Praktische adviezen per leeftijdsfase

0-3 maanden

Psychomotorische ontwikkeling

In de loop van de eerste drie maanden krijgt het kind allengs de beheersing over het eigen hoofd. In de eerste maand leert het de ogen te richten, bijvoorbeeld op vader of moeder; ook leert het te volgen, eerst alleen met de ogen en in de tweede maand door ogen én hoofd mee te draaien.

In de tweede maand kan het kind zelfstandig het hoofd opgericht houden.

Met ongeveer zes weken gaat het kind lachen, een mijlpaal voor het kind en de ouders!

In de tweedeen derde maand kan het kind vanuit de buikligging behalve het hoofd ook de borst optillen.

Slapen en waken

De baby is in de eerste drie maanden eigenlijk alleen wakker op de momenten dat er gevoed wordt. Met verschonen erbij is dat zo’n 45 minuten tot één uur per keer. Aan het eind van deze drie maanden kan dat al wat langer zijn.

Als het slaap/waakritme van de baby er heel anders uitziet, bijvoorbeeld omdat hij veel huilt en maar kort slaapt, of omdat hij juist niet wakker te krijgen is, dan kun je het beste overleggen met het consultatiebureau.

HUILEN

Veel baby’s huilen de eerste drie maanden regelmatig. Dit hangt samen met het wennen aan het nieuwe bestaan, en met de darmen die nog jong zijnen meestal nog niet direct hun taak aankunnen. Dit kan leiden tot wat onrustige uren per dag of periodes van flink huilen. Over het algemeen kun je zeggen dat twee tot drie uur per dag onrustig zijn of huilen nog tot het normale behoort. Daarmee is niet gezegd dat een huilende of onrustige baby makkelijk is, je wordt er helemaal door in beslag genomen.

Het is allereerst de kunst om de verschillende manieren van huilen te leren onderscheiden. Jengelig huilen bij het inslapen kun je het beste maar een tijdje aanzien, omdat het vaak vanzelf weer ophoudt. Boos huilen bij het inslapen – omdat het kind zijn draai niet kan vinden – houdt ook vaak vanzelf op. Soms loopt het kind rood aan. Er zijn veel kinderen die op deze manier inslapen. Sommige baby’s kunnen zich echter zo overstuur huilen, dat je wel móet gaan troosten, omdat ze er alleen niet uitkomen.

In de loop van de eerste weken zal het geoefende oor van de ouder aan het huilen kunnen gaan horen of er een boertje of een vuile luier dwarszit, of dat de baby honger heeft. Uiteraard moet daar dan iets aan gedaan worden.

Wat ouders het meeste noemen als oorzaak van huilen zijn krampjes. Aan de houding van het kind – gekromd en met opgetrokken beentjes – is dit niet altijd af te lezen, omdat alle baby’s zo gaan liggen als ze flink huilen. De manier van huilen – heftig, vaak afgewisseld door korte momenten van stilte – zegt al meer, zeker als het samengaat met een harde en opgezette buik en het laten van veel windjes. Op het consultatiebureau kan besproken worden of de voeding van de moeder aangepast moet worden als zij borstvoeding geeft. Bij flesvoeding is het bij krampjes raadzaam niet te snel op een andere soort flesvoeding over te gaan; ook een chaotische wisseling van voeding kan krampjes in de hand werken.

Er zijn een aantal hulpmiddeltjes die kunnen helpen bij huilende baby’s. Ook daarbij is het zaak niet alles op één dag op de baby los te laten, maar één ding gedurende een paar dagen te proberen, omdat dan pas te zien is of iets echt helpt.

  • Kijk naar de manier van voeden.
  • Bij borstvoeding kan een foute drinktechniek voor problemen zorgen, omdat de baby bijvoorbeeld te gulzig en slordig drinkt, en lucht binnenkrijgt. Vaak helpt het als de baby meer rechtop wordt gehouden. Als de baby te gulzig drinkt, kan het uitkomst bieden om voor de voeding af te kolven. De baby kan daarna wat rustiger drinken. Als de baby, nadat de borstvoeding op gang is gekomen, te vaak aangelegd wordt, en daarbij geen van beide borsten goed leegdrinkt, kan de baby te veel van de zogenaamde voormelk binnenkrijgen. Deze melk is koolhydraatrijk, in tegenstelling tot de zogenaamde achtermelk, die meer vet bevat. Als er in verhouding veel meer voor- dan achtermelk gedronken wordt, dan kan dit tot gisting in de darmen leiden. Bij flesvoeding kan het gat in de speen te groot zijn, waardoor de baby in korte tijd te veel voeding binnenkrijgt. Kijk ook naar de hoeveelheid: krijgt de baby te veel of te weinig?
  • Inbakeren is een zeer probaat middel bij onrustige en huilende baby’s, maar dient onder deskundige begeleiding te gebeuren.

Het maakt uit of je zelf enigszins ontspannen met huilen kunt omgaan. Als het je lukt om rust uit te stralen en een zekere lijn te krijgen in je doen en laten, dan geeft dat ook het kind rust.

Als je ongerust bent over het huilen en denkt dat er echt iets aan de hand is met de baby, neem dan contact op met de huisarts of het consultatiebureau.

