Een
Zodra ik de zware eikenhouten deur van JUMP4JOY opentrek, komt de vertrouwde geur van boenwas me tegemoet. In de eerste zaal aan de linkerkant speelt iemand piano, die daarmee leerlingen van klassiek ballet begeleidt. Ik gluur door het kleine vierkante ruitje in de deur en Cerise Deutekom, de balletjuf, ziet me en zwaait naar me. Onder haar toeziend oog doen de kleine meisjes in de zaal hun uiterste best om primaballerina’s te worden. Ze zijn niet allemaal even getalenteerd. Nu zien ze er nog aandoenlijk schattig uit in hun roze balletpakjes, maar over een paar jaar zijn de talentlozen het mikpunt van spot en te dikke meisjes zullen gebukt gaan onder meewarige, afkeurende blikken. Maar vandaag nog niet. Vandaag zijn hun ingespannen snoetjes allemaal dezelfde kant op gericht, terwijl ze meebewegen op het ritme dat Cerise aangeeft.
Rechts zijn twee kleine oefenzalen. In de eerste brandt geen licht, de tweede is in gebruik. De harde beat van een workout cd verdringt het geluid van de piano als ik voorbijloop. Binnen staat iemand zich in het zweet te werken. De kleedkamers zijn aan het einde van de gang links en terwijl ik ernaartoe loop, laat ik de sfeer op me inwerken. Heerlijk is het hier. De glanzende parketvloeren, oude en nieuwe leren balletschoenen, lycra pakjes, wollen vestjes, beenwarmers, leotards, deodorant, doucheschuim, shampoo, verschillende muzieksoorten die overal vandaan lijken te komen en de posters aan de muren die voorstellingen aankondigen—dit is mijn haven. Hoe vriendelijk of vervelend de klanten ook zijn in de boetiek van mijn moeder waar ik werk: hier vind ik redding. Na een middag van ellendig gehannes om een veel te dikke mevrouw in veel te kleine pakjes te persen, ben ik toe aan een echte energy boost en er is geen betere plaats om die op te doen dan hier. Dadelijk, als ik omgekleed ben en de trap af ben gelopen naar de grote zaal beneden, gaat daar het licht aan en springt er een knopje om in mijn hoofd. Dan vergeet ik alles.
Hier ben ik thuis. Als hier een bed stond, zou ik nog blijven slapen ook.
Dansschool JUMP4JOY.
Als ik de hoek omsla, bots ik bijna tegen een sprietige meid van een jaar of achttien op.
“O, sorry! Hoi Eva!” Ze grijnst schuldbewust en schiet me voorbij. “Gauw even een snack halen!”
Dat was Patricia, die de gang uit rent. Twee dingen. Eén: ze heeft altijd honger, en twee: ze is hier ook altijd als ik er ben. Ik ken niemand zoals zij. Wie haar niet kent zal zich weleens achter de oren krabben: Patricia heeft overal een uitgesproken mening over en kan die ook nog onderbouwen met argumenten, omdat ze verschrikkelijk veel leest. Geheel in stijl—anders dan anderen—wil ze dan ook maritiem bioloog worden. Ik moest eerst opzoeken wat dat was voordat ik er iets zinnigs over kon zeggen!
Toen ik haar voor het eerst ontmoette, vond ik haar maar een rare, totdat ze begon te dansen. Dat hadden we in ieder geval wél gemeen! Het ijs was daarna vlug gebroken. Ze is zes jaar jonger dan ik en afgezien van ons lichtgewicht hebben we qua uiterlijk niets gemeen. We stonden een keer naast elkaar voor de spiegel en lachten om wat er naar ons terugkeek: een stel wat scheefstaande, lichte ogen en flaporen, warrig bruin haar, een magere arm om de schouders van een blondine met bruine ogen en een ovaalvormig gezicht. “Jij bent mooi genoeg om fotomodel te zijn, ik sta model voor het clubmonster,” grinnikte Patricia.
Dat was uiteraard behoorlijk overdreven, zij is bepaald geen clubmonster, maar ik ben wel model. Een soort lopende promotiemiss voor mijn moeders zaak. Zelf zie ik dat niet zo. Ik loop omdat het moet en omdat het geld opbrengt—als ik kijk naar tv-programma’s als America’s Next Top Model verbaas ik me erover wat een gehaaide tantes het allemaal zijn, bezeten van maar één ding en dat is: eerste worden. Ze trotseren zonder klagen de grofste beledigingen en dat kan vast alleen maar als je per se naar de top wilt. Dat heb ik dus niet. Waarmee ik bij voorbaat al afval als internationaal model. Toch zou het—in principe dan—wel kunnen, maar ik loop op de catwalk voor mam.
