PROLOOG.
Hij besefte dat hij bij bewustzijn kwam.
Instinctief deinsde zijn geest terug, alsof hij door wilskracht de meedogenloze stroom van seconden kon laten stoppen die het niet-bewustzijn scheidde van het bewustzijn en weer terug kon vallen in die tijdloze vergetelheid waar hij de kwelling van de totale uitputting niet kende en niet kon kennen.
De hamer die gedreigd had uit zijn borst te zullen scheuren was nu rustig. De stromen zweet die samen met zijn kracht uit elke holte van zijn lichaam waren gevloeid, waren nu koud geworden. Zijn ledematen waren loodzwaar. Het gezwoeg van zijn longen was weer een traag en regelmatig ritme geworden. Het klonk hard in de kleine ruimte van zijn helm.
Hij probeerde zich te herinneren hoeveel er waren gesneuveld. Hun bevrijding was definitief; voor hem was er geen bevrijding. Hoe lang kon hij het nog volhouden? Wat had het voor zin? Zou er in Gorda trouwens nog wel iemand in leven zijn?
'Gorda...? Gorda...?'
Zijn mentale schild kon hem niet meer beschermen tegen de realiteit.
`Moet naar Gorda zien te komen!'
Hij deed zijn ogen open. Een miljard koele sterren staarden ongeinteresseerd terug. Toen hij zich probeerde te verroeren, weigerde zijn lichaam te gehoorzamen, alsof het zijn laatste kostbare ogenblik van rust tot het uiterste wilde rekken. Hij haalde diep adem en terwijl hij zijn tanden op elkaar klemde vanwege de pijn die ogenblikkelijk door elke vezel van zijn lichaam vlamde, .duwde hij zichzelf weg van de rots en in een zittende houding. Een golf van misselijkheid ging door hem heen. Zijn hoofd zakte voorover, en sloeg tegen de binnenkant van zijn vizier. De misselijkheid verdween. Hij kreunde hardop.
`Voel je je al beter, soldaat?' De stem klonk duidelijk door de ontvanger in zijn helm. `De zon is aan het zakken.
We moeten op weg.'
Hij hief zijn hoofd op en zocht langzaam de nachtmerrieachtige wildernis van verschroeide rotsen en asgrauw stof af die voor hem lag.
`Wa--' Het geluid smoorde in zijn keel. Hij slikte, likte zijn lippen en probeerde het nog eens. `Waar ben je?'
`Rechts van je, op de heuvel even achter die kleine, uitstekende rotswand, met die grote keien aan de voet.'
Hij draaide zijn hoofd om en na een paar seconden ontdekte hij een felblauwe vlek tegen de inktzwarte hemel. De vlek leek wazig en ver weg. Hij knipperde met zijn ogen en staarde uit alle macht, hij dwong zijn hersens zich te coordineren met zijn gezichtsvermogen. De blauwe vlek werd de gedaante van de reus, Koriel, gekleed in een extra zwaar gevechtspak.
`Ik zie je.' Na een tijdje: `En?'
`Aan de andere kant van de heuvel is het vrij vlak dat moet een stuk gemakkelijker lopen worden. Verderop wordt het rotsiger. Kom maar even kijken.'
Centimeter voor centimeter schoof hij zijn armen omhoog om een greep te krijgen op de rots achter hem, toen zette hij ze schrap om zijn gewicht naar voren te duwen en op zijn benen te laten rusten. Zijn knieen trilden. Zijn gezicht vertrok zich toen hij worstelde om zijn overgebleven kracht te verzamelen in zijn onwillige dijen. Zijn hart bonsde alweer en zijn longen zwoegden. De poging verzwond en hij viel weer tegen de rots. Zijn moeizame ademhaling raspte door de radio van Koriel.
`Afgelopen... Kan me niet bewegen...'
De blauwe gedaante tegen de horizon draaide zich om.
`H,, wat is dat nou voor geklets? Dit is het laatste stukje.
We zijn er, maat, we zijn er.'
`Heeft - heeft geen zin... Ben er geweest...'
De reus wachtte een paar seconden lang.
`Ik kom weer naar beneden.'
`Nee - ga verder. Iemand moet het halen.'
Geen antwoord.
`Koriel...?'
Hij keek weer naar de plek waar de gedaante had gestaan, maar die was al verdwenen in de tussenliggende rotsen waardoor er geen radioverbinding gemaakt kon worden. Een paar minuten later verscheen de gedaante van achter de nabije rotsblokken en legde de afstand af met lange, moeiteloze sprongen. De sprongen werden passen toen Koriel de ineengedoken, in het rood geklede figuur naderde.
`Kom op, soldaat, overeind. Er zijn daar mensen die op ons rekenen.'
Hij voelde hoe hij onder zijn arm werd gepakt en onweerstaanbaar werd opgetild, alsof iets van Koriels onuitputtelijke krachtreserves bij hem naar binnen stroomde. Een tijd lang duizelde het hem en hij leunde met de bovenkant van zijn vizier tegen de schouderinsignes van de reus.
`Ok,,' wist hij uiteindelijk te zeggen. `Laten we gaan.'
Uur na uur kronkelde de dunne slang van voetafdrukken, met vooraan twee stipjes kleur, westwaarts door de wildernis tussen de gestaag langer wordende schaduwen. Hij liep alsof hij in een trance was en geen pijn, geen uitputting meer kon voelen - niets meer kon voelen. De horizon leek nooit te veranderen; al gauw kon hij er niet meer naar kijken. In plaats daarvan zocht hij de volgende opvallende kei of rotswand en begon zijn passen af te tellen tot ze hem bereikt hadden. `Al 213 gehad.' En dan herhaalde hij het weer... en weer... en weer. De rotsen marcheerden voorbij in een trage, eindeloze, onverschillige stoet.
Elke stap werd een afzonderlijke zege van de wilskracht, een geconcentreerde poging om zijn voet weer een pas verder neer te zetten. Als hij struikelde, was Koriel er altijd om hem bij zijn arm te pakken; als hij viel was Koriel er altijd om hem overeind te trekken. De reus werd nooit moe.
Uiteindelijk bleven ze staan. Ze stonden in een kloof van misschien een halve kilometer breed, onderaan een van de lage, verbrokkelde heuvelketens die er aan beide kanten langsliepen. Hij zakte neer op de dichtstbijzijnde kei. Koriel stond een paar passen voor hem en bestudeerde het terrein.
De heuvelketen direct boven hen werd onderbroken door een inkeping, die de plaats aangaf waar een steil en smal ravijn naar beneden tuimelde en door de wand van de grote kloof heen brak. Vanaf de bodem van het ravijn liep een berg opeengehoopt puin en stukken rots ruim vijftien meter naar beneden en ging daar over in de bodem van de kloof, niet ver vanwaar ze stonden. Koriel stak een arm uit en wees voorbij het ravijn.
`Gorda ligt daar ergens,' zei hij zonder zich om te draaien. `De beste route is omhoog en dan die rotsrichel op.
Als we op de vlakke grond blijven en een omweg maken, dan wordt het te ver. Wat vind jij?'
De ander staarde in zwijgende wanhoop omhoog. De stapel puin, die naar de opening van het ravijn toeliep, zag eruit als een berg. In de verte, daarachter, torende de rotswand omhoog, puntig en wit in het schelle zonlicht. Het was onmogelijk.
Koriel gunde zijn twijfels niet de tijd om te wortelen. Op de een of andere manier - uitglijdend, slippend, struikelend en vallend - bereikten ze de ingang van het ravijn. Daarachter kwamen de wanden dichterbij en zwenkten naar links, zodat ze het uitzicht afsneden op de kloof onder hen, waar ze vandaan waren gekomen. Ze klommen hoger. Rond hen heen vielen stukken fel weerkaatst zonlicht en bodemloze kuilen van schaduw in messcherpe randen samen op rotsen die tot duizend krankzinnige hoeken versplinterd waren. Zijn brein zag de begrippen vorm en omtrek niet meer in de idiote geometrie van wit en zwart die caleidoscopisch over zijn netvlies danste. De patronen groeiden en slonken en vermengden zich en wervelden in een woeste visuele kakofonie.
Zijn gezicht sloeg tegen zijn vizier toen zijn helm in het stof plofte. Koriel hees hem overeind.
'je kan het best. Vanaf die rotswand kunnen we Gorda zien. Daarna is het alleen nog maar heuvel af...'
Maar de gedaante in het rood zonk langzaam op zijn knieen en viel op zijn zij. Het hoofd in de helm schudde zwakjes heen en weer. Terwijl Koriel toekeek, accepteerde het bewuste deel van zijn geest eindelijk de onontkoombare logica die het deel onder het bewustzijn al kende. Hij haalde diep adem en keek om zich heen.
Een stukje lager waren ze langs een gat gekomen van ongeveer anderhalve meter breed, dat onderin een van de rotswanden zat. Het zag eruit als het overblijfsel van de een of andere vergeten opgraving - misschien wat inleidend graafwerk dat verricht was door een onderzoeksploeg van mijnbouwers. De reus bukte, greep het tuig waaraan de ransel vastzat van de nu bewusteloze gedaante aan zijn voeten en sleepte het lichaam de helling af naar het gat. Het was ongeveer drie meter diep. Snel stelde Koriel een lamp op die een zwak licht op de wanden en de zoldering wierp.
Toen haalde hij de rantsoenen uit de ransel van zijn kameraad, plaatste de gedaante tegen de achterste wand en zette de voedselcontainers zo neer dat hij ze gemakkelijk kon pakken. Net toen hij bijna klaar was, flikkerden de ogen achter het vizier open.
`Voorlopig zit je hier prima.' De gebruikelijke barsheid was verdwenen uit de stem van Koriel. `Voor je het weet heb ik hier een reddingsploeg uit Gorda.'
De rode gedaante stak een zwakke arm op. Slechts een gefluister was hoorbaar.
'je - je hebt het geprobeerd... Niemand had meer kunnen...'
Koriel pakte de handschoen met beide handen vast.
'je moet het niet opgeven. Dat helpt niets. Je moet gewoon nog even volhouden.' De wangen van de reus waren nat in zijn helm. Hij kroop achteruit naar de ingang en salueerde een laatste maal. -Tot ziens, soldaat.' En toen was hij verdwenen.
Buiten stapelde hij wat stenen op om de positie van het gat te markeren. Hij zou de route naar Gorda met zulke stapels aangeven. Ten slotte rechtte hij zijn rug en wendde zich uitdagend naar de verlatenheid die hem omringde. De rotsen leken tegen hem te gillen van geluidloze lachende spot. De sterren bleven onbewogen. De reus keek woest naar het ravijn dat opsteeg naar de reeksen rotspunten en richels die de nog ver weg torenende wand bewaakten. Zijn lippen krulden op en ontblootten zijn tanden.
`Zo - dus alleen jij en ik zijn nog over, he?' snauwde hij tegen het heelal. `Ok,, rotzak, laten we eens zien hoe je het er deze ronde afbrengt!'
Met benen die stampten als langzame zuigers, viel de reus aan op de steeds steiler wordende helling.