Verzorging

BADEN EN WASSEN

Dagelijks baden is niet echt nodig en in de eerste weken na de geboorte zelfs af te raden. Meestal is 1 à 2 maal per week voldoende. Met een badbeurt verliest de baby namelijk veel warmte, en niet alle baby’s voelen zich gelukkig wanneer ze helemaal uitgekleed worden om in bad te gaan. Bovendien weekt met het baden het laagje huidsmeer eraf dat in de eerste dagen na de geboorte van essentiële waarde is voor de baby, omdat het de huid voedt en beschermt. Wordt er niet gebaad, dan komt er uiteraard een dagelijkse wasbeurt voor in de plaats.

Baden Veilig en efficiënt baden is een hele kunst, die meestal aan het einde van de kraamtijd met hulp van de kraamverzorgster geleerd wordt.

Belangrijk is, dat de ruimte waar het kind gebaad wordt goed verwarmd is en dat de schone kleertjes en de badhanddoek alvast om een warme kruik gewikkeld worden. Ook het wiegje krijgt een extra kruik, zodat het beddegoed warm blijft.

Laat het baden niet te lang duren. Dep het kind daarna goed droog en kleed het snel weer aan. Omdat baden toch zeer vermoeiend is, zal het kind na bad en voeding vaak meteen inslapen.

Wassen Kleed tijdens het wassen de baby niet in één keer helemaal uit, maar doe het in gedeelten, om afkoeling te voorkomen. Alleen die delen van het lichaam die het echt nodig hebben worden schoongemaakt; de rest komt met het baden aan bod. Het gezichtje, de oortjes, de nekplooien, oksels en de luierstreek worden zorgvuldig gewassen met water, drooggedept en verzorgd met calendula babycrème of iets dergelijks. Maak alleen de buitenkant schoon – dus kom bijvoorbeeld niet in het oortje.

Er hoeft geen zeep gebruikt te worden, omdat deze de huid te veel ontvet. De luierstreek, de oksels en de nekplooien kunnen het beste met lauw water worden schoongemaakt en heel goed gedroogd. De kant-en-klare oliedoekjes (‘billenhulpjes’) blijken nogal eens geïrriteerde billetjes te veroorzaken.

Nagels

In de eerste weken hoeven de nageltjes alleen geknipt te worden als de baby zijn huid bijvoorbeeld openkrabt. Knip de nageltjes recht en niet te kort af, met een speciaal babyschaartje. Kies een moment dat de baby rustig is of slaapt.

Voorhuid

Bij jongetjes is de voorhuid meestal nog niet vrij te bewegen. Hier hoeft niets aan gedaan te worden; voor het zesde jaar is gewoon wassen en droogdeppen voldoende.

Navelstreng

De navelstreng valt in de regel tussen de 4e en de 14e dag af. Met zes weken is de navel meestal droog. In principe hoef je er niet meer aan te doen dan te proberen de navel zo droog en schoon mogelijk te houden. Om het indragen te bevorderen, kan de navel meerdere malen per dag dun gepoederd worden met Wecesin strooipoeder van Weleda. Ga hiermee door – ook nadat de navelstreng is afgevallen – tot de huid van de navel droog is en er gaaf uitziet. Voorkom tijdens het poederen dat de baby het poeder inademt.

Temperaturen

De temperatuur van de baby wordt tijdens de kraamtijd dagelijks opgenomen. De temperatuur hoort rond de 37°C te zijn. Temperaturen is in de eerste dagen zinvol, omdat de regulatie van de warmtehuishouding van het kind nog niet goed op gang is gekomen en een deken of kruik meer of minder de temperatuur direct beïnvloedt. Daarna is het de kunst om de baby zo goed te leren kennen dat temperaturen alleen nog bij ziekte nodig is. Goed waarnemen blijft belangrijk omdat elk kind anders is, en omdat het weer in ons land zo snel kan wisselen.

Als de baby erg kouwelijk is, werkt een extra mutsje, ook in de wieg, soms beter dan een extra kruik of dekentje.

Luiers

Voor ouders die graag katoenen luiers willen gebruiken (vanwege de huidvriendelijkheid van katoen of vanwege het milieu), maar opzien tegen de bergen was, bestaan er zogenaamde luierserviceorganisaties. Deze organisaties halen de vuile katoenen luiers thuis op en brengen er schone voor in de plaats.

Trek de baby over de katoenen luier een wolwikkel of een luierbroek aan, gebreid van dikke wol. Deze houden het kind goed warm en laten het vocht nauwelijks door, maar ademen wel. Het is handig als de manier waarop de luier gevouwen wordt meegroeit met de baby. Achterin dit boek, bij de werkwijzen, zijn daartoe een aantal voorbeelden opgenomen.

In de wieg

In de eerste twee weken is het van belang dat de baby afwisselend op de ene en de andere zijde gelegd wordt en op de rug. De zwaartekracht, waaraan het nu voor het eerst is blootgesteld, kan het hoofdje misvormen. Door de afwisseling wordt eenzijdige druk voorkomen.

Nadat in ons land vanaf 1989 de eerste onderzoeken zijn gepubliceerd over de relatie tussen buikligging en wiegendood wordt deze ligging op alle consultatiebureaus afgeraden. Het sterftecijfer was daarna duidelijk lager. Daar de zijligging na de leeftijd van twee à drie weken instabiel wordt omdat het kind zich dan naar de buik kan draaien, wordt daarna de rugligging aanbevolen. Sinds dit advies landelijk gegeven wordt, is er een toenemend aantal baby’s met platte achterhoofden te zien. Dit vormt geen bedreiging voor de hersenen. Wat betreft het uiterlijke schoon: zodra een kind meer op de buik gaat spelen in de box en meer gaat zitten, zal de schedel weer wat bijtrekken. Het platte deel dat daarna eventueel overblijft wordt op den duur aan het oog onttrokken doordat er haar overheen groeit. Om een plat achterhoofd te beperken kan het hoofdje afwisselend naar links en naar rechts worden gelegd.

