Zes

Ik worstel met de stofzuigerslang om hem terug in de kast te proppen en bel Kelvin. Het is al halfzeven geweest. Hij neemt al op voordat de telefoon overgaat. “Kelvin, ik haal het niet,” jammer ik. “Het was zo druk hier, verschrikkelijk gewoon. Ik trek nu mijn jas aan, maar ik moet eerst thuis mijn dansspullen gaan halen en als ik dan ook nog naar de markt moet dan…”

Kelvin zal in mijn stem wel horen dat ik me veel te druk maak, want sussend zegt hij: “Hé Eefje, doe eens even kalm. Als het niet gaat, dan gaat het niet, hoor. Ik kom wel naarjUMP4jOY.”

“Echt? Vind je het niet erg?”

“Natuurlijk vind ik het erg. Ik wil je vasthouden, zoenen en ik wil je knuffelen. Maar we hebben tijd genoeg. Wees maar voorzichtig. Ik zie je daar wel.”

Met een warm gevoel van genegenheid hang ik op en wurm me in mijn jas. Opeens verspert mam me de doorgang uit het kleine keukentje.

“Ik mag me nergens mee bemoeien,Eva, maar wie was dat?” vraagt ze met een waakzame blik in haar blauwe ogen.

“Dat was een vriend,” zeg ik ontwijkend. “Ik moet weg, mam, ik wil niet te laat zijn op de repetitie.”

“Eva, het is toch niet Ronny, hè?” vraagt ze en haar stem is opeens scherp.

“Alsjeblieft, nee zeg! Die hoefik echt niet meer tegen te komen,” verzeker ik haar en duik in mijn tas om mijn fietssleutels te zoeken.

“Je was gisteren laat thuis,” gaat ze door. “Ben je met die vriend uit geweest?”

“Mam!” Ik kijk op. “Wat is dit voor kruisverhoor? Mag ik niet meer uit zonder jou te vertellen met wie en waarheen?”

“Doe niet zo raar, natuurlijk moet je je eigen gang gaan. Maar papa en ik zaten te wachten op jou met eten en je kunt op z’n minst even naar huis bellen dat je niet komt,” zegt ze, en haar verwijt is geheel terecht. Afbellen: dat ben ik helemaal vergeten. Met een geërgerde zucht—om mijn eigen stommiteit, niet om mams woorden—druk ik de sluiting van mijn tas dicht en slinger hem over mijn schouder.

“Sorry mam, je hebt gelijk. Reken er maar op dat ik vanavond ook niet thuiskom. Het wordt heel druk de komende tijd.”

Aan mams gezicht te zien is ze nog lang niet tevreden met alleen maar een kort excuus en dat vage antwoord over hoe druk ik het heb, maar ik heb nu geen zin om me verder te verantwoorden en werk me langs haar heen. Ze zet een stap opzij.

“Wacht eens even, jongedame,” zegt ze. Opeens is het of ik terug ben in de schoolbanken en de leraar tekst en uitleg verwacht over huiswerk dat niet gemaakt is. “Je bent me nog een verklaring schuldig. Wat was dat vanmiddag allemaal? Over die ontwerpster?”

O, dat! Ik werp een blik op de klok. Ik moet echt weg. “Het was een geintje, dat is alles, en mevrouw Lindhorst speelde het spelletje mooi mee. Ik leg je alles nog wel uit, maar nu heb ik daar echt geen tijd voor.”

Voor mam nog iets kan zeggen ben ik de winkel al uitgelopen. Ik ren naar mijn fiets, trap me in het zweet om thuis mijn sporttas te halen en spring in mijn auto om naar JUMP4JOY te scheuren. Een warming-up heb ik niet meer nodig! Zolang de extra trainingen duren zal ik ‘s-morgens mijn dansspullen maar gewoon meenemen naar het werk. Dat scheelt een hoop heen en weer rijden. Ik heb een auto, maar die gebruik ik in de stad zo min mogelijk. Het is al lastig genoeg om je ‘s-morgens door de spits te wurmen en dat gaat sneller op de fiets. Parkeren is op zich niet zo’n probleem: achter de winkel is een parkeerterreintje voor klanten waar plekken zijn gereserveerd voor mams auto en voor de mijne. Een parkeerplek vinden bij JUMP4JOY is wel lastig: de haventjes staan meestal allemaal vol.

Maar vandaag heb ik mazzel: er rijdt net iemand weg als ik aankom. Ik parkeer mijn auto bijna recht tegenover JUMP4JOY en ren naar binnen. Geen spoor van Kelvin. Ik moet meteen beginnen en het heeft niet veel nut voor hem om hier nu te zijn omdat ik toch het eerste uur bezig ben.

In de kleedkamer is het druk. Terwijl ik me vlug omkleed, prop ik een mueslireep naar binnen en drink ik een half flesje energydrink leeg. Ik ben gewend aan laat eten, meestal schuif ik thuis pas rond acht uur aan tafel, maar een tussendoortje is dan geen overbodige luxe.

“De lijst is definitief,” zegt Adriana. “Dat heb ik net gehoord van Carol. Ik heb even met haar staan praten. Er is er nog eentje bijgekomen, we zijn dus met zeventien, als je Yolandy en haar (een hoofdknikje in Patricia’s richting) niet meerekent.”

“Jammer dat het er niet meer zijn,” zegt Patricia met haar rug naar Adriana toe. “Dan had zij (met een hoofdknikje achteruit richting Adriana) nog minder kans dan ze nu al heeft.”

“Wat ben je weer grappig. Het is te merken dat je de jongste van het stel bent,” zegt Adriana kil. “Onbehouwen en onvolwassen.”

“Zou dat komen omdat ik met jou moet optrekken?” kaatst Patricia terug.

“Nokken, jullie tweeën,” zeg ik, een beetje moe en kribbig van een lange drukke dag. “We zijn hier om te trainen, hoor.”

