Vijf
Kelvin blijft bij de deur staan als ik de grote zaal in loop. De muziek komt uit een gettoblaster en klinkt niet slecht, maar is een beetje iel, als je gewend bent aan de installatie van Dirk. Adriana staat nu de troepen aan te voeren, wat ze heel goed kan en aan haar gezicht te zien is ze al even bezig. De ploeg is bijna compleet, dus bij hoge uitzondering ben ik nu eens een keer de laatste die binnenkomt. “Kom je?” vraag ik aan Kelvin, maar hij schudt zijn hoofd en maakt een afwerend gebaar. “Ik wacht hier wel even,” zegt hij.
Ik begrijp zijn aarzeling en ik knik, en zoek mijn gewone plekje op. In de spiegel zie ik dat hij mijn achterkant goedkeurend bekijkt (maatje 36, jawel, dus er mag gekeken worden) en als hij ziet dat ik hem zie, ontmoet ik zijn betrapte, maar vrolijke lach. Dan zie ik Adriana, die Kelvins spiegelbeeld ondertussen ook ontdekt heeft en ze kijkt met zoveel afkeuring naar hem dat het me verbaast. O. Blijkbaar heeft mevrouw liever geen pottenkijkers in de zaal nu er sprake is van een wedstrijd? Voor ik me verder kan afvragen waarom ze klaarblijkelijk moeite heeft met een man—en wat voor man; een lust voor het oog—komt Carol binnen. Ze fronst haar wenkbrauwen bij het horen van de muziek. Het is onderhand zo gewoon dat ik ervoor zorg dat de installatie aanstaat, dat het erg opvalt als dat een keer niet het geval is. Ze draait zich naar me om, haar wenkbrauwen vragend omhoog.
“Ik ga al!” roep ik en ren vlug naar het muziekhok, waar ik de juiste schakelaars en schuiven omzet. Ik weet welke muziek ze verwacht en zet de juiste cd aan, die weer door Carol wordt stopgezet met de afstandsbediening als ik me terughaast naar mijn plaats.
“Dames, luister even. Ik heb de routines die op de dvd staan voor een deel uitgewerkt, maar nog niet allemaal. De komende zes weken breiden we het steeds verder uit totdat we alles onder de knie hebben.”
Zet ze daarvoor de muziek stop? Dat wisten we toch al? Ik zie dat Patricia mij een blik toewerpt en ik haal mijn schouders op: ik weet het ook niet. Mijn blik dwaalt weer naar Kelvin, die in kleermakerszit op de grond is gaan zitten, tegen de muur naast de deur. Ik moet tussen de lichamen van de anderen door kijken om hem te zien. Zijn vingers en zijn hoofd bewegen, alsof hij de muziek die net zacht gezet is, toch nog hoort en het in zijn hoofd gewoon doorgaat. Patricia trekt een gezicht naar me. Wat? mime ik terug. Dan zie ik haar ogen een keer naar Kelvin flitsen, een nauwelijks zichtbaar knikje in zijn richting, en dan een hele overduidelijke blik naar mij. Hij kijkt naar jou! Dat is wat ze me zegt en ik grijns. Zelfs al zou ik het willen, dan kon ik het nog niet onderdrukken.
“Die zes weken gaan we heel hard nodig hebben, omdat Ben Hamilton hierheen komt.”
Haar woorden vallen als de spreekwoordelijke bom. Donna weet even niet wie het is, zie ik, en ook Bibi denkt diep na, maar de meeste anderen herinneren zich de naam van Carols eerdere praatje: Hamilton is de belangrijkste man van de NYSOD.
“Komt hij hier?” vraagt Jeanne als eerste.
Carol knikt ernstig. “Ja, en dat is niet niks. Ik heb hem aan de telefoon gehad en hij heeft me ervan verzekerd dat hij met eigen ogen wil zien wie hij de beurs gaat toekennen en wie er dus een jaar door hem onder zijn hoede wordt genomen. Met andere woorden, dames: het wordt keihard werken. Voor iedereen. Want als hij hier komt en jullie beoordeelt, wil ik dat jullie allemaal perfect zijn. We komen sterk en professioneel over als we als één team hier staan. Dat betekent dus ook dat ik alleen maar toppers wil zien. De keus moet hem zo moeilijk worden gemaakt dat hij er een hele zware dobber aan zal hebben. Dat is wat ik wil zien. Dat is wat hij wil zien. En dames…” ze houdt zich even in, zet haar handen in haar zij en kijkt langzaam de groep rond, “…dat is wat hij zal zien.”
“We gaan ervoor,” zegt iemand achter me. Ik kijk weer naar Kelvin. Hij ziet het en grijnst. Carol kijkt me scherp aan en ik voel dat ik bloos. Oei, oei; opletten, Eva. Anders bak je er dadelijk niks van. Ik merk nu pas dat er nog twee meiden zijn die niet bij onze vaste groep horen. Ze komen me wel bekend voor; ik ken ze van gezicht omdat ze hier ook bij JUMP4JOY les hebben.
“Natuurlijk heb ik daar nog een poosje verder over nagedacht,” gaat ze dan verder. “Daarom heb ik besloten dat we niet één of twee, maar alle dansroutines die op de dvd staan, zullen gaan doen.”
“Wat?!”
“Hoeveel zijn dat er?” vraagt Lieke een beetje benauwd.
“Vijf,” antwoordt Carol zonder er doekjes omheen te winden. “Ik wil dat jullie alle nummers erin krijgen.” Ze haalt uit haar tas een stapeltje papier dat ze op de bank neerlegt. “Hier is het aangepaste trainingsschema. Ik begrijp best dat niet alles haalbaar is, maar kom zo vaak als je kunt. Perfectie is het hoogste doel. Duidelijk?”
De boodschap is duidelijk: er zullen heel wat vrije uren worden opgeofferd om het allemaal goed te krijgen. Perfectie is waar we voor gaan. ‘We’, dat is Carol. Van het ene op het andere moment heb ik opeens zoiets van: moet dat nou? Ik houd van het maximaal haalbare. Maar ik krijg wat van het woord perfectie. Mensen zijn mensen, geen machines.
Blijkbaar is iedereen een beetje overrompeld door dit nieuws. Elke routine duurt een minuut of vier, vermoed ik zo, met kleine stukjes voor solisten en heel veel nieuwe moves die we vanaf scratch moeten leren. Dat maal vijf…maakt een heleboel trainingsuren. Het blijft stil onder mijn mededansers.
“Wat is dit nou?” roept Carol een beetje gepikeerd uit. “Jullie hebben me allemaal gezegd—nee: verzekerd!—dat jullie ervoor wilden gaan en nu ik het trainingsschema aanpas, krabbelen jullie opeens terug?”
Patricia graait een papier van de stapel en bekijkt het schema. Ik loop naar haar toe en kijk met haar mee. “Ik zal er zo veel mogelijk zijn,” beloof ik, ondanks dat ik met bezwaard gemoed naar het intensieve trainingsschema kijk. Goed, het is maar voor zes weken, dus dat moet lukken, maar het wordt wel zwaar, dat zie ik zo al.
“Ik moet woensdagavond naar school,” zegt Lieke die ook een velletje van de stapel heeft gepakt. “Maar de rest van de week kan ik wel.”
Adriana kijkt zwijgend naar het papier. Ik weet dat ze aan tennis doet en op een behoorlijk niveau, dus ik vermoed dat zij ook wat avonden zal moeten laten schieten, maar ze knikt en zegt: “Ik ben er. Geen probleem.”
Ook anderen geven snel aan of er avonden of tijden zijn waarop ze niet kunnen, Carol knikt goedkeurend, laat de schema’s voor wat ze zijn en gaat over tot de orde van de dag. Ze zet de muziek harder en mijn voeten bewegen al voordat ik het in de gaten heb.