Sommige kinderen ontwikkelen de voorkeur om op de rug met het hoofd naar één kant te liggen. Dit kan tot gevolg hebben dat het achterhoofd niet alleen plat, maar ook wat scheef vervormd wordt. Preventief kunnen wel een aantal maatregelen genomen worden. Draai de wieg om; de veranderde lichtinval en de veranderde richting van waaruit de volwassenen de wieg benaderen hebben soms een corrigerende invloed. Leg de baby bij het verzorgen recht in plaats van dwars voor je, zodat de symmetrie wordt benadrukt. Het succes van deze maatregelen is lang niet altijd verzekerd. Overleg met de arts als je je zorgen maakt. Voor de motorische ontwikkeling is het belangrijk dat het kind ook af en toe tijdens de wakkere momenten, bijvoorbeeld na het verschonen, onder toezicht even op de buik ligt.

§

Wij geven, als preventiemaatregel tegen wiegendood, het advies de baby in een eigen wiegje te laten slapen, en niet in het ouderlijke bed. Veel ouders geven er de voorkeur aan om, vooral gedurende de eerste tijd, de baby bij hen op de kamer te laten slapen. Dat geeft een veilig gevoel, en is makkelijk als de baby nog komt voor een nachtvoeding. Het moment waarop de baby in een eigen kamertje (als dat er is) gaat slapen, zal afhangen van de behoefte van de ouders en van het slaapgedrag van de baby. Voor overdag adviseren wij de baby op een rustig plekje te laten slapen. Echt stil hoeft het daar niet te zijn, omdat kinderen over het algemeen goed slapen in een kamer waar de huiselijke geluiden enigszins in doordringen. Wel moet het een plekje zijn waar de baby tot rust kan komen, zonder dat hij steeds weer nieuwe prikkels opdoet die hem uit de slaap houden. Een slaapkamer is dan ook veel geschikter als slaapplek dan de huiskamer, zeker voor wakkere of prikkelbare baby’s. Het voelt in het begin misschien wat ver weg om de baby apart te slapen te leggen, maar de ervaring leert dat je ook op afstand een prima band met je kind kunt onderhouden.

Veel ouders gebruiken, om zich zeker te voelen, een babyfoon in huis. Het bezwaar daarvan kan zijn dat je op elke kik van het kind reageert. Baby’s maken allerlei geluiden tijdens hun slaap en door een babyfoon klinken die geluiden al snel alarmerend. Veel ouders gaan er dan toe over de baby uit de wieg te halen en te kalmeren. Dat geeft vaak juist onrust, en de baby is de kans ontnomen om kleine probleempjes zelf op te lossen.

De kamer waar de baby slaapt moet tenminste één keer per dag flink gelucht worden. Verder is de temperatuur van de kamer tussen de 18°C en 20°C. Als de baby zichzelf goed warmhoudt en goed groeit, mag de kamertemperatuur wat lager, tot zo’n 15°C. In deze fase blijft het vaak wel nodig om het bedje voor te verwarmen met kruiken en eventueel ‘s nachts de kruik erin te laten.

Buiten

De eerste weken na de geboorte hoeft de baby eigenlijk nog niet naar buiten. Met het eerste lachje laat het kindje zien dat het zich thuisvoelt hier op aarde. Dit kan ook het moment zijn om de baby langzaamaan aan buiten te laten wennen. Direct zonlicht heefteen baby niet nodig, ook niet als rachitispreventie. Een teveel aan zonlicht op de huid kan gevaarlijk zijn en op korte termijn leiden tot zonnebrand en uitdroging; op langere termijn tot blijvende schadelijke gevolgen voor de huid.

Het beste plekje buiten voor de baby is in de kinderwagen die in de schaduw staat, onder de blauwe hemel; maar bij een bedekte lucht en bijvoorbeeld op een balkon kan een baby ook in contact komen met licht en lucht, die voor de ontwikkeling zo essentieel zijn; eerst op de arm, daarna bij goed weer in de kinderwagen. Als je in het bezit bent van een tuin, dan kan de baby ook daar slapen in de kinderwagen. In de zomer moet ervoor gezorgd worden dat het kind niet door de warmte, die zich onder de kap verzamelt, bevangen wordt. Zet dan de kinderwagen in de schaduw. Let daarbij op de invallende wind. Over het algemeen kunnen kinderen buiten heel goed slapen. Blijf wel in de buurt, want deze ‘warme nestjes’ hebben op poezen een grote aantrekkingskracht.

Als je in de winter met het kind naar buiten gaat, is het raadzaam het goed warm aan te kleden en de kinderwagen met een kruik te verwarmen.

Duimzuigen en fopspenen

Tussen zes weken en drie maanden na de geboorte vinden veel baby’s hun duim om op te zuigen. Duimzuigen helpt het kind contact met zichzelf te maken en zich in zichzelf in een dromerige binnenwereld terug te trekken. Duimzuigen troost en kalmeert.

De eerste weken gaan vaak gepaard met huilen. Soms met veel huilen, omdat het invoegen in het nieuwe bestaan nu eenmaal geen geringe opgave is. Een duim zou een grote troost kunnen zijn, maar ja, die zal de baby zelf moeten vinden; en dat duurt soms lang.