Patricia steekt verontschuldigend een hand naar mij op, maar Adriana werpt me alleen een koele blik toe en draait zich dan om, om Donna bij de elleboog te pakken en met haar de kleedkamer uit te lopen. “Een nieuw meisje?” vraag ik aan de anderen en strik mijn veters. “Weten jullie daar al iets van?”

“Er staat een nieuwe naam op de lijst,” knikt Lieke en laat haar vinger langs de namen glijden. “K. Hardenberg. Zegt je dat wat?”

Wat?

Ik bevries bijna. Dat kan toch niet waar zijn? Kelvin? Is Kelvin ook in de race voor de beurs? Kelvin? Mijn Kelvin? Ik struikel bijna over mijn voeten als ik de lijst uit Liekes handen trek en jawel, daar staat het, onder aan de rij namen van de meiden die zich definitief hebben opgegeven: K. Hardenberg. Hoe kan dat nou?

Het gesprek dat we pas hadden, over Carols plannen en de beurs in Amerika, staat me opeens weer levendig voor de geest. Dit kan niet. Heb ik zijn belangstelling verward met een kruisverhoor om details uit me los te peuteren, zodat hij zelf zijn plan kon trekken om dat ticket te winnen? Ik zie mezelf nog zitten, vol vuur vertellend over de New York School of Dance en hoe ik mijn kansen inschatte ten opzichte van de anderen.

Een blik op de klok en ik storm naar de zaal beneden.

Als hij meedoet moet hij er nu al zijn en ja hoor, daar staat hij, bij het hok met de geluidsinstallatie. Met een snelle beweging zet ik muziek op en trek Kelvin half het hok in, uit het zicht van de anderen. Ik zeg boos: “Wat is dat nou voor een streek? Waarom heb je niks gezegd? Als jij meedoet kunnen wij allemaal wel inpakken! En je hoort niet eens bij JUMP4JOY!” Ik houd mijn stem zacht. Misschien komt de boodschap daardoor veel duidelijker over dan wanneer ik had geschreeuwd, want Kelvin schrikt en vraagt: “Wat zeg je nou allemaal?”

“Hoe dat kan! Ik vertel jou van die beurs en de eerstvolgende keer dat ik binnenkom, sta jij opeens op de lijst van kandidaten. Wat dacht je? Heeee, dat is leuk? Even Eva uithoren en dan vlug inschrijven omdat er toch niemand zo goed is als ik? Je trekt het kleed onder onze voeten vandaan. Wat een rotstreek!”

Ik ben onderhand zo boos dat mijn stem trilt. Dit kan niet waar zijn. De meesten die meedoen bij Hi-5 dansen hier al minstens een jaar of vijf. Een enkeling die erbovenuit steekt wordt er eerder bijgehaald, maar wat hier nu gebeurt—dat kan gewoon niet.

Kelvins gezicht doorloopt een heel scala aan uitdrukkingen. Van verbaasd naar overrompeld tot bedrukt en dan wordt ook hij boos.

“Je hebt het helemaal mis,” fluistert hij om te voorkomen dat anderen merken dat we staan te ruziën. “Ik heb je nog gebeld, maar je nam niet op, en toen heb ik nog een voicemailbericht ingesproken om je te zeggen dat ik vanavond hier zou zijn!” Hij schudt zijn hoofd. “Wat nou meedoen?”

“Dansen, Kelvin Hardenberg. Jij wilt naar New York en hoe je het gedaan hebt weet ik niet, maar opeens sta jij op de lijst met deelnemers en dan kan ik—wij allemaal—wel inpakken!”

“Ik doe helemaal niet mee voor die beurs!”

“O nee? Je naam staat anders wel op de lijst van de deelnemers,” snauw ik.

“Omdat ik les kom geven!”

Wat? Lesgeven? Maar…

“Wat haal jij in je hoofd?” zegt hij en door zijn woede besef ik geschrokken dat ik iets helemaal fout begrepen heb. Hij kijkt alsof ik hem in zijn gezicht geslagen heb. “Hoe kun je nu denken dat ik het gras voor je voeten wégmaai? Denk je werkelijk dat ik naar New York wil om me daar een jaar te laten afbeulen door een stel van die didactische nullen die alleen maar denken dat schreeuwen en nog harder schreeuwen een echte vent van je maakt?”

Zijn felheid doet me terugdeinzen. “Kelvin, ik…” stamel ik.

“Dat hele beursgedoe kan me gestolen worden! Ik geef geen reet om zo’n prestigieuze Amerikaanse dansschool!”

“Maar…” Mijn verontwaardiging brokkelt heel snel af.

“Carol heeft gevraagd of ik wil helpen in de les omdat ze al die nummers wil doen en dat te veel is voor haar alleen. Cerise heeft ook te weinig tijd en dus vroeg ze of ik er iets voor voelde om te helpen. De enige reden waarom ik ‘ja’ heb gezegd ben jij. Als ik hier help, zie ik jou tenminste nog! Maar zoals je nu tekeergaat weet ik niet of dat wel een…”

Snel onderbreek ik hem, bijna smekend. Ik wil mijn vingers op zijn lippen leggen, om hem tot luisteren te dwingen. “Kelvin, ik dacht echt dat…” Oooo, wat ben ik toch een stomkop! Heb ik eigenlijk wel gelezen wat er op de lijst stond?

Hij trekt zijn hoofd terug om mijn vingers te ontwijken. Daarom leg ik mijn hand op zijn arm—dezelfde arm waaraan ik pas nog door de stad banjerde.

“Kelvin, ik dacht echt dat je probeerde om zo een voet tussen de deur te krijgen en…en…ik zat er helemaal naast.” Stotterend sta ik voor hem. Opeens heb ik buikpijn, steken die van links naar rechts door mijn lichaam schieten. Dat gebeurt niet vaak. Alleen als ik veel last heb van spanningen steekt dat de kop op.

Kelvin, het spijt me, zeg ik in stilte. Ik heb hem echt pijn gedaan, ik kan het zien. Ik schaam me diep. Hij heeft gelijk, zo’n behandeling heeft hij niet verdiend. Met vuurrode wangen en zweet in mijn handpalmen sta ik voor hem. Waarom heb ik niet eerst gevraagd of geluisterd naar wat hij te zeggen had, en begon ik hem meteen van van alles en nog wat te beschuldigen? Mijn zij steekt pijnlijk. Kelvin haalt diep adem en kijkt over mijn schouder naar de groep meiden in de zaal. De spieren in zijn kaken staan gespannen. O, man, wat heb ik gezegd? Ik ken hem nog maar een paar dagen en ik weet nu al dat ik hem nooit meer wil laten gaan.

De anderen zijn al bezig met hun warming up, zich niet bewust van de ruzie die zich in het muziekhok afspeelt. Dan zet Carol met de afstandsbediening de muziek zacht en roept ons bij elkaar. Kelvin werpt een blik op me die zoveel teleurstelling reflecteert dat ik in elkaar krimp. “We praten straks verder,” zegt hij dof en loopt de zaal in om zich bij de groep te voegen, waar Carol hem met samengeknepen ogen aankijkt voordat ze hem introduceert. Ze kijkt ook heel even naar mij als ik me schoorvoetend aansluit bij de rest. Patricia werpt me een vragende blik toe, maar ik reageer er niet op.

“Meiden, dit is mijn nieuwe assistent, Kelvin Hardenberg. Jullie hebben hem misschien de vorige keer al gezien. De nieuwe routines zijn lastig, en het is behoorlijk veel, en daarom heb ik zijn hulp ingeroepen zodat we gerichter kunnen werken. Ik heb ook mijn eigen input die ik in de routines wil verwerken. Nadoen wat er op de dvd staat is één ding, zelf een handtekening eronder plaatsen is iets heel anders. Kelvin was zo vriendelijk om ‘ja’ te zeggen toen ik zijn hulp heb ingeroepen, dus ik verwacht jullie medewerking en luisterend oor als hij jullie aanwijzingen geeft. Vragen? Niet? Dan gaan we aan de slag. Muziek!”

Carol spreekt op zo’n afgemeten toon dat niemand het in zijn hoofd haalt om een twijfelende opmerking te maken. Als Carol het nodig vindt, is het nodig. Carols devies. Er komen geen reacties en we beginnen. Algauw krijg ik het warm, net als de anderen. Het ene shirt na het andere gaat uit. Kelvin doet mee. Hij ontwijkt mijn blik niet, maar blijft ook niet langer hangen dan bij de anderen en geeft me geen heimelijke seintjes of knipoogjes, al stuur ik met mijn geest signalen dat hij naar me moet lachen. Mijn berichten halen de overkant niet.

Kelvin trekt het wijde vest dat hij aanheeft uit en ik—jaloers kreng dat ik ben—kijk meteen naar de reacties van de andere meiden. Ik zie Jeanne verlekkerd naar hem kijken en ook dat Lieke hem goedkeurend van top tot teen opneemt. Wat zei Patricia ook alweer? Dat ik het alleenrecht had? Kelvin heeft een prachtig lichaam, geen spoortje vet, een partij spieren waar je u tegen zegt, maar die toch niet overdreven zijn. Het klopt gewoon. In het strakke donkerblauwe shirt zie je pas hoe hij eruitziet, onder al die slobbertruien waarin ik hem tot nu toe gezien heb. Hij draagt een wijde sportbroek waarin zonder twijfel een even goed ontwikkeld stel benen verborgen zit. Ik heb hem al in actie gezien, ik weet wat hij kan. Als hij samen met Carol de bewegingen voordoet (zij laat ze zien en hij pikt ze onmiddellijk op) begint hij in de achting van de anderen te stijgen. Adriana is niet zo ingenomen met hem, dat is al vlug duidelijk. Ze kijkt ontevreden. Als Kelvin tussen ons door loopt en aanwijzingen geeft of kleine correcties doorvoert kijkt ze hem nauwelijks aan. Nee, Adriana Piranha houdt niet van indringers.

Het komt niet vaak voor dat ik niet kan volgen wat Carol voordoet, maar ik ben nu zo afgeleid dat ik mijn aandacht er niet goed bij kan houden. Ik stap naar links in plaats van naar voren, draai rechtsom terwijl ik naar links moet en als ik op mijn veter ga staan en languit door de zaal ga, ontsnapt me een knetterend scheldwoord. “Hé, gaat het wel?” Patricia steekt haar hand uit om me overeind te trekken. “Is alles goed?” vraagt ze.

“Ja, alles is goed,” zeg ik snel.

“Maak dat een ander wijs. Wat is er?”

“Niks. Alles is in orde,” zeg ik kortaf en meteen schudt Patricia haar hoofd. “Dus niet. Je staat als een plank te dansen. Laat het los en praat het straks uit. Je bent nu hier.” Ze slaat de spijker op zijn kop. Ik moet opletten, anders loop ik nu al een achterstand op. Houd je kop erbij, Eva, zeg ik een paar keer boos tegen mezelf. Ik duw de ruzie naar de achtergrond en dwing mezelf om me op het dansen te concentreren. Daarna gaat het beter. De muziek, de stappen, de afwerking: na een poosje komt het vertrouwde gevoel weer boven. Ik geef me eraan over en dans en dans en dans. De passen worden opgeslagen op mijn harde schijf. De muziek wordt door mijn geest geabsorbeerd tot ik er één mee ben. Het gevoel van controle en tegelijkertijd vrijheid keert terug.

“Linkervoet op drie tikken. Je komt op twee,” hoor ik een stem heel dicht bij me en als ik opschrik, zie ik Kelvin. Ik val bijna over mijn eigen voeten van onhandigheid. Meteen ben ik me weer pijnlijk bewust van zijn aanwezigheid. Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd en onder mijn hand door zie ik zijn ogen de mijne zoeken. Ze lachen, toch? Het volgende moment loopt hij verder om nog meer aanwijzingen te geven. Zag ik dat goed of verwar ik de hoop met wat ik denk te zien?

De rest van de les is het, althans wat mij betreft, behoorlijk knudde. Ik kan mijn aandacht er niet meer bij houden en ik krijg steeds meer buikpijn. Carol probeert me te motiveren, maar het lukt niet meer. Ik voel me niet goed, sleep me door de laatste minuten heen en als de cool down voorbij is weet ik niet hoe snel ik naar de wc op de gang moet rennen. Ik heb zo lang tijd nodig dat er op de deur wordt geklopt. De stem van Patricia is zacht. “Eva? Zitje hier?”

“Ja. Sorry Pat, ik voel me niet lekker,” zeg ik tegen de gesloten deur.

“Heb je hulp nodig?” Als ik me niet zo gammel had gevoeld zou ik erom gelachen hebben. Hulp nodig op de wc. Dat klinkt een beetje merkwaardig. Ik kom van het toilet waar ik meer dan een kwartier heb gezeten. Mijn benen trillen. “Ik moet even wat drinken. Een kop thee of zo.”

Patricia kijkt me onderzoekend aan. “Je ziet zo wit als een doekie. Hier, je trui. Trek die eerst maar eens aan. Ik lust ook wel wat te drinken, dus ik loop met je mee.” Ze steekt haar arm door de mijne als ik mijn handen gewassen heb en wat water over mijn gezicht heb gespat. Mocht ik onverhoopt niet meer op mijn benen kunnen staan, dan klap ik in ieder geval niet meteen tegen de vloer. “Het gaat wel weer wat beter.”

“Kan wel zijn, maar als je besluit om spontaan je uitgevallen contactlenzen te gaan zoeken wil ik dat wel graag weten,” zegt Patricia cryptisch. We lopen naar de serre waar het gezellig druk is. Tot mijn opluchting zit er niemand van Hi-5 en zijn er nog wat stoelen onbemand. Patricia drukt me in een stoeltje dat vrij is en probeert voor te dringen om thee voor mij te halen, zie ik. Het is lief dat ze zo bezorgd is. Hoe ze het zo snel voor elkaar krijgt weet ik niet, maar binnen een minuut staan er een dampend glas heet water met een theezakje ernaast en een met suiker bestrooide wafel voor me op tafel.

“Hoe kwam dat nou opeens?” vraagt Patricia.

Ik haal mijn schouders op. Het kille zweet staat op mijn rug. Ik heb het koud.

“Zo heb ik je nog nooit gezien,” zegt Patricia. “Moet ik iemand bellen?”

Nee, dat hoeft niet. Dadelijk gaat het wel weer.

“Heb je dat wel vaker?”

“Soms,” geef ik toe als ze door blijft vragen. Patricia is scherp in haar opmerkzaamheid, zoals ik al eerder heb gemerkt. Ze ziet en hoort veel meer dan ze doet voorkomen. “Is het vanwege het dansen? Dat trainingsschema, is dat te zwaar? Je gaat toch niet je gezondheid naar de klote helpen voor zo’n luchtkasteel, hè!”

“Het is geen luchtkasteel! Het is een buitenkans. Iedereen heeft toch weleens mindere dag?”

“Een mindere dag, ja. Heb je jezelf al goed bekeken? Of speelt er iets anders?”

Als ik mijn hoofd schud, gooit ze het over een andere boeg. “Wat is er nou, Eef? Waarom zeg je het me niet? Jij en Kelvin, dat zit toch goed? Waarom ben je dan zo gespannen dat je er opeens uitziet als een wandelend lijk?”

Aan haar gezicht zie ik dat ze echt bezorgd is en plots voel ik me geroerd, en voor ik mezelf tegen kan houden, vertel ik haar wat er gebeurd is. Zelf vind ik het vaak een beetje banaal, als ik hoor waarover ruzies zijn begonnen, en hoe kleingeestig mensen doen. Waarom praten ze het niet uit, waarom leggen ze het niet bij? Maar nu ik zelf in dat schuitje zit, voelt het allemaal heel anders. Patricia luistert, voorovergebogen om mij goed te verstaan te midden van het rumoer in de serre.

Ik drink van mijn thee. Langzaam krijg ik het warmer en kom ik tot rust. “Weet jij of Kelvin naar huis is gegaan?” eindig ik mijn verhaal.

“Nee. Kijk eens achter je?”

Ze maakt me aan het schrikken. Kelvin? Is hij hier? Maar voordat ik wat kan zeggen of om kan kijken, zegt ze: “Luister eens, Eef, het komt overal voor, ruzie. Om grote dingen, om kleine dingen. Maar als je Kelvin wilt houden, moet je het uitpraten.” Ze staat op. “Hij is een goeie vent, dat zie je zo. Doe er moeite voor. En doe het kalm aan, want je ziet er nog steeds niet echt fleurig uit.” Ze grijnst naar me, staat op, draait zich op haar hakken om en loopt de serre uit. Ik krijg niet eens de kans om iets te zeggen.

“Eva?” Hij is het, vlak achter me. Zijn adem streelt mijn slaap als hij zich naar me toe buigt en zachtjes in mijn oor fluistert: “Ik wilde met je praten, maar je was opeens verdwenen. Iemand zei dat je op de wc zat. Ik heb op je gewacht. Wat ben ik toch een stommeling. Zijn we nog steeds een stelletje?”

Waarom zou je het niet gewoon vragen? Ik hoor het hem nog zeggen en ik kan niet eens antwoorden, zo opgelucht ben ik, en ik knik.

“Ik reageerde bot. Ik had moeten begrijpen waarom je dacht wat je zei en dan had ik ook wel ingezien waarom je zo kwaad was.” Hij stapt over de rugleuning van de stoel heen en laat zich erin zakken, dicht tegen mij aan. Als we niet in de serre hadden gezeten, weet ik zeker dat hij me gekust zou hebben. “Patricia zei dat je ziek was geworden,” gaat hij door. “Wat is er?”

“Niets meer,” lieg ik. “Het zal wel komen omdat ik nog niet gegeten heb.”

“En omdat we ruzie hadden,” zegt hij zachtjes. “Zullen we wat afspreken? We praten met elkaar. Over alles. Eerlijkheid is het eerste.”

Ik knik. Hij is zo lief. Hij neemt me iets nauwkeuriger op. “Je ziet er echt niet goed uit. Zo bleek. Zo kun je niet naar huis. Ik breng je wel even.”

“Maar…”

“Geen gemaar, liefje,” zegt hij met een lach. Hij is ook opgelucht en dat maakt me nog warmer. “Ik wil je niet kwijt. Dat kwam er zojuist veel te dichtbij en ik heb wat goed te maken; ik breng je naar huis, of je het nou wilt of niet.”

Slap op mijn benen loop ik naast hem als we de serre verlaten. Wat anderen ervan denken interesseert me eventjes niet zo erg. Ik ben allang blij dat Kelvin en ik onze eerste ruzie overleefd hebben. En wat een domme ruzie! Als ik een beetje beter gekeken had of had geluisterd naar wat hij vertelde…

“Ik voel me twee jaar oud en tien centimeter klein,” beken ik.

Mijn inzinking is gelukkig nu alleen nog maar fysiek. Een nacht goed slapen, een paar dagen preventief medicijnen en ik ben er weer bovenop. In de kleedkamer zie ik Patricia’s jas nog aan de kapstok hangen. Wat een lieverd is het toch. Ergens, verborgen voor mijn spiedend oog, houdt ze me in de gaten om te zien of alles wel goed gaat. Over een paar minuten ben ik weg en niet lang daarna zal haar jas ook verdwenen zijn, omdat ze weet dat het toch goed gekomen is.

“Wat glimlach je?” vraagt Kelvin.

“Ik denk aan Pat,” verklaar ik. “Ze houdt me in de gaten, kijkt of het wel goed gaat.”

Kelvin knikt. “O ja. Ze gaf me bijna letterlijk een schop onder mijn achterste omdat ik jou haast in de vernieling hielp met ‘geruzie over futiliteiten’, zoals ze zei.”

Verrast kijk ik op en dan schiet ik in de lach. “Echt? Wat waren die futiliteiten ook alweer?”

“Weet ik niet. Onbelangrijke dingetjes. Te onbelangrijk om ruzie over te hebben.” We lopen het trapje af, dicht bij elkaar en ik haal een keer diep adem. Het regent weer eens en Kelvin slaat zijn arm om mijn schouders.

“Laten we naar huis gaan,” stel ik voor.

De volgende dag krijg ik orders van de baas—mam dus—om thuis te werken. Toen ik gisteravond thuiskwam, zag ze meteen dat het niet goed was en dus stelde ze voor dat ik vandaag wat aan de administratie zou werken. Ze zei dat ik vanavond geen koopavond hoefde te draaien omdat ze het alleen wel aankon in de boetiek. Het is haar bedekte manier om te voorkomen dat ik mezelf voorbijloop.

Er ligt een stapeltje facturen, geprinte mails en onafgehandelde post naast de bedrijfslaptop klaar op de keukentafel als ik om een uur of halfelf eindelijk uit mijn bed gerold kom. Dat schoonheidsslaapje had ik echt nodig en na ontbijt en een grote pot thee voel ik me beter dan ik had durven denken. Dankzij mam kan ik rustig aan doen en de batterij weer opladen. Op mijn gemak handel ik het klaargelegde werk af en na twee uur is de stapel links van me weg en ligt rechts van me een pakketje dat op de post moet. Kelvin stuurde me al heel vroeg vanmorgen een berichtje om te vragen hoe ik me voel en ik bel hem en we spreken af om elkaar vanavond te treffen. Wat heerlijk om geen koopavond te hoeven draaien!

Gelukkig kon Carol dit weekend geen plaats meer maken voor de extra trainingen. Met een beetje geluk heeft maandag niemand iets in de gaten.

Als ik door een waterig maar aangenaam zonnetje naar het postkantoor wandel, mijn jas hoog dichtgeknoopt om de frisse wind uit mijn nek te houden, bedenk ik dat ik Kelvin moet vertellen over mijn echte werk. Eerlijkheid, dat is de afspraak. Het klinkt zo makkelijk, maar ik vind het vervelend, zeker na wat er gisteren is gebeurd.

De rest van de dag doe ik niet veel bijzonders. Ik kijk wat films op dvd, lees een beetje en ga nog een rondje wandelen. Als pap thuiskomt heb ik het eten al voorbereid en schuiven we samen aan tafel. Op vrijdag eten mam en ik meestal een broodje in de winkel en pap kookt dan iets snels voor zichzelf. Daarom is het gezellig om een keertje alleen met hem te eten. We kunnen het samen goed vinden, maar ik zie hem steeds minder omdat hij vaak voor zijn werk weg is.

We kletsen een beetje over zijn werk en wat voor zaken hij onder ogen krijgt. Pap kan leuk vertellen, hij weet mijn aandacht vast te houden en kan zijn juridische verhalen zo brengen dat een leek als ik er ook wat van begrijpt. “Zeg, jij was vandaag thuis, hè? Voelde je je niet goed? Mam zei zoiets,” vraagt hij opeens.

“Gisteravond werd ik niet lekker tijdens het trainen,” zeg ik met een zucht. Ik neem een slok van mijn water en hef het glas naar hem op. “Maar het gaat alweer, hoor.”

“Trainen? Gisteren? Je hebt op donderdag toch normaal geen dansen?”