Yep, echt waar. Mijn figuur is goed voor de zaken. Alles wat in de rekken hangt kan ik showen, en mam organiseert twee keer per jaar een modeshow waarin ik meeloop. Zodat zwaarlijvige vijftig-plus-dames met zweterige gezichten de illusie koesteren dat zij er fantastisch uitzien in dat bepaalde jurkje of die broekpakcombinatie.
Dus ja, natuurlijk let ik op mijn lijn. Maar niet voor de boetiek met de weinig vlammende, belegen, soms zelf truttige collectie. Ik heb mijn zinnen gezet op een danscarrière. Ik moet en zal uiteindelijk beroepsdanseres worden.
In het laatste jaar van de middelbare school had ik me opgegeven voor de Rotterdamse Dansacademie en ik was ook aangenomen. De voorselectie doorliep ik glansrijk.
Maar ja, toen gebeurde er het een en ander en tegen de tijd dat ik weer verder kon, had iemand anders mijn plaats ingenomen. Maar ik geef niet op: mijn doel is nog steeds om een plaats te bemachtigen op de dansacademie.
Mijn broer en zus vinden het maar zo-zo. Jos heeft rechten gestudeerd en mijn zus Angelique is directiesecretaresse. Je moet een vak leren, zeggen ze, en dansleraar valt blijkbaar niet in die categorie.
Ja ja. Een vak. En daarom zit ik nu bij mam in de zaak. Het is maar tijdelijk, want na de zomer ga ik naar Rotterdam. Ik ga het weer proberen. Nog één keer. Ik kijk er halsreikend naar uit. Een paar jaar geleden heb ik er enkele weken gewoond en ik vond het toen al geweldig. Rotterdam is een heerlijke stad, bruisend van de mensen, van levendigheid. Er wordt heel wat af gemopperd over Rotterdam en zijn bewoners, maar ik voelde me er meteen thuis. Ook als ik niet door de selectieprocedure kom, ga ik er misschien wel wonen.
Ergens in mijn achterhoofd houd ik er rekening mee dat het deze keer misschien niet zal lukken. Ik durf er bijna niet over na te denken, ik wil niet toegeven aan dat deprimerende gevoel voordat het me naar de keel vliegt en ik opnieuw ziek word. Voor de zekerheid heb ik me daarom ook maar opgegeven voor een opleiding tot tandartsassistente. Als ik het verknal moet ik toch echt iets anders gaan doen met mijn leven. De boetiek overnemen? Huh! Het idee om daar tot mijn pensioen te moeten werken bezorgt me de koude rillingen. Dus toen ik ergens een artikel zag waarin voor de opleiding tot tandartsassistente werd geadverteerd, besloot ik me in te schrijven.
Niet ‘s-avonds werken, niet op zaterdag of zondag, geen koopavonden en veel mogelijkheden tot parttime werk. Nou, dat leek me wel wat en dus gooide ik het inschrijfformulier op de post. Uiteraard kon mijn zus het niet nalaten om een sneer te geven, toen ze hoorde dat ik dat gedaan had. Gelukkig was ik volgens haar dan toch nog op tijd bij zinnen gekomen. Want tandartsassistente is wél een echt beroep…Wat dansdocent is, is me nog steeds niet duidelijk.
Om nog maar niet te spreken van het feit dat ik ook wel wat zie in een studie aan de kunstacademie, of in kunstgeschiedenis. Ik ben geïnteresseerd in kunst, en dan vooral in Afrikaanse kunst, waarschijnlijk omdat het huis er vol mee staat. Mijn vader heeft van zijn zesde tot zijn twintigste in Tanzania gewoond en overal zijn beelden, schilderijen en houtsnijwerk te vinden die daarvandaan komen. Eerlijk gezegd denk ik niet dat ik mijn brood kan verdienen met kunst en uit praktische overwegingen heb ik me dan maar neergelegd bij het feit dat ik een ‘vak’ moet leren. Maar eerst wil ik kijken of ik aangenomen word in Rotterdam. Zo niet, dan wacht me die tandartsassistente-opleiding. Heerlijk, in monden wroeten om de zuurkool met spek van gisteren eruit te mogen pulken.
Ik vraag me vaak, veel te vaak, dezelfde dingen af. De baan die ik heb kan me niet boeien. Wat moet ik nou als ik deze keer de boot mis bij de aanmelding? Word ik gelukkig als ik bij een tandarts aan de slag ga? Ik word depressief van al die sombere gedachten en aangezien er maar één ding is dat dat kan bestrijden, stort ik me daar dan ook vol overgave op: dansen. Gisteren. Vanavond. Morgen. Overmorgen. Mijn toekomst ligt in de danswereld.
Tot die tijd slik ik de bitterheid van de dagelijkse boetiekpil wel, omdat ik toch ergens mijn brood mee moet verdienen. Ook al is het natuurlijk helemaal fout om dat te zeggen. Een artiest—of dat nou een danser of een kunstenaar is—moet lijden voor het einddoel. Helaas betaalt dat lijden de kamerhuur niet. Dansen staat met stip op één, dan heel lang niets, dan tanden. Iets anders is niet eens in zicht. Ik tel de maanden af.
Het is nog stil in de kleedkamer. Alleen Adriana Piranha is er. O, heerlijk. Mijn vriendin. Ze kijkt even op als ik binnenkom, maar als ze ziet dat ik het ben, buigt ze zich weer over het tijdschrift waar ze in zit te bladeren. Ze is al helemaal klaar om te beginnen.
Alles klopt altijd aan Adriana. Haar pakjes zitten onberispelijk, er hangt nooit een draad los en uitgelubberd elastiek zul je bij haar niet aantreffen. Ze heeft net zulk lang haar als ik, maar het hare is net iets frisser blond en glanst altijd een tikje meer dan het mijne. Adriana is een levende reclamezuil voor Zomerblond Shampoo. Zucht. Volgens mij heeft ze in haar leven nog nooit een pukkel of mee-eter gehad: haar huid is zo gaaf, zacht als satijn. Dat ze zichzelf heel vaardig opmaakt, helpt uiteraard ook.
De klanten in mams boetiek zouden met haar weglopen. Mam zelf zou haar maar een verwend nest vinden, want dat is ze. Ze is haar eigen grootste fan, op de voet gevolgd door pappie en mammie, als ik haar verhalen mag geloven.
“Hallo Adriana,” knik ik en zoek mijn vertrouwde plekje op. Ze zegt niets terug, maar bladert verder in haar Cosmopolitan. Adriana is het type dat alleen maar iets tegen me zegt als ze er iets mee kan winnen. Verder behoor ik absoluut niet tot haar vriendengroep en ik doe ook mijn uiterste best om er niet bij te komen. Ze is slim en krengerig, knap en perfect en heel erg nep.
Voor de lieve vrede binnen de muren van JUMP4JOY houd ik me in, maar dat kan niet gezegd worden van Patricia; die heeft daar helemaal geen boodschap aan. Ze doet er alles aan om Adriana op haar zenuwen te werken. Men toe wordt Patricia’s missie me weleens te veel, hoewel ik er—dat moet ik eerlijk toegeven—vaak ook erg om kan lachen. Per slot van rekening komt Adriana hier ook om te dansen en dat zeg ik dan tegen Patricia, die dat meteen wegwuift door te roepen dat Adriana hier alleen maar komt om met haar kont te wiebelen en zo haar nieuwste pakje te showen. Patricia staat niet bekend om haar fijngevoeligheid.
Het volgende moment vraag ik me af waarom ik zelfs maar de moeite doe: ergens zou Adriana toch wel een piepklein, ieniemienie bandje moeten kunnen ontwikkelen met de andere dansers? Vergeet het maar. Voor Adriana ben ik tolereerbaar plebs en Patricia is straatvuil dat aan haar schoen blijft kleven. Adriana kan Patricia niet uitstaan en dat is omgekeerd ook het geval.
Als ik met mijn rug naar haar toe sta en me omkleed, voel ik haar ogen in mijn achterste prikken. Ze is op zoek naar een extra gram vet dat er de vorige keer niet zat, om er dan een quasivriendelijke opmerking over te maken. Vlug trek ik het lycra van mijn legging omhoog en hijs me in mijn pakje.
“Nieuw pakje?” informeert ze, en net als ik antwoord wil geven zegt ze: “O, nee. Dit had je ook aan met het jubileumoptreden, hè?”
Ja hoor, we zijn er weer. Piranhabeet numero uno van vandaag. Het jubileumoptreden is al twee jaar geleden en néé, toen had ik iets anders aan. Het zijn deze typische steken onder water die haar de bijnaam ‘Piranha’ hebben bezorgd. Ik haal een paar keer diep adem. Ze is het niet waard, herhaal ik in mezelf. Was ik maar een beetje meer zoals Patricia. Die heeft altijd meteen een antwoord klaar, ik kom meestal niet verder dan een beetje stom gemompel.
De deur vliegt open, knalt tegen de stopper aan en klapt dan weer terug als een saloondeur in een western. Patricia is er al doorheen voor ik met mijn ogen heb kunnen knipperen. Ze heeft een zak van de Mac in haar hand, de vetvlekken komen door het bruine papier heen. “Frietje, Eef? Jij hebt vast nog niet gegeten.”
“Eentje dan,” knik ik. Eigenlijk heb ik ook wel zin om wat te eten, maar we eten thuis altijd rond acht uur en ik bewaar mijn honger liever voor dan. Pap kookt meestal en goed ook. Bovendien vind ik het niet fijn om rond te springen met een volle maag. Er valt een frietje met een kloddertje kanariegele mayonaise op de lichte tegeltjes van de kleedkamervloer. Een beetje verstrooid kijkt Patricia ernaar en eet dan met smaak verder. Het is zonneklaar dat ze het expres niet meteen weghaalt om een opmerking van Adriana uit te lokken.
“Het is hier geen eetzaal. Kijk nou eens wat je doet? Dadelijk stapt er nog iemand in.” Adriana hapt heerlijk in het aas dat haar voorgehouden wordt.
“Maak je niet druk, ze ruimt het zo toch op?” zeg ik.
“Het is vies en smerig.”
Ik ga er maar niet op in.
“Je krijgt nog eens aderverkalking met al dat vet,” gaat Adriana afkeurend door. “Moet je nou per se met die stinktroep in de kleedkamer komen zitten?”
“Hoor ik daar een lama schijten?” vraagt Patricia met een diepe denkrimpel boven haar neus. Ze houdt haar hoofd een beetje scheef en kijkt alsof ze heel ingespannen probeert om een geluid op te vangen. Ik vis een paar frietjes zonder mayonaise uit de McDonald’s zak en steek ze in mijn mond. Vlug buig ik me over mijn spullen. Ik strik de veters van mijn dansschoenen en als ik even opkijk en Patricia’s olijke blik opvang, geniet ik. Woedend grist Adriana haar spullen bij elkaar, gooit haar hoofd in haar nek en met opgeheven kin loopt ze de kleedkamer uit.
“Als je je neus nog verder omhoogsteekt, zie je niet meer waar je je voeten neerzet,” roept Patricia haar nog na. Ik kan me niet meer goed houden en proest vermanend: “Wat kun jij gemeen zijn.”
“Welnee. Stom wicht. Vindt zichzelf heel wat en o zo knap. Nou, daar trap ik niet in. Zin?” Ze duikt naar de grond en veegt met een papieren servetje het geknoeide voedsel keurig weg. Daarna maakt ze een zakdoekje nat onder de kraan en verwijdert de laatste sporen. Nee, Patricia zul je er niet op kunnen betrappen dat ze Adriana een kans geeft.
“Waarin? Nog een frietje? Nee, maar toch bedankt.” Ik vouw mijn kleren netjes op en leg ze op het bankje. Mijn jas hang ik aan een haakje.
In een sneltreinvaart verdwijnt de inhoud van de zak in Patricia’s mond. “O, ik vond nog iets interessants,” zegt ze tussen twee happen door, “in het kopieerapparaat.”
“In het kopieerapparaat?”
“Ik moest een kopietje maken van mijn ID. Het papier was op en ik vulde het bij en toen kwam er nog een velletje uit, dat zat natuurlijk nog in het geheugen. Het is echt te cool. Iets over een beurs voor een dansopleiding in New York.”
“Een beurs?” Vragend kijk ik Patricia aan. “En wat voor danspleiding is dat dan?”
Patricia haalt haar schouders op en geeft met volle mond antwoord, wat ik niet kan verstaan. Nadat ik mijn waardevolle spullen in mijn tas heb gestopt, slinger ik die over mijn schouder en wacht tot Patricia haar mond leeg heeft. Ze verfrommelt de papieren zak en gooit hem met een welgemikte worp in de prullenbak, die aan de andere kant van de kleedkamer staat.
“Ik weet er het fijne ook niet van.” We lopen de kleedkamer uit en Patricia vist een brief uit haar tas en geeft hem aan me. Het A4’tje ziet er officieel uit. New York School of Dance, staat bovenaan het briefpapier in sierlijke letters. Eronder een adres. Manhattan, New York.
De brief is in het Engels en mijn ogen vliegen over de regels. Dear Carol…happy to informyou…oneyear…full scholarship…most talented pupil…international Standard…world wide…
Goh. Ik kijk op en ontmoet de opgetogen blik van Patricia. “Dat is voor jou,” zegt ze. “Kan niet missen. Een beurs voor een jaar op de New York School of Dance.” Ze kijkt met me mee naar de brief en vertaalt dan vloeiend: “Graag verwelkom ik uw meest getalenteerde leerling om gedurende een jaar onze dansopleiding te volgen. De leerling kan aanspraak maken op een volledige beurs. En dan staat er een hoop geslijm van die knakker dat hij vertrouwt op het oordeel van onze dansjuf.”