Een alternatief voor de duim kan de fopspeen zijn. Wij willen hier in het kort de voor- en nadelen noemen.

Duimzuigen Een kind heeft zijn duim altijd bij zich, en kan hem zelf, op het moment dat het daar behoefte aan heeft, in zijn mond stoppen. Aan de schadelijke gevolgen van het duimzuigen op de ontwikkeling van onder- en bovenkaak, het ontstaan van een zogenaamde overbeet, wordt tegenwoordig weinig geloof meer gehecht. Duimzuigen op zichzelf leidt lang niet altijd tot afwijkingen en veel afwijkingen ontstaan zonder dat er sprake is geweest van duimzuigen. Het ontstaan van goede mondfuncties (kauwen, zuigen, blazen, spreken, tongmobiliteit) is van groot belang voor een goede ontwikkeling van de vorm van het gebit en de kaak.

Het afleren van duimzuigen moet een kind zelf doen – liefst voor het doorkomen van het vaste gebit – en dat kost soms moeite.

Is het duimzuigen gekoppeld aan een popje of knuffel, dan zou de hoeveelheid duimzuigen beperkt kunnen worden door het popje altijd in bed te houden.

Fopspenen Het gebruik van een fopspeen is tegenwoordig wijd verbreid en wordt op sommige consultatiebureaus zelfs aanbevolen. De fopspeen wordt nogal eens gebruikt als zoethouder. Op deze manier wordt vaak een langdurige afhankelijkheid gekweekt. De kans op verstoring van de normale slikbeweging is zeer groot, met als gevolg afwijkingen in de tanden kaakontwikkeling. Er bestaan weinig spenen die geen schade veroorzaken. Als er een speen gegeven wordt, dan is de platte, brede variant in verband met de kaakvorming te verkiezen boven het ronde, kersvormige model. Baby’s met een zogenaamde verhoogde zuigbehoefte vragen in wezen om rust en geborgenheid.

De hik

Het krijgen van de hik kan verschillende oorzaken hebben. Te veel voeding ineens, of te koude voeding kunnen bij de baby de hik veroorzaken, maar ook stress en te veel indrukken. Koperzalf kan een goed hulpmiddel zijn als de hik te veel onrust teweegbrengt. Breng met een warme hand wat koperzalf aan op de buik en op dezelfde hoogte op de rug.

Spel en speelgoed

Het kind leert de wereld kennen door het directe zintuiglijke contact: met oren, neus, mond, ogen, huid en handjes neemt het alles in zich op. Dat is zijn speelgoed in deze maanden. Het ontdekt bijvoorbeeld zijn eigen handjes en oefent eindeloos om ze naar elkaar toe te brengen.

Het gezicht van de ouders is ook heel boeiend om naar te kijken of om aan te raken: de neus, de haren, de mond. Als je geluidjes maakt, een rijmpje zegt of zachtjes zingt, kan het kind daar intens naar kijken en luisteren.

Als het kind in de kinderwagen buiten staat, kan het kijken naar de wiegende blaadjes van de bomen. Het kan schaduw en licht zien, en warme of juist frisse lucht op de huid voelen. Een mooi lintje aan de tak van een boom of struik, of een belletje waar de wind mee speelt, verhoogt het plezier.

Veiligheid

De meest voorkomende ongevallen in deze periode worden veroorzaakt door verbrandingen, vallen en verstikken. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen:

Verbrandingen

  • controleer de kruik altijd goed en laat hem nooit direct in contact komen met de baby. Leg de kruik liever tussen twee dekentjes in, aan het voeteneinde van het wiegje.
  • zorg ervoor dat het badwater op lichaamstemperatuur is.

Vallen

  • laat de baby nooit alleen, ook niet ‘heel even’ op de commode of op een bed zonder randen.
  • neem een commodekussen met opstaande randen.
  • let erop dat als je met de baby loopt, er geen losse spullen op de grond of op de trap liggen.

Verstikken

  • zorg ervoor dat er geen kleine voorwerpen in de buurt van de baby zijn, zoals losse koordjes of bijvoorbeeld elektriciteitssnoeren bij de wieg; plak eventuele koordjes van de kleertjes vast.
  • bij gebruik van een mutsje: controleer of het mutsje goed om het hoofd sluit en het koordje goed vastzit. Maak liever een stevige, kort aangebonden strik, dan een te losse knoop.

Zorg er verder voor dat de bekleding in de wieg goed bevestigd is en gebruik geen dekbedje.

Een kussen in de wieg is, onder andere in verband met de veiligheid, in de eerste jaren af te raden.

Voeding

BORSTVOEDING

Borstvoeden is de kunst van het geven, een kunst die je vooral tijdens de kraamtijd leert. Om te kunnen geven, moet je als moeder ontspannen zijn, anders functioneert de reflex waardoor de melk uit de voorraad kamertjes achter de tepelhof vrijkomt, de zogenaamde toeschietreflex, niet goed.

Een rustige omgeving draagt bij tot de ontspanning, zowel voor jezelf als voor de baby. Probeer zoveel mogelijk, zeker in het begin, te voeden op de kamer waar de baby slaapt, zonder huiselijk lawaai en zonder bezoek om je heen. Verder is een ontspannen houding tijdens het voeden heel belangrijk.

