De reuzenschepen die de vijfde bemande reis naar Jupiter zouden gaan maken, waren al meer dan een jaar onder constructie in een baan om de Maan. Behalve het commandoschip namen zes vrachtschepen, die allemaal in staat waren om dertigduizend ton aan voorraden en uitrusting te vervoeren, geleidelijk vorm aan hoog boven het Maanoppervlak. Tijdens de laatste twee maanden voor het geplande vertrek werd de zwevende wirwar van machinerie, materialen, containers, voertuigen, tanks, kisten, vaten en nog duizend andere zaken van geassorteerde ingenieurskunst die rond het schip hingen als enorme kerstboomversieringen, langzaam door de schepen geabsorbeerd.

De Vega oppervlaktependels, verre-ruimtekruisers en andere vaartuigen die ook voor de missie waren bestemd, begonnen tijdens een periode van verscheidene weken te arriveren om zich bij hun respectievelijke moederschepen te voegen. Gedurende de laatste week verlieten de vrachtschepen met tussenpozen de baan om de Maan en zetten koers naar Jupiter. Tegen de tijd dat de passagiers en de definitieve bemanning aangevoerd werden vanaf het Maanoppervlak, was alleen het commandoschip nog over, dat eenzaam in de ruimte hing. Toen het uur van vertrek naderde, trok de zwerm onderhoudsschepen en begeleidende satellieten zich terug en een schare escorteschepen verzamelde zich op een paar kilometer afstand terwijl camera's via de Maan live uitzonden naar het Wereldnieuwsnet.

Toen de laatste minuten voorbijtikten, was op een miljoen beeldschermen de ontzagwekkende, twee kilometer lange vorm zichtbaar die bijna onmerkbaar tegen de achtergrond van de sterren zweefde; de sereniteit van het tafereel scheen op de een of andere manier te waarschuwen voor de onvoorstelbare krachten die ontketend gingen worden. Precies op het schema voltooiden de vluchtleidingscomputers hun laatste aftellings controle, kregen een startbevestiging van de grondleidings hoofdprocessor en activeerden de thermonucleaire hoofdaandrijving met een flits die op Aarde zichtbaar was.

De Jupiter Vijf was op weg.

In het daaropvolgende kwartier won het schip aan snelheid en hoogte in steeds verder boven elkaar liggende banen. Toen schudde de Jupiter Vijf de remmende aantrekkingskracht van de Maan moeiteloos van zich af, scheerde weg en begon aan het inhalen en bijeenscharen van zijn zwerm vrachtschepen die nu al over anderhalf miljoen kilometer ruimte waren verspreid. Na een tijdje keerden de escorteschepen terug naar de Maan terwijl de nieuwsschermen op Aarde een gestaag kleiner wordend lichtpuntje vertoonden dat gevolgd werd door telescopen in een baan om de planeet. Al gauw was zelfs dat verdwenen en waren alleen de lange-afstandsradars en laserverbindingen nog over om hun elektronische uitwisselingen voort te zetten over de steeds breder wordende kloof.

Aan boord van het commandoschip keken Hunt en de andere ~-geleerden naar het wandscherm in mess vierentwintig toe terwijl de minuten verstreken en de Maan slonk tot een schijf die die van de Aarde, daarachter, gedeeltelijk verduisterde. Gedurende de daaropvolgende dagen werden de twee bollen kleiner en smolten samen tot een enkele vlek van licht die afstak tegen de hemel en de route markeerde die ze hadden afgelegd. Toen de dagen weken werden, kromp zelfs dat tot het nog maar een stofje was tussen een miljoen andere en na ongeveer een maand konden ze het slechts met moeite onderscheiden.

Hunt merkte dat er tijd voor nodig was om zich aan te passen aan het idee dat hij leefde als deel van een nietige, door mensenhanden gemaakte wereld terwijl het heelal zich aan alle kanten uitstrekte tot de oneindigheid en de afstand tussen hem en alles dat vertrouwd was elke seconde met meer dan vijftien kilometer toenam. Nu was hun overleving volkomen afhankelijk van de bekwaamheid van degenen die het schip hadden ontworpen en gebouwd. De groene heuvels en blauwe luchten van de Aarde waren geen overlevingsfactoren meer en leken sommige van hun tastbare eigenschappen kwijt te raken, bijna net als de nawerking van een droom die echt had geleken. Hunt begon de werkelijkheid te zien als een relatieve kwantiteit - niet iets absoluuts dat een tijdje achtergelaten kan worden en waar je dan weer naar kunt terugkeren. Het schip werd de enige realiteit; het waren de dingen die hij achter had gelaten die tijdelijk ophielden te bestaan.

Hij bracht uren door in de uitzichtkoepels langs de buitenste romp en schikte zich langzaam in het feit dat er een nieuwe dimensie was toegevoegd aan zijn bestaan, en hij staarde naar het enige vertrouwde ding dat er nog was: de zon. Hij putte geruststelling uit de eeuwige aanwezigheid van de zon, met haar onbeperkte vloed van leven schenkende warmte en licht. Hunt dacht aan de eerste zeelui die zich nooit uit het zicht van het land hadden gewaagd; zij hadden ook iets vertrouwds nodig gehad om zich aan vast te klampen. Maar binnen afzienbare tijd zou de mens zijn steven op de lege kloof richten en zich in de ruimten tussen de sterrennevels storten. Dan zou er geen zon zijn om hen gerust te stellen, er zouden helemaal geen sterren zijn; zelfs de melkwegstelsels waren dan niet meer dan flauwe vlekjes die verspreid lagen tot in de oneindigheid.

Wat voor vreemde nieuwe continenten lagen er te wachten aan de andere kant van die kloof?

Danchekker bracht een van zijn ontspanningsperioden door in een zwaartekrachtloos gedeelte van het schip en keek naar een partijtje 3-n-voetbal dat gespeeld werd door twee ploegen van bemanningsleden die geen dienst hadden. Het spel was gebaseerd op Amerikaans voetbal en vond plaats in een enorme bol van doorzichtig, rubberachtig plastic. De spelers sprongen op en neer en in alle richtingen, kaatsten van de wand en van elkaar in een prachtige knokpartij die erop gericht was - vaagjes - om de bal door twee ronde doelen te werken aan weerskanten van de bol. In werkelijkheid was het allemaal niet meer dan een excuus om stoom af te blazen en spieren te spannen die slap begonnen te worden op de lange, eentonige reis.

Een steward tikte de geleerde op zijn schouder en zei dat er een gesprek voor hem was in de videocel buiten het recreatiedek. Danchekker knikte, maakte de veiligheidslus van zijn gordel los van de bevestigingspin die aan de stoel zat, klikte hem vast rond de handreling en met een moeiteloze ruk liet hij zich sierlijk naar de deur zweven. Hij werd begroet door het gezicht van Hunt die zich op een halve kilometer afstand van hem bevond.

'Dr. Hunt,' groette hij. `Goedemorgen - of wat het op het moment ook mag zijn in dit vervloekte geval.'

`Hallo, professor,' antwoordde Hunt. `Ik heb eens nagedacht over de Ganymeden. Er zijn een paar dingen waar ik uw mening over zou willen horen; zouden we ergens samen een stukje kunnen gaan eten, zeg binnen het komende half uur of zo?'

`Uitstekend. Waar had u gedacht?'

`Nou, ik ben nu op weg naar het restaurant in sector E.

Daar blijf ik wel een tijdje.'

`Ik ben over een paar minuten bij u.' Danchekker schakelde het scherm uit, stapte uit de cel en trok zich weer de gang in en daardoor naar een ingang van een van de dwarsschachten die `omlaag' liepen naar de as van het schip. Met gebruikmaking van de handreling zweefde hij een stuk naar het midden voor hij stopte bij een uitgang uit de schacht. Hij kwam via een overstapsluis in een van de draaiende sectoren met gesimuleerde zwaartekracht, op een punt bij de middenas waar het snelheidsdifferentieel klein was. Hij zette zich weer in tegenovergestelde richting af langs een andere reling en voelde hoe zijn snelheid zachtjes toenam tot hij tien meter verder op zijn voeten terechtkwam op een deel van de structuur dat plotseling de vloer was geworden. Normaal lopend volgde hij enkele bordjes naar de dichtstbijzijnde ingang van de transportbuis, drukte op de oproepknop en wachtte ongeveer twintig seconden tot er een capsule arriveerde. Toen hij was ingestapt, tikte hij zijn bestemming uit en een paar seconden later schoot hij soepel door de buis naar sector E van het schip.

Het permanent geopende zelfbedieningsrestaurant zat ongeveer halfvol. Het gebruikelijke gekletter van bestek en aardewerk golfde uit de keukens die zich achter een uiteinde van het buffet bevonden, waar een drietal VNx-koks royale porties uitdeelden van het gevarieerde culinaire aanbod, dat liep van VNx-eieren en VNx-bonen tot VNx-kippepoten en ~-biefstukken. Op de Jupiter Vier was geexperimenteerd met automatische voedsel voorzieners met doe-het-zelf microgolfovens, maar die waren niet in de smaak gevallen bij de bemanning. Dus hadden de ontwerpers van de Jupiter Vijf teruggegrepen naar de goede ouderwetse methodes.

Met hun dienblad in de hand zochten Hunt en Danchekker een weg tussen eters, kaartspelers en luidruchtige debatgroepen en ontdekten een lege tafel bij de tegenoverliggende muur. Ze gingen zitten en begonnen hun borden op tafel uit te stallen.

`Dus u heeft nagedacht over onze Ganymese vrienden,' merkte Danchekker op terwijl hij een broodje begon te smeren.

`Zij en de Lunariers,' antwoordde Hunt. `Mij bevalt in het bijzonder uw idee dat de Lunariers op Minerva geevolueerd zijn uit Aardse diersoorten die de Ganymeden hebben geimporteerd. Dat is de enige opvatting die aanvaardbaar verklaart waarom er geen sporen van een beschaving zijn ontdekt op Aarde. Al die pogingen die de mensen doen om aan te tonen dat het anders zou kunnen zijn, overtuigen me niet erg.'

'Ik vind het erg prettig dat u dat zegt,' verkondigde Danchekker. 'Het probleem is echter om het te bewijzen.'

'Daar heb ik nou juist over nagedacht. Misschien is dat niet nodig.'

Danchekker keek op en tuurde hem vragend aan over zijn bril. Hij zag er geintrigeerd uit. 'Werkelijk? Hoe, als ik vragen mag?'

'Het is een groot probleem om iets te weten te komen over wat er op Minerva gebeurd is omdat we er vrij zeker van zijn dat de planeet alleen nog maar bestaat als een miljoen stukken rots die door het hele zonnestelsel zijn verspreid. Maar de Lunariers zaten niet met dat probleem.

Bij hen bestond hij nog uit een stuk en ze woonden erop.

Bovendien hadden ze een vergevorderde wetenschappelijke kennis ontwikkeld. Wat moeten ze tijdens hun onderzoek dus ontdekt hebben - in ieder geval ten dele?'

Er verscheen een begrijpende blik in Danchekkers ogen.

'Aha!' riep hij meteen uit. 'Ik snap het. Als de Ganymese beschaving eerst had gebloeid op Minerva, dan hadden de Lunarische geleerden dat toch zeker moeten afleiden.' Hij zweeg en fronste zijn voorhoofd. 'Maar daar komt u niet erg veel verder mee, dr. Hunt. U kunt net zomin Lunarische wetenschappelijke archieven raadplegen als de planeet weer in elkaar zetten.' 'Nee, daar hebt u gelijk in,' stemde Hunt met hem in.

'We hebben geen gedetailleerde Lunarische wetenschappelijke dossiers - maar we hebben wel die microstip bibliotheek. De teksten die hij bevat zijn wel vrij algemeen van onderwerp, maar ik moest toch denken dat, als de Lunariers hadden ontdekt dat een vergevorderd ras hen was voorgegaan, dat belangrijk en opwindend nieuws zou zijn, iets waar iedereen van zou weten; u hoeft alleen maar te kijken naar de beroering die Charlie heeft opgewekt op Aarde. Misschien bevonden zich in al hun teksten wel verwijzingen die op die kennis duidden - als we maar wisten hoe we het moesten lezen.' Hij zweeg even om een mondvol worst door te slikken. `Dus een van de dingen die ik de laatste weken heb gedaan was het uitkammen van alles wat we ter beschikking hadden om te kijken of er misschien iets is dat op iets dergelijks wijst. Ik verwachtte niet veel sterke bewijzen te vinden - alleen genoeg om met een beetje meer vertrouwen te kunnen zeggen dat we denken dat we weten over welke planeet we het hebben.'

'En heeft u veel ontdekt?' Danchekker leek geinteresseerd.

'Verscheidene dingen,' antwoordde Hunt. 'Om te beginnen zijn door hun hele taal vaste uitdrukkingen verspreid die verwijzen naar de Reuzen. Uitdrukkingen zoals "Zo oud als de reuzen" of "In het jaar van de reuzen"... zoals wij misschien zouden zeggen: "In het jaar nul." Ergens anders staat er een stuk dat begint met: "Lang geleden, zelfs nog voor de tijd van de Reuzen"... Zo zijn er een hoop dingen. Als je ze vanuit dit oogpunt bekijkt, dan passen ze opeens allemaal in elkaar.' Hunt zweeg even om de professor de tijd te gunnen over die punten na te denken en hervatte toen: 'Bovendien worden er ook in een andere context verwijzingen gemaakt naar de Reuzen, een die op supermachten of grote kennis duidt - bij voorbeeld: "Begaafd met de wijsheid van de Reuzen." Begrijpt u wat ik bedoel - die uitdrukkingen wijzen erop dat de Lunariers vermoedden dat er in het verre verleden een ras van reuzenwezens had bestaan - en waarschijnlijk een ras dat technologisch heel ver was.'

Danchekker kauwde een tijdje zwijgend op zijn eten.

'Ik wil niet al te sceptisch klinken,' zei hij uiteindelijk, 'maar dit lijkt me allemaal nogal speculatief. Het zou best kunnen dat het niet meer zijn dan verwijzingen naar mythische scheppingen - zoals onze eigen helden uit de folklore.'

'Dat is ook bij me opgekomen,' gaf Hunt toe. 'Maar toen ik erover nadacht betwijfelde ik het toch. De Lunariers waren het toppunt van zakelijkheid - ze hadden geen tijd voor romantiek, religie, geestelijke zaken of iets dergelijks.

De enige mensen die hen konden helpen in de situatie waarin ze verkeerden waren zijzelf, en dat wisten ze. Ze konden zich de luxe en het zelfbedrog niet veroorloven om goden, helden en Sinterklazen te verzinnen om hun problemen voor hen op te lossen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Ik geloof niet dat de Lunariers legenden bedacht hebben over die Reuzen. Dat zou helemaal niet bij hun aard hebben gepast.'

'Prima,' stemde Danchekker met hem in en begon weer aan zijn maaltijd. 'De Lunariers waren op de hoogte van het vroegere bestaan van de Ganymeden. Maar ik geloof dat u meer dan dat in uw hoofd had toen u me belde.'

'U heeft gelijk,' zei Hunt. 'Toen ik de teksten aan het doorwerken was, heb ik nog wat andere dingetjes verzameld die meer op uw terrein liggen.'

'Gaat u verder.'

'Nou, als we nu eens even aannemen dat de Ganymeden inderdaad die hele dierentuin naar Minerva hebben verscheept, dan zouden de Lunarische biologen het toch later ontzettend moeilijk moeten hebben gehad om alles wat zich om hen heen bevond een beetje te verklaren, of niet?

Ik bedoel, met twee verschillende diergroepen op hun wereld die niets met elkaar te maken hadden - en als we daarbij bedenken dat ze niet konden weten wat wij weten over Aardse diersoorten...'

'Het zou zelfs nog erger zijn geweest,' vulde Danchekker aan. 'Ze zouden in staat zijn geweest om de autochtone Minervische soorten helemaal terug te volgen naar hun oorsprong; de geimporteerde types zouden echter maar zo'n vijfentwintig miljoen jaar teruggaan in het verleden. Voor die tijd zou er geen enkel spoor te vinden zijn geweest van een voorouder waarvan zij zouden kunnen afstammen.'

'Dat is precies een van de dingen die ik u wilde vragen,' zei Hunt. Hij leunde voorover en steunde met zijn ellebogen op de tafel. 'Stel dat u een Lunarische bioloog was.

Wat voor soort beeld zou u zich dan hebben gevormd?'

Danchekker hield op met kauwen en dacht lange tijd na. Zijn ogen staarden ver voorbij de plek waar Hunt zat.

Na een poos schudde hij langzaam zijn hoofd.

'Dat is een erg moeilijke vraag om te beantwoorden. In zo'n situatie zou je, neem ik aan, kunnen gissen dat de Ganymeden diersoorten van buiten de planeet hadden ingevoerd. Maar aan de andere kant, dat is wat een bioloog van de Aarde zou denken; hij zou geconditioneerd zijn om een ononderbroken opeenvolging van fossielen te verwachten die zich uitstrekte over honderden miljoenen jaren.

Een Lunarier, die niet zo geconditioneerd was, zou het ontbreken van een complete opeenvolging misschien helemaal niet als abnormaal zien. Als dat een deel was van de gevestigde orde van zaken in de wereld waarin hij was opgegroeid...'

Danchekkers stem stierf eventjes weg. 'Als ik een Lunarier was,' zei hij plotseling gedecideerd, 'dan zou ik wat ik zag zC/ verklaren: het leven begon in het verre verleden op Minerva, evolueerde door middel van het erkende proces van mutatie en selectie en vertakte zich tot vele verschillende vormen. Ongeveer vijfentwintig miljoen jaar geleden deed zich een ongewoon hevige reeks mutaties voor gedurende een korte tijd, waar een nieuwe familie wezens uit voortkwam die qua structuur radicaal verschilden van alles wat daarvoor had bestaan. Deze familie vertakte zich en produceerde zijn eigen verscheidenheid aan soorten die naast de oudere soorten leefden en culmineerden in het ontstaan van de Lunariers zelf. Ja, op die manier zou ik de nieuwe verschijningen verklaren. Het is soortgelijk aan de verschijning van de insecten op Aarde - een hele familie op zichzelf die structureel verschillend is van al het andere.' Hij dacht er nog even over na en knikte toen beslist.

'Vergeleken met een dergelijke verklaring zouden suggesties van een gedwongen interplanetaire migratie zeker bijzonder vergezocht klinken.'

'Ik hoopte al dat u iets dergelijks zou zeggen.' Hunt knikte tevreden. 'En dat is inderdaad vrijwel hetzelfde als wat ze schijnen te hebben geloofd. Het wordt niet nadrukkelijk gesteld in wat ik heb gelezen, maar losse dingetjes uit verschillende stukken komen daarop neer. Maar daar is ook iets raars aan.'

'O ja?'

'Op verschillende plaatsen komt er een vreemd woord voor dat geen direct Engels equivalent heeft; het betekent iets tussen "mensachtig" en "aan de mens verwant". Ze gebruiken het om veel diersoorten te beschrijven.'

`Waarschijnlijk de dieren die afstamden van de geimporteerde soorten en die aan henzelf verwant waren,' opperde Danchekker.

'Ja, precies. Maar ze gebruikten hetzelfde woord ook in een volslagen andere context - dan betekende het "aan land", "aan wal"... alles wat met het vaste land te maken had. Waarom zou een woord nou synoniem worden voor twee zulke verschillende betekenissen?'

Danchekker hield weer op met eten en fronste zijn voorhoofd.

'Ik zou het echt niet weten. Is het belangrijk?'

'Ik wist het ook niet, en ik geloof van wel. Ik heb dit grondig gecheckt met de linguisten, en het komt op iets heel merkwaardigs neer: "mensachtig" en "vasteland" werden op Minerva synoniem omdat ze inderdaad hetzelfde betekenden. Alle landdieren op Minerva waren nieuwe soorten. We hebben het woord terrestoide bedacht om ze in het Engels te beschrijven.'

'Allemaal? Bedoelt u dat er in Charlies tijd geen enkele autochtone Minervische soort meer over was?' Danchekker klonk verbaasd.

'Dat geloven we - in ieder geval niet op het land. Er was een complete fossielenreeks tot en met de Ganymeden, maar daarna niets meer - alleen nog terrestoiden.'

'En in de zee?'

'Daar lag het anders. Daar zetten de oude Minervische soorten zich voort - vandaar uw vissen.'

Danchekker staarde Hunt aan met een uitdrukking die bijna onverholen ongeloof verried.

'Buitengewoon!' riep hij uit.

De arm van de professor was plotseling verstijfd en hield een vork in de lucht waar een halve gebakken aardappel op geprikt zat. 'Bedoelt u dat al het autochtone Minervische landleven verdwenen is - zomaar?'

'Nou, in ieder geval gedurende een vrij korte periode.

We hebben ons al een lange tijd afgevraagd wat er gebeurd is met de Ganymeden. Nu ziet het ernaar uit dat de vraag in nog algemenere termen gesteld moet worden: wat is er gebeurd met de Ganymeden en al hun op het land levende verwanten?'

Eenentwintig.

Weken lang debatteerden de twee geleerden over het mysterie van de plotselinge verdwijning van de autochtone Minervische landbewoners. Een natuurramp sloten ze uit op grond van het feit dat zoiets ook de terrestoide soorten vernietigd zou hebben. Dat was ook van toepassing op klimatologische catastrofes.

Ze overwogen een tijdje de mogelijkheid van een epidemie, veroorzaakt door samen met de immigrantendieren ingevoerde micro-organismen waar de autochtone soorten geen overgeerfde, ingebouwde immuniteit tegen hadden.

Uiteindelijk wezen ze dit idee om twee redenen als onwaarschijnlijk van de hand; ten eerste was een epidemie die hevig genoeg van uitwerking was om elke diersoort uit te roeien van een aantal dat in de miljoenen moest hebben gelopen moeilijk voor te stellen; ten tweede wees alle informatie die ze tot dusver van Ganymedes hadden ontvangen erop dat de Ganymeden een aanzienlijke voorsprong hadden gehad op zowel de Lunariers als de mensheid op het gebied van technische kennis - zo'n blunder zouden ze zeker nooit hebben gemaakt. In een variatie op dit thema veronderstelden ze dat er een bacteriologische oorlog was uitgebroken die was geescaleerd en uit de hand gelopen. De twee vorige bezwaren telden hier minder zwaar als ze in deze context werden gezien; uiteindelijk werd dit als een mogelijke verklaring aanvaard. Dan was er nog maar een andere mogelijkheid over: een of andere chemische verandering in de atmosfeer waaraan de autochtone soorten zich niet hadden kunnen aanpassen, maar de terrestoiden wel. Maar wat voor verandering?

Terwijl het voor en tegen van deze alternatieven nog steeds werd afgewogen op de Jupiter Vijf, ontving men via de laserverbinding met de Aarde de details van een nieuwe rel die was uitgebroken in Navcomm. Een groep Zuivere Aardelingen had berekeningen geproduceerd waarin werd aangetoond dat de Lunariers uberhaupt nooit op Minerva in leven hadden kunnen blijven, laat staan er hebben gedijd; op die afstand van de zon zou het gewoon te koud zijn geweest. Ze beweerden ook dat er aan de oppervlakte nooit water bestaan kon hebben in vloeibare toestand en zagen dit feit als het bewijs dat, waar de wereld die op Charlies kaarten stond zich ook mocht hebben bevonden, het met geen mogelijkheid in de buurt van de asteroiden geweest kon zijn.

De verschillende kampen van Minervisten verdedigden zich tegen deze aanval door een haastig verbond te sluiten en het tegenvuur te openen met eigen berekeningen, die het broeikaseffect van kooldioxide in de atmosfeer inriepen om zo aan te tonen dat er een aanzienlijk hogere temperatuur in stand gehouden zou kunnen zijn. Voorts toonden ze aan dat het percentage kooldioxide dat nodig was voor de gemiddelde temperatuur die ze al op andere manieren hadden geschat, precies het getal was dat professor Schorn als uitkomst had gekregen bij zijn deductie van de samenstelling van de Minervische atmosfeer aan de hand van een analyse van Charlies celmetabolisme en ademhalingsstelsel.

De landmijn die uiteindelijk de stellingen van de Zuivere Aardelingen verwoestte, was de latere uitspraak van professor Schorn dat Charlie verscheidene fysiologische tekenen vertoonde die wezen op een aanpassing aan een abnormaal hoog gehalte aan kooldioxide.

Hun nieuwsgierigheid werd geprikkeld door die plotselinge belangstelling voor de hoeveelheid kooldioxide in de Minervische atmosfeer en Hunt en Danchekker bedachten zelf een apart experiment. Door Hunts wiskundige bekwaamheid te combineren met Danchekkers kennis van kwantitatieve moleculaire biologie, ontwikkelden ze een computermodel van algemene Minervische microchemische gedragspotentielen, gebaseerd op gegevens die ze hadden ontleend aan de autochtone vissen. Ze hadden meer dan drie maanden nodig om het te vervolmaken. Toen voerden ze in het model een reeks wiskundige operators in die de uitwerking van verschillende chemische agentia in het milieu simuleerden. Toen hij de resultaten zag op het scherm in een van de instrumentenkamers was Danchekkers conclusie heel gedecideerd: `Alle op het land wonende levensvormen die ontstaan zouden zijn uit dezelfde primitieve voorouders als die van deze vis en die hetzelfde fundamentele stelsel van microchemie zouden hebben geerfd, zouden bijzonder kwetsbaar zijn voor een groep gifstoffen waaronder kooldioxide - veel erger dan het merendeel van de Aardse diersoorten.'

Eindelijk klopte alles eens. Ongeveer vijfentwintig miljoen jaar geleden was de concentratie van kooldioxide in de atmosfeer van Minerva blijkbaar plotseling toegenomen, misschien door een natuurlijke oorzaak die het gas had vrijgemaakt uit zijn chemische verbinding met het gesteente, of misschien als gevolg van iets dat de Ganymeden hadden gedaan. Dat kon ook verklaren waarom de Ganymeden al die dieren hadden ingevoerd. Misschien was hun hoofddoel geweest om het evenwicht te herstellen door de planeet te overdekken met kooldioxide opnemende, zuurstofproducerende Aardse groene planten; de dieren waren er gewoon bij gevoegd om een evenwichtige ecologie te behouden waarin de planten konden overleven. De poging mislukte.

De autochtone levensvormen bezweken en de immigranten met hun grotere weerstand gedijden en verbreidden zich over een hele nieuwe wereld die ontdaan was van buitenaardse mededingers. Maar natuurlijk wist niemand zeker of het zo was gegaan op Minerva. Misschien zou dat nooit aan het licht komen.

En niemand wist wat er van de Ganymeden was geworden. Misschien waren ze samen met hun verwanten omgekomen. Misschien hadden ze, toen hun pogingen nutteloos bleken, Minerva overgelaten aan zijn nieuwe bewoners en hadden ze het zonnestelsel geheel verlaten om ergens anders een nieuw thuis te zoeken. Hunt hoopte het. Om de een of andere vreemde reden had hij een onverklaarbare genegenheid ontwikkeld voor dat mysterieuze ras. In een van de Lunarische teksten was hij een gedicht tegengekomen dat begon: `Ver weg tussen de sterren, waar de oude Reuzen nu wonen...' Hij hoopte dat het waar was.

En zo was er heel plotseling tenminste een hoofdstuk van de vroege geschiedenis van Minerva opgelost. Alles wees er nu op dat de Lunariers en hun beschaving zich op Minerva hadden ontwikkeld en niet op Aarde. Het verklaarde de mislukking van Schorns eerdere poging om de lengte van de dag op Hunts kalender te bepalen door Charlies natuurlijke perioden van slapen en waken te berekenen. Toen de voorouders van de Lunariers waren gearriveerd van de Aarde, hadden ze een diep geworteld metabolisch ritme in zich gedragen dat draaide rond een cyclus van vierentwintig uur. Gedurende de vijfentwintig miljoen jaar die daarop volgden, pasten sommige van de meer flexibele biologische processen in hun afstammelingen zich met succes aan de Minervische dag van vijfendertig uur terwijl andere slechts gedeeltelijk veranderden.

Tegen de tijd van Charlie liepen alle fysiologische klokken van de Lunariers hopeloos ongelijk; geen wonder dat de resultaten van Schorn nergens op sloegen. Maar de verwarrende getallen in Charlies dagboekje moesten nog steeds verklaard worden.

In Houston las Caldwell het gezamenlijke rapport van Hunt en Danchekker met grote tevredenheid. Hij had al lang geleden beseft dat, om tot resultaten te komen, de bekwaamheden van de twee geleerden gecombineerd en op het probleem waar ze mee bezig waren gericht moesten worden in plaats van vruchteloos verspild te worden aan de wrijving van hun tegenstrijdige geaardheid. Hoe kon hij een situatie laten ontstaan waarin de dingen die ze gemeen hadden zwaarder wogen dan hun verschillen? Nou, wat hadden ze dan gemeen? Om met het eenvoudigste en meest voor de hand liggende te beginnen - ze waren allebei mensen van de Aarde. En waar zou deze fundamentele waarheid al het andere totaal gaan overschaduwen? Waar anders dan in de dorre wildernis van de Maan of honderd miljoen kilometer verder in de leegte van de ruimte? Alles leek beter voor elkaar te komen dan hij had durven hopen.

'Ik heb het toch altijd al gezegd,' zei Lyn Garland schalks toen de assistent van Hunt haar een kopie van het rapport liet zien. 'Greg is een genie met mensen.'

De aankomst van de zeven schepen van de Aarde in een baan om Ganymedes was een groot moment voor de veteranen van de Jupiter Vier, vooral voor degenen wier diensttijd het einde naderde en die zich er nu op konden verheugen dat ze snel naar huis zouden gaan. Gedurende de komende weken zou de toestand boven Ganymedes, terwijl het ingewikkelde programma van het vervoeren van voorraden en uitrusting op gang kwam tussen de schepen en oppervlakte-installaties, even chaotisch worden als het boven de Maan geweest was tijdens de voorbereidingen voor het vertrek. De twee commandoschepen zouden de komende twee maanden vijftien kilometer uit elkaar in een parkeerbaan blijven hangen. Daarna zou de Jupiter Vier, vergezeld door twee van de zopas gearriveerde vrachtschepen vertrekken en een positie innemen boven Callisto om de vooruitgeschoven basis die daar al was opgericht te gaan uitbreiden. De Jupiter Vijf zou bij Ganymedes blijven tot hij gezelschap kreeg van de Saturnus Twee, die op dat moment aan de laatste aftelling bezig was voor het vertrek van de Maan en die over vijf maanden moest arriveren.

Na hun rendez-vous boven Ganymedes zou een van de twee schepen (welke precies moest nog bepaald worden) koers zetten naar de geringde planeet, als de verste bemande missie op grote schaal die tot dan toe was ondernomen.

De tijd van de lange-afstandsvluchten van de Jupiter Vier was voorbij. Naar de maatstaf van de nieuwste ontwerpen was hij te langzaam en zou waarschijnlijk onttakeld worden om een permanente basis in een baan boven Callisto te vormen. Na een paar jaar zou hij aan een weinig verheven einde komen door ontmanteld en gesloopt te worden voor het bouwen van oppervlakteconstructies.

Door alle drukte en verkeersopstoppingen die ontstonden in de hemel boven Ganymedes duurde het drie dagen voor het zover was dat de groep ~-geleerden aan land werd gezet. Nadat hij maanden had doorgebracht met te wennen aan het levenspatroon en het gezelschap aan boord van het schip, voelde Hunt een steek van nostalgie toen hij in zijn kajuit zijn spullen inpakte en in de rij ging staan wachten om aan boord te gaan van de Vega die langszij lag bij de reusachtige afmeerruimte midscheeps. Het was waarschijnlijk het laatste wat hij zou zien van deze immense stad van metaallegeringen; als hij terugkeerde naar de Aarde zou dat aan boord zijn van een van de kleine, snelle kruisers die meegenomen waren.

Een uur later kromp de Jupiter Vijf, omgeven door een web van astronautische ingenieurskunst, snel in op het wandscherm van de Vega. Toen veranderde het beeld plotseling en zwol het sinistere, ijzige gezicht van Ganymedes naar hen op.

Hunt zat op de rand van zijn bed in een Spartaanse kamer van woonblok nummer drie van de Hoofdbasis Ganymedes en verplaatste de inhoud van zijn plunjezak methodisch naar de aluminium kast naast hem. Het rooster van de luchtverversing boven de deur maakte lawaai. De lucht die naar binnen werd geblazen door de spleten onderin de muren was warm en stonk naar machineolie. De stalen vloerplaten trilden door het gonzen van zware machinerie ergens beneden. Op het bed tegenover hem zat Danchekker tegen een kussen geleund. Hij bladerde door een map vol kopieen van aantekeningen en kleurenillustraties en hij babbelde opgewonden, net als een schooljongen op kerstavond.

`Moet je je eens indenken, Vic, nog een dag en dan zijn we er. Dieren die vijfentwintig miljoen jaar geleden echt op aarde hebben bestaan! Elke bioloog zou zijn hand er voor geven om dit mee te maken.' Hij stak de map op.

`Moet je eens kijken. Ik geloof echt dat dit een in volmaakte staat verkerend exemplaar is van de trilophodon een mammoet uit het Mioceen met vier slagtanden en meer dan vijf meter hoog. Kun je je nog iets opwindendere voorstellen?'

Huilt keek zuur naar de verzameling pin-ups die de muur aan de andere kant van de kamer verfraaide, nagelaten door een vorige bewoner van de VNR.

`Eerlijk gezegd wel,' mompelde hij. `Maar heel anders uitgerust dan zo'n stomme trilophodon.'

`HS? Wat zei je?' Danchekker knipperde niet-begrijpend door zijn brillenglazen. Hunt pakte zijn sigarettenkoker.

`Het doet er niet toe, Chris,' zuchtte hij.

Tweeentwintig.

De vlucht naar het noorden, naar de mijningang, duurde net iets minder dan twee uur. Toen ze arriveerden verzamelde de groep van de Aarde zich in de officiersmess voor een kop koffie terwijl geleerden van Jupiter Vier hen op de hoogte brachten van de laatste ontwikkelingen in de zaak van de Ganymeden.

Het was vrijwel zeker dat het Ganymese schip bestemd was geweest voor een lange reis op grote schaal en niet voor zoiets als een beperkte verkenningsreis. Er waren enkele honderden Ganymeden omgekomen met hun schip.

De hoeveelheid en verscheidenheid aan voorraden, materialen, uitrusting en levende have die ze met zich mee hadden genomen wezen erop dat wat ook hun bestemming was geweest, ze van plan waren geweest om er te blijven.

Alles in het schip, vooral de instrumenten- en bedieningssystemen, vertoonde een bijzonder geavanceerde wetenschappelijke kennis. Het grootste deel van de elektronica was nog een mysterie, en sommige van de onderdelen voor speciale doeleinden verschilden van alles wat de technici van de VNR ooit hadden gezien. Ganymese computers werden gebouwd met gebruik van een massa-integratie technologie waarbij miljoenen onderdelen laag op laag verspreid werden in een enkel monolithisch siliciumblok. De warmte die inwendig werd uitgestraald werd verwijderd door elektronische koelnetwerken die dooreen geweven waren met de functionele circuits. Bij sommige voorbeelden, waarvan men dacht dat ze deel uitmaakten van het navigatiesysteem, benaderden de dichtheden van de onderdeels concentraties die van het menselijk brein. Een natuurkundige hield een plak omhoog van wat eruit zag als silicium, met ongeveer de afmetingen van een groot woordenboek; uitgedrukt in zuiver verwerkingsvermogen, beweerde hij, was het in staat om meer te doen dan alle computers in het gebouw van het Navcomm-hoofdkwartier samen.

Het schip was gestroomlijnd en sterk gebouwd, wat erop wees dat het ontworpen was om door een atmosfeer te vliegen en om op een planeet te landen zonder onder zijn eigen gewicht in elkaar te zakken. De Ganymese ingenieurskunst leek een niveau bereikt te hebben waarop de functies van een Vega en een lange-afstands, niet-landend transportschip gecombineerd werden in een vaartuig.

Het voortstuwingssysteem was revolutionair. Er waren geen grote straalpijpen en geen duidelijke reactiepunten die erop konden wijzen dat het schip aangedreven werd door enigerlei soort thermodynamische of fotonische uitwendige stuwkracht. Het hoofd-brandstof opslagsysteem voedde een reeks omvormers en generators die ontworpen waren om enorme hoeveelheden elektrische en magnetische energie af te geven. Dat leverde kracht aan een serie elektrische rails van zestig centimeter doorsnee en een doolhof van daartussen geplaatste windingen, gefabriceerd uit massieve koperen staven die omgaven wat de hoofdaandrijving scheen te zijn. Niemand wist zeker hoe die constructie precies resulteerde in de voortbeweging van het schip, hoewel sommige van de theorieen opzienbarend waren.

Zou dit een echt sterrenschip geweest kunnen zijn?

Waren de Ganymeden en masse vertrokken in een interstellaire exodus? Was dit schip verongelukt toen het op weg was uit het zonnestelsel, kort nadat het Minerva had verlaten? Deze vragen, en nog duizend andere, waren nog onbeantwoord. E,n ding stond echter vast: als de ontdekking van Charlie twee jaar werk had opgeleverd voor een aanzienlijk deel van Navcomm, dan was er hier genoeg informatie om de halve wetenschappelijke wereld tientallen jaren zoet te houden, zo niet eeuwen.

De groep bracht enkele uren door in de pas opgezette laboratoriumkoepel en bekeek zaken die omhoog getransporteerd waren van onder het ijs, waaronder verscheidene Ganymese skeletten en enkele tientallen Aardse dieren.

Tot Danchekkers teleurstelling was zijn speciale lieveling de aapmensachtige antropoide die hij vele maanden daarvoor aan Hunt en Caldwell had laten zien op een beeldscherm in Houston - er niet bij. `Cyril' was overgebracht naar de laboratoria van Jupiter Vier voor een gedetailleerd onderzoek. De naam, minzaam verleend door de VNx-biologen, was ter ere van de leidinggevende geleerde van de missie.

Na de lunch in de kantine op de basis liepen ze de koepel binnen die een van de schachtingangen overdekte.

Een kwartier later stonden ze diep onder de oppervlakte van het ijsveld en staarden vol ontzag naar het schip zelf.

Het lag volledig blootgelegd in de geweldige, witte, door schijnwerpers verlichte grot. De onderkant werd nog steeds ondersteund door zijn mal van ijs. De romp sneed een baan door het woud van massieve stalen stutten en ijspilaren die het gewicht van het dak droegen. Onder het rasterwerk van taluds en steigers die tegen de zijwanden zaten, waren hele stukken van de romp verwijderd en de compartimenten waren zichtbaar. De vloer rondom was bezaaid met delen van machinerie die naar buiten waren getild door lopende kranen. Het tafereel deed Hunt denken aan de keer dat hij en Borlan een bezoek hadden gebracht aan de reusachtige werkplaats van Boeing bij Seattle waar ze de 1017-stratosfecrvliegtuigen assembleerden - maar hier was alles op een kolossale schaal.

Ze liepen rond over het netwerk van loopbruggen en ladders dat overal in het schip was aangelegd, van het commandodek met het vijf meter brede beeldscherm, door de regelkamers, woonverblijven en de ziekenboeg naar de vrachtruimen en de lagen kooien waar de dieren in hadden gezeten. De hoofd-energieomvormer- en generatorafdeling was net zo indrukwekkend en ingewikkeld als het inwendige van een thermonucleaire centrale. Erachter gingen ze door een schot en werden overschaduwd onder de curven van de blootliggende delen van een paar enorme torussen.

De ingenieur die hen rondleidde wees omhoog naar de immense, gebogen oppervlakken van metaal.

'De wanden van die buitenste mantels zijn vijf meter dik,' lichtte hij hen in. 'Ze zijn gemaakt uit een legering die door wolfraamcarbid staal heen zou snijden als door smeerkaas. De concentratie van massa binnenin is fenomenaal. We vermoeden dat ze voor gesloten paden zorgden waarin massa's van sterk geconcentreerde materie vastgehouden werden in een circulerende of oscillerende resonantie, in wisselwerking met krachtige velden. Het is mogelijk dat de hoge veranderingssnelheid in zwaartekrachtpotentieel die hierdoor ontstond, op de een of andere manier onder controle werd gebracht om een geleide vervorming van de ruimte rond het schip te veroorzaken. Met andere woorden, het bewoog zich voort door onophoudelijk in een gat te vallen dat het zelf voor zich uit schiep - een soortement vierdimensionale rupsband.'

'Bedoelt u dat het zich opsloot in een tijd-ruimtebel die zich op de een of andere manier voortstuwde door de normale ruimte?' opperde iemand.

'Als je het zo wilt uitdrukken, ja,' bevestigde de ingenieur. 'Een bel is een even goede analogie als elke andere, neem ik aan. Het interessante is dat, als het inderdaad zo werkte, elk deeltje van het schip en alles aan boord onderhevig zou zijn aan precies dezelfde acceleratie. Daarom zou er geen g-effect zijn. Als dat schip zeg een miljoen kilometer per uur ging, zou je het binnen een milliseconde doodstil kunnen laten staan zonder dat iemand aan boord het zou merken.'

'Hoe zit het met de topsnelheid?' vroeg iemand anders.

'Zou er een relativiteitslimiet geweest zijn?'

'Dat weten we niet. De theoriejongens in de Jupiter Vier hebben daar al slapeloze nachten aan overgehouden. De conventionele mechanica zou niet van toepassing zijn op een beweging van het schip zelf, omdat dat niet werkelijk zou bewegen in de beperkte ruimte in de bel. De vraag hoe de bel zich voortbeweegt door de normale ruimte is weer een heel ander chapiter. Er moet een hele nieuwe veldtheorie uitgedacht worden. Misschien zijn volslagen nieuwe natuurkundige wetten van toepassing - zoals ik net al zei, we weten het gewoon niet. Maar een ding lijkt duidelijk: die sterrenschepen met fotonaandrijving die ze aan het ontwerpen zijn in Houston, zijn misschien al verouderd voordat ze zelfs maar zijn gebouwd. Als we genoeg te weten kunnen komen over hoe dit schip werkte, dan zouden we door die kennis honderd jaar vooruit kunnen gaan.'

Tegen het einde van de dag duizelde het Hunt. De nieuwe informatie kwam sneller binnen dan hij kon verwerken.

De vragen die hem door het hoofd spookten, vermenigvuldigden zich duizend keer sneller dan ze ooit beantwoord konden worden. Met elke nieuwe onthulling werd het raadsel van het Ganymese ruimteschip steeds intrigerender, maar daarachter bevond zich nog altijd het onopgeloste Lunarische probleem. Hij moest de tijd hebben om zich er los van te maken en na te denken, om zijn mentale huis op te ruimen en de rommel te verdelen in met elkaar in verband staande gedachten die in geetiketteerde doosjes in zijn geest zouden passen. Dan zou hij beter in staat zijn om te zien welke vraag waarvan afhing en wat eerst aangepakt moest worden. Maar de rommel stapelde zich sneller op dan hij het uit kon zoeken.

Na het avondeten werd de lolbroekerij en het gelach in de mess al gauw ondraaglijk. Toen hij alleen zat in zijn kamer, veroorzaakten de muren claustrofobie. Hij liep een tijdje door de verlaten gangen tussen de koepels en de gebouwen. Ze waren benauwend; hij had te lang in metalen blikken gewoond. Uiteindelijk kwam hij terecht in de koepel van de regeltoren en hij staarde naar de gloeiende grijze muur die werd opgeworpen door de schijnwerpers rondom de basis die door de methaan-ammoniak mist van de Ganymese nacht sijpelden. Na een tijdje werd zelfs de aanwezigheid van de controleur van dienst, wiens gezicht afstak tegen de duisternis door de gloed van zijn instrumentenpaneel, storend. Op weg naar het trapgat bleef Hunt staan bij het paneel.

`Ik wil de basis uit.'

De controleur van dienst keek hem aan. 'Wilt u naar buiten?' 'Ik moet even een luchtje scheppen.'

De controleur zette een van zijn schermen aan. 'Hoe is uw naam?'

'Hunt. Dr. V. Hunt.'

'Identificatie?'

'730289 c/Ex4.'

De controleur noteerde de details, keek toen hoe laat het was en tikte dat uit.

'Meldt u over een uur via de radio als u dan nog niet terug bent. Laat permanent een ontvangstkanaal openstaan op 24,328 megahertz.'

'Ok,,' antwoordde Hunt. 'Welterusten.'

"Trusten.'

De controleur keek hoe Hunt verdween naar de verdieping beneden, haalde zijn schouders op, en liep automatisch de schermen voor hem na. Het werd een rustig nachtje.

In de voorkamer van de oppervlaktesluis op de begane grond koos Hunt een pak uit de rij kasten langs de muur aan zijn rechterkant. Een paar minuten later, in het pak en met de helm stevig bevestigd, liep hij naar de luchtsluis, tikte zijn naam en identificatiecode uit op de terminal bij de poort en wachtte een paar seconden tot de binnendeur open gleed.

Hij stapte naar buiten in de wervelende zilveren mist en sloeg rechtsaf, zodat hij de lijn volgde van de vaag opdoemende zwarte metalen klif van het regelgebouw. Het knarsen van zijn laarzen op het poederijs klonk zwak en ver weg door de dunne nevels heen. Toen de muur eindigde bleef hij langzaam in een rechte lijn doorlopen, het open terrein in en naar de rand van de basis. Spookachtige vormen van staal doken op en verdwenen in de stille schaduwen rondom hem. De duisternis voor hem uit werd donkerder toen eilandjes van diffuus licht aan beide kanten langs hem heen gleden. Het ijs begon omhoog te hellen. Er kwamen vaker onregelmatige stukken naakte, omhoogstekende rots voor. Hij liep verder alsof hij in een trance verkeerde.

Beelden uit het verleden stroomden aan zijn geestesoog voorbij: een jongen die, opgesloten in de bovenslaapkamer van een Londense achterbuurt boeken las... een jongeman die elke morgen op zijn fiets door de smalle straten van Cambridge trapte. De mensen die hij geweest was waren niet echter dan de mensen die hij zou worden. Zijn hele leven lang was hij voortgetrokken, nooit had hij stilgestaan, hij had altijd in het proces verkeerd van het veranderen van iets dat hij geweest was tot iets dat hij zou worden.

En voorbij elke nieuwe wereld wenkte weer een andere.

En altijd bleven de gezichten om hem heen hem vreemd - ze dreven zijn leven binnen zoals de kortstondige schaduwen van de rotsen die nu op hem afkwamen uit de nevels voor hem. Zoals de rotsen schenen de mensen een tijdje te bestaan en vorm en soliditeit te krijgen voor ze voorbijgleden en oplosten in de sluiers van het verleden achter hem, alsof ze nooit hadden bestaan. Forsyth-Scott, Felix Borlan en Rob Gray waren er al niet meer. Zouden Caldwell, Danchekker en de rest binnenkort vervagen en zich bij hen voegen? En welke nieuwe personen zouden materialiseren in de onbekende werelden die verscholen lagen in de sluiers van de toekomst?

Hij besefte enigszins verrast dat de nevels rondom hem weer lichter werden en hij kon plotseling ook verder zien.

Hij klom omhoog over een immense ijsvlakte die nu glad en ontbloot van rotsen was. Het licht was een griezelige gloed die aan alle kanten gelijkmatig door de nevels drong alsof de mist zelf lichtgevend was. Hij klom verder.

Met elke stap breidde de horizon van zijn gezichtsveld zich verder uit, en de gloed verdween uit de nevels die hem omgaven en concentreerde zich in een enkele vlek boven zijn hoofd die seconde na seconde helderder werd. En toen keek hij uit over de top van de mistbank. Het was maar een plaatselijke nevel die opgesloten zat in de laagte van het geweldige dal waarin de basis was gebouwd; ongetwijfeld was hij daar opgezet om de lengte van de schacht te bekorten die nodig was om het Ganymese schip te bereiken.

De helling boven hem eindigde in een lange, geronde rug, nog geen twintig meter van waar hij stond. Hij veranderde iets van richting om de steilere glooiing te nemen die rechtstreeks naar de kruin van de heuvel leidde. De laatste ijle flarden wit smolten weg.

Op de top was de nacht zo helder als kristal. Hij stond op een strand van ijs dat vanaf zijn voeten naar beneden liep naar een meer van watten. Op de andere oever van het meer rezen de kruinen van de rotspilaren en ijswanden op die zich voorbij de basis bevonden. Binnen een omtrek van kilometers dreven spookachtige witte Ganymese ijsbergen op een oceaan van wolken en staken glanzend af tegen de duisternis van de nacht.

Maar er was geen zon.

Hij keek omhoog en snakte onwillekeurig naar adem.

Boven hem hing de volle schijf van Jupiter, vijf keer zo groot als de Maan gezien van de Aarde. Geen foto die hij ooit had gezien, en geen enkel beeld dat vertoond was op een scherm, kon zich meten met het grootse van die aanblik. Hij vulde de hemel met zijn glans. Alle kleuren van de regenboog waren verweven in die gloeiende stroken van licht die zich laag na laag uitbreidden vanaf de evenaar.

Als ze de rand naderden, vervaagden ze en vermengden zich tot een wazige roze cirkel die de planeet omringde.

Het roze werd violet en uiteindelijk paars en eindigde in een heldere, scherpe omtrek die een enorme cirkel tekende in de lucht. Onveranderlijk, onbeweeglijk, eeuwig... de machtigste der goden - en de nietige, onaanzienlijke, efemere mens had zich voortgesleept op een pelgrimstocht van achthonderd miljoen kilometer om zijn hulde te betuigen.

Misschien gingen er maar seconden voorbij, misschien uren. Hunt wist het niet. Een fractie van de eeuwigheid stond hij daar roerloos, een stipje dat verloren ging tussen de zwijgende torens van rots en ijs. Ook Charlie had op de oppervlakte van een dorre wildernis gestaan en had omhoog gestaard naar een wereld die in licht en kleur was gehuld - maar de kleuren waren die van de dood geweest.

Op dat moment kwamen de taferelen die Charlie had gezien Hunt levendiger voor de geest dan ooit tevoren. Hij zag steden die verteerd werden door vuurbollen van vijftien kilometer hoog; hij zag gapende kloven, verschroeide en geblakerde as waar ooit oceanen hadden gelegen en meren van vuur waar bergen hadden gestaan. Hij zag continenten ineenzakken en doormidden breken en verzwolgen worden door een furie van witte hitte die er onder vandaan naar buiten explodeerde. Net zo duidelijk alsof het echt gebeurde zag hij de reusachtige bol boven zich opzwellen en uit elkaar barsten, grotesk door de bedrieglijke traagheid van machtige gebeurtenissen die van een grote afstand worden gezien. Dag na dag zou de planeet de ruimte in stormen en zijn manen de een na de ander verzwelgen in een onverzadigbare orgie van vraatzucht tot zijn kracht verbruikt was. En dan...

Hunt kwam met een schok weer bij zijn positieven.

Plotseling had hij het antwoord waarnaar hij had gezocht. Het was uit het niets opgekomen. Hij probeerde de wortel op te sporen door zijn gedachten terug te volgen - maar er was niets. De weg omhoog uit de diepere niveaus van zijn geest was een seconde lang opengegaan, maar was nu weer gesloten. De illusie was blootgelegd. De paradox was verdwenen. Natuurlijk had nog nooit iemand het ingezien. Wie peinsde erover om een waarheid in twijfel te trekken die vanzelfsprekend was en ouder dan de mensheid zelf?

`Mijningang roept dr. V. Hunt. Dr. Hunt, meldt u.' De stem die plotseling in zijn helm klonk liet hem schrikken. Hij drukte op een knopje van het instrumentenpaneel op zijn borst.

`Runt hier,' antwoordde hij. `Ik ontvang u.'

`Routinecontrole. U bent vijf minuten te laat met melden.

Alles in orde?'

`Sorry, ik heb niet op de tijd gelet. Ja, alles is in orde...

heel erg in orde. Ik kom nu terug.'

`Bedankt.' De stem schakelde met een klik uit.

Was hij al zo lang weg? Hij besefte dat hij het koud had. De ijzige vingers van de Ganymese nacht begonnen door te dringen in zijn pak. Hij zette zijn verwarmingsknop een stand hoger en boog zijn armen. Voor hij zich omdraaide keek hij nog een keer op voor een laatste blik op zo; de reuzenplaneet. Jupiter leek wel te glimlachen.

'Bedankt, maat,' mompelde hij met een knipoog. 'Misschien dat ik nog een keer iets terug kan doen.'

Terwijl hij dat zei begon hij af te dalen van de heuvelrug en verdween al snel in de wolkenzee.

drieentwintig.

Een groep van ongeveer dertig mensen, voornamelijk geleerden, ingenieurs en VNR-beambten, kwam de vergaderzaal binnen van het Navcomm hoofdkwartier. De zaal was ingericht met trapsgewijs boven elkaar geplaatste rijen stoelen die uitkeken op een groot leeg beeldscherm in de muur tegenover de dubbele deur. Caldwell stond op een verhoging voor het scherm en keek toe hoe de verschillende groepjes en individuen een plaats opzochten. Al gauw was iedereen gezeten en gebaarde een portier achterin de zaal dat de gang leeg was. Caldwell knikte naar hem, stak zijn hand op om om stilte te vragen en deed een pas voorwaarts naar de microfoon die voor hem stond.

'Dames en heren, uw aandacht graag...' De baritonstem donderde uit de luidsprekers langs de muren. Het gemompel stierf weg.

'Dank u allen dat u op zo'n korte termijn hier bent gekomen,' hervatte hij. 'Elk van u houdt zich nu al enige tijd bezig met het een of andere aspect van het Lunarische probleem. Zoals u allen weet, zijn er sinds het begin van deze zaak heel wat ruzies en meningsverschillen geweest.

Als we alles echter in overweging nemen, hebben we het er niet al te slecht afgebracht. We zijn begonnen met een lijk en een paar stukjes papier en aan de hand daarvan hebben we een hele wereld gereconstrueerd. Maar er zijn nog steeds enkele fundamentele vragen die tot op de dag van vandaag onbeantwoord zijn gebleven. Ik weet zeker dat niemand het nodig vindt om ze hier te recapituleren.'

Hij zweeg even. 'Het ziet er nu eindelijk naar uit dat we misschien de antwoorden hebben op die vragen. De nieuwe ontwikkelingen die me ertoe brengen dit te zeggen zijn zo onverwacht dat het mij passend leek om u allen hier bij elkaar te roepen zodat u zelf kunt zien wat ik een paar uur geleden voor de eerste keer heb gezien.' Hij pauzeerde weer en gunde de stemming van het gezelschap de tijd om te veranderen van een die geschikt was voor inleidende opmerkingen in iets dat meer paste bij de ernstige aangelegenheid die op het punt stond te beginnen.

'Zoals u allen weet, is er vele maanden geleden een groep geleerden bij ons vertrokken met de Jupiter Vijf om de ontdekkingen op Ganymedes te onderzoeken. Onder die groep bevond zich Vic Hunt. Vanochtend hebben we zijn laatste rapport ontvangen over hoe het daar gaat. We staan op het punt om die opname voor u af te draaien. Ik denk dat u het interessant zult vinden.'

Caldwell wierp een blik op het projectiegat achterin de zaal en stak zijn hand op. De lichten begonnen uit te gaan.

Hij stapte van de verhoging en ging op de voorste rij zitten.

Even heerste er duisternis. Toen lichtte het scherm op en werden er een dossiertitel en een verwijskaart zichtbaar van standaard VNR-formaat. De titel bleef een paar seconden lang op het scherm en werd toen vervangen door het beeld van Hunt die achter een bureau naar de camera keek.

'Navcomm Speciaal Onderzoek naar Ganymedes, verslag van V. Hunt, so november Zoz9, standaard-Aardetijd,' kondigde hij aan. 'Onderwerp van bericht: Een hypothese aangaande de Lunarische herkomst. Ik beweer niet dat wat nu volgt in dit stadium een onweerlegbaar bewezen theorie is. Het doel is een verslag te geven van een mogelijke reeks gebeurtenissen die, voor de eerste keer, de herkomst van de Lunariers afdoende verklaart, en ook verenigbaar is met alle feiten die we tot op heden ter beschikking hebben.'

Hunt zweeg even om een stel aantekeningen op zijn bureau te raadplegen. De stilte in de vergaderzaal was volkomen.

Hunt keek weer op uit het scherm. 'Tot nu toe ben ik geneigd geweest om niet een van de ideeen die in omloop waren meer te benadrukken dan de rest, voornamelijk omdat ik niet voldoende overtuigd was dat een ervan, in die vorm, alles wat we op goede grond als waar aannamen afdoende kon verklaren. Die situatie is veranderd. Ik geloof nu dat er een verklaring bestaat die in staat is om al het bewijs te ondersteunen. Die verklaring is als volgt: Het zonnestelsel is oorspronkelijk gevormd met tien planeten - de negen die we vandaag de dag kennen plus Minerva. Minerva was verwant aan de binnenplaneten en bevond zich voorbij Mars en leek in vele opzichten op de Aarde. Hij was soortgelijk in afmetingen en soortelijk gewicht en was samengesteld uit een soortgelijke mengeling van elementen. Hij koelde af en ontwikkelde een atmosfeer, een hydrosfeer en een korst.' Hunt zweeg een ogenblik. `Dat is een bron van problemen geweest - het rijmen van de toestand aan het oppervlak op die afstand van de zon, met het bestaan van leven zoals wij dat kennen. Als bewijs dat deze factoren wel degelijk met elkaar kunnen worden gerijmd, verwijs ik naar het werk van professor Fuller aan de universiteit van Londen gedurende de laatste paar maanden.' Aan de onderkant van het scherm verscheen een opschrift met details over de titels en computercodes van professor Fullers verhandelingen over het onderwerp.

`Kort gesteld heeft Fuller een model geconstrueerd van de evenwichtstoestand van verschillende atmosferische gassen en vulkanisch ingevoerde waterdamp dat strookt met de bekende gegevens. Om het niveau van vrije kooldioxide en waterdamp in de atmosfeer te handhaven, plus het bestaan van grote hoeveelheden water in een vloeibare toestand, vereist het model een bijzonder hoog niveau van vulkanische activiteit op de planeet, in ieder geval tijdens zijn vroegere geschiedenis. Dat aan dit vereiste klaarblijkelijk werd voldaan zou erop kunnen wijzen dat de korst van Minerva in verhouding tot zijn afmetingen uitzonderlijk dun was, en dat de opbouw van die korst onstabiel was.

Dat is veelbetekenend, zoals later zal blijken. Fullers model strookt ook met de laatste informatie van het asteroidenonderzoek. De dunne korst zou het resultaat kunnen zijn van een relatief snelle afkoeling van de oppervlakte die werd veroorzaakt door de enorme afstand van de zon, maar waarbij de gesmolten toestand van het inwendige verlengd werd door hittebronnen onder de oppervlakte. De asteroidenmissies melden dat er veel monsters onderzocht worden die rijk zijn aan radioactieve, hitteproducerende substanties.

Dus Minerva koelde af tot een gemiddelde oppervlaktetemperatuur die iets lager was dan die van de Aarde, maar niet zo koud als je zou denken. Samen met de afkoeling begon de vorming van steeds grotere moleculen en uiteindelijk ontstond er leven. Met het leven begon de variatie, gevolgd door concurrentie, gevolgd door selectie - met andere woorden, evolutie. Na vele miljoenen jaren culmineerde de evolutie in een ras van intelligente wezens die dominant werden op de planeet. Dat waren de wezens die we de Ganymeden hebben genoemd.

De Ganymeden ontwikkelden een geavanceerde technologische beschaving. Toen, ongeveer vijfentwintig miljoen jaar geleden, bereikten ze een niveau dat naar we schatten ongeveer honderd jaar vooruit ligt op het onze. Deze schatting is gebaseerd op het ontwerp van het Ganymese schip dat we hier hebben bestudeerd en de instrumenten die we erin hebben gevonden.

Ongeveer rond dat tijdstip ontwikkelde zich een grote crisis op Minerva. Iets verstoorde het fijne mechanisme dat het evenwicht regelde tussen de kooldioxide die zat opgesloten in de rotsen en die in de vrije staat; de concentratie in de atmosfeer begon toe te nemen. Naar de reden daarvoor moeten we gissen. E,n mogelijkheid is dat iets de neiging tot grote vulkanische activiteit die inherent was aan de structuur van Minerva in werking bracht - misschien door natuurlijke oorzaken, misschien door iets dat de Ganymeden deden. Nog een mogelijkheid is dat de Ganymeden een omvangrijk programma voor klimaatcontrole aan het proberen waren en dat dat allemaal totaal fout ging. Op het moment hebben we niet echt een goed antwoord voor dat deel. Ons onderzoek naar de Ganymeden is echter nog maar nauwelijks begonnen. Alleen de inhoud van het schip zal al jaren van werk vergen en ik ben er vrij zeker van dat er nog een hele hoop meer op ontdekking wacht onder het ijs hier.

Hoe het ook zij, voorlopig is de hoofdzaak dat er iets is gebeurd. Chris Danchekker heeft aangetoond...' Er verscheen weer een dossierverwijzing onderaan het scherm.

`...dat alle hogere, landbewonende Minervische levensvormen vrijwel zeker slechts een heel geringe toename van de hoeveelheid kooldioxide zouden hebben kunnen verdragen.

Dat spruit voort uit het fundamentele systeem van microchemie dat ze hadden overgeerfd van de vroegste voorouders van die lijn. Dat impliceert natuurlijk dat de veranderende omstandigheden op Minerva een bedreiging inhielden voor het bestaan van de meeste vormen van landleven, inclusief de Ganymeden. Als we deze situatie aanvaarden, hebben we ook een aannemelijke reden voor de veronderstelling dat de Ganymeden een stadium doormaakten waarin ze op reusachtige schaal een gemengde en uitgebalanceerde hoeveelheid planten en dieren importeerden van de Aarde. Misschien had Minerva, omdat het zo afgelegen was, in de verste verte niet zo'n kwantiteit en verscheidenheid aan leven als dat wat krioelde op de veel warmere Aarde.

Blijkbaar werkte het experiment niet. Hoewel voor de geimporteerde soorten de omstandigheden gunstig genoeg waren om te gedijen, produceerden ze niet het gewenste resultaat. Aan de hand van verschillende stukjes informatie geloven we dat de Ganymeden de hele zaak er maar bij lieten zitten en vertrokken om ergens buiten het zonnestelsel een nieuw thuis te vinden. Of ze daar al dan niet in zijn geslaagd weten we niet; misschien dat een verdere studie van wat zich in het schip bevindt meer licht zal werpen op deze vraag.'

Hunt zweeg om een koker van het bureau te pakken en stak een sigaret op. De onderbreking scheen ingepast te zijn om de toeschouwers de tijd te gunnen dit deel van het verhaal te verwerken. Een gedempt koor van gemompel brak los in de zaal. Hier en daar flitste een lichtje op waar bepaalde personen bezweken voor de suggestie op het scherm. Hunt ging verder: `De autochtone Minervische landdieren die nog over waren op de planeet stierven al snel uit. Maar de ingevoerde soorten van de Aarde konden zich beter aanpassen en bleven in leven. Niet alleen dat, ze konden onbelemmerd en ongehinderd over heel Minerva zwerven, waar de autochtone concurrentie al snel ophield te bestaan. De nieuwkomers mochten dus het evolutieproces voortzetten dat miljoenen jaren eerder in de oceanen van de Aarde was begonnen. Maar tegelijkertijd ging hetzelfde proces natuurlijk ook door op de Aarde zelf. Twee groepen diersoorten in het bezit van dezelfde genetische erfenis van gemeenschappelijke voorouders en uitgerust met hetzelfde evolutionaire potentieel, ontwikkelden zich afzonderlijk van elkaar op twee verschillende werelden.

Sta me nu toe, voor degenen die nog niet het genoegen hebben gehad, om Cyril aan u voor te stellen.' Het beeld van Hunt verdween en er verscheen een opname van de aapmens die ze uit het Ganymese schip hadden gehaald.

De stem van Hunt ging verder met het commentaar: `Het team van Chris heeft deze meneer grondig onderzocht in de laboratoria van Jupiter Vier. Chris' eigen samenvatting van de resultaten was, aanhalingstekens openen: "We zijn van mening dat dit dichter bij de directe lijn van afstamming naar de moderne mens ligt dan alles wat ooit tevoren is bestudeerd. Er zijn op Aarde vele fossielen gevonden van wezens die verschillende takken van ontwikkeling vertegenwoordigen, van de vroege apen in de algemene richting van de mens. Alle vondsten tot op heden zijn echter geclassificeerd als behorende tot uitlopers van de hoofdlijn; een specimen van een directe schakel in de keten die naar de Homo Sapiens leidt is altijd hardnekkig aan ons ontglipt. Hier echter hebben we zo'n schakel." Aanhalingstekens sluiten.' Het beeld van Hunt verscheen weer. `We kunnen er daarom vrij zeker van zijn dat zich onder de Aardse levensvormen die zich mochten ontwikkelen op Minerva een aantal primaten bevond dat qua evolutie even geavanceerd was als de verst gevorderde op Aarde.

De snellere evolutie die tot dusver karakteristiek was voor Minerva herhaalde zich, misschien als resultaat van het strengere milieu en klimaat. Er gingen miljoenen jaren voorbij. Op Aarde verscheen en verdween een reeks mensachtige wezens, sommige een stap vooruit, sommige gedegenereerd. De ijstijd kwam en bereikte zo'n vijftigduizend jaar geleden zijn laatste stadium. Op dat tijdstip vertegenwoordigden op Aarde primitieve mensachtige het toppunt van ontwikkeling, brute holbewoners, jagers, makers van eenvoudige wapens en gereedschappen die ze uit steen bikten. Maar op Minerva bestond al een nieuwe technologische beschaving: de Lunariers - afstammelingen van de geimporteerde soorten en van dezelfde vroege voorouders als wij, menselijk tot in elk detail van hun anatomie.

Ik zal niet stil blijven staan bij de problemen waarmee de zich ontwikkelende Lunarische beschaving werd geconfronteerd - die zijn nu wel algemeen bekend. Hun geschiedenis was een lang verhaal van oorlog en ontberingen dat zich afspeelde rond het streven van hun ras om te ontsnappen van hun stervende wereld. Hun moeilijkheden werden verergerd door een chronisch tekort aan mineralen, misschien omdat de planeet daar van nature gebrek aan had, misschien omdat hij grondig geexploiteerd was door de Ganymeden. Hoe het ook zij, de oorlogvoerende partijen polariseerden zich tot twee supermogendheden en tijdens de krachtmeting die volgde, vernietigden ze zichzelf en hun planeet.'

Op dat punt zweeg Hunt weer even zodat de toehoorders het konden verwerken. Deze keer heerste er echter een volkomen stilte. Niets wat hij tot dusver had gezegd was nieuws, maar hij had een logische reeks gevormd die hij had geselecteerd uit de duizend en een theorieen en gissingen die zover het geheugen van velen reikte, altijd al in Navcomm hadden gewoed. De zwijgende toeschouwers in de zaal voelden dat het echte nieuws nog moest komen.

'Laten we even wachten en eens kijken hoe goed dit verhaal strookt met het bewijs dat we hebben. Ten eerste, het oorspronkelijke probleem van Charlies menselijke vorm.

Dat is dus beantwoord: hij was een mens - een afstammeling van dezelfde voorouders als wij en er was helemaal niet zoiets onwaarschijnlijks als een evenwijdige evolutielijn nodig om hem te verklaren. Ten tweede, het ontbreken van enig spoor van de Lunariers op Aarde. Die reden is zonneklaar: ze zijn nooit op Aarde geweest. Ten derde worden alle pogingen om de geografie van Charlies wereld te rijmen met die van de Aarde overbodig, omdat ze volgens deze verklaring inderdaad twee verschillende planeten waren.

Tot zover klopt het dus allemaal. Dit verklaart echter op zichzelf nog niet alle feiten. Er zijn nog enkele bijkomende bewijsstukken waar een theorie die beweert allesomvattend te zijn, rekening mee dient te houden. Ze kunnen samengevat worden in de volgende vragen: E,n: hoe kon Charlies reis van Minerva naar onze maan maar twee dagen duren?

Twee: hoe verklaren we een bewapeningssysteem dat verenigbaar is met het Lunarische niveau van technologie en in staat was om over de afstand van onze maan naar Minerva nauwkeurige treffers te plaatsen?

Drie: hoe is het mogelijk dat de tijd tussen een schot en de registratie daarvan in het vuurleidingssysteem aanzienlijk minder was dan het minimum van zesentwintig minuten dat op zo'n afstand van toepassing was?

Vier: hoe kon Charlie oppervlaktekenmerken van Minerva onderscheiden terwijl hij op onze maan stond?'

Hunt keek de zaal in vanaf het scherm en gaf de toehoorders ruim de tijd om over die vragen na te denken.

Hij drukte zijn sigaret uit en leunde naar de camera. Zijn ellebogen steunden op het bureau.

'Er is naar mijn oordeel maar een verklaring die aan al deze schijnbaar onzinnige vereisten kan voldoen. En die geef ik u nu. De maan die sinds onheuglijke tijden, tot het tijdstip van deze gebeurtenissen, vijftigduizend jaar geleden, om Minerva draaide - en de maan die vandaag de dag aan de hemel boven de Aarde schijnt - zijn een en dezelfde' Drie seconden lang gebeurde er niets.

Toen snakte men overal in de donkere zaal naar adem van ongelovigheid. Mensen gebaarden tegen hun buren terwijl sommigen zich smekend omdraaiden en in de rij achter hen om commentaar vroegen. Plotseling was de hele zaal een rumoer van gemompelde opmerkingen.

`Kan nooit!'

`Allemachtig - hij heeft gelijk!'

`Natuurlijk... natuurlijk...'

`Het moet wel...'

'Geleuter!'

Hunt staarde onbewogen vanaf het scherm, alsof hij het tafereel gadesloeg. Hij had de duur van de reactie goed geschat. Net toen de warboel van stemmen wegstierf begon hij weer te spreken.

'We weten dat de maan waar Charlie zich op bevond onze maan was - omdat we hem daar hebben gevonden, omdat we de stukken terrein die hij beschreef kunnen identificeren, omdat we een overvloed aan bewijs hebben van een omvangrijke Lunarische aanwezigheid daar en omdat we bewezen hebben dat er een heftige strijd met nucleaire en nucleonische wapens heeft plaatsgevonden. Maar die zelfde maan moet ook de satelliet van Minerva zijn geweest. De vlucht vanaf de planeet duurde maar twee dagen - dat zegt Charlie en we weten zeker dat we zijn tijdstelsel kunnen interpreteren. Er stonden daar wapens die op doelen op Minerva konden vuren en een treffer werd bijna ogenblikkelijk waargenomen; en als dat nog niet genoeg is: Charlie kon nog geen tien meter van waar we hem hebben gevonden details onderscheiden van de oppervlakte van Minerva. Die dingen konden alleen waar zijn als de maan in kwestie zich binnen zeg driekwart miljoen kilometer van Minerva bevond.

De enige logische verklaring is dat beide manen een en dezelfde waren. We hebben ons al een hele tijd afgevraagd of de Lunarische beschaving zich ontwikkelde op de Aarde of op Minerva. Uit het verslag zoals ik dat heb gegeven blijkt duidelijk dat het Minerva was. We dachten dat we twee tegenstrijdige verzamelingen gegevens hadden, waarvan de een ons zei dat het de Aarde was en de ander op het tegendeel wees. Maar we hadden de informatie fout geinterpreteerd. Het zei ons helemaal niet iets dat te maken had met de Aarde of Minerva - het zei ons iets over de maan van de Aarde of Minerva! Uit sommige feiten maakten we op dat het om de maan van de Aarde ging terwijl we uit andere opmaakten dat het om de maan van Minerva ging. Zolang we er volkomen onbewust het denkbeeld bij bleven slepen dat de twee manen verschillend waren, kon de tegenstrijdigheid tussen deze twee groepen feiten niet verholpen worden. Maar als we, zuiver binnen de logische beperkingen van de situatie, de stelling poneren dat beide manen dezelfde waren, dan verdwijnt die tegenstrijdigheid als sneeuw voor de zon.'

De toehoorders schenen in een shocktoestand te verkeren.

Vooraan zat iemand half in zichzelf en half hardop 'Natuurlijk... natuurlijk...' te mompelen.

'We hoeven nu alleen nog maar deze veronderstellingen te rijmen met de situatie zoals we die vandaag de dag om ons heen zien. Er is weer slechts een verklaring mogelijk.

Minerva explodeerde en werd verstrooid en vormde de asteroidengordel. We zijn er vrij zeker van dat het grootste gedeelte van de massa in de buitenste regionen van het zonnestelsel werd geworpen en Pluto werd. De maan bleef intact, hoewel enigszins geteisterd. Tijdens de veranderingen in de zwaartekracht die plaatsvonden toen de moederplaneet uit elkaar spatte, werd het omloopsmoment van de satelliet om de zon verminderd en begon hij naar binnen te vallen.

Het is onmogelijk om te weten te komen hoe lang de verweesde maan gestaag dichter naar de zon viel. Misschien duurde de reis maanden, misschien jaren. Toen kwam er een van die kansen van een op de miljoen die soms voorkomen in de natuur. De baan die de maan volgde voerde hem dicht langs de Aarde die tot die tijd zijn eigen eenzame pad had gevolgd rond de zon!' Hunt zweeg een paar seconden lang. 'Ja, ik herhaal, eenzame pad! Ziet u, als we de verklaring willen aanvaarden die volgens mij de enige bevredigende oplossing biedt, dan moeten we ook de gevolgtrekking aanvaarden: dat tot op dat tijdstip, zo'n vijftigduizend jaar geleden, de Aarde geen maan had! De twee lichamen kwamen zo dicht bij elkaar dat ze door hun respectievelijke zwaartekrachtvelden vastgehouden werden; de nieuwe, gezamenlijke baan bleek stabiel te zijn en de Aarde adopteerde een vondeling die ze tot de dag van vandaag heeft gehouden.

Als we die verklaring aanvaarden, dan kloppen er opeens een hoop andere dingen die problemen hebben veroorzaakt. Neem bij voorbeeld het extra materiaal dat het grootste gedeelte van de achterkant van de Maan bedekt en waarvan is aangetoond dat het van recente oorsprong is en daarbij het dateren van alle kraters aan de achterkant en sommige aan de voorkant uit de tijd waar we het over hebben. Nu hebben we een gemakkelijke verklaring. Toen Minerva ontplofte, bevond wat nu de Maan is zich precies in het pad van al het puin. Zo is de meteorietenstorm ontstaan. Zo zijn bijna alle sporen van de Lunarische aanwezigheid weggevaagd. Waarschijnlijk liggen er nog talloze overblijfselen van hun bases, installaties en voertuigen te wachten op ontdekking - driehonderd meter onder de oppervlakte aan de achterkant. We geloven dat het emplacement van de annihilator bij Seltar zich aan de achterkant bevond. Dat wijst erop dat wat nu voor de Aarde de achterkant is, de voorkant was voor Minerva; daarom klopt het dat het grootste gedeelte van de meteorietenstorm op die plek is neergekomen.

Charlie schijnt op het Maanoppervlak andere kompasstreken te hebben gebruikt dan de onze, wat duidt op een verschillende noord-zuidas. Nu weten we waarom. Sommige mensen hebben gevraagd waarom er geen spoor was van een vergelijkbare toename in het aantal meteorieten op Aarde op het tijdstip dat de Maan zo'n intens bombardement onderging. Daar zijn we nu ook achter: toen Minerva ontplofte, was de Maan vlak in de buurt, maar de Aarde niet. En nog een laatste punt van Maanfysica - we weten al meer dan een halve eeuw dat de Maan uit een andere mengeling van rotssoorten bestaat dan die welke op Aarde worden aangetroffen. Er zijn er daar weinig met een laag en veel met een hoog smeltpunt. De geleerden hebben al lang gespeculeerd dat de Maan mogelijk in een ander deel van het zonnestelsel gevormd zou kunnen zijn. Dat blijkt inderdaad waar te zijn als wat ik heb gezegd juist is.

In sommige verklaringen werd gesuggereerd dat de Lunariers vooruitgeschoven bruggehoofden hadden opgezet op de Maan. Zo kon hun aanwezigheid daar gerijmd worden met een evolutionaire oorsprong op Minerva. Maar dat wierp een even problematische vraag op: waarom worstelden ze om de interplanetaire ruimtevaarttechnologie onder de knie te krijgen als ze die al gehad moesten hebben? In de verklaring die ik heb gegeven verdwijnt dit probleem.

Ze hadden hun eigen maan bereikt, maar ze waren nog niet in staat om grote aantallen mensen te verplaatsen naar zo'n afgelegen planeet als de Aarde. Het is nu ook niet nodig om de niet gestaafde opvatting naar voren te brengen dat er op een van de twee planeten een Lunarische kolonie was; het zou in beide gevallen dezelfde vraag oproepen.

En ten slotte kan er vanuit dit oogpunt ook een onopgelost oceanografisch raadsel worden verklaard. Onderzoek naar getijdenbewegingen heeft aangetoond dat er ongeveer rond die tijd catastrofale beroeringen op een wereldwijde schaal plaatsvonden op Aarde, wat resulteerde in een plotselinge toename van de lengte van de dag en een toename in de snelheid waarmee die dag verlengd wordt door de wrijving der getijden. De komst van Minerva's maan zou beslist enorme beroeringen in de zwaartekracht en de getijden veroorzaken. Hoewel de precieze mechanica op het moment nog niet erg duidelijk is, lijkt het erop dat de kinetische energie die de maan van Minerva verzamelde toen hij naar de zon viel, gebruikt is voor het neutraliseren van een deel van de rotatie-energie van de Aarde, wat een langere dag ten gevolge had. Sinds die tijd valt er ook een toename van de wrijving der getijden te verwachten. Voordat de Maan verscheen, ondervond de Aarde alleen zonnegetijden terwijl er vanaf dat tijdstip tot op heden zowel zonne- als maangetijden zijn.'

Hunt liet zijn open hand zien ten teken dat hij klaar was en leunde achterover in zijn stoel. Hij legde de stapel aantekeningen op zijn bureau recht voor hij besloot met: 'Dat was het. Zoals ik al eerder heb gezegd is het in dit stadium nog niet meer dan een hypothese die alle feiten verklaart.

Maar er zijn enkele dingen die we kunnen doen om de juistheid ervan te onderzoeken.

Om te beginnen hebben we een flinke hap van Minerva die over de hele achterkant ligt opgestapeld. Het recente materiaal lijkt zoveel op het oorspronkelijke maanmateriaal dat het jaren duurde voor er iemand besefte dat het er pas kort geleden aan was toegevoegd. Dat ondersteunt het idee dat de Maan en de meteorieten zijn ontstaan in hetzelfde deel van het zonnestelsel. Ik zou voor willen stellen dat we een gedetailleerde vergelijking maken tussen gegevens van het materiaal van de achterkant en gegevens van het asteroidenonderzoek. Als de resultaten erop wijzen dat ze allebei uit hetzelfde spul bestaan en van dezelfde planeet afkomstig schijnen te zijn, dan zou het hele idee aardig gestaafd zijn.

Nog iets waar verder aan gewerkt moet worden is een wiskundig model van het proces waardoor de Aarde en de Maan elkaar vingen. We weten heel wat over de oorspronkelijke toestand zoals die vroeger geweest moet zijn en natuurlijk nog veel meer over de toestand zoals die nu is. Het zou geruststellend zijn om te weten dat er voor de betrokken vergelijkingen oplossingen bestaan die toelaten dat de ene situatie in de andere verandert volgens de normale wetten der natuurkunde. Het zou in ieder geval prettig zijn om te bewijzen dat het hele idee niet onmogelijk is.

Ten slotte hebben we natuurlijk het Ganymese schip hier.

Ongetwijfeld ligt er nog een hoop nieuwe informatie te wachten op ontdekking - veel meer dan waarmee we tot dusver hebben moeten werken. Ik hoop dat zich ergens in het schip astronomische gegevens zullen bevinden die ons iets kunnen vertellen over het zonnestelsel ten tijde van de Ganymeden. Als we bij voorbeeld vast zouden kunnen stellen of de derde planeet vanaf de zon in hun zonnestelsel al dan niet een satelliet had, of als we genoeg te weten zouden kunnen komen over hun maan om hem te identificeren als onze huidige Maan - door het herkennen van kenmerken aan de voorkant, bij voorbeeld - dan zou de hele theorie al voor een aardig deel bewezen zijn.

Dit besluit het rapport.

Persoonlijk postscriptum voor Greg Caldwell...' Het beeld van Hunt werd vervangen door een landschap dat een wildernis van ijs en rotsen vertoonde. 'Dat oord waar je ons naar toe hebt gestuurd, Greg - de post wordt niet al te vaak opgehaald, dus kon ik geen ansicht sturen. Het is meer dan honderd graden onder nul; er is geen noemenswaardige atmosfeer en wat er wel is is giftig; je kan alleen maar terug met een Vega en de dichtstbijzijnde Vega is hier elfhonderd kilometer vandaan. Ik wou dat je hier was om mee te genieten van alle pret, Greg - niets zou ik liever willen!

V. Hunt vanuit Basis Mijningang op Ganymedes. Einde uitzending.'

Vierentwintig.

Het langverwachte antwoord op de vraag waar de Lunariers vandaan kwamen en hoe ze terecht waren gekomen waar ze waren ontdekt, deed een golf van opwinding door de wetenschappelijke wereld gaan en veroorzaakte een nieuwe, razende activiteit van de nieuwsmedia. De verklaring van Hunt leek volledig en logisch. Er waren maar weinig bezwaren of meningsverschillen omdat er niet veel punten waren in het verslag waar je bezwaar tegen kon hebben of van mening over kon verschillen.

Hunt had daardoor volledig aan de eisen van zijn instructies voldaan. Hoewel het detailwerk tussen de verschillende takken van wetenschap nog een hele tijd lang overal ter wereld zou voortduren, was de formele betrekking van de VNR bij de zaak min of meer voorbij. Dus werd Project Charlie beeindigd. Dan was er nog Project Ganymeden over, dat net een aanvang nam. Alhoewel hij nog geen officiele opdracht had ontvangen van de Aarde die dat vermeldde, had Hunt het gevoel dat Caldwell het buitenkansje dat door de aanwezigheid van Hunt op Ganymedes werd geboden, net nu de kern van de aandacht zich verplaatste van de Lunariers naar de Ganymeden, niet voorbij zou laten gaan. Met andere woorden, het zou nog wel een tijdje duren voor hij aan boord stapte van een kruiser met bestemming Aarde.

Een paar weken na de publicatie van de interim-conclusies van de VNR, hielden de Navcomm-geleerden op Ganymedes een feestelijk diner in de officiersmess van Mijningang om de succesvolle beeindiging van een voornaam deel van hun taak te markeren. De avond was in het warme en joviale stadium gekomen dat wordt bereikt als de schotels van de laatste gang zijn weggeruimd en men geniet van sigaren en likeur. Spraakzame groepjes stonden en zaten in een verscheidenheid van houdingen rond de tafels en aan de bar en het bier, de cognac en de oude port begonnen vrijelijk te stromen. Hunt zat bij een groepje natuurkundigen aan de bar en besprak het laatste nieuws over de Ganymese veldaandrijving terwijl achter hen een andere kring disputeerde over de waarschijnlijkheid of binnen twintig jaar een wereldregering zou worden ingesteld. Danchekker was het grootste gedeelte van de avond ongewoon stil en teruggetrokken geweest.

'Als je er over nadenkt, Vic, zou dit wel eens het ultieme wapen kunnen worden van de interplanetaire oorlogvoering,' zei een van de natuurkundigen. 'Gebaseerd op dezelfde principes als de aandrijving van het schip maar veel krachtiger, en met een veel intensere en plaatselijker uitwerking. Het zou een zwart gat opwekken dat zou blijven bestaan, zelfs nadat de generator die het had gemaakt erin was gevallen. Denk je eens in - een kunstmatig veroorzaakt zwart gat. Het enige dat je zou hoeven te doen is het apparaat in een geschikte draagraket monteren en het afvuren op een planeet die je niet bevalt. Hij zou naar het middelpunt vallen en de hele planeet opslokken - en het zou onmogelijk zijn om het tegen te houden.'

Hunt keek geintrigeerd. 'Bedoel je dat het zou kunnen werken?'

'Volgens de theorie wel.'

'Jezus, hoe lang zou dat ding er over doen - om een planeet weg te vagen?'

'Dat weten we nog niet; dat stuk zijn we nog aan het onderzoeken. Maar er zit nog meer aan vast. Er is geen reden waarom je geen ster zou kunnen vernietigen met gebruik van dezelfde methode. Denk je dat eens in als wapen - een zwart-gatbom zou een heel zonnestelsel kunnen verwoesten. Daar lijken nucleonische wapens kinderspeelgoed bij.'

Hunt begon te antwoorden maar een stem uit het midden van de kamer onderbrak hem, roepend om zichzelf verstaanbaar te maken boven het gegons van de conversatie. Het was de stem van de commandant van Basis Mijningang, de speciale gast bij het diner.

'Mag ik uw aandacht,' riep hij. 'Mag ik even uw aandacht, alstublieft.' Het lawaai stierf weg toen alle gezichten op hem gericht werden. Hij keek om zich heen tot hij er zeker van was dat iedereen luisterde. 'U heeft me hier vanavond uitgenodigd om samen met u de succesvolle voltooiing te vieren van wat waarschijnlijk een van de meest uitdagende, meest verbazingwekkende en meest lonende projecten is geweest waarbij u ooit betrokken zult zijn.

U heeft te kampen gehad met moeilijkheden, tegenstrijdigheden en onenigheden, maar dat behoort nu allemaal tot het verleden. De taak is volbracht. Mijn felicitaties.'Hij wierp een blik op de klok boven de bar. 'Het is middernacht een passend tijdstip, lijkt me, om een toast voor te stellen op de man die deze hele zaak aan het rollen heeft gebracht, waar hij ook mag zijn.' Hij hief zijn glas op. 'Op Charlie.'

'Op Charlie,' antwoordden ze in koor.

'Neef' Er donderde een stem van achter uit de zaal. Hij klonk vastberaden en gedecideerd. Iedereen draaide zich om en keek Danchekker vol verbazing aan.

'Nee,' herhaalde de professor. 'Daar kunnen we nog niet op drinken.'

Er was geen spoor van aarzeling of verontschuldiging in zijn manier van doen. Zijn daad was duidelijk beredeneerd en berekend.

'Wat is de moeilijkheid, Chris?' vroeg Hunt terwijl hij naar hem toe liep.

'Ik ben bang dat dit nog niet het einde is.'

`Hoe bedoel je?'

`Die hele zaak van Charlie- Er zit meer aan vast - meer dan ik tegen iemand heb willen zeggen, omdat ik geen bewijs heb. Er volgt echter nog een implicatie uit alles wat is afgeleid - iets dat zelfs nog moeilijker te aanvaarden is dan de onthullingen gedurende de laatste paar weken.'

De feestelijke sfeer was verdwenen. Plotseling waren ze weer bij hun werk betrokken. Danchekker liep langzaam naar het midden van de zaal en bleef staan met zijn handen op de rug van een stoel. Hij staarde even naar de tafel, haalde toen diep adem en keek op.

'De moeilijkheid met Charlie en de rest van de Lunariers die nog niet aangeroerd is, is deze: ze waren gewoon te menselijk.'

Er verschenen hier en daar verbaasde blikken. Iemand draaide zich naar zijn buurman en haalde zijn schouders op.

Ze keken allemaal zwijgend naar Danchekker.

`Laten we eens even enkele fundamentele beginselen van de evolutie recapituleren,' zei hij. 'Hoe ontstaan er verschillende diersoorten? Nou, we weten dat varianten van een bepaalde soort voortkomen uit mutaties die door verschillende dingen worden veroorzaakt. Uit de elementaire genetica vloeit voort dat binnen elke zich vrijelijk vermengende en zich kruisende gemeenschap een nieuw kenmerk de neiging zal hebben om afgezwakt te worden en binnen relatief weinig generaties zal verdwijnen. Maar-' de stem van de professor werd dodelijk serieus, 'als delen van die gemeenschap wat betreft de voortplanting van elkaar geisoleerd worden - bij voorbeeld door een aardrijkskundige scheiding, door een splitsing van gedragspatronen of door seizoensverschillen in de paringstijd - dan wordt afzwakking door kruising voorkomen. Als er een nieuw kenmerk verschijnt binnen een geisoleerde groep, dan zal die beperkt blijven tot en versterkt worden binnen die groep; zo zal die groep dus generatie na generatie divergeren van de andere groep of groepen waarvan hij geisoleerd is. Ten slotte ontstaat er een nieuwe soort. Dit is een basisprincipe van het hele idee van evolutie; als er isolatie bestaat dan moet er divergentie voorkomen. De oorsprong van alle diersoorten op Aarde kan teruggevolgd worden naar het bestaan, op een of ander tijdstip, van het een of andere mechanisme van isolatie tussen varianten van een enkele soort. De fauna die eigen is aan Australie en Zuid-Amerika toont bij voorbeeld aan hoe snel de divergentie intreedt, zelfs als de isolatie nog maar korte tijd bestaat.

Nu schijnen we ervan overtuigd te zijn dat gedurende bijna vijfentwintig miljoen jaar twee groepen Aardse dieren - een op de Aarde, de andere op Minerva - in volslagen isolatie evolueerden. Als een geleerde die volledig de geldigheid aanvaardt van het principe dat ik zojuist heb geschetst, aarzel ik niet te zeggen dat divergentie tussen deze twee groepen plaats moet hebben gevonden. Dat is natuurlijk evenzeer van toepassing op de primatenlijnen die op beide planeten vertegenwoordigd waren.'

Hij zweeg en keek van de een naar de ander van zijn collega's. Hij wachtte een reactie af. De reactie kwam van de andere kant van de zaal.

'Ja, ik begrijp nu wat u bedoelt,' zei iemand. 'Maar waarom zouden we gissen? Wat heeft het voor zin om te zeggen dat ze hadden moeten divergeren als het duidelijk is dat dat niet is gebeurd?'

Danchekker grijnsde breed en liet zijn tanden zien. 'Hoe weet u dat dat niet is gebeurd?' daagde hij uit.

De vragensteller stak zijn armen hulpzoekend op. 'Door wat ik zie - ik kan zien dat het niet is gebeurd.'

'Wat ziet u dan?'

'Ik zie mensen. Ik zie Lunariers. Ze zijn eender. Ze zijn dus niet gedivergeerd.'

'O nee?' De stem van Danchekker sneed als een zweepslag door de lucht. 'Of doen jullie allemaal dezelfde onbewuste veronderstelling die iedereen heeft gedaan?

Laat ik de feiten nog eens nalopen, zuiver uit een objectief oogpunt. Ik zal gewoon de dingen die we waarnemen opnoemen, en geen veronderstellingen doen, bewust of niet, over hoe ze passen bij wat we denken dat we al weten.

Ten eerste: de twee gemeenschappen waren geisoleerd.

Dat staat vast.

Ten tweede: vandaag de dag, vijfentwintig miljoen jaar later, zien we twee groepen individuen, wijzelf en de Lunariers. Dat staat ook vast.

Ten derde: wij en de Lunariers zijn gelijk. Ook dat staat vast.

Als we nu het principe aanvaarden dat zich divergentie moet hebben voorgedaan, wat moeten we dan concluderen?

Vraag het uzelf af - wat zou elke geleerde afleiden als hij werd geconfronteerd met die feiten en verder niets?'

Danchekker keek hen aan, tuitte zijn lippen en wiebelde op zijn hielen heen en weer. Er heerste stilte in de zaal, die na een paar seconden werd verbroken doordat hij stilletjes en zonder wijsje voor zich uit begon te fluiten.

'Jezus...!' De uitroep was afkomstig van Hunt. Hij staarde de professor met onverholen ongeloof aan. 'Ze kunnen niet van elkaar geisoleerd zijn geweest,' wist hij ten slotte langzaam en hortend uit te brengen. 'Ze moeten allebei van dezelfde...' De woorden stierven weg.

Danchekker knikte met klaarblijkelijke tevredenheid.

'Vic heeft begrepen wat ik bedoel,' deelde hij het gezelschap mee. 'Ziet u, de enige logische gevolgtrekking die gemaakt kan worden aan de hand van de beweringen die ik net heb opgesomd is deze: als we nu twee identieke vormen waarnemen, dan moeten die beide afkomstig zijn uit dezelfde geisoleerde groep. Met andere woorden, als er twee lijnen geisoleerd waren die zich afgetakt hebben, dan moeten beide vormen van dezelfde aftakking afkomstig zijn!'

'Hoe kan je dat nou zeggen, Chris?' drong iemand aan.

'We weten dat ze van verschillende aftakkingen afkomstig zijn.'

'Wat weet je dan?' fluisterde Danchekker.

'Nou, ik weet dat de Lunariers onstaan zijn uit de aftakking die geisoleerd was op Minerva...'

'Akkoord.'

'...en ik weet dat de mens ontstaan is uit de aftakking die geisoleerd was op Aarde.'

'Hoe weet je dat?'

De vraag echode luid langs de muren, als een pistoolschot.

`Nou... ik...' De spreker maakte een hulpeloos gebaar.

`Hoe moet ik zo'n vraag nou beantwoorden? Het... het is duidelijk.'

`Precies!' Danchekker ontblootte zijn tanden weer. 'Je neemt het aan - net zoals iedereen! Dat is een deel van de conditionering waarmee je bent opgegroeid. Men neemt dat al de hele geschiedenis van de mensheid lang aan, en het is natuurlijk - er is nooit reden geweest om iets anders te veronderstellen.' Danchekker rechtte zijn rug en staarde de zaal strak aan. 'Nu begrijpen jullie misschien waar dit allemaal om gaat. Ik stel dat, afgaande op het bewijs dat we net hebben onderzocht, de mensheid helemaal niet is ontstaan op de Aarde. Ze is ontstaan op Minerva!'

'O, Chris, werkelijk...'

'Dit begint belachelijk te worden...'

Danchekker hamerde meedogenloos verder: 'Want als we aanvaarden dat er divergentie moet hebben plaatsgevonden, dan moeten zowel wij als de Lunariers ontstaan zijn op dezelfde planeet, en we weten al dat zij ontstaan zijn op Minerva!'

Er ging een gemompel van opwinding, vermengd met protesten door de zaal.

'Ik beweer dat Charlie niet gewoon een in de verte verwante neef is van de mens - maar dat hij onze rechtstreekse voorouder is!' Danchekker wachtte niet op commentaar, maar ging verder op dezelfde dringende toon: 'En ik geloof dat ik u een verklaring kan verschaffen van onze eigen herkomst die geheel verenigbaar is met deze deducties.'

Er viel een plotselinge stilte in de zaal. Danchekker keek zijn collega's een paar seconden lang aan. Toen hij het woord weer nam, sprak hij met een kalmere en meer objectieve stem.

'We weten uit Charlies verslag van zijn laatste dagen dat er nog enkele Lunariers in leven waren op de Maan nadat de strijd was geluwd. Charlie was er zelf een van.

Hij overleefde het wel niet lang, maar we mogen aannemen dat er anderen waren - wanhopige groepjes zoals die hij beschreef - die verspreid waren over het Maanoppervlak.

Er moeten er veel zijn omgekomen tijdens de meteorietenstorm aan de achterkant, maar sommigen, zoals het groepje van Charlie, bevonden zich aan de voorkant toen Minerva explodeerde en hen bleef het ergste van het bombardement bespaard. Zelfs een lange tijd later, toen de Maan zich eindelijk stabiliseerde in een baan rond de Aarde, was er nog een handvol overlevenden over die omhoog staarden naar de nieuwe wereld die aan hun hemel hing. Waarschijnlijk waren enkele van hun schepen nog bruikbaar misschien maar een, of twee, of een paar. Er was maar een uitweg mogelijk. Hun wereld had opgehouden te bestaan, dus kozen ze de enige weg die nog voor hen open lag en vertrokken in een laatste, wanhopige poging om te landen op Aarde. Er was geen weg terug - er was niets waarnaar ze terug konden keren.

Dus moeten we concluderen dat hun poging is geslaagd.

Precies welke gebeurtenissen er volgden nadat ze waren opgedoken in de ijstijd, zullen we waarschijnlijk nooit met zekerheid weten. Maar we mogen aannemen dat ze generaties lang op het randje van de ondergang balanceerden.

Hun kennis en hun bekwaamheden moeten verloren zijn gegaan. Geleidelijk vielen ze terug tot primitiviteit en veertigduizend jaar lang worstelden ze mee in de algemene strijd om de overleving. Maar ze overleefden het inderdaad. Ze overleefden het niet alleen, ze consolideerden zich, breidden zich uit en gedijden. Vandaag de dag overheersen hun afstammelingen de Aarde, net zoals ze Minerva overheersten - u, ik en de rest van de mensheid.'

Er volgde een lange stilte voor iemand iets zei, op een ernstige toon. `Chris, als we voorlopig aannemen dat alles is gebeurd zoals je net hebt gezegd, dan is er toch nog een punt dat me dwarszit: als wij en de Lunariers allebei afkomstig zijn van de Minervische lijn, wat is er dan gebeurd met de andere lijn? Waar is die vertakking die zich op Aarde ontwikkelde gebleven?'

`Een goede vraag.' Danchekker knikte goedkeurend. `We weten uit de fossiele historie van de Aarde dat er tijdens de periode na de bezoeken van de Ganymeden verschillende ontwikkelingen in de richting van de mens plaatsvonden. We kunnen die historie heel duidelijk terugvolgen tot het tijdstip in kwestie, zo'n vijftigduizend jaar geleden.

op dat tijdstip vertegenwoordigde de Neanderthaler het meest geavanceerde stadium dat op Aarde was bereikt. Nu zijn de Neanderthalers altijd een beetje een raadsel geweest.

Ze waren gehard, sterk en qua intelligentie superieur aan al hun voorgangers en aan alles wat tegelijkertijd met hen bestond. Ze schenen heel geschikt te zijn om de concurrentie van de ijstijd te overleven en je zou denken dat ze gedurende het tijdperk dat daarop volgde een overheersende positie zouden hebben ingenomen. Maar dat gebeurde niet.

Tussen de veertig- en vijftigduizend jaar geleden stierven ze op een vreemde, haast mysterieuze wijze uit. Blijkbaar waren ze niet in staat om met succes te wedijveren met een nieuw en veel geavanceerder type mens wiens plotselinge verschijning, als uit het niets, altijd een der onopgeloste raadsels van de wetenschap is geweest: Homo Sapiens wij !'

Danchekker bekeek de gezichten voor hem en knikte langzaam om hun vermoedens te bevestigen.

`Nu begrijpen we natuurlijk hoe dat kwam. Hij verscheen inderdaad uit het niets. We zien waarom er zich geen duidelijke reeks fossielen in de bodem van de Aarde bevindt die Homo Sapiens verbindt met de keten van vroegere Aardse zoogdieren: hij is hier niet ontstaan. En we begrijpen nu wat de Neanderthalers zo meedogenloos en zo volkomen heeft verpletterd. Hoe zouden ze kunnen wedijveren met een geavanceerd ras dat was grootgebracht met de oorlogscultus van Minerva?'

Danchekker zweeg en liet zijn blik langzaam langs de cirkel van gezichten glijden. Iedereen leek versuft te zijn door deze mentale slagenregen.

`Zoals ik al heb gezegd, volgt dit zuiver als een reeks van redeneringen uit de waarnemingen waarmee ik ben aangevangen. Ik kan u geen bewijs bieden om het te staven. Ik ben er echter van overtuigd dat zulk bewijs wel degelijk bestaat. Ergens op Aarde moeten de overblijfselen van de Lunarische ruimtevaartuigen die die laatste reis vanaf de Maan hebben gemaakt nog bestaan, misschien bedolven onder de modder van een zeebodem, misschien onder het zand van een der woestijngebieden. Er moeten op Aarde nog uitrustingstukken en artefacten bestaan die meegebracht zijn door het kleine handjevol mensen dat het overblijfsel van de Lunarische beschaving vertegenwoordigde. W r op Aarde valt niet te zeggen. Persoonlijk lijken mij het Middenoosten, het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied en de oostelijke regionen van Noord-Afrika de meest waarschijnlijke gebieden. Maar op een dag zal het bewijs dat wat ik gezegd heb juist is, geleverd worden. Dat voorspel ik met het volste vertrouwen.'

De professor liep naar de tafel en schonk zich een glas cola in. De stilte in de zaal ging langzaam over in een toenemende vloed van stemmen. E,n voor een kwamen de standbeelden die hadden staan luisteren weer tot leven.

Danchekker nam een lange teug en bleef een tijdje zwijgend staan terwijl hij zijn glas bestudeerde. Toen keerde hij zich weer naar de zaal.

'Plotseling beginnen er een hoop dingen die we altijd als vanzelfsprekend hebben aangenomen duidelijk te worden.'

De aandacht richtte zich weer op hem. 'Heeft u er ooit wel eens over nagedacht waardoor de mens zo verschilt van alle andere dieren op Aarde? Ik weet dat we grotere hersens en vaardigere handen hebben, enzovoort; ik bedoel nu iets anders. De meeste dieren berusten in hun lot als ze zich in een hopeloze situatie bevinden en komen jammerlijk om.

De mens weet echter van geen opgeven. Hij is in staat om een voorraad koppigheid en veerkracht te verzamelen die op deze planeet zijn weerga niet kent. Hij kan alles wat zijn overlevingskansen bedreigt aanvallen met een agressiviteit zoals de Aarde nog nooit heeft gezien. Dat heeft hem in staat gesteld om alles voor zich weg te vagen, dat is waardoor hij meester over alle dieren is geworden en wat hem heeft geholpen om de winden, de rivieren, de getijden en zelfs de kracht van de zon zelf te temmen. Die koppigheid heeft de oceanen, de hemel en de uitdagingen van de ruimte bedwongen en heeft af en toe geresulteerd in de gewelddadigste en bloeddorstigste perioden in zijn geschiedenis. Maar zonder dat aspect van zijn aard zou de mens zo hulpeloos zijn als de schapen in de wei.'

Danchekker bekeek de gezichten uitdagend. 'Waarvandaan is dat afkomstig? Het lijkt niet te passen bij het bezadigde en kalme evolutiepatroon van de Aarde. Nu begrijpen we waar het vandaan komt: het verscheen als een mutatie onder de zich ontwikkelende primaten die geisoleerd waren op Minerva. Het werd onder de bevolking overgedragen tot het een raskenmerk werd. Het bleek zo'n vernietigend wapen te zijn in de strijd om het bestaan, dat doeltreffende tegenstand ophield te bestaan. Het veroorzaakte zo'n innerlijke drijfkracht dat de Lunariers ruimteschepen bestuurden toen hun tijdgenoten op Aarde nog met stukjes steen speelden.

Die zelfde drijfkracht treffen we vandaag de dag nog aan in de mens. De mens is onkwetsbaar gebleken voor elke uitdaging die het heelal hem heeft voorgeschoteld.

Misschien is die kracht een beetje afgezwakt gedurende de tijd die is verstreken sinds hij voor het eerst verscheen op Minerva; wij hebben aan de rand gestaan van die zelfde afgrond van zelfvernietiging, maar wij zijn teruggestapt. De Lunariers hebben zich er zonder acht te slaan op de gevolgen ingeworpen. Het zou kunnen dat ze daarom geen oplossing zochten door samen te werken - door hun ingebouwde neiging tot geweld waren ze gewoon niet in staat om zo'n oplossing te bedenken.

Maar dat is typisch voor de manier waarop de evolutie werkt. De kracht van de natuurlijke selectie zal altijd zo werken dat er een nieuwe mutatie bepaald en gevormd wordt en dat daar een variatie van wordt behouden die de beste overlevingskansen biedt voor de gehele soort. De oorspronkelijke mutatie waardoor de Lunariers werden wat ze waren, was te extreem en resulteerde in hun ondergang.

De verbetering heeft de vorm gekregen van een afzwakking, wat in een grotere psychologische stabiliteit van het ras resulteert. Daarom hebben wij het overleefd terwijl zij zijn omgekomen.'

Danchekker zweeg even om zijn glas uit te drinken. De standbeelden bleven standbeelden.

'Wat een ongelooflijk ras moet het geweest zijn,' zei hij.

'Denk vooral eens aan het handjevol die bestemd waren om de voorvaderen van de mensheid te worden. Ze hadden een catastrofe ondergaan die wij ons zelfs niet kunnen voorstellen. Ze hadden gezien hoe hun wereld en alles wat vertrouwd was in de hemel boven hen explodeerde.

Daarna, overgelaten aan hun lot in een radioactieve woestenij zonder lucht, water of leven, werden ze verpletterd onder miljarden tonnen Minervisch puin die neerstortten uit de hemel en de vernietiging van al hun verwachtingen completeerde, plus de totale verwoesting van alles wat ze hadden bereikt.

Na het bombardement waren er nog een paar in leven die de weg vonden naar het oppervlak. Ze wisten dat ze maar zo lang konden leven als hun voorraden en machines het uithielden. Ze konden nergens heen, konden nergens plannen voor maken. Ze gaven het niet op. Het was voor hen onmogelijk om het op te geven. Het moet maanden geduurd hebben voor ze beseften dat er door een speling van het lot nog een kleine kans op overleving bestond.

Kunt u zich de gevoelens voorstellen van dat laatste nietige groepje Lunariers toen ze temidden van de verlatenheid van de Maan stonden en omhoog staarden naar de nieuwe wereld die aan de hemel boven hun hoofd scheen terwijl er rondom hen geen enkel leven meer was en voor zover ze wisten er in de rest van het heelal geen leven was? Wat was er voor nodig om die enkele reis naar het onbekende te wagen? We kunnen proberen om het ons voor te stellen, maar we zullen het nooit weten. Wat er ook voor nodig was, ze grepen de laatste strohalm die werd geboden en begonnen aan die reis.

En zelfs dat was nog maar het begin. Toen ze uit hun schepen op de vreemde wereld stapten, kwamen ze in een van de meest meedogenloze periodes van concurrentie en uitroeiing in de geschiedenis van de Aarde terecht. De natuur heerste met een ijzeren hand. Wilde dieren zwierven over de planeet; het klimaat was in beroering door de omwentelingen in zwaartekracht die waren veroorzaakt door de komst van de Maan; misschien werden ze gedecimeerd door onbekende ziekten. Het was een omgeving waarop ze door geen enkele ervaring waren voorbereid.

Toch weigerden ze om op te geven. Ze leerden de bestaanswijze van de nieuwe wereld; ze leerden hoe ze voedsel moesten vergaren door jagen en vallen zetten, hoe ze moesten vechten met speer en knots; ze leerden hoe ze moesten schuilen voor de elementen, hoe ze de taal van de wildernis moesten lezen en interpreteren. En toen ze bedreven werden in die nieuwe kunsten, werden ze sterker en maakten ze langere tochten. De vonk die ze met zich mee hadden gebracht en die hen er aan de rand van de ondergang door had gesleept, begon weer op te gloeien.

Uiteindelijk brandde die gloed los in de vlam die op Minerva alles voor zich had weggevaagd; ze verrezen als een tegenstander die geduchtere en ontzagwekkender was dan alles wat er ooit op de Aarde had bestaan. De Neanderthalers hadden geen schijn van kans - op het moment dat de eerste Lunarier voet op de Aarde zette, waren ze al ten ondergang gedoemd.

Het resultaat ziet u overal om u heen. Wij zijn de onbetwiste meesters van het zonnestelsel en we staan aan de rand van de interstellaire ruimte zelf, net zoals zij, vijftigduizend jaar geleden.'

Danchekker zette zijn glas voorzichtig op de tafel en liep langzaam naar het midden van de zaal. Zijn ernstige blik gleed van oog naar oog. 'En dus, heren, erven wij de sterren,' besloot hij.

'Laat ons op weg gaan en onze erfenis opeisen. We behoren tot een traditie waarin het begrip nederlaag geen betekenis heeft. Vandaag de sterren en morgen de melkwegen. Er bestaat geen enkele macht in het heelal die ons een halt toe kan roepen.'

Epiloog Professor Hans Jacob Zeiblemann van de afdeling paleontologie van de universiteit van Geneve maakte de notitie voor die dag af in zijn dagboek, sloot het boek met een grom en legde het weer op zijn plaats in de blikken doos onder zijn bed. Hij hees zijn massa van honderd kilo overeind, haalde een pijp uit de borstzak van zijn safari-jasje en deed een stap in de tent om hem uit te kloppen tegen de metalen paal die bij de ingang stond. Terwijl hij een nieuwe pluk tabak in de kop stond te stoppen, staarde hij uit over het dorre landschap van de noordelijke Soedan.

De zon was een diepe wond geworden, net boven de horizon waaruit bloedrode vloeibare stralen dropen die kilometers in de omtrek de naakte rotsen doordrenkten. De tent was een van een drietal dat samengedrongen stond op een smalle, zanderige richel. De richel was gevormd onderaan een rotsige vallei met steile wanden, bespikkeld met groepjes ruwe struiken en woestijnplanten die op de bodem van de vallei in bosjes bij elkaar stonden en al gauw verdwenen zonder zich tot op de hellingen aan weerskanten uit te breiden. Op een bredere richel daaronder stonden de tenten van de inlandse arbeiders. Onbestemde geuren die daarvandaan omhoog dreven gaven aan dat ze aan de bereiding van het avondeten waren begonnen. Van verder omlaag klonk het onophoudelijke gemurmel van de beek die ruisend en klaterend en dringend op weg was om zich bij het water van de verafgelegen Nijl te voegen.

Van dichtbij klonk het knarsen van laarzen op grind.

Een paar seconden later verscheen de assistent van Zeiblemann, Jorg Hutfauer. Zijn overhemd was donker en gestreept door het zweet en het vuil.

'Hallo' De nieuwkomer bleef even staan om zijn voorhoofd af te vegen met iets dat ooit een zakdoek was geweest. 'Ik ben gebroken. Een biertje, een bad, eten en dan naar bed - dat is mijn programma voor vanavond.'

Zeiblemann grijnsde. 'Drukke dag gehad?'

'We hebben aan een stuk door gewerkt. We hebben sector vijf uitgebreid tot het onderste terras. De ondergrond is daar helemaal niet zo slecht. We hebben aardige vorderingen gemaakt.'

'Nog iets nieuws?'

'Ik heb deze meegebracht. Ik dacht dat u ze misschien interessant zou vinden. Beneden liggen er nog meer, maar dat kan wel wachten tot u er morgen heengaat.' Hutfauer gaf hem de voorwerpen die hij bij zich had en liep door naar de tent om een blikje bier te bemachtigen uit de stapel kisten en dozen onder de tafel.

'Hmmm...' Zeiblemann draaide het bot rond in zijn handen. 'Menselijk dijbeen... zwaar.' Hij bestudeerde de ongewone kromming en schatte de proporties op het gezicht.

'Neanderthal, zou ik zeggen... of zeer nauw verwant.'

'Dat dacht ik ook.'

De professor legde het fossiel voorzichtig op een blad, bedekte het met een doek, en zette het blad op de kist die net binnen de ingang van de tent stond. Hij raapte een vuurstenen lemmet op, ongeveer zo groot als een hand en eenvoudig maar doeltreffend bewerkt door de verwijdering van lange, dunne schilfers.

'Wat is dit volgens jou?' vroeg hij.

Hutfauer stapte uit de schaduw en bleef even staan om een lange en aangename teug te nemen uit het blikje.

'Nou, de aardlaag schijnt uit het late Pleistoceen te zijn, dus zou ik indicaties van het latere Paleolithicum verwachten - dat komt ook overeen met de manier waarop het bewerkt is. Waarschijnlijk een schraper voor het villen. Op de greep en ook aan het uiteinde van het lemmet bevinden zich plekken met microlieten. Rekening houdend met de vindplaats, zou ik het classificeren als iets dat vrij nauw verwant is aan de Capsiencultuur.' Hij liet het blikje zakken en keek Zeiblemann vragend aan.

'Niet slecht,' zei de professor knikkend. Hij legde de vuursteen op een blad naast het eerste en plaatste het papier met omschrijvingen dat Hutfauer had geschreven ernaast.

'Morgen, als we een beetje beter licht hebben, zullen we het nog eens nader bekijken.'

Hutfauer ging bij hem staan bij de ingang. Ze hoorden aan het gekakel en geschreeuw dat van de richel beneden kwam dat er weer eens een van de eindeloze kleine onderlinge ruzietjes van de inlanders was losgebarsten.

'Er is thee, als iemand trek heeft,' riep een stem vanachter de volgende tent.

Zeiblemann trok zijn wenkbrauwen op en likte zijn lippen. 'Wat een prima idee,' zei hij. 'Kom op, Jorg.'

Ze liepen naar de geimproviseerde keuken waar Rudi Magendorf op een kei gezeten lepels theebladeren uit een blik in een grote borrelende pot water schepte.

'Hallo, professor - hallo, Jorg,' groette hij toen de twee naar hem toe kwamen. 'Over een paar minuten is het klaar.'

Zeiblemann veegde zijn handpalmen af aan de voorkant van zijn jasje. 'Goed zo. Daar heb ik nu echt behoefte aan.'

Hij keek werktuiglijk om zich heen en zag de bladen, bedekt met doeken, die op de schraagtafel naast Magendorfs tent stonden.

'Aha, ik zie dat jij ook bezig bent geweest,' merkte hij op. 'Wat ligt er daar?'

Magendorf volgde zijn blik.

'Jomatto heeft ze ongeveer een half uur geleden meegebracht. Ze komen uit het bovenste terras van sector twee - aan de oostkant. Kijk maar even.'

Zeiblemann liep naar de tafel en haalde de doek van een van de bladen om de netjes uitgestalde verzameling te inspecteren terwijl hij verstrooid in zich zelf mompelde.

'Nog meer schrapers van vuursteen, zie ik... Hmmm...

Dat zou wel eens een vuistbijl kunnen zijn. Ja, ik geloof dat het er een is... Stukjes van een kaak, menselijk... zouden best eens bij elkaar kunnen passen. Schedeldak... Speerpunt van bot... Hmmm...' Hij tilde de lap van het tweede blad en begon de inhoud terloops te bekijken. Plotseling verstijfde hij terwijl hij strak naar iets in een hoek van het blad staarde. Zijn gezicht vertrok zich tot een frons van ongeloof.

'Wat moet dit in godsnaam voorstellen?' brulde hij. Hij liep terug naar de primus met het aanstootgevende voorwerp voor zich uit.

Magendorf haalde zijn schouders op en trok een gezicht.

'Ik vond dat u het maar beter even kon bekijken,' merkte hij op en voegde er toen aan toe: 'Jomatto zegt dat het bij de rest van die serie lag.'

'Wat zegt Jomatto?' vroeg Zeiblemann met hoge stem terwijl hij eerst woest naar Magendorf keek en toen weer naar het voorwerp in zijn hand. 'Godallemachtig) Die man wordt toch verondersteld enig verstand te hebben. Dit is een serieuze wetenschappelijke expeditie...' Hij keek weer naar het voorwerp met neusvleugels die trilden van verontwaardiging. 'Het is duidelijk dat een van de jongens een flauwe grap heeft uitgehaald of zoiets.'

Het was ongeveer het formaat van een groot pakje sigaretten, de polsband niet meegerekend, en boven aan de voorkant bevonden zich vier venstertjes die bedoeld zouden kunnen zijn als elektronische miniatuurschermpjes. Het deed denken aan een chronometer of een rekenmachientje, of misschien was het wel allebei en nog meer ook. De achterkant en de inhoud ontbraken en het enige dat over was, was het metalen omhulsel, enigszins geblutst en gedeukt, maar nog verrassend weinig aangetast door corrosie.

'En staat een rare inscriptie op de polsband,' zei Magendorf terwijl hij twijfelachtig over zijn neus wreef. 'Ik heb nog nooit eerder zulke lettertekens gezien.'

Zeiblemann snoof en tuurde eventjes naar het opschrift.

'Bah! Russisch of zoiets.' Zijn gezicht was nog roder geworden dan de tint die al verleend was door de Soedanese zon. 'Kostbare tijd verspillen met - met rommel uit een speelgoedwinkel!' Hij trok zijn arm achteruit en gooide het polstoestel weg, hoog boven de beek. Het flitste even in het zonlicht voor het neersmakte in de modder aan de rand van het water. De professor staarde er een paar seconden naar en keerde zich toen weer naar Magendorf. Zijn ademhaling was weer normaal. Magendorf hield hem een kroes met dampende bruine vloeistof voor.

'Aha, geweldig,' zei Zeiblemann op een plotseling vriendelijke toon. 'Net waar ik trek in had.' Hij ging in een canvas klapstoel zitten en pakte de aangeboden beker gretig aan. 'Ik zal je eens zeggen wat er wel interessant uitziet, Rudi,' ging hij verder en knikte naar de tafel. `Dat stuk schedel op het eerste blad - nummer negentien. Heb je de vorming van de wenkbrauwbogen gezien? Dat zou heel goed een voorbeeld kunnen zijn van...'

In de modder langs de beek daaronder wiebelde het polstoestel heen en weer door de trillende rimpelingen die elke paar seconden oprezen en het tere evenwicht van de stand waarin het was gevallen verstoorden. Na een poosje werd een richel van zand eronder weggespoeld en kantelde het in een holte, waar het bleef liggen in het wervelende, modderige water. Toen het donker werd was de onderste helft van het omhulsel al begraven onder het slib. De volgende ochtend was de holte verdwenen. Onder het rimpelende oppervlak stak nog maar een schakel van de polsband boven het zand uit. Op de schakel stond een inscriptie die, vertaald, KORIEL zou hebben betekend.