“Dank voor de vertaling, ook al had ik het zelf prima begrepen,” knik ik bedaard, hoewel er in mijn borstkas iets behoorlijk hard begint te roffelen. New York? Wat zullen we nou krijgen?
“Nou? Doe je het?” Patricia kijkt me aan alsof ik de enige ben die ervoor in aanmerking komt, en of Carol Deutekom mij al uitgekozen heeft, en ik alleen nog maar ‘ja’ hoef te zeggen.
Hiphop, breakdance, modern en klassiek en jazzballet—ik kan het allemaal en het ligt me ook allemaal. Het klinkt afgrijselijk arrogant als ik van mezelf zeg dat ik goed ben, maar dat is wel zo. Uiteraard ben ik niet de enige. Patricia is de beste streetdancer die ik ken. En, ik krijg het bijna niet uit mijn strot maar toch: Adriana is ook heel goed.
“Dat bepaal ik toch niet!” roep ik uit. “Jij hebt net zoveel kansen als ik! En er zijn er nog wel meer, hoor! Denk je echt dat ik dat zomaar in de schoot geworpen krijg?”
Patricia haalt haar schouders op. “Waarom niet? Je bent de beste.”
“En jij dan? Jij bent ook supergoed.”
Er gaan twee borstelige wenkbrauwen omhoog. Van een epileertangetje heeft Patricia nog nooit gehoord. “Ik? Naar Amerika? Om de dooie dood niet. Ik moet trouwens nog een jaar naar school, weet je nog?”
“Waarom niet?! Jij hebt echt heel veel talent!”
“Ik wil niet naar Amerika, dat is één. En ten tweede heb ik flaporen, dus val ik sowieso al af,” zegt ze gedecideerd.
“Dat slaat nergens op!”
“Geintje! Weet ik wel, maar ik heb er geen behoefte aan. Ik wil maritiem bioloog worden en geen danseres. Jij daarentegen hebt wel die ambitie.”
Ambitie…dat klinkt zo volwassen uit haar mond.
“Ambitie?” horen we achter ons. “Vertel me niet dat jij ambitieus bent, Patty.”
Patty? Patricia wordt vaak Pat genoemd, maar niemand zegt Patty tegen haar, en dat weet Adriana. Ze doet het expres en uit haar mond klinkt het als verbaal vergif. “Ach, ‘het’ is er ook weer,” bromt Patricia, rollend met haar ogen. Ze draait zich om en lacht poeslief naar Adriana.
“Ga je mee, Eva? Ik krijg opeens last van zure oprispingen,” zegt ze en laat vervolgens een keiharde boer. Vol walging zet Adriana een stap naar achteren. Ik moet zo ontzettend lachen dat ik het bijna in mijn broek doe. Het gezicht van Adriana vertrekt van de schok en van afkeer tot een masker van totale woede.
“Jij…jij…wat ben je toch…” begint ze. Hoe het haar lukt om niet vuurrood te worden is me een raadsel. Zelfs als ze nijdig is ziet ze er nog goed uit. Geen enkel vlekje van woede, geen speeksel dat uit haar mond vliegt—hoe doet ze het toch?
“Er zijn hele goede therapieën voor waar jij last van hebt,” zegt Patricia en geeft me een knipoog. “Kom je?”
Ik kan er niks aan doen, ik lig dubbel. Ik kom al jaren in JUMPJOY en Adriana ook: we horen allebei bij Hi-5, het demonstratieteam. Jammer genoeg voor Adriana hoort Patricia sinds een paar maanden óók bij die kernploeg en zij is niet bepaald van plan om alles maar over haar kant te laten gaan. Dus krijgt Adriana het voor haar kiezen. Hoe meer ze zich ergert aan Patricia, hoe meer plezier die laatste heeft. Adriana kan de boom in. De kernploeg zou wel een goeie danser verliezen als ze vertrok, maar er zou niemand verder een traan om laten.
Toen ik dat een keer tegen Patricia zei, riep die meteen: “Wel waar. Ik! Ik zou zo hard lachen dat ik ervan ging huilen en dan zou ze vertrekken in de waan dat ik haar toch aardig vond.”
Ik vroeg meteen of ze wilde wachten tot ik het ook kon zien als het zover zou komen.