“Extra trainingen,” zeg ik onduidelijk omdat ik net mijn mond vol heb. “Carol heeft een prachtaanbieding gekregen voor een beurs voor een van haar leerlingen.” En dan opeens vertel ik pa alles over de New York School of Dance.

“New York?” Pap steekt een hap piri-piri in zijn mond en gebaart met zijn vork dat ik verder moet vertellen.

“Eh…ja. De beste danser van Hi-5 kan een jaar naar Amerika, naar New York. Carol heeft een hele hoop plannen. Alle dansen doen die op de dvd staan die ze toegestuurd kreeg van die school. Ze wil indruk maken door de hele groep in actie te laten zien.”

“In optima forma” begrijpt pap. “Misschien zit er dan wel meer in dan één zo’n plaats. Als ik de directeur was van zo’n dansschool en ik zou een groep zien waarin veel potentieel zit, dan zou ik niet aarzelen om meerdere mensen aan te nemen.”

Verdraaid zeg. Daar zegt hij wat. Hij ziet me denken, schuift wat witte rijst op zijn vork en zegt: “Per slot van rekening hoeft zo’n directeur aan niemand rekenschap af te leggen. Als hij vindt dat er twee of drie of nog meer mensen uit het buitenland aangenomen moeten worden omdat ze barsten van het talent, dan is dat zo.” Hij steekt de hap in zijn mond, kauwt en vraagt daarna of ik ook in de race ben om die beurs. “Hoe goed ben je?” vraagt hij als ik knik.

“Goed. Misschien heb ik wel een kans. Carol zegt dat het niet alleen een kwestie is van talent, maar ook van inzet en doorzettingsvermogen.” Ik prik een stukje ananas aan mijn vork. “En van tweehonderd euro.”

“Tweehonderd euro? Waarvoor?”

Ik vertel over het intensieve extra trainingsschema en leg uit wat er allemaal bij komt kijken.

“Heb je het al betaald?” vraagt pap.

“Ja, meteen toen ik thuiskwam. Een jaar in het buitenland op zo’n school moet een geweldige ervaring zijn. Het feit dat ik twaalf maanden in New York zou zitten is sowieso al super.”

“Krijg je dat geld terug als je het niet wordt?” Aha. Daar komt de zakelijkheid om de hoek.

“Eh…dat denk ik niet.” Dat weet ik wel zeker.

“Wat zei mam ervan?”

Snel steek ik de ananas in mijn mond. Pap begrijpt me zelfs zonder dat ik hem antwoord geef. “Je hebt het nog niet verteld,” zegt hij effen. “Ze weet er nog niks van, hè?”

Ik schud mijn hoofd en zucht diep. “Ik weet dat jullie er niet kapot van zijn, van al dat dansen. En als ik nou ook nog een jaar naar Amerika zou gaan—als het al lukt—dan zit mam zonder personeel. Ik heb gewoon nog niet de moed bijeengeraapt om het te zeggen. Maak je maar geen zorgen, ik win het toch niet.”

Pap legt zijn bestek neer en kijkt me ongelovig aan. Vergis ik me of is hij een beetje boos?

“Denk je nou werkelijk dat je moeder en ik je zo’n kans zouden ontzeggen? Als dit op je pad komt en als jij werkelijk die beurs krijgt omdat je de beste bent, dan verdien je het om te gaan. Wie zijn wij dan om te zeggen dat je hier moet blijven? Je denkt toch niet echt dat wij de illusie hebben dat jij voor eeuwig hier zult blijven wonen en in de boetiek van je moeder zult blijven werken?” Hij schudt zijn hoofd in een stil, verwonderd verwijt. Het brengt het schaamrood naar mijn kaken.

“Maar hoe moet dat dan met…”

Pap onderbreekt me. “Je moet je eigen weg gaan, Eva. Van alle drie onze kinderen ben jij degene over wie we ons de meeste zorgen hebben gemaakt. Ik snap best dat weer bij je ouders gaan wonen niet echt is wat je je van de toekomst voorgesteld had. Ook al heb je hier een eigen etage, het is niet hetzelfde als op jezelf wonen, dat weet ik heus wel. Dat je in de afgelopen jaren nog niet voldoende bij elkaar hebt verdiend om ergens anders een gelijkwaardige ruimte te huren, snap ik ook. Maar ik begrijp niet dat je denkt dat wij jou zullen tegenhouden als je zo’n enorme kans aangeboden krijgt.”

Zwijgend kijk ik naar het ingeweven patroon van het tafelkleed. Hij heeft gelijk en hij weet dat ik het weet. Maar hoe kan ik hem uitleggen dat ik me bezwaard voel om weg te gaan? Mijn ouders hebben me al die tijd bijgestaan en als dank voor hun zorgen kies ik een richting waar ze diep in hun hart geen heil in zien. En ga ik weg en laat ik mam alleen ploeteren. “Pap…personeel is duur. Als ik een keer een weekje moet wachten op mijn salaris is dat niet zo erg, omdat ik dan gewoon wat later mijn etage betaal. Maar iemand anders die in dienst genomen wordt, zal daar niet zo makkelijk overheen stappen. Plus al die andere ellende die mam erbij krijgt als ze iemand moet aannemen,” zeg ik, om een beetje mijn eigen gevoelens onder woorden te brengen.

Het geschraap van het tafelzilver over de borden is een poosje het enige geluid in de keuken. “Het was erg lekker,” zegt pap als hij klaar is en zijn bestek neerlegt. “Je hebt prima gekookt. Wat ga je vanavond doen?” Het klinkt zo gewoon. Het lijkt bijna of wat we net bespraken maar heel terloops ter sprake is gekomen en niet de moeite van het verder bepraten waard is.

“Uit, de stad in. Ik heb met iemand afgesproken,” antwoord ik afwezig. “Pap, ik…”

“Laat maar, Eva. Ik begrijp je wel.” Zijn glimlach is oprecht, toch vraag ik me af of ik hem niet heb gekwetst. “Beloof me één ding.”

“En dat is?”

“Doe je best en sleep die beurs in de wacht. Maar niet ten koste van je gezondheid, goed?”

Hij is de tweede die me die opdracht geeft. Patricia zei gisteren precies hetzelfde. Opgelucht haal ik adem en ik knik, daarna ruimen we de tafel af en pap jaagt me de keuken uit om me te gaan omkleden. Als ik naar boven wil gaan, roept hij me nog. “Eva?”

“Papa?”

“Nog iets. Je moet het tegen mam zeggen.”

Ja, dat weet ik en daar was ik al bang voor. “Natuurlijk,” zeg ik en met het gesprek dat we net hadden in mijn achterhoofd, loop ik naar boven.

Kelvin zoent me blij als ik de deur voor hem opendoe en kijkt nieuwsgierig om zich heen, op zoek naar andere familieleden van huize Bentz. “Kom erin,” zeg ik uitnodigend. Hij hangt zijn jas op en als hij een schilderij dat aan de muur in het halletje hangt passeert, stopt hij plots en bekijkt het beter. “Hé. Is dat jouw naam die daaronder staat?”

Ik knik. Toch wel met gepaste trots, moet ik toegeven. Ik kan best aardig met penselen en verf overweg en heb een paar schilderijen gemaakt, ook al is het een tijd geleden.

“Mooi,” zegt hij. “Héél mooi! En die daar? Die ook?”

Ik knik.

“Wauw. Ik ben onder de indruk. Wat is dat voor spul? Olieverf?”

“Acrylverf. En zie je dit hier?” Ik strijk met mijn vingers over het ruwe oppervlak van het schilderij. “Dat is gekleurd zand. Dat heb ik erin gegooid toen het nog nat was. Leuk effect, hè?”

“Zeker!” Kelvin knikt en buigt zich wat verder voorover, turend naar de afbeelding. “Doe je er meer mee? Verkoop je ze ook?”

“Nee, hoor, daar heeft toch niemand interesse in? Ik deed het voor de lol. Ik had tekenen in mijn eindexamenpakket en dat vond ik een leuk vak, en zodoende deed ik er thuis ook weleens wat mee. Een poosje heb ik overwogen om de kunstacademie te doen of kunstgeschiedenis te gaan studeren. Maar ik ben niet zo goed, hoor. Voor een amateur gaat het wel.”

“Ze zijn te gek,” zegt hij en tot mijn vreugde zie ik dat hij het meent. “Heb je er nog meer?”

Ik knik weer. “Ja, het is een serie. Het zijn er vijf in totaal, boven hangen er nog drie.”

“Cool. Jammer dat je er niet meer mee doet,” zegt hij. Dan klapt hij in zijn handen. “Nou, waar zijn je ouders? Dan kan ik met hen kennismaken.”

“Allebei weg. Mam is nog aan het werk en pa is naar een vriend.” In mijn hart ben ik daar wel een beetje blij om. Ik ben zelf nog niet eens gewend aan mijn nieuwe status van niet-meer-single.

“O. Jammer, ik ben benieuwd naar je pa en ma,” zegt Kelvin. Ik pak zijn hand en trek hem mee naar binnen. “Wil je wat drinken? Of wil je meteen weg?”

“Nee hoor, ik lust wel wat. Heb je koffie?” Hij drentelt door de kamer, kijkt naar de Afrikaanse kunst en de boeken die in de kast staan terwijl ik koffie voor hem maak en een kop thee voor mezelf. “Gaat het goed met je?” vraagt Kelvin. “Je ziet er mooi uit, of ben je nog steeds spierwit en komt dat kleurtje alleen maar uit een potje?”

“Nee hoor, ik ben weer aardig opgeknapt.” Met een geruststellende glimlach zet ik de koffie en thee neer op tafel.

“Je hebt er bepaald niet om gelogen,” zegt Kelvin, kijkend naar de Afrikaanse spulletjes die overal staan. “Er ïs hier veel Afrikaanse kunst. Ik kan me voorstellen dat je er heel veel van weet.”

Als dat geen voorzet is…Ik klop op de bank naast me. “Eh, Kelvin, kom eens even zitten. Ik moet iets opbiechten,” zeg ik aarzelend. Op ditzelfde moment neem ik me voor om nooit meer te liegen, want een leugen volhouden is niet leuk en vertellen dat je hebt gelogen is heel onaangenaam. Ik moet een paar keer diep ademhalen en dan begin ik.

“Kelvin, over dat ontwerpen van me, hè…”

“Ja?”

“Nou, eh…dat is eigenlijk, eh…niet helemaal waar. Om het precies te zeggen: het is helemaal niet waar.”

“O?” Kelvin kijkt verrast. Die weet natuurlijk echt niet wat hij moet denken en ik ga gauw verder.

“Ik, eh…ik heb een beetje gelogen. Ik ben helemaal geen ontwerpster. Niet van kleren en ook niet van accessoires of sieraden. Eerlijk gezegd…”

“Eerlijk gezegd ben je een wereldberoemde kunstenares,” onderbreekt hij me.

Zenuwachtig schud ik mijn hoofd. Ik vind dat ik hem moet blijven aankijken en knipper een paar keer met mijn ogen voor ik verderga. “Nou…eh…eigenlijk ben ik maar gewoon verkoopster in een modewinkeltje. Van mam nota bene.”

“Verkoopster?”

Ik knik. “Je vertelde over jouw studie, en ik was zwaar onder de indruk, en verkoopster klonk zo stom in vergelijking met jouw bruggen en wegen dat ik het eerste heb gezegd wat in me opkwam. Ik heb het allemaal bij mekaar gefantaseerd.” Ik friemel aan een los draadje bij een knoopsgat. “Verkoopster. Niet echt flitsend, hè? Dus heb ik dat ontwerpen verzonnen. Ik schaam me kapot. Vind je me nu erg stom?”

“Dus je bent helemaal geen ontwerpster?” Ongelovig schudt Kelvin zijn hoofd, maar het is wel duidelijk: stiekem heeft hij de grootste pret om mijn gedoe. “Eva, Eva. Wat maak je het jezelf toch moeilijk!”

“Het klinkt zo suf,” zeg ik een beetje moedeloos, “en het is helemaal niet wat ik voor ogen had toen ik van de middelbare school afkwam. Ik wilde zo graag de danswereld in, ik was in topvorm en de toekomst zag er heel goed uit, maar toen werd ik ziek en daardoor kwam het hele plan op losse schroeven te staan. En waar ben ik nou, zoveel jaar later? Niet verder dan verkoopster in een suffe boetiek met een inschrijving op zak van een opleiding die me eigenlijk geen fluit interesseert.”

“Verkoopster klinkt niet zo cool, dat is waar. Misschien moet je voortaan maar sales manager zeggen. Engelse termen gaan erin als koek.” Kelvin veegt luchtigjes een lok haar van mijn schouder.

Ondanks mijn gespannenheid moet ik toch lachen. “Dat is waar. Als ik geweten had dat jij en ik…nou ja, dan had ik meteen gezegd hoe het zat.”

“Had je niet meteen door dat ik de man van je dromen was?” Kelvins ogen glinsteren. “Hoe zou dat nou komen…We zijn niet echt een combinatie die je al meteen voor je zag als het Dream Team, , hè?”

Nee, schud ik. Dat is waar. “Sorry Kelvin. Wat moet je wel niet van me denken? Eerst gisteren die scène en nu dit weer.”

“Liever nu dan over drie jaar,” zegt hij laconiek. “Dan zou je pas echt iets hebben om je voor te schamen.”

“Ik wilde indruk maken.” Met een zucht pak ik mijn glas en nip van de gloeiend hete thee. “Enfin, dat is nou wel weer uitstekend gelukt. Dit kun je me mijn hele leven nadragen.”

“Ieder zijn vak, hoor. Wat maakt mij dat nou uit? Al verkocht je kerstkaarten aan de elfjes.”

Een beetje nerveus giechel ik. “Stom, hè.”

“En die schilderijen in de gang? Wie heeft die dan gemaakt?”

“O! Ik! Dat is echt waar! Erewoord!” roep ik haastig. “Ik heb niet over alles gelogen! Echt niet!”

Kelvin schudt zijn hoofd en lacht opeens breed. “Hoe krijg je het trouwens verzonnen?!” Ik giebel als een schoolmeisje en haal een keertje opgelucht adem. “En gisteravond? Toen was je opeens hondsberoerd. Heeft dat iets te maken met dat ziek zijn waar je het net over had?”

Dit is het moment waar ik altijd bang voor ben. Eerlijk zijn, Eva. Praat erover. Niet alleen over de fysieke klappen, maar ook over de depressiviteit die volgde. Als je wilt dat hij je begrijpt moet je volledig zijn, zeg ik streng tegen mezelf.

Aarzelend vertel ik hem over de tijd die achter me ligt. Hij luistert geduldig en als ik uitgepraat ben, haal ik mijn schouders op. “Dat is het,” zeg ik zachtjes. Kelvin zet zijn mok op tafel en pakt het glas uit mijn handen en zet het ernaast. “Nou, dat is niet mis. Zitten er nog meer skeletten in de kast?”

Ik schud mijn hoofd. “Heb ik nog niet genoeg bij elkaar gefantaseerd?”

“Die ziekte is geen fantasie.”

“Dat was harde werkelijkheid, helaas. Depressief ben ik gelukkig niet meer, maar die leverproblemen…dat blijft me de rest van mijn leven achtervolgen. Het kan echt heel plotseling komen opzetten. Ik heb er al lang geen last meer van gehad, maar het is toch niet uit mijn systeem. Je weet in ieder geval nu wat er aan de hand kan zijn als ik weer eens erg lang op de wc zit. Weet je wel zeker dat je de toiletdetails verder nog wilt horen?” Ik schud mijn hoofd. “Nee, laat ik dat maar niet doen.”

Hij lacht ook en trekt me naar zich toe. “Van mij mag je niet meer ziek worden. Trouwens, je wordt niet ziek want ik wijk nooit meer van je zijde. En verder? Je bent een dom gansje als je denkt dat ik je niet leuk vind als je geen ontwerpster bent. Ik vind je leuk om wie je bent, compleet met gekke fantasieën!”

“Dus je bent niet boos?” vraag ik, al redelijk opgelucht.

“Nee joh. Teleurgesteld dat ik niet in jouw designerkleding kan rondlopen, dat wel. Maar ik overleef het wel, hoor.” Hij gebaart me me om te draaien, legt zijn handen op mijn schouders en begint me daar en in mijn nek te masseren. Zachtjes kneedt hij mijn stramme spieren. “Eva, als je toch bezig bent moet je de rest ook maar opbiechten. Ben je een miljonairsdochter? Voer je zonnedansen uit of aanbid je misschien een popster of zo? Spaar je suikerzakjes of ben je internetverslaafd? Loop je het liefst rond in een berenvel of ben je stiekem de vijftig al gepasseerd maar goed geconserveerd?” Hij spot een beetje met me, op een liefkozende, voorzichtige manier. Zijn lippen raken heel even de huid onder mijn haargrens, wat kippenvel op mijn armen tovert.

“Ik geloof het niet, maar ik kan niet zo goed denken op dit moment…” De kusjes glijden langs mijn nek naar voren, over mijn sleutelbeen naar het holletje bij mijn hals, omhoog over mijn kin. Als ik zijn zoen beantwoord staat alles even stil. Ik wil hem. Hij wil mij. Ik leid hem naar boven, naar mijn woonwereld waar we vrijen, eerst heftig en ongeduldig en daarna nog eens, maar langzaam en teder. Het is heerlijk.