Algemene gezichtspunten

In dit hoofdstuk willen we een aantal gezichtspunten geven die voor ons een leidraad vormen bij het kijken naar en omgaan met kleine kinderen. De ontwikkeling van het kind, slapen en waken, de verzorging, spel en speelgoed, veiligheid en voeding zijn de onderwerpen waarop in dit gedeelte inhoudelijk wordt ingegaan. Bij de adviezen per leeftijdsfase vind je deze onderwerpen praktisch uitgewerkt terug.

De ontwikkeling van het kind

Vanaf het moment van de geboorte krijgen de ouders de belangrijke taak, het kind te begeleiden in zijn of haar ontwikkeling. Dit roept veel vragen op. Hoe bereiden wij de toekomst van het kind het beste voor? Moeten wij kinderen al vroeg vertrouwd maken met de elementen van het volwassen leven, zodat ze daar later goed op voorbereid zijn, of juist niet? De antwoorden op deze vragen zullen samenhangen met de visie die je hebt op de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier gaan wij ervan uit, dat hoe meer het lukt een kind zich optimaal te laten ontplooien in een bepaalde fase, des te harmonischer de ontwikkeling zal zijn; ook de ontwikkeling in de toekomst.

Voor de zuigeling en het kleine kind betekent dit, dat wij die omstandigheden moeten scheppen waarin de zuigeling optimaal zuigeling en het kleine kind optimaal klein kind kan zijn.

De eerste ontwikkelingsfase na de geboorte is sterk gericht op de lichamelijke en motorische ontwikkeling van het kind. De groeiontwikkeling in het eerste levensjaar is bij de mens uitzonderlijk: zij draagt nog het karakter van de embryonale groei. De mens maakt buiten de baarmoeder een groeiontwikkeling door, die bij de hogere zoogdieren geheel binnen de baarmoeder wordt doorgemaakt! En als het kind 1 jaar oud is, is zijn ontwikkeling aangeland op een niveau dat vergeleken kan worden met het geboorteniveau van de hogere zoogdieren.

Voor de ontwikkeling van de zuigeling is het gunstig als de leefomstandigheden na de geboorte nog een beetje lijken op de situatie in de baarmoeder. Het gaat vooral om de beschermende omhulling voor het kind. Warmte, geborgenheid en een zekere afscherming tegen omgevingsinvloeden werken gezondmakend. Uiterst belangrijk voor de lichamelijke ontwikkeling van de baby is lichamelijk contact: wiegen, knuffelen of gewoon op de arm houden. Kinderen die dit lichamelijk contact moesten ontberen, groeiden niet goed, ondanks een ‘optimale voeding’. Zulke zuigelingen bleken direct weer te gaan groeien als er zorg en aandacht aan het lichamelijk contact werd besteed. Bevrediging van de behoefte aan lichamelijk contact geeft het kind een basis voor de rest van het leven.

Toch is het bij de mens niet zo, dat een optimale omgeving alléén bepalend is voor de ontwikkeling, leder mens brengt daarnaast zijn eigen ontwikkelingstempo en zijn eigen manier van ontwikkelen mee. Zo zijn er zuigelingen die zich motorisch snel ontwikkelen, zich vroeg en snel oprichten, omrollen, gaan zitten, staan en lopen. Andere kinderen daarentegen lijken tijden ‘stil te staan’ in hun ontwikkeling, slaan dan als het ware een paar stappen over en kunnen bijvoorbeeld plotseling lopen, hoewel ze nooit gekropen hebben. Sommige kinderen maken een snelle spraakontwikkeling door; andere daarentegen blijven lang onverstaanbaar voor de omgeving.

Het is van belang deze eigen ontwikkelingsvorm van een kind goed waar te nemen. Er kan zich een neiging tot een zekere eenzijdigheid in uitdrukken. Zo’n eenzijdigheid, bijvoorbeeld een trage spraakontwikkeling, kan in eerste instantie worden beschouwd als een eigen manier van ontwikkelen van het kind. Pas als een kind een héél sterke eenzijdigheid in de ontwikkeling laat zien, kan sprake zijn van een ontwikkelingsafwijking.

§

Het eerste jaar in de ontwikkelingvan het kleine kind kunnen we dus zien als een voortgezette embryonale fase. In dit eerste levensjaar rijpt het lichaam zo ver, dat het kind er zelf over kan beschikken. Een eenjarige kan gaan en staan waar hij wil, kan zich vrij in de ruimte bewegen. Het kind verovert als het ware zijn eigen fysieke lichaam. Deze ontwikkelingsstap wordt gedragen door een gezonde lichamelijke groei en rijping. Ziekten en ondervoeding vertragen dit proces onmiddellijk. De ontwikkeling op deze leeftijd wordt hoofdzakelijk beïnvloed vanuit het fysieke organisme en de verzorging daarvan.

§

In het eerste levensjaar wordt de basis voor de latere spraakontwikkeling gelegd. Er wordt tegen en met de baby gepraat en er wordt met hem gespeeld. Hij ziet de mimiek die het gesprokene ondersteunt, hij hoort liedjes. Dit alles draagt ertoe bij dat het kind steeds meer vertrouwd raakt met de menselijke taal. Het brabbelen aan het eind van het eerste levensjaar is hiervan het duidelijkste teken.

Na het eerste levensjaar is het kind direct aangewezen op het kunnen nabootsen van hetgeen het gehoord heeft. Het gaat zelf woordjes naspreken, eerst eenlettergrepige woorden, dan woorden met meer lettergrepen. Dan gaat het woorden combineren en tens lotte korte zinnen maken. Zo betreedt het kind een tweede gebied waarin het zich vrij kan bewegen, het gebied van de taal. Door de spraak- en taalbeheersing neemt het kind op zijn wijze deel aan het sociale leven en raakt het in staat zich uit te drukken in het gesproken woord.

§

De volgende ontwikkelingsstap is het moment waarop het kind ‘ik’ gaat zeggen. Voordien benoemde het zichzelf met de eigen naam. Dit kunnen we beschouwen als een uiting van het feit dat het ik van het kind nog niet zo diep verbonden is met het lichaam; het kind ziet zichzelf als het ware van buitenaf, net zoals het de andere mensen ziet.

Als het ik zich dieper gaat verbinden met het lichaam, dan treedt het eerste, nog primitieve zelfbewustzijn op en ervaart het kind zich ‘in zichzelf: het zegt ik, het ervaart een centrum in zichzelf. Door dit proces kan het kind zich ook afgesneden voelen van de wereld om hem heen.

Op de leeftijd van drie à vier jaar heeft het kind als het ware een eerste ontwikkelingscyclus doorgemaakt. Door het leren staan en lopen heeft het een zekere vrijheid in de ruimte verworven, door het leren spreken en begrijpen kan het zich sociaal ontwikkelen en met anderen communiceren. Door de diepere verbinding van het ik met het lichaam treedt het eerste zelfbewustzijn op, dat tot uiting komt als het kind ‘ik’ tegen zichzelf gaat zeggen.

§

Het zelfstandig leren gebruiken van de taal is een belangrijke psychologische ontwikkeling, evenals de individualisering. Een gezonde lichamelijke ontwikkeling blijft hiervoor toch een basisvoorwaarde. Met name de motorische ontwikkeling is belangrijk voor de ontwikkeling van psychische functies later. Spelen met de blokkendoos, eenvoudige balspelletjes, vingerspelletjes, kringspelletjes, kortom alles wat wij met het fysieke organisme van het kind als aangrijpingspunt doen, kan de ontwikkeling ten gunste beïnvloeden.

Van veel betekenis voor de kinderlijke ontwikkeling is het gedrag van de mensen in de directe omgeving van het kind. Een klein kind leert en ontwikkelt zich door de nabootsing van wat het ziet, hoort, voelt, enzovoort. Het kind leert zo lopen, spreken en denken, en neemt in dit leerproces alle details nauwkeurig in zich op – vooral tijdens de eerste drie jaar. Dit onderstreept nog eens het belang van een bewuste vormgeving van ons gedrag en van de materiële omgeving van het kind.

§

De hier beschreven aspecten van de kinderlijke ontwikkeling zijn weliswaar zeer algemeen, maar kunnen toch ons doen en laten rond het kind een richting geven. Centraal staat de zorg voor het lichamelijke proces van groei en rijping. De groei kunnen we meten en wegen; de rijping lezen we af aan de ontwikkeling van de motoriek, de taalbeheersing en de ‘ik’ – geboorte met het ik-zeggen.

Slapen en waken

In de loop van het leven is de slaapbehoefte van een mens aan grote veranderingen onderhevig. Een pasgeborene slaapt vaak 18 tot 20 uur per etmaal, een éénjarig kind 14 uur en een volwassene kan volstaan met 6 à 8 uur. In het eerste levensjaar wordt dus, als het goed is, heel veel geslapen.

We hebben gezien dat twee dingen in dit eerste levensjaar belangrijk zijn: groeien (het gewicht van de zuigeling wordt in één jaar verdriedubbeld) en rijpen. Het groeien gebeurt vooral tijdens de slaap, terwijl het rijpen gestimuleerd wordt tijdens het wakker zijn. Door het gebruik van het lichaam overdag (door te eten, te bewegen, enzovoort) ‘leren’ de verschillende organen als het ware te functioneren. Wat de organen overdag ‘leren’, werkt weer door in de slaap en wordt opgenomen in de groei-activiteit van het lichaam.

Zowel een éénzijdige overheersing van de groei als een overmatige prikkeling tot rijping werken verstorend. Gezond is een evenwicht tussen beide, in een bij de leeftijd passende afwisseling tussen waken en slapen. Rond het eerste levensjaar heeft dit evenwicht zich dan vastgelegd in het functioneren van de organen volgens een bepaald dag/nachtritme – de biologische klok.

Het goed functioneren van dit dag/nachtritme vormt de voorwaarde voor een goede gezondheid en voor een goed kunnen gebruiken van de lichamelijke vermogens. Voor het kleine kind is het dus letterlijk van vitaal belang dat we streven naar een vast ritme in de dag met betrekking tot slapen, waken en eten.

Vaste punten in het kinderleven bevorderen groei en rijping en helpen een gezond slaap/waakritme te laten ontstaan. Te veel indrukken overdag kunnen ervoor zorgen dat het kind niet kan inslapen; een te saai bestaan zonder gezonde uitdaging voor het kind kan echter ook voor inslaapproblemen zorgen, omdat het kind niet moe genoeg is. Een gezond dagritme waarin uitdaging en rust, samen-zijn en alleen-zijn elkaar afwisselen, kan helpen slaapstoornissen te herstellen. Ook kunnen rituelen voor het slapengaan helpen: wiegen, slaapliedjes zingen, het gebruik van muziekdoosjes of een kindergebed zijn in veel gezinnen beproefde gebruiken.

Goed slapen betekent dat een kind zich moet kunnen overgeven, moet kunnen ‘loslaten’. Dit is niet voor ieder kind even gemakkelijk. Het helpt als we het kind een gevoel van geborgenheid geven, bijvoorbeeld in de omhulling van de wieg (eventueel met hemeltje), of tegen de moeder aan. Warmte bevordert een gevoel van welbehagen en brengt ontspanning: een mutsje, een slaapzak, wat druppels lavendelwater op het kussen, of een kruikje kunnen moeilijke inslapers vaak net ‘over de drempel’ helpen. Stevig instoppen geeft zowel een gevoel van geborgenheid als van warmte.

Er zijn echter baby’s die alles wat er om hen heen gebeurt zo gretig opnemen, dat ze het gevoel van moeheid en de behoefte aan slaap actief lijken te onderdrukken. Hoe meer je aan indrukken aanbiedt, des te hongeriger ze worden. Zelf kunnen ze daarin moeilijk de grens aangeven. Steeds meer zien we baby’s die vele uren van de dag, en soms ook van de nacht wakker zijn, en die voortdurend aandacht vragen van de omgeving. Bij deze kinderen is het voor ouders de kunst om te leren waarnemen wanneer ze tekenen van slaap vertonen. Dat het om een kunst gaat, getuigen de vele verhalen hierover; als je het goede moment mist is zo’n kind over de slaap heen, en lijkt het er weer uren tegenaan te willen gaan. Tekenen van slaap zijn: onrustig of druk worden, wegkijken, in de ogen en het gezicht wrijven, warme handjes en rode oortjes, jengelen en huilen. Door direct en steeds op dezelfde manier op deze tekenen van slaap te reageren en de baby in bed te leggen, kan een gezonde behoefte aan slaap ontstaan. Door niet direct in te gaan op elk huiltje, kan een kind leren kleine ongemakken zelf op te lossen. Daarbij is het goed om te weten dat aandacht wakker maakt. Alle extra aandacht en al het ‘buitengewone’ rond het inslapen bewerkstelligen vaak het tegendeel van wat ouders ermee willen bereiken!

Verzorging

BEGRENZING

De geboorte betekent voor het kind een immense verandering. De hele fysiologie van het kind verandert fundamenteel en het ervaart een totaal nieuwe omgeving. Het laat de grenzen van de baarmoeder achter zich en komt ‘grenzenloos’ ter wereld. In de baarmoeder kon het kind een harmonische groei doormaken, afgeschermd van de wereld.

Dit laat zien dat alles wat in wording is, beschermende omhulling nodig heeft. Bij de verzorging van de pasgeborene en eigenlijk gedurende de hele kindertijd brengen we voortdurend deze beschermende omhulling aan en leggen daarmee een stevige basis voor later. Want onbewust zal het kind steeds herinnerd worden aan de toestand van de baarmoeder, waar de ervaring van geborgenheid, veiligheid, bescherming en een oervertrouwen mee samenhangen.

WARMTE

De baarmoeder schermt het embryo niet alleen af van de wereld; zij omgeeft het ook met een gelijkmatige warmte van 37°C. Ook voor het ‘warmtehuis’ is optimaal gezorgd.

Na de geboorte zal het kind, voorlopig met hulp van de volwassenen, moeten leren de lichaamstemperatuur op een constante hoogte te houden en de warme en koude zones van het lichaam op elkaar af te stemmen. Dat gebeurt door een gevoelige stofwisseling die warmte produceert.

Maar ook de normale groei en de ontwikkeling van de gewone lichaamsprocessen zijn afhankelijk van die stofwisseling. Alle warmte die een baby niet zelf hoeft op te brengen om op temperatuur te blijven, komt ten goede aan de groei!

Het kind heeft een lange tijd nodig om te leren zelf de eigen temperatuur te reguleren: het typisch menselijke verschil van 1°C in dag- en nacht-temperatuur wordt bij de meeste kinderen tussen de vijfde en negende maand bereikt. Tot die tijd zijn ze sterk afhankelijk van de extra warmte die aangeboden wordt in de vorm van goede lichaamsverzorging, kleding en kruiken.

Het vermogen om te kunnen onderscheiden of iets koud of warm is, wordt al in de eerste tijd aangelegd. Hoe beter dit vermogen zich heeft kunnen ontwikkelen door een voldoende warmteaanbod in de kindertijd, des te beter kan het kind dat op latere leeftijd gebruiken.

Koude voeten zijn een belangrijk signaal dat de warmteverzorging van het kind extra aandacht nodig heeft. Een baby hoort warme voeten te hebben, warme benen, een warm lijfje en warme armen.

De speciale aandacht voor de warmte heeft nóg een betekenis. De warmte-omhulling helpt het kind om ‘warm te lopen’ voor het leven hier op aarde.

Ons motto is echter niet: hoe warmer, hoe beter, want voortdurend te warm gekleed en toegedekt zijn kan een kind sloom of juist onrustig maken, en een warmtestuwing kan echt gevaarlijk zijn. Uitgebreid onderzoek heeft aangetoond dat er een relatie bestaat tussen warmtestuwing en wiegendood. Met name dekbedden en synthetische materialen kunnen een warmtestuwing veroorzaken. Het gebruik daarvan raden we dan ook ten stelligste af.

Waar het ons inziens om gaat is dat je goed leert waarnemen wat een kind aan warmte nodig heeft, en dat je de signalen leert lezen wanneer er meer of juist minder warmte in de vorm van kleding, beddengoed of omgevingswarmte aangeboden moet worden. De lichaamstemperatuur van het kind is de belangrijkste graadmeter, die schommelt bij een gezond kind rond de 37°C. Je kunt jezelf leren met je handen te temperaturen, zodat je letterlijk leert aanvoelen hoe het met de warmtehuishouding van je kind gesteld is. Neem in de eerste één à twee weken na de geboorte dagelijks de temperatuur op, en voel daarbij ook hoe warm de baby aanvoelt. Neem daarna de proef op de som: voel eerst hoe warm de baby aanvoelt, voorspel daarna zijn temperatuur, en controleer dat nog een paar dagen met de thermometer. Klopt de voorspelling, dan hoeft er daarna alleen nog bij twijfel en ziekte getemperatuurd te worden.

INDRUKKEN

Alles wat wij rondom het kind doen, voelen en denken, komt binnen bij het kind. Het is nog volkomen open en heeft een grenzeloos vertrouwen naar de omgeving toe. De buffer die wij als volwassenen hebben tussen onszelf en de wereld wordt gevormd door het herkennen en begrijpen van die wereld. Een klein kind is daar nog niet toe in staat. Tot ongeveer het derde jaar identificeert het kind zich op een heel natuurlijke wijze met de omgeving waarin het op dat moment leeft. Daarna komt er een fase op gang waarin het denken geleidelijk vastere vormen aanneemt, waardoor het kind zichzelf leert onderscheiden van de buitenwereld. Dan wordt voor het eerst iets eigens tegenover het waargenomene gesteld. In dit licht is het te begrijpen dat mensen hun eerste herinneringen pas hebben vanaf drie jaar, en niet of nauwelijks daarvoor.

Het kind is één en al zintuig. Tot het derde jaar komen alle indrukken ongeremd binnen en verdwijnen in het onderbewuste. Daar worden ze samengevoegd met andere lichaamsprocessen. Er vindt een soort afdruk plaats: het kind boetseert als het ware de omgevingsinvloeden in zijn ‘klei’. Het is dus van belang dat wij ons realiseren wat er in het kind ‘naar binnen’ gaat – ook voor later.

Een voorbeeld: Een kind dat in een bootje op het water zit en daar de deining van het water ervaart, daarbij het zonlicht op zijn huid voelt prikken, de wind door de haren voelt gaan en de lucht van water en vis ruikt, doet gezonde indrukken op, die opbouwend zijn voor het organisme. Heel wat anders is de situatie van het kind dat voor een gulden in een ronddraaiend scheepje wordt gezet, dat voor de winkeldeur van een warenhuis staat opgesteld. Aan beide ervaringen zal het kind plezier beleven, maar ze werken op een heel verschillende manier door in het organisme. Het ‘bootje-op-het-water’verhaal klinkt idyllisch; zo’n ervaring hoort meestal bij een vakantie. Maar ook dicht bij huis kan een kind indrukken opdoen die opbouwend zijn, en die iets van de bovengenoemde kwaliteit hebben.

Positieve, opbouwende indrukken zijn die indrukken waarin de natuurlijke oorsprong van materialen, geluiden, enzovoort, voor het kind waarneembaar is. Voor de oren zijn dat geluiden van mens en dier en natuurgeluiden, zoals het ruisen van de wind. Voor de ogen zijn dat natuurlijke kleuren. Voor de tastzin zijn dat materialen als wol, katoen, zijde, hout, zand en water.

Veel gebruiksvoorwerpen zoals stofzuigers, wasmachines, radio, televisie en plastic speelgoed, zijn ontstaan uit het technisch vernuft van de mens. Voor het kind vormen zij eigenlijk een abstractie, waarmee het de natuurlijke aansluiting mist.

Radio, televisie, computer en plastic speelgoed zijn dingen waarvoor je bewust kunt kiezen of je ze wel of niet in de directe omgeving van het kleine kind wilt hebben. Bij huishoudelijke apparaten kun je erop letten het lawaai in de directe omgeving van de baby te minimaliseren.

Simpele handelingen als een handwasje of het vegen met stoffer en blik in het bijzijn van het kind laten direct zien hoe dingen tot stand komen. Hieraan beleven kinderen veel plezier en het nodigt uit tot nadoen.

Ook de gevoelens van de mensen in de omgeving van het kind hebben hun uitwerking. Het is zonneklaar dat een kind het beste gedijt in een sfeer van echtheid, blijheid en warmte. Dat werkt positief. Maar er is geen enkele ouder die altijd, op elk moment van de dag (en de nacht!) opgewekt en ontspannen is. Deze kwaliteiten zijn wel het nastreven waard, maar op de momenten dat het niet lukt moet je ze nemen voor wat ze zijn, namelijk ook echt, en menselijk. In elk gezin zijn er wel dagen met vierkante wielen, waarbij het ideaalbeeld van het gezellige huisgezin ver te zoeken is. Humor is altijd een goede remedie; het kan een verademing zijn als je om jezelf en de situatie kunt lachen. ‘Kijk mij nou eens tussen die brullende kinderen, die bende, ‘t lijkt wel een Jan, Jans en de kinderenstrip’.

§

De hier besproken behoeften waarmee het kind ter wereld komt, namelijk de behoefte aan begrenzing, warmte en positieve indrukken, doen een groot appèl op de omgeving. Het vraagt van ouders een grondige waarneming en een goed inlevingsvermogen om de juiste maat te vinden: te koud of te warm, te veel indrukken of juist te stil, goed beschermd of te weinig ademruimte?

Vanuit deze blikrichting willen we ingaan op een aantal praktische aspecten van de kinderverzorging.

KLEDING

Kleding is een tweede huid, die onze lichaamshuid ondersteunt in zijn functies. De lichaamshuid draagt bij aan de regulatie van de lichaamstemperatuur en beschermt ons tegen infecties; de huid is bovendien een zintuig waarmee we de omgeving waarnemen. Deze drie functies worden het beste ondersteund door kleding van wol, zijde of katoen.

Wol

Schapenwol beschermt het schaap tegen hitte en kou, regen en giftige afvalstoffen. De kroeskrulletjes houden warme lucht vast rond de huid van het schaap. De wol stoot regen af, afvalstoffen worden met de transpiratie door de wol geabsorbeerd en afgegeven.

Al deze eigenschappen zijn in de wollen kleding terug te vinden. De warmte van de wol behoedt het kind voor een te snelle afkoeling en ondersteunt het instabiele warmteorganisme, dat de warmte om het lichaam nog niet kan vasthouden. Het vochtopnemende vermogen (30 tot 40%) zorgt ervoor dat het kind behaaglijk droog blijft. De kwaliteit van de wol is afhankelijk van de leeftijd van het schaap, het voedsel en de gezondheid van het dier, en ook van de verwerkingsprocessen van de vacht tot kledingstuk.

Er zijn wollen hemdjes verkrijgbaar, die heel fijn gebreid zijn en soepel en zacht om het lijfje sluiten. Wollen truitjes en vestjes moeten ruim zitten, zodat ze gemakkelijk uit en aan te trekken zijn. Luierbroeken zijn goed zelf te breien van bij voorkeur nog wat vettige schapewol; ze zijn ideaal voor wat betreft de vochtopname en de neutralisatie van de afvalstoffen uit de urine: een wonderbroek in het gebruik over de katoenen luier! Een wollen omslagdoek houdt het kind bij temperatuurwisselingen warm. Sokjes van wol houden ook de voetjes uitstekend warm. Wol trekt overigens geen vuil aan en daarom hoeven kledingstukken van wol niet zo vaak gewassen te worden als katoenen kledingstukken, maar ze moeten wel regelmatig worden gelucht.

Zijde

De zijderups spint zijn cocon van zijdedraden. In deze cocon is de rups afgesloten van elke storende invloed van buiten. De zijdesubstantie wordt gemaakt onder invloed van het zonlicht: bij zonsondergang houdt de rups op met spinnen en bij zonsopgang zet zij haar werk voort.

Wanneer wij zijde in onze kleding gebruiken, dan kunnen wij die omhullende eigenschappen ervaren. Bovendien neemt zijde 30% van haar gewicht aan vocht op, zonder nat aan te voelen. Daarnaast houdt zijde warmte vast als het koud is, en staat zij warmte af als het warm is. Daarom wordt zijde vooral ook in de zomer gedragen. Zijde en in het bijzonder tricotzijde is een goede grondstof voor hemdjes, maar het is aan te raden, de baby over het zijden hemdje ook nog een wollen hemdje aan te trekken.

Kinderen die niet tegen wol op de huid kunnen en kinderen die erg gevoelig zijn voor indrukken en daardoor onrustig worden, zijn gebaat bij het dragen van een zijden hemdje.

Katoen

Katoen wordt tegenwoordig veel gebruikt voor kinderkleding, vooral omdat de stof zo goed in de wasmachine gewassen kan worden. Daar moet worden bijgezegd dat er ook veel en vaak gewassen móet worden, omdat katoen snel vuil aantrekt. Katoen kan 20% van het eigen gewicht aan vocht opnemen.

Omdat katoen de warmte niet kan vasthouden en gemakkelijk doorgeeft aan de buitenlucht, is deze stof als huidbedekkende onderkleding niet het hele jaar door de beste keuze voor het kind. Bovendien is de katoenteelt helaas milieu-onvriendelijk en bij de verwerking worden chemische producten gebruikt, onder andere bij het verven. Gelukkig zijn er verschillende eko-katoenprojecten gestart, die een milieuvriendelijke teelt en verwerking voorstaan. Eko-katoen is op vele plaatsen in het land te koop.

§

Wij raden aan de baby ten minste twee laagjes kleding aan te trekken, waarbij het hele lijfje, ook armen, benen en voeten, bedekt zijn. Tussen de twee lagen ontstaat dan een luchtlaagje, dat de warmte vasthoudt. In ons klimaat kan het grootste deel van het jaar een wollen hemdje – of een hemdje van wol en zijde – met lange mouwen gedragen worden.

In de dagelijkse praktijk komen we regelmatig te koud geklede kinderen tegen, die vaak ook onrustig zijn, last hebben van buikkrampen of voortdurend huilen. Het eenvoudige advies om voortaan het kind wat meer en wat omhullender kleertjes aan te trekken, doet al snel wonderen.

DE MUTS

Helaas is de muts in ons land uit de mode geraakt. Kleine kinderen hebben in verhouding tot de rest van hun lijf een enorm groot en vaak ook nog kaal hoofd. Het hoofd straalt voortdurend warmte uit, die eigenlijk behouden zou moeten blijven voor de ontwikkeling van de hersenen en de organen. Een zijden mutsje houdt enerzijds de warmte bij het kind en beschut anderzijds het hoofdje met de open fontanellen tegen eventuele onrust uit de omgeving. Het is wel belangrijk dat het voorhoofd vrij is, omdat dit lichaamsdeel als een soort thermostaat werkt voor de warmte-organisatie. Vooral in ons land, waar het vaak waait, kan buiten een tweede mutsje van wol nodig zijn. Er zijn prachtige modellen te koop of zelf te breien, waarvan het materiaal zo zacht is, dat ze als een tweede huidje zitten.

WIKKELEN

Vanuit de behoefte aan begrenzing valt te begrijpen waarom veel baby’s, maar ook grotere kinderen, zo rustig worden en goed inslapen als ze stevig ingestopt zijn, of als ze een wikkeldoek of een trappelzak om hebben.

Meestal krijgen baby’s tijdens de kraamtijd nog een flanellen wikkeldoek om, maar die verdwijnt daarna vaak, om plaats te maken voor een boxpakje. Wij raden aan om de wikkeldoek wel te blijven gebruiken in de eerste zes tot acht weken, en die stevig om het boxpakje te wikkelen voordat de baby in bed wordt gelegd (zie de tekening). Omdat de baby nog met gebogen armpjes en beentjes ligt, moet het ook in deze houding ingewikkeld worden. Dit versterkt het gevoel van geborgenheid. Zo kan het kind ontspannen en warm gaan slapen. Maar let erop dat de baby ook weer niet té warm is ingepakt.

De wollen doek kan buiten de wieg dienst doen als dekentje tijdens het voeden. Voldoet de wollen doek niet meer, neem dan een (wollen) trappelzak voor in bed en stop het kindje stevig in met een lakentje.

INBAKEREN

Kinderen die ondanks een wikkeldoek of een trappelzak onrustig blijven en moeite houden met inslapen, of baby’s die niet in een goed drink/slaap-ritme komen, kunnen gebaat zijn bij het ouderwetse inbakeren, waarbij ook de armen ingepakt worden zodat het kind er niet meer mee kan maaien. Dat maaien is vaak een reactie op huilen, krampjes of ergens van schrikken, maar veroorzaakt, doordat het volstrekt onwillekeurig gebeurt, opnieuw onrust. Inbakeren is een hulp om uit deze vicieuze cirkel te komen. Het echte inbakeren moet volgens strenge voorschriften gebeuren en geleerd worden onder deskundige begeleiding. Overleg op het consultatiebureau. In de literatuuropgave worden boekjes genoemd die dieper op het inbakeren ingaan.

DE WIEG

De wieg is een waardige opvolger van het allerkleinste huisje waarin het kind voor de geboorte leefde. Er kan gekozen worden voor een rieten of een houten (schommel)wieg, of voor een kinderbedje. Dit laatste moet vanwege veiligheidsoverwegingen kleiner opgemaakt worden, zodat de baby met de voeten aan het voeteneind ligt. Het hoofdje ligt dan halverwege. Stop de deken zo in dat het hoofdje vrij ligt en de schouders toegedekt zijn. Een hemeltje over de wieg of het kinderbed maakt de ruimte intiemer, waardoor het kind niet afgeleid wordt door de omgeving, en rustiger kan slapen. Voor het hemeltje zijn effen stoffen in zachte tinten het meest geschikt. De matras moet volkomen vlak zijn, een goede tegendruk geven, goed ventileren en warm zijn. Een matras van kapok, katoen of een ander natuurlijk materiaal heeft onze voorkeur.

Op de matras kan nog een schapenvacht worden gelegd; zo’n vacht is zacht en geeft een weldadige warmte af, waardoor de pasgeborene behoed wordt voor een te snelle afkoeling. Zorg ervoor dat de schapenvacht niet te groot is en zonder plooien op het matrasje ligt. Leg een onderlakentje over de schapenvacht heen. Het beddengoed moet van katoen en wol zijn; gebruik geen synthetische materialen. Gebruik lakentjes en dekentjes die zo groot zijn, dat de baby er stevig mee ingestopt kan worden. De vacht en het matrasje moeten regelmatig worden gelucht. Zeker bij het gebruik van een wolwikkel of een wollen luierbroek kunnen er onder het matrasje vochtplekken ontstaan. Gebruik zonodig een zeiltje. Er zijn met rubber geïmpregneerde katoenen zeiltjes in de handel, die niet klam aanvoelen. Het gebruik van dekbedjes, ook van wol, raden wij af in verband met verstikkingsgevaar en een schapenvacht mag nooit worden gebruikt wanneer een kindje ingewikkeld of ingebakerd is.

Als de wieg bij het raam staat, let dan op mogelijke oververhitting door de zon. Een baby kan het snel veel te warm krijgen in een kamertje waar de kachel aanstaat en waar de zon volop op het raam schijnt.

DE BOX

Tot vier maanden is het nog niet echt nodig een box in huis te halen. Toch is het fijn om als de baby beneden is, een veilig plekje voor hem te hebben. Een rieten mand met zachte bekleding of de bak van de kinderwagen voldoen goed.

Een maxi-cosy of een wipstoeltje raden wij voor veelvuldig gebruik niet aan. In een maxi-cosy kan de baby niet anders dan passief liggen – voor heel even niet zo bezwaarlijk, maar voor langere duur is het schadelijk voor de lichamelijke ontwikkeling.

Aan het gebruik van een wipstoeltje kleeft dit bezwaar niet zo, maar er is wel een ander bezwaar: als de baby ontdekt dat hij het stoeltje met één been tot jutteren kan brengen, kan hij hier vaak niet meer mee ophouden, ook al wordt hij moe van deze mechanische beweging.

Als de baby gericht gaat pakken en ook motorisch actiever wordt, is het tijd voor de box. Afgezien van het feit dat het een veilige ruimte is voor een kind, ook om te leren zitten en staan, is het vaak ook een geliefde plek om tot rust te komen en ongestoord te spelen. Een boxkleed langs drie kanten van de box versterkt het gevoel van beschutting. Belangrijk voor de motorische ontwikkeling is, dat de ondergrond stevig en niet glad is (bijvoorbeeld een dubbelgevouwen kleed), zodat het kind kan omrollen en zich kan afzetten.

LOOPSTOELTJES EN BABYBOUNCERS

Het gebruik van loopstoeltjes en babybouncers raden we met klem af. Het zijn ‘hulp’middelen die de motorische ontwikkeling van het kind onnatuurlijk versnellen. Kinderen vinden deze dingen best spannend – vooral als ze snel vooruitkomen – en willen er steeds vaker in. Een kind kan echter veel beter op eigen kracht leren staan en lopen. In die zin vormen loopstoeltjes en babybouncers geen hulpmiddelen voor een gezonde ontwikkeling, maar staan zij een gezonde ontwikkeling eerder in de weg.

KINDERWAGEN EN DRAAGDOEK

De kinderwagen kan een veilig en beschut plekje worden, waar de baby de eerste maanden buiten in kan slapen. Om te wandelen is een draagdoek vaak een beter alternatief, omdat de baby dan zachtjes meedeint met het wandelritme van de volwassene en niet zo door elkaar geschud wordt als in de kinderwagen, die stoep-op stoep-af gaat. In een draagdoek ligt het kind in een natuurlijke houding.

Een waarschuwende opmerking is hierbij wel op zijn plaats. Het is namelijk gebleken dat een kind, met name als het onder de jas wordt gedragen, het te warm en benauwd kan krijgen. Helaas zijn hiervan een aantal voorbeelden met fatale afloop bekend. Wij raden aan het kind in de draagdoek steeds goed in de gaten te houden, en het, waar mogelijk, niet ónder, maar óp de jas te dragen, met zo nodig nog een wollen doek om het kind heen.

Het nadeel van een draagzak waarin de baby rechtop hangt, is dat het kind zich deze houding nog niet zelf veroverd heeft – in die zin is de draagzak tot een leeftijd van negen maanden niet aan de leeftijd aangepast.

Als de baby de leeftijd heeft voor een wandelwagen, dan is een model waarbij het gezicht van de baby naar de ouder toegekeerd is voor de baby het prettigst. Het kind heeft dan voortdurend het geruststellende gezicht van de vader of moeder voor zich en kan als het ware aan dat gezicht aflezen wat die grote wereld te vertellen heeft.

Spel en speelgoed

Het pasgeboren kind staat in een heel bijzondere verhouding tot de hem omringende wereld. In eerste instantie zijn kind en wereld nog één en werken alle indrukken uit die wereld diep in op het organisme van het kind. Dit geldt voor de voeding die het kind krijgt, maar ook voor indrukken als een omhullende arm, het wiegen of de tonen die gezongen worden.

Verder kunnen we waarnemen dat eigenlijk alles wat het kind doet spelenderwijs gaat. De hele ontdekkingsreis naar het eigen lichaam gebeurt met groot doorzettingsvermogen en met grote vreugde. Het kind ziet en ontdekt bijvoorbeeld zijn handjes en brengt ze naar elkaar toe. Hoewel dit eerst nog ongecontroleerde bewegingen zijn, oefent het kind deze coördinatie van oog en hand keer op keer. Het plezier waarmee het dat doet straalt je tegemoet.

§

In het eerste levensjaar is er nog heel weinig speelgoed nodig, eigenlijk niet meer dan wat de huishouding biedt aan veilige en mooie vormen, en dat wat eenvoudig zelf te maken is; hoe minder voorwerpen we in de omgeving van het kind leggen, hoe grondiger dat wat er is wordt beetgepakt, besabbeld en uiteindelijk beter begrepen. Als het kind veel speelgoed om zich heen heeft kan het niet kiezen; de aandacht voor de wereld, interesse en oplettendheid kunnen juist worden geoefend wanneer het kind weinig om zich heen heeft. Ook achtergrondmuziek kan beter vermeden worden. Het leidt het kind af bij het luisteren naar wat de eigen bezigheden aan geluid voortbrengen.

Elk voorwerp zou eenvoudig en simpel moeten zijn, zodat het nog iets overlaat voor de fantasie van het kind. Een autootje dat in elk detail af is, heeft de creativiteit van het kind weinig te bieden. Een stukje hout daarentegen kan het ene moment gebruikt worden als een auto, en het volgende moment kan het een stoeltje, een slee, een huis of een bruggetje zijn. Hoe meer mogelijkheden het speelgoed in zich heeft, hoe vrijer het kind ermee kan omgaan.

We zouden onze aandacht niet alleen moeten richten op de veiligheid van het materiaal, maar we zouden ons ook moeten afvragen of het kind er verschillende ervaringen mee kan opdoen. Een stukje hout, waar de zwaarte van te ervaren is en waar met de vingertoppen de nerf van gevolgd kan worden, laat iets heel anders zien dan een stoffen knuffel. Felle kleuren en starre karikaturale vormen houden de blik van het kind gevangen, de ogen worden dwangmatig naar het voorwerp toegetrokken en een vrije, speelse aandacht is niet meer mogelijk – bij de televisie is dit in extreme mate het geval.

Een afwisseling tussen alléén spelen en samen spelen is zinvol. Aan de ene kant is het voor de ontwikkeling een groot goed wanneer het kind alléén leert spelen en in alle rust eigen ervaringen kan opdoen. Anderzijds beleven ouder en kind samen veel plezier aan bijvoorbeeld schootspelletjes, blokjes geven en nemen, enzovoort. In het praktische gedeelte van dit boek wordt hier nog verder op ingegaan.

Spelen is een onontbeerlijk element in het leven van een kind. We kunnen hier aan de woorden van Schiller denken: ‘…de mens speelt alleen daar, waar hij in de ware zin van het woord mens is, en hij is alleen dan ten volle mens, als hij speelt.’

Veiligheid

De veiligheid van het kind is heel belangrijk in de opvoeding. Met veiligheidsmaatregelen in en om het huis kun je als ouders veel gevaarlijke situaties voorkomen, maar niet alle.

Het in de gaten houden van het kind, weten waar het is en wat het doet, is de tweede belangrijke factor bij de veiligheid in huis.

De derde factor is de opvoeding van het kind. Je kunt je kind opvoeden tot veilig gedrag door het zelf oog te laten krijgen voor gevaarlijke situaties, door het allerlei vaardigheden (traplopen, fietsen, enzovoort) goed te leren en door gehoorzaamheid te verlangen, vooral als het gaat om veiligheid. Deze derde factor, de opvoeding in verband met de veiligheid, speelt in het eerste levensjaar overigens nog nauwelijks een rol. Veiligheidsmaatregelen in en om het huis worden in het praktische gedeelte besproken. Wij hebben voor de adviezen in dit boekje dankbaar gebruik gemaakt van het materiaal van de Stichting Consument en Veiligheid; daar kun je ook terecht voor meer informatie.

Veel kinderen leren iets nieuws op het moment dat je het nog niet echt verwacht. Opeens blijken ze te kunnen rollen of staan in hun bedje. Wees die situaties voor en zorg tijdig voor de juiste veiligheidsmaatregelen. De beschrijving van de opeenvolgende psychomotorische vaardigheden kunnen hierbij wat houvast geven.

Het gedrag van de ouders draagt ook bij aan de al dan niet veilige omgeving van het kind. Een duidelijke orde in huis, duidelijke gewoonten, een goede veiligheidsroutine (bijvoorbeeld altijd de dop van de kruik controleren) en heldere afspraken – ook met broertjes en zusjes – vergroten de veiligheid. Toch blijft het de kunst om hieraan ook in onverwachte situaties (opeens bezoek, telefoon, enzovoort) vast te houden.

In de gaten houden – dat betekent in de eerste maanden vooral: de baby niet alleen laten op de commode en weten of broertjes, zusjes of huisdieren in de buurt van het kind zijn. Vanaf het moment dat het kind gaat kruipen, staan en lopen is het steeds belangrijker het in het oog te houden, omdat de ruimte waarin het kind zich beweegt steeds groter wordt.

Voeding

Een mens moet elke dag eten en drinken om te kunnen leven. Voeding is een héél fundamenteel en, als het goed is, vreugdevol aspect van het leven en zeker van de eerste levensjaren. Het kind moet namelijk, stapje voor stapje, leren verteren. Door het verteren van voedsel ontwikkelt het spijsverteringsstelsel zich. Juist bij het kleine kind wordt zichtbaar dat ‘je voeden’ betekent: het ontmoeten van de wereld en je ermee uiteenzetten, en wel zodanig, dat het voedsel kan worden opgenomen en tot ‘eigen’ substantie kan worden gemaakt.

VOEDINGSKWALITEIT

Van nature heeft het kind de aanleg om heel veel natuurlijke producten te leren verteren. Wanneer dit leerproces te weinig tijd krijgt, wanneer de bereiding niet aangepast is aan de leeftijd van het kind, of wanneer bijvoorbeeld onnatuurlijke stoffen zoals kleur- en smaakstoffen in de voeding worden aangeboden, kan het verteringsproces ontregeld raken en kunnen er stoornissen ontstaan. Voedselovergevoeligheid is daar een voorbeeld van. Veel stoornissen kunnen zich gelukkig herstellen, maar het verdient aanbeveling in de kindervoeding altijd zo weinig mogelijk producten met kunstmatige toevoegingen te gebruiken.

Een ander aspect is de voedingskwaliteit van de producten zelf. Doordat in onze tijd iedereen weet van calorieën en koolhydraten, eiwitten en vetten zijn, vergeten we gemakkelijk dat het van oorsprong levende substanties zijn die ons voeden.

De voedingskwaliteit hangt niet alleen samen met de samenstelling van een product, maar ook met de vitaliteit ervan. Dit hangt weer samen met de wijze waarop het levende product heeft kunnen groeien en zich heeft kunnen ontwikkelen. Vitaliteit gedijt niet bij haast en ook de vitaliteit van een voedingsgewas gedijt het beste bij een harmonische ontwikkeling, zonderde kunstmest die de groei sterk versnelt. Meteen harmonische ontwikkeling neemt ook de vatbaarheid voor ziekten en plagen af, zodat minder bestrijdingsmiddelen nodig zijn.

Producten van biologische en biologisch-dynamische teelt voldoen aan de voorwaarden van teelt zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen. De biologisch-dynamische teelt besteedt daarnaast veel aandacht aan het bevorderen van de vitaliteit van bodem en gewassen, door middel van onder andere het gebruik van speciale ‘preparaten’. Biologisch en biologisch-dynamisch geteelde producten verdienen dan ook de voorkeur in de voeding. Je kunt ze herkennen aan respectievelijk het Eko- en het Demeter-kwaliteitsmerk. Producten die deze keurmerken dragen, zijn in steeds meer winkels verkrijgbaar. In de natuurvoedingswinkel zijn ze in ieder geval te koop. Om praktische redenen staan in dit boek de merknamen van verschillende producten vermeld, in de hoop de lezer snel wegwijs te maken.

§

Bij de onderstaande voedingsadviezen valt het wellicht op dat er veel aandacht wordt besteed aan granen. In de westerse voedingsgewoonten neemt de aardappel een belangrijke plaats in, naast vlees. Een voeding met verschillende granen zoals rijst, gierst, haver en ook boekweit (dat overigens geen graan is), aangevuld met zuivel, biedt wat betreft de voedingsstoffen een even volwaardige voeding als aardappels en vlees. Daarbij hebben granen onze voorkeur, omdat het bijzonder harmonische voedingsgewassen zijn, die een sterke relatie hebben met het licht en met de zonnewarmte. Voor de voeding zijn dit zeer belangrijke factoren. Ook tegen de achtergrond van de milieuproblematiek zijn granen te verkiezen, omdat de teelt relatief minder milieubelastend is dan de aardappelteelt. Een volwaardige voeding bestaat wat ons betreft bij voorkeur uit graanproducten in combinatie met zuivel, noten, verse groenten en fruit, alles van biologische of biologisch-dynamische teelt. Hier groeit het kleine kind uiteraard langzaam naartoe, waarbij de volgende richtlijnen de grote lijn aangeven.

Op het consultatiebureau worden de voedingsadviezen afgestemd op het individuele kind èn op de wensen en mogelijkheden van de ouders. Immers, eten verdient het om een genoegen te zijn. Een gezonde vertering wordt bevorderd als er met smaak gegeten wordt in een ontspannen, gezellige sfeer.

VOEDINGSLIJN

De ontwikkeling die een kind in het eerste jaar doormaakt is groots. Van een liggende, slapende zuigeling ontwikkelt het zich in een jaar tot een wakkere, in de box staande peuter. Deze ontwikkeling wordt weerspiegeld in de voeding.

Aanvankelijk is eten en drinken nog één – alle voeding is vloeibaar en wordt gezogen in de vorm van borstvoeding of flesvoeding. In de loop van het eerste half jaar komt daar bijvoeding bij: gepureerde groenten en fruit, gevoerd met een lepeltje. In het tweede half jaar worden deze hapjes gevarieerder en steviger doordat er granen aan toegevoegd worden. Ook doet het bordje pap, als vervanging van borst- of flesvoeding, z’n intrede.

Aan het eind van het eerste levensjaar wordt eten dan echt eten en drinken echt drinken. Was de groentehap lange tijd dik-vloeibaar en gepureerd, nu is het meestal een stevig geprakt hapje. De eerste boterham wordt verorberd, met naast het bordje een beker drinken: voorwaar geen gering verschil met het begin.

BORSTVOEDING

Wij adviseren altijd – wanneer dat ook maar enigszins mogelijk is – de eerste maanden borstvoeding te geven, ook al gaat de moeder weer werken en kan zij maar kort voeden. Gezien de grote voordelen van borstvoeding is alle moedermelk die de baby krijgt meegenomen. Zo is de melk die tijdens de eerste dagen na de geboorte gevormd wordt, het zogenaamde colostrum, door haar rijkdom aan afweerstoffen en vitaminen door geen enkele flesvoeding te evenaren.

Ook in de volgende maanden blijft de moedermelk de baby tegen infecties beschermen. Borstvoeding is de meest aangepaste voeding voor de nog in ontwikkeling zijnde spijsverteringsorganen van het kind. Daarom ook wordt bij kinderen die een vergrote kans hebben op allergie of bij wie allergie geconstateerd is, met klem borstvoeding geadviseerd gedurende tenminste 8 maanden. Kinderen die borstvoeding krijgen, hebben zelden een overgewicht. Bovendien helpt borstvoeding bij het totstandkomen van een bijzondere band tussen moeder en kind.

§

Borstvoeding heeft dus vele voordelen. Zijn er ook nadelen? Als nadeel van borstvoeding zou je kunnen noemen dat het je als moeder veel energie kost. Je geeft heel veel weg. Sommige moeders merken daar amper wat van, andere voelen zich na een aantal maanden voeden uitgeput – letterlijk leeggezogen. Goed eten en veel drinken zijn belangrijk, maar niet afdoende. Rust, en af en toe wat tijd voor jezelf nemen is minstens even belangrijk. Weliswaar kom je als ouders zelden zonder slaaptekort de eerste maanden door, toch kun je er zelf voor zorgen dat dit tekort niet te veel oploopt door ‘s middags even te gaan rusten en eventueel door wat hulp te vragen in je omgeving.

Tijd voor jezelf hebben lijkt, zeker als er meer kinderen zijn, een nog minder haalbare kaart. Maar als je echt het belang hiervan inziet, zijn een paar uurtjes per week, waarin je kunt doen wat je fijn vindt, vaak wel te organiseren. Bij de praktische adviezen per levensfase wordt uitvoerig ingegaan op de praktische kanten van borstvoeding.

Hoe lang borstvoeding?

Stoppen met borstvoeding blijkt vaak een moeilijk en emotioneel moment te zijn. Waarom een moeder stopt is heel verschillend. Soms geeft het kind aan geen behoefte meer aan de borst te hebben, bijvoorbeeld als het al veel ander voedsel krijgt. Vaak ook is het de moeder die wil stoppen, vanwege haar baan of omdat het voeden moeilijk gaat of veel energie kost, of omdat ze het gewoon een goed moment vindt voor haar en voor het kind. Veel moeders stoppen in een vroeg stadium, vaak ook omdat ze te weinig hulp of bemoediging vanuit de omgeving krijgen. Dat is jammer, en blijft een punt van zorg voor de consultatiebureaus. Bij sommige moeders gaat het voeden zo goed, en geniet het kind er zo van, dat ze er wel eindeloos mee door kunnen gaan, soms tot ver na het eerste jaar. Kijkend naar het kind en naar zijn ontwikkeling hebben wij de indruk dat het geven van borstvoeding na het eerste jaar niet meer aansluit bij de fase waarin het kind zich dan bevindt. Wat betreft de mondmotoriek en de ontwikkeling van het gebit is het belangrijk voor een kind om vanaf ongeveer vijf maanden te wennen aan het eten van een lepeltje en het doorslikken en later ook kauwen van wat dikker en grover voedsel. Met negen maanden is een kind vaak zo ver dat het een boterham kan eten; zuigvoeding (zowel fles- als borstvoeding) past dan niet meer bij de nieuw verworven mondmotoriek.

Daarnaast maakt een kind een motorische ontwikkeling door die loopt van volledige afhankelijkheid in de eerste maanden tot het er zelf op uit kunnen gaan op het moment dat het kan gaan kruipen en lopen. Daarmee laat een kind letterlijk zien dat het zich al wat losmaakt van de moeder, en ons inziens sluit het stoppen met borstvoeding daar goed bij aan.

Wordt er langer dan een jaar gevoed, dan wordt het kind zich al veel bewuster van alles, dus ook van de borst waar melk uit komt en waar je lekker aan kunt zuigen. Daarnaast laat een kind van die leeftijd toenemend zijn eigen wil zien, en sommige kinderen kunnen dan zeer dwingend de borst gaan opeisen.

Bij een heel grote kans op allergie wordt overigens geadviseerd de eerste zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven.

FLESVOEDING

Als er geen borstvoeding gegeven wordt, of als alle maatregelen die genomen kunnen worden om de borstvoeding te stimuleren niet of onvoldoende helpen, moet de baby flesvoeding krijgen. Pap van een bordje geven als vervanging van borstvoeding kan in de eerste maanden nog niet, omdat dat nog te zwaar verteerbaar is en de zuigbehoefte van de baby nog te groot is.

Er bestaan vele soorten flesvoeding; we geven hier een globaal overzicht, en zetten de voor- en nadelen van de verschillende voedingen op een rijtje. Overigens verandert er veel op voedingsgebied, en is overleg op het consultatiebureau altijd zinvol.

§

We maken een onderscheid tussen industriële flesvoeding en zelfbereide flesvoeding.

Industriële flesvoeding, ook wel volledige zuigelingenvoeding genoemd, is zo samengesteld, dat de baby tot zes maanden niet bijgevoed hoeft te worden. Er bestaat ook een biologische volledige zuigelingenvoeding van het merk Biobim, die hieronder wat uitvoeriger besproken wordt.

De zelfbereide flesvoeding wordt gemaakt van verdunde koemelk, waaraan amandelpasta, melksuiker en op den duur meel wordt toegevoegd. Als deze flesvoeding de borstvoeding geheel vervangt, dan moet al in een vroeg stadium, namelijk rond de twee maanden, met bijvoeding in de vorm van fruit en groente worden begonnen.

Voor- en nadelen

Industriële flesvoeding heeft als voordeel dat het een compleet product is dat in het algemeen goed verdragen wordt en makkelijk te bereiden is.

Een nadeel is dat het een industrieel product is, en dus niet met verse ingrediënten bereid wordt, en bovendien door de vele bewerkingen die de grondstoffen ondergaan veel verder verwijderd is van de natuurlijke oorsprong dan zelfbereide voeding. Als ouders liever geen vitamine K of vitamine D aan hun kind willen geven, is het nadeel van deze volledige zuigelingenvoeding dat deze vitaminen standaard aan deze voeding toegevoegd zijn.

Wat nadelig kan werken, is dat volledige flesvoeding een zo volwaardig product is, dat soms te lang gewacht wordt met het opstarten van bijvoeding. Vanaf zes maanden sluit de voeding niet meer geheel aan bij de voedingsbehoeften van het kind en moet aangevuld worden met ten minste groente en fruit en eventueel granen. Ons advies is eerder met deze bijvoeding te beginnen omdat gebleken is dat kinderen met zes of zeven maanden veel minder geneigd zijn om wat dikkere voeding van een lepeltje te leren eten dan in de periode ervoor.

In dit boek gaan we niet dieper in op de verschillende soorten niet-biologische flesvoeding. Er is een groot assortiment ‘gewone’ gehumaniseerde flesvoeding te koop, en er is specifieke flesvoeding voor kinderen met voedingsproblemen op de markt. Met name deze laatste voeding kan bij bijvoorbeeld koemelk-eiwitallergieën uitkomst bieden. Overleg op het consultatiebureau is dan wel nodig.

Er is een belangrijk onderscheid tussen biologische en niet-biologische industriële zuigelingenvoeding. Zoals de aanduiding al zegt is de biologische flesvoeding (Biobim Lac) op basis van biologische koemelk vervaardigd, en dat is, zeker voor baby’s, een groot voordeel. Verder is er aan deze flesvoeding naast vitamine K wat minder vitamine D toegevoegd dan aan de niet-biologische flesvoeding, waardoor de keuzemogelijkheid gedeeltelijk open blijft om de hoeveelheid vitamine D aan te passen aan het seizoen, en bijvoorbeeld alleen tijdens de wintermaanden wat extra te geven. Overleg met het consultatiebureau is daarbij geboden.

De eerder genoemde nadelen van de niet-biologische voeding wat betreft de bewerking, gelden ook voor de biologische voeding.

Vanaf 1999 geldt binnen de EU de verplichting om aan alle producten die als ‘babyvoeding’ verkocht worden, vitamine B1 toe te voegen. Aangezien biologische babyvoeding over het algemeen rijker is aan vitamine B1 dan gangbare babyvoeding, en naar onze mening een gevarieerde voeding van goede kwaliteit voldoende vitamine B1 bevat, juichen wij deze EU-verordening niet toe. De toevoeging van vitamine B1 moet vermeld worden op de verpakking. Voor enkele producten zal (nog) een tijdelijke ontheffing van kracht zijn. Kijk op de verpakking of er wel of niet vitamine B1 is toegevoegd.

§

Zowel voor de biologische als voor de niet-biologische zuigelingenvoeding is er een ‘opvolgmelk’ in de handel. Deze wordt voor kinderen vanaf zes maanden aanbevolen omdat koemelk, ook de verdunde, te rijk aan mineralen en te arm aan ijzer zou zijn. Ons inziens kunnen gezonde kinderen vanaf zes maanden (verdunde) koemelk goed verdragen, en levert een gevarieerde voeding bereid van volwaardige ingrediënten voldoende ijzer, ook als het kind vegetarische voeding krijgt. Voor kinderen met verteringsproblemen of voor kinderen die achterblijven in de groei kan opvolgmelk wel een goed alternatief zijn.

Een minder bekende industriële flesvoeding die we ten slotte willen noemen is de volledige zuigelingenvoeding van Nanny, op basis van geitenmelk. Het blijkt dat kinderen met verteringsproblemen en kinderen die overgevoelig zijn voor koemelk deze voeding vaak goed verdragen.

§

Zelfbereide flesvoeding heeft als voordeel dat ouders de fles met producten van biologische of biologisch-dynamische herkomst kunnen bereiden. Verder zijn vitamine K en vitamine D niet standaard toegevoegd, waardoor ook deze keuze openblijft. De bereiding vraagt iets meer tijd dan industriële flesvoeding.

Een nadeel is dat er op relatief jonge leeftijd met bijvoeding in de vorm van groente en fruit begonnen moet worden. Vooral voor kinderen die moeite hebben met verteren of bij wie een allergieprobleem speelt, is zelfbereide flesvoeding niet geschikt.

§

Zelfbereide flesvoeding op basis van amandelpasta Er is in de receptuur van deze flesvoeding naar gestreefd de samenstelling en de voedingswaarde van moedermelk zoveel mogelijk te benaderen, en er is rekening gehouden met de verteringsmogelijkheid van het kind. Daartoe wordt de koemelk bij de flesvoeding tot vier maanden sterk verdund en worden koolhydraten (in de vorm van melksuiker) en eiwitten en vetten (in de vorm van amandelpasta) aan de flesvoeding toegevoegd.

Voor de zuigeling ouder dan vier maanden wordt de melk minder verdund en wordt er wat meel en olie aan de fles toegevoegd. Gekookte melk is zwaarder verteerbaar dan ongekookte, gepasteuriseerde melk.

De verdunning van de melk is dan als volgt:

  • 0-4 maanden: 1 deel volle melk op 2 delen water
  • 4-6 maanden: 1 deel volle melk op 1 deel water
  • 6-8 maanden: 2 delen volle melk op 1 deel water
  • v.a. 8 maanden: onverdund

Er wordt gekozen voor de amandel als toevoeging aan de flesvoeding omdat deze licht verteerbaar is, zich goed laat mengen en lekker smaakt. Andere noten zijn wat dat betreft minder geschikt. Bovendien is de amandel rijk aan vetten, eiwitten en spoorelementen, die een goede aanvulling vormen op de verdunde melk in de flesvoeding. Flesvoeding op basis van amandelpasta komt oorspronkelijk uit Duitsland. In een universiteitskliniek zijn daar goede ervaringen mee opgedaan. Recepten voor deze flesvoeding zijn bij de praktische adviezen per leeftijdsfase te vinden.

Wij raden af de zelfbereide flesvoeding met onbehandelde geitenmelk in plaats van koemelk te bereiden, vanwege het lage gehalte aan foliumzuur in geitenmelk. Aan de geitenmelk van Nanny is extra foliumzuur toegevoegd.

BIJVOEDING

Als het kind borstvoeding of industriële flesvoeding krijgt, is pas vanaf zes maanden bijvoeding écht nodig. Toch adviseren wij om al eerder met bijvoeding te beginnen, tenzij er een groot risico op allergie bestaat. Vanaf vier à vijf maanden krijgt het kind steeds meer interesse in de wereld en wil het deze wereld leren kennen. Met het geven van groente en fruit wordt aan deze behoefte tegemoetgekomen. Ook het gevoerd worden met een lepeltje is een nieuwe ervaring.

Om het kind goed te leren proeven en om de vertering de kans te geven zich te ontwikkelen, is het ‘t beste elke nieuwe groente- of fruitsoort een aantal dagen achter elkaar te geven.

Als het kind gewend is, kan een nieuwe soort uitgeprobeerd worden. Vervolgens kan afgewisseld worden of kunnen twee groenten gecombineerd worden.

Onze voorkeur gaat uit naar groente- en fruitsoorten van het seizoen, zoveel mogelijk van de volle grond en van biologische of biologisch-dynamische teelt. Gebruik zo weinig mogelijk kasproducten.

Groenten en fruit

Bij het kiezen van groenten is het goed om rekening te houden met het feit dat planten uit drie ‘gedeelten’ bestaan, namelijk het wortelgedeelte, het stengelbladgedeelte en het bloemvruchtgedeelte. Een harmonieuze voeding laat afwisselend, of in combinatie, deze drie gebieden aan bod komen. Bij de voedingsgewassen staat meestal één van deze drie gebieden op de voorgrond. Fruit vertegenwoordigt vanzelfsprekend het bloem/vruchtgebied.

wortel blad/stengel bloem/vrucht
bospeen, winterwortel, rode biet, topinamboer, pastinaak bloemkool, spinazie, andijvie, veldsia, winterpostelein, raapstelen, venkel, koolrabi, stoofsla, paksoy, broccoli, pompoen, courgette, fijne doperwtjes, sperziebonen, snijbonen, peultjes, fruit

In het praktische deel van dit boek wordt aangegeven wanneer een groente- of fruitsoort geïntroduceerd kan worden.

Nitraten

In veel groenten – vooral bladgroenten – komt van nature de stof nitraat voor. Omdat in het lichaam nitraat gedeeltelijk omgezet wordt in nitriet en nitrosaminen, en deze stoffen de gezondheid kunnen schaden, is het verstandig rekening te houden met het nitraatgehalte van de verschillende groentesoorten, vooral bij heel jonge zuigelingen. Volwassenen lopen veel minder risico.

Het nitraatgehalte in de groente wordt beïnvloed door de teeltwijze. Het gebruik van (kunst)mest alsmede de teelt in de kas, buiten het seizoen, verhogen het nitraatgehalte. Biologisch en biologisch-dynamisch geteelde groentesoorten bevatten over het algemeen minder nitraat dan gangbaar geteelde groente. Het is niet nodig om alle nitraat-houdende groenten uit de voeding te weren. Er zou dan slechts een beperkt groente-aanbod overblijven, terwijl met een aantal maatregelen het nitraataanbod in de voeding van de baby toch laag gehouden kan worden:

  • koop zoveel mogelijk biologisch of biologisch-dynamisch geteelde seizoengroenten en gebruik alleen verse producten
  • geef geen nitraatrijke groente voordat het kind zes maanden is
  • voeg nitraatrijke groente niet vaker dan tweemaal per week aan het groentehapje toe
  • kook nitraatrijke groente zo kort mogelijk (dit geldt niet voor bietjes) en gooi het kookvocht weg. Warm de groente nooit voor de tweede maal op.

Nitraatarme groenten zijn: bloemkool, broccoli, pompoen, pastinaak, topinamboer, winterwortel en bospeen, fijne doperwtjes, sperziebonen, snijbonen, courgette, peultjes.

Nitraatrijke groenten zijn: andijvie (matig nitraatrijk), (stoof)sla, winter-postelein, raapstelen, rode biet, spinazie, (veld)sla, venkel, koolrabi.

Granen

Granen zijn zaden van planten waarin de drie hoofdgebieden heel harmonieus vertegenwoordigd zijn. Granen wortelen sterk, hebben een goed ontwikkeld stengelgebied en een rijke vrucht/zaadvorming; de vruchten rijpen in de volle zon. Dit voedingsgewas is goed te combineren met de al genoemde groenten.

Vanaf zes à zeven maanden worden granen in de vorm van vlokken of meelsoorten aan het groente- en fruithapje toegevoegd. Aan de zelfbereide flesvoeding worden al eerder granen in de vorm van meel toegevoegd. Tot zes à zeven maanden worden granen gegeven die géén gluten bevatten, omdat sommige kinderen gluteneiwit niet goed verdragen. Glutenvrij zijn: rijst, maïs en de graanverwantegewassen boekweiten qui-noa. Gierst bevat een gluten-identieke stof, maar dit graan wordt meestal goed verdragen.

Na zes à zeven maanden worden haver, gerst en tarwe geleidelijk geïntroduceerd; deze granen bevatten wèl gluten. Rogge wordt pas na enkele jaren gegeven.

De granen worden door malen, pletten, inweken, koken en nawellen verteerbaar gemaakt. Een deel gebeurt in de fabriek, bijvoorbeeld het malen of het pletten van graan tot vlokken, of het verwerken van granen tot instant-producten. De rest moet thuis, in de keuken worden gedaan. Het is belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt in verband met de nog beperkte verteringsmogelijkheden van het kleine kind. In het praktische gedeelte worden hiervoor verdere aanwijzingen gegeven.

Aardappelen, peulvruchten, vlees en eieren

Wij adviseren deze levensmiddelen voor deze leeftijd te vermijden. Ook zonder aardappelen, peulvruchten, vlees en eieren is een goede, evenwichtige voeding samen te stellen. Door de zetmeel kwaliteit (aardappel) of door de eitwitkwaliteit (peulvruchten, vlees en ei) werken deze voedingsmiddelen sterk, maar naar onze mening niet in positieve zin in op de ontwikkeling van het kleine kind.’

Zoeten

Moedermelk is van nature zoet. Kennelijk heeft een kind aanvankelijk zoet nodig om te kunnen groeien en gedijen. Veel ouders geven hun kind liever helemaal geen zoet – ook niet via de fles – uit angst dat het kind te veel aan zoet went. Dit is inderdaad een veel voorkomend probleem: kinderen die werkelijk verzot zijn op zoet snoep, zoet beleg, zoete toetjes, enzovoort, wat een grote aanslag op hun gebit en hun gezondheid betekent. De angst voor zoetgewenning in het eerste jaar is echter niet gerechtvaardigd als gebruik gemaakt wordt van zoetmiddelen die niet te sterk zoeten.

In de voedingsadviezen in het praktische gedeelte worden alleen de zelfbereide flesvoeding en de pap gezoet. Alle bijvoeding kan ongezoet gegeven worden. Voor de eerste maanden komt melksuiker in aanmerking, later kan er gekozen worden uit moutproducten (gerstemoutstroop, rijstmoutstroop), ahornsiroop of oersuiker.

Zout en kruiden

In het eerste jaar mag geen zout aan de voeding worden toegevoegd. De zouten die bijvoorbeeld koemelk van nature bevat zijn voldoende; meer zou de baby niet kunnen verdragen. Ook worden er nog geen tuinkruiden aan het voedsel toegevoegd. Voor de smaak van het kind is de ontdekkingstocht langs alle nieuwe voedingsmiddelen al intensief genoeg.

Verwarmen

In het eerste levensjaar worden alle flessen en hapjes op lichaamstemperatuur gegeven. De groenten en de granen worden altijd gekookt. Door de groenten te stomen in plaats van in water te koken blijft de voedingswaarde beter behouden. Gebruik daarvoor een rijststomer of een metalen mandje dat je in een afgesloten pan met een bodempje kokend water zet. Rauwkost is pas na het eerste jaar aan de orde. Met koken wordt de voeding in de meeste gevallen licht verteerbaar; voor koemelk geldt dit echter niet, die moet in het eerste levensjaar niet verder dan tot lichaamstemperatuur worden verwarmd. Flessenmelk, ook biologisch-dynamische melk, is gepasteuriseerd. Pasteuriseren maakt de melk kiemvrij, een eerste vereiste voor babyvoeding, maar beïnvloedt de verteerbaarheid niet.

Bij fruit is koken, afgezien van het allereerste begin, niet nodig. Bij het rijpen heeft het fruit al zoveel zonnewarmte opgenomen, dat de baby het fruit ongekookt ook goed kan verteren.

Kook de hapjes in een pan met een dikke bodem, het voedsel wordt dan geleidelijk en regelmatig gaar, wat de kwaliteit en de smaak ten goede komt.

Opwarmen in de magnetron is af te raden, evenals het geven van voeding die uit de diepvries komt. Zowel magnetron als diepvries voegen een kwaliteit aan de voeding toe, die het kleine kind zeer wezensvreemd is.

Pureren

Tot acht à negen maanden wordt de bijvoeding gepureerd. Daarna, meestal gelijktijdig met de introductie van brood, kan er grover gepureerd worden of, als de groente of het fruit daarvoor geschikt is, geprakt.

§

De roerzeef heeft voor het fijnmaken onze voorkeur, omdat deze pureert en bovendien de voor het kind moeilijk verteerbare delen uit de voeding zeeft. Staafmixers of keukenmachines doen dat niet, die pureren alleen. De moeilijk verteerbare vezels van sommige groenten of graanvlokken komen dan ook, zij het heel fijn gemaakt, in de babyvoeding terecht. Een tweede nadeel van staafmixers en keukenmachines is dat het eten erg fijn gemalen wordt. De baby went hieraan en kan op de leeftijd van negen maanden en daarna soms moeilijk de iets grovere voeding accepteren. Als laatste bezwaar willen we noemen dat de staafmixer ook lucht in het eten klopt, hetgeen bij sommige kinderen gasvorming en darmkrampen kan veroorzaken.