7
In de ban van de kring

In de jaren vijftig van de vorige eeuw bouwde Drees de Nederlandse welvaartsstaat op en zat er een koningin op de troon die volgens haar eigen woorden – wanneer zij geen koningin was geweest – graag maatschappelijk werkster had willen zijn.1 Juliana was hartelijk, betrokken, meelevend, onzelfzuchtig en op een bijna verpletterende manier eenvoudig en gewoon. De zorgzame samenleving in wording kreeg in haar gestalte. Zij zocht het contact met die samenleving in een mate waarin geen van haar voorgangers dat gedaan had. De hekken van het paleis moesten wijd openstaan voor haar volk. Weliswaar in figuurlijke zin, maar één keer per jaar ook letterlijk: bij het op 30 april, haar verjaardag, op de trappen van Soestdijk afgenomen defilé. Haar opvolgster heeft die traditie wijselijk niet voortgezet. De tijden waren na 1980 veranderd. Het huiselijke dat Juliana’s regeerstijl had gekenmerkt, was verdwenen. Wat haar volk bezighield – dat is voor een staatshoofd soms wel even gissen – hield Juliana bezig. Op haar best was zij bij nationale rampen waar zij kon optreden in haar moederrol. Haar medeleven met de slachtoffers van de grote watersnoodramp van 1 februari 1953 toonde zij in verschillende tochten naar het overstroomde gebied. Minder bekend is dat zij in haar overleg met de minister van Verkeer en Waterstaat J. Algera en zijn ambtenaren over de oorzaken van die onverwachte ramp aandrong op openbaarmaking van de feiten en erkenning van gemaakte fouten.2 Een boven de politieke partijen staand staatshoofd heeft nu eenmaal grotere vrijheid in het stellen van lastige vragen aan politici dan een door diezelfde partijen gekozen president. Ook Bernhard weerde zich bij de watersnoodramp door te doen waar hij goed in was: helikopters besturen boven het overstroomde land en als voorzitter van het Nationaal Rampenfonds op grootscheepse wijze geld inzamelen, onder meer bij mogelijke Amerikaanse sponsors.

 

 

De Baarnse kring

 

Een koningin die de paleishekken openzet, komt al spoedig bij haar buren uit. Dat overkwam ook Juliana. Ze raakte verzeild in een klein netwerk van Baarnse dames met dezelfde interesses als zij. Het waren dames met opgroeiende kinderen en veel vrije tijd, te veel vrije tijd is men soms geneigd te denken. In de jaren vijftig van de vorige eeuw was Juliana immers een van de weinige gehuwde vrouwen in Nederland met een baan. Bij de overheid werd de vrouwelijke ambtenaar van rechtswege ontslagen op de dag dat zij in het huwelijk trad. In het bedrijfsleven waren zij eveneens met een lantaarntje te zoeken behalve dan achter de toonbank.

De kern van de Baarnse kring werd gevormd door Greet Hofmans. Nadat Bernhard haar op Nieuwjaarsdag 1950 definitief de toegang tot paleis Soestdijk had ontzegd, hield zij als het ware hof in haar stacaravan in de achtertuin van het echtpaar Mijnssen-s’Jacob aan de Regentesselaan. In de nabijheid, op de Prinses Marielaan, woonde Walraven van Heeckeren met zijn vrouw Rita, even verder, op het aan paleis Soestdijk grenzende landgoed ‘De Kleine Vuursche’, de ‘Pieren’, Bob en Bep Pierson-Van Tienhoven. Met de Piersons waren Juliana’s betrekkingen heel hecht, zij waren directe buren. Juist de mogelijkheid die de kring schiep tot het afleggen van informele bezoeken aan Baarnse buurtgenoten, moet haar hebben aangesproken. Het zal haar hebben herinnerd aan Ottawa, waar het leven nog zo heerlijk ‘gewoon’ was. Tot het kleine gezelschap behoorde verder Wim Kaiser, die eens Hofmans de weg naar Exler en haar verdere geestelijke ontplooiing had gewezen. De Mijnssens en de Piersons benaderden weer andere, al dan niet vermeende, geestverwanten in hun kennissenkring. Zo werden de Amsterdamse hoogleraar in de pedagogiek prof. dr. H.W.F. (Willy) Stellwag, die Juliana adviseerde over de schoolkeuze van haar dochters, en ir. J.M.F.A. van Dijk, een van de oprichters van de vvd, bij de kring betrokken. Van Dijk en Pierson kenden elkaar vanuit het bestuur van die partij; ook onderhielden ze zakelijke banden.

Het blijft meer dan vijftig jaar na dato moeilijk te vatten hoe juist in dit vrij exclusieve Baarnse milieu Greet Hofmans en Kaiser zo’n grote geestelijke invloed konden uitoefenen. Het ging hier niet om Veluwse keuterboertjes en kleinstedelingen in de Biblebelt van Nederland, maar om een maatschappelijk geslaagde elite met een goede educatie, die geacht kon worden op intellectuele, ja misschien zelfs cynische wijze de wereld te bezien. Behalve Juliana ten behoeve van haar jongste dochter had niemand van hen, naar het lijkt, ooit een beroep op Greet Hofmans gedaan wegens de haar toegeschreven geneeskrachtige gaven. De verering die haar ten deel viel – want dat woord is hier wel op zijn plaats – hing rechtstreeks samen met haar nauwe verstandhouding met het hogere, met ‘Boven’. Zij was, zoals zij het zelf eens noemde, het ‘contactsleuteltje’ waarmee praktische adviezen en wenken werden doorgegeven voor het dagelijkse leven, al waren die doorgevingen vaak orakelspreuken die óf duister óf voor meer dan een uitleg vatbaar waren.

De houding van de Baarnse kringgenoten wordt echter begrijpelijker wanneer het geestelijk klimaat van hun tijd daarin betrokken wordt. Ze waren zoekend. Ze zochten een nieuwe waarheid die de plaats kon innemen van oude, verloren gegane, zekerheden. Die oude waarheden waren ontleend aan een christelijke, veelal vrijzinnig protestantse, opvoeding, aan de plaats die Nederland in de wereld had ingenomen voordat de Tweede Wereldoorlog begon, kortom, aan zoveel wat vroeger vanzelfsprekend was maar daarna niet meer. De teloorgang van het oude Indië en de vernieuwingsgedachte die na 1945 in de Nederlandse binnenlandse politiek opgeld deed, vergrootten de verwarring en desoriëntatie. De toekomst leek onzeker en bovenal kort. Het Europa van de Koude Oorlog kende de permanente nachtmerrie van een dreigende atoomoorlog die het menselijk leven op aarde zou uitwissen. Nauwelijks behoorde de Tweede Wereldoorlog tot het verleden of het oude werelddeel maakte zich op voor een nieuwe bewapeningswedloop met mogelijk fatale afloop. De oprichting van de navo in 1949 en in haar verlengde de Duitse herbewapening legden daarvan getuigenis af. De Korea-oorlog die een jaar later uitbrak, leek de voorbode van een nieuw wereldwijd conflict. Was het geen gebiedende eis om een internationale vredesbeweging te steunen? Was de bestaande civilisatie anders niet ten dode opgeschreven? Geen wonder dat op Hofmans’ agenda, voor zover aan de hand van haar doorgevingen zich daarvan een coherent beeld laat vormen, de wereldvrede hoog genoteerd stond. Zekerheid en houvast in de Kerk konden velen niet meer vinden. Wat lag daarom meer voor de hand dan om het oor te lenen aan (echte of valse) profeten daarbuiten? Het was zeker niet alleen Juliana die Greet Hofmans op één lijn stelde met de profeten uit het Oude Testament. En het moet worden gezegd, de zieneres vervulde die rol in de kring waarvan zij het middelpunt was met verve.3