Voedingshouding

Liggend Laat je schouder op de matras rusten en je hoofd op het kussen. Trek het bovenste been op en steun met de knie op de matras. Zorg ervoor dat je het allebei lekker warm hebt en pak er zonodig nog een deken of dekbed bij.

Zittend Leg een kussen op je schoot of onder je arm waarop de baby ligt, zodat deze arm de baby niet voortdurend hoeft te dragen; een voetenbankje voorkomt dat je met de benen over elkaar moet zitten om de baby op de goede hoogte te houden. Let erop dat tijdens het voeden hoofd en lijfje van de baby in één lijn liggen, ofwel dat de buik van de baby tegen je aanligt. Als het hoofdje ten opzichte van het lijfje gedraaid ligt, kan de baby veel moeilijker slikken.

Voedingsritme

Borstvoeding is een zaak van vraag en aanbod. Hoe vaker de baby aangelegd wordt, des te meer moedermelk er aangemaakt wordt. Er gaan meestal een paar weken voorbij voordat vraag en aanbod op elkaar afgestemd zijn. Een te strak ritme in die tijd met te weinig momenten waarop het kind mag drinken kunnen het goed op gang komen van de borstvoeding in de weg staan. Na de eerste weken zal zich een eigen voedingsritme van de baby kunnen gaan aftekenen. Vaak is dat om de 3 à 4 uur, maar bijna nooit precies op de klok. Er kan bijvoorbeeld een ritme ontstaan waarbij ‘s morgens 31/2 of 4 uur tussen elke voeding zit, en ‘s middags 3 uur. Dat is dan het eigen ritme van de baby. Zit daar echt een duidelijke lijn in, neem dit dan als uitgangspunt voor de weken erna en probeer je baby er zo veel mogelijk aan te houden. Uitzonderingen op dit advies zijn de zogenaamde regeldagen.

Een goed ritme geeft rust en duidelijkheid; ouders vertellen vaak dat hun kind beter gedijt bij een duidelijk ritme dan bij voeden op vraag. Zo’n voedingsritme kan er als volgt uitzien: overdag 5 à 6 maal, dus elke 3 à 4 uur, met ‘s nachts nog een voeding als de baby zich daarvoor meldt.

Een of twee borsten

Zoals gezegd is borstvoeding geven een kwestie van vraag en aanbod. Hoe vaker er aangelegd wordt, des te beter de borstvoeding gestimuleerd wordt. In principe is het daarom aan te raden de baby elke voeding aan beide borsten te laten drinken. Daarbij is wel van belang dat ten minste één borst helemaal leeggedronken wordt, waardoor de baby ook de wat vettere achtermelk binnenkrijgt, die beter verzadigt. Meldt de baby zich vrij snel na de vorige voeding met honger, bied dan de meest lege borst aan, en geef op de gewone voedingstijd weer de volle borst als eerste.

Nachtvoeding

Rond zes weken na de geboorte ontwikkelt de baby vaak een eerste gevoel voor dag en nacht en kan de nachtvoeding vervallen.

Naar dit gevoel kun je als ouders toewerken door ‘s nachts kort en ‘zakelijk’ te voeden, en licht en geluid heel gedempt te houden, kortom door het voeden in een heel andere stemming te laten verlopen dan overdag. Als de baby laat zien dat hij wel 5 of 6 uur achter elkaar kan slapen, maar toch nog te vroeg, bijvoorbeeld om 5 uur in plaats van om 7 uur wakker wordt, dan zijn er verschillende hulpmiddeltjes om hem het laatste stapje in de goede richting te laten zetten:

  • alleen verschonen en dan weer terugleggen;
  • een flesje met ca. 100 ml venkel- of kamillethee geven. De baby is tevreden omdat hij iets gekregen heeft, maar meldt zich wel binnen 2 uur voor de volgende voeding, waardoor het ritme gehandhaafd blijft;
  • verplaats de wieg van de slaapkamer van de ouders naar de babykamer; vaak verhinderen de ouders, die inmiddels zelf gewend zijn aan een nachtvoeding, door hun gedraai in bed de baby om door te slapen.

Wij raden in ieder geval aan, de eerste ochtendvoeding toch op een vaste tijd te geven, of daarnaar toe te werken, ook al is de nachtvoeding aan het verschuiven van bijvoorbeeld 3 uur ‘s nachts naar 5 uur ‘s ochtends. Het ritme blijft dan in ieder geval gehandhaafd. In de eerste zes maanden is de maximale pauze tussen twee voedingen tien uur.

Huilen van de honger?

Bij het leren kennen van je baby hoort ook het leren inschatten van het huilen. Een hongerhuil, zeker als die zich meerdere voedingen achter elkaar voordoet, is een reden om het ritme even te laten varen en de baby vaker aan te leggen. Eén of twee van deze ‘regeldagen’ met veelvuldig aanleggen zijn meestal voldoende om de borstvoeding weer aan te passen aan de behoefte van de baby. Daarna kan het oude voedingsritme weer opgepakt worden.

Ontlasting

De ontlasting van een zuigeling is de eerste dagen zwart en plakkerig (het zogenaamde meconium ). Daarna is de ontlasting bij baby’s die borstvoeding krijgen meestal zalvig en geel, soms ook groen. Een baby kan zowel zeven luiers per dag vies maken als één luier per week. Alles, kleur en hoeveelheid, valt binnen het normale. Ook de dikte van de ontlasting kan nogal verschillen, maar bij baby’s die borstvoeding krijgen is de ontlasting meestal aan de dunne kant, en wordt nooit echt dik. Het is vrij normaal als een baby na even flink persen helemaal onder de ontlasting zit. Van diarree wordt pas gesproken als de ontlasting waterdun is met enkele vlokjes erin, en vaker dan zes keer per dag komt. Als een baby slechts één of een paar maal per week ontlasting produceert, kan het in de weg gaan zitten en bijvoorbeeld het drinkgedrag nadelig beïnvloeden, terwijl de ontlasting die geproduceerd wordt zelden dik is. Mild laxerende voedingsmiddelen kunnen dan uitkomst bieden. Je kunt als moeder zelf gedroogde pruimen eten of wat sinaasappelsap drinken.

Helpt dit niet, of veroorzaakt het sinaasappelsap krampjes of rode billen bij de baby, geef dan wat van het inweekwater van de gedroogde pruim aan de baby en bespreek het probleem op het consultatiebureau.

Wegen

Meestal wordt direct na de geboorte gewogen en bij twijfel over de groei na één of twee weken nog eens. Richtlijn is dat het geboortegewicht na twee, uiterlijk drie weken weer bereikt is. Ontstaat er in de periode erna een goed voedingsritme, maakt de baby per dag minstens zes flink natte luiers, en is hij tevreden, dan is thuis wegen niet echt meer nodig. Bij het gebruik van wegwerpluiers is het beoordelen van hoe nat ze zijn – zeker als het je eerste kind betreft – lastig. Ga als je twijfelt of de hoeveelheid voeding die de baby binnenkrijgt voldoende is, niet alleen af op de tevredenheid van de baby, maar zeker ook op de weegschaal. Er zijn namelijk baby’s die ook als ze honger hebben weinig van zich laten horen. Ons advies is om twee keer per week de baby bloot te wegen, tot het eerste consultatiebureaubezoek.

Geel zien van de baby

Veel baby’s zien de eerste dagen na de geboorte wat geel door een verhoogd bilirubinegehalte in het lichaam. Dit gaat meestal zonder problemen binnen een paar dagen weer over. Als de baby erg geel ziet en daardoor slaperig is en moeilijk wakker te krijgen, dan moet meteen arts worden overlegd. Het is dan van belang dat het kind in contact komt met het daglicht, bijvoorbeeld door het in de wieg met weggeslagen hemeltje voor het (gesloten) raam te zetten. Verder is het van belang dat het kind veel drinkt. Voed minimaal 8 keer per etmaal, ook al gaat dat soms moeilijk omdat de baby slaperig is. Bijvoeden met water, thee of glucosewater wordt afgeraden. Borstvoeding – en met name de eerste borstvoeding – werkt laxerend, waardoor het bilirubinehoudende meconium uit de darmen snel wordt afgevoerd.

De voeding van de moeder

Drink in totaal ongeveer 1 liter per dag méér dan je gewend bent: kruidenthee, vruchtensap, melk en melkproducten en borstvoedingsthee. Ongeveer 500 ml zuivel per dag is voldoende.

Eet liefst onbespoten voeding, goed gaar gekookte, lichtverteerbare granen, brood, voldoende zuivel, kaas of vlees, noten (amandelen). Vermijd tijdens de eerste zes weken gasvormende of zwaar verteerbare groenten (koolsoorten en prei), scherp gekruide gerechten en citrusvruchten. Na deze periode kun je voorzichtig proberen of de baby deze voedingsmiddelen indirect via de moedermelk goed verdraagt. Als de baby last heeft van krampjes, winderigheid of spugen kan ook gekeken worden of eventuele zwaar verteerbare muesli, zwaar verteerbaar volkorenbrood of roggebrood, rauwkost en hele graankorrels van tarwe, rogge of gerst een tijdje uit de voeding weggelaten moeten worden.

Vermijd alcohol, nicotine (remt de borstvoeding), ijskoude enof koolzuurhoudende dranken. Wees spaarzaam met koffie en zwarte thee.

Raadpleeg bij medicijngebruik altijd even de huisarts.

Enkele praktische tips

  • Heb je de indruk dat de baby geen goede zuigtechniek heeft, of te moe is om te drinken, vraag dan de verpleegkundige om raad. Bij dit soort vragen kunnen ook medewerkers van Borstvoeding Natuurlijk, van La Leche League, of een lactatiekundige goede adviezen geven.
  • Wil je de baby de laatste voeding geven vlak voor je zelf gaat slapen en krijg je hem moeilijk wakker, probeer hem dan slapend aan te leggen. Sommige baby’s kunnen ook slapend drinken!
  • Gebruik alleen water bij het wassen van de tepels, geen zeep.
  • Zorg ervoor dat je warm genoeg gekleed bent en dat vooral de armen goed bedekt zijn, ook tijdens het voeden. Dit helpt ook een borstontsteking voorkomen.
  • Als je last hebt van verstopping, kunnen geweekte gedroogde pruimen meestal zonder bezwaar gegeten worden. Helpt dat niet en drink je echt genoeg (2 liter of meer per dag), vraag dan de arts om raad.
  • Probeer in de periode dat je borstvoeding geeft niet te veel af te vallen. Alle schadelijke stoffen (onder andere PCB’s) die we met onze voeding binnenkrijgen, slaan we op in vet. Wordt er veel vet afgebroken – bij vermageren – dan komen die stoffen direct in de moedermelk terecht.
  • Als je van plan bent buitenshuis te gaan werken, kun je dit het beste tijdig op het consultatiebureau bespreken. Je kunt dan advies vragen over bijvoorbeeld het afkolven van moedermelk – een kunst die geleerd moet worden! Bovendien zal ook de baby een fles moeten leren accepteren. Geef vanaf zes weken éénmaal per één à twee dagen een flesje afgekolfde moedermelk, zodat de baby echt aan de fles gewend is op het moment dat je gaat werken.

 

PROBLEMEN BIJ BORSTVOEDING

Tepelkloven

Tepelkloven ontstaan meestal als gevolg van een slechte aanleg- of zuig-techniek, als gevolg van spruw, en soms door een gevoelige huid van de moeder. Met name spruw is een steeds meer voorkomende, en niet altijd onderkende oorzaak. Roep tijdig de hulp in van de verpleegkundige in plaats van eindeloos zelf proberen met tepelhoedjes en dergelijke.

Aan te raden is vaak en kort te voeden. Stel in geen geval de voeding uit omdat het pijn doet; een baby hoeft namelijk aan een niet zo volle borst minder hard te trekken.

Wrijf na het voeden met schone handen de laatste druppels moedermelk over de tepels, dit kan genezend werken (niet doen als de baby spruw heeft). Zorg ervoor dat de tepels goed droog worden, eventueel door ze te föhnen, en draag zonodig een metalen zeefje zonder steel in de BH, zodat er lucht bij de tepels komt.

Verder bestaan er een hele reeks zalven en tincturen zoals calendula-zalf of mercurialis-zalf of -tinctuur van Weleda of Wala. Het voordeel van tincturen is dat de tepel niet week wordt en de lucht er goed bij kan. Zalven kunnen, mits dun en na de voeding aangebracht, bij droge tepels helpen. Overleg met de verpleegkundige.

Borstontsteking

Als je je grieperig voelt, koorts hebt en het voeden pijn doet, dan heb je waarschijnlijk een beginnende borstontsteking. Een borstontsteking kun je oplopen bij sterke vermoeidheid gecombineerd met kou op de borst, bij tepelkloven, bij een slecht leeggedronken borst, maar ook bij het verminderen van het aantal voedingen, bijvoorbeeld als de nachtvoeding uitvalt. Een borst is nooit helemaal leeg te drinken – je kunt er altijd wel wat melk uitdrukken – maar harde schijven, achtergebleven na het drinken, zijn niet goed. Ga in ieder geval door met voeden in hetzelfde ritme als ervoor, of zelfs iets vaker. Geef zo mogelijk eerst de pijnlijke borst. Mocht dat echter té pijnlijk zijn, of schiet de melk niet toe, geef dan kort de gezonde borst, tot de melk toegeschoten is, en ga daarna over op de pijnlijke borst.

Verdere hulpmiddelen zijn:

  • Douche de borst van te voren heet af, of leg er tijdens het voeden iets warms op, zodat de melk beter stroomt.
  • Leg na elke voeding ca. 30 minuten lang een kwarkkompres op de pijnlijke plek. Besmeer daartoe een gaasje of dunne zakdoek dik met kwark op kamertemperatuur, en vouw de stof dubbel. Maak wanneer de kwark eerder is ingedroogd een nieuw kompresje.
  • In plaats van een kwarkkompres kunnen koolbladeren (van groene of witte kool) licht gekneusd op de pijnlijke plek gelegd worden. Laat de bladeren een aantal uren zitten, op de plek gehouden door de BH.
  • Bel de arts als de koorts na een dag niet weg is. Een borstontsteking is heel goed te behandelen met antroposofische geneesmiddelen zonder dat deze de zogvorming beïnvloeden of schadelijk zijn voor de baby.

Te weinig melk

Als de borsten niet echt vol aanvoelen of er komt in plaats van witte, wat glazige blauwachtige melk uit de borsten, dan wil dat niet zeggen dat de borstvoeding tekortschiet. De samenstelling van de borstvoeding verandert door de maanden heen en de kwaliteit is in principe altijd goed. In de loop van de tijd verdwijnt de stuwing in de borsten als er een goed evenwicht tussen vraag en aanbod is ontstaan. Als de hoeveelheid borstvoeding teweinig is, kun je dat beter aflezen aan het huilgedrag van de baby, het aantal natte luiers per etmaal, enof de gewichtstoename per week.

Oorzaken van te weinig melk kunnen zijn: een slechte aanleg- of zuig-techniek, een gespannen moeder, te veel onrust bij het voeden, te weinig aanleggen, slechts één borst per keer geven, te weinig drinken van de moeder en oververmoeidheid.

Wat te doen? Leg de baby vaker aan, geef telkens beide borsten, zorg voor voldoende rust voor jezelf, en let erop dat je goed eet. Geef er niet te snel een flesvoeding bij, hoe meer en krachtiger de baby zuigt, des te beter de borstvoeding weer op gang zal komen.

Zogvormende middelen zijn: zogthee van Sano of Piramide, of Species lactagogae (thee) van Weleda, olie om de borsten mee in te wrijven (op doktersrecept verkrijgbaar), sleedoornsap of -elixer, amandelen. Mijd peterselie, salie en citroen.

Soms helpt dit allemaal niet, bijvoorbeeld in een druk gezin met meerdere kinderen. Dan geeft pas de acceptatie dat het zo is en de introductie van een flesvoeding ontspanning voor iedereen.

Te veel melk

Als de borsten steeds gestuwd zijn, er een borstontsteking dreigt, of het kind het aanbod aan moedermelk niet kan verwerken, drink dan minder en probeer over te gaan op één borst per keer. Volg bij erge stuwing het koolbladerenadvies op, genoemd bij borstontsteking. Helpt dat niet, vraag dan de verpleegkundige om raad.

FLESVOEDING

De hieronder gegeven adviezen gelden voor een volledige flesvoeding. Als u naast de fles ook nog borstvoeding geeft, kun je door bijvoorbeeld één maal per week de baby voor en na een aantal voedingen te wegen, zien hoeveel de baby per keer uit de borst drinkt. Stem de hoeveelheid flesvoeding hierop af.

Hoeveelheid

De gemiddelde vochtbehoefte per dag tijdens de eerste drie levensmaanden is 150 à 175 ml per kg lichaamsgewicht. Voor een baby van 4 kg is dat dus 600 à 700 ml flesvoeding per dag. Uiteraard wordt deze hoeveelheid langzaam opgebouwd, beginnend op de eerste dag na de geboorte met zes à zeven maal 10 à 15 ml, op de tweede dag zes à zeven maal 20 à 30 ml, enzovoort.

§

Als je gebruik maakt van industriële flesvoeding, volg dan de gebruiksaanwijzing op de verpakking.

Hieronder staat een recept voor flesvoeding op basis van amandelpasta en koemelk. Wanneer er in de naaste familie overgevoeligheid of allergie voor koemei kei wit voorkomt, overleg dan eerst met het consultatiebureau, alvorens een voeding op basis van koemelk aan te bieden.

Als er van industriële flesvoeding overgestapt wordt op zelfbereide flesvoeding, dan moet dat geleidelijk gebeuren door bijvoorbeeld 1 fles per dag te vervangen.

Flesvoeding op basis van amandelpasta 0-3 maanden

Ingrediënten per 100 ml flesvoeding:

  • 2 delen water (65 à 70 ml)
  • 1 deel volle koemelk (30 à 35 ml)
  • 4 g witte amandelpasta
  • 6 g melksuiker

Breng het water aan de kook. Neem de pan van het vuur. Roer met een garde de amandelpasta en de melksuiker door het water zodat deze ingrediënten goed oplossen. Roer de melk erdoor en giet het geheel door een theezeefje zodat eventuele klontjes de speen niet verstoppen. De totale dagportie kan in één keer bereid worden. Koel direct na de bereiding de flessen af onder koud stromend water, en bewaar ze goed afgesloten in de koelkast. Breng voor het voeden de gewenste hoeveelheid op lichaamstemperatuur door de fles ‘au bain marie’ (in een pannetje met warm water of in een flessenwarmer) te verwarmen. Overigens: deze flesvoeding is alleen volwaardig indien er vanaf twee maanden groente en fruit bijgegeven wordt.

Tip: Het is handig éénmaal 1 afgestreken theelepel melksuiker of amandelpasta op bijvoorbeeld een brievenweger af te wegen en die theelepel voortaan als maat te gebruiken.

Het recept van deze flesvoeding blijft gedurende de eerste drie maanden onveranderd. Natuurlijk moet de hoeveelheid wel regelmatig worden aangepast. Vanaf ca. zes weken kan de nachtvoeding vervallen en zijn vijf voedingen voldoende.

Hygiëne

Zeker gedurende het eerste half jaar is het belangrijk een zorgvuldige hygiëne te betrachten bij het schoonmaken van de flessen en het bereiden van de flesvoeding.

Spoel de flessen direct na gebruik met water schoon. Kook de flessen 1 maal per 2 à 3 dagen gedurende 10 minuten in water uit. Spoel ook de speen direct na elke voeding met heet water af en kook hem elke 2 à 3 dagen gedurende 3 minuten in water uit. Bewaar spenen altijd in een afgesloten jampot. Vervang de speen elke zes weken.

Ontlasting

Een baby die flesvoeding krijgt moet in principe elke dag ontlasting hebben, dit in tegenstelling tot een kind dat borstvoeding krijgt. Blijft de ontlasting langer uit, dan kan dit echte verstoppingsproblemen geven. Bespreek dat tijdig op het consultatiebureau, zodat de voeding aangepast kan worden.

BIJVOEDING BIJ FLESVOEDING

Als het kind helemaal geen borstvoeding krijgt, maar zelfbereide flesvoeding op basis van amandelpasta, begin dan met ongeveer twee maanden met wortelsap, eventueel gemengd met appelsap. Vers sap is eenvoudig zelf te maken door een wortel of appel fijn te raspen en het sap er met de bolle kant van een lepel uit te drukken. Ook kun je een gaasje of schone zakdoek nemen en hierop de geraspte wortel en appel leggen. Maak hiervan een buideltje en druk het sap eruit.

Begin met enkele theelepels, eventueel verdund met water en geef dit voor de tweede of derde fles. Later kan dit opgevoerd worden tot maximaal 2 eetlepels per dag. Daarna kan afhankelijk van het seizoen sap van bosbessen, zwarte bessen, rozenbottels of mandarijnen worden ingevoerd. Bosbessensap werkt stoppend.

Geef de bijvoeding altijd op lichaamstemperatuur.

Aandachtspunten

Vitamine K Als je besloten hebt vitamine K te geven dan moet de baby dit gedurende de eerste drie maanden iedere dag krijgen.

 

Inenten Bespreek het thema inenten tijdens het eerste bezoek aan het consultatiebureau zodat je de tijd hebt om een mening te vormen.