Drie

Carols man heeft een tv en een dvd-speler in de zaal gezet en we bekijken met z’n allen de dvd van Hamilton. Wauw. Daar hebben we nog heel veel werk aan te doen. Er is een stuk bij dat Carol tweemaal afspeelt, terwijl ze ons vraagt om zo veel mogelijk details in ons op te nemen.

“Zó! Die zijn goed,” verzucht ik vol bewondering. “Als je dat ziet, hebben wij nog veel te leren.”

Patricia knikt en zegt zacht tegen mij: “Die Hamilton krijgt hartritmestoornissen als hij ons bezig ziet.”

“We moeten ons concentreren op onze zwakke punten en die verbeteren,” kraait Adriana.

“En ik krijg hartritmestoornissen van haar,” mompel ik. Patricia onderdrukt een heftige proestbui.

“Is het de bedoeling dat we die routine ook leren? Is dat de test?” vraagt Jeanne.

“Ja, dit is wat ik wil gaan doen. Als ik meer details heb, horen jullie het vanzelf wel.” Carol heeft het zelf nog niet uitgedokterd, denk ik, want ze kijkt af en toe peinzend naar de dvd.

Ben Hamilton himself komt even in beeld. Ik schat hem rond de vijftig. De huid van zijn gezicht is vaal en een beetje slap, zijn haar is dun en hij heeft een scheve neus. Hij draagt een verschoten sweatshirt en een van zijn mondhoeken hangt een beetje naar beneden, waardoor hij een wat ongeïnteresseerde indruk op mij maakt. Niet jong of flamboyant op leeftijd, niet bepaald een knappe vent. Hij ziet er niet uit als een dansdocent aan een academie van wereldformaat, maar meer als een ambtenaar die zijn werk een beetje beu is.

“O. Is dat die Hamilton?” vraagt Lieke lichtelijk teleurgesteld. “Ik had me er een heel ander type bij voorgesteld.”

“Wat voor type?” wil Carol meteen weten.

Lieke haalt haar schouders op. “Weet ik niet precies. Sportiever om te zien. Echt zo’n superstoere dansleraar zoals in de film. Hij ziet er zo…gewoontjes uit.”

“Hij staat er maar stijfjes bij,” merkt Donna op. “Dan zal hij zelf wel niet meer zoveel doen.”

Eigenlijk interesseert het uiterlijk van die man me helemaal niet. Ik zou weleens een kijkje willen nemen in de danszalen zelf of zien hoe hij lesgeeft.

Het beeld vervaagt en Carol klikt terug naar het begin-menu, waar ze het volgende filmpje kiest. Ik krijg waar ik op hoopte: Ben Hamilton die een klas vol leerlingen aanwijzingen geeft. Er staat een jonge, pezige docent voor de klas die doet wat Hamilton hem vertelt, en daarna doet de klas hem na. Dan zie ik de stok die Hamilton vastheeft en waarmee hij langzaam en nadrukkelijk heen en weer loopt. Carol zet de dvd stil.

“Hamilton heeft vorig jaar een beroerte gehad. Hij kan niet meer goed lopen. Maar dat doet niets af aan zijn inzicht of de geweldige manier waarop hij lesgeeft.”

Donna kleurt lichtelijk en bestudeert plotseling aandachtig haar nagelriemen.

“Ik heb heel veel van hem geleerd en daarom druk ik jullie nogmaals op het hart: als je ervoor gaat, moet je dat doen met heel je hebben en houden. Het is zwaar, loodzwaar, maar de moeite waard. Ook al heb ik Ben Hamilton zover gekregen dat hij een van jullie wil aannemen, dan wil dat nog niet zeggen dat je er niet keihard voor moet werken. Want niks is zeker: als hem niet bevalt wat hij ziet, is het fini. In het slechtste geval vindt hij niemand goed genoeg. Voor jou tien anderen. Dus…dans of je leven ervan afhangt.”

Ze slaat de spijker op z’n kop. Stel je toch eens voor…een jaar naar de Verenigde Staten en dan de hele dag lekker kunnen dansen. We bekijken de dansroutine nog eens en ik betrap mezelf erop dat ik bijna in het scherm wil kruipen, dat mijn voeten al mee beginnen te bewegen en dat ik in gedachten de passen al repeteer.

Als de dvd is stopgezet borrel ik van de energie om zelf wat uit te gaan proberen. Er zaten geweldige stukken bij die vast niet zo moeilijk zijn als ze lijken en ik kan niet wachten om eraan te beginnen. Carol houdt de repetitie echter al snel voor gezien: het is te merken dat iedereen met zijn gedachten bij de beurs is.

Net als Adriana maak ik in gedachten een lijstje van potentiële kanshebbers. Wie kunnen er werkelijk in aanmerking komen voor die plek? Adriana dus, die in ieder geval. Ikzelf. En Tessa. Ze is erg stil en zegt nooit veel, maar ze pikt heel snel nieuwe dingen op. Esther, die maakt ook best kans. De anderen zijn ook goed, maar er steken er een paar echt bovenuit. Dus: vijf, met mijzelf erbij. Van Donna heb ik niets te vrezen. Carol roept ons bij elkaar. “Nog één ding, meiden. Houd met je afspraken rekening met het aangepaste trainingsschema. Een keer een training missen is niet zo heel erg, maar ik heb niks aan extra trainingen als ik maar de helft van de mensen voor me heb staan.”

Iedereen knikt. Mij maakt het niet uit. Als ik kan dansen, ben ik in mijn element. Carol knikt tevreden en loopt de zaal uit.

“Houd maar op, Eva,” zegt Adriana zacht maar scherp als ik een doublé spin om mijn as doe. “Ik ben van plan om met dat ticket op zak hier de deur uit te lopen. En je weet het: wat ik in mijn hoofd heb, krijg ik ook gedaan.”

Soms ben je zo perplex van wat je te horen krijgt dat je niet ad rem genoeg kunt reageren. Zo ook bij mij. “Watte?” Piranhabeet nummer zoveel van vandaag.

“Aangezien dat magere scharminkel niet meedoet, is er niemand meer die me ervan kan weerhouden. Voor jou ben ik niet bang.”

“Dus jij vindt jezelf de beste?” is alles wat ik eruit weet te krijgen.

“Uh-uh. Dat denk ik niet, dat is zo. En dat weet jij ook.” Voor ik iets venijnigs terug kan zeggen, loopt ze al naar haar plaats en hoewel ik de neiging heb om mijn balletschoen van mijn voet te rukken en naar haar hoofd te smijten, kijk ik stug de andere kant op. Adriana naar New York? Dat zullen we nog weleens zien!

In de kleedkamer is het een gekakel alsof ik in een kippenhok ben beland. Yolandy is een beetje stilletjes, denkend over haar zwangerschap of over een gemiste kans? Het is nog maar de vraag of het wat uitmaakt trouwens. Ze danst prima, hoor, maar ze mist de uitstraling en heeft weinig initiatief. Zal niet vlug zelf met iets nieuws op de proppen komen en iets zegt me dat ze daar op de NYSOD niet op zitten te wachten.

“Hé Yo, proficiat, hoor. Hartstikke leuk voor je,” zeg ik bemoedigend en ik krijg een lachje terug.

“Pat, ga je mee nog wat drinken?” vraag ik. Yolandy vraag ik ook mee, maar ze schudt haar hoofd en bedankt vriendelijk. Zou ik ook doen, drie keer raden waar we het de hele tijd over zullen hebben.

Patricia knikt. “Even naar het toilet, ik ben zo klaar,” zegt ze en schiet de wc in. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat Adriana haar in de gaten houdt. Ze babbelt met haar vriendinnen. “Denk je dat ik een kans maak?” vraagt Sharon aan Esther.

Esther propt haar balletschoenen in haar tas. “Iedereen maakt evenveel kans. Carol heeft niet voor niets onze groep uitgekozen om ermee te beginnen.”

Tessa begint New York, New York te neuriën en dat werkt zo aanstekelijk dat de kleedkamer plots gevuld wordt met gezang. Het gevoel van verwachting kaatst tussen de houten banken en de witte tegeltjesvloer heen en weer. Er komen nieuwe meiden binnen, die verbaasd naar ons kijken en we lachen allemaal een beetje terwijl zij zich afvragen wat er zo grappig is en waarom er wordt gezongen.

“Denk je,” hoor ik achter me Donna tegen Adriana fluisteren, “dat er nog andere mensen binnen JUMP4JOY gevraagd worden om mee te doen? Of een andere dans-school?”

“Nee, dat lijkt me niet,” zegt Adriana terug.

Ik draai me naar haar om. “Carol heeft niet gezegd dat het niét zo is.”

Op Adriana’s gezicht verschijnt een minzaam, bijna minachtend glimlachje. Ze maakt een tut-tut geluid, kijkt me aan alsof ik het domste kind van de hele wereld ben en zegt dan: “Denk je dat nou echt? Dat is alleen maar een stok achter de deur om van ons het meeste te kunnen vragen. Als wij denken dat er nog andere kandidaten zijn, werken wij harder en beter om de beste te zijn. En dat is precies wat Carol van ons verlangt. Dat je dat niet begrijpt, valt me toch wel tegen van je, Eva. Van jou had ik meer verwacht.”

Ik negeer die laatste zin en laat tot me doordringen wat ze daarvoor zei. Dat geloof ik niet. Zou Carol zoveel moeite doen om ons aan het werk te krijgen? Ze weet toch wel dat iedereen zich uit de naad werkt, voor haar en nu voor die beurs.

Adriana ziet mijn twijfel en gaat door. “Denk nou eens na, Eva. Wij zijn toch het beste? Waarom zou Carol veel tijd steken in andere groepen als ze in Hi-5 zoekt naar de juiste persoon? De anderen kunnen niet aan ons tippen. Nee hoor, ik denk niet dat ze het publiekelijk bekend zal maken.”

Naast me hoor ik Patricia, terug van de wc, diep zuchten van ergernis. “Publiekelijk bekend maken,” echoot ze mompelend. “Daar kan voor gezorgd worden.” Opeens gaat haar hoofd met een ruk omhoog. “Kom, Eva. Het is mooi geweest vandaag. Een grote cola gaat er wel in.”

Ik heb nog niet eens goed en wel mijn spullen bij elkaar of ze trekt me al half mee, de kleedkamer uit en de gang in. “Hier, houd eens even vast,” zegt ze snel en duwt haar sporttas in mijn handen. Vlug loopt ze de gang een stukje door en stopt bij het prikbord, dat naast de deur van de administratie hangt. Haastig trekt ze de kopie uit het kopieerapparaat onder haar jack vandaan en prikt het met een punaise vast op het prikbord. Er hangt een dikke rode stift aan een touwtje bij. Patricia rukt de dop eraf en zet een paar grote rode pijlen op het A4’tje. Dan schrijft ze met duidelijke letters op het whiteboard, dat naast het ouderwetse kurken prikbord hangt: Een jaar dansen in Amerika. Doe mee en win een beurs. Zie de mededeling op het prikbord.

“Mafkees!” sis ik ongelovig als ik haar zie. “Wie zegt dat dat mag?”

“Carol heeft toch niet gezegd dat het niet mag?” sputtert ze tegen. Ze pakt mijn arm als ik de wisser wil pakken om het whiteboard schoon te vegen. “Niet doen, Eva. Alsjeblieft. Ik krijg helemaal uitslag van die misselijkmakende maniertjes van Adriana Piranha. Ze doet alsof ze het al in de knip heeft zitten en iedereen verdient een kans. Ik gun het haar gewoon niet! Ze wil die ladder op, hoger en hoger, over de ruggen van anderen heen en ik kan niet wachten tot ze een sport mist en op haar kont terechtkomt. Als het een beetje kan zal ik het noodlot nog een handje helpen ook.”

Dat laatste doet me een beetje schrikken en nu trek ik haar mee. “Zeg niet zulke rare dingen. Je trekt je er veel te veel van aan. Uiteindelijk gaat de beste naar Amerika en als dat toevallig Adriana is, pech. Anderen hebben net zo goed en net zo veel kans.”

Patricia kijkt nog steeds strijdlustig. “Ik kan haar gewoon niet uitstaan!”

“Echt? Dat heb ik nooit eerder gemerkt.” Ik geef haar een kneepje in haar arm. “En nou genoeg over Adriana Piranha. Een grote cola en nog iets erbij…?”

Ze geeft zich gewonnen—voor het moment althans—en laat zich gewillig door mij wegvoeren.

By the way —waar heb jij die dansroutine vandaan?” schiet het me opeens weer te binnen. “Pat, wat stond jij daar uit je dak te gaan. Echt ongelooflijk!”

Ze lacht breed. Patricia kan in een mum van tijd van het ene in het andere uiterste omslaan. “Vond je ‘m goed? Ik ben er al een poosje mee bezig. Zag een stukje in een film en dat heb ik gecombineerd met wat andere dingen. Het is net een toneelstukje met allerlei verschillende onderdeeltjes.”

“Daar hebben ze een naam voor. Dat heet performance art,” zeg ik. “Doe mee met een talentenjacht! Je bent echt goed!”

Patricia lacht op zo’n bescheiden manier dat ik een golf van sympathie door me heen voel gaan. “Doe toch mee,” probeer ik nog eens. “Als je wilt, kun jij winnen. Dat weet ik zeker.” Bovendien hebben ze vast meer dan genoeg piranhas in de Verenigde Staten.

Ze schudt haar hoofd. “Nee, Eef. Dat begrijp je toch onderhand wel? Ik heb geen interesse. Ik ga naar de universiteit en ik heb daar nu al ontzettend veel zin in. Dansen vind ik heerlijk en ik wil het niet missen, maar het is niet het belangrijkste in mijn leven, hoor.” Die laatste zin zegt ze op zo’n manier dat ze me opeens doet denken aan Adriana, ook al is de boodschap het tegenovergestelde. Misschien lijken ze meer op elkaar dan ze denkt.

“Jammer. Je zou het goed doen en je zou zo doorstomen naar Amerika. Waarom wil je dat eigenlijk niet?” We lopen door de lenteavond naar een gezellig kroegje dat niet ver bij JUMP4JOY vandaan is. Het is al donker. Aan de horizon zijn nog vage rode strepen te zien waar de zon verdwenen is. Het is wat aan de frisse kant, maar toch gaan we op het terras zitten, omdat er onder de luifel terrasverwarming hangt. Wij zijn niet de enigen. Op donderdagavond is het altijd gezellig druk en het geroezemoes vind ik een lekker achtergrondgeluid. Binnen speelt iemand op een gitaar.

“Ik krijg het al Spaans benauwd bij de gedachte aan die Amerikaanse manier van lesgeven. Je kent die film Drum Line toch wel? Dat geschreeuw en van die openingen als: je bent een absolute nul en je kunt niks, vind ik geen manier om mensen te motiveren.”

“Dat is toch alleen maar televisie,” protesteer ik, maar ze schudt haar hoofd.

“Nee, echt niet. Mijn vader is beroepsmilitair en hij zegt dat het in het leger daar heel gewoon is. Het maakt je mentaal sterker, zeggen ze.”

Ik geloof dat niet zo. Patricia heeft de neiging om af en toe een beetje te overdrijven. “Dat zijn incidentele gevallen,” probeer ik.

Maar ze schudt haar hoofd opnieuw en verliest zichzelf in diepe gedachten. Ze valt helemaal stil en lijkt te vergeten waar ze is. Het rietje dat in haar flesje cola zat, draait ze afwezig om en om in haar vingers. Misschien vergis ik me, maar er lijkt iets triests in haar blik te zitten. Haar dunne haar waait voor haar gezicht als er een kille bries langs strijkt, maar ze lijkt het niet te merken. Het verbaast me en maakt me een beetje nieuwsgierig.

“Pat?”

Ze kijkt op en steekt het rietje terug in het flesje. “Het zegt me niks,” herhaalt ze en zakt een beetje onderuit in de stoel. “Ik heb in Amerika gewoond, weet je, toen ik negen was. In Fort Lauderdale. Ik vond het niet leuk. De kinderen waren gemeen tegen me, ik begreep ze niet en zij vonden mij raar. Ik heb er geen leuke herinneringen aan. Een paar jaar later heb ik er opnieuw een poos gewoond en dat is genoeg voor mij. Ik vond het ook niet zo bijzonder. Het trekt me gewoon niet. Als ik echt zo’n verre reis zou ondernemen, zou ik liever naar Japan gaan, of Maleisië of zo. Prachtige cultuurlanden.” Ze blijft me verbazen en omdat ik niet weet wat ik moet zeggen, nip ik van de jus d’orange die ik heb besteld.

“Ik denk dat veel meiden een moord zouden doen voor zo’n kans,” mijmer ik.

“Veel meiden wel, maar ik niet. Moorden doe ik wel voor iets anders. Adriana staat hoog op dat lijstje.” Plotseling barst ze in lachen uit. “Tjonge, iemand die me hoort moet wel denken dat ik vol wrok zit. Dat is niet zo, behalve als het om Adriana gaat natuurlijk.” Opnieuw lacht ze opgewekt en ik ook. Ze neemt een grote slok van haar cola. “Aaaah…tsjonge, wat heb ik een dorst. Ik ben blij dat we in de grote zaal beneden kunnen repeteren. Het is altijd overal zo warm in het gebouw,” verandert ze behendig van onderwerp.

Ik knik. Het is een feit: JUMP4JOY is niet bepaald voorzien van de beste klimaatregeling. “Ben je weleens bij die nieuwe fitness geweest? Die in de Hoogstraat?” vraagt Patricia. “Supermodern. Je moet zelfs door een veiligheidspoortje als je naar binnen wilt. Voor het geval je van plan bent om de douches op te blazen en het toilet te saboteren. Maar wel airconditioned, natuurlijk.”

“Voor alle airconditioning in de wereld wil ik niet weg bij JUMP4JOY,” zeg ik vol overtuiging. Het is een heerlijk gebouw. Vroeger waren het twee aparte herenhuizen, waarvan een paar niet-dragende tussenmuren zijn weggebroken. Achter een van de twee lag een grote loods met een steiger die naar het kanaal erachter leidde en die loods is omgebouwd tot oefenruimte en omkleedzone. De muren zijn opgevuld met isolatiemateriaal om het geluid te dempen en alle vloeren zijn zo aangepast dat de geluidsoverlast tot een minimum beperkt wordt. In de loods is, vanwege de herrie, een klein geluiddicht zaaltje waar tapdansen en flamenco wordt beoefend. De kletterende hakken op de hardhouten vloer zijn geweldig om te horen, maar niet als je er in de buurt moet wonen, dus zijn die twee kleinere zalen volledig geluidsdicht gemaakt.

De benedenverdieping, waarvan de kelder tot één prachtige grote ruimte is omgetoverd, is het mooiste van allemaal. Er zijn maar een paar bovenlichtjes en er is dan ook nauwelijks daglicht, maar de prachtige gedecoreerde deuren met echte patrijspoortjes, de lijsten en rozetten op de plafonds en de schitterende vloer maken het meer dan de moeite waard.

Die vloer is gemaakt van de dekplanken van een oud zeilschip dat de wereldzeeën heeft bevaren. De tekening in het hout is gevormd door jarenlange blootstelling aan weer en wind, en het hout heeft daardoor een heel fraaie structuur gekregen. De eerste keer dat ik in de grote zaal kwam, was de vloer net in de boenwas gezet en werd ik totaal overrompeld door hoe mooi de ruimte was. Wie me ooit zou hebben gezegd dat ik onder de indruk zou zijn van een vloer en deuren met patrijspoortjes, zou ik voor gek hebben verklaard.

In het pand zitten overal glas-in-loodraampjes en koperen beslag, en in de gang ligt marmer op de grond. Het is zo ontzettend sfeervol. Goed, in de zomer is het er meestal nogal warm, zelfs als de ventilatoren bijna doorbranden omdat ze zo hard draaien. In de winter kan het in de grote zaal ijskoud zijn. Als het buiten overdag vriest, kan de temperatuur beneden zakken tot negen graden boven nul. Een erg constante omgeving is het dus niet. Maar het is er heerlijk. Het gebouw leeft. In alle kamers gebeurt iets. Er wordt lesgegeven in elke vorm van dans, door Carol, haar zus Cerise en een klein team van vaste docenten. Boven zijn kamers waar muziekles gegeven wordt, er heeft iemand een klein fbtostudiootje en op de zolderverdieping liggen kleding en decorstukken opgeslagen. Er is zelfs de mogelijkheid tot het volgen van lessen dans- en kunstgeschiedenis. JUMP4JOY is maar een klein stukje van een groter geheel. Het maakt deel uit van een cultureel centrum. Ik kom niet zo vaak boven. Af en toe ga ik de muziekleraar weleens de post brengen of een kop koffie, maar mijn plekje is in de kelder. De sfeer, de muziek, de grote spiegels, de houten vloer…ik zou niet anders willen.

“Het is er veel te leuk om ergens anders heen te gaan,” zegt Patricia een beetje dromerig, alsof ze mijn gedachten raadt. “En Carol geeft goed les. Trouwens, die nieuwe leraar, die breakdance geeft, die mag er wel wezen!”

“Die Steef, ja, die is goed.”

“Hij vindt jou leuk,” weet Patricia me terloops te vertellen.

“Ach, ga weg. Helemaal niet waar.”

“Echt wel. Als jij langskomt vergeet hij altijd waar hij het over heeft,” zegt ze met klem. Ze doet hem na, laat haar mond een beetje openhangen en draait heel langzaam haar hoofd. Ik schiet in de lach.

“Echt hoor, hij kwijlt er bijna bij.”

“Ah bah! Trouwens, als hij wel wat in mij ziet, dan heb ik toch een mededeling voor hem: het is niet wederzijds. Absoluut en geheel en al helemaal niet! Ik ga nog liever met een zak aardappelen op stap!”

“Dat kan geregeld worden,” zegt Patricia met een uitgestreken gezicht. Ze gebaart naar een groepje jongens die met veel bombarie een tafeltje op het terras proberen te bemachtigen. “Keuze genoeg.”

We lachen allebei. Opeens vraagt ze, serieuzer nu: “Wat denk jij er eigenlijk van? Over die dansschool in New York?”

Over het antwoord hoef ik niet eens na te denken. “Fantastisch vind ik het! Echt. Alleen werd ik er nogal door overrompeld. Zoiets is het laatste wat je verwacht in JUMP4JOY, toch? Het is net zo vreemd als wanneer we te horen zouden krijgen dat wij opeens op de landelijke televisie komen of zo: onwerkelijk en een ver-van-mijn-bed-show.”

Patricia knikt een keer en zegt dan: “Maar dat is niet echt een antwoord op mijn vraag.”

Ik neem een slokje van mijn drankje. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik beelden voor me van een stad die vol staat met torenhoge gebouwen, waar het verkeer geel gevlekt is van de taxi’s, waar iedereen altijd op weg is naar iets en waar rijkdom en armoede naast elkaar wonen. McDonald’s, Kentucky Fried Chicken en Starbucks om de vijfhonderd meter en straatnummers in plaats van -namen.

Ik ben nooit in Amerika geweest. Wat ik ervan weet is wat ik op televisie zie. Natuurlijk heb ik Fame en Flash Dance gezien. Natuurlijk ken ik de verhalen over de dansopleidingen waar de aanvankelijke helden roemloos ten onder gaan en de underdog uiteindelijk als winnaar uit de strijd komt. Ik ben nuchter genoeg om te weten dat het in de praktijk niet zo werkt. Heel veel talent, heel veel doorzettingsvermogen en de juiste connecties zijn de belangrijkste ingrediënten voor succes. Een hoop ellebogenwerk doet ook wonderen.

Ergens ben ik het met Patricia eens: het is vaak dunner dan het eerste laagje ijs in de winter. Toch heeft het een geweldige aantrekkingskracht. De mogelijkheden zijn daar onbegrensd, lijkt me zo, al was het alleen maar vanwege het geloof dat mensen in zichzelf hebben. Er gaat iets van uit dat zo overweldigend is dat je er niet onverschillig onder kunt blijven. Alles kan er. Een dansschool hoeft vast niet eindeloos te hannesen met vergunningen, maar begint gewoon. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat er gemekkerd wordt over geluidsoverlast in een stad waar zoveel decibellen worden geproduceerd. Broadway is zo’n beetje toonaangevend voor allerlei shows. Stel je toch eens voor dat je daaraan mee mag doen!

Dikke purperen gordijnen houden de spanning erin. De zaal is gevuld, mensen wachten vol verwachting op het vermaak dat hun vanavond wordt geboden. De dansers aan de andere kant van het fluweel controleren voor de laatste keer of er nergens een randje of een bandje te zien is en halen een paar keer diep adem om hun zenuwen in bedwang te houden. In de orkestbak liggen de partituren op de eerste pagina open. In de nok van het theater springen de lampen aan en er wordt afgeteld. Ruisend splijt het gordijn in tweeën en behalve de eerste rij zie ik geen gezichten meer. De eerste noten worden ingezet met veel overtuiging en mijn voeten nemen het over…

“Hé, Eva!”

Ik schrik op uit mijn overpeinzingen en zie dan het gezicht van Patricia, die mij nieuwsgierig aankijkt. “Wat was jij opeens ver weg met je gedachten?”

Het is gek, maar ik voel de warmte van de lampen en de zinderende spanning nog. Opeens word ik gegrepen door het idee. “Het lijkt me…te gek…” zeg ik ademloos. Patricia kan blijkbaar zien dat ik opeens een heel levendige voorstelling van het leven daar had, want ze fronst haar wenkbrauwen en vraagt: “Zag jij iets wat ik gemist heb?”

“Ik doe het. Ik ga ervoor, helemaal! Als ik die kans nu niet probeer te grijpen, dan lukt het me nooit meer en heb ik er over een paar jaar spijt van als haren op mijn hoofd.” Ik reageer zo heftig dat de jus over de rand van mijn glas heen slaat en op mijn broek spat. Ik merk het nauwelijks.

Patricia lacht om mijn opgetogen gezicht. “Ik denk dat je heel veel kans maakt: qua dansen hoor jij bij de allerbesten. Bovendien heb jij het voordeel dat Carol je mag, dat scheelt misschien.” Op haar vingers telt ze af wat mijn goede punten zijn. Ik val haar haastig in de rede.

“Pat, ik heb geen behoefte aan een voorkeursbehandeling. Als ik win dan wil ik winnen omdat ik de beste ben, niet omdat Carol me aardig vindt.” Misschien dat het op het laatste moment toch scheelt, maar dat zeg ik natuurlijk niet hardop.

“Dat weet ik wel,” zegt Patricia vlug. “Wat ik eigenlijk bedoel is: je maakt een hele goeie kans. Maar is dat echt wat je wilt? Het lijkt natuurlijk mooi, maar als je alleen in zo’n stad zit en niemand kent en je moet met die Amerikaanse mentaliteit worstelen, dan is er niemand om je te helpen.”

“Wat wil je nou? Dat ik ‘nee’ zeg? Hoeveel mensen wonen er in New York? Acht, negen, vijftien miljoen? En jij denkt dat ik dan alleen zal zijn? Waarom ben je zo bang zal kunnen houden?”

Er komt een vreemde, wat duistere blik in haar ogen. “Wat weet jij nou van de wereld?” zegt ze scherp. “Je bent vierentwintig en je woont nog steeds bij je ouders, toch?”

“Ja, nou en?”

“Nou en? Alles wordt voor je geregeld. Ik zie jou nog niet zo een-twee-drie het nest verlaten.”

“Ik snap je niet!” zeg ik een beetje kribbig. “Net roep je nog om het hardst dat ik kans maak en nu ik zeg dat ik ervoor wil gaan, vertel je me dat het niks is en dat ik het niet zou kunnen vanwege mijn zogenaamd niet aanwezige zelfstandigheid!”

“Je bent toch ook niet zelfstandig?” zegt ze. “Ik heb er gewoond, ik weet dat het er mooi uitziet aan de buitenkant. Ik weet ook dat je keihard op je smoel kunt gaan daar.”

“Wat bedoel je?” snauw ik. “Dat ik er mijn hoofd niet boven water kan houden?” De richting waarin dit gesprek begint te gaan bevalt me niet zo. Patricia is altijd tamelijk recht voor z’n raap, dat weet ik, maar ze begint in mijn privéleven te wroeten en dat vind ik niet prettig.

“Ik merk alleen maar op dat jij nog steeds erg aan huis hangt,” zegt ze, scherper dan gewoonlijk.

“Dat ik geen maritiem bioloog wil worden of naar de andere kant van de wereld wil vliegen om dolfijnen te bestuderen, wil toch niet zeggen dat ik bang ben om de wereld in te gaan?” antwoord ik geïrriteerd. Toen mijn inschrijving in Rotterdam een feit was, ging ik op zoek naar woonruimte. Met de OV-jaarkaart had ik prima op en neer kunnen reizen, maar ik wilde graag op mezelf wonen en mijn ouders hielpen me mee. Met enige tegenzin weliswaar, want dat wonen in Rotterdam vonden ze maar zozo, maar omdat ik er erg duidelijk over was, zagen ze wel in dat ze beter mee konden helpen en dus een beetje zicht konden krijgen op waar ik woonruimte kreeg, dan me aan te laten modderen.

Ik vond een etage. Hij was niet goedkoop, maar lag in een mooie wijk op fatsoenlijke afstand van de academie en ook niet al te ver bij het station vandaan. Van mijn beurs alleen zou ik dat nooit kunnen opbrengen. Daarom leenden mijn ouders mij het geld ervoor. Eerst wilden ze het me geven, maar dat wilde ik zelf niet. Jos en Angelique hadden ook geen geld gekregen, die deden het ook van hun studiebeurs. Vooruit, Angelique woonde in het weekend gewoon thuis en Jos kon bij een oom en tante op kamers, maar toch—zij hadden hun hand niet opgehouden en dat wilde ik ook niet. Zeker niet omdat mijn beroepskeuze toch al ter discussie stond. Dus maakte ik een leenafspraak met mijn ouders en kon de etage daarmee bekostigen.

Ik deed eindexamen, slaagde met gemak, mijn ouders gingen op vakantie en ik gebruikte de zomervakantie om te verhuizen en mezelf een thuis te maken op mijn etage. Bovendien werden er zomercursussen gegeven waaraan ik meedeed—het zou me een voorsprong op de anderen geven, die ik goed kon gebruiken. Ik leerde Ronny van Dal kennen. Hij had regelmatig bardienst in de kantine van de academie. Die zomer was voor mij net het liedje van Brian Adams: Summer of ‘69. De tijd dat de wereld aan je voeten ligt, dat alles nog bereikbaar is en niets onmogelijk: mijn vader en moeder waren het uiteindelijk eens geworden met mijn keuze om de danswereld in te gaan en hadden me er zelfs mee geholpen, ik had een fantastische plaats om te wonen en kreeg na de eerste schuchtere toenaderingspogingen verkering met de aller-allerliefste jongen die ik ooit ontmoet had.

Ronny kwam uit Schiedam en hij pendelde als het even kon heen en weer om bij me te zijn. Hij kwam kijken als ik de lessen volgde en ‘s-avonds gingen we uit. We fietsten naar de haven en wandelden langs het water, hand in hand.

Als de dag van gisteren kan ik me herinneren dat ik op een nacht wakker werd met buikpijn. Het hield aan, zakte af, en kwam weer terug in de dagen die volgden. Ik bracht verhuisdozen naar boven en bleef misselijk van de buikpijn op de trap staan, wachtend tot de golf weer wat afzwakte. Ronny was bezorgd, vroeg me of ik niet naar de dokter moest gaan en ik legde hem uit dat ik soms erg last had van menstruatiepijn en dat dat nu ook wel weer het geval zou zijn. Dus slikte ik een halve strip paracetamol en sleepte me door de dagen heen. De zomercursus dansen was moeilijk, heerlijk en zo verslavend dat ik met pijnstillers de waarschuwing van mijn lichaam wegdrukte.

In mijn blinde fanatisme besloot ik dat ik het na vrijdag, de dag waarop de afsluiting van de eerste zomercursus werd gehouden, kalm aan zou doen en naar de dokter zou gaan als het niet over was. Het was een warme dag en de afsluitende barbecue met de zomercursisten had heel gezellig kunnen uitpakken als ik niet zo’n verschrikkelijke buikpijn had gehad en midden op het grasveldje onder de grote parasol onderuit was gegaan. Ik kan me nog herinneren dat ik opeens allemaal vlekken zag, dat de stem van een van mijn medecursisten van heel ver weg kwam en daarna dat er iemand een kreet slaakte. Ikzelf waarschijnlijk.

Een halfuur later lag ik op de operatietafel en werd mijn blindedarm eruit gevist.

Terugkijkend op die periode is dat het begin van een heel zwarte tijd geweest. Doordat ik veel te lang had rondgelopen met die blindedarmontsteking, kreeg ik allerlei infecties, waaronder een nierbekkenontsteking en toen ik eindelijk, na bijna twintig weken, ontslagen werd uit het ziekenhuis, voelde ik me te slap om een stap te kunnen verzetten. En dat bleef zo. Een lange rij bezoeken aan ziekenhuizen en dokters volgde. Eerst werd het nog afgeschoven op herstel van mijn toch wel behoorlijk kritieke toestand. Toen ik steeds geler begon te zien werd er verder gezocht. Ziekte van Pfeiffer met een leverontsteking. Alles wat er maar bij elkaar kon komen, deed dat en opnieuw was ik aan bed gekluisterd. Het was na die blindedarmontsteking wel duidelijk dat ik het schooljaar niet kon beginnen, maar door de Pfeiffer bleek ook al snel dat ik het jaar niet eens halverwege kon instappen.

Een van de studenten die ik tijdens de zomercursus had leren kennen, zocht naar woonruimte en mijn ouders zegden na acht maanden de etage maar op en scholden me mijn schuld kwijt. Het was al niet goedkoop en om het als leegstaande plek aan te houden was zonde. De verhuurder maakte het niets uit: zolang hij zijn geld maar kreeg, interesseerde het hem niet wie erin woonde.

Weg was dus mijn mooie plekje. Het een na het ander in mijn leven gleed als zand door mijn vingers. Ik had de grip op mijn lichaam en daarna op mijn leven verloren. Ik was alleen bezig met slapen, rusten en proberen om van de ene kant van de kamer naar de andere kant te komen. Mijn ouders verhuisden binnen Barendrecht naar een ruimere woning en richtten de bovenverdieping voor me in als een eigen etage, zodat ik toch een beetje mijn eigen plek had, maar wel heel dichtbij voor het geval ik ze nodig had. Ik lag hele dagen in bed, maanden aan een stuk, keek honderden films en evenveel televisieprogramma’s—veel meer slechte dan goeie—en probeerde te lezen. Verder dan af en toe een tijdschrift kwam ik niet. Ik kon me niet concentreren en was te moe om een boek omhoog te houden. Die allesoverheersende vermoeidheid en mijn niet goed werkende lever vormden een aanslag op mijn gestel.

Niet alleen mijn gestel leed eronder. Ronny van Dal kon niet omgaan met mijn ziekte en verbrak onze relatie. Met een SMS’je nota bene, toen ik nog in het ziekenhuis lag. Uiteraard had ik gemerkt dat hij minder vaak kwam dan toen ik nog herstelde van die blindedarmoperatie, maar ik dacht dat hij wegbleef om me rust te gunnen omdat hij zag hoe moe ik was. Het kwam niet eens in me op dat hij geen zin had in dat hele gedoe van een zieke vriendin. Dat zei ook wel wat over hoe klein mijn eigen wereldje was geworden. Ik was zo met mezelf bezig dat ik niet merkte dat het gat tussen hem en mij groter en groter werd. Uiteindelijk stuurde hij me een berichtje: Eva het was leuk maar ik wil niet meer. Tot ziens. R.

Zwarter dan die avond kan ik me het niet meer herinneren. Ik was te moe en te beroerd om te huilen, maar mijn hart bloedde. Was dat nou de liefste jongen van Schiedam? Als ik ertoe in staat was geweest, was ik diezelfde avond naar hem toe gegaan om hem te vertellen wat hij met dat SMS’je kon doen, maar hij kwam er goed vanaf omdat ik er zo slecht aan toe was. Ergens, diep van binnen, kon ik hem niet eens ongelijk geven; je moest wel heel veel van iemand houden om je maandenlang door ziekte en ellende heen te slepen.

Het was te verwachten, maar toch kroop het ongemerkt mijn leven in: een heuse depressie. Ik was niet alleen lichamelijk een wrak, geestelijk ging ik er ook bijna aan onderdoor. Het was zo moeilijk om te blijven vechten. Ik was dood- en doodop, de hele dag: soms leek het net of ik op visite was in het lichaam van iemand anders. De wereld drukte op mijn schouders alsof ik Atlas was die het hemelgewelf moest dragen. Toen ik de eerste keer antidepressiva innam had ik voor mijn gevoel het ultieme dieptepunt bereikt. Pillen nemen om blij te zijn, hoe diep kun je zinken, zei ik moedeloos tegen mezelf. Maar zo ging het niet. Door de medicijnen kon ik uit het diepe dal kruipen, dat eerst nog volkomen uitzichtloos had geleken. Die depressie en de bijbehorende behandeling zijn zaken waar ik niet over praat, met niemand. Ik schaam me er niet voor, het overkwam me, maar het werkt zo stigmatiserend dat ik het voor me houd.

Maar gelukkig ging het toch langzaam aan beter. Mijn eetlust keerde weer terug, ik werd weer wat zwaarder, begon reserves op te bouwen en kreeg weer interesse voor mijn omgeving. Toen ik me lichamelijk beter begon te voelen, kon ik geestelijk de wereld ook weer wat beter aan. Het ging traag, stapje voor stapje, maar de vooruitgang was er en dat was al heel wat.

Bijna drie jaar nadat ik ‘s nachts wakker was geworden met buikpijn, duwde ik voor het eerst weer de deur van JUMP4JOY open.

Carol zag me, moest twee keer kijken en omhelsde me toen stevig. Er stonden tranen in haar ogen, en ontzet besefte ik dat ze ervan was geschrokken hoe mager ik was geworden. Ze kent me al vanaf dat ik acht was en voor het eerst schuchter binnenkwam bij jazzballet. Natuurlijk had ze wel gehoord dat ik ziek was, maar dat daardoor mijn hele leven in puin had gelegen wist ze niet. Ik voel me tegenwoordig prima. De tijd dat ik zo ziek was ligt ver achter me. Alcohol is, vanwege de toen opgelopen leverbeschadiging, uit den boze, daar hoefik niet eens meer aan te denken, en ook met vet eten moet ik opletten, want dan kan ik nog steeds behoorlijk misselijk worden. Bovendien krijg je een andere kijk op zaken als je erg ziek bent geweest. Ook de depressiviteit ligt nog steeds op de loer, sluimerend als een roofdier, ergens diep van binnen. Bij alles wat ik doe ben ik me ervan bewust en het heeft me voorzichtig gemaakt.

“Hé, ben je er nog?” Patricia kijkt me onderzoekend aan. “Is alles goed? Heb ik iets verkeerds gezegd?”

Berustend schud ik mijn hoofd. “Nee, dat is het niet. Het doet er ook niet toe. Laten we het zo zeggen: ik kan mijn mannetje wel staan, ook in New York. En ik schaam me er niet voor dat ik bij mijn ouders woon.”

Patricia kijkt getroffen. “Sorry, dat sloeg nergens op. Er zijn zat mensen die nog thuis wonen, jij bent echt niet de enige. Je was opeens wel helemaal weg. Waar zat je met je gedachten?”

“Andere tijden,” beken ik. “Maar niks om je zorgen over te maken.” Ik steek mijn hand op om de aandacht van de ober te trekken en betaal onze drankjes.

“Je bent toch niet boos? Anders moet je zeggen wat ik verkeerd heb gedaan,” zegt Patricia meteen.

“Welnee, niks aan de hand. Misschien heb je wel een beetje gelijk en ben ik naïef om te denken dat het allemaal wel gaat lukken.”

Patricia veegt een pluk haar uit haar ogen. “Nee, niet goed genoeg, Eef. Ik wil weten waar je aan dacht.”

“Aan een paar jaar geleden,” biecht ik na een korte aarzeling op. Al vaker heb ik op het punt gestaan om het Patricia te vertellen, maar het kwam er nooit van. Ik loop er niet graag mee te koop dat ik depressief ben geweest. Mensen kijken je dan toch aan of je plotseling volledig ontoerekeningsvatbaar bent. En besmettelijk, ook nog, als ik sommige weblogs mag geloven.

“Wat was er dan?”

“Je weet dat ik toen lang ziek ben geweest, hè?”

“Ja, nou. Je hebt weleens verteld: blindedarm, Pfeiffer, leverontsteking…de hele reutemeteut.”

“Dat is niet alles. Ik ben daarna…”—ik moet eerst diep ademhalen en slikken voordat ik verderga—“…depressief geweest. Niet zomaar een beetje slecht-geslapen-depri of wat-heb-ik-toch-een-rotbaan-depri, maar echt depressief. Ik kon mijn bed niet meer uitkomen, ik vermagerde, mijn haar viel uit, ik werd niet meer ongesteld. Uiteindelijk moest ik aan de pillen. Antidepressiva en de hele mikmak.” Hè hè, het is eruit. Ik heb het Grote Geheim hardop gezegd. Het woord ‘antidepressiva’ heeft een prednisonachtige bijklank. Enge medicijnen om enge ziektes te bestrijden.

Patricia kijkt me aan. “Ja, en?”

Eh…“Het is nu weer goed met mij. Die medicijnen heb ik niet meer nodig.”

“Al slikte je er honderd op een dag—doet dat er wat toe? Je danst geweldig. Als het daaraan ligt wil ik ook zo’n doosje pillen.”

O. Dat is helemaal niet wat ik verwachtte. Meewarig geknik misschien, en vlug overstappen op een ander onderwerp of zo. Maar niet dit. Tamelijk perplex kijk ik haar aan. “Klink ik erg bot als ik zeg dat ik er niks van merk?” gaat ze verder. Eigenlijk kan ik me geen groter compliment voorstellen. Uit de grond van haar hart zegt Patricia, terwijl ze haar hand op mijn arm legt: “Als er iemand is die ik het gun, dan ben jij het wel. Dus, als je nog extra wilt oefenen en een maatje nodig hebt, dan ben ik in de buurt.” Vervolgens draait ze zich om, ziet iemand aan haar fiets prutsen en rent op hem af. Ze begint een scheldpartij waar ik een kleur van krijg en de jongen druipt geschrokken af. Ik grinnik. Dit is Patricia ten voeten uit.