“Dit zijn trouwens Marie-José en Geeske. Iemand had een kopie van de brief op het aanplakbord gehangen…?” Spiedend en met een niet te missen boze trek kijkt Carol de groep rond. Patricia kijkt volkomen onschuldig terug. “Nu, de groep zit vol vanaf dit moment. Marie-José en Geeske zijn de laatsten. Ze doen met jullie mee.” De twee meiden knikken naar ons en nemen de plaats in die Carol hun wijst. Patricia grijnst naar mij, ik kijk nog een keer naar de twee nieuwelingen en dan zet Carol de muziek harder.
Nog even spelen Carols woorden door mijn hoofd. Hoewel ze kil en berekenend overkomt, weet ik dat ze niet met opzet zo doet: als ze niet zakelijk zou zijn, zou alles aan haar neus voorbijgaan. Ze móét zich wel zo opstellen. Dat die manier van doen mij niet zo aanspreekt, moet ik voor lief nemen. Zij weet het beter, haar ervaring gaat de mijne ver te boven.
Dan stop ik met piekeren en neemt de muziek het over. Na een paar minuten denk ik nergens meer aan, laat ik mijn voeten, mijn handen, mijn lijf het werk doen. Het is een heerlijke training. Had ik net nog mijn bedenkingen? Dit wil ik, iedere dag, elk uur, totdat ik sta te trillen van vermoeidheid en mijn spieren heftig protesteren. Laat maar komen, die routines. Het schrikt mij niet af. Carol heeft gelijk: het maakt veel meer indruk als je een complete topgroep voor je ziet, dan een enkeling die goed kan dansen. Alles komt beter uit de verf als het totaal ook een superniveau heeft. Wat ongetwijfeld in de NYSOD ook het geval is. Wil ik meedraaien in de Big Apple, dan moet het hier al beginnen met een mentaliteitsverandering. Haal ik het niet met twee uur extra training? Dan worden het er vier. Doen de andere meiden het met zes uur? Dan ga ik voor acht. Ik ga ze verslaan. Over zes weken dans ik die Ben Hamilton van zijn sokken en mezelf de New York School of Dance in. Ik ga ervoor. New York, here I come!
Pas na de training besef ik dat Kelvin helemaal niet meegedaan heeft. Hij zat daar op zijn gemak op de grond en bekeek alles nauwkeurig, maar geen enkel moment maakte hij aanstalten om overeind te komen en mee te doen. Ook Carol heeft het hem niet gevraagd, wat ik een beetje raar vind aangezien zij en haar man hem toch hierheen hebben gehaald, juist om mee te doen?
Hij lacht als ik bezweet naar hem toe kom lopen. “Mooi!” zegt hij. “Ik ben onder de indruk.”
“Niet jokken. Zo bijzonder was het ook weer niet. Er valt nog heel veel te doen. Heb je het meegekregen, wat Carol in het begin zei?”
“Nee,” zegt Kelvin. “Dat kon ik niet verstaan.”
“Ik moet even uitzweten. Lust jij ook nog wat te drinken?” Kelvin knikt. Hij kan zijn ogen niet van me afhouden. Misschien vindt hij een zwetende vrouw erg opwindend, maar zelf zie ik dat niet zo. Ik plak en ik stink, maar toch kan ik niet meteen onder de douche springen. Ik veeg met een handdoek mijn gezicht af. Ergens staat een raampje open en ik voel de tocht langs mijn nek trekken. Dat is net de manier om een stijve nek te krijgen. Terwijl ik mijn trui over mijn schouders hang, loop ik met Kelvin de zaal uit. Ik heb het erg warm en onder het sweatshirt zweet ik als een paard. Patricia komt naast me lopen met net zo’n verhit gezicht als ik, maar als ik vraag of ze ook meegaat naar de serre om wat te drinken, schudt ze haar hoofd. Ze werpt een terloopse blik op Kelvin en zegt dat ze meteen gaat douchen omdat ze snel naar huis moet. Ja, ja. Wie is er hier nou doorzichtig? Maar ik geef haar niettemin een dankbaar kneepje in haar hand en krijg er een grijns voor terug. Ze fluistert in mijn oor: “Go for it, Eva,” en verdwijnt dan de kleedkamer in.
“Vertel eens,” zegt Kelvin, die niets merkt van Patricia’s aansporing. Heel even raakt zijn hand de warme, natte holte van mijn rug aan. “Waar ging dat dan over? Want wat ze zei had wel impact.”
In de serre is het nu wel druk. Het geroezemoes van ouders die hier wachten terwijl hun dochters pliés en arabesques oefenen, gonst door de ruimte. Er staat ook muziek op, er wordt gerammeld met glazen en kopjes en dus is het er tamelijk lawaaierig. Er is geen tafeltje meer vrij, maar ik zie twee lege stoeltjes en sleep die naar een plekje vlak bij het raam, zodat we met z’n tweeën kunnen praten zonder dat anderen meeluisteren. Kelvin haalt aan de bar wat te drinken en met het flesje in mijn hand en mijn blik op de dorre tuin achter de serre, die wel een onderhoudsbeurtje kan gebruiken, breng ik hem op de hoogte.
Ik vertel Kelvin het hele verhaal van de beurs voor de New York School of Dance en zoals ik min of meer verwacht had, knikt hij en zegt, net als iedereen: “Wauw. Dat klinkt goed.”
“Dat is het ook, denk ik.”
“Zou jij dat willen, een jaar weg?”
“Natuurlijk, dat is toch een kans die ik niet kan laten schieten!” Gretig drink ik van de sportdrank. Man, ik ben uitgedroogd. “Toen Carol net het trainingsschema uitdeelde nadat ze had gezegd dat we alle routines zouden gaan doen in plaats van eentje, schrok ik toch wel even. Toen dacht ik: bekijk het maar, ik dans voor mijn lol, niet om mezelf over de kop te werken. Maar weet je, op het moment dat ik daar sta, is al het andere onbelangrijk. Dan merk ik niets meer. De tent kan om me heen afbranden tot de grond en ik zou nog doordansen.”
“Dat heb ik gezien, ja,” glimlacht Kelvin. “Totdat de muziek begon zag ik je nog naar me kijken, maar daarna was het afgelopen. Ik geloof niet dat je nog wist dat ik bestond. Zat ik daar heel zielig te zitten…”
Onder mijn rode, bezwete gezicht voel ik me nog warmer worden. “O! Nee, dat bedoelde ik niet zo, als dat zo overkwam, hoor! Het ligt niet aan jou, het ligt aan mij. Het is een afwijking. Een soort beroepsdeformatie!”
Voor ik nog meer verontschuldigingen kan uiten, steekt hij zijn hand op en legt een vinger op mijn lippen. Bij elk ander zou ik terugdeinzen—daar moet ik normaal niets van hebben. Maar nu…Smelt, smelt. “Sssst. Dat weet ik toch wel. Denk je dat ik dat niet zag?” Hij lacht weer. Zijn ogen glinsteren. “Ik herken het wel. Dat gevoel dat je meesleept…”
Kelvin buigt zich iets naar voren en pakt mijn handen. Hij zegt niets meer. Er gebeurt iets. Het laatste stukje van wat twee uur geleden begonnen is. Het is als elektriciteit die in de lucht hangt. Het statische geknetter ontbreekt nog, maar als je de aantrekkingskracht tussen ons zichtbaar zou kunnen maken, dan zou de lucht fel gekleurd zijn.
Nog meer dan net ben ik me ervan bewust hoe weinig appetijtelijk ik eruitzie, met mijn haar in klamme pieken, zweetdruppels die op mijn slapen glinsteren, mijn kleding voorzien van grote natte plekken. Maar Kelvin lijkt dat niet te deren. Als hij achterover leunt in het rieten stoeltje sprankelen zijn ogen. Hij lacht naar me. Ik lach terug.
“Ik moest maar eens gaan.” Met een spijtig gezicht komt hij overeind. “Mijn bus, weet je.”
Er komt geen geluid uit mijn mond, alleen maar een schor gekreun. Kelvin lacht weer. Als hij een indiaan was, zou hij vast Lacht Veel heten. Waarom kan ik nou niets zeggen?
“Houd je van Thais?” vraagt hij dan. “Ik weet een leuk tentje waar ze heerlijk eten hebben.”
“Ja! Heerlijk! Ik ben dol op Thais eten!” Het klinkt té gretig en ik praat zo staccato dat het lijkt of ik een telegram voorlees. Het stoeltje waarop ik zit valt nog net niet om als ik opspring omdat hij gaat staan.
“Leuk. Dan neem ik je een keertje mee,” zegt hij met een tevreden knikje. “Wanneer ben je weer hier?”
“Elke dag,” zeg ik snel.
“Mag ik je mobiele nummer?” Uit zijn broekzak pakt hij zijn telefoontje en ik dicteer mijn nummer. Hij glimlacht tevreden en als een magneet word ik naar die lach toe getrokken. Wat een man.
“Als ik je morgen niet zie, dan bel ik je. Dag Eva.” Met zijn hand duwt hij een natte blonde pluk opzij.
“Dag Kelvin,” piep ik.
Na een laatste heerlijke, oogverblindende lach draait hij zich om en loopt een beetje schommelend de serre uit. In de deuropening kijkt hij nog even over zijn schouder en hij steekt zijn hand op. Dan is hij weg. Met bonkend hart blijf ik achter in de serre. Het is druk en het geroezemoes wordt aangevuld door muziek die steeds harder gaat. Degene die bardienst heeft maakt het zichzelf moeilijk door de volumeknop open te draaien, maar de sfeer wordt er niet minder door.
Mensen! Hebben jullie nou echt niet in de gaten dat hier pure chemie plaatsgevonden heeft?!
Ben je gek. Iedereen heeft het te druk met de ander of met zichzelf. Wat kan mij het schelen? Het groen van de planten in de serre is opeens feller, het licht van buiten zonniger, het geluid harder. Ik kan het zelf niet geloven. Kan dit echt waar zijn? In het post-problementijdperk had ik mijn hormonen niet echt meer een kans gegeven. Het was niet zo dat ik mezelf opzettelijk buitenspel zette als het op een relatie aankwam, maar het was simpelweg een kwestie van gebrek aan de juiste persoon. Wonder boven wonder is hij vandaag binnen komen wandelen: eerst JUMP4JOY, en toen mijn leven in. Een paar uur geleden was er niets. Het was een gewone, saaie, alledaagse, doordeweekse dag.
En daar is in één keer verandering in gekomen.
“Pat? Ben jij vrij?” vraag ik verbaasd als ik zie dat Patricia mij de volgende dag belt om halfelf ‘s-morgens.
“Uurtje uitval. Hoe is het met de love-love-lovely Kelvin?”
Ik giebel. Patricia had het natuurlijk meteen in de gaten en stuurt af en toe berichtjes met ‘tips’ en ‘waarschuwingen’. Zoals gisteravond: Waarschuwing. Vergeet morgen niet te gaan werken. Of: Tip. Zoenen met het licht aan geeft goed zicht op geliefde. Ik vind het sympathiek van haar. Heel wat vriendschappen hebben het zwaar te verduren als er iemand verliefd wordt. Patricia is de enige die het weet en ondanks dat ik het wel van de daken kan schreeuwen, ben ik voorzichtig en houd dat geheim nog maar voor me. Zolang het duurt natuurlijk. Het is maar een kwestie van tijd voordat anderen het in de gaten krijgen.
“Alles gaat geweldig. De lovely Kelvin wordt met de minuut lovelier,” beloof ik haar. “We zijn uit eten geweest, en toen aan de zwier door de stad en…”
“En daarna was het feest?” informeert Patricia luchtigjes.
“Pat!” roep ik quasigeschokt. Dan zeg ik op samenzweerderige toon: “Hij is geweldig.”
“Dat lijkt me ook, ja,” zegt Patricia. “Maar kan ik je toch even losrukken van je droomprins? Kan ik vanavond met jou mee naar huis rijden? Mijn ketting is er net afgelopen en ik kom wel met de bus heen, maar de bus terug gaat zo laat. Of heb je plannen met je lover?”
“Met mijn lover heb ik nog niets afgesproken, dus wat mij betreft is het prima,” zeg ik meteen. “Mijn lover,” herhaal ik dan. “Dat klinkt heel goed.”
“Hij ziet er ook heel goed uit. Leuke kleren draagt ie.”
“Nou, daar moeten we het nog maar een keer over hebben. Ik ben niet zo kapot van die zakkige dingen.”
Patricia lacht. “Het staat hem toch keivet? Bovendien zit dat lekkere lijf mooi verstopt voor anderen. Heb jij het alleenrecht.” Ik lach erom en ze gaat verder: “Zonder gekheid, Eva. Ik heb maar even met hem gepraat, maar hij is sympathiek. Leuke vent. Net wat jij nodig hebt.”
“Nodig hebt? Je doet net of ik een hopeloos geval ben! Daar ga ik maar niet op in! Heb jij nog leuke jongens op het oog? Misschien kent Kelvin nog wel een leuke single. Ik kan het hem wel vragen?”
“Als je het maar uit je hoofd laat. Ik heb het al helemaal gepland. Eerst studeren, dan de zee op en daar ontmoet ik iemand die met mij zeehonden gaat bestuderen op Newfoundland. Daar fallen we in love en baar ik elf kinderen, die allemaal maritieme biologie gaan studeren.” Ze lacht hardop. Soms vraag ik me af of ze zich überhaupt voor het andere geslacht interesseert. Ze vindt jongens leuk, maar verder dan dat gaat het nooit, geloof ik. Misschien blijft ze wel als een soort Dian Fossey haar leven lang tussen de gorilla’s doorbrengen. Of, in haar geval, tussen de orka’s en de walvissen. Maar ja, ze is nog niet eens van school. Er kan nog zoveel gebeuren. Ik hoop dat ze gaat studeren in de buurt. Het zou jammer zijn als ze ver weg zou gaan.
“Geloof jij in liefde op het eerste gezicht?” vraag ik haar.
Ze lacht. “Nee. Totaal niet. Maar tussen jou en Kelvin is onmiskenbaar iets aan de hand, want zelfs ik merkte het. Dus misschien ben jij wel degene die me van mijn vaste overtuiging afhelpt.”
“Als ik nou maar niet teleurgesteld word,” zeg ik zachtjes. Heeft Patricia het gehoord? Ik denk het niet, want er klinkt lawaai op de achtergrond. Zo te horen komt er een meute klasgenoten binnen.
“Eef, wat maakt het uit of je teleurgesteld wordt in de toekomst? Je leeft nu, hoor. Er kunnen nog wel honderd leuke mannen op je pad komen voordat je de ware tegenkomt, als je die al vindt. Wil dat zeggen dat je daarom de anderen maar moet afzweren? Ook al loopt het uiteindelijk stuk, zolang je het naar je zin hebt moet je er lekker van genieten. Zou ik zo zeggen.”
“Mevrouw de deskundige,” spot ik en we schieten allebei in de lach. Het gesprek is haast niet meer mogelijk, omdat het gezelschap bij Patricia erg lawaaierig is. Bovendien gaat de telefoon van de boetiek.
“Ik zet je thuis af,” beloof ik. “En nu moet ik ophangen, want ik heb telefoon.”
“Is goed. Tot vanavond dan!”
Vlug neem ik de telefoon van de winkel op en handel netjes het gesprek af. Daarna glijd ik vanzelf weer weg in dromerijen over mijn vriend. Patricia heeft het mooi gezegd: geniet ervan. Dat doe ik dan ook, met volle teugen.
Kelvin, Kelvin, Kelvin. Ik kan hem niet uit mijn hoofd krijgen. Correctie: ik wil hem niet uit mijn hoofd krijgen. Er buitelt iets rond in mijn maag en ik moet de neiging onderdrukken om luidkeels te gaan zingen. Als ik mijn gezicht in de spiegel zie, krijg ik steeds een grote grijns van mezelf terug.
Vanmorgen was mam een poosje weg omdat ze naar de pedicure moest en nam ik de honneurs waar. Kelvin had college en een praktijkochtend, dus bleef het contact beperkt tot SMS’jes en een beetje ronddolend door de boetiek stuurde ik van alles terug en vermaakte me verder met lekker wegdromen. Toen mam binnenkwam, tegen halftwaalf, keek ze me onderzoekend aan en vroeg of ik me wel goed voelde. Nu probeer ik dus braaf die grijns van mijn gezicht te weren, en droom ik wat onopvallender weg.
Ik kan er met mijn verstand niet bij dat ik zo pats-boem verliefd ben geworden. Liefde op het eerste gezicht bestaat wel degelijk, al geloof ik daar echt niet in. Het moment waarop ik hem zag dansen staat voor eeuwig in mijn geheugen gegrift. Hij had toen nog niets gezegd, hij had me nog niet eens gezien en toch voelde ik het toen al toeslaan. Ik wist het gewoon. En het meest fantastische van alles: het is helemaal, honderd procent, geheel en al, volledig wederzijds. Gisteren kuste hij me heel zachtjes en fluisterde dat hij head over heels was vanaf het moment dat hij me uit het muziekhok had zien komen.
Mijn hoofd is op hol geslagen, het lijkt wel of ik gebrandmerkt ben met Kelvin. Ik mijmer over hem; over hoe hij eruitziet, hoe hij lacht, over zijn stem. Ik word gewoon een beetje misselijk van mijn eigen gezemel.
Er valt op dit moment helaas weinig te dagdromen, want sinds het middaguur is het razend druk in de boetiek. Een clubje dames zoekt geschikte kleren voor een trouwfeest waarbij ze worden geacht ‘op chic’ te komen. Onophoudelijk sjees ik door de winkel, van rek naar paskamer en terug, net als mam die aan een stuk door bezig is om het iedereen naar de zin te maken. Als ik een vrouw zonder taille in een jasje help, zie ik mam de kopjes die op tafel staan verzamelen, en vlug loop ik naar haar toe en neem ze haar uit handen. “Ga jij die mevrouw maar helpen,” zeg ik zacht. “Die krijg ik niet aan het verstand gebracht dat ze niet zo’n getailleerd jasje moet kopen. Ik zal wel even de vuile vaat achter zetten en met nieuwe koffie en thee rondgaan.”
Mam knikt en loopt meteen weg, mij achterlatend met het hotelporselein waar lippenstiftranden op zitten. Mam is veel beter op zulke piekmomenten dan ik. Ze vindt het heerlijk, alles regelen, iedereen om haar heen voorzien van wat ze willen hebben, als een dikke spin in een groot web. Het liefst zou ik nu stil in een hoekje gaan zitten wachten tot ze allemaal weer weg zijn en daarna op mijn gemak de chaos in de winkel wegwerken. Want dat is het vervelendste van een winkel: klanten trekken kledingstukken uit stapels, smijten het terug als het toch niet is wat ze ervan verwachten en wie mag er aan het eind van de dag de hele boel weer opvouwen? Precies.
Wat ik echt niet begrijp, is dat als er iets op de grond valt mensen er met hun grote schoenen pal op gaan staan! Dat doe je thuis toch ook niet? En denk maar niet dat dat niet voorkomt in de ‘betere’ zaken (wat heb ik toch een hekel aan die omschrijving). Er lopen hier dames binnen die zichzelf heel wat vinden en prompt met hun acrylnagels een peperdure zijden Dolce&Gabbana blouse aan flarden trekken en rustig teruggooien tussen de andere blouses. Of die, met hun Manoio Blahniks aan, een broek met wijde pijpen proberen te passen en er vervolgens met hun hakken in blijven hangen en er een winkelhaak in maken. Negen van de tien keer laten ze het kapotte stuk in de paskamer liggen of proppen het weg onder andere stukken. Juist die arrogantie maakt me spinnijdig. En mam maar vriendelijk knikken en zeggen dat het geen probleem is. De klant is koning, zegt ze vaak genoeg. De kosten van de niet te verkopen kapotte kledingstukken worden verwerkt in de prijs van de andere stukken, daar vind ik dan nog enige voldoening in. Niet verder vertellen, hoor.
Maar vandaag mogen we niet mopperen. Het gezelschap dat binnen is gekomen is geïnteresseerd in leuke kleren waarin ze allemaal goed voor de dag komen en ze zijn vooral gezellig en vrolijk. Dat is weleens anders.
Net als ik alles op een dienblad heb verzameld, inclusief de lege melkcupjes en kapotgescheurde suikerzakjes, word ik geroepen. “Ja, jij daar, jongedame. Dit truitje, in maatje 42—pak dat eens even voor me.” Een lange vrouw met dik koperkleurig haar en veel make-up wappert met een shirt. Ik geloof niet dat zij bij de opgewekte groep hoort die zich verheugt op een bruiloft. Ze staat in het pashokje, alleen haar hoofd en een roomwitte arm steken boven het glazen deurtje uit. Ik pak het shirt van haar aan, hang het over mijn schouder en nadat ik beloofd heb dat ik dadelijk terug ben, snel ik eerst met het dienblad vol kopjes naar het kleine keukentje. De collectie die mam in de boetiek heeft, houdt in dat er dames komen die erg goed in de slappe was en helaas soms erg slecht in de goede manieren zitten. Pak dat eens even voor me, galmt het na in mijn hoofd. Kan er geen alsjeblieft meer af? Alleen omdat ik jonger ben en niet aan het hoofd sta van een miljoenenconcern?
Opstandig als ik ben, besluit ik Kelvin héél snel te bellen. Ik wil hem eventjes horen, een paar seconden maar, zodat ik weer tegen die dragonder in de paskamer op kan. Ja, ja, kijk me er maar op aan, het kan me toch niet schelen.
Als ik in het keukentje sta, het shirt nog over mijn schouder, twijfel ik geen seconde en trek mijn telefoon uit mijn tas die in het keukenkastje ligt. “Hé schoonheid,” hoor ik meteen een warme stem zeggen als er wordt opgenomen. “Waaraan heb ik dit genoegen te danken? Moet je niet werken?”
Kelvin, heerlijke, lieve Kelvin. “Er is hier een verschrikkelijk mens in de zaak,” fluister ik. “Ik moet dringend even iemand horen die normaal is. Ken jij iemand?”
Hij lacht. “Het spijt me, maar die zie ik hier niet zo een-twee-drie. Ooit rondgekeken op een hogeschool? Daar loopt een hele verzameling aan bizarre figuren rond. Wil je dat ik op zoek ga naar iemand en je straks terugbel?”
Ik lach ook. “Ik heb ‘m al gevonden,” zeg ik. “Nu moet ik weer gauw ophangen, hoor.”
“Eva, heb je het thuis al besproken?” vraagt Kelvin snel, wat serieuzer nu.
“Wat besproken?”
“Of je het zult doen, natuurlijk. Die dansopleiding in New York,” zegt hij. Eh…
“Ik moet weer aan het werk,” zeg ik snel en ben blij dat ik er nu niet op door hoef te gaan.
“Is goed,” zegt Kelvin. “Bel je als je klaar bent? Dan kom ik je halen en dan zal ik voor je koken.”
“Dat is heel lief, maar…” begin ik tegen te sputteren.
“Geen gemaar, Eva. Hoe laat zal ik voorrijden? Zes uur?”
Ik zie hem in gedachten hier al binnenkomen en vragen naar mijn werkplek om dan tot de ontdekking te komen dat ik maar een gewone verkoopmedewerkster ben, en zeg haastig: “Je hoeft niet naar de boe…eh…het atelier te komen. Ik moet me toch eerst even omkleden thuis. Spreken we af op de markt?” Daar had ik me bijna versproken. Boetiek!
“Dat is goed, hoor. Wat voor jou het makkelijkste is. Halfzeven, haal je dat?”
Er wordt ongeduldig gemord en geroepen vanuit de winkel. “Ja, halfzeven is goed. Als het later wordt bel ik je,” zeg ik vlug. “Ik moet echt ophangen. Tot vanavond!” Nog voordat Kelvin iets heeft kunnen terugzeggen heb ik de verbinding al verbroken, zij het met pijn in mijn hart. Ik wil niet ophangen, ik wil met Kelvin praten, zijn stem horen, ik wil hem horen lachen. Ik wil mijn armen in de lucht gooien en schreeuwen en stampen en zingen en roepen en springen. Het is terug. Het gevoel is terug. Ik geniet eindelijk weer van wat ik jaren geleden kwijtgeraakt ben. Ik ben halsoverkop…verliefd!
Ik denk terug aan gisteren, want sinds toen is het officieel ‘aan’. Wat klinkt dat toch truttig, alsof ik twaalf ben in plaats van vierentwintig. Toen ik de buitendeur uitliep, gedoucht, okselfris en doordrongen van de endorfientjes die nog door mijn lichaam gierden, zat Kelvin ontspannen op het trapje voor JUMP4JOY. Patricia, die achter me aan naar buiten kwam, gaf me een veelbetekenend duwtje en zei me iets te haastig gedag. Ze verdween naar het fietsenhok voor ik iets kon zeggen. Toen ik me omdraaide keek ik recht in het gezicht van Kelvin, die overeind kwam en zijn handen op de leuning van het metalen traphekje legde. Ik werd prompt zo nerveus als een schoothond met ADHD.
“Hé,” zei ik en in mijn oren klonk mijn stem belachelijk hoog. “Jij hier? Hoe ben je hier? Of woon je hier in de buurt? Nee toch, hè, tenminste, dat denk ik niet. Want als jij ergens bij Carol woont, dan is dat aan de andere kant van de stad. Ben je met de fiets? O, heb je niet gezegd dat je met de bus was?” Jeminee, wat was ik opeens aan het ratelen. Kelvin lachte weer en liet zijn wijsvinger over mijn hand gaan die ik naast de zijne op de metalen reling had gelegd. “Heb je honger? Heb je nu zin in Thais?”
Van het ene op het andere moment voelde ik me licht worden en dat was niet van mijn lege maag. “Ik barst van de honger,” zei ik gretig. “Ik heb nog niet gegeten.”
“Mag ik je dan bij dezen uitnodigen?” Hoffelijk hield hij zijn arm naar me op en ik nam hem aan met een knikje, terwijl ik op hetzelfde moment dacht dat ik nooit ofte nimmer had kunnen denken dat ik aan de arm van een hiphopper zou lopen. Het klonk als een contradictio in terminis. Ik en een hiphopper? Het meisje in designer-kleding en de jongen in de afzakbroek en het over-sized shirt? Mijn strak ingevlochten blonde haar, zijn korte krulletjes verborgen onder een petje? Een combinatie die heel wat verbaasde blikken zou trekken, vooral in mijn buurt, en waarschijnlijk ook in Kelvins omgeving.
Het kon me geen barst schelen. Aan de arm van Kelvin, de warmte van zijn huid voelbaar door de stof van zijn jas heen, leek ik wel te zweven. En wat de wereld ervan dacht interesseerde me geen klap.
Al pratend wandelden we op ons gemak naar het centrum, waar we neerstreken in een gezellig restaurantje. Het leek wel of we gewoon niet konden stoppen met praten. Kelvin wilde van mij van alles weten en ik draaide om het ontwerpsterverhaal heen en vertelde over mezelf, mijn ouders, mijn zus en broer en hun gedachten over mijn beroepskeuze en nog veel meer.
“Beroepskeuze?” had Kelvin gevraagd. “Is er iets mis met ontwerpster zijn?” Oeps, daar had ik mezelf toch bijna vastgepraat.
Ik legde uit dat ik aanvankelijk voor danslerares was gegaan, maar dat mijn ouders zich daarin niet zo konden vinden en dat mijn broer en zus van die keurige beroepen hadden. Kelvin lachte om dat ‘keurige’ en vroeg of een dansdocent ‘niet keurig’ was. Op zijn beurt vertelde hij over zijn familie. Twee broers, drie zussen die her en der verspreid in het land woonden, een paar kinderen waardoor hij oom Kelvin was en over de prima band die hij met zijn ouders had.
Daarna vertelde hij over zijn studie en hoe zijn dagelijkse leven eruitzag. Afgezien van studeren werkte hij ook in een goedlopende groentespeciaalzaak. “Dat klinkt niet erg flitsend, hè?” zei hij. “Ik heb eerst vakken gevuld bij de Super De Boer in Middelburg, en toen ik hier kwam wonen kon ik meteen aan de slag bij de Avocado. Het is leuk werk en ik zit nooit verlegen om verse groenten en fruit.”
Ik voelde me een beetje ongemakkelijk. Nog steeds had ik die ontwerpsterillusie niet ontkracht, terwijl Kelvin wel heel eerlijk was over zijn baan en zijn studie. Ik nam me voor om hem gauw een keer te vertellen hoe het zat. Nu was hij aan het vertellen; het was niet het goede moment om over mezelf te beginnen. Opzettelijk had ik nog niet verteld over de lange jaren van ziekte die achter me lagen. Hij moest me vooral toch niet gaan zien als een ‘psychisch wrak’ of ‘rijp voor het gekkenhuis’! Ik hield het erop dat ik de ziekte van Pfeiffer had gehad en dat mijn ex-vriendje zich als de wiedeweerga uit de voeten had gemaakt toen hij dat hoorde.
Kelvin had niets te veel gezegd: het eten was uitstekend. Met het tafelgezelschap was ook niets mis. Toen de rekening voldaan was, wilden we allebei nog niet naar huis en we wandelden rond in de stad. Het was kil en er stond een fris windje, maar met Kelvins arm om mijn schouder had ik het niet koud. Overal brandde terrasverwarming en het was gezellig druk in het uitgaansgedeelte. We liepen rond, genietend van de avond. Voor een winkeltje met mooi verlichte Afrikaanse kunst bleef ik staan en wees op de houten beelden die er stonden.
“Die zijn nep,” wist ik te vertellen.
Kelvin was verbaasd. “Hoe weet je dat?”
“De houtsoort, de kleur, de intensiteit, de gelijkmatigheid van het materiaal, de afwerking, noem maar op. Het staat bij ons thuis ermee vol. Mijn vader heeft in Afrika gewoond. Ik ben ermee opgegroeid. Grote kans dat ze made in China zijn.” Ik knikte naar een geknoopt wandkleed dat aan de muur hing. “Dat zal wel handgeknoopt zijn, maar niet door een mevrouw in een Afrikaans dorpje die zelf eerst vlas moet bewerken om er touw van te maken, zoals je waarschijnlijk wijsgemaakt wordt. Het komt uit een fabriek waar arbeiders voor schamele loontjes hun vingers tot bloedens toe openhalen om die leuke kraaltjes erin te verwerken.”
Zonder het te merken was ik iets feller gaan praten en Kelvin raakte mijn wang aan. “Wat een passie.”
“Sorry,” zei ik verontschuldigend en haalde mijn schouders op. “Het zit er een beetje in. Ik ben wel een voorstander van Fair Trade en LLINK-projecten.”
“En toch werk je als ontwerpster in de geld verslindende mode-industrie? Dat kan ik niet helemaal rijmen.”
“Bewustwording en verstand komen met de jaren,” zei ik ontwijkend. Ha! Briljant antwoord! Opeens trok Kelvin me naar zich toe. Hij bestudeerde me, zijn blik gleed van mijn ogen over mijn neus, mijn wangen, mijn lippen en hij kuste me heel zacht. Er ging zoveel tederheid van uit dat mijn knieën ervan knikten.
“Eva,” vroeg hij zacht, “wil jij mijn meisje zijn?”
Ik moest op mijn lip bijten om niet keihard te lachen. Zijn er écht nog mensen die dat vragen? Wat oubollig, wat tuttig. Maar dat was het nu helemaal niet, ook al klonk het als iets uit een vijftiger-jarenromannetje. En toch…eigenlijk was het heel romantisch. In een flits zag ik voor me dat Kelvin op een knie zakte, met op de achtergrond een driekoppig strijkje, een gedekte tafel met kaarslicht en een klein blauw doosje met een ring met een fonkelende diamant, waarna hij mij ten huwelijk vroeg. Verward knipperde ik met mijn ogen om het beeld weg te krijgen. Ik kuste hem terug en knikte en streelde de lijn van zijn kin. “Wat een romanticus. Vragen of ik je meisje wil zijn.”
Een beetje verlegen glimlachte hij. “Ach, weet je, het is tegenwoordig maar zo normaal om ervan uit te gaan dat dat zo is, maar dat is soms veel te verwarrend. Mensen praten niet meer. Ze sturen elkaar SMS’jes in msn-taal. Dat is prima, maar je moet ook met elkaar praten. Echt praten, bedoel ik. Dan kun je pas wat te weten komen over een ander. Je hebt het net zelf verteld: je vorige vriendje stuurde je botweg een berichtje: over and out. Dat vind ik niks. Daarom vraag ik het gewoon. Zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan.”
Ik knikte en legde mijn voorhoofd tegen het zijne. We zoenden elkaar. “Ja,” zei ik een beetje buiten adem. “Hoe kan ik daar nou nee op zeggen?”
Het begon te regenen. We doken de eerste de beste kroeg in en daar was het heel gezellig. Ik houd niet zo van stappen, maar er zat een of andere semi-beroemdheid, die zong en gitaar speelde en een perfecte sfeer voor de gelegenheid schiep. Het was heerlijk. We zaten in een comfortabele loveseat en ik kroop in het holletje van Kelvins arm. Af en toe gleden zijn lippen langs mijn wang en kuste hij me zachtjes. Het was niet voor te stellen dat ik hem pas een paar dagen geleden had ontmoet. We kletsten totdat de kroeg sloot, diep in de nacht, en we bleven buiten staan, in een abri, terwijl de regen op het kunststoffen dakje kletterde.
“Waar woon je?” vroeg Kelvin. “Dat heb ik nog niet eens gevraagd.”
“In de Van Doremalenlaan,” zei ik.
“Sorry, ik ben hier niet goed bekend. Waar is dat?”
Ik was blij dat het donker was en de schaduwen over mijn gezicht vielen toen ik antwoordde: “In die villawijk in noord.” Het huis van mijn ouders is gigantisch en sinds ik een blauwe maandag op kamers heb gewoond, weet ik pijnlijk goed dat dat niet voor iedereen weggelegd is, en word ik soms bekropen door een gevoel van schaamte. Ik weet best dat dat nergens voor nodig is, dat ik geen verantwoording af hoef te leggen over het huis waar ik woon, maar toch voel ik me soms wat ongemakkelijk.
Kelvin knikte. “O ja, daar staan mooie huizen. Betaalt het zo goed om ontwerper te zijn?”
“Ik woon op kamers. Bij mijn ouders.” Dat laatste kwam er wat hakkelend achteraan, wat Kelvin blijkbaar nogal grappig vond want hij wierp zijn hoofd in zijn nek en lachte schaterend. “Op kamers? Of bij je ouders? Wat is het nou?”
“Precies wat ik zeg. Ik woon op kamers, bij mijn ouders boven. Ik huur van hen de bovenste etage. Lach me niet uit! Ik heb een eigen ingang en badkamer en zo.” Ik porde hem in zijn zij en hij hield me grinnikend op afstand.
“Goed, goed, maak je niet druk. Maak je dan ook je eigen kostje klaar of is dat het stukje waarin je ouders goed van pas komen?”
“Soms,” zei ik ontwijkend. “Mijn vader kan heel goed koken. Hij doet het graag, hij zegt dat het hem ontspant en het scheelt mij een hoop gedoe als ik het niet hoef te doen.”
“Dat is makkelijk,” knikte Kelvin. “Zou ik ook wel willen. En de was…en mijn band plakken…de boodschappen die gedaan zijn als je thuiskomt…regelmatig geld toegestopt krijgen…”
Ik gaf hem een vriendschappelijke mep. “Houd op! Ik ga mijn eigen gang, met een béétje input van mijn ouders. Heb je daar problemen mee?”
“Een beetje van jezelf en een beetje van Maggi?”
“Zoiets ja,” bromde ik. Bij alles wat ik zei leek Kelvin te lachen. “Rustig maar,” zei hij, “ik zit je maar een beetje te plagen. Het is toch een prima regeling? Wat vinden je ouders van die beurs voor de New York School of Dance? Want ze zullen je best missen als jij de gelukkige wordt.”
Eh…ik had het nog niet met hen besproken. “Ze weten het nog niet,” zei ik schouderophalend.
“Waarom niet?” vroeg hij verrast. Ik haalde nog een keer mijn schouders op. Op het moment dat ik danste wist ik dat ik een kans maakte, maar zodra ik me weer in mijn gewone kloffie gehesen had, verdween dat als sneeuw voor de zon en sloeg mijn onzekerheid weer toe. Er waren te veel kandidaten, ze waren allemaal goed. Waarom zou ik mijn ouders dat dan vertellen?
Maar er speelde ook iets anders. Als het zou lukken, en ik zeg als, dan zou ik een jaar weggaan uit Nederland. Dat zou betekenen dat mam de zaak alleen moest runnen. Mijn zus Angelique zag ik echt nog niet haar baan opzeggen om mam te helpen in de zaak en pap en broer Jos hadden geen enkele affiniteit met mode, dus dat werkte ook niet. Het knaagde aan me. Toen ik ziek was stond mam elke seconde voor me klaar, en ik voelde me een verrader als ik moest aankondigen dat ik zou vertrekken naar de States om een jaar te dansen. Toen ik in Rotterdam woonde, werkte ik op koopavond en in het weekend nog steeds bij mam in de zaak. Tante Christien, haar zus, kwam helpen als het echt heel druk was, maar mam had het liefst mij erbij. Ik had toen nog niet eens bedacht hoe ik het zou aanpakken als het drukker zou worden. Ik was ervan uitgegaan dat mam zich alleen wel zou redden, en dat er iemand aangenomen werd als ik aangaf dat ik niet meer kon komen. Maar dat was voordat ik ziek werd. Daarna duwde ik die vraag angstvallig weg. Ik keek niet meer zover vooruit, ik was door schade en schande bij de dag gaan leven. Een schuldgevoel bekroop me als ik eraan dacht. Hoe moest ik dat aan mijn ouders vertellen? Met andere woorden: ik had het nog niet ter sprake gebracht.