Juliana worstelde met de invulling van haar taak. Was het daarom vreemd dat zij toenadering zocht tot die wonderlijke, uit het niets opgekomen, wijze vrouw die over bovennatuurlijke gaven en een zekere mate van helderziendheid of ‘helderhorendheid’ leek te beschikken? Greet Hofmans had een goed psychologisch inzicht in mensen. Haar kracht lag in de empathie, in het vermogen tot het aanvoelen van anderen, in het zich inleven in de persoon van degene die advies en hulp zocht. Zij versterkte of bevestigde dan als het ware wat de hulpvrager dacht of wenste en daarmee ook diens zelfvertrouwen. ‘Je kreeg precies terug wat jezelf dacht.’ De oudste zoon van het echtpaar Mijnssen, die hier aan het woord is, schetste haar als een beschaafde vrouw met goede manieren, heel intelligent en gemakkelijk in staat zich door haar optreden te handhaven in de maatschappelijke kring waarvan zijn ouders deel uitmaakten. Ook had zij een brede artistieke belangstelling. Anders dan Kaiser die veel geleerdheid tentoonspreidde, maar de kunst van het nuanceren niet verstond, zou zij ook wel enig gevoel voor humor hebben bezeten.4

Zelf zei ze het zó toen de commissie-Beel haar op 20 juli 1956 aan de tand voelde. Meestal kreeg zij door: ‘U ziet het goed’, of: ‘Uw blik moet nog meer doordringen.’ De bron waaruit zij putte, was dag en nacht disponibel. ‘Ik beschouw het als een verbinding met God zelf.’ Tussen de begrippen ‘inspiratie’ en ‘doorgeving’ maakte zij geen verschil. Wie haar de doorgeving gevraagd had, moest verder maar zelf zien wat hij ermee deed.5

 

 

Een clan en een vriendinnenclub

 

Bij zijn eerste kennismaking met Hofmans en Kaiser had een kritisch lid van de Baarnse kring het gevoel gekregen in ‘een clan’ terecht te zijn gekomen, in een sekte zouden wij nu zeggen. Men sprak elkaar bij de voornaam aan – toen minder gebruikelijk dan nu – ‘men sprak ook in een bepaald taaltje’.6 Die clan was tegelijk een vrienden- of juister een vriendinnenclub. Juliana had sinds haar studietijd een jaarclub waarin vriendschappen voor het leven waren gesloten. Kort na haar troonsbestijging vormde zich een tweede clubje vriendinnen die in God maar vooral in Greet geloofden en Juliana graag bij dit geloof betrokken. B.E. (‘Erna’) Mijnssen-s’Jacob, E.C. (‘Bep’) Pierson-van Tienhoven en Rita Pennink haalden de vriendschapsbanden nauwer en nauwer aan. Zo nodig oefenden zij druk op Juliana uit om hun gemeenschappelijke leidsvrouw niet af te vallen. De stroopkwast werd daarbij afgewisseld met grof geschut.

In de laatste dagen van 1949 was Juliana twee keer voor de radio te horen. De eerste keer was dat met haar kerstboodschap, die zij op 23 december uitsprak (en die op Eerste Kerstdag herhaald werd). Op 27 december volgde de toespraak in het Paleis op de Dam bij de overdracht van de Nederlandse soevereiniteit over het vroegere Nederlands-Indië aan de Verenigde Staten van Indonesië. Op verzoek van Greet Hofmans legden de leden van de kring hun gedachten en gevoelens bij het luisteren naar de kersttoespraak in brieven aan Juliana vast. Zo wist Bep Pierson te melden dat zij en haar man ‘het grote voorrecht’ hadden gehad

 

samen met Greet te luisteren. Je hebt ’t zo goed gedaan, zo groots, zo diep en zo boven al het menselijk gewoel uit, dat we tot het diepst van ons innerlijk geroerd waren en geen mens kan hier koud van blijven. Dat je op deze wijze met die prachtige stem en intonatie van je, uiting hebt kunnen geven aan wat jij weet, dat ‘aan de orde’ is, dat is voor ons om nooit te vergeten. Daarna gingen we naar Kaiser wat een prachtige aansluiting vormde en daar hebben we onze Kerstmis gehad, dat verzeker ik je!7

 

Diezelfde Bep bleek echter ook uit een ander vaatje te kunnen tappen. Een conflict tussen Juliana en haar aanhang dreigde toen zij, op aandringen van Bernhard, Rita Pennink ontsloeg als kinderverzorgster. Woedende reacties waren het gevolg. Bep Pierson liet Majesteit op 11 augustus 1950 weten:

 

Realiseer je je wat een doodongelukkig mens je gaat worden, wanneer je alle krachten die voor het Ene Grote Doel werken in je omgeving een voor een laat gaan in plaats van zo veel mogelijk om je heen te verzamelen? Realiseer je je wie er overblijven om je heen? Alleen mensen, die er op uit zijn aardse genoegens zo goed en zo prettig mogelijk te genieten, aardse macht te krijgen en geen gehoor geven aan Christus’ stem. Realiseer je je dat na Gerrie [van Maasdijk] en Rita, die slechts voorbereiding tot het grote ontslag zijn, dus nu Greet aan de beurt is... Zonder Rita’s steun zal je dan gesteld worden voor de beslissing: God’s Boodschapper de deur te wijzen en daarmee de hulp aan Marijke te moeten ontberen.

 

Een voorgenomen uitstapje om met de kinderen te gaan zwemmen werd door een boze mevrouw Pierson afgezegd.

Op 19 november 1950, aan de vooravond van Juliana’s staatsbezoek aan Engeland, kwam ze nog eens op haar ‘harde waarschuwingsbrief’ terug. De dreigende crisis was bezworen:

 

Als ik er weer aan denk: Wat hebben we toen in angst gezeten voor je! En nu, nu zijn we ontzaglijk dankbaar dat je de wending gemaakt hebt, dat je gaande bent, tastend onder moeilijke omstandigheden, maar feilloos voelend en vindend de Enige Weg, die gegaan kan worden! Na eerst diep in de put te zijn geweest, omdat we dachten dat je ’t niet haalde, voorvoelen we nu in jou de mogelijkheid om Vredeskoningin te worden. Zo zul je oneindig veel tot stand kunnen brengen omdat jij de mogelijkheid hebt om over alle volken uit te dragen alles wat goed en zuiver en eerlijk is. Nu ga je naar Engeland en je zult daar wederom staan op ’t Wereldforum, waar iedereen naar je luistert, een missie die je goed zult vervullen omdat je door Hogerhand wordt geleid.

We zijn ontzaglijk dankbaar dat we onopvallend en onopgemerkt om je heen mogen staan, om ons steentje bij te dragen...

 

Erna Mijnssen-s’Jacob begreep dat over het ontslag van de kinderverzorgster tussen Juliana en Bernhard hooglopende ruzie was ontstaan waarin Juliana uiteindelijk had toegegeven. Dat zinde haar niet.

 

Maar geen vriendschap is goed en geen huwelijk is gelukkig wanneer de een de ander overstemt.8

 

Ook deze briefschrijfster kwam ervoor uit dat het belangrijk was toch vooral samen als groep op te trekken:

 

Wel is mij helemaal na Vrijdagavond extra opgevallen... hoe wij allen met een roeping om je heen gezet zijn. Wat willen we niet allen graag meechaufferen...

 

Het was jammer dat bij een vakantie in het najaar van 1950 in het ruime huis van Van Maasdijk in het Oostenrijkse Sankt Wolfgang Juliana niet van de partij kon zijn. Greet, de Piersons en de Mijnssens, alsmede Rita, waren er wel. De laatste deed verslag:

 

Overdag krijgen we onder een wandeling enz. ook om de beurt een gesprek met Boven... De vriendschap onderling is zo mooi!... Mammie, ik voel zo sterk aan dat je bij ons hoort en wij bij jou en samen werken voor Boven.

 

Ook Bep Pierson deed op 16 oktober 1950 vanuit het Salzburgerland een duit in het zakje:

 

Lieve Lula!... Hoe we ’t met elkaar hebben, hoef ik je wel niet te vertellen! Er is echter een schakel die ontbreekt in ons kleine kringetje en dat ben jij. Meer dan ooit beseffen we hoe jij bij dit kleine groepje mensen hoort, omdat we van elkaar op aan kunnen en weten dat we voor ’t zelfde staan en dat die Ene Grote Band ons bindt. ’t Is ontroerend te zien hoe Greet geniet en de gesprekken die we hebben maakt deze belevenis tot een uniek gebeuren. De volgende keer ga je mee hoor!!!

 

Als wij zo uitvoerig uit deze brieven hebben geciteerd, is het niet omdat daarin zulke diepe gedachten te lezen vielen. Zij illustreren echter de aandrang die op Juliana werd uitgeoefend om zich te profileren tot... ja, tot wat? Tot kampioen van het hogere, als fakkeldraagster van nieuwe, christelijk geïnspireerde, idealen, tot ‘Vredeskoningin’, maar waarop dat alles nu precies neerkwam, kon ook Bep Pierson cum suis haar vorstelijke correspondente niet zeggen. Latere brieven uit de Gooise vriendinnenkring, zo ze al geschreven werden, zijn door Juliana niet bewaard. Misschien viel ook niets méér te zeggen of was het contact zo innig geworden dat er geen brieven aan te pas hoefden te komen. Als naaste buren kwamen de Mijnssens, de Piersons en de Van Heeckerens menig weekeinde naar het paleis om daar te tennissen of te zwemmen of om alleen maar op het terras te zitten. Wie zich dan niet liet zien of zich bij de komst van het bezoek haastig uit de voeten maakte, was de prins.

De binnen de Baarnse kring levende gevoelens dat Hofmans en Kaiser niet alleen een boodschap voor Baarn en Soestdijk maar ook voor de wereld hadden, leidden tot de wens aan die heilstijding in grotere samenkomsten bekendheid te geven. Zo kwam het in de zomer van 1951 tot de eerste Oude Loo-conferentie, genoemd naar het karakteristieke jachtslot dicht bij paleis Het Loo. Voordat het zover was, moest de boodschapster echter een vuurproef ondergaan. Justitie enerzijds, godsdienst en medische wetenschap anderzijds bogen zich over haar bijzondere gaven en werken.

 

 

Beproeving

 

Niet alleen de prins ook zijn bête noire, Greet Hofmans, werd in 1950 het mikpunt van kritiek. De aanval kwam van twee kanten. Politie en justitie stelden een onderzoek in naar de vraag of zij niet een strafbaar feit beging door het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. Theologen en medici lieten zich evenmin onbetuigd.

Het begon met een klacht van de geneesheer-directeur van het Sophia Ziekenhuis in Zwolle op 24 februari 1949 bij justitie. In zijn ziekenhuis was een ernstig suikerzieke vrouw in levensgevaarlijke toestand opgenomen, nadat zij op advies van Hofmans het gebruik van insuline had gestaakt. De burgemeester van Hattem werd door het parket ingelicht. Hij gaf Hofmans een uitbrander, maar adviseerde de zaak verder te laten rusten. Zij had zich immers laten leiden door ‘menslievende overwegingen’. Van winstbejag was geen sprake. De inspectie van de volksgezondheid dacht er echter anders over en kreeg uiteindelijk haar zin na de melding in de regio Assen van nieuwe, vergelijkbare, gevallen van staking van medicijngebruik op advies van de genezeres. Op 31 oktober 1949 besloot de officier van justitie te Zwolle een strafrechtelijk onderzoek te beginnen. De rijkspolitie te Hattem maakte op grond van artikel 436 van het Wetboek van Strafrecht (het kwakzalversartikel) proces-verbaal op. Een reeks patiënten, meestal heel eenvoudige mensen die bij Hofmans tevergeefs hun heil hadden gezocht, alsmede hun artsen, werden gehoord.

Het proces-verbaal somde een aantal trieste gevallen op. Het eerste was dat van een zestienjarig meisje dat vanaf haar geboorte ten gevolge van een spierziekte niet kon lopen. Hofmans had de ouders een volledige genezing in het vooruitzicht gesteld (‘Dat kind van jullie gaat lopen, als je maar doet wat ik zeg en je de huisarts verder niet raadpleegt’) en een kuur van koude kompressen en koudwaterbaden met wrijfbeurten van handen en voeten voorgeschreven. Vervolgens gaf zij opdracht tot het maken van wandelstokken die bij het lopen behulpzaam konden zijn. Het meisje had getracht met de stokken te lopen, hetgeen niet lukte, en vervolgens ontzettende pijnen gekregen, zodat huisarts en specialist erbij waren geroepen, en zij uiteindelijk veertien dagen in het ziekenhuis was opgenomen. Een andere, door een ongeluk blind geworden patiënt had de verzekering gekregen dat hij weer ziende zou worden. Volgens zijn vrouw, die hem begeleidde, placht juffrouw Hofmans bij het consult de handen voor de ogen te slaan en te zeggen: ‘Die of die sluier is weer opgelicht; ik zie reeds de dageraad.’ Een op water gelijkende vloeistof – inderdaad, gewoon water gaf Hofmans later toe – werd hem vervolgens meegegeven om zijn ogen mee te spoelen. Resultaat was uitgebleven. In weer andere gevallen hadden diabetespatiënten, net als die in Zwolle, het advies gekregen niet langer insuline in te spuiten en de huisarts niet meer te raadplegen. De raad geen poeders van de dokter in te nemen, had de heilbrengster ook gegeven aan lijders aan toevallen en hun ouders. In alle gevallen betrof het patiënten die, teleurgesteld in Hofmans, zich van haar hadden afgewend; in alle gevallen legde het proces-verbaal echter ook vast dat zij geen geld of andere beloning had gevraagd of gekregen. Als laatste werd Hofmans zelf door de wachtmeester der rijkspolitie, G.J. Toorn, ondervraagd. Deze kende zijn zaakjes, want hij had al eerder twee inlichtingenrapporten (van 20 mei en medio augustus 1949) over haar opgesteld. Het proces-verbaal, voorzien van negen bijlagen, werd op 25 april 1950 afgesloten.9

Voordat het zover was, had Hofmans de tegenaanval ingezet. Zij toonde zich bereid inzicht te geven in haar werkwijze. Zo zouden misverstanden door haar kunnen worden rechtgezet. Er werd een gesprek belegd te Assen op de avond van 15 april 1950. In een seance die wel iets van een ouderwets heksenproces had, werd zij door een gezelschap medisch deskundigen, psychiaters en theologen ondervraagd over haar drijfveren. Waarom meende zij geneeskundige vermogens te bezitten en waarom dacht zij gerechtigd te zijn die te gebruiken? Kon zij ook patiënten noemen die door haar genezen waren en dan met name patiënten die tevoren en achteraf door een arts waren onderzocht? Een uitvoerig verslag van dit bijzondere gesprek is bewaard gebleven, het dook in 2004 op en werd door Lambert Giebels in zijn recente boek samengevat.10 Een aanvulling op die samenvatting mag hier niet ontbreken.

De vragen waren kritisch van toon, maar Hofmans’ antwoorden maakten de vragenstellers niet veel wijzer. Geen enkel ogenblik lijkt ze in het nauw te zijn gedreven door het gezelschap van achttien heren en dames dat tegenover haar zat, onder wie vijf theologen, vijf huisartsen, drie psychiaters en twee internisten. Op de eerste haar gestelde vraag antwoordde zij immers eenvoudig dat ze niet beweerde te kunnen genezen. Ze was slechts ‘het contactsleuteltje’ tussen de genadevolle hulp en de ziekte. Wat ze kon, was de ziekteoorzaak constateren bij een patiënt,

 

daarna draagt ze de patiënt aan Christus op. Dan is haar werk klaar en dan begint de genezing, nooit onmiddellijk maar steeds geleidelijk, als een proces.

 

Verder vertelde zij nog dat ze drieduizend patiënten per maand had en zo’n vijftig à zeventig brieven per dag ontving. De huisartsen in het gezelschap zullen ongetwijfeld zuinig gekeken hebben. Hun eigen patiënten zaten er ook tussen.

Zij ontkende verder dat zij het gebruik van medicijnen had afgeraden. Dat deed ze ten hoogste ‘bij enkele mensen’. Als voorbeeld van haar succesvolle hulp noemde zij het geval van een dubbele lenstroebeling bij een van haar patiënten. Die was er nog steeds, maar niettemin had de jongen in kwestie zijn gezichtsvermogen terug. Een ander voorbeeld betrof een verpleegster die een operatie op drie plaatsen aan de ‘ruggestreng’ moest ondergaan. Na een consult bij Hofmans zouden volgens de foto’s de afwijkingen verdwenen zijn.

Dat er ook theologen aan het gesprek deelnamen, was niet zo vreemd. Van de kansel was tegen haar gewaarschuwd. In een preek op 19 januari 1949 te Hattem had de hervormde predikant ds. W.A. Plug het werk van Hofmans (‘iemand die een bijzondere gave zou bezitten’) vergeleken met de inblazingen van valse geesten waaromtrent de Bijbel ettelijke waarschuwingen bevat.11 Ook de theologen kwamen echter in Assen niet veel verder. De genezeres wilde niet meer kwijt dan dat ze alleen te maken had met ‘mijn geloof in Christus’, en dat was iets anders dan de Christus van het evangelie.

Vergelijkt men haar antwoorden met de verklaring die zij een paar dagen later tegenover de rijkspolitie aflegde, dan zijn er enkele verschillen te signaleren. Zo zou zij diabetespatiënten wel degelijk hebben ontraden nog langer insuline in te spuiten, ook al waren de precaire consequenties haar bekend. Medicijnen speelden naar haar mening geen rol, omdat ‘de Grote Heelmeester Christus’ de zieke ook zonder geneesmiddelen kon beter maken.12

Na haar vertrek bleef het Assense gezelschap ietwat verslagen achter. De een noemde Hofmans ‘een handige tante’, de ander (een zekere pater Vogelpoel) vond haar ‘een hysterica’. Een derde deelnemer vond haar wel te goeder trouw, maar ook iemand die met het grootste gemak sprak over medische zaken ‘waarvan ze niets weet’. Volgens een aanwezige psychiater, dr. Chr. van der Ree, toonde niemand zich ook maar enigszins overtuigd van haar doen en kunnen. Van der Ree vond haar ‘een abnormale persoonlijkheid’ die buiten de werkelijkheid stond. Hij werd niet tegengesproken. Dat ze wellicht helderziende was, zoals haar patiënten leken aan te nemen, werd niet uitgesloten.

Nadien ingewonnen informatie bij enkele door Hofmans genoemde medici leken haar woorden te bevestigen dat minstens twee bezoekers bij haar consult baat hadden gehad. De verpleegster, zo berichtte de medicus J.H. Jaarsma uit Wassenaar, zou hebben geleden aan een hernia, die door langdurige rust grotendeels verdwenen was. Bij de jongen met de lenstroebeling zou volgens de behandelend kinderarts, mevrouw A.M. Doyer te Bussum, zijn vastgesteld dat het oog er objectief niet op vooruit was gegaan, maar dat het kind zich niettemin veel vrijer bewoog en ‘subjectief’ beter zag. Voor Doyer was Hofmans geen onbekende; ze was ook de kinderarts van Marijke en de andere prinsessen.

De Hofmansgetrouwen die haar naar Assen hadden vergezeld – de zuster van Walraven en de vrouw van Van Maasdijk – keerden in opgewekte stemming op Molecaten terug. Het was ‘goed gegaan’, noteerde Van Maasdijk in zijn dagboek. De volgende dag bracht hij aan de koningin verslag uit. Juliana ontving enige tijd later ook een afschrift van het proces-verbaal van de rijkspolitie.13 Het werd haar toegezonden door minister van Justitie mr. Th.R.J. Wijers. Hij had zowel Drees als mejuffrouw Tellegen over de kwestie ingelicht en de koningin om een onderhoud gevraagd. Juliana bleek niet onder de indruk van de haar gezonden lectuur. Even vergat ze zelfs dat ‘prominenten’ het niet beter hoeven te weten dan eenvoudigen van geest. Ze vond het haar ter lezing gegeven proces-verbaal maar

 

amusementslectuur, afgezien van de tragiek van de menselijke kleinheid:

Grootheid, door zeer kleine, menselijke maat gemeten (ook weergave van het gesprek met haar is stompzinnig). Alleen anti’s gehoord, mensen die de geloofsbeproeving niet hebben kunnen doorstaan.

Zorgvuldig de pro’s niet gehoord. Die zijn onder de prominenten in ’t hele land en daarbuiten.

Hoe durft men zo’n eenzijdig rapport te maken en dat aan mij te sturen?

 

Ze was er niet op uit, zo noteerde zij verder, om Hofmans aan een strafvervolging te onttrekken, die deze zelf ook niet vreesde:

 

Ik wil alleen maar graag dingen rechtzetten, en dat de justitie geen onrechtvaardige dingen doet ter wille van de justitie zelf en van de rechtsstaat.14

 

Zij zal zich ongetwijfeld hebben gerealiseerd, wat Wijers zelf natuurlijk ook had gedaan, dat een strafvervolging voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst niet eenvoudig was. Van medische verrichtingen in de eigenlijke zin van het woord was geen sprake. Hofmans onderzocht haar cliëntèle niet en droeg alleen de patiënten aan Christus op. Verder weigerde ze consequent enige beloning voor haar diensten te vragen. Haar consulten duurden telkens maar een paar minuten. Bovendien zouden in een eventuele strafzaak zonder twijfel de contacten tussen Hofmans en het paleis, waar ze immers ook een patiëntje had, aan de orde zijn gekomen. Dat wilde niemand.

Volgens de aantekeningen van Wijers betreurde Juliana het dat er voor het heilbrengend werk van Hofmans zo weinig begrip bestond. Ook na lezing van het proces-verbaal zou zij Marijke niet aan haar behandeling onttrekken. Als Hofmans echter zo nodig vervolgd en gestraft moest worden, moest Justitie maar doen wat men niet laten kon. Wel raadde zij de bewindsman aan eens zelf met Hofmans te praten. De minister deed dat inderdaad op 13 mei 1950, twee dagen voordat hij om gezondheidsredenen zijn portefeuille als minister zou neerleggen. In dat gesprek werden enkele afspraken gemaakt die Hofmans konden vrijwaren van strafvervolging. Zij beloofde zich in het vervolg te onthouden van iedere handeling die als een geneeskundige behandeling kon worden opgevat. Zij zou volstaan met het opdragen van haar patiënten aan Christus. Iedere aansporing tot het niet-gebruiken van medicijnen, het nalaten van inspuitingen met insuline, het niet-inroepen van medische hulp, het aanleggen van koude of warme omslagen enzovoort zou voortaan achterwege blijven. Over de aard van hun kwalen zou zij niet met haar patiënten spreken, want dan kwam ze weer te veel op medisch terrein terecht.15 Met deze afspraak hoefde de opdraagster niet ontevreden te zijn. Dat was ze dan ook niet. Van Maasdijk noteerde diezelfde avond in zijn dagboek:

 

Rita komt terras op om 5 uur om te zeggen dat gesprek Greet–Wijers goed afliep, geen proces, mag doorwerken mits geen advies om medicijnen laten staan, etc. Stuk ondertekend. Om 7 uur aan tafel bij Piersons. 8 uur gasten hm, Rita en ik, zelfden als gisteren, plus Greet en Kaiser. Tot 11 uur. hm niet zo rustig, moe en distrait.

 

De met Greet Hofmans gemaakte afspraak bleek inderdaad te werken. Tot een strafvervolging voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst zou het nooit komen. Wel hield zij in de achttien jaar die zij nog te leven had, druk bezochte spreekuren waar zij haar patiënten bleef opdragen aan Christus, maar van hun verstrekte twijfelachtige medische adviezen horen wij niet meer. Die bleef ze nog wel geven aan Juliana ten behoeve van haar dochters. In de Baarnse kring droeg haar werk een ander accent. Daar stonden niet haar genezingsactiviteiten centraal, maar de geestelijke boodschappen die Kaiser uitdroeg en zij, desgevraagd, doorgaf. Kaiser ontpopte zich daarbij als een organisator die geen tegenspraak duldde.

 

 

Ten strijde voor de vrede

 

In april 1951 lanceerde Juliana in kleine kring het denkbeeld van ‘een geestelijke vredesconferentie’. Het lag in het verlengde van haar door de omgang met Hofmans geïnspireerde toespraken tijdens staatsbezoeken in 1950 aan Frankrijk (23 tot 26 mei) en Engeland (21 tot 24 november). Haar voorstel kreeg vorm in de zogenaamde Oude Loo-conferenties. Het waren meerdaagse samenkomsten die telkens zo’n zeventig tot honderddertig, tamelijk willekeurig geselecteerde deelnemers trokken. In totaal werden er van juli 1951 tot eind augustus 1957 zeventien gehouden.

=

017.tif

 

W.J. Walraven baron van Heeckeren van Molecaten, particulier secretaris van Juliana

 

De belangstelling werd ongetwijfeld gestimuleerd door de plaats van samenkomst. Die locatie was het in het park van paleis Het Loo gelegen kasteeltje ‘Het Oude Loo’. Het conferentieoord heette volgens de niet-ondertekende uitnodigingen ‘ter beschikking gesteld door Hare Majesteit de Koningin’ (in feite was dit prinses Wilhelmina). Op het kasteeltje werden ook de gezamenlijke maaltijden genuttigd. De inleiders, alsmede Hofmans, Kaiser en de overige ‘voorbereiders’, logeerden tijdens de conferenties op paleis Het Loo. De overige deelnemers moesten zelf een onderkomen zoeken, maar hoefden niet aan de kosten van de conferenties bij te dragen. De uitnodigingen vermeldden dat de bijeenkomsten niet uitgingen van enige politieke of religieuze groepering. De genodigden werden vergast op lezingen van min of meer prominente sprekers uit binnen- en buitenland over uiteenlopende onderwerpen. Het programma was niet overladen, zodat ruimschoots gelegenheid bestond tot gedachtewisseling, ook in kleinere kring. Wel was er zorg voor gedragen dat vooral gelijkgestemde lieden werden uitgenodigd, onder wie nogal wat vrienden, bekenden en geestverwanten van de organisatoren. De discussie mocht immers niet worden verstoord door al te grote meningsverschillen. Een positieve grondhouding was stilzwijgende voorwaarde. De inspiratie voor de bijeenkomsten kwam van het duo Hofmans-Kaiser. De secretaris van de koningin, Walraven van Heeckeren, regelde praktische zaken, zoals de in de begintijd soms noodzakelijke deviezenvergunningen voor buitenlandse deelnemers en sprekers.

Hofmans had na de definitieve breuk met de prins begin 1950 Juliana aangeboden uit haar leven te verdwijnen, een voorstel dat niet werd overgenomen. Zij achtte haar missie zo niet voltooid dan toch geslaagd:

 

Nog altijd ben ik tot het offer van ‘verdwijnen’ bereid in de allesomvattende betekenis van het woord. Vooral omdat het zaad gestrooid is en reeds sterk aan het doorkomen is. Hoe dan ook! Voor mij is dienen dienen! En Christus zal wel nederbuigen waar ik niet reiken kan! U bent mij dierbaarder dan mijn eigen welzijn! Om Uw trouw aan Uw Roeping!’16

 

De vraag was wat die ‘Roeping’ inhield. Voor Juliana lijkt ze vooral te zijn neergekomen op het bevorderen van de wereldvrede. Erg uitgekristalliseerd waren haar gedachten over dit onderwerp overigens niet. Op 13 april 1951 noteerde zij: ‘Conferentie Loo. Zeer vruchtbare gedachte waar spoed achter moet worden gezet.’ Door wisseling van argumenten zou ‘een basis van wereldvrede’ kunnen worden gelegd. Als mogelijke sprekers noteerde zij op een los velletje: Martin Buber, Krishnamurti, Albert Schweitzer, Albert Einstein, Robert Schuman en nog wat namen.17 Hofmans kon in dit opzicht moeilijk een goede gids worden genoemd. Haar doorgevingen, die Juliana ijverig noteerde, waren vaak zo verward dat er geen touw aan vast viel te knopen. Zo mogelijk in nog sterkere mate gold dit voor de uitlatingen van Kaiser. Geen ogenblik twijfelde Wim Kaiser aan zichzelf of zijn missie. Hij was ervan overtuigd, zo schreef hij eens aan Juliana onder verwijzing naar haar toespraak bij haar inhuldiging in 1948, dat ‘het zenden van twee onbekende onderdanen naar U en Uw gezin met een zending die niets van doende heeft met carrière of voordeel voor die mensen’, het teken was dat God naar Nederland had omgezien. Ook zijn kennis van de astrologie werd in de strijd geworpen. Graag legde hij er de nadruk op dat de mensheid aan het einde van het tweede millennium een geheel nieuw tijdperk was ingetreden, namelijk dat van Aquarius, ‘de oergestalte, die haar cachet zal geven aan de nieuwe Era’.18

Kaiser zou bij de voorbereiding van de Oude Loo-conferenties een leidende rol spelen. Hij had immers de wereld veel te melden. Een reeks publicaties verscheen in deze jaren van de hand van de, dankzij Wilhelmina’s stipendium vrijgestelde, quasitheoloog in druk. Boeken met titels als Beleving van het Evangelie, Sprokenwijsheid, Levensheiliging, Levensopgang en Geboorteweeën van de nieuwe mens. Het was wel jammer dat hij zijn werk in onbegrijpelijke taal schreef. Zijn geestelijke bagage bestond uit een mengseltje van astrologische beschouwingen, exegeses van bijbelteksten die zelfs de meest vrijzinnige dominee boven het hoofd gingen, en eigen onnavolgbare gedachtespinsels. Dat alles vervat in lange volzinnen waaraan kop noch staart zat. Het is verrassend hoe hij desondanks – of was het misschien juist daardoor? – zo’n groot gezag in de Baarnse kring wist op te bouwen, ook bij Juliana, wie het toch aan een helder verstand niet ontbrak. Hij bedacht ook het motto van de conferenties: er was slechts één uitweg uit de crisis waarin de wereld zich bevond: ‘God grondlegger der wereld en daarom onoverwinlijk’. Een algemeen godsgeloof was voldoende. Kerkelijke tussenkomst of bindingen aan een bepaalde religie kwamen in dit credo niet voor. De boodschap was universeel en gold voor de belijders van de meest uiteenlopende godsdiensten of wereldbeschouwingen. De enige voorwaarde was dat zij in een hogere macht, een ‘Hogere Leiding’ geloofden. Voor Juliana was het geen probleem, want zij had dit laatste begrip al in haar kerstboodschap van 1949 gebruikt. Eindeloos zou op dit thema in de Oude Loo-samenkomsten worden voortgeborduurd.

In zijn openingstoespraak bij de aanvang van de werkzaamheden van het comité van voorbereiding voor de conferenties, op 12 juni 1951 ten huize van de Piersons, legde Kaiser uit wat hem voor ogen stond. Hij deed dat in frases als:

 

Het Leven, dat ieder gegeven is, ligt nog altijd in de hand van de Schepper en is juist daarom niet te overwinnen als raadsel van probleemstelling doch alleen te naderen met eerbied voor dit leven, dat een volkomen dienst-staat is aan God.

Slechts een enkeling onder zijn gehoor was het gegeven door deze woordenstroom heen te zien. Tot die schaarse sceptici behoorde de al genoemde, op uitnodiging van Pierson tot de kleine Baarnse coterie toegetreden Van Dijk. Hij was een praktisch en rationeel denkend man, een Delftenaar, niet alleen een founding father van de vvd, maar ook oprichter van het Nederlandsch Radar Proefstation te Noordwijk aan Zee. Hij was in het Baarns gezelschap dan ook volstrekt misplaatst. Aan zijn kennismaking met de kring danken wij enkele kritische, ja soms hilarische, beschrijvingen die hij in juli 1956 ter lezing gaf aan de commissie-Beel als vervolg op zijn reeds in 1952 op schrift gestelde ‘Verantwoording’. In zijn in familiekring bewaard gebleven memoires blikte hij eveneens op deze bijzondere episode uit zijn leven terug.19

Van Dijks kennismaking met Hofmans en Kaiser dateerde van het voorjaar van 1950, toen hij bij de Piersons te eten was gevraagd en het duo mede bleek aan te zitten. Kennelijk viel hij in de smaak, want na afloop van het diner werd hij door Hofmans voor een gesprek onder vier ogen uitgenodigd. Terwijl zij hem ‘hypnotiserend’ aankeek, kreeg hij te horen dat hij nog ‘belangrijke uitvindingen’ zou doen. Al spoedig gaf ze de wens te kennen zijn radarproefstation in Noordwijk te willen bezoeken. Hier werd hij door haar onthaald op enkele ongevraagde ‘doorgevingen van omhoog’ met het verzoek die op te schrijven. Vervolgens kwam er ‘een verward verhaal van atomen, elektronen en golven, trillingen en magnetische invloeden’, gevolgd door de verzekering dat alles zo zou uitkomen als zij het gezegd had. Ook al was het zijns inziens allemaal kolder, Van Dijk had beleefd geknikt en gezegd dat hij het begrepen had. Kort daarop werd hij uitgenodigd lid te worden van het comité dat de conferenties zou voorbereiden. Hofmans had immers ‘van omhoog’ doorgekregen dat er conferenties moesten worden georganiseerd op een hoog geestelijk niveau. De koningin had goed gevonden dat die op het kasteeltje Het Oude Loo zouden plaatsvinden.20

=

pag 229.tif

 

Op sledetocht tijdens een wintersportvakantie.

 

Van Dijks verslag is nog in een ander opzicht onthullend. Het maakte Hofmans’ werkwijze duidelijk bij het werven van nieuwe volgelingen. Terwijl hij bij herhaling kreeg te horen dat hij nog ‘belangrijke ontdekkingen’ zou doen, zwaaide zij Juliana uitbundig lof toe voor haar redevoeringen bij haar staatsbezoeken aan Frankrijk en Engeland in 1950. Haar werd verzekerd dat de ogen van de wereld op haar gericht waren bij het vervullen van haar ‘bovenaardse’ (vredes)taak als ‘Hemelse Boodschapper’. Zij zou worden gevraagd ‘haar visie te willen geven omtrent het vormen van een wereldfederatie, die het genoemde vredesplan tot leven wil wekken...’ Waarom was de keus van ‘boven’ op haar gevallen? Omdat ‘de magische “aanklang” aan de mens zonder meer Juliana bij uitstek geschonken is’. Juliana bleek voor deze vleierij met een religieus tintje ontvankelijk. Zo voelde zij, afgaand op een briefje van 1 maart 1951 aan haar ‘Lieve Engel’, zich in de laatste dagen ‘heel sterk onder leiding staan’. 21

In de eerste bijeenkomst van het voorbereidend comité op 12 juni 1951 waren, behalve de koningin en Bep Pierson, de gastvrouw, Kaiser, Hofmans, Mijnssen, de douairière Van Heeckeren van Molecaten (de moeder van Walraven die zelf met zijn vrouw Rita ontbrak), haar dochter Aurelia A.C. van Riemsdijk-baronesse Van Heeckeren van Molecaten, Carola E.A.A. gravin van Rechteren Limpurg-baronesse van Lynden, prof. Stellwag en Van Dijk aanwezig.

Na de ontvangst, waarbij Van Dijk aan de koningin werd voorgesteld en van haar mocht vernemen dat mejuffrouw Hofmans veel goeds over hem verteld had, nam eerst de gastvrouw, het woord. Zij meldde dat de koningin het initiatief tot de bijeenkomst had genomen, ‘niet uit een of andere geloofsovertuiging doch uit de overtuiging dat de mens ’t schepsel van God is’. Vervolgens kreeg Kaiser het woord. Hij, aldus Van Dijk,

 

trok een bundeltje papieren uit zijn zak en ging voor een soort van muziekstandaard staan en hield een voordracht met theatrale stemverheffing en soms met geloken ogen, waarvan de inhoud een diepe indruk maakte op het gezelschap. Ik vond het echter zulke grote onzin, dat ik niet wist waar ik kijken moest en voornamelijk de theatrale wijze waarop het geheel werd voorgedragen, deed mij belachelijk aan. Toen hij was uitgesproken, ging hij met een zucht zitten en er volgden enige minuten van diepe stilte. De Koningin verbrak als eerste de stilte en zei: ‘Dit was heel diep, Wim.’ Toen volgde ook luide bijval van alle aanwezigen.22

 

Het bleek dat de plannen reeds in kleine kring waren voorbereid, zodat het comité snel klaar was. Bovendien had Kaiser weinig behoefte aan inspraak bij het opstellen van de sprekers- en gastenlijst. Hij wilde liefst een paar honderd mensen uitnodigen. De koningin maakte duidelijk dat zij uit hoofde van haar positie de uitnodigingen niet zelf kon verzenden, maar geheel achter het doel van de conferentie stond. Toen Van Dijk naar de kosten informeerde, antwoordde mevrouw Pierson dat dit alles al geregeld was. Bij deze woorden wisselde zij een snelle blik met de koningin, die goedkeurend knikte. Het comité kon gaan en hoefde voor de eerste, liefst zeven dagen durende conferentie, die met een onderbreking voor het weekeinde van 24 tot en met 27 juli en van 31 juli tot en met 2 augustus 1951 gehouden werd, niet meer bijeen te komen.23

De grote afwezige bij de bijeenkomst ten huize van de Piersons was Van Maasdijk met zijn vrouw. Het is niet helemaal duidelijk waarom hij niet kwam. Volgens zijn zeggen had de prins er bezwaar tegen dat een persoonlijke vijand zoals hij op door Juliana bezochte bijeenkomsten kwam. Waarschijnlijker is dat Van Maasdijk genoeg had gekregen van het halfreligieuze, geëxalteerde karakter van de Baarnse kring en van de autoritaire Kaiser tegen wie zo slaafs werd opgekeken. Getalenteerd ruziemaker als hij zelf was, kwam hij in conflict met deze al even opvliegende ayatollah. Er werden vinnige brieven gewisseld, waarbij Van Maasdijk sprak van een ‘Gooische maskerade’ die bij het vallen van de maskers ‘een Avondmaal’ bleek te zijn. Ook de in de kring gepropageerde ‘realisatie van de wereldvrede’ had niet zijn hoogste prioriteit. Zelfs de koningin koos voor één keer partij tegen haar kamerheer en drukte haar bevreemding over zijn onverwachte wegblijven uit. De breuk tussen hem en de Hofmansgroep bleek echter definitief. Van Maasdijk zou zich nimmer laten zien op enige Oude Loo-conferentie. De prins zelf had direct duidelijk gemaakt dat hij niets met het comité of de conferenties te maken wilde hebben.24

 

 

Een woord voor de wereld

 

Het was aan de koninklijke medewerking en aan Kaiser te danken dat zes weken na de bijeenkomst van het comité van voorbereiding de eerste Oude Loo-conferentie een feit was. Kaiser had alles geregeld. De andere leden van het comité kwamen er niet aan te pas. Wel bereikten hen enkele oekazes. Ze bleven bewaard onder de op het Koninklijk Huisarchief gedeponeerde stukken van een tweede kritisch lid van het voorbereidingscomité, de hoogleraar Stellwag. Zij was een gewezen lerares klassieke talen. Toen zij in 1942 solliciteerde naar het rectorschap van haar school, het Leeuwarder gymnasium, om de eerste vrouwelijke rector van het land te worden en vervolgens als nummer een op de voordracht kwam, gaf het departement de voorkeur aan een lager geplaatste mannelijke kandidaat met het argument, dat het in de wet gehanteerde begrip ‘rector’ kennelijk alleen sloeg op leden van het mannelijk geslacht. Na dit staaltje van vrouwendiscriminatie was zij begonnen aan een studie in de pedagogie om na een met lof bekroond doctoraalexamen in hetzelfde jaar, 1946, hoogleraar aan de (toen nog gemeentelijke) universiteit van Amsterdam te worden.25 Zij was dus de vrouwelijke tegenhanger van Waterink die aan de Vrije Universiteit doceerde. Intellectueel moet zij Kaiser gemakkelijk in haar zak hebben gestoken. Zij zal dan ook niet gecharmeerd zijn geweest van de barse toon waarop hij haar en de andere voorbereiders aanschreef. Evenmin was zij dat van de zweverige gesprekken die zij moest aanhoren.

In haar toespraakje aan het slot van de tweede conferentie – zowel de openings- als slotwoorden van de conferenties plachten te worden toevertrouwd aan leden van de kring – prees Stellwag niettemin de ‘spiritual unity’ die uit tegengestelde meningen kon worden opgebouwd. Helaas bleek de praktijk weerbarstiger. Dat begon al met de schriftelijke mededeling van Kaiser aan het comité op 24 juni 1951 dat het aantal inleiders tot zeven beperkt zou blijven, dus voor elke dag één. Als sprekers zouden onder anderen worden uitgenodigd: koningin Juliana, Schweitzer, Max Thurian, abt van de Communauté de Taizé, een Frans-protestantse kloostergemeenschap, en Kaiser zelf voor de eerste week, voor de tweede week prinses Wilhelmina en de toen wereldberoemde historicus Arnold Toynbee.26 Wat de uit te nodigen toehoorders betrof, moest aldus Kaiser worden afgegaan op ‘diegenen wier naam bij ons opkomen’. Jongeren waren niet welkom, ‘daar zij niet de gerijpte bodem kunnen zijn’. Vertegenwoordigers van ‘geestelijke sekten’ hoefden evenmin te komen aangezien die de bijeenkomst ‘te militant’ tegemoet zouden treden.

Vijf dagen later zond Kaiser de leden van het voorbereidingscomité de (gedrukte) tekst van de uitnodiging voor de gasten, tevens toehoorders, toe. De invitaties zouden nog diezelfde dag of anders op de volgende de deur uitgaan. De niet-ondertekende uitnodiging – wie er precies achter zat, bleef dus in het ongewisse – was gesteld in Kaiseriaans proza. Het motto van de conferentie (‘God grondlegger der wereld en daarom onoverwinlijk’), nader uit te werken door verschillende, verder niet aangekondigde sprekers, zou dienen ‘als universele basis van bezinning voor den in blinde eigenmachtigheid tot zelfvernietiging genaderden Mens’. De middagen zouden worden gevuld met ‘een vrije gedachtenwisseling’; de avonden konden worden gewijd aan ‘persoonlijke ontmoeting en verstilling’. Enkele door de voorbereiders gesuggereerde gasten werden door Kaiser ‘ongewenst’ geacht aangezien zij ‘niet de onbevooroordeelde welwillendheid zullen meebrengen, welke zo dringend nodig lijkt van menselijk standpunt uit bezien’. Ten slotte kon hij melden dat de koningin begeerde zelf ‘Gastvrouw’ te zijn, daarin bijgestaan door Rita van Heeckeren.

Kennelijk vatte Majesteit deze taak wat al te letterlijk op. Volgens Van Dijk in zijn memoires stond zij op de openingsdag in de vestiaire van het kasteeltje de eerste gasten op te wachten. De predikant die Van Dijk vergezelde en wellicht niet al te goed zag, dacht dat zij de juffrouw van de garderobe was ‘en overhandigde, voor ik nog tussenbeide had kunnen komen, haar zijn regenjas, die de koningin aannam en ophing’. Door Van Dijk op zijn vergissing geattendeerd, kreeg hij bijna een flauwte. ‘Hij had haar niet herkend. Hij mompelde excuses, maar de Koningin stelde heel vriendelijk, zoals ze dat ook altijd deed, iedereen op zijn gemak.’27

Zoals kon worden verwacht, kostte het moeite op zo korte termijn prominente sprekers te vinden. Ook de belangstelling viel door de beperkte aanmeldingstijd wat tegen. Gelukkig ging Nederland in die jaren nog niet massaal met zomervakantie, terwijl voor lange buitenlandse reizen de deviezen ontbraken. Van de 208 uitgenodigde deelnemers kwamen er uiteindelijk zo’n 130 opdagen. Er waren maar betrekkelijk weinig prominenten onder hen. Leden van het kabinet lieten zich niet zien. In de ministerraad van 9 juli 1951 was de ‘vredesbijeenkomst’ op Het Oude Loo in niet al te gunstige zin ter sprake gekomen. Het werd als een bezwaar gezien dat de uitnodigingen niet ondertekend waren, waardoor het leek alsof de koningin zelf de mogelijke deelnemers had geïnviteerd. Zouden op Het Oude Loo vooraanstaande buitenlanders komen en zou er over politieke kwesties worden gesproken? Minister-president Drees beloofde navraag te doen. Vooral minister van Buitenlandse Zaken Stikker nam blijkens de extra geheime notulen van de ministerraad die aan het onderwerp werden gewijd, de zaak hoog op. Hij dreigde zelfs zijn portefeuille ter beschikking te stellen!28 Uiteindelijk werd besloten dat geen van het drietal uitgenodigde ministers, onder wie Drees, zou gaan.

De koningin zelf was alle dagen aanwezig, reikte tijdens de pauzes, terzijde gestaan door andere dames van het comité, koffie, thee of bouillon uit, en nam aan de discussies deel. Een bijzondere gebeurtenis was haar besluit om op een drukkend hete conferentiedag een drietal dominees uit te nodigen voor een gezamenlijke zwempartij in een van de vijvers van Het Loo. Blijkbaar had zij dit haar hele leven al gewild, want zij viel niet van het idee af te brengen. De verlegen geestelijken kregen ieder een badpak uitgereikt. Alleen Van Dijk wist zich aan haar wens te onttrekken door voor te wenden dat hij nauwelijks zwemmen kon.29

Onder de deelnemers waren enkele vriendinnen van Juliana, alsmede mejuffrouw Tellegen, freule Wttewaall van Stoetwegen en een ander Tweede Kamerlid (tevens toekomstig minister) Marga Klompé. Verder stonden op de deelnemerslijst generaal Koot, indertijd ‘het contactsleuteltje’ tussen Hofmans en de prins, alsmede een handvol oud-patiënten van Hofmans (zoals vanzelf sprak de meer geslaagde gevallen), vrienden en bekenden van de ‘harde kern’ van de Baarnse kring, en uiteraard de kringgenoten zelf. Ook prinses Wilhelmina toonde haar belangstelling, al verscheen zij pas op het laatste moment en nam zij achter in de zaal plaats. Zoals de vorstelijke zwempartij reeds deed vermoeden, waren onder de deelnemers verder nogal wat predikanten en andere geestelijken. Bij hen mocht een zekere beroepsmatige belangstelling voor het conferentiethema worden verondersteld.

De pers was door Walraven van Heeckeren aangeschreven met de mededeling dat de aanwezigheid van verslaggevers ‘storend’ kon werken op de sfeer waarin de redevoeringen en discussies gehouden werden; het zou ‘zeer ongewenst’ zijn, indien verslagen in de dagbladen verschenen. Niettemin was er plaats voor een zeer beperkt aantal journalisten, mits zij – wie zou het niet wensen? – ‘ten volle competent’ waren. Een verzoek van het anp een groepsfoto van de deelnemers te mogen maken, werd afgewezen.30 De stukjes die in de kranten over de conferentie verschenen, nodigden niet uit tot verdere publiciteit.

Het was wel duidelijk voor wie het publiek in de eerste plaats was gekomen, voor de koningin, ‘iets waar zij zelf zo’n hekel aan heeft’.31 Van Kaisers oorspronkelijke sprekerslijst waren zij en Thurian (en Kaiser zelf niet te vergeten) de enigen die uiteindelijk het woord zouden voeren. De namen van andere sprekers hebben hun tijd niet overleefd en kunnen gevoeglijk ongenoemd blijven met twee uitzonderingen. De een was dr. B.H.M. Vlekke, toen secretaris-generaal van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken, waar Walraven van Heeckeren nog had gewerkt. Hij mocht zich in de warme belangstelling van Greet Hofmans verheugen. De ander was een Nederlands-Brits psycholoog, Sir Philip Metman. Hij zou in latere correspondentie met Van Dijk zich buitengewoon negatief over Kaiser en Hofmans uitlaten.32 Hofmans zelf zweeg, want de conferentietaal van het in overgrote meerderheid Nederlandse gezelschap was Engels – hoe modern! – en die taal beheerste zij onvoldoende. Zij kon wel in de wandelgangen of in afzonderlijke bijeenkomsten worden geconsulteerd en aangeklampt voor doorgevingen.

Wie wel sprak, was Kaiser. Opmerkelijk is het hoe negatief het verslag van de conferentie zich over hem uitlaat. Bijna zou men er de hand van Van Dijk in vermoeden, die het slotwoord voor zijn rekening nam. Kaiser wees de inhoud van alle overgeleverde vormen af en stelde daar tegenover ‘het onnoembare, het ruimteloze, het tijdeloze’. En, zo vervolgde het verslag:

 

Het is onmogelijk hier iets concreets over te zeggen, omdat, zoals de Heer Kaiser het uitdrukte: ‘Wij niet weten kunnen wat we geloven.’ Dit betekent het einde van elk zinvol spreken, denken, handelen en van iedere structuur, zelfs van een, die niet meer wil zijn dan een voorlopige in de tijd.

 

Als ‘technisch’ bezwaar tegen zijn lezing werd verder genoemd:

 

De overmatig lange duur ervan, die – mede door de duistere wijze van uitdrukking der gedachten – de aandacht der luisteraars al te zeer op de proef stelde.33

 

Bleef over de toespraak van de koningin op 25 juli 1951, de tweede conferentiedag. Haar rede, getiteld ‘Enige opmerkingen over de ontwikkeling der mensheid in het heden’, werd uitgesproken buiten verantwoordelijkheid van het kabinet als gold het een kerstboodschap. Naar inhoud leek haar toespraak er ook wel op. Het was een stichtelijk verhaal. Gewezen werd op het gevaar van de atoombom als onrustbarend resultaat van het menselijk vernuft. De mensheid stond voor een keuze. Moest men verder gaan op het pad van de ontwikkeling der intelligentie of pogen het verbroken contact met God (Christus werd nergens genoemd) te herstellen? De keuze kon niet moeilijk zijn. De bestemming van de mensheid lag immers in Zijn handen. Bij het slot zal Kaiser instemmend hebben geknikt: ‘God kan door geen schepsel overwonnen worden, want Hij is de Grondlegger der Schepping.’

In zijn beleving en in die van Juliana moet deze conferentie een groot succes zijn geweest. Zij zal erin gesterkt zijn door de dankbare brieven die ze in haar post aantrof. Daaronder was er een van C. Kars, de vader van de jonge Peter met zijn dubbele lenstroebeling, die door Greet Hofmans in Assen ten tonele was gevoerd. Hij verwees naar het gesprek tussen de koningin en hem in het park van Het Loo over hun beide kinderen (‘Ik ben dan ook zo heel erg dankbaar dat ook U de zegenrijke gevolgen van dit contact voor Marijke hebt ondervonden’). Verder was er een brief van de broer van Greet, Frits, ook een van de gasten, die voor zijn zus niet onderdeed in de lyrische beschrijving van

 

de mooie omgeving, het prachtige kasteeltje met zijn brug en slotgracht en vooral de hoge stille sfeer die er, ondanks verschillende spanningen, overwegend heerste en die zich welhaast aan ieder moet hebben medegedeeld.

 

Wat die spanningen waren, wordt duidelijker uit een brief van een andere deelnemer, de Haagse evangelist M.W. Smink, van 8 augustus 1951. Hij memoreerde hoe de toespraken van Kaiser door enige theologen ‘te allegorisch en een gevolg van bodemloos subjectivisme’ werden geacht, terwijl anderen ze daarentegen ‘zeer leerrijk’ hadden bevonden.34

In een brief van 26 augustus 1951 aan ‘Mes chers Amis’, het echtpaar Van Maasdijk, evalueerde Juliana ‘de grote gebeurtenis’ die tot meer noodde. De bijeenkomsten zouden worden voortgezet met een stuk of wat lange weekeinden als een nog maar bescheiden eerste begin. Al was de bijeenkomst direct op een uitgesproken godsdienstig vlak gekomen – ‘de Goddelijke leiding, het Goddelijk Plan werd uitgesproken het hoofdthema’ – de deelnemers, onder wie een Egyptische prins als enige ‘Moslimgast’, waren bereid elkaar te waarderen. Wie het goed recht der kerken bepleitte, zoals de aanwezige ‘Roomsen’ en predikanten deden (‘wat zijn dominees ook een lastige mensen!’), werd uiteindelijk door andere sprekers op zijn nummer gezet. Enige twijfel klonk misschien in haar brief door over de bijdrage van Kaiser, ‘waarvan veel zeer intelligente lieden geen snars begrepen’, maar hoe geïmproviseerd het programma mocht zijn geweest, er zat ‘een sublieme lijn’ in.35

De kritiek kon Kaiser niet deren. Als de ware zendeling had hij een boodschap voor de wereld en die wereld, of zij wilde of niet, zou ernaar luisteren ook. Hij zette zich aan de voorbereiding van de tweede conferentie. Ze viel een stuk bescheidener uit dan de vorige. Er waren maar vier sprekers, terwijl de duur van de bijeenkomst tot drie dagen beperkt bleef, van 16 tot 18 november 1951. Een van de sprekers was de ons al bekende Jaarsma uit Wassenaar, die in zijn afkeer van de methoden van de moderne geneeskunde op de sympathie van Hofmans mocht rekenen, een genegenheid die wederzijds was. Plenaire gedachtewisselingen waren niet toegestaan. Vragen moesten vooraf schriftelijk worden ingediend. Opnieuw maakte Kaiser er een solovoorstelling van. De overige voorbereiders werden geïnformeerd over data en sprekers, maar verder niet om hun mening gevraagd. Indirect kregen zij een standje omdat, zo constateerde Kaiser in zijn brief van 18 oktober 1951:

 

al te gemakkelijk mensen aanbevolen zijn, die van den beginne af, noch respect noch waardering bleken te tonen, en die zich, ook na die bijeenkomst niet ontzien hebben deze belangeloze inzet verdacht te maken en het werk te ondermijnen.36

 

Andermaal werd zo gedemonstreerd dat hij niet uit was op een open discussie op de Oude Loo-conferenties. De bijeenkomsten dienden als een platform voor het uitdragen van zijn boodschap. Kritische geluiden of tegenspraak werden niet op prijs gesteld. Dat bleek opnieuw toen een prominente geïnviteerde voor de conferentie in november, de natuurkundige en pedagoog prof. dr. Ph.A. Kohnstamm, als meelevend lid van de Nederlandse Hervormde Kerk er bezwaar tegen maakte dat in de uitnodigingsbrief bij de omschrijving van de grondslag van de conferentie het woord Kerk en de naam van Jezus Christus ontbraken. Het antwoord van Bep Pierson van 2 november 1951 kwam erop neer dat hij het kennelijk niet begrepen had. Het was ‘zeer bepaald’ de bedoeling van de voorbereiders van de conferentie ‘dat alleen zij die van harte instemmen met de intentie der Bijeenkomsten aan de uitnodiging tot deelneming gevolg geven’. Wie de wereldvrede wilde bevorderen, kon toch bezwaarlijk tweederde der mensheid uitsluiten! Hoe kon men zich in ernst een waarachtige vrede op aarde voorstellen, indien belijders van andere godsdiensten daaraan geen deel hadden? ‘Daarom doet onze circulaire een algemeen beroep op het bewuste en onbewuste geloof in God.’37

Voor die redenering viel best wat te zeggen, maar het korzelige antwoord hield geen rekening met de toen nog dominante christelijke levensovertuiging en cultuur in een land waar de confessionele partijen tezamen over een politieke meerderheid in de Tweede Kamer beschikten en waar een meerderheid van de burgers bij een christelijk kerkgenootschap was aangesloten. Juliana’s associatie met een boodschap die wel van God maar niet van Christus sprak, maakte haar kwetsbaar. Dat gold in nog sterkere mate voor het politieke aspect van de op Het Oude Loo verkondigde vredesboodschap. Moest die boodschap niet harmoniëren met het standpunt van de Nederlandse regering, dat de Europese vrede het best werd gediend door het Nederlandse lidmaatschap van de navo en de Duitse herbewapening? Hoeveel ruimte was er voor de koningