`We komen net langs het vijfde schot sinds we deze gang zijn ingekomen,' deelde de stem op het geluidskanaal de waarnemers mee. 'De wanden zijn glad en lijken van metaal te zijn, maar bedekt met een plasticsoort. Op de meeste plaatsen is het aan het afschilferen. De vloer aan de zijkant is zwart en ziet er rubberachtig uit. Er zitten een hoop deuren in allebei de wanden, allemaal net zo groot als de eerste. Enkele zijn...'
'Wacht eens even, Joe,' onderbrak de stem van de metgezel van de spreker. 'Richt die grote lamp daar eens op...
aan je voeten. Kijk, de deur waar je op staat is een schuifdeur. Hij is niet helemaal dicht.'
Op de schermen was een paar standaard zwaarwerk-laarzen van de VNR zichtbaar die op een metalen paneel stonden in het midden van de lichtvlek. De laarzen schuifelden opzij en onthulden een zwarte spleet van ongeveer dertig centimeter breed die langs een kant van het paneel liep.
Toen stapten ze van het luik op het omringende gebied terwijl hun bezitter klaarblijkelijk de situatie in ogenschouw nam.
'Je hebt gelijk,' kondigde de stem van Joe ten slotte aan.
'Laten we eens kijken of er beweging in te krijgen is.'
Toen volgde er een verwarde opeenvolging van armen, benen, muren, plafonds, licht en duister doordat camera's en lampen doorgegeven en in het rond gewuifd werden.
Toen er een stabiel beeld verscheen, vertoonde het twee dik geklede armen die zich spanden boven de spleet. Ten slotte: 'Gaat niet. Hij zit muurvast.'
'En met de dommekracht?'
'Ja, misschien. Geef eens aan, wil je?'
Er volgde een lange dialoog waarin de dommekracht op zijn plaats werd gemanoeuvreerd en uitgeschroefd. Hij gleed weg. Gemompelde vloeken. Het werd nog een keer geprobeerd. En toen: 'Hij beweegt. Vooruit, jongen... geef eens wat meer licht... Ik denk dat het nu wel makkelijker zal gaan... Kijk eens of je er een voet tegen kan krijgen...'
Op de monitors knarste de grijze plaat langzaam uit het beeld. Een zwarte, bodemloze diepte werd eronder zichtbaar.
'De deur staat voor tweederde open,' hervatte de stem buiten adem. `Daar zit hij vast en we krijgen hem niet verder. We zullen van hieraf even snel een kijkje nemen, en dan zullen we terug moeten gaan om nog een ladder op te halen. Kan iemand er eentje klaar zetten bij de deur die naar deze gang leidt?'
De camera bewoog zich naar de pikdonkere rechthoek.
Een paar seconden later verscheen er een lichtcirkel in het beeld die een stuk van de tegenoverliggende wand bescheen. Het licht begon zich binnenin te verplaatsen en de camera volgde. Borden met wat eruitzag als elektronische instrumenten... de hoeken van kasten... poten van meubilair... delen van schotten... bewogen door de cirkel.
`Er ligt een boel losse troep aan die kant... verplaats het licht eens een beetje...' Verscheidene gekleurde cilinders op een hoop, ongeveer zo groot als jampotten... iets dat op een gevlochten riem leek en er in een wirwar bij lag... een klein grijs doosje met knoppen aan een kant...
`Wat was dat? Richt daar eens even op, Jerry... Nee, een beetje meer naar links.'
Iets wits. Een witte streep.
'Jezus! Moet je eens kijken! Jerry, moet je eens kijken!'
De schedel, die lag te grijnzen in de plas griezelig wit licht, liet zelfs de toeschouwers in de tunnel schrikken.
Maar het was de omvang van het skelet dat hen verbijsterde; geen enkel menselijk wezen had zich ooit kunnen beroemen op een borstkas die te vergelijken viel met die massieve hoepels van bot. Maar afgezien daarvan kon zelfs de minst deskundige van de waarnemers wel zien dat, wie de opvarenden van dit schip ook waren geweest, ze geen gelijkenis vertoonden met de mens.
De stroom van gegevens die opgenomen werd door de camera's flitste terug naar voorverwerkers in de lage regelkamer en vandaar via een kabel naar de oppervlakte van Ganymedes. Nadat ze door de computers in het regelgebouw waren gecodeerd, werden ze door microgolfrepetitors elfhonderd kilometer verder gezonden naar de Hoofdbasis op Ganymedes, tot volle sterkte teruggebracht en opgeseind naar het commandoschip in zijn baan. Daar werd de boodschap ingevoerd in het berichtencomplex, omgezet in krachtige lasermodulaties en ingevoegd in de uitgaande hoofd-verbindingsstraal naar de Aarde. Meer dan een uur lang schoten de gegevens door het zonnestelsel en legden elke seconde driehonderdduizend kilometer af tot de sensors van het langeafstands-relaisbaken, dat maar enkele miljoenen kilometers buiten de baan van Mars om de zon draaide, ze uit het luchtledige visten toen ze nog maar een fractie van hun oorspronkelijke sterkte bezaten. Opnieuw versterkt bereikte het bericht het Diepruimte verbindingsstation dat een gelijkzijdige driehoek vormde met de Aarde en de Maan, en uiteindelijk een synchrone communicatiesatelliet die hoog boven het midden van de vs hing en die de informatie doorseinde naar een grondstation bij San Antonio. Een ondergronds kabelnetwerk voltooide de reis naar VNx-Missiecontrole in Galveston waar de gegevens gulzig opgeslokt werden door de computers van het operatieleidings hoofdkwartier.
Het commandoschip Jupiter Vier had er elf maanden over gedaan om de reuzenplaneet te bereiken. Minder dan vier uur na de ontdekking van het skelet zat de informatie veilig opgeslagen in de computergeheugens van de VN-Ruimtemacht.
Veertien.
De ontdekking van het reusachtige ruimteschip dat ingevroren lag onder de ijsvlakte van Ganymedes was een sensatie, maar in zekere zin niet helemaal onverwacht. De wetenschappelijke wereld had min of meer als een vaststaand feit aangenomen dat er ooit een vergevorderde beschaving had gebloeid op Minerva; als je de argumenten van de orthodoxe evolutionisten accepteerde dan hadden er zelfs op minstens twee planeten - Minerva en de Aarde - voor een deel tegelijkertijd beschavingen bestaan met een gevorderde technologie. Daarom kwam het niet als een volslagen verrassing dat het aanhoudende rondneuzen van de mens in het zonnestelsel meer blijken van vroegere bewoners had blootgelegd. Wat iedereen wel verbaasde was het duidelijke anatomische verschil tussen de Ganymeden - zoals de wezens aan boord van het schip al gauw werden genoemd - en de lichaamsvorm die de Lunariers en de mensheid gemeenschappelijk hadden.
Aan de nog onbeantwoorde vraag of de Lunariers en de Minerviers een en dezelfde waren geweest of niet, werd ogenblikkelijk nog een raadsel toegevoegd: waar vandaan waren de Ganymeden afkomstig en hadden ze op enigerlei wijze iets te maken met de anderen? E,n afgestompte geleerde van de VNR vatte de hele situatie samen door te beweren dat het zo'n beetje tijd werd dat de VNR een afdeling Buitenaardse Beschavingen oprichtte om de hele stomme rotzooi te ontrafelen De pro-Danchekker partij legde deze nieuwe ontwikkeling snel uit als een volledige bevestiging van de evolutietheorie en van de argumenten die ze de hele tijd al naar voren hadden gebracht. Het was duidelijk dat er op ongeveer hetzelfde tijdstip in het verleden intelligent leven was ontstaan op twee planeten in het zonnestelsel; de Ganymeden waren ontstaan op Minerva en de Lunariers op de Aarde. Ze waren los van elkaar voortgekomen uit verschillende lijnen en daarom waren ze anders. Pioniers van de Lunariers hadden contact gemaakt met de Ganymeden en hadden zich op Minerva gevestigd - daarom kon het dat Charlie daar was geboren. Op een zeker tijdstip waren er bijzonder hevige vijandelijkheden uitgebroken tussen de twee beschavingen, wat had geresulteerd in de uitroeiing van beide en de vernietiging van Minerva. Deze redenatie was logisch, aannemelijk en overtuigend. Het enige bezwaar dat er tegenover stond - dat er nooit enig bewijs was gevonden van een Lunarische beschaving op Aarde begon met de dag eenzamer en zwakker te lijken. Deserteurs verlieten het kan-niet-van-de-Aarde-zijn kamp met massa's en voegden zich bij Danchekkers aanzwellende legioenen. Zijn winst aan prestige en geloofwaardigheid was zo groot dat het heel natuurlijk scheen dat zijn afdeling de verantwoordelijkheid op zich nam voor het uitvoeren van de inleidende evaluatie van de gegevens die ze kregen van Jupiter.
Ondanks zijn eerdere scepsis vond Hunt de veronderstelling ook fascinerend. Hij en een groot deel van het personeel van Groep L brachten veel tijd door met het nazoeken van elk beschikbaar archief en dossier op zulke terreinen als archeologie en paleontologie naar enige verwijzing die op het bestaan van een vergevorderd ras op Aarde in het grijze verleden zou kunnen duiden. Ze begaven zich zelfs op het gebied van de oude mythologie en kamden verscheidene pseudowetenschappelijke werken uit om te zien of er iets uitgehaald kon worden dat kon worden bewezen, dat duidde op het werk van superwezens in het verleden. Maar het resultaat was steeds negatief.
Terwijl dat allemaal bezig was, werden er stappen gedaan op een terrein waar al vele maanden bijna geen vorderingen waren gemaakt. De linguisten hadden problemen gekregen; de geringe inhoud van de papieren die op Charlies lichaam waren gevonden hadden gewoon niet genoeg informatie bevat om veel vooruitgang te maken met het ontcijferen van een volkomen nieuwe, buitenaardse taal.
Van de twee kleine boekjes was er een - dat de kaarten en tabellen bevatte en leek op een handig naslagwerkje op zakformaat - samen met de losse papieren gedeeltelijk vertaald en het had het grootste gedeelte van de fundamentele gegevens over Minerva opgeleverd, plus een hele hoop over Charlie. Het tweede boek bevatte een reeks gedateerde notities in handschrift, maar had de herhaalde pogingen tot ontcijfering halsstarrig getrotseerd.
Een paar weken na het opgraven van de ondergrondse overblijfselen van de verwoeste Lunarische basis op de achterkant van de Maan, kwam er een dramatische verandering in die situatie. Tussen de instrumenten die men toen had ontdekt had zich een metalen trommel bevonden die een reeks glazen plaatjes bevatte, en die nogal op de bak van sommige diaprojectors leek. Uit een nader onderzoek van de plaatjes bleek dat het gewone dia's waren, met op elk ervan een dicht op elkaar gepakt patroon van microstippen die onder een microscoop pagina's met gedrukte tekst bleken te zijn. Ine constructie van een systeem van lampen en lenzen om ze op een scherm te projecteren leverde geen moeilijkheden op, en in een klap werd de afdeling Linguistiek de bezitter van een Lunarische bibliotheek. Binnen enkele maanden volgden de resultaten.
Don Maddson, het hoofd van de linguistische sectie, rommelde door de wirwar van papieren en dossiers die de grote tafel langs de linkermuur van zijn kantoor bedolven, koos een losjes aan elkaar geklemd bosje getypte aantekeningen uit en liep terug naar de stoel achter zijn bureau.
`Er is een kopie van deze dingen naar je op weg,' zei hij tegen Hunt die in de stoel tegenover hem zat. `Je kunt de details zelf later wel lezen. Ik zal nu alleen maar het globale beeld geven.'
`Prima,' zei Hunt. `Steek maar van wal.'
`Nou, om te beginnen weten we wat meer over Charlie.
E,n van de documenten die we in een zak aan het rugpak hebben gevonden schijnt zoiets als een militair zakboekje te zijn. Het geeft een ingekorte geschiedenis van sommige dingen die hij gedaan heeft en een lijst met plaatsen waar hij ingedeeld is geweest - iets dergelijks.'
`Militair? Zat hij dan in het leger?'
Maddson schudde zijn hoofd. `Niet helemaal. Voor zover we het kunnen begrijpen maakte hun maatschappij niet veel verschil tussen burger- en militair personeel. Het is eerder dat iedereen bij een verschillende tak van dezelfde grote organisatie hoorde.'
`Een soort volmaakte totalitaire staat?'
`Ja, daar komt het op neer. De Staat had zo'n beetje alles in handen, hij domineerde alle beroepen en legde overal een strenge discipline op. Je ging waar je heen gestuurd werd en je deed wat je gezegd werd; in de meeste gevallen betekende dat de industrie, de landbouw of het leger. Wat je ook deed, de Staat was toch je baas - dat bedoelde ik toen ik zei dat het allemaal verschillende takken van dezelfde grote organisatie waren.'
`Juist. En hoe zit het nou met dat zakboekje?'
`Charlie is geboren op Minerva, dat weten we. Net als zijn ouders. Zijn vader was een soort machineoperateur; zijn moeder werkte ook in de industrie, maar wat ze precies deed snappen we niet. In het boekje staat ook waar hij naar school is geweest en hoe lang, waar hij zijn militaire opleiding heeft gekregen - iedereen scheen een of andere soort militaire opleiding te krijgen - en waar hij elektronica heeft gestudeerd. Alle data staan er ook in.'
`Dus hij (r)ras een soortement elektrotechnicus?' vroeg Hunt.
`Zoiets. Eerder een onderhoudstechnicus dan een ontwerp- of ontwikkelingstechnicus. Hij schijnt zich gespecialiseerd te hebben in militaire uitrusting - er is een lange lijst met indelingen bij gevechtseenheden. De laatste is interessant...'
Maddson zocht een vel uit en gaf het aan Hunt. `Dat is een vertaling van de laatste bladzijde met standplaatsen.
De laatste notitie bestaat uit de naam van een plaats en daarnaast een beschrijving die, als je hem letterlijk vertaalt, "buitenplaneet" betekent. Dat is waarschijnlijk de Lunarische naam voor welk deel van de Maan waar hij dan ook naar toe is gestuurd.'
`Interessant,' stemde Hunt met hem in. `Jullie zijn een hele hoop meer over hem te weten gekomen.'
`Ja, we kennen zijn levensloop heel aardig. Als je hun data omzet in onze eenheden, dan was hij ongeveer tweeendertig jaar oud ten tijde van zijn laatste plaatsing. Maar dat zijn eigenlijk allemaal bijkomstigheden; de details kun je lezen. Ik zou vertellen over het beeld dat we aan het krijgen zijn van de wereld waar hij is geboren.' Maddson zweeg even en raadpleegde zijn aantekeningen weer. Toen hervatte hij: `Minerva was een stervende wereld. Rond de tijd waar wij het over hebben naderde de laatste koude periode van de ijstijd zijn hoogtepunt. Ik heb gehoord dat ijstijden het hele zonnestelsel omvatten; Minerva stond heel wat verder van de zon dan wij, dus je kunt je voorstellen dat de zaken daar niet zo best waren.'
`Je hoeft alleen maar naar de afmetingen van die poolkappen te kijken,' merkte Hunt op.
`Ja, precies. En het werd erger. De Lunarische geleerden hadden uitgerekend dat ze nog minder dan honderd jaar hadden voor de ijsvlakten elkaar zouden ontmoeten en de hele planeet volledig zouden bedekken. Zoals je zou verwachten hadden ze al eeuwenlang astronomie bestudeerd - eeuwen voor Charlie er was, bedoel ik - en ze wisten al een hele tijd dat de toestand eerder slechter dan beter zou worden. Dus waren ze al tijden geleden tot de conclusie gekomen dat er maar een uitweg mogelijk was: vluchten naar een andere wereld. Het probleem was natuurlijk dat generaties lang nadat ze dat idee hadden gekregen, niemand ook maar enig benul had hoe ze het aan moesten pakken. De oplossing moest ergens in de richting van een betere wetenschap en betere technologie liggen. Het werd een soort raciaal streven - het enige dat belangrijk was, waar generatie na generatie naar toe werkte - de ontwikkeling van de wetenschappen die hen naar andere werelden zou brengen waarvan ze wisten dat ze bestonden, voordat het ijs het hele ras wegvaagde.'
Maddson wees naar nog een stapel papieren op de hoek van zijn bureau. `Dat was het voornaamste doel dat de Staat moest bereiken, en omdat er zo enorm veel op het spel stond, werd alles daaraan ondergeschikt gemaakt.
Daarom was het individu vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood ondergeschikt aan de behoeften van de Staat. Het schemerde door in alles wat ze schreven en het werd ze ingehamerd vanaf hun kleutertijd. Die papieren zijn een vertaling van een soort catechismus die ze op school uit hun hoofd moesten leren; het lijkt net van die Nazirommel uit de dertiger jaren.' Op dat punt zweeg hij en keek Hunt vol verwachting aan.
Hunt keek niet-begrijpend. Na een ogenblik zei hij: `Dit klopt niet helemaal. Ik bedoel - hoe konden ze ernaar streven om ruimtevaart te ontwikkelen als ze kolonisten van de Aarde waren? Dan moesten ze het al ontwikkeld hebben.'
Maddson knikte goedkeurend. `Ik dacht al dat je dat zou zeggen.'
`Maar... het is gewoon idioot.'
`Dat weet ik. Het impliceert dat ze oorspronkelijk op Minerva ontstaan moeten zijn - tenzij ze van de Aarde afkomstig waren, alles vergeten waren wat ze wisten en het weer opnieuw moesten leren. Maar dat klinkt ook krankzinnig.'
`Vind ik ook.' Hunt dacht lange tijd na. Uiteindelijk schudde hij met een zucht zijn hoofd. `Het slaat nergens op.
Wat heb je verder nog?'
`Nou, we hebben nu het globale beeld van een volslagen autoritaire Staat die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verlangt van het individu en zo'n beetje alles wat beweegt onder de duim heeft. Voor alles heb je een vergunning nodig; er zijn reis vergunningen, vrijetijds vergunningen, ziekterantsoen vergunningen - zelfs voortplantings vergunningen. Aan alles is een tekort en het wordt met vergunningen gerantsoeneerd - voedsel, alle soorten verbruiksartikelen, brandstof, licht, woonruimte - noem maar op.
En om iedereen in zijn greep te houden maakt de Staat gebruik van een propagandaorganisatie waar je zelfs niet van kunt dromen. Om alles nog erger te maken was er op de hele planeet een wanhopig tekort aan alle soorten mineralen. Dat heeft hun ontwikkeling erg vertraagd. Ondanks hun gezamenlijke inspanningen, was het tempo van hun technologische vooruitgang waarschijnlijk niet zo snel als je zou verwachten. Misschien hadden ze aan honderd jaar niet zoveel tijd als je denkt.' Maddson sloeg een paar vellen om, bekeek het volgende kort en ging toen verder. `Om de zaak nog te verergeren hadden ze ook een groot politiek probleem.'
'Ga verder.'
`Wel, we nemen aan dat toen hun beschaving zich ontwikkelde, hij dezelfde lijnen volgde als de onze - eerst stammen, toen dorpen, steden, naties, enzovoort. Dat lijkt redelijk. Dus ergens gedurende die ontwikkeling zijn ze de verschillende wetenschappen gaan ontdekken, net zoals wij. Zoals te verwachten viel, begonnen op ongeveer hetzelfde tijdstip dezelfde ideeen op te komen bij verschillende mensen in verschillende plaatsen - zoals bij voorbeeld; we moeten hier zien weg te komen. Toen deze ideeen algemeen aanvaard werden, schijnen de Lunariers uitgerekend te hebben dat maar een paar geluksvogels het zouden halen omdat er gewoon niet voldoende hulpbronnen waren. Het was onmogelijk om een hele planeet vol mengen weg te krijgen.'
`Dus zijn ze er om gaan vechten,' merkte Hunt op.
`Inderdaad. Naar mijn mening ontstonden er een hoop naties die zowel met elkaar als met het ijs in een race verwikkeld waren om een technologische voorsprong te krijgen. Iedere andere staat was een rivaal, dus vochten ze het uit. Nog iets dat tot oorlog leidde was het tekort aan mineralen, vooral het tekort aan metaalertsen.' Maddson wees naar een kaart van Minerva die boven de tafel hing. `Zie je die stippen op de ijsvlakten? De meeste waren een combinatie van een fort en een mijnstad. Ze groeven helemaal door het ijs heen om bij de ertslagen te komen en het leger was erbij om ervoor te zorgen dat ze het spul hielden.'
`En zo ging daar het leven. Egoistische mensen, he?'
'ja, generatie na generatie.' Maddson haalde zijn schouders op. `Wie weet? Misschien zouden wij in dezelfde richting gedwongen worden als hier alles snel aan het dichtvriezen was. Hoe het ook zij, de situatie had complicaties.
Ze zaten met het probleem dat ze de hele tijd hun inspanningen en hulpbronnen moesten verdelen over twee verschillende noodzaken: ten eerste, de ontwikkeling van een technologie die een massale interplanetaire emigratie mogelijk zou maken en ten tweede, bewapening en een verdedigingsstelsel om die technologie te beschermen - en er waren toch al weinig hulpbronnen om te verdelen. Hoe zou jij nou zo'n probleem oplossen?'
Hunt dacht een tijdje na.
`Samenwerken?' suggereerde hij.
`Zet dat maar uit je hoofd. Zo dachten ze niet.'
`Dan is er nog maar een andere strategie mogelijk: eerst de tegenstanders wegvagen en dan alles concentreren op het hoofddoel.'
Maddson knikte gedecideerd. `Dat is precies wat ze gedaan hebben. Gedurende hun hele geschiedenis was het haast een natuurlijke levenswijze voor hen dat ze zich in oorlog, of op het randje van de oorlog bevonden. Geleidelijk werden de kleinere jongens geelimineerd tot er, tegen de tijd dat we bij Charlie komen, nog maar twee supermogendheden over waren die allebei een van de twee grote equatoriale continentale landmassa's beheersten...' Hij wees weer naar de kaart. `Cerios en Tambia. Uit verschillende verwijzingen weten we dat Charlie een Cerier was.'
`Alles was dus klaar voor de grote klap.'
`Inderdaad. De hele planeet was een groot fort en fabriek. Op elke centimeter van het oppervlak stonden vijandelijke raketten gericht; de lucht hing vol met bommen in een baan om de planeet die overal neergeplant konden worden. We krijgen de indruk dat, in verhouding tot het patroon van onze eigen beschaving, hun bewapeningsprogramma een groter aandeel had gekregen dan het ruimteonderzoek en snellere vorderingen had gemaakt.' Maddson haalde zijn schouders weer op. `De rest kan je wel raden.'
Hunt knikte langzaam en bedachtzaam. `Het klopt allemaal,' peinsde hij. `Maar het moet wel allemaal een groot bedrog zijn geweest. Ik bedoel, zelfs van de partij die won zouden er uiteindelijk maar een handjevol in staat zijn geweest om weg te komen; ik neem aan dat dat de regeringskliek zou zijn geweest met hun gunstelingen. Jezus! Geen wonder dat ze goeie propaganda nodig hadden; ze-' Hunt brak middenin een zin af en keek Maddson met een eigenaardige uitdrukking aan. `Wacht eens even - er is hier iets dat niet klopt.' Hij zweeg even om zijn gedachten op een rij te zetten. `Ze hadden al interplanetaire ruimtevaart ontwikkeld - hoe zouden ze anders op onze Maan gekomen zijn?'
`Dat vroegen wij ons ook af,' zei Maddson. `Het enige dat we konden bedenken was dat ze misschien al besloten hadden om uiteindelijk naar de Aarde te gaan - dat moest de meest voor de hand liggende keuze zijn. Misschien waren ze wel in staat om een verkenningsgroep op weg te sturen om het daar zo'n beetje af te bakenen, maar konden ze nog geen massavervoer op grote schaal volbrengen.
Waarschijnlijk waren ze niet al te ver van hun doel toen ze het verknalden. Misschien zou alles anders gegaan zijn als ze toen hun middelen bij elkaar gevoegd hadden in plaats van er een krankzinnige oorlog over te beginnen.'
`Dat klinkt aannemelijk,' stemde Hunt met hem in. `Dus Charlie zou deel kunnen hebben uitgemaakt van een vooruitgestuurde verkenningsgroep, alleen hadden hun tegenstanders hetzelfde idee gekregen en liepen ze elkaar tegen het lijf. En toen begonnen ze gaten te blazen in onze Maan.
Stuitend.'
Er volgde een korte stilte.
`Er is nog iets dat ik niet snap,' zei Hunt terwijl hij over zijn kin wreef.
`Wat dan?'
`Nou, hun tegenstanders - de Lambianen. Iedereen van Navcomm loopt maar te roepen dat de oorlog waardoor Minerva het loodje heeft gelegd uitgevochten moet zijn tussen kolonisten van de Aarde - dat moeten Charlies maatjes zijn, de Ceriers - en een buitenaards ras dat autochtoon was op Minerva - de Ganymeden, die te oordelen naar wat jij zei de Lambianen zouden moeten zijn.
We hebben zonet gezegd dat het idee dat de Ceriers van de Aarde afkomstig zouden zijn nergens op slaat, omdat, als ze daar ontstaan waren, ze niet zouden proberen om ruimtevaart te ontwikkelen. We kunnen daar niet honderd procent zeker van zijn, want er zou iets ongewoons gebeurd kunnen zijn, bij voorbeeld dat de kolonie om de een of andere reden een paar duizend jaar lang is geisoleerd.
Maar dat kan je niet zeggen van de Lambianen; die zouden geen nek aan nek rivalen kunnen zijn geweest bij het ontwikkelen van ruimtevaart.'
`Dat hadden ze al, dat staat vast,' voltooide Maddson voor hem. `We hebben ze gevonden op Ganymedes, daar valt niet aan te twijfelen.'
`Juist. En dat schip was ook niet de eerste poging van een beginneling. Weet je, ik begin te geloven dat de Zambianen in ieder geval geen Ganymeden zijn.'
`Ik geloof dat je gelijk hebt,' bevestigde Maddson. `De Ganymeden waren een volkomen verschillende soort. Zou je niet verwachten dat, als zij de Lambiaanse tegenstanders waren, dat op de een of andere manier zou blijken uit de Lunarische geschriften? Maar dat blijkt helemaal niet.
Alles wat we bestudeerd hebben, wijst erop dat de Ceriers en de Lambianen gewoon verschillende naties van hetzelfde ras waren. We hebben bij voorbeeld uittreksels ontdekt uit wat Cerische kranten lijken te zijn, en waar ook politieke cartoons in stonden met Lambiaanse personen erop; die personen zijn getekend als mensen. Dat zou niet zo zijn als de Lambianen er ook maar enigszins uitzagen zoals de Ganymeden er moeten hebben uitgezien.'
`Dus het lijkt erop dat de Ganymeden niets met de oorlog te maken hebben gehad?' concludeerde Hunt.
`Juist.'
`Op wat voor manier zijn ze er dan bij betrokken?'
Maddson toonde zijn open handpalmen. `Dat is nou juist het rare. Het lijkt wel of ze er helemaal niet bij betrokken zijn - wij hebben tenminste niets ontdekt dat eruit ziet als een toespeling op hen.'
`Misschien staan ze er dan wel helemaal buiten. Ik bedoel, we hebben maar verondersteld dat ze van Minerva afkomstig waren; er is helemaal geen bewijs dat dat echt het geval is. Misschien hebben ze wel nooit iets met die planeet te maken gehad.'
`Dat zou best kunnen. Maar ik heb toch het gevoel dat-' De toon van Maddsons bureauscherm onderbrak de discussie. Hij verontschuldigde zich en drukte op een knop om het gesprek aan te nemen.
`Hallo, Don,' zei het gezicht van Hunts assistent, boven in de werkruimten van Groep L. `Is Vic er?' Hij klonk opgewonden. Maddson draaide het toestel rond zodat het in Hunts richting wees.
`Voor jou,' zei hij overbodig.
`Vic,' zei het gezicht zonder inleiding. `Ik heb net naar het verslag gekeken van de laatste tests die we twee uur geleden van Jupiter Vier hebben binnengekregen. Dat schip onder het ijs en die grote jongens binnenin - ze hebben de ouderdom bepaald.' Hij haalde diep adem. `Het ziet er naar uit dat we die Ganymeden wel kunnen wegschrappen uit het hele geval met Charlie. Vic, als alle berekeningen kloppen, dan ligt dat schip daar al zo'n vijfentwintig miljoen jaar!'
Vijftien.
Caldwell deed een stap dichterbij om het drie meter hoge plastic model dat in het midden van een der laboratoria van het Westwood Biologisch Instituut stond nader te bestuderen. Danchekker liet hem meer dan genoeg tijd om de details in zich op te nemen voor hij verder ging.
'Een levensgrote kopie van een Ganymees skelet,' zei hij.
'Gemaakt aan de hand van de gegevens die teruggeseind zijn vanaf Jupiter. De eerste onbetwistbare buitenaardse intelligente levensvorm die ooit door de mens is bestudeerd.' Caldwell keek omhoog naar het hoog oprijzende geraamte, tuitte zijn lippen terwijl hij geluidloos floot en liep rond in een langzame cirkel en toen weer terug naar waar de professor stond. Hunt liet alleen sprakeloos gefascineerd zijn blik op en neer glijden over de volle lengte van het model.
'Die structuur is op geen enkele wijze verwant met die van enig dier dat ooit op Aarde bestudeerd is, levend of uitgestorven,' deelde Danchekker mee. Hij gebaarde ernaar. 'Het is gebaseerd op een inwendig skelet van bot, loopt rechtop op twee benen en heeft bovenaan een hoofd - zoals je kunt zien; maar afgezien van zulke oppervlakkige overeenkomsten is het duidelijk dat hij geevolueerd is uit een volslagen onbekende bron. Neem het hoofd eens als een voor de hand liggend voorbeeld. De bouw van de schedel kan op geen enkele wijze gerijmd worden met die van de bekende gewervelde dieren. Het aangezicht is niet teruggeweken in de onderschedel, maar is een lange, naar beneden wijzende snuit gebleven die bovenaan breder wordt, zodat de ogen en oren wijd uit elkaar staan. De achterkant van de schedel is vergroot om plaats te bieden aan een zich ontwikkelend brein, zoals ook het geval is bij de mens, maar in plaats van een geronde omtrek aan te nemen, puilt hij uit boven de nek om tegenwicht te geven aan het uitstekende gezicht en de kaak. En kijk eens naar de opening in de schedel in het midden van het voorhoofd; ik geloof dat daar een zintuig gezeten zou kunnen hebben dat wij niet bezitten - mogelijk een infrarood detector die ze geerfd hadden van een vleesetende nachtelijke voorouder.'
Hunt liep naar voren, ging naast Caldwell staan en tuurde ingespannen naar de schouders. 'Die verschillen van alles wat ik ooit gezien heb,' merkte hij op. 'Ze bestaan uit... een soort overlappende platen van bot. Volkomen anders dan de onze.'
'Inderdaad,' bevestigde Danchekker. 'Waarschijnlijk een aanpassing van de rudimenten van een voorouderlijke pantsering. En de rest van de romp is ook volkomen vreemd. Onder de schouderplaten bevindt zich een ruggengraat met een stelsel van ribben, zoals u kunt zien, maar de onderste rib - vlak boven de lichaamsholte - heeft zich ontwikkeld tot een massieve hoepel van bot met een steun die zich uitstrekt vanuit een vergrote ruggenwervel. Let nu ook eens op die twee stelsels van aan elkaar gesloten botten aan de zijkanten van de hoepel...' Hij wees ze aan. 'Ze werden waarschijnlijk gebruikt om te assisteren bij de ademhaling door te helpen bij het uitzetten van het middenrif.
Ik vind dat ze verdacht veel lijken op de rudimentaire overblijfselen van een structuur van twee ledematen. Met andere woorden, hoewel dit wezen net zoals wij twee armen had en op twee benen liep, bevonden zich ergens onder zijn vroegere voorouders dieren met drie paren ledematen, geen twee. Dat is op zichzelf al genoeg om elke verwantschap met enig gewerveld dier op onze planeet onmiddellijk uit te sluiten.'
Caldwell bukte zich om het bekken te bestuderen, dat alleen uit een stelsel van dikke staven en steunen bestond om de gewrichtsholten van de dijbenen te bevatten. Het leek totaal niet op de gespreide schotelvorm van het onderste deel van de menselijke romp.
'Hij moet ook vreemde ingewanden hebben gehad,' merkte hij op.
'Het zou kunnen dat de inwendige organen meer gedragen werden door ophanging aan de hoepel erboven dan door steun van onderen,' opperde Danchekker. Hij stapte achteruit en wees op de armen en benen. 'En kijkt u tenslotte eens naar de ledematen. De onderste delen bestaan uit twee botten zoals de onze, maar de bovenarm en de dij zijn anders - die hebben ook een stelsel van twee botten.
Dat zou geresulteerd hebben in een geweldig verbeterde flexibiliteit en het vermogen om een hele reeks bewegingen te maken die nooit nagedaan zouden kunnen worden door een mens. En de hand heeft zes vingers; twee ervan zijn opponerend dus genoot de bezitter ervan in wezen het voordeel twee duimen te hebben. Hij zou gemakkelijk in staat zijn geweest om met een hand zijn veters te strikken.'
Danchekker wachtte tot Caldwell en Hunt elk detail van het skelet grondig en tot hun tevredenheid hadden bestudeerd. Toen ze weer naar hem keken hervatte hij: `Sinds we de ouderdom van de Ganymeden hebben vastgesteld is er een algemene tendens geweest om hen buiten beschouwing te laten als niet meer dan een gelijktijdige ontdekking die geen direct verband had met het Lunarische vraagstuk.
Ik geloof, heren, dat ik nu in staat ben om aan te tonen dat ze wel degelijk een zeer reele relatie hebben met het vraagstuk.' Hunt en Caldwell keken hem vol verwachting aan. Danchekker liep naar een visiepaneel bij de muur van het laboratorium, tikte een code uit en keek toe terwijl het scherm oplichtte en een foto van het skelet van een vis vertoonde.
`Wat valt u daaraan op?' vroeg hij.
Caldwell staarde gehoorzaam een paar seconden lang naar het scherm terwijl Hunt zwijgend stond te kijken.
`Het is een rare vis,' zei Caldwell uiteindelijk. `Goed zegt u het maar.'
'Op het eerste gezicht valt het niet zo op,' antwoordde Danchekker, `maar door een gedetailleerde vergelijking is het mogelijk om de structuur van die vis bot voor bot in verband te brengen met die van het Ganymese skelet. Ze stammen allebei af van dezelfde evolutielijn.'
`Dat is een van die vissen die in de Lunarische basis op de achterkant van de Maan zijn gevonden,' zei Hunt plotseling.
`Exact, dr. Hunt. De vis stamt van zo'n vijftigduizend jaar geleden en het Ganymese skelet van zo'n vijfentwintig miljoen jaar. Uit anatomische beschouwingen blijkt duidelijk dat ze verwant zijn en dat ze afkomstig zijn van lijnen die zich ergens in het bijzonder verre verleden afgesplitst hebben van een gemeenschappelijke voorouderlijke levensvorm. Daaruit volgt dat ze een gezamenlijke plaats van herkomst moeten hebben gehad. We weten al dat de vissen ontstaan zijn in de oceanen van Minerva; daarom moeten de Ganymeden ook van Minerva afkomstig zijn. Zo hebben we bewijs verkregen voor iets dat al een tijd lang alleen op gissingen berustte. Het enige dat er verkeerd was aan onze eerdere veronderstelling was dat we niet beseft hadden wat een tijdskloof er bestond tussen de aanwezigheid van de Ganymeden op Minerva, en die van de Lunariers.'
`Ok,,' zei Caldwell. `De Ganymeden zijn afkomstig van Minerva, alleen een stuk eerder dan we gedacht hadden.
Wat is nou de grote boodschap en waarom heeft u ons hierheen gehaald?'
`Die conclusie is op zichzelf interessant, maar meer niet,' antwoordde Danchekker. `Maar hij verdwijnt in het niet vergeleken met wat er nu komt. Eerlijk gezegd-' hij wierp een snelle blik op Hunt, `blijkt uit de rest alles wat we nodig hebben om het vraagstuk eens en voor al op te lossen.'
Het tweetal keek hem strak aan.
De professor bevochtigde zijn lippen en ging toen verder: `Het Ganymese schip is volledig toegankelijk gemaakt en we hebben nu een bijzonder uitgebreide inventarislijst van bijna alles wat het bevatte. Het schip was gebouwd voor groot vrachtvervoer en het was volgeladen toen het ten onder ging op Ganymedes, hoe dat dan ook gebeurd is.
De vracht die het vervoerde vormt naar mijn mening de meest sensationele ontdekking die ooit gedaan is in de geschiedenis van de paleontologie en de biologie. Dat schip vervoerde namelijk onder andere een grote lading botanische en zoologische specimens, sommige levend en in kooien, de rest geconserveerd. Waarschijnlijk maakte de vracht deel uit van een grootscheepse wetenschappelijke expeditie of iets dergelijks, maar dat doet er op het moment eigenlijk niet toe. Wat er wel toe doet is dat we nu een verzameling dieren en planten in ons bezit hebben zoals die nog nooit tevoren door een mens is aanschouwd; een uitgebreide doorsnede van vele levensvormen die leefden op Aarde rond de periode van het late Oligoceen en het vroege Mioceen, vijfentwintig miljoen jaar geleden!' Hunt en Caldwell staarden hem ongelovig aan. Danchekker vouwde zijn armen over elkaar en wachtte af.
`De Aarde?' Caldwell wist het woord met moeite uit te brengen. `Wilt u zeggen dat dat schip op Aarde was geweest?'
`Ik zie geen andere verklaring,' antwoordde Danchekker.
`Het staat buiten kijf dat het schip een verscheidenheid aan diersoorten vervoerde die er alle schijn van hebben dat ze identiek zijn met soorten die al eeuwen lang welbekend zijn door bestudering van Aardse fossiele overblijfselen.
De biologen van de Jupiter Vier zijn heel zeker van hun conclusies en geoordeeld naar de informatie die ze hebben doorgeseind, zie ik geen reden om aan hun meningen te twijfelen.' Danchekker bewoog zijn hand weer naar het toetsenbord. `Ik zal u een paar voorbeelden laten zien van de soort dingen die ik bedoel,' zei hij.
Het beeld van het vissengeraamte verdween en werd vervangen door een van een geweldig, rinocerosachtig wezen zonder hoorn. Op de achtergrond stond een enorme geopende bak waaruit het dier waarschijnlijk verwijderd was.
De container lag voor wat eruitzag als een ijswand, omgeven door kabels, kettingen en delen van een rasterwerk dat opgebouwd was uit metalen pijpen.
`De baluchitberium, heren,' informeerde Danchekker hen, `of iets dat er zo sterk op lijkt dat het verschil me ontgaat. Dit dier was zes meter hoog tot aan zijn schouder en bereikte een gewicht dat groter was dan dat van een olifant. Het is een goed voorbeeld van de titanoberes, oftewel titanische dieren, die zeer talrijk waren op het Amerikaanse continent gedurende het Oligoceen, maar die kort daarna vrij snel zijn uitgestorven.'
`Bedoelt u dat die knaap leefde toen dat schip neerstortte?' vroeg Caldwell op een toon vol ongeloof.
Danchekker schudde zijn hoofd. `Niet dit exemplaar.
Zoals u kunt zien verkeert hij bijna in net zo'n goede staat als toen hij nog leefde. Hij is uit die kist op de achtergrond gekomen, waarin hij verpakt en geconserveerd was zodat hij lang goed zou blijven. Gelukkig was degene die hem verpakt heeft een expert. Hoe het ook zij, zoals ik daarnet al zei waren er kooien en hokken in het schip die oorspronkelijk levende specimens bevatten, maar tegen de tijd dat ze ontdekt werden waren ze vergaan tot skeletten, net zoals de bemanning. Er bevonden zich zes exemplaren van deze soort in de hokken.'
De professor veranderde het beeld en er verscheen een kleine viervoeter met spillepootjes.
`Mesohippus - de voorvader van het moderne paard.
Hij is ongeveer zo groot als een collie en loopt op een voet met drie tenen, waarvan de middelste teen sterk verlengd is, wat duidelijk een voorbode is van ons hedendaagse paard met zijn ene teen. Er is een lange lijst met zulke voorbeelden, die allemaal direct herkenbaar zijn voor elke student van vroege Aardse levensvormen.'
Hunt en Caldwell bleven sprakeloos toekijken terwijl het beeld weer veranderde. Deze keer verscheen er iets dat op het eerste gezicht op een middelgrote aap leek van de familie van de gibbons of de chimpansees. Een nadere bestudering bracht echter verschillen aan het licht die hem afzonderden van de algemene categorie van apen. De opbouw van de schedel was lichter, vooral in het gebied van de onderkaak, waar de kin teruggeweken was en zich bijna onder de punt van de neus bevond. De armen waren in verhouding iets aan de korte kant voor een mensaap, de borst was breder en platter en de benen langer en rechter.
Ook was de opponeerbaarheid van de grote teen verdwenen. Danchekker gunde hun meer dan voldoende tijd om deze punten tot zich door te laten dringen voor hij verder ging met zijn commentaar.
`Het is duidelijk dat het wezen dat u nu voor u ziet tot de algemene antropoide lijn behoort waar ook de mens en de mensapen onder vallen. Denk eraan dat dit specimen dateert uit zo ongeveer de periode van het vroege Mioceen.
Het meest ontwikkelde antropoide fossiel uit die tijd dat tot dusver op Aarde is gevonden, is tijdens de vorige eeuw in Oost-Afrika ontdekt en staat bekend als de proconsul.
Het is algemeen aanvaard dat de proconsul een stap vooruit vertegenwoordigt op alles wat daarvoor had bestaan, maar hij is beslist een aap. Hier hebben we daarentegen een schepsel uit dezelfde periode maar met duidelijk meer geprononceerde menselijke kenmerken dan de proconsul.
Naar mijn mening is dit een voorbeeld van iets dat een plaats inneemt die overeenkomt met die van de proconsul, maar aan de andere kant van de kloof die ontstond toen de mens en de aap hun eigen afzonderlijke weg gingen!'
Danchekker staarde de twee andere mannen vol verwachting aan. Caldwell staarde met grote ogen terug en zijn mond viel open toen onmogelijke gedachten door zijn hersens flitsen.
'Bedoelt u... dat die jongens van Charlie misschien...
daaruit?'
`Ja!' Danchekker zette het scherm af en draaide zich triomfantelijk naar hen toe. `De gevestigde evolutietheorie is net zo juist als ik altijd al heb volgehouden. Het idee dat de Lunariers kolonisten van de Aarde zouden kunnen zijn blijkt inderdaad waar te zijn, maar niet in de zin die bedoeld was. Er vallen geen sporen van hun beschaving te vinden op Aarde, omdat hij nooit op Aarde heeft bestaan - maar het was ook niet het eindproduct van een evenwijdig evolutieproces. De Lunarische beschaving heeft zich onafhankelijk ontwikkeld op Minerva uit dezelfde voorouders als wij en alle andere Aardse vertebraten - uit voorouders die vijfentwintig miljoen jaar geleden door de Ganymeden naar Minerva waren gebracht!' Danchekker stak zijn kaak uitdagend naar voren en greep de revers van zijn jasje vast. `En dat, dr. Hunt, lijkt de oplossing te zijn van uw probleem!'
Zestien.
Het pad achter deze snelle opeenvolging van nieuwe ontwikkelingen was tegen die tijd bezaaid met de afgedankte karkassen van dode ideeen. Het herinnerde de geleerden krachtig aan de kuilen waar een onbehoedzame in kan vallen als de gissingen een al te vrije teugel wordt gelaten en de verbeelding steeds verder omhoog mag zweven van de stevige grond van aantoonbaar bewijs en wetenschappelijke nauwkeurigheid. De reactie op die tendens nam de vorm aan van een koelere ontvangst van Danchekkers poging om de hele zaak in een klap op te lossen dan te verwachten viel. Er waren nu zoveel dingen nergens op uitgelopen dat elke nieuwe suggestie begroet werd met instinctieve scepsis en eisen om bevestiging.
De ontdekking van de vroege Aardse dieren aan boord van het Ganymese schip bewees maar een ding afdoende: dat er vroege Aardse dieren aan boord van het Ganymese schip waren. Het bewees niet afdoende dat andere ladingen Minerva veilig hadden bereikt, of dat deze lading zelfs maar voor Minerva bestemd was. Om te beginnen leek Jupiter een vreemde plaats om een schip te vinden dat op weg was geweest van de Aarde naar Minerva. Het enige dat het dus bewees was dat deze lading niet was gearriveerd op zijn bestemming, welke die ook mocht zijn.
Danchekkers conclusies aangaande de oorsprong van de Ganymeden werden echter volledig onderschreven door een comite, van experts op het gebied van de vergelijkende anatomie in Londen, die de verwantschap tussen het Ganymese skelet en de Minervische vis bevestigden. De gevolgtrekking uit deze deductie - dat de Lunariers ook op Minerva ontstaan waren uit weggevoerde Aardse voorouders had nog heel wat meer ondersteunend bewijs nodig, ondanks het feit dat het het ontbreken van Lunarische sporen op Aarde en het kennelijke gebrek aan een gevorderde Lunarische ruimtetechnologie netjes verklaarde.
Ondertussen waren de linguisten bezig geweest met het toepassen van hun nieuwe kennis uit de microstip bibliotheek op het laatste onopgeloste raadsel tussen Charlies papieren, het aantekenboekje dat de notities in handschrift bevatte. Het verhaal dat aan het licht kwam gaf een levendige bevestiging van het globale beeld dat al in koude en objectieve termen afgeleid was door Hunt en Steinfield; het was een verslag van de laatste dagen van Charlies leven. De onthullingen uit het boekje wierpen nog een intellectuele bom tussen de toch al wanordelijke gelederen van de onderzoekers. Maar het was Hunt die uiteindelijk de bom deed barsten.
Met een map met losse papieren onder zijn arm geklemd wandelde Hunt door de hoofdgang van de dertiende verdieping van het Navcomm-hoofdkwartier op weg naar de linguistische sectie. Voor het kantoor van Don Maddson bleef hij even staan om nieuwsgierig een bordje met een reeks vijf centimeter hoge Lunarische lettertekens te bestuderen dat op de deur zat geprikt. Hij haalde zijn schouders op en schudde zijn hoofd en ging het vertrek binnen.
Maddson en een van zijn assistenten zaten voor de eeuwige stapel troep op de grote wandtafel, een eindje van het bureau. Hunt pakte een stoel en ging bij hen zitten.
`Je hebt de vertalingen doorgewerkt,' merkte Maddson op toen hij de inhoud van de map zag die Hunt begon te rangschikken op de tafel.
Hunt knikte. `Het is heel interessant. Er zijn een paar puntjes die ik graag even zou willen nalopen om er zeker van te zijn dat ik het goed heb begrepen. Sommige stukken slaan gewoon nergens op.'
`We hadden het kunnen raden,' zuchtte Maddson berustend. `Ok,, voor de dag ermee.'
`Laten we de notities in volgorde afwerken,' stelde Hunt voor. `Ik stop wel als we bij de rare stukjes komen. Tussen haakjes...' Hij gebaarde met zijn hoofd in de richting van de deur. `Wat is dat voor een gek bordje, buiten?'
Maddson grijnsde trots. `Het is mijn naam in het Lunarisch. Letterlijk betekent het Geleerde Gekke-Jongen. Snap je? Don Mad-Son begrijp je?'
`O, Jezus,' kreunde Hunt. Hij richtte zijn aandacht weer op de papieren.
`Je hebt de notities met de Lunarische data gewoon uitgedrukt in opeenvolgende cijfers, beginnend met Dag Een, * In het Engels is don: docent, geleerde; mad: gek en son: zoon, jongen.
maar onderverdelingen van hun dag zijn omgezet in onze uren.'
`Inderdaad,' bevestigde Maddson. `En waar er twijfel bestond over de accuraatheid van de vertaling hebben we de zin tussen haakjes gezet met een vraagteken. Dat helpt om alles simpel te houden.'
Hunt koos het eerste vel uit. `Ok,,' zei hij. `Laten we bij het begin beginnen.' Hardop las hij: `Dag Een. Zoals we hadden verwacht hebben we vandaag bevel gekregen voor volledige (mobilisatie?). Dat betekent waarschijnlijk dat we ergens ingedeeld worden. Koriel... Dat is toch die maat van Charlie die later nog opduikt, is het niet?'
`Inderdaad.'
`...denkt dat het bij een van de (ijsnesten-verre-onderschepping?) zou kunnen zijn. Wat is dat?'
`Dat was een lastige,' antwoordde Maddson. `Het is een samengesteld woord; dat is de letterlijke vertaling. Volgens ons zou het op een raketbatterij kunnen slaan die deel uitmaakt van een buitenste verdedigingsring die zich op de ijsvlakten bevindt.'
'Hmmm - dat klinkt aannemelijk. Ik hoop het. Het zou weer eens wat anders zijn om te ontsnappen aan de monotonie van dit oord. Grotere voedselrantsoenen in de (ijsvlakte-gevechtsgebieden?). Ja...' Hunt keek op. `Hij zegt: "de monotonie van dit oord" Hoe zeker zijn we ervan dat we weten waar "dit oord" is?'
`Behoorlijk zeker,' antwoordde Maddson met een gedecideerde hoofdknik. `Bovenaan de notitie staat de naam van een stad boven de datum geschreven. Die komt overeen met de naam van een kustplaats in Cerios en,ook met de stad die in zijn zakboekje als zijn op een na laatste standplaats wordt opgegeven.'
`Dus jullie weten zeker dat hij op Minerva was toen hij dit schreef?'
`Zeker weten we dat zeker.'
`Goed. Ik zal het volgende stukje overslaan dat over zijn persoonlijke gedachten gaat. Dag Twee. De voorgevoelens van Koriel komen deze keer niet uit. We gaan naar de Maan.'
Hunt keek weer op. Kennelijk vond hij dit stuk belangrijk. 'Hoe weten jullie dat hij hier de maan van de Aarde bedoelt?'
'Nou, om te beginnen omdat het woord dat hij hier gebruikt hetzelfde is als dat voor de laatste standplaats die in zijn zakboekje staat. Volgens ons slaat dat op de Maan omdat we hem daar hebben gevonden. Nog een reden is dat hij het er later over heeft, zoals je wel zult hebben gelezen, dat hij specifiek naar een basis genaamd Seltar werd gestuurd. Nu hebben we tussen sommige van de dingen die ontdekt zijn aan de achterkant van de Maan een verwijzing gevonden naar een lijst met bases op plaats 'X', en de naam Seltar komt op die lijst voor. X is hetzelfde woord dat in het zakboekje geschreven staat en in de notitie die je net hebt gelezen. Implicatie: X is een Lunarische naam voor de maan van de Aarde.'
Hunt dacht een tijdje diep na.
'Hij is ook op Seltar gearriveerd, he?' zei hij uiteindelijk.
'Dus als hij zo vroeg al wist waar hij naar toe werd gestuurd en jij er zeker van bent dat hij naar de Maan werd gestuurd en hij gearriveerd is waar hij moest arriveren...
dan sluit dat de andere mogelijkheid uit die bij me was opgekomen. Het is zeker onmogelijk dat hij naar de Maan had moeten vertrekken maar dat hij op het laatste ogenblik ergens anders heen gedirigeerd werd zonder dat de aantekening in zijn zakboekje werd veranderd?'
Maddson schudde zijn hoofd. 'Onmogelijk. Maar waarom zit je trouwens zulke dingen te verzinnen?'
'Omdat ik een manier zoek om wat er later komt te verklaren. Dan wordt het idioot.'
Maddson keek hem nieuwsgierig aan maar hield zijn vraag voor zich. Hunt keek weer naar de papieren.
'Dag Drie en Vier beschrijven nieuwsberichten van de strijd op Minerva. Het is duidelijk dat er al vijandelijkheden op grote schaal waren uitgebroken. Het ziet ernaar uit dat er toen nucleaire wapens werden gebruikt - dat stukje aan het einde van Dag Vier, bij voorbeeld: Het lijkt erop dat de Lambianen erin geslaagd zijn de (luchtnetten?) boven Paverol te verwarren - Dat is een Cerische stad, is het niet? Meer dan de helft van de stad is ogenblikkelijk verdampt. Dat klinkt niet als een beperkte schermutseling.
Wat is een luchtnet - een soort elektronisch verdedigingsscherm?'
'Waarschijnlijk wel,' stemde Maddson met hem in.
'Gedurende Dag Vijf heeft hij geholpen met het laden van de schepen. Te oordelen naar de beschrijvingen van de voertuigen en de uitrusting ziet het ernaar uit dat ze de een of andere grote strijdmacht aan het inschepen waren.'
Snel bekeek Hunt het volgende vel. 'O, ja - hier heeft hij het over Seltar. We gaan met de Veertiende Brigade naar het annihilator emplacement bij Seltar. Er is iets geks aan die annihilator. Maar daar komen we zo wel op.
'Dag Zeven. Vier uur geleden volgens schema aan boord gegaan. We zijn nog steeds bier. De start is uitgesteld omdat het hele gebied een zware raketaanval te verduren heeft. De heuvels in bet binnenland staan allemaal in brand. De lanceerschachten zijn intact, maar de situatie boven is verward. Niet geneutraliseerde Lambiaanse satellieten houden nog steeds onze vliegroute onder vuur.
Later. Hebben plotseling toestemming tot opstijgen gekregen, en de hele groep was binnen een paar minuten gestart. Zijn helemaal niet in parkeerbaan blijven hangen nog steeds niet erg gezond - dus zijn meteen op weg gegaan. Twee schepen opgegeven als vernietigd tijdens vlucht hierheen. Koriel sluit weddenschappen af hoeveel schepen van onze groep zullen landen op de Maan. We vliegen in een dicht verdedigingsscherm, maar moeten duidelijk zichtbaar zijn op Lambiaanse opsporingsradars. Er is een stukje over Koriel die een meisje van een verbindingseenheid probeert te versieren - wel een type, he, die Koriel...?
Onderweg nog meer oorlogsberichten ontvangen... ja - dit is het stuk dat ik bedoelde.' Hunt wees de notitie aan met zijn vinger.
'Dag Acht. Eindelijk in baan om de Maan!' Hij legde het vel op de tafel en keek van de ene linguist naar de andere. "'Eindelijk in baan om de Maan!" Zouden jullie me nou eens willen uitleggen hoe dat schip in minder dan twee van onze dagen van Minerva naar onze maan is gevlogen? Of er bestaat een soort aandrijving die de VNR wel zal willen hebben, of we hebben ons de hele tijd erg vergist in de Lunarische technologie. Maar het klopt niet.
Als ze dat konden, dan hadden ze geen problemen met het ontwikkelen van ruimtevaart; dan waren ze ons ver vooruit.
Maar dat geloof ik niet - alles wijst erop dat ze een probleem hadden.'
Maddson maakte een hulpeloos gebaar. Hij wist dat het idioot was. Hunt keek vragend naar Maddsons assistent, die alleen zijn schouders ophaalde en een gezicht trok.
'Weet je zeker dat hij een baan om de Maan bedoelt onze maan?'
'Dat weten we zeker,' verzekerde Maddson hem.
'En er bestaat geen twijfel over de datum dat hij is vertrokken?' drong Hunt aan.
'De datum van inscheping staat in zijn zakboekje gestempeld en die komt overeen met de datum van de notitie waarin staat dat hij vertrekt. En vergeet de bewoording op Dag - waar stond het ook weer? - hier, Dag Zeven niet.
Vier uur geleden volgens schema aan boord gegaan - Zie je wel, volgens schema. Nergens een suggestie van een verandering in vertrektijd.'
'En hoe zeker zijn jullie van de datum dat hij de Maan bereikte?' vroeg Hunt.
'Ja, dat is iets moeilijker. Als je gewoon de datering van de notities neemt, dan liggen die een Lunarische dag uit elkaar. Nou is het mogelijk dat hij een Minervische tijdverdeling gebruikte op Minerva, maar op het een of andere plaatselijke systeem overschakelde toen hij de Maan bereikte. Als dat zo is, is het wel erg toevallig dat ze zo goed met elkaar overeenstemmen, maar-' hij haalde zijn schouders op, 'het is mogelijk. Wat me echter dwars zit aan dat idee is het ontbreken van notities tussen de vertrekdatum en de datum van aankomst op de Maan. Charlie lijkt regelmatig in zijn dagboek te hebben geschreven. Als die reis maanden had geduurd, zoals volgens jou zou moeten, dan vind ik het vreemd dat er tussen die data helemaal niets staat. Hij kan toch moeilijk een tekort aan vrije tijd hebben gehad.'
Hunt dacht enkele ogenblikken lang over die mogelijkheden na. Toen zei hij: 'Er komt nog erger. Laten we voorlopig doorgaan.' Hij pakte de aantekeningen op en hervatte: 'Eindelijk geland, vijf uur geleden. (Krachtterm) wat een zooi! Het landschap onder ons toen we aankwamen op de (landingsbaan?) gloeide kilometers rond Seltar overal rood op. Er waren meren van gesmolten rots, fel oranje, en uit sommige rezen loodrechte rotswanden op waar hele bergen zijn weggeblazen. De basis is dik bedekt onder het stof en enkele van de oppervlakte-installaties zijn verpletterd door vliegend puin. De verdediging houdt nog stand, maar de buitenste ring is (aan stukken gescheurd?) De belangrijkste - (onleesbaar) diameterschotel van de annihilator is intact en operationeel. De laatste groep schepen van onze vlucht is vernietigd door een vijandelijke aanval vanuit de ruimte. Koriel heeft overal zijn winst binnengehaald.'
Hunt legde het papier neer en keek Maddson aan.
'Don,' zei hij, 'hoeveel zijn jullie te weten gekomen over die annihilator?'
'Het was een soort superwapen. Er stond meer informatie in enkele van de andere teksten. Beide partijen hadden ze, opgesteld op Minerva zelf en, te oordelen naar wat we nu lezen, ook op de Maan. En misschien ook nog wel op andere plaatsen,' voegde hij er nog aan toe.
'Waarom op de Maan? Heb je daar een idee van?'
'We denken dat de Ceriers en de Lambianen de ruimtevaarttechnologie verder ontwikkeld moeten hebben dan we dachten,' zei Maddson. 'Misschien hadden beide partijen de Aarde uitgekozen als het doelwit voor hun grote stap en hadden ze allebei voorhoededetachementen naar de Maan gestuurd om een bruggenhoofd te vormen en... de investering te beschermen.'
'Waarom dan niet op de Aarde zelf?'
'Weet ik niet.'
'Laten we het daar voorlopig maar bij houden,' zei Hunt.
'Hoeveel weten we over wat die annihilators waren?'
'Te oordelen naar de beschrijving schotel, was het blijkbaar een soort stralingsprojector. Andere aanwijzingen duiden erop dat ze een krachtige fotonenstraal afvuurden die waarschijnlijk geproduceerd werd door een heftige materie-antimaterie reactie. Als dat zo is, dan is de naam annihilator bijzonder toepasselijk; hij heeft een dubbele betekenis.'
`Goed,' knikte Hunt. `Dat dacht ik ook al. Nu wordt het idioot.' Hij raadpleegde zijn aantekeningen. `Op Dag Negen waren ze bezig zich te organiseren en de gevechtsschade te repareren. En wat dacht je van Dag Tien?' Hij las weer: `Dag Tien. Vandaag annihilator voor de eerste keer gebruikt. Drie vuurstoten van een kwartier gericht op Calvares, Paneris, en Sellidorn. Dat zijn allemaal Zambiaanse steden, nietwaar? Ze hebben dus dat annihilator emplacement op onze Maan en zitten rustig op steden te mikken op de oppervlakte van Minerva?'
`Daar lijkt het wel op,' stemde Maddson in. Hij zag er niet erg gelukkig uit.
`Nou, ik geloof er niks van,' verklaarde Hunt gedecideerd. `Ik geloof niet dat ze in staat waren om een wapen over die afstand zo nauwkeurig te richten, en zelfs als ze dat wel konden, dan geloof ik niet dat ze de straal smal genoeg hadden kunnen houden om niet de hele planeet in de fik te steken. En ik geloof ook niet dat het energieniveau over zo'n afstand hoog genoeg had kunnen zijn om uberhaupt schade aan te richten.' Hij keek Maddson smekend aan. `Jezus, als ze zo'n technologie hadden gehad, dan zouden ze niet hebben geprobeerd om interplanetair reizen te vervolmaken - dan zouden ze de hele Melkweg hebben bevolkt!'
Maddson gebaarde breed met zijn armen. `Ik vertaal alleen wat de woorden me zeggen. Pluis jij het maar uit.'
`Dadelijk wordt het helemaal maf,' waarschuwde Hunt.
`Waar was ik ook weer...?'
Hij bleef voorlezen en beschreef het duel dat zich ontwikkelde tussen de Cerische annihilator in Seltar en het laatste overlevende Lambiaanse emplacement op Minerva.
Met een wapen dat van ver uit de ruimte vuurde en de hele oppervlakte van Minerva bestreek, hadden de Ceriers de sleutel die de oorlog zou kunnen beslissen. Het vernietigen ervan was natuurlijk de eerste prioriteit van de Lambiaanse strijdkrachten en het voornaamste doelwit van hun eigen annihilator op Minerva. Tussen de vuurstoten door hadden de annihilators ongeveer een uur nodig om weer te worden opgeladen en de aantekeningen van Charlie brachten levendig de spanning over die zich ontwikkelde in Seltar terwijl ze wachtten in de wetenschap dat er elk moment een vijandelijke vuurstoot kon arriveren. Overal rond Seltar nam de strijd toe tot een razernij toen de Lambiaanse grond- en ruimtestrijdkrachten alles inzetten om Seltar uit te schakelen voor het een treffer kon plaatsen op zijn ver doel. De kundigheid in het bedienen van het wapen lag in het berekenen van en het compenseren voor de afwijkingen die werden veroorzaakt in het richtsysteem door vijandelijke elektronische tegenmaatregelen. In een passage beschreef Charlie gedetailleerd de uitwerking van een schot vanaf Minerva dat net miste. Het duurde zestien minuten en gedurende die tijd smolt het een bergketen op vijfentwintig kilometer van Seltar, inclusief de Tweeentwintigste en Negentiende Pantserdivisies en het Vijfenveertigste Geleide-Wapensquadron die daar hadden gelegen.
`Hier heb ik het,' zei Hunt en wuifde met een van de papieren. `Moet je eens luisteren. We hebben hem te pakken!
Vier minuten geleden hebben we een geconcentreerde vuurstoot afgegeven met maximum vermogen. De luidspreker heeft bier beneden net aangekondigd dat het een directe treffer is geweest. Alle mensen lachen en slaan elkaar op hun schouders. Sommige vrouwen huilen van opluchting. Dat,' zei Hunt terwijl hij de papieren neerkwakte op tafel en geergerd achterover leunde in zijn stoel, `is volkomen belachelijk! Vier minuten nadat ze hadden gevuurd, kregen ze bevestiging dat ze een voltreffer hadden geplaatst. Hoe? Hoe is dat in godsnaam mogelijk? We weten dat als de Aarde en Minerva het dichtst bij elkaar waren, de afstand ertussen tweehonderddertig tot tweehonderdveertig miljoen kilometer bedroeg. Straling zou ongeveer dertien minuten over die afstand hebben gedaan en het zou nog minstens dertien minuten moeten hebben duren voor iemand op de Maan kon weten wat hij had geraakt.
Dus zelfs met de planeten in die positie zou het minstens zesentwintig minuten hebben geduurd voor ze dat bericht konden ontvangen. Charlie zegt dat ze het binnen de vier minuten doorkregen! Dat is absoluut, honderd procent onmogelijk! Don, hoe zeker ben je van die getallen?'
`Net zo zeker als we van alle andere Lunarische tijdseenheden zijn. Als ze fout zijn, kan je net zo goed die kalender verscheuren waar ze op zijn gebaseerd en weer helemaal bij het begin beginnen.'
Hunt staarde lang naar de bladzijde, alsof hij zuiver door de kracht van concentratie de boodschap kon veranderen die de netjes gekopieerde getypte vellen. Er was maar een ding dat die getallen konden betekenen, en dat zette hen weer helemaal terug naar het begin. Eindelijk ging hij verder: `Het volgende stukje gaat over hoe het hele gebied rond Seltar onder een aanhoudend bombardement kwam te liggen. Een detachement, waaronder Charlie en Koriel, werd over land uitgestuurd om een noodcommandopost te bemannen op ongeveer zestien kilometer van Seltar... daar zal ik de details van overslaan... Ja, hier is het volgende stukje dat me niet lekker zit. Onder Dag Twaalf: Op de vastgestelde tijd vertrokken in een klein konvooi van twee verkenningswagens en drie rupsvoertuigen. Het was een vreemde reis - kilometers van geblakerde rotsen en gloeiende kuilen. In de wagen konden we de hitte voelen. Ik hoop dat de stralingsafscherming in orde was. Ons nieuwe onderkomen is een koepel, en daaronder liggen verdiepingen tot op ongeveer zestien meter onder de grond. Overal om ons heen zijn legereenheden ingegraven in de heuvels. We hebben kabelverbinding met Seltar, maar ze schijnen geen contact meer te hebben met het Hoofdkwartier in Gorda. Betekent waarschijnlijk dat al onze lange-afstands kabelverbindingen buiten werking zijn en onze communicatiesatellieten zijn vernietigd. Weer geen berichten van Minerva. Een hoop verwarde militaire communicaties. Ze hebben zeker (zendprioriteit?) aangenomen.
Vandaag voor de eerste keer in vele dagen aan de oppervlakte geweest. Minerva ziet er vies en vlekkerig uit. Juist,' zei Hunt. `Toen ik dat voor de eerste keer las dacht ik dat hij het over een videozending had. Maar toen dacht ik, waarom zou hij dat op die manier zeggen en in die context? Waarom vlak na "voor de eerste keer in vele dagen aan de oppervlakte"? Maar van waar hij was zou hij toch geen details van Minerva hebben kunnen zien?'
`Hij zou een heel gewone telescoop hebben kunnen gebruikt,' suggereerde de assistent van Maddson.
`Dat zou gekund hebben, neem ik aan,' peinsde Hunt.
`Maar je zou toch denken dat hij belangrijker dingen had om zich druk over te maken dan te midden van al die rotzooi naar de hemel te gaan staren. Hoe het ook zij, hij schrijft verder: Ongeveer tweederde is onzichtbaar door enorme bruine en grijze wolken, en de kustlijnen zijn maar hier en daar zichtbaar. Ergens even ten noorden van de evenaar gloeit er een vreemde rode vlek doorheen, waar uur na uur zwarte rook uit kolkt. Koriel denkt dat het een brandende stad is, maar het moet wel een geweldige vlammenzee zijn om door dat alles heen zichtbaar te zijn. We hebben de hele dag gekeken hoe het zich verplaatst terwijl Minerva draait. Enorme ontploffingen aan de andere kant van de heuvelrug waar Basis Seltar ligt.'
Het verhaal ging verder en bevestigde dat Seltar totaal vernietigd werd toen de strijd zijn climax bereikte. Twee dagen lang werd het hele gebied systematisch beschoten, maar wonderbaarlijk genoeg bleven de ondergrondse delen van de koepel intact, hoewel de bovenste verdiepingen weggeblazen werden. Daarna begonnen de verspreide overlevenden van de militaire eenheden die in de omringende heuvels hadden gelegen terug te dwalen naar de koepel die tegen die tijd de enige bewoonbare plek was binnen een omtrek van kilometers, sommigen in voertuigen, velen te voet.
De verwachte golven van zegevierende Lambiaanse troepenschepen en pantsercolonnes verschenen niet. Door het regelmatige patroon van de Lambiaanse salvo's beseften de Cerische officieren langzaamaan dat er niets over was van het vijandelijke leger dat op was getrokken tot in de bergen rond Seltar. In de strijd met de Cerische verdediging hadden de Lambianen immense verliezen geleden en de overlevenden hadden zich teruggetrokken en geleide wapenbatterijen achtergelaten die geprogrammeerd waren om automatisch te vuren om hun terugtocht te dekken.
Op Dag Vijftien schreef Charlie: Nog twee rode vlekken op Minerva, een ten noordoosten van de eerste en de ander een flink stuk naar bet zuiden. De eerste heeft zich van het noordwesten naar het zuidoosten uitgebreid. De hele oppervlakte is me enkel nog maar een massa vuil bruin met enorme stukken zwart er doorheen gemengd. Helemaal niets op de radio of video van Minerva; alles overstemd door luchtstoringen.
Ze hadden niets meer te zoeken in Seltar. De bewoonbare gedeelten van wat de koepel was geweest waren volgepakt met overlevenden en gewonden; er moesten er al veel onderdak zoeken in het assortiment voertuigen dat buiten op elkaar gedrongen stond. De voorraad voedsel en zuurstof, die nooit bedoeld was geweest voor meer dan een klein gezelschap, zou maar een tijdelijk respijt bieden. Hun enige hoop, hoe flauw hij ook was, lag in het over land bereiken van het hoofdkwartier in Gorda - een reis die naar schatting twintig dagen in beslag zou nemen.
Op Dag Achttien werd het vertrek uit de koepel als volgt beschreven: Twee colonnes van voertuigen gevormd.
De onze is een half uur eerder dan de tweede vertrokken als een kleine vooruitgeschoven verkenningsgroep. We bereikten een heuvelrug op ongeveer vijf kilometer van de koepel en konden zien hoe de hoofdcolonne het inladen voltooide en een rij begon te vormen. Toen sloegen de raketten toe. Bij het eerste salvo bevonden ze zich allemaal in het open terrein. Ze hadden geen schijn van kans. We richten onze ontvangers een tijdje op het gebied, maar we kregen niets door. De enige manier waarop we ooit uit deze hel van vuur weg kunnen komen is als er nog schepen over zijn in Gorda. Voor zover ik weet zijn we met 340 mensen, waaronder meer dan honderd meisjes. De colonne bestaat uit vijf verkenningswagens, acht rupsvoertuigen en tien zware tanks. Het zal een kwade reis worden. Zelfs Koriel wil niet wedden hoeveel het zullen halen.
Minerva is nog slechts een zwarte, rokerige bal, die moeilijk te onderscheiden is tegen de hemel. Twee van de rode vlekken zijn samengekomen en vormen een streep die scheef over de evenaar loopt. Moet honderden kilometers lang zijn. In bet noorden begint nog een rode streep te ontstaan. Regelmatig gloeien delen ervan een paar uur lang oranje op door de rookwolken en zwakken dan weer af.
Het moet daar een troep zijn.
De colonne reed langzaam door de woestijn van geblakerd grijs stof en hun aantal nam snel af toen verwondingen en stralingsziekte hun slachtoffers opeisten. Op Dag Zesentwintig kwamen ze een Lambiaanse grondstrijdmacht tegen en vochten drie uur lang verwoed tussen de rotswanden en keien. De strijd werd beeindigd toen de overgebleven Lambiaanse tanks hun dekking verlieten en recht op de Cerische stelling afstormden en pas bij het begin van de verdedigingslinie vernietigd werden door Cerische vrouwen die van vlakbij laserartillerie afvuurden. Na het gevecht waren er honderdvijfenzestig Ceriers over, maar niet genoeg voertuigen om hen te vervoeren.
Na overleg bedachten de Cerische officieren een plan om de reis sprongsgewijs voort te zetten. De halve compagnie zou gedurende een halve dag verder worden gebracht en daar achtergelaten worden met een wagen die ze als leefruimte konden gebruiken terwijl de overgebleven voertuigen teruggingen om de achterblijvers op te halen. Zo zou het de hele reis naar Gorda gaan. Charlie en Koriel behoorden tot de eerste groep die naar voren verplaatst werd.
Dag Achtentwintig. Rustige rit. Kamp opgeslagen in een schaduwrijk ravijn en toegekeken terwijl het konvooi rechtsomkeert maakte en aan de lange terugreis begon om de anderen op te halen. Morgen om dezelfde tijd moeten ze terug zijn. Tot dan niet veel te doen. Twee tijdens rit gestorven, dus zijn we met achtenvijftig man. Om beurten rusten en eten we in de wagen. Als het je beurt niet is ga je tussen de keien zitten en maak je het jezelf zo gemakkelijk mogelijk. Koriel is woest. Hij heeft net twee uur buiten gezeten met vier van de meisjes van de artillerie. Hij zegt dat degene die ruimtepakken heeft ontworpen met zulke situaties rekening had moeten houden.
Het konvooi keerde nooit terug.
Gebruik makend van de enige overgebleven wagen zette de groep de tactiek voort, bracht een stel mensen een eind vooruit, zette ze af en ging de rest ophalen. Op Dag Drieendertig hadden ziekte, ongelukken en een zelfmoord het aantal zo uitgedund dat alle overlevenden tegelijk in de wagen vervoerd konden worden, dus hielden ze op met het sprongsgewijs vervoeren. Als ze gestaag doorreden, schatten ze dat ze Gorda op Dag Achtendertig zouden bereiken. Op Dag Zevenendertig kreeg de wagen pech. De reserveonderdelen die nodig waren om hem te repareren waren niet beschikbaar.
Velen waren verzwakt. Het was duidelijk dat een poging om Gorda te voet te bereiken zo langzaam zou gaan dat niemand het zou halen.
Dag Zevenendertig. Zeven van ons - vier mannen (ik, Koriel en twee van de cavaleristen) en drie meisjes - gaan een sprint naar Gorda wagen terwijl de rest in de wagen blijft en op een reddingsgroep wacht. Koriel is eten aan het koken voor we op weg gaan. Hij heeft verteld wat hij denkt van het leven in de infanterie - lijkt er heel weinig mee op te hebben.
Een paar uur nadat ze de wagen hadden verlaten, beklom een van de cavaleristen een rotspunt om de route voor hen te inspecteren. Hij gleed uit, scheurde zijn pak en stierf onmiddellijk door explosieve decompressie. Later bezeerde een van de meisjes haar been en bleef steeds verder achter toen de pijn erger werd. De zon ging onder en er was geen tijd om langzamer te gaan. Iedereen in de groep worstelde in gedachten met dezelfde berekening een leven of achtentwintig? - maar niemand zei iets. Zij loste het probleem voor hen op door stilletjes haar luchtventiel dicht te draaien toen ze halt hielden om te rusten.
Dag Achtendertig. Nu alleen Koriel en ik nog - net zoals vroeger. De cavalerist klapte plotseling dubbel en braakte ontzettend in zijn helm. We stonden toe te kijken terwijl hij stierf en konden niets doen. Een paar uur later zakte een van de meisjes in elkaar en zei dat ze niet meer verder kon. De ander stond erop om bij haar te blijven tot we hulp stuurden uit Gorda. We konden moeilijk bezwaar maken - het waren zusters. Dat was al een tijdje geleden.
We zijn even gestopt om op adem te komen; ik ben bijna aan het eind van mijn krachten. Koriel loopt ongeduldig heen en weer en wil verder. Die man heeft de kracht van twaalf (?leeuwen?).
Later. Eindelijk halt gehouden om een paar uur te slapen. Ik weet zeker dat Koriel een robot is - blijft maar lopen en lopen. Menselijke tank. Zon heel laag aan de hemel. Moeten Gorda bereiken voor maannacht invalt.
Dag Negenendertig. Werd ijskoud wakker. Moest pakverwarming op maximum zetten - voelt nog steeds niet goed aan. Geloof dat het defect begint te raken. Koriel zegt dat ik me te veel zorgen maak. Tijd om weer op weg te gaan.
Voel me helemaal stijf. Vraag me ernstig af of ik het zal halen. Heb dat niet gezegd.
Later. De mars is een nachtmerrie geweest. Bleef maar vallen. Koriel houdt vol dat onze enige kans was om uit vallei te klimmen waar we ons bevonden en proberen een stuk af te snijden over hoge rotsrichel. Ik heb het tot ongeveer de helft van het ravijn dat naar de richel leidde volgehouden. Bij elke stap in het ravijn kon ik Minerva precies boven het midden van de richel zien hangen, met overal oranje en rode spleten, als een (macaber?) spottend gezicht. Toen zakte ik in elkaar. Toen ik bijkwam had Koriel me in een soort proefuitgraving gesleept. Misschien had iemand hier een buitenpost van Gorda op willen richten. Dat is nu al een tijdje geleden gebeurd. Koriel is verder gegaan en zegt dat er hulp zal komen voor ik het weet.
Het wordt steeds kouder. Voeten gevoelloos en handen stijf. Er begint rijp te ontstaan in helm - wordt moeilijk om te zien.
Nagedacht over al die mensen die daar een eind terug verspreid zijn terwijl de nacht invalt, en die zich allemaal, net als ik, afvragen o f ze opgehaald zullen worden. Als we vol kunnen houden, dan komt alles goed. Koriel haalt het wel. Al was het duizend kilometer naar Gorda, dan zou Koriel het nog halen.
Nagedacht over wat er gebeurd is op Minerva en me afgevraagd of onze kinderen na dit alles op een zonniger wereld zullen leven - en zoja, of ze dan ooit zullen weten wat wij hebben gedaan.
Nagedacht over dingen waar ik eigenlijk nooit eerder echt over heb nagedacht. Mensen moeten hun leven op een betere manier door kunnen brengen dan in fabrieken, mijnen en kazernes. Ik zou echter niet weten hoe - dat is aller wat we ooit gekend hebben. Maar als er ergens in dit heelal warmte en kleur en licht is, dan Zal er misschien iets dat de moeite waard is voortkomen uit alles wat we hebben doorgemaakt.
Teveel nagedacht voor een dag. Moet nu een tijdje gaan slapen.
Hunt merkte dat hij tot het einde toe had doorgelezen, geabsorbeerd in het pathos van die laatste dagen. Zijn stem had een ernstige klank gekregen. Er volgde een lange stilte.
`Nou, dat was het,' besloot hij iets kwieker. `Heb je dat stukje helemaal op het eind gehoord? In de laatste paar regels heeft hij het erover dat hij Minerva weer ziet. Nou zouden ze eerder misschien telescopen hebben kunnen gebruikt, maar in de situatie waarin hij daar verkeerde zouden ze toch nauwelijks een half observatorium met zich mees%pen, of wel?'
De assistent van Maddson keek nadenkend. `Wat dacht je van dat periscoopachtige videotoestel in zijn helm?'
opperde hij. `Misschien is er iets fout in de vertaling. Zou hij niet kunnen bedoelen dat hij daar een beeld door zag?'
Hunt schudde zijn hoofd. `Het wil er bij mij niet in.
Ik heb van mensen gehoord die op allerlei idiote plaatsen naar de tv keken, maar nog nooit halverwege een berg. En nog iets: hij schreef dat de planeet boven de rotsrichel hing. Dat wijst erop dat het echt daar was. Als het een beeld op de video was, zou hij het nooit zo onder woorden hebben gebracht. Nietwaar, Don?'
Maddson knikte vermoeid. `Ik denk het ook niet,' zei hij. `Nou, hoe gaan we nu verder?'
Hunt keek van Maddson naar de assistent en weer terug.
Hij leunde met zijn ellebogen op de rand van de tafel en wreef met zijn vingers over zijn gezicht en zijn ogen. Toen zuchtte hij en leunde achterover.
`Waar zijn we zeker van?' vroeg hij uiteindelijk. `We weten dat die Lunarische ruimteschepen in minder dan twee dagen onze maan bereikten. We weten dat ze een wapen dat op onze maan stond nauwkeurig op een Minervisch doelwit konden richten. We weten ook dat elektromagnetische golven er heen en terug veel korter over deden dan mogelijk is als we het over de goede planeet hebben.
Ten slotte kunnen we niet bewijzen, maar denken we, dat Charlie op onze maan kon staan en heel duidelijk de oppervlaktekenmerken van Minerva kon zien. Waar komt het dus op neer?'
`Er is maar een plek in het heelal die aan al die voorwaarden voldoet,' zei Maddson versuft.
`Exact - en wij staan erop! Misschien was er voorbij Mars een planeet die Minerva heette, en misschien bestond daar een beschaving. Misschien brachten de Ganymeden daar een paar dieren naar toe en misschien niet. Maar het doet er eigenlijk niet meer toe, of wel? Want de enige planeet waar Charlies schip mogelijkerwijs van zou kunnen zijn opgestegen, en de enige planeet waar ze de annihilator op konden richten, en de enige planeet die hij in details kon zien vanaf de Maan - is deze Ze waren toch van de Aarde afkomstig!
Iedereen springt dadelijk van het dak en uit elk raam in het gebouw als dit bekend wordt in Navcomm !
Zeventien.
Toen de eerste vertaling van het met de hand geschreven aantekenboekje verscheen, was de paradox compleet. Nu waren er twee samenhangende en blijkbaar onweerlegbare verzamelingen bewijsmateriaal, waarvan de een bewees dat de Lunariers op Aarde ontstaan moesten zijn en de ander bewees dat dat onmogelijk was.
Ogenblikkelijk braken de consternatie en de disputen opnieuw uit. In Houston en elders brandden de lampen de hele nacht door terwijl dezelfde onvermijdelijke redeneringen steeds maar weer werden afgedraaid en dezelfde reeksen van feiten bestudeerd werden op nieuwe mogelijkheden of interpretaties. Maar de antwoorden bleven altijd hetzelfde. Alleen de opvatting dat de Lunariers ontstaan zouden kunnen zijn uit een parallelle evolutie leek definitief losgelaten te zijn; er circuleerden al meer dan genoeg theorieen zonder deze er ook nog bij te slepen. De club van Navcomm viel uiteen in talloze kliekjes en enkelingen die ronddraafden om zich eerst bij dit idee en dan bij dat aan te sluiten. Toen de beroering afnam, groeven de definitieve verdedigingslinies zich in rond vier hoofdkampen.
De Zuivere Aardelingen aanvaardden zonder voorbehoud de deducties die waren gemaakt aan de hand van Charlies dagboek, en waren van mening dat de Lunarische beschaving zich op Aarde had ontwikkeld, op Aarde had gebloeid en zichzelf op Aarde had vernietigd, en dat was dat. Alle verwijzingen naar Minerva en zijn zogenaamde beschaving waren dus onzin; er was nooit een beschaving op Minerva geweest, behalve die van de Ganymeden en dat was te ver in het grijze verleden om ook maar iets te maken te hebben met de zaak van de Lunariers. De wereld die op Charlies kaarten stond afgebeeld was de Aarde, niet Minerva, dus moest er ergens een enorme fout in de berekeningen zijn geslopen die hem op vierhonderd miljoen kilometer van de zon plaatsten. Dat dit overeenkwam met de straal van de baan van de asteroiden was gewoon toeval; de asteroiden waren er altijd al geweest en enig bericht van de Iliad dat zei dat dit niet zo was, was verdacht en moest opnieuw gecontroleerd worden.
Dan bleef er nog maar een vraag onbeantwoord: waarom leken de kaarten van Charlie niet op de Aarde? Om dat te beantwoorden voerden de Aardelingen een reeks commandoraids uit tegen de bastions van de gevestigde geologische theorie en methoden van geologische tijdsbepaling. Gebruik makend van de hypothese dat de continenten oorspronkelijk gevormd waren uit een enkele granietachtige massa die verbrokkeld was onder het gewicht van immense poolkappen en uit elkaar was geduwd door aanstormend poolijs dat de scheuren vulde, wezen ze op de afmetingen van de poolkappen op de kaarten en benadrukten hoeveel groter ze waren dan alles wat volgens vroegere veronderstellingen op Aarde had bestaan. Als nu inderdaad de Aarde op de kaarten stond en niet Minerva, dan betekende dat dat de ijstijd op Aarde veel strenger was geweest dan men vroeger had gedacht en dat zijn uitwerking op de geografie ook overeenkomstig ingrijpender was geweest. Als je daar het effect van scheuren in de aardkorst en het vulkanisme bij optelde zoals Charlie dat beschreef in zijn waarnemingen van de Aarde (niet Minerva), dan had je misschien voldoende om de transformatie van Charlies Aarde in de huidige Aarde te verklaren. Waarom waren er tegenwoordig dan geen sporen te vinden van de Lunarische beschaving? Antwoord: het bleek duidelijk uit de kaarten dat hij voor het grootste gedeelte geconcentreerd was geweest in de equatoriale gordel. Vandaag de dag bestond dat gebied volledig uit oceaan, dicht oerwoud of verstuivende woestijn - genoeg om het snelle verdwijnen te verklaren van alles wat er nog over was na de oorlog en de klimatologische beroeringen.
De Zuivere Aardelingenpartij trok vooral natuurkundigen en technici aan, die het maar al te graag aan de geografen en geologen overlieten om zich druk te maken over de lastige details. Hun voornaamste zorg was dat het heilige beginsel van de constantheid van de lichtsnelheid niet samen met al het andere in de smeltkroes der argwaan zou worden gegooid.
Door zich in te graven rond het idee van een Aardse herkomst, hadden de Zuivere Aardelingen de stellingen ingenomen die eerder fanatiek verdedigd waren door de biologen. Nu Danchekker hen was voorgegaan door zijn vloot van Ganymese arken van Noach te introduceren, hadden de biologen plotseling rechtsomkeert gemaakt en zich rond hun nieuwe bewering van een Minervische herkomst uit weggevoerde Aardse voorouders geschaard. Hoe zat het dan met de vliegtijd van Charlie van Minerva naar de Maan en de te korte retourtijd van het vuurleidingssysteem van de annihilator? Er was iets fout aan de interpretatie van het Minervische tijdsstelsel dat allebei die feiten verklaarde. Goed, hoe kon Charlie Minerva zien vanaf de Maan? Videotransmissies. Goed, hoe konden ze de annihilator over zo'n afstand richten? Dat konden ze niet. De schotel bij Seltar was slechts een volgstation voor afstandsbediening. Het wapen zelf bevond zich in een satelliet in een baan om Minerva.
De derde vlag wapperde boven de Afgesneden Kolonietheorie. Volgens die opvatting had een vroege Aardse beschaving Minerva gekoloniseerd en was toen teruggevallen tot primitiviteit en het contact met de kolonie kwijtgeraakt.
De verslechterende omstandigheden van de ijstijd werkten later op beide planeten een herstel in de hand, met het verschil dat men op Minerva in een situatie van leven of dood verkeerde en aan de strijd begon om de verloren kennis te herwinnen zodat men terug kon keren naar de Aarde. Op de Aarde stond men er echter ook niet best voor, en toen de verkenningstroepen van Minerva uiteindelijk contact maakten, reageerde men niet gunstig op het idee om nog een planeet vol mensen te moeten voeden.
Toen de diplomatie gefaald had, zetten de Minerviers een bruggenhoofd voor een invasie op de Maan op. De annihilator bij Seltar had dus op doelen op Aarde gevuurd; de vertalers waren misleid door identieke plaatsnamen op beide planeten - zoals Boston, New York, Cambridge en nog honderd andere steden in de VS waren veel plaatsen op Minerva naar Aardse steden genoemd toen de oorspronkelijke kolonie voor het eerst werd gevestigd.
De verdedigers van deze theorie ontleenden veel aan de argumenten van de Zuivere Aardelingen om het ontbreken van Lunarische overblijfselen op Aarde te verklaren. Bovendien toverden ze nog verder bewijs te voorschijn uit het onwaarschijnlijke terrein van de studie van fossiele koraalsoorten in de Stille Zuidzee. Het was al lange tijd bekend dat een analyse van de dagelijkse groeilagen van oude fossiele koralen een maatstaf opleverde voor hoeveel dagen er op verschillende tijden in het verleden in een jaar hadden gezeten, en daaruit kon men afleiden hoe snel de wrijvingskracht van de getijden de rotatie van de Aarde om zijn as vertraagde. Dit onderzoek toonde bij voorbeeld aan dat het jaar van driehonderdvijftig miljoen jaar geleden omstreeks vierhonderd dagen lang was. Tien jaar eerder had werk dat verricht was aan het Darwin-instituut voor Oceanografie in Australie, waarbij men gebruik maakte van verfijndere en nauwkeuriger technieken, aangetoond dat de overgang van verleden naar heden niet zo gladjes was verlopen als men verondersteld had. In het recente verleden - ongeveer vijftigduizend jaar geleden - was er een verwarde periode waarin de curve onderbroken was en er een verhoudingsgewijs abrupte verlenging van de dag was opgetreden. Bovendien was de snelheid van de rotatievertraging na deze onderbreking aantoonbaar groter dan daarvoor. Niemand wist waarom dat was gebeurd, maar het scheen op een periode van geweldige klimatologische beroeringen te wijzen, omdat het generaties lang had geduurd voordat de koralen daarna weer een stabiel groeipatroon hadden aangenomen. De gegevens schenen erop te duiden dat er rond dit mysterieuze tijdstip wijdverspreide veranderingen hadden plaatsgevonden op Aarde, waarschijnlijk vergezeld van een wereldomvattende overstroming, en al met al zou er genoeg in het verhaal kunnen zitten om de volledige verdwijning van ieder aandenken aan het bestaan van de Lunariers te verklaren.
De vierde voornaamste theorie was die van de Terugkerende Bannelingen, die deze pogingen om het verdwijnen van de Aardse Lunariers te verklaren te gekunsteld en ontoereikend vonden. De fundamentele stelling van deze theorie was dat er maar een bevredigende reden kon zijn voor het feit dat er geen sporen van de Lunariers waren op Aarde: er was nooit een noemenswaardig aantal Lunariers op Aarde geweest. Ze waren geevolueerd op Minerva zoals Danchekker beweerde, en hadden een gevorderde beschaving ontwikkeld, in tegenstelling tot hun contemporaine verwanten op Aarde, die achterlijk bleven. Uiteindelijk waren, gedwongen door de dreiging van uitsterving in de ijstijd, de twee supermogendheden Cerios en Lambia ontstaan en ze waren begonnen aan de race naar de zon zoals dat door de linguisten werd beschreven. Waar de linguisten echter een fout hadden gemaakt was dat op het tijdstip van Charlies verslag deze gebeurtenissen al geschiedenis waren; het doel was al bereikt. De Lambianen hadden een kleine voorsprong bemachtigd en waren al begonnen met het bouwen van nederzettingen op Aarde, waarvan er verschillende naar hun eigen steden op Minerva waren genoemd. De Ceriers zaten hen vlak op de hielen en hadden een geschutsbasis opgericht op de Maan, waarvan de bedoeling natuurlijk was de Lambiaanse voorposten op Aarde uit te schakelen voor ze zich er zelf gingen vestigen.
Deze theorie verklaarde de vliegtijd van Charlies schip niet, maar de aanhangers ervan wezen de moeilijkheid toe aan onbekende verschillen tussen Minervische en plaatselijke maantijdstelsels. Aan de andere kant hoefden er maar een paar vooruitgeschoven Lambiaanse bases opgericht te zijn op Aarde ten tijde van de oorlog; wat er daar dus van over was na de Cerische aanval kon in vijftigduizend jaar best verdwenen zijn.
En toen de gevechtslinies werden opgesteld en de eerste inschietkogels door de gangen van Navcomm begonnen te fluiten, zat Hunt in het niemandsland. Op de een of andere manier was hij ervan overtuigd dat iedereen gelijk had. Hij wist hoe bekwaam de mensen om hem heen waren en hij twijfelde niet aan hun vermogen om hun berekeningen goed uit te voeren. Als een van hen na weken of maanden van geduldige inspanning verklaarde dat X twee was, dan was hij best bereid om te geloven dat het naar alle waarschijnlijkheid inderdaad twee zou blijken te zijn.
Daarom moest de paradox een illusie zijn. Als je probeerde te beargumenteren welke partij gelijk en welke ongelijk had, dan zag je niet waar het op aankwam. Ergens in het doolhof moest een onjuistheid zijn, waarschijnlijk zo fundamenteel dat het nooit bij iemand was opgekomen om het in twijfel te trekken, de een of andere verkeerde veronderstelling die zo voor de hand scheen te liggen dat ze zelfs niet beseften dat ze hem maakten. Als ze maar terug konden grijpen naar de fundamentele feiten en die ene onjuistheid konden identificeren, dan zou de paradox verdwijnen en alles waar over geruzied werd zou gladjes samenvloeien tot een samenhangend geheel.
Achttien.
'je wilt dat ik naar Jupiter ga?' herhaalde Hunt langzaam, om er zeker van te zijn dat hij het goed had gehoord.
Caldwell staarde onbewogen terug over zijn bureau.
'Over zes weken vertrekt de Jupiter Vijf van de Maan,' zei hij. 'Danchekker heeft Charlie wel zo uitgebreid onderzocht als mogelijk was. De details kunnen door zijn personeel in Westwood voor hun rekening worden genomen.
Op Ganymedes zijn er dingen die hij liever zou doen. Ze hebben daar een hele verzameling buitenaardse skeletten plus een scheepslading dieren uit het verre verleden zoals nog nooit iemand gezien heeft. Hij is opgewonden. Hij wil ze onderzoeken. Jupiter Vijf gaat precies daarheen, dus is hij een biologisch team aan het samenstellen om mee te gaan.'
Hunt wist dat allemaal al. Toch deed hij net of hij de informatie verwerkte en alles nazocht naar een punt dat hij misschien over het hoofd had gezien. Na een passende stilte antwoordde hij: 'Dat is prima - zijn gezichtspunt kan ik begrijpen. Maar wat heeft dat met mij te maken?'
Caldwell fronste zijn wenkbrauwen en trommelde met zijn vingers alsof hij die vraag al verwacht had, maar ook had gehoopt dat hij niet zou worden gesteld.
'Zie dit maar als een uitbreiding van je taak,' zei hij uiteindelijk. 'Te oordelen naar al het geruzie hier schijnt niemand het met elkaar eens te kunnen worden hoe die Ganymeden precies in verband staan met het geval van Charlie.
Misschien vormen ze een belangrijk deel van het antwoord, misschien niet. Niemand weet het zeker.'
'Dat is waar,' knikte Hunt.
Caldwell vatte dit op als alle bevestiging die nodig was.
'Goed,' zei hij met een beslissend gebaar. 'je hebt tot nu toe goed werk gedaan aan Charlies kant van de zaak; misscheen wordt het tijd om de dingen een beetje in evenwicht te brengen en het ook eens aan de andere kantte proberen.
Nou-' hij haalde zijn schouders op, `de informatie is hier niet - die is op Ganymedes. Over zes weken taait de J Vijf af naar Ganymedes. Het lijkt mij een goed idee als je mee zou gaan.'
Hunts voorhoofd bleef gefronst in een uitdrukking die erop wees dat hij nog steeds niet alles begreep. Hij stelde de voor de hand liggende vraag. `Hoe moet het met mijn werk hier?'
`Wat zou dat? In de grond breng je informatie met elkaar in verband die elders vandaan binnenkomt. Die informatie blijft komen of je nu in Houston zit of aan boord van de Jupiter Vijf. Je assistent is in staat om je plaats waar te nemen en het dagelijkse achtergrondonderzoek en de controle in Groep L vlot te laten verlopen. Er is geen enkele reden waarom je niet op de hoogte zou kunnen worden gehouden van wat er gebeurt als je daar bent.
Hoe het ook zij, een verandering van omgeving heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. Je bent nu al anderhalf jaar met dit werk bezig.'
`Maar we hebben het over een onderbreking die misschien jaren duurt.'
`Dat hoeft niet per se. De Jupiter Vijf is een later ontwerp dan de J Vier; hij zal er minder dan zes maanden over doen om Ganymedes te bereiken. Bovendien wordt er een aantal schepen meegevoerd met de Jupiter Vijf Missie om een vloot op te gaan bouwen die daar zijn thuisbasis zal hebben. Zo gauw we een reserve hebben geschapen komt er regelmatig in- en uitgaand verkeer met de Aarde.
Met andere woorden, als je eenmaal genoeg hebt van dat oord, is het voor ons geen probleem om je terug te halen.'
Hunt mijmerde erover dat niets erg lang normaal scheen te blijven als Caldwell in de buurt was. Hij was niet geneigd om bezwaar te maken tegen deze nieuwe opdracht.
Integendeel, het vooruitzicht wond hem op. Maar er was iets dat niet helemaal klopte in de redenen die Caldwell opgaf. Hunt had hetzelfde gevoel dat hij al bij eerdere gelegenheden had gekregen, dat er ergens onder de oppervlakte een bijbedoeling school. Maar dat deed er eigenlijk niet echt toe. Caldwell leek het besloten te hebben en Hunt wist uit ervaring dat als Caldwell besloot dat iets zo zou gebeuren, het door een geheimzinnige voorbeschikkende kracht ook altijd zo bleek te gebeuren.
Caldwell wachtte op mogelijke bezwaren. Toen hij zag dat die niet zouden komen zei hij: `Toen je bij ons kwam heb ik gezegd dat je plaats bij de VNR vooraan zou zijn.
Die bewering hield een belofte in. Ik kom mijn beloften altijd na.'
De twee volgende weken werkte Hunt als een razende om de werkwijze van Groep L te reorganiseren en zijn eigen persoonlijke voorbereidingen te treffen voor een langdurige afwezigheid van de Aarde. Daarna werd hij voor twee weken naar Galveston gestuurd.
In de dertiger jaren van de eenentwintigste eeuw konden via elk goed reisbureau vliegreserveringen gemaakt worden naar de Maan, voor plaatsen op een lijnvlucht van de VNR of op gecharterde schepen die bemand werden door VNx officieren. Het comfort dat op de passagiersvluchten werd geboden stond op een hoog peil en men was verzekerd van een plaats in een van de grotere Maanbases zodat het reizen naar de Maan een sleur kon worden in het leven van veel zakenlieden en een gedenkwaardige gebeurtenis voor aardig wat terloopse bezoekers die geen van allen gespecialiseerde kennis of training nodig hadden. E,n ondernemend consortium, dat bestond uit een keten van hotels, een internationale luchtvaartmaatschappij, een toeroperator en een constructiebedrijf, was begonnen met de bouw van een vakantieplaats op de Maan, die voor het eerste seizoen al helemaal was volgeboekt.
Planeten zoals Jupiter stonden echter nog niet open voor het publiek. Mensen die waren aangewezen voor taken bij de verre-ruimtemissies van de VNR moesten weten wat ze deden en hoe ze moesten handelen in noodsituaties. De ijsvlakten van Ganymedes en de smeltoven van Venus waren geen oorden voor toeristen.
In Galveston leerde Hunt over de VNx-ruimtepakken en de standaardonderdelen van de hulpuitrusting; men bracht hem bij hoe hij verbindingsapparatuur moest gebruiken, overlevingsuitrusting, het noodzuurstof- en verwarmingssysteem en reparatie-uitrustingen; hij oefende zich in testroutines, radiopeilings procedures en diagnosetechniek voor uitrustingsdefecten. 'je leven zou kunnen afhangen van dit kleine doosje,' vertelde een instructeur aan de groep. 'je zou in een situatie terecht kunnen komen dat het kapot gaat en jij de enige binnen een omtrek van honderd kilometer bent die het kan maken.' Artsen gaven onderricht in de beginselen van de ruimtegeneeskunde en adviseerden methoden om zuurstofgebrek, decompressie, hitteberoerte en hypothermie te behandelen. Fysiologen beschreven de uitwerking van langdurige perioden van verminderd lichaamsgewicht op het calcium in de botten en lieten zien hoe een juist evenwicht gehandhaafd kon worden door een speciaal geselecteerd dieet en medicijnen. Officieren van de VNR gaven nuttige wenken die liepen van het in leven en geestelijk normaal blijven in buitenaardse omgevingen, van het te voet navigeren op een vijandige planeet door satellietbakens te gebruiken als referentiepunten, tot de kunst je gezicht te wassen in een toestand van gewichtloosheid.
En dus bevond Hunt zich vier weken na zijn opdracht van Caldwell vijftien meter onder de begane grond bij platform twaalf van terminalgebouw nummer twee, dertig kilometer buiten Houston, en liep hij over een van de toegangstaluds die de wand van de silo verbond met de glanzende romp van de Vega. Een uur later duwden de hydraulische rammen onder het platform waar de staart op rustte het schip langzaam omhoog en naar buiten zodat het vrij op het dak van het gebouw stond. Een paar minuten later schoot de Vega omhoog, de duister wordende ruimte in. Dertig minuten later, twee-en-eenhalve seconde achter op het schema, maakte het vast aan de overstapsatelliet Kepler, die bijna een kilometer in middellijn was.
In de Kepler stapten de passagiers die doorreisden naar de Maan - waaronder Hunt, drie aandrijvingsysteem experts die graag de vermoede Ganymese zwaartekrachtaandrijving wilden onderzoeken, vier verbindingsspecialisten, twee structurele ingenieurs en de ploeg van Danchekker, die allemaal de Jupiter Vijf als bestemming hadden over in het lelijke en lompe maanschip van de Capellaklasse dat hen vanuit de parkeerbaan om de Aarde naar de Maan zou brengen. De reis duurde dertig uur en was onopmerkelijk. Nadat ze twintig minuten lang in een baan om de Maan hadden gedraaid, kondigde de luidspreker aan dat het schip toestemming had gekregen om te landen.
Kort daarna kwam de eindeloze opeenvolging van vlakten, bergen, rotspunten en heuvels die over het scherm in de kajuit was gegleden tot stilstand en begon het beeld merkbaar groter te worden. Hunt herkende de vlakten van Ptolemeus en Albategnius met de dubbele ringwal en de centrale conische berg en de krater Klein die de omringende wal doorbrak, voor het schip naar het noorden zwenkte en die details verdwenen bovenaan het steeds groter wordende beeld. Het beeld stabiliseerde zich en was nu gericht op de geschonden en verbrokkelende bergketen die Ptolemeus scheidde van de zuidelijke rand van de Vlakte van Hipparchus. Wat er eerder had uitgezien als vlak terrein werd nu een wirwar van ruige rotswanden en dalen terwijl in het midden flitsen zonlicht begonnen te verschijnen, die weerkaatst werden door de metalen bouwsels van de geweldige basis onder hen.
Toen de omtrekken van de oppervlakte-installaties opdoemden tegen de grijze achtergrond en toenamen tot ze het hele scherm vulden, groeide er in het midden een gele gloed die zich geleidelijk transformeerde tot de gapende ingang van een van de ondergrondse ligplaatsen voor Maanschepen. Er was een glimp zichtbaar van reeksen niveaus die zich tot voorbij het blikveld naar beneden uitstrekten, en enorme onderhoudskranen zwaaiden achteruit om het schip toe te laten. Reeksen schelle booglampen verlichtten het tafereel voordat de uitlaatgassen van de remmotoren alles onzichtbaar maakten. Een zachte schok gaf aan dat het landingsgestel contact had gemaakt met de maanrots en er viel plotseling stilte in het schip toen de motoren werden uitgeschakeld. Massieve stalen luiken rolden dicht boven de plompe neus van het maanschip en sloten de sterren buiten. Toen de ligplaats volliep met lucht trof een nieuwe wereld van geluid de oren van de passagiers. Kort daarna gleden de loopbruggen vloeiend uit de muren en verbonden het schip met de ontvangstruimten.
Een half uur nadat de landingsformaliteiten waren afgehandeld, stapte Hunt uit een lift hoog in een van de uitzichtkoepels die de bovenkant van Hoofdbasis Ptolemeus beheersten. Lange tijd staarde hij ernstig naar de strenge verlatenheid waar de mens deze oase van leven had geschapen. De gestreepte blauwe en witte schijf van de Aarde die roerloos boven de horizon hing deed hem plotseling denken aan de afgelegenheid van steden zoals Houston, Reading, Cambridge, en de betekenis van al het vertrouwde dat hij tot zo kort tevoren als vanzelfsprekend had aangenomen. In zijn zwerftochten was hij nooit een bepaalde plek als zijn thuis gaan zien; onbewust had hij elk deel van de wereld altijd net zoveel als zijn thuis geaccepteerd als een ander. Nu besefte hij plotseling dat hij voor het eerst in zijn leven weg was van huis.
Toen Hunt zich omdraaide om meer van het landschap beneden in zich op te nemen, zag hij dat hij niet alleen was. Aan de andere kant van de koepel stond een magere, kalende gedaante zwijgend uit te staren over de wildernis, geabsorbeerd in zijn eigen gedachten. Hunt aarzelde lang.
Uiteindelijk liep hij langzaam naar de gedaante toe en ging naast hem staan. Overal om hen heen strekte zich de kilometerbrede wirwar van zilvergrijze geometrie uit waar de basis uit bestond, temidden van een warboel van pijpen, balken, masten en antennes. Op torens boven hen zocht de radar in eindeloze cirkels de horizon af terwijl de hoge bidsprinkhanen van laser zendontvangers star naar de hemel staarden en de onophoudelijke dialoog voerden tussen de basiscomputers en onzichtbare communicatiesatellieten die tachtig kilometer hoog hingen. Voorbij de basis, in de verte, rezen de ruige bastions van de Ptolemeusketen boven de vlakte uit. Uit de duisternis boven hen gleed een oppervlakteschip in een landingsbaan naar de basis.
Ten slotte zei Hunt: `Te bedenken dat dit een generatie geleden allemaal nog woestijn was.' Het was meer een gedachte die hij hardop uitsprak dan een bewering.
Het duurde lang voordat Danchekker antwoordde. Toen hij het deed, hield hij zijn ogen op het landschap gericht.
`Maar de mens durfde te dromen...' mompelde hij langzaam. Na een stilte voegde hij eraan toe: `En wat de mens vandaag durft te dromen, maakt hij morgen werkelijkheid.'
Er volgde weer een lange stilte. Hunt pakte een sigaret uit zijn koker en stak hem op. `Weet u,' zei hij terwijl hij langzaam een rookwolk naar de glazen wand van de koepel blies, `het wordt een lange reis naar Jupiter. We zouden beneden iets kunnen gaan drinken - een afscheidsglaasje, zogezegd.'
Danchekker leek een tijdje over het voorstel na te denken. Ten slotte verplaatste hij zijn blik tot in de koepel en keek Hunt aan.
`Laten we dat maar niet doen, dr. Hunt,' zei hij rustig.
Hunt zuchtte en wilde zich omdraaien.
`Maar...' De toon van Danchekkes stem hield hem tegen. Hij keek op. `Als uw stofwisseling in staat is om de ongewone schok van een niet-alcoholische drank te weerstaan, zou een kop sterke koffie misschien, eh, bijzonder goed smaken.'
Het was een grapje. Danchekker had waarachtig een grapje gemaakt!
`Ik ben voor alles een keer te vinden,' zei Hunt terwijl ze op weg gingen naar de lift.
Negentien.
De inscheping in het commandoschip Jupiter Vijf, dat in een parkeerbaan hing, zou pas een paar dagen later plaatsvinden. Danchekker zou bezig zijn met het treffen van laatste regelingen om zijn team en hun uitrusting overgeladen te krijgen vanaf het Maanoppervlak. Omdat Hunt niet betrokken was bij deze bezigheden, stelde hij een reisroute op van plaatsen die hij wilde bezoeken in de vrije tijd die hij beschikbaar had.
Eerst vloog hij per oppervlakteschip naar Tycho om de opgravingen te bekijken waarmee men nog steeds bezig was in de buurt van sommige Lunarische vindplaatsen en om nu eindelijk eens een groot deel van de mensen te ontmoeten die tot dan toe alleen hadden bestaan als gezichten op een beeldscherm. Hij ging ook naar de diepe mijnbouw en boorwerkzaamheden kijken die niet ver van Tycho uitgevoerd werden en waar ingenieurs trachtten door te dringen tot de kern van de Maan. Ze dachten dat daar misschien concentraties van ertsen met een hoog metaalgehalte te vinden zouden zijn. Als dat zo bleek te zijn, dan zou de Maan binnen enkele tientallen jaren een enorme ruimteschipfabriek worden, waar onderdelen die in verwerkings en vormingsinstallaties aan de oppervlakte werden geprefabriceerd in een baan om de Maan zouden worden gebracht om daar ten slotte in elkaar te worden gezet. De economische voordelen van het daar construeren van ruimtevaartuigen uit Maanmaterialen zonder eerst alles te moeten vervoeren vanuit de sterke zwaartekracht van de Aarde, beloofden geweldig te zijn.
Daarna bezocht Hunt de enorme radio- en optische observatoria van Giordano Bruno op de achterkant, waar gevoelige ontvangers die volledig afgeschermd werkten van de onophoudelijke storing van de Aarde en gigantische telescopen die bevrijd waren van de atmosfeer en niet te kampen hadden met vervormingen die veroorzaakt werden door hun eigen gewicht, de grenzen van het bekende heelal tot ver voorbij de limieten van hun Aardse voorgangers verlegden. Hunt zat gefascineerd voor de monitorschermen en zag de planeten van enkele der nabije sterren; ze lieten hem er een zien die negen keer zo groot was als Jupiter en nog een die in een wonderlijke baan in de vorm van een acht rond een dubbelster draaide. Hij tuurde tot diep in het hart van de Andromedanevel en naar ver stipjes die op de grens van het waarneembare lagen. Geleerden en natuurkundigen beschreven het vreemde nieuwe beeld van de kosmos dat begon te ontstaan uit hun werk hier en legden enkele van de opwindende vorderingen uit op het terrein van de tijd-ruimtemechanica, die erop wezen dat er uitvoerbare methoden ontwikkeld konden worden om de astronomische geodesie zo te vervormen dat de beperkingen waarvan men vroeger dacht dat ze betrekking hadden op uiterste effectieve snelheden vermeden konden worden. Als dat zo was, zou interstellaire ruimtevaart uitvoerbaar worden; een van de geleerden voorspelde vol vertrouwen dat de mens binnen de vijftig jaar de melkweg zou overspannen.
De laatste halte van Hunt leidde hem weer naar de voorkant van de Maan - naar de basis bij Copernicus in de buurt waarvan Charlie was ontdekt. Geleerden in Copernicus hadden de beschrijvingen van het terrein waar Charlie over gereisd had bestudeerd, plus de daarbij behorende geschetste kaarten; de informatie die het aantekenboekje had bevat was doorgezonden vanuit Houston. Afgaand op de reistijd, de afstanden en de geschatte snelheden, vermoedden ze dat Charlies reis ergens aan de achterkant was begonnen en hem via het Juragebergte, Sinus Iridum en Mare Imbrium naar Copernicus had gevoerd. Niet iedereen onderschreef echter die opvatting; er was een probleem.
Om de een of andere onverklaarbare reden hadden de richtingen en kompasstreken die genoemd werden in Charlies aantekeningen helemaal geen betrekking op het conventionele noord-zuid van de Maan, dat afgeleid was van de rotatieas. De enige reisroute van Charlie die enigszins aanvaardbaar kon worden verklaard was die vanaf de achterkant over Mare Imbrium, maar zelfs die klopte alleen maar als er een hele nieuwe richting werd aangenomen voor de noord-zuidas.
Pogingen om Gorda op te sporen hadden tot dan toe geen succes opgeleverd. Te oordelen naar de teneur van de laatste notities in het dagboek, kon het niet erg ver van de plek zijn waar Charlie was gevonden. Ongeveer vijfentwintig kilometer ten zuiden van dat punt bevond zich een gebied dat bedekt was door talrijke overlappende kraters, waarvan was vastgesteld dat ze allemaal van meteoritische en recente oorsprong waren. De meeste onderzoekers concludeerden dat daar Gorda moest hebben gelegen, totaal weggevaagd door een toevallige concentratie van meteorieten uit de nog onverklaarde storm.
Voordat hij vertrok uit Copernicus nam Hunt een uitnodiging aan om met een landvoertuig de plek te bezoeken waar Charlie was ontdekt. Hij werd vergezeld door een professor Alberts van de basis en de bemanning van het VNR-verkenningsvoertuig.
Het verkenningsvoertuig kwam hotsend tot stilstand in een brede kloof, tussen verbrokkelde wanden van leigrijze rots.
Overal rondom was het stof omgewoeld tot een verwarrend patroon van groeven en richels door rupsbanden, wielen, landingsgestellen en mensenvoeten - een bewijs voor de intense activiteit die hier de laatste achttien maanden had plaatsgevonden. Hunt herkende de omgeving onmiddellijk vanuit de observatiekoepel van de bovenste cabine; hij had het voor het eerst gezien in het kantoor van Caldwell. Hij zag de grote berg puin tegen de dichtstbijzijnde wand van de kloof en daarboven de inkeping die naar het ravijn leidde.
Een stem riep hem van beneden. Met langzame en onhandige bewegingen in zijn belemmerende ruimtepak stond Hunt op en klom door het luik in de vloer en een korte ladder af naar de regelcabine. De chauffeur zat achterover geleund in zijn stoel en nam een grote slok uit een thermosfles hete koffie. Achter hem zat de sergeant die het bevel had over het voertuig voor een videoscherm. Hij meldde via een communicatiesatelliet aan de basis dat ze zonder ongelukken hun bestemming hadden bereikt. Het derde bemanningslid, een korporaal die Hunt en Alberts buiten zou vergezellen en die zijn uitrusting al aan had, hielp de professor om zijn helm vast te maken. Hunt pakte zijn eigen helm uit het opberg rek bij de deur en bevestigde hem. Toen ze alle drie klaar waren, zag de sergeant toe op de laatste controle van het verwarmings -, zuurstof- en communicatiesysteem en gaf hen toestemming om een voor een door de luchtsluis naar buiten te gaan.
'Nou, daar sta je dan, Vic. Je bent nu echt op de Maan.'
De stem van Alberts klonk door de luidspreker in de helm van Hunt. Hunt voelde het sponsachtige stof meegeven onder zijn laarzen en hij deed een paar experimentele stappen heen en weer.
'Het lijkt het strand van Brighton wel,' zei hij.
'Alles in orde, mensen?' vroeg de stem van de VNR-korporaal.
'Ja hoor.'
'Zekers.'
'Laten we dan maar gaan.'
De drie felgekleurde gestalten - een oranje, een rood en een groen - begonnen langzaam door de uitgesleten geul te lopen die over het midden van de berg puin liep. Toen ze boven waren, stonden ze stil en keken neer op het verkenningsvoertuig dat er al uitzag als een stuk speelgoed in de kloof onder hen.
Ze gingen het ravijn in en klommen tussen verticale rotswanden die naar elkaar kwamen toen ze de bocht naderden. Boven de bocht liep het ravijn weer recht en in de verte kon Hunt een enorme wand van puntige uitsteeksels zien die boven de lage heuvels uittorende - blijkbaar de richel die in Charlies aantekeningen werd beschreven. Hij kon zich het tafereel dat zich zo lang geleden op precies dezelfde plek had afgespeeld levendig voor de geest halen, toen twee andere gedaanten in ruimtepakken verder en omhoog hadden gezwoegd met hun ogen op hetzelfde ding gericht. Daarboven had de rode en zwarte, gefolterde planeet dreigend neer gekeken op hun laatste kwelling, als...
Verbaasd bleef Hunt staan. Hij keek weer naar de richel en staarde toen naar de heldere schijf van de Aarde die ver achter zijn rechterschouder scheen. Hij draaide zich om en keek eerst de ene kant op en toen de andere.
'Is er iets mis?' Alberts, die een paar passen vooruit was gelopen, had zich omgedraaid en staarde naar hem.
`Ik weet het niet zeker. Blijf eens even daar.' Hunt ging naast de professor staan en wees omhoog naar de richel.
'Jij bent beter bekend met dit oord dan ik. Zie je die richel daar voor ons? - Zou de Aarde op enig tijdstip in het jaar daar ooit boven kunnen verschijnen?'
Alberts keek langs Hunts wijzende vinger, wierp een korte blik terug op de Aarde en schudde toen gedecideerd zijn hoofd achter zijn vizier.
`Nooit van z'n leven. Gezien vanaf het Maanoppervlak is de positie van de Aarde bijna constant. Hij wiebelt wel een klein beetje om zijn gemiddelde positie als gevolg van de libratie, maar op geen stukken na zoveel.' Hij keek weer.
`Daar komt hij nooit. Het is een vreemde vraag. Waarom stelde je die?'
`Gewoon iets dat me te binnen schoot. Het doet er eigenlijk nog niet toe.'
Hunt keek omlaag en zag een opening in een van de wanden voor hem. `Dat moet het zijn. Laten we erheen gaan.'
Het gat was precies zoals hij het zich herinnerde van talloze foto's. Ondanks de ouderdom verried de vorm de kunstmatige oorsprong. Hunt kwam haast eerbiedig naderbij en bleef even staan om de rots aan een kant van de opening te bevoelen met zijn handschoen. Het was duidelijk dat de krassen gemaakt waren door zoiets als een boor.
'Dat is het dus,' zei de stem van Alberts die een meter achter hem stond. 'De Grot van Charlie noemen we het ongeveer precies hetzelfde als het geweest moet zijn toen hij en zijn metgezel het voor het eerst zagen. Het lijkt wel of je de heilige kamers in een van de piramiden betreedt, vind je niet?'
'Zo zou je het kunnen stellen, ja.' Hunt bukte zich om naar binnen te kijken en stopte even om naar de zaklantaarn aan zijn riem te tasten toen de plotselinge duisternis hem tijdelijk verblindde.
Het gevallen puin dat het lijk oorspronkelijk had bedekt was weggeruimd en het inwendige was groter dan hij had verwacht. Vreemde emoties welden in hem op toen hij naar de plek staarde waar duizenden jaren voordat de eerste bladzijde van de geschiedenis was geschreven, een ineengedoken gedaante moeizaam de laatste bladzijde had gekrabbeld van een verhaal dat Hunt nog maar zo pas geleden had gelezen in een kantoor in Houston, bijna vierhonderdduizend kilometer ver weg. Hij dacht aan de tijd die was voorbijgegaan sinds die gebeurtenissen hadden plaatsgevonden - aan de keizerrijken die waren opgekomen en ondergegaan, de steden die tot stof waren verkruimeld en de levens die kort hadden geflonkerd en opgeslokt waren in het verleden - terwijl al die tijd, onveranderlijk, het geheim van deze rotsen hier ongestoord had gelegen.
Er gingen vele minuten voorbij voor Hunt weer naar buiten kwam en zich oprichtte in het verblindende zonlicht.
Hij keek weer fronsend omhoog naar de rotsrichel. Iets tantaliserends danste ongrijpbaar net voorbij het denkende gedeelte van zijn geest, alsof iets koppigs vanuit de schaduwen van zijn onderbewustzijn krijste om herkend te worden. En toen was het verdwenen.
Hij klemde de zaklantaarn weer op zijn plaats aan zijn riem en liep naar Alberts, die enkele rotsformaties aan het bestuderen was in de tegenoverliggende wand.
Twintig.