In de winkel staat de dame met het koperkleurige haar boos tegen mam te mopperen. Ik vang stukjes van het gesprek op. “…laat me hier uren wachten! Wat is dat voor…ben je daar eindelijk?” Het is net een filmster die het hoog in haar bol heeft, zoals ze daar staat en haar haren naar achteren zwiept, opdat we allemaal goed kunnen zien hoe perfect het in model blijft. De Koperen Diva, zoals ik haar al meteen noem, kijkt me minachtend aan. Ze is groot en probeert misschien op me neer te kijken, maar ik ben ook lang en het effect gaat een beetje verloren.
Nog niet zo lang geleden kon ik behoorlijk geïntimideerd zijn door zo iemand, maar als het erop aankomt zijn ze allemaal hetzelfde in hun ondergoed.
“Neem me niet kwalijk dat het even duurde,” zeg ik zo vriendelijk mogelijk.
“Je stond te bellen! Denk je dat ik het niet zag?” zegt ze bits.
“Dat klopt,” zeg ik met een knikje en besluit acuut om haar een koekje van eigen deeg te geven. “Ik had de ontwerpster van La Ligne Rose aan de lijn. Ze wil volgende maand de nieuwste modellen showen.” De diva begint spontaan te loensen. Ik weet hoe ze denken, dat soort dames. Als er iets te halen valt, iets nieuws, iets anders, een koopje—dan zijn ze er als de kippen bij. Mams ogen vernauwen zich iets. Ze snapt er niks van en doet haar mond al open om me te vragen wie of wat in vredesnaam La Ligne Rose is, totdat ik haar een waarschuwende blik toewerp op het moment dat het roodharige mens even opzijkijkt. Ssst, zeg ik zonder geluid te maken. “Ik zal even het shirt pakken waar u om gevraagd had,” ga ik verder en ik probeer het gevoel van triomf te onderdrukken. Zodra ik dat laat doorschemeren heeft mam iets in de gaten en dus recht ik mijn rug en loop zo kalm mogelijk naar de rekken met shirts. In de spiegels die ik voorbijloop, zie ik dat de Koperen Diva mij na blijft kijken, met op haar gezicht een hele hoop vraagtekens. Dit soort momenten is om van te smullen.
Het gevraagde hangt niet meer in het rek. Ik pak op de gok twee truitjes die ze misschien ook wel kan waarderen en loop terug. “Ja,” zegt ze langzaam, pakt de kleren aan en kijkt ernaar zonder ze te zien. “Ja…dit is wel aardig.” Ze verdwijnt in het pashokje en roept dan opeens: “Eh…Eva, is het, hè? Wat is dat, dat Ligne Rose?” Ik bijt op mijn lip. Jawel, dat was te verwachten.
“Het is een exclusieve serie ontwerpen,” verzin ik opgewekt. “Een jonge ontwerpster, die niet met name genoemd wil worden, kan de boetiek een fantastische serie bezorgen.”
“O?” Hoewel ik haar niet kan zien, vanwege de deur, weet ik precies hoe ze erbij staat. Ze zal het shirt over haar hoofd aantrekken, in de spiegel kijken en niets zien omdat ze probeert te bedenken hoe ze het beste kan toeslaan, want haar interesse is gewekt.
“Heb je er al iets van gezien? Van die ontwerpen, bedoel ik,” vraagt ze vanaf de andere kant van de deur. “Wat is bekend van die ontwerpster?”
Ik kan mijn plezier nauwelijks verbergen. “O, ze is heel goed. Ze heeft voor Karl gewerkt. Lagerfeld, dat snapt u wel. En Ralph Lauren heeft een gilet gemaakt dat gebaseerd is op een van haar ontwerpen. Hij heeft haar daar speciaal toestemming voor gevraagd.”
In het hokje hoor ik haar naar adem snakken. De namen ‘Lagerfeld’ en ‘Lauren’ hebben hun uitwerking niet gemist. “Lukt het met het truitje?” vraag ik poeslief. “Ik loop even naar een klant. Als u hulp nodig hebt, kunt u op het belletje drukken.” Mevrouw Lindhorst, die hier al lang komt en die wél heel aardig is, staat te hannesen met een rits en ik schiet haar te hulp.
“O, dag Eva. Wat fijn dat je me even helpt. Ik krijg die rits niet goed. Er zit een draadje tussen.” Haar vingers plukken aan het trekkertje. Volgens mam komt ze hier al vanaf de opening en kent ze mij sinds ik hier tussen de middag weleens een boterham kwam eten. Mevrouw Lindhorst is altijd vriendelijk en beleefd. Ik weet dat ze verschrikkelijk rijk is, dat ze in een kast van een huis woont, dat ze bedienden en zorgpersoneel heeft, dat haar chauffeur met de BMW om de hoek op haar staat te wachten, en niettemin doet ze heerlijk gewoon. Ik mag haar graag en omdat ze tevreden is over de keuze en de collectie, de merken en de service, én door mams uitstekende verkooptalent (mam heeft echt gevoel hiervoor) blijft ze hier komen. Al jaren en jaren.
Ze ziet de lach op mijn gezicht, omdat ik nog steeds binnenpret heb over dat ontwerpstergedoe. “Wat is er zo grappig?” wil ze weten. Voorovergebogen pulk ik het draadje uit de tandjes van de rits en trek hem dan voorzichtig dicht. “Kijk eens aan. Dat is beter.”
“Dankjewel, hoor,” zegt ze en draait langzaam voor de spiegel rond. Ongevraagd trek ik de schouders een beetje recht en leg het kraagje plat, zoals het hoort. Ze glimlacht. Haar grijze haar is netjes gekapt en valt verzorgd om haar gezicht. “Vertel eens,” zegt ze zachtjes. “Vanwaar dat lachje?”
“O, mevrouw Lindhorst,” fluister ik, “die mevrouw daar, met dat koperkleurige haar, die deed zo uit de hoogte en ik heb haar wijsgemaakt dat ik een hele exclusieve ontwerpster heb aangetrokken.”
De blauwgrijze ogen, omlijst door een heleboel fijne lijntjes, beginnen te stralen. “Echt waar, Eva?” Ze kijkt een keer heimelijk naar opzij, waar de roodharige vrouw net uit het pashokje stapt en zoekend om zich heen kijkt.
“Ach, dat is Louise Kariander,” zegt mevrouw Lindhorst op de niet mis te verstane toon der herkenning en ze draait zich weer om. Ze giebelt opeens en we lijken wel een stel schoolmeisjes als ze zegt: “Die heeft het heel hoog in haar bol. Wat heb je precies gezegd, liefje?”
Ik vertel mevrouw Lindhorst, terwijl ik mijn rug naar Louise Kariander gedraaid houd, hoe ik haar het aas voor haar neus hield en dat ze hapte als een dikke, vette vis. “Ik ken haar al jaren,” zegt mevrouw Lindhorst met haar zachte stem. “Vroeger stond ze op de drogisterij afdeling van de V&D en was ze een leuke meid. Toen trouwde ze met de bedrijfsleider en opeens kende ze haar afdeling niet meer; ze scheidden een paar jaar later en daarna trouwde ze met zijn broer, die aan het hoofd staat van een of andere computerketen. Sindsdien denkt ze dat ze heel bijzonder is. Alsof dat wordt bepaald door de inhoud van je portemonnee.” Ze draait zich om zodat ik de rits los kan maken en haar kan helpen met een ander bloesje. “Heerlijk, dat ontwerpverhaal.” Ze lacht.
Wat is ze toch een wonderbaarlijke vrouw. Ze kiest mijn kant! Het is een fijn gevoel om te merken dat er ook anderen zijn die zich storen aan dat belachelijke hoog-van-de-toren-blazen-gedoe. Ik help haar met wat accessoires en zie vanuit mijn ooghoeken hoe Louise Kariander mij met argusogen volgt. Ik kan haar bijna horen denken.
“Mag ik u wat adviseren? Dat groene sjaaltje, dat is wel heel mooi, maar het doet die blouse geen goed. Misschien is een wat rustiger motiefje geschikter.” Ik schik een ander sjaaltje om haar hals en samen bekijken we het resultaat in de spiegel. Naast het tevreden knikje van mijn klant zie ik nog een roodharige flits in mijn buurt.
“Heel goed,” zegt mevrouw Lindhorst. “Je hebt helemaal gelijk. Ik heb het zo wel, denk ik. Zie je kans om deze week de zoom van die rok nog wat uit te leggen?”
“Natuurlijk, dat is geen probleem. Ik zal hem bij de naaister neerleggen en zonder tegenbericht kunt u hem vrijdag ophalen,” beloof ik en even later loopt ze naar de kassa, waarbij ze Louise Kariander passeert. Tot mijn stomme verbazing en groot plezier zegt ze over haar schouder tegen me: “Ach Eva, lieverd, zo’n mantelpakje, van die nieuwe ontwerpster van La Ligne Rose—kun je er misschien eentje voor me laten weghangen? Ik weet dat er vreselijk moeilijk aan te komen is.”
Louise Kariander kent de reputatie van mevrouw Lindhorst. Niet zomaar goed gekleed, maar rijk en met heel veel invloed in hele hoge kringen. De ogen van de roodharige puilen uit in een poging om alles in de gaten te houden. Ze ziet niet dat mevrouw Lindhorst mij een knipoog geeft en terwijl ik afreken wat ze uitgekozen heeft, knik ik en zeg: “Ik zal mijn best doen, mevrouw Lindhorst. Maar ik kan niets beloven, ik hoop dat u daar begrip voor hebt.”
“Zeker,” knikt mijn partner-in-crime, waarna ze me op het hart drukt om het vooral toch te proberen en ze voegt eraan toe dat geld geen probleem is. Mam snapt niet waar het over gaat. Ssst, zend ik haar voor de tweede keer in korte tijd toe door mijn wenkbrauwen te fronsen en ze houdt zich in, hoewel het haar veel moeite kost. Haar glimlach is op haar gezicht gepleisterd. Ik zie haar ogen heen en weer flitsen, zoekend naar opheldering. Tot mijn opluchting wordt haar aandacht alweer getrokken door een noodlijdende klant en kan ze niet blijven staan. Netjes stop ik de spulletjes van mevrouw Lindhorst in twee tassen en loop met haar mee naar de deur. “Heel veel plezier met uw aankopen,” wens ik haar van harte toe terwijl ik de deur voor haar openhoud.
“Dankjewel, hoor Eva. En denk voor mij aan La Ligne Rose, hè?”
“Ik zal u bellen,” beloof ik en ik moet op mijn lip bijten om niet te lachen. Ze knikt me gedag en als op commando komt een stille grote auto voorrijden waar ze instapt en na een vriendelijke glimlach wordt ze de straat uit gereden, een en al elegantie als ze nog een keertje naar me wuift.
Mevrouw Louise Kariander kijkt haar met spiedende blik na en dan kijkt ze naar mij. Ik knik haar beleefd toe. “Hebt u uw keus kunnen maken?”
“Eh…” Ze wordt een beetje overvallen door mijn vraag, legt dan twee shirtjes en een pantalon op de toonbank en zegt: “Ja, dit wordt het.” Ik scan de kaartjes en verwerk de betaling die ze met een creditcard doet. Ze is afwezig, ik kan zien dat haar hersenen op topsnelheid draaien, wat vast niet meevalt voor zo’n type, want ze vergeet bijna haar creditcard. Als ze de zaak uitloopt is ze er nog mee bezig.
De rest van de middag gonst het van de bedrijvigheid in de winkel en heb ik geen tijd meer om aan geintjes te denken en zelfs Kelvin is even niet in mijn gedachten. De grote groep dames die binnen is gekomen voor een geschikte outfit voor de trouwerij, moeten allemaal geholpen worden en zowel hun maten als hun smaken zijn zo uiteenlopend dat het geen eenvoudige klus is. Er komen ook klanten binnen die niets met die groep te maken hebben, dus mam en ik rennen door de zaak om het iedereen naar de zin te maken.
Gelukkig dat de trouw-groep zo goedgemutst is. Ze hebben veel plezier, drinken koffie en kletsen aan een stuk door, terwijl de een na de ander in het nieuw wordt gestoken en vervolgens van commentaar wordt voorzien door de anderen. Als de laatste klant eindelijk, na een lange, lange dag, de winkel uitloopt en ik de deur afsluit, lopen we allebei op ons tandvlees. Het is al bijna halfzeven en ik haal het niet om nog naar de markt te gaan en Kelvin daar te ontmoeten.
“Nee, eerst even opruimen,” zegt mam onverbiddelijk als ik met een zucht voorstel om de boel de boel te laten en morgenochtend vroeger te beginnen. Even opruimen staat voor: vouwen, recht leggen, sorteren, goed hangen, de tafel opruimen, de vaatwasser leeghalen, vuile kopjes er weer in, stofzuigen en kas opmaken.
Ik kreun. Mijn voeten en benen doen zeer, ik wil heel graag nog even zitten en ik moet vanavond nog trainen. En ik wil Kelvin nog zien. “Ik heb extra repetities de komende tijd,” leg ik uit als ik haar frons zie. “Het is niet zo dat ik je niet wil helpen, maar ik moet over een halfuur klaarstaan.”
“Extra repetities?”
Ik aarzel. Nu zou het moment goed zijn om te vertellen wat er speelt, maar ik ben te gejaagd en te onrustig om erover te beginnen. Bovendien is het een bende in de winkel en mam is al begonnen met opruimen, dus die heeft haar hoofd er ook niet naar staan.
“Ja, we zijn met iets nieuws begonnen,” zeg ik daarom vaag. “Het kost extra tijd en Carol heeft gevraagd of we vaker kunnen komen.” Nou ja, gevraagd…
“Al zo vroeg? Vergis je je niet? Normaal heb je toch pas vanaf acht uur repetitie?”
“Het is een aangepast trainingsschema,” ga ik verder. “We moeten het doen met de uren die nog vrij zijn.” Ik verwacht dat mam nog een opmerking of een vraag heeft, maar ze knikt. “Als jij nou even met de stofzuiger door de zaak rent, dan zal ik de rest wel doen. Haal je het dan?”
Ik sta al in het kleine keukentje en ruk de stofzuiger uit de kast. In een sneltreinvaart race ik door de boetiek heen en met de Franse slag maak ik me ervan af. Morgen zullen er nog wel stofrolletjes onder de kledingrekken vandaan komen, maar daar maak ik me nu even niet zo druk om. Mam roept over het lawaai van de stofzuiger heen dat mijn telefoon gaat. Dat is natuurlijk Kelvin, maar als ik opneem staat mam er zowat bovenop en kunnen we toch niet ongestoord praten, dus jaag ik de stofzuiger heen en weer over de parketvloer en maak de klus zo snel mogelijk af. Ik moet twee dingen met mijn ouders bespreken: New York én mijn nieuwe vriendje.