorm van hersenvliesontsteking, zwelling van het strottenklepje en ontsteking van de gewrichten veroorzaken. De ziekte treedt acuut op, en leidt soms tot blijvende schade als doofheid, epilepsie en geestelijke achterstand en zelden tot de dood. De ziekte is met antibiotica te behandelen, maar daar de ziekte zich meestal snel ontwikkelt is een adequate behandeling niet altijd mogelijk. Het vaccin beschermt volledig tegen alle Hib-ziekten, maar dus niet tegen andere vormen van hersenvliesontsteking. In België wordt vaccinatie aangeraden, maar de kosten worden niet vergoed door de overheid. In Nederland zit Hib met DKTP in een combi-vaccin.
Bof
De bof is een virusziekte, en wordt door hoesten overgebracht. Bij de bof is de (oor)speekselklier ontstoken. Als zeldzame en over het algemeen onschuldige complicaties worden hersen(vlies)ontsteking en alvleesklierontsteking genoemd. Als de ziekte na de puberteit wordt doorgemaakt, kan dit in zeer zeldzame gevallen bij jongens de teelballen en bij meisjes de eierstokken aantasten. Dit leidt echter in nog zeldzamer gevallen tot vruchtbaarheidsproblemen. Verder is doofheid een zeldzame complicatie. Het bofvaccin beschermt vrijwel volledig tegen de bof.
Mazelen
Mazelen is een virusziekte, en wordt overgebracht door hoesten en niesen. De ziekte verloopt in de eerste fase als een soort griep, met hoesten en verkoudheid. Daarna breken de echte mazelen uit, en kan het kind zich flink ziek voelen. Goed behandelbare complicaties kunnen middenoorontsteking en longontsteking zijn. Vooral een verminderde weerstand en het toedienen van koortsremmende middelen verhogen de kans op deze complicaties. De complicatie met hersenonsteking geeft ernstige blijvende schade, of kan zelfs dodelijk zijn, maar is zeer zeldzaam. Het vaccin beschermt volledig tegen de ziekte.
Rode hond
Rode hond is een virusziekte die bij kinderen onschuldig verloopt met rode vlekjes, gezwollen klieren in de nek en temperatuurverhoging. Rode hond kan, vooral tijdens de eerste drie maanden van de zwangerschap van een vrouw, aangeboren afwijkingen bij het kind veroorzaken. Het vaccin beschermt vrijwel volledig tegen de ziekte.
Meningokokken C
Veel mensen dragen deze bacterie bij zich zonder er ooit ziek van te worden. In zeldzame gevallen leidt deze infectie echter tot een heftig verlopende hersenvliesontsteking (nekkramp, meningitis) of tot bloedvergiftiging (sepsis). De eerste verschijnselen lijken op gewone grieperigheid, maar al snel wordt de betrokkene ernstig ziek met hoge koorts. Er kan sprake zijn van sufheid en verwardheid. Alarmsymptomen zijn nekstijfheid en pijn als het hoofd naar voren wordt bewogen en⁄of kleine huidbloedinkjes. Een van deze verschijnselen bij een ernstig ziek kind is reden om direct een arts te waarschuwen. Deze inenting is in 2003 ingevoerd voor de leeftijd van 14 maanden.
Hepatitis B
Deze inenting geldt voor kinderen van wie tenminste één van de ouders geboren is in een land waar hepatitis B vaker voorkomt of voor kinderen van wie de moeder draagster is van het virus, en wordt gegeven op de leeftijd van 2, 4 en 11 maanden.
Hepatitis B is een besmettelijke vorm van leverontsteking. De infectie kan acuut verlopen met geelzucht, ca. 1% met dodelijke afloop. Ook kan de infectie milder of zelfs ongemerkt verlopen met alleen klachten van hangerigheid, grieperigheid en verhoging. Een deel van de mensen die hepatitis B doormaken overwint de ziekte niet geheel, maar blijft een lichte hepatitis zonder veel klachten houden. Dit valt met medicijnen niet te voorkomen. Deze mensen blijven besmettelijk voor anderen en door de chronische leverontsteking kunnen ze uiteindelijk een ernstige leverziekte krijgen.
INFECTIEZIEKTEN WAAR NOG NIET TEGEN INGEËNT WORDT, OF WAAR NIET TEGEN INGEËNT KAN WORDEN
Er zijn nog een aantal vaccinaties die alleen in speciale gevallen gegeven worden, zoals de vaccinaties tegen tuberculose en griep.
Het algemene vaccinatiepakket zal op den duur wellicht nog uitgebreid worden.
Tegen bijvoorbeeld waterpokken en de vierde en vijfde ziekte wordt niet gevaccineerd, omdat het om zeer mild verlopende ziekten gaat met weinig complicaties.
In het Rijksvaccinatieprogramma bevinden zich vaccins tegen ziekten die nauwelijks meer in Nederland en België voorkomen. De reden om deze vaccins toch in het pakket te houden is de verwachting dat, als er tegen deze ziekten niet meer ingeënt wordt, ze zeker terug zullen komen.
HET PRINCIPE VAN INENTEN
De entstof waarmee kinderen worden ingeënt bevat ziektekiemen van de betreffende ziekte. Deze ziektekiemen zijn echter in een laboratorium veranderd. Ze zijn ofwel gedood ofwel verzwakt, waardoor ze niet meer tot een volledig ziektebeeld aanleiding zullen geven. Het ingeente kind maakt dus in verzwakte vorm bijna onmerkbaar de ziekte een beetje door. Dit leidt in het afweersysteem tot het aanmaken van antistoffen tegen de ziekte waartegen is ingeënt. Komt nu het kind alsnog in contact met de ziekte, dan kan het afweersysteem de besmetting meteen ongedaan maken, waardoor het kind de natuurlijke vorm van de kinderziekte niet krijgt.
Het reguliere inentingsschema
Het standaard inentingsschema uit het Rijksvaccinatieprogramma is vanaf begin 1999 met een maand vervroegd. Dit vroege tijdstip van inenten werd al veel eerder wenselijk geacht, maar stuitte destijds op praktische en juridische bezwaren. Nu het verpleegkundigen wettelijk is toegestaan zelfstandig de vaccinaties uit te voeren – zonder dat daar een arts bij aanwezig hoeft te zijn – is het nieuwe inentingsschema direct in te passen in het gangbare bezoekschema van het consultatiebureau. Het nieuwe schema ziet er als volgt uit:
| 2 maanden | DKTP I + Hib I + zo nodig Hep B I |
| 3 maanden | DKTPII + Hib II |
| 4 maanden | DKTP III + Hib III + zo nodig Hep B II |
| 11 maanden | DKTP IV + Hib IV + zo nodig Hep B III |
| 14 maanden | BMR I + Men C |
| 4 jaar | DTP V + aK (alleen voor kinderen die volledig tegen DKTP zijn gevaccineerd) |
| 9 jaar | DTP VI + BMR II |
In België geldt een iets afwijkend schema.
Vaccinatieplicht?
Hoewel dit vaak gedacht wordt, is het inenten van kinderen niet verplicht. In België is alléén de polio-inenting verplicht. Wel is het zo dat op sommige kinderdagverblijven vaccinatie als voorwaarde bij inschrijving van het kind verlangd wordt. Het is raadzaam daar eventueel tijdig naar te informeren.
Bijwerkingen van vaccineren
Zoals de hier beschreven infectieziekten complicaties kennen, zo zijn er van de verschillende vaccins ook bijwerkingen bekend. Allereerst onschuldige bijwerkingen als lichte koorts, hangerigheid en roodheid op de plek waar het kind is ingeënt. Daarnaast zijn heftiger reacties op vaccinaties bekend. Er kan sprake zijn van hoge koorts, braken, langdurig huilen, lusteloosheid, prikkelbaarheid, flauwvallen en stuiptrekkingen. Dit wordt door de voorlichters van het Rijksvaccinatieprogramma echter niet gezien als een reden om het betreffende kind daarna niet meer te vaccineren; het gaat immers niet om blijvende schade.
Heel anders zijn de verhalen die we van ouders horen over kinderen die nooit ziek waren tot het moment van vaccineren, en die daarna bleven kwakkelen met verhoging en verkoudheden. Ook de Vereniging Kritisch Prikken, die zich ten doel gesteld heeft het vaccineren kritisch te onderzoeken, met name op de bijwerkingen, komt tot andere bevindingen dan de voorlichters van het Rijksvaccinatieprogramma. Lastig blijft dat het bewijs moeilijk te leveren is of kwakkelen en vatbaar zijn wel of niet een gevolg is van inenten.
§
Wij raden ouders aan om, als ze weloverwogen een keuze willen maken wat betreft het inenten, kennis te nemen van de vaccinatiebrochure van de Landelijke vereniging van Entadministraties en het ministerie van VWS, die op elk consultatiebureau te krijgen of aan te vragen is, en van de brochures van de Vereniging Kritisch Prikken. In het boek Kinderspreekuur van Goebel en Glockler staan verder uitgebreide beschrijvingen van de hier genoemde ziekten, de incubatietijd, het verloop, enzovoort.
PRAKTISCHE TIPS
Je moet je kind niet laten inenten als het koorts heeft of wanneer je vermoedt dat het een ziekte onder de leden heeft. Een neusverkoudheid vormt in principe geen belemmering om te laten inenten.
Vanaf de dag zelf en tijdens de dagen na de inenting kan het kind huilerig, hangerig of ziek zijn en koorts krijgen tot 40°C. Het lichaam moet de inenting ‘verwerken’. Alle extra drukte, opwinding, tv-kijken, op bezoek gaan of op reis gaan, enzovoort, raden wij de dagen na de vaccinatie af, evenals spelen in fel zonlicht. Dit kan een te grote belasting voor het kind zijn.
Als de entplek rood en pijnlijk is, geeft een lapje met koud water of met wat kwark vaak voldoende verlichting. Eventueel kan wat Arnica 20% (Weleda) in het water gedaan worden.
IMMUNITEIT
Bij het doormaken van een aantal van de hier beschreven ziekten wordt een meestal levenslange immuniteit opgebouwd. Het gaat daarbij vooral om de klassieke kinderziekten als kinkhoest, bof, mazelen en rode hond. Door te vaccineren krijgt de gevaccineerde een (tijdelijke) immuniteit tegen de ziekte waartegen is ingeënt. De vraag is of er iets te zeggen valt over het verschil tussen de immuniteit die is verkregen door het doormaken van een ziekte, en de immuniteit die na vaccineren is verkregen. Naar onze mening verdient deze vraag aandacht en verder onderzoek.
Steeds vaker duikt ook de vraag op wat het effect van inentingen op langere termijn is op de gezondheid van het kind. Er zijn berichten dat inenten de natuurlijke afweer eerder verzwakt dan versterkt en het is niet ondenkbaar dat de natuur ‘vluchtwegen’ zoekt als de kinderziekten uitgeroeid worden. De vele onbekende vlekjesziekten die kinderen tegenwoordig doormaken wijzen wellicht in die richting. Het is zeker niet vanzelfsprekend dat de natuur als vluchtweg op even onschuldige middelen komt als de kinderziekten. De vele allergische ziekten kunnen vanuit dit standpunt bezien worden, en mogelijk ook de auto-immuunziekten, waarbij het lichaam antistoffen vormt tegen delen van het eigen lichaam.
KOORTS
De kinderziekten waarover het hier gaat verlopen allemaal met koorts. Van koorts is bekend dat het een natuurlijk wapen van het organisme is tegen ziektekiemen. Bekend is dat bij temperaturen boven de 39°C virussen en bacteriën zich niet meer goed kunnen vermeerderen. Koorts activeert het immuunsysteem, waardoor het ook in de toekomst adequaat kan reageren op ziektekiemen. Koorts is in die zin een hulp voor het organisme om een goed immuunsysteem te kunnen ontwikkelen.
Er heerst erg veel angst voor koorts, en er wordt meestal snel gegrepen naar koortswerende middelen. Ons inziens is die angst voor koorts ten onrechte, en ontneem je met het onderdrukken van de koorts het organisme de kans om een gezonde weerstand op te bouwen. Wij zien in koorts dan ook eerder een vriend dan een vijand.
DE ZIN VAN ZIEKTEN
In zijn algemeenheid kun je zeggen dat het doormaken van een ziekte twee kanten heeft. Enerzijds is ziekte een storende factor; ziekte onderbreekt de normale gang van zaken in het leven, veroorzaakt pijn, ongemak, verdriet, leed, overlast voor anderen, ziekteverzuim en brengt kosten met zich mee.
Anderzijds kun je ook zeggen dat ziekte ergens toe leidt. Terugkijkend op een ziekte kun je vaak zien dat die niet ‘zomaar’ kwam, maar op een beslissend moment in het leven. In het klein kan dat voorkomen na oververmoeidheid, in het groot bijvoorbeeld bij een belangrijke beslissing in de levensloop. Soms helpt het doormaken van de ziekte bij het zichtbaar worden van een nieuwe weg.
Geldt het bovenstaande ook voor infectieziekten in de kindertijd? Vanuit de antroposofische visie zijn deze ziekten wezenlijke helpers in de kinderlijke ontwikkeling. Hoe valt dit te begrijpen?
Ieder kind krijgt van zijn ouders een door de erfelijkheid bepaalde lichamelijkheid mee. Dat wordt als het ware zijn woning, waarin hij gedurende dit leven zal wonen. In de loop van de eerste kindertijd moet een mens zijn woning grondig in bezit nemen, als het ware tot zijn eigendom maken.
Nu blijken bepaalde delen van die lichamelijkheid soms niet goed bij hem te passen. Om deze stukken lichamelijkheid om te vormen, te ‘verbouwen’, heeft een kind de mogelijkheid van de infectieziekten. Zijn lichamelijkheid wordt daarbij zó ‘verbouwd’, dat die beter bij hem past. Dat geeft uiteraard een betere uitgangspositie om later vanuit zijn woning de wereld te verkennen. Iedere infectieziekte in de kinderleeftijd geeft zo de mogelijkheid voor een heel bepaald stuk van de ‘verbouwing’. Waarnemingen van ouders bevestigen vaak, dat kinderen na het doormaken van een kinderziekte werkelijk ‘beter’ geworden zijn en niet alleen ‘de oude’.
Een infectieziekte geeft een kind dus de mogelijkheid om een bepaalde ontwikkelingsbarrière te overwinnen, en wel op lichamelijk niveau. Niet-overwonnen barrières moeten na de kindertijd op een andere wijze worden genomen, bijvoorbeeld door zelfopvoeding, en dat is niet altijd makkelijk.
CONSEQUENTIES VAN NIET INENTEN
Bij een normaal verloop zijn de ziekten waarover het hier gaat acute infectieziekten, die een begin, een hoogtepunt en een eind hebben, en die een veelal levenslange immuniteit achterlaten. Bij alle kinderziekten komt het voor, dat sommige kinderen erg ziek worden en andere nauwelijks. Ook zónder een waarneembare ziekte kan de immuniteit verkregen worden. Het kan gebeuren dat in een gezin alle kinderen een bepaalde kinderziekte doormaken, terwijl één kind het niet ‘oppikt’.
Bij alle van de hier genoemde ziekten kunnen complicaties optreden, dat wil zeggen dat het verloop abnormaal kan zijn. Voor de afzonderlijke kinderziekten is de kans daarop zeer verschillend. Van tevoren valt niet te voorspellen bij welk kind een kinderziekte een abnormaal verloop zal krijgen. Dat maakt het besluit over vaccinaties zo lastig.
Niet-ingeënte kinderen hebben nu nog een vrij grote kans om bepaalde kinderziekten op te lopen. Pas als het kind een kinderziekte aan het uitvechten is, wordt de consequentie zichtbaar van het niet-inenten. Dan komt de confrontatie met het eigen schuldgevoel en met de opmerkingen en veroordelingen van de omgeving. Die consequenties kunnen ver reiken; het zieke kind kan bijvoorbeeld een volwassene aansteken, bij wie de inenting is ‘uitgewerkt’. Het is onmogelijk om van tevoren alle consequenties te overzien. Is dat een reden om dan maar wel in te enten? Of om juist niet in te enten? Geldt het niet voor heel veel situaties dat een mens beslissingen neemt waarvan hij de consequenties niet volledig kan overzien? Vanuit de informatie waar je op dit moment over beschikt, vanuit de voorbeelden uit je omgeving die je kent, vanuit de praktische omstandigheden of de angst die je voelt neem je een besluit, en je weet niet hoe dat over een maand of een jaar voelt.
Het helpt misschien om te weten dat een écht genomen beslissing draagkracht en vertrouwen geeft en in positieve zin meevormt aan de toekomst van het kind. Verder geeft een bewust genomen beslissing meer mogelijkheden om eventuele tegenslagen die door de beslissing ontstaan te verwerken.
ALTERNATIEVE VACCINATIESCHEMA’S
Als je het tijdstip van inenten wilt aanpassen, zijn er verschillende mogelijkheden.
De kans op complicaties bij het doormaken van kinkhoest zijn in het eerste levensjaar het grootste, en daarna zeer gering.
Als je tegen kinkhoest wilt inenten is het raadzaam dat volgens het reguliere schema te doen. Hetzelfde geldt voor de Hib-inenting, daar deze op zichzelf zeldzame ziekte in het eerste levensjaar relatief het meeste voorkomt.
Als het je keuze is om niet tegen kinkhoest in te enten, is het mogelijk om bijvoorbeeld pas na het eerste jaar met het schema te beginnen, met weglating van de kinkhoest-inenting. Dan krijgt het kind een DTP-vaccinatie, waarbij de derde inenting kan komen te vervallen. Het kind krijgt dus twee inentingen met vier tot zes weken tussenpauze en de derde inenting een half jaar later. Dat er een vaccinatie kan vervallen, heeft te maken met het later beginnen met vaccineren; het immuunsysteem is dan al zo veel verder ontwikkeld, dat het met een vaccinatie minder toe kan.
Ook is het goed mogelijk om pas na de kinderziektetijd, dat wil zeggen op 12- tot 14-jarige leeftijd, tegen bepaalde ziekten te laten inenten: mazelen, bof en rodehond. Deze vaccins zijn echter in Nederland alleen in het combinatievaccin BMR te verkrijgen. In België zij er wel monovaccins te koop.
§
Waar je ook voor kiest, het is van belang dat je dit in goed overleg met je huisarts doet. Die zal het kind tijdens een ziekte moeten begeleiden.
Het gehooronderzoek
Gehoorstoornissen, en met name eenzijdige gehoorstoornissen, zijn bij kinderen soms moeilijk te onderkennen omdat veel contact met het kind ook via de mimiek en gebaren verloopt. Om eventuele stoornissen toch vroegtijdig op te kunnen sporen, bestaat de gehoortest volgens de Ewing- of Capasmethode. Deze test wordt op de leeftijd van negen maanden afgenomen. Bij kinderen die te vroeg geboren zijn, ligt dit moment later. De leeftijd van negen maanden is het meest geschikt omdat vanaf deze leeftijd (tot ca. vijftien maanden) de zogenaamde oriëntatiereflex optimaal aanwezig is. Deze reflex maakt, dat het kind zijn hoofd draait naar de richting van het geluid.
Informeer tijdig of deze test ook op het consultatiebureau wordt afgenomen of dat je daarvoor een afspraak bij de Thuiszorgorganisatie moet maken.
Babymassage
Aanraken is een van de eerste manieren om contact met je baby te maken. Niet alleen je stem, maar ook je handen drukken uit wat je wilt zeggen. Baby’s zijn hier zeer ontvankelijk voor. Door je baby dagelijks liefdevol te masseren, creëer je een gevoel van vertrouwen, geborgenheid en veiligheid. Bovendien bevordert babymassage een betere doorbloeding van de huid, versterkt het afweersysteem en door de diepe ontspanning is het vaak een hulp bij buikkrampjes en een beter slaapgedrag.
Er worden veel cursussen babymassage aangeboden. Misschien gaat de yogadocente die je nog kent van de zwangerschapsbegeleiding wel door met een cursus, misschien de haptonome die jou en je partner begeleidde tijdens de zwangerschap of misschien vind je andere babymassage-docentes. Soms kan er ook een docente aan huis komen om jou de massage te leren.
In iedere cursus komen er thema’s aan bod uit de eerste babytijd en kun je er terecht met je vragen. Let wel bij je keuze op een klein aantal baby’s (4 tot 5) in een groep, een kleine cursusruimte die goed verwarmd kan worden en het gebruik van niet-etherische oliën bij de massage. Het volgen van babymassage leert je je contact met je kind uitbreiden én je leert ook nieuwe moeders kennen.
Babyzwemmen
In de laatste jaren is babyzwemmen erg populair geworden. Als reden hiervoor wordt vaak genoemd dat het kind er zo enorm van geniet. Wij willen bij dit kennelijke genot toch ook vraagtekens plaatsen.
Bij babyzwemmen in een zwembad treedt onvermijdelijk een forse afkoeling van het kleine kind op. Verder wordt de baby blootgesteld aan gechloreerd water – dit heeft een beschadigende werking op de huid, waardoor de gevoeligheid voor infecties kan toenemen. Ook kan men zich afvragen of het blootstellen van het kind aan een grote, vaak lawaaierige ruimte past bij de rustige geborgenheid die een jong kind eigenlijk nodig heeft. Wanneer voor babyzwemmen wordt gekozen is een kleine, rustige ruimte en warm, niet gechloreerd water aan te bevelen.
Wanneer raadpleeg ik een arts?
Geen enkele ouder ontkomt aan moeilijke of bange vragen over de gezondheid van het kleine kind, al helemaal niet wanneer het om het eerste kind gaat. Als volwassene lukt het ons meestal wel de eigen situatie in te schatten, maar hoe moet ik nu de ziekte of gezondheid van een zuigeling, die nog helemaal niks zegt of aangeeft, leren beoordelen?
De onderstaande richtlijnen zijn bedoeld als hulp om in dit ‘onbekende land’wegwijs te worden. Daarbij dient men te bedenken dat deze richtlijnen algemeen zijn en daarmee niet altijd recht doen aan een concrete, unieke situatie.
KOORTS
Van koorts spreken we bij een (rectaal gemeten) lichaamstemperatuur van meer dan 38°C. Hoe hoog mag de koorts worden? Hoe lang mag koorts duren? Wanneer is koorts schadelijk?
Dit zijn veel gehoorde vragen, die aangeven dat koorts iets is dat angst oproept, en die ook aangeven dat we geneigd zijn koorts als een vijand te zien. Het is misschien verrassend te horen dat de arts niet alleen geïnteresseerd is in de precieze hoogte van de koorts, maar vooral in de algemene toestand van het kind: een kind met een blindedarmontsteking en een temperatuur van 38,5°C is veel ernstiger ziek dan een kind met een verkoudheid en een temperatuur van 40,4°C. Ook hersenvliesontsteking hoeft geen hoge temperatuur te veroorzaken en is toch een ernstige ziekte. In feite is de koorts het instrument voor het organisme om de bacterie of het virus te lijf te gaan: deze wordt in de warmte overwonnen.
Zo bezien is koorts eerder een vriend dan een vijand, en is koortsremming niet zinvol. De belangrijkste vraag bij een kind met koorts is misschien wel: maakt het een zieke indruk? Praten we over een ziek kind of over een tierig kind met koorts? Het is nog niet zo makkelijk te beschrijven wanneer we iemand ‘echt ziek’ noemen.
§
Bij het kind beneden 1 jaar is de bewustzijnsgraad erg belangrijk: slaperig mag een kind met koorts zijn, maar het moet wel wakker kunnen worden. Wanneer het kind suf is en niet echt wakker kan worden, dan is dat een slecht teken.
Het innemen van vocht is ook belangrijk. Hoe kleiner het kind en hoe hoger de koorts, des te kwetsbaarder is de vochthuishouding. Aan de andere kant treedt uitdroging vrijwel alleen op bij buikgriep (diarree én spugen) met koorts. Wanneer er geen diarree is, kun je aan de hand van de natte luiers kijken hoe vaak het kind plast: twee keer per 24 uur is het absolute minimum. Plast het kind vaker, dan is er van uitdroging, in het algemeen, geen sprake. Bij het gebruik van wegwerpluiers is het soms moeilijk te beoordelen hoeveel een kind geplast heeft.
§
Bij de luchtwegen zijn benauwdheid en hoest belangrijke symptomen. Een klein kind dat benauwd is (anders dan door een verstopte neus) is natuurlijk ziek; hoesten kan zowel vanuit de longen komen als vanuit slijmvorming in de neus. Wanneer de hoest hinderlijk is, benauwdheid oplevert of almaar aanhoudt, is overleg met een arts nodig.
§
Veel of heftig huilen kan op pijn duiden: wanneer een verkouden en koortsig kind vooral huilt bij het gaan liggen, of steeds weer plotseling wakker wordt met gehuil, dan is de kans op een middenoorontsteking reëel. Middenoorontsteking is erg pijnlijk en het is goed om hier, in overleg met de arts, medicijnen voor te gebruiken.
Koorts treedt ook vaak op bij buikgriep, zoals boven al genoemd. Wanneer er alleen diarree is, is het goed om voor wat extra vocht te zorgen, naast de aangepaste voeding. Wanneer het kind ‘alles overgeeft’, is het zinloos om voeding of vocht te geven; overleg met de arts is dan zeker zinvol.
§
Hierboven hebben we de meest voorkomende situaties met koorts beschreven. Daarbij hebben we geprobeerd te laten zien dat de begeleidende verschijnselen belangrijker zijn dan de hoogte van de koorts. Koorts op zichzelf is nooit schadelijk, ook al loopt zij op tot 41,7°C, wat zo ongeveer het hoogst mogelijke schijnt te zijn. Ook over de duur van de koorts is geen algemene regel te geven. Bij het kleine kind lijkt het, vanwege diens kwetsbaarheid, zinvol om in ieder geval op de derde dag met duidelijke koorts te overleggen met een arts. Bij ongerustheid vanzelfsprekend eerder.
§
Veel ouders zijn bang voor koortsstuipen. Vooral ouders die het ooit meemaakten zijn erg bang, omdat een koortsstuip er zo eng uitziet. Een koortsstuip is een korte (maximaal 5 minuten durende) stuip, een aanval waarbij het kind trekkingen heeft en het bewustzijn helemaal of vrijwel helemaal verliest. De stuip treedt vrijwel altijd op in een periode van koorts-opbouw, in de fase dat de koorts snel stijgt. Is de koorts eenmaal op een hoog niveau, dan is er nauwelijks meer kans op een koortsstuip. Een koortsstuip laat geen beschadiging achter en is ook geen voorbode van epilepsie. Wanneer zo’n aanval langer dan 5 minuten duurt, kunnen we aan epilepsie gaan denken en moet het kind nader onderzocht worden.
Koortsstuipen treden op tot de leeftijd van 4 jaar. Wanneer het kind een keer een koortsstuip had, kan bij een volgende koortsperiode weer een koortsstuip optreden, maar dit hoeft helemaal niet.
Het is niet slim om de koorts met paracetamol te onderdrukken: de kans dat na het uitwerken van de paracetamol de koorts weer gaat stijgen en er dan juist een koortsstuip optreedt, is te groot.
§
Tot zover een en ander wat met koorts te maken heeft. Verraderlijk is, dat het kind in de eerste paar weken na de geboorte juist met ondertemperatuur op een infectie reageren kan, in plaats van met koorts. Ook dit geeft aan dat niet de hoogte van de koorts doorslaggevend is, maar de ziektetoestand van het kind.’
Hulp bij kwaaltjes gedurende het eerste jaar
In het algemeen kun je zeggen, dat een ziek kind extra zorg nodig heeft en dat (bed)rust hierbij heel belangrijk is. Wanneer wij als verzorgers vertrouwen hebben in de gang van zaken en zo min mogelijk vanuit angst handelen, geven we het kind de veiligheid, die het helpt de kwaal te overwinnen. Het in bad gaan is in de periode dat een kind ziek is af te raden, aangezien de afkoeling die dit veroorzaakt te veel kracht vraagt.
Al meteen na de geboorte kunnen zich kleine problemen voordoen, die meestal met eenvoudige middelen te verhelpen zijn. Vertrouw je de situatie niet, of weet je niet goed hoe te handelen, neem dan contact op met de verpleegkundige en⁄of de huisarts.
BUIKKRAMPEN
Vooral in de leeftijd van zes weken tot drie maanden hebben veel kinderen (één op de zes) last van buikkrampen. Het kind huilt dan heftig, slaat met het hoofd naar achteren en trekt met de beentjes. Het wil dan het liefst rechtop gehouden en rondgedragen worden.
Stevig vasthouden en warm inpakken in een deken geven vaak al ontspanning. En als dat niet voldoende rust geeft, is inbakeren een beproefde remedie. Let ook op je eigen spanning!
- Een warme olielap met kamille-olie of wat gezeefde kamillethee of Weleda Baby- en kinderbad in het badwater kunnen kalmerend werken.
- Wat koperzalf (Wala, Weleda) op de buik kan ontkrampend werken. Breng met een warme hand wat koperzalf aan, in ronde met de klok meegaande bewegingen rond de navel.
- Venkelthee helpt goed als je borrelingen in de buik hoort en het kind veel winden laat.
Als het kind algehele ontspanning nodig heeft, kan een bad met kamillethee heel rustgevend werken. Het bad mag alleen gegeven worden, wanneer het kind verder niet ziek is. Eventueel moet de voeding van de moeder worden aangepast in overleg met het consultatiebureau.
VERSTOPTE NEUS
Een verstopte neus komt veel voor bij pasgeborenen. Je kunt het horen aan een wat snorkelend geluid; het drinken gaat moeilijker omdat het kind steeds naar adem moet happen; het laat steeds de borst of fles los.
Je kunt wat fysiologisch zout geven. Dat is bij de apotheek te koop, en in noodgevallen zelf te maken door 1 theelepeltje zout op te lossen in één glas lauw water (4 gram zout op 100 ml water); geef voor de voeding in elk neusgat 1 druppeltje met een druppelaartje. Nooit koud geven, dat is een vervelend gevoel voor het kind, en ook niet méér geven, want dan komt er te veel zout in de maag. Nasenbalsam mild (Wala) of Neuscrème (Weleda) op en rond de neus helpt ook.
ONTSTOKEN OGEN
In het begin kunnen de ogen af en toe ontstoken zijn, er zitten dan gele korstjes op en de ogen zitten vaak helemaal dicht. Het kan zijn dat de traanbuizen nog niet open zijn – dit kun je in het eerste jaar niet echt verhelpen. Wat wel kan, is de ogen steeds schoonmaken zodra het kind wakker is. Dit kan door een watje vochtig te maken met lauwe kamillethee en het oog voorzichtig van buiten naar binnen schoon te wrijven. Bij elke streek een nieuw watje nemen.
WITTE VLEKKEN IN DE MOND
Als er witte vlekken aan de binnenkant van de mond zitten die er niet afgaan, is er waarschijnlijk sprake van spruw. Het is raadzaam de binnenkant van de mond na elke voeding met een doekje met een schimmelremmend middel schoon te maken. We noemen hier een aantal huismiddeltjes. Er kan, afhankelijk van de ernst van de klachten, gekeken worden of de baby op één of meer van de volgende middelen goed reageert:
- Molkosan (Vogel) 1 op 4 verdund
- bosbessensap, 1 op 10 verdund
- Weleda mondwater 1 op 50 verdund
- kamillethee
Wind een katoenen lapje of een gaasje om je vinger, maak het vochtig met één van de genoemde oplossingen, en laat de baby hierop zuigen. Behandel er ook na elke voeding de borsten mee. Mochten deze middelen niet helpen, of is er sprake van ziekte van de baby, drinkproblemen, diarree en⁄of rode billen, overleg dan tijdig met het consultatiebureau.
Neem verder een aantal hygiënische maatregelen om herinfectie te voorkomen. Was de luiers, de spuugdoekjes, de borstkompressen en de lakens op 90 graden. Reinig dagelijks alles wat in aanraking komt met de mond van de baby, en vergeet daarbij je eigen handen niet.
De schimmel die de spruw veroorzaakt kan in de ontlasting komen; het is goed de billen snel met babybalsem (Weleda) of zinkolie te behandelen om kapotte billen te voorkomen. Ontstaat er ook diarree, dan is het raadzaam een arts te raadplegen.
PUKKELTJES IN HET GEZICHT
Pukkeltjes in het gezicht komen in het begin veel voor. Na een aantal weken gaan ze meestal vanzelf over.
EERSTE TANDEN
Het doorkomen van de eerste tanden kan pijnlijk zijn voor het kind. Het gaat dan opeens heftig huilen, kluift op alles, kwijlt veel en kan diarree en rode billen hebben. Wat helpt, is het masseren van het tandvlees, een bijtring en eventueel het geven van korreltjes Chamomilla radix D3.
OORPIJN
Als een kind ‘s nachts schreeuwend wakker wordt en naar het oor grijpt, kan dit op een ontstoken oor duiden. De pijn wordt erger als het kind plat ligt. Vaak zal het kind daarvoor, aan het eind van de dag, druk en lastig geweest zijn. Als je op het bot vlak voor het oor drukt, doet dit pijn.
De volgende maatregelen zijn zeker het proberen waard: leg een uienkompres op en achter het pijnlijke, rode oor en laat dit zo mogelijk een nacht zitten; druppel de neus met fysiologisch zout; maak het hoofdeinde van het bed wat hoger, bijvoorbeeld met behulp van een kussentje onder de matras.
Als een oorontsteking aanhoudt, moet een arts gewaarschuwd worden.
SNOTTERIGHEID
Kinderen kunnen last hebben van een voortdurende loopneus. Dit kan verminderen door een schijfje citroen onder de voet te leggen met daarover heen een sok, een doorgesneden ui naast het bed te zetten of de neus te druppelen met fysiologisch zout.
VERKOUDHEID EN HOESTEN
Bij deze klachten is het belangrijk dat het kind warm gekleed is, waarbij de borst en de rug bijzondere aandacht behoeven wat de warmte betreft. Ondergoed van wol en zijde is dan eigenlijk onontbeerlijk. Het drinken van saliethee (als gewone thee zetten), eventueel gezoet, en het inwrijven van de borst en de rug met tijmolie, eventueel met een flanellen lap erop, kan helpen.
RODE BILLEN
Wanneer het kind tanden krijgt, kunnen de billen er opeens knalrood uitzien, de huid kan zelfs helemaal stuk gaan. Dit gaat weer over als de tanden geheel doorgekomen zijn.
Het is van belang de billen dan goed schoon te houden met olie of water, ze goed te drogen, eventueel met een föhn, en daarna in te smeren met babybalsem (Weleda), mercurialiszalf (Weleda, Wala), zinkolie of een zalf die op doktersrecept verkregen is. Andere luiers kunnen ook verbetering geven.
Wanneer spruw de oorzaak is, moet met de arts overlegd worden.
DUNNE LUIERS
Wanneer een kind een flink aantal waterdunne luiers per dag maakt, heeft het diarree en is contact met de huisarts nodig. Buikgriep, tanden krijgen of spruw kunnen een oorzaak zijn. Zeker zuigelingen verliezen met diarree verhoudingsgewijs veel vocht en zouten, met uitdroging als mogelijk gevolg.
Wanneer er alleen sprake is van dunne, maar niet van waterdunne ontlasting, kunnen eerst dieetmaatregelen genomen worden.
Borstvoeding kan in principe altijd doorgegeven worden, ook bij diarree. Zorg bij flesvoeding voor wat extra vocht en gebruik, als het kind al granen door de fles of de bijvoeding krijgt, rijstemeel of rijstevlokken. Gepureerde appel, banaan, toost en beschuit werken stoppend, worteltjes neutraal.
VERSTOPPING
Van verstopping wordt gesproken als de ontlasting hard is, het kind slechts sporadisch – met tussenpozen van enkele dagen – een poepluier maakt, en dat met veel moeite en vaak ook pijn gepaard gaat. Bij baby’s die alleen borstvoeding krijgen, dikt de ontlasting nooit zo ver in dat er van verstopping sprake is, ook al blijft die bijvoorbeeld een week uit. Bij flesgevoede kinderen kan dat wel het geval zijn. Voeg dan wat extra vocht en extra olie toe of, als het kind daaraan toe is, wat sinaasappelsap of inweekwater van gedroogde pruimen, of voeg de geweekte biopruimen toe aan het fruithapje.
KOUDE VOETEN
Kleine kinderen hebben vaak koude voeten en soms ook koude onderbenen. Zoals eerder beschreven is dat ongewenst.
Wat helpt is een paar extra warme sokken, voeten inwrijven met koperzalf (Weleda of Wala), of een kruik in bed. Bespreek dit eventueel op het consultatiebureau.
KOORTS
Wanneer de toestand van het kind erom vraagt, bijvoorbeeld als het kind ijlt, is het goed een citroenwikkel te geven. Het onderlijf van het kind en vooral de voeten moeten wel warm zijn. De koorts zakt door de wikkel meestal een halve graad. Na een half uur mag de wikkel verwijderd worden.
Wanneer de toestand niet veranderd is en de voeten nog warm zijn, kan er een nieuwe wikkel aangelegd worden. Wanneer het kind slaapt, kan de wikkel rustig blijven zitten.
Foliumzuur bij een nieuwe zwangerschap?
In september 1995 werd van overheidswege een campagne gestart waarin aan vrouwen die zwanger willen worden het advies wordt gegeven om gedurende een bepaalde periode foliumzuurtabletjes te slikken. Deze foliumzuurinname heeft ten doel de kans te verkleinen op het krijgen van een kind met een ‘open ruggetje’. Geadviseerd wordt om vier weken voor de bevruchting tot acht weken erna (in vaktermen ‘de 10e week’ van de zwangerschap), dagelijks een tabletje van 0,4 mg foliumzuur te slikken. In de praktijk komt dit neer op het gebruiken van foliumzuur zodra je probeert zwanger te worden. Als je ongepland zwanger bent geworden, kun je het alsnog tot acht weken na de bevruchting slikken. De tabletjes zijn te krijgen bij drogist of apotheek.
Vrouwen met een ‘verhoogd risico’ (zie hieronder) wordt eveneens 0,4 mg geadviseerd, terwijl vrouwen die eerder een kind met een open ruggetje kregen een hogere dosering foliumzuur dienen te gebruiken, onder begeleiding van hun huisarts of gynaecoloog. Multi-vitaminepreparaten worden afgeraden (tenzij op doktersvoorschrift) vanwege het gevaar van overdosering van bepaalde vitamines.
§
Niet voor iedereen is het vanzelfsprekend om dit advies op te volgen en bij een zo natuurlijk proces als een zwangerschap ‘extra’tabletjes te gaan slikken. Toch ontkomt men nu niet aan een keuze, en bij de beslissing over het wel of niet nemen van foliumzuurtabletjes kan het helpen om van een aantal feiten op de hoogte te zijn.
De kans op een kindje met een zogenaamd ‘neuraalbuisdefect’, een stoornis in de ontwikkeling van het zenuwstelsel in een heel vroeg stadium van de zwangerschap, is normaal gesproken niet groot. Bij gemiddeld 1 op de 700 kinderen komt dit voor; in Nederland jaarlijks bij 200 à 300 kinderen op een aantal van 200.000 zwangerschappen.
De ernst van de stoornis varieert. Bij een deel van de kinderen zijn de aandoeningen zo ernstig, dat een en ander niet met het leven verenigbaar is en het kind maar enkele dagen leeft. Bij ongeveer 120 kinderen per jaar is sprake van een ‘open ruggetje’, met als gevolg een leven met een handicap in de vorm van stoornissen in de functie van darm en blaas en van verlammingen.
§
Bij het ontstaan van een neuraalbuisdefect spelen een aantal factoren een rol, die overigens maar ten dele bekend zijn. Wel is duidelijk dat erfelijke factoren (de aandoening komt in de familie voor) een rol spelen en dat het gebruik van bepaalde medicijnen voor epilepsie en het hebben van suikerziekte de kans vergroten. Deze vrouwen hebben een zogenaamd verhoogd risico. Daarbij speelt de beschikbaarheid van bepaalde voedingsstoffen mede een rol.
Onderzoek toonde aan dat vrouwen die al eerder een kind met een neuraalbuisdefect kregen en die in de eerste fase van een volgende zwangerschap een vrij hoge dosis van het vitamine foliumzuur innamen, 70% minder kans hadden op een kind met dezelfde aandoening. Dit betrof dus vrouwen met een bekend, verhoogd risico. Onderzoek met foliumzuur-inname bij vrouwen zónder risico-factoren toonde een vermindering van de kans op de aandoening met 50%. Deze onderzoeksresultaten waren voor de Nederlandse overheid de reden om, in verband met de ernst van de aandoening, aan zwangeren het gebruik van foliumzuur te adviseren.
§
Foliumzuur is een vitamine van de B-groep, die van nature voorkomt in veel voedingsmiddelen zoals groente, fruit, granen, peulvruchten, zuivelproducten en vlees. Foliumzuur speelt een rol bij de snelle deling van cellen in weefsels. Hiervan is uiteraard sprake bij het zich ontwikkelende kind; bij volwassenen speelt zich dit onder andere af in het slijmvlies van de darm. Hóe het werkingsmechanisme van foliumzuur precies is, is niet bekend; dat foliumzuur essentieel is, is wel duidelijk.
Bij een gemiddeld Nederlands voedingspatroon wordt per dag ongeveer 0,25 mg foliumzuur opgenomen. Men neemt aan dat dit onder normale omstandigheden voldoende is. Onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld bij gebruik van de anticonceptiepil, is de behoefte aan foliumzuur wat verhoogd. Gezien de resultaten van het hierboven genoemde onderzoek is de behoefte aan foliumzuur gedurende de zwangerschap vermoedelijk ook groter dan 0,25mg. Hoe groot precies is niet bekend.
§
In het advies wordt ervan uitgegaan dat 0,4 mg per dag de extra behoefte aan foliumzuur dekt, ook bij vrouwen met een verhoogd risico. Aan vrouwen die eerder een kind met een neuraalbuisdefect kregen wordt een veel hogere dosering foliumzuur geadviseerd, namelijk 5 mg per dag. In alle gevallen wordt ervan uitgegaan dat deze doseringen niet schadelijk zijn. Bijwerkingen zijn in ieder geval niet bekend. Slechts bij extreem hoge doseringen foliumzuur zijn bij dierproeven schadelijke gevolgen gebleken voor de nieren en het zenuwstelsel.
Foliumzuur vermindert dus de kans op een afwijking, maar voorkomt deze niet in alle gevallen.
Op grond van deze op dit moment beschikbare kennis zal men moeten kiezen of men wel of geen foliumzuurtabletjes wil slikken. Voorafgaand pilgebruik kan bijvoorbeeld een argument zijn. Overleg in geval van twijfel met je arts.
Het is niet eenvoudig een dosering van 0,4 mg te bereiken via de voeding, gezien de hoeveelheden die dan gegeten moeten worden. Anderzijds kan iemand die geen tabletjes zou willen gebruiken, in de voeding wel rekening houden met foliumzuurrijke producten. Dit zijn onder andere: broccoli, asperges, spruitjes, bietjes, aardbeien, vlierbessen, duindoornbessen, bananen, peren, sinaasappels en volkorenproducten. Foliumzuur is (net als vitamine C) gevoelig voor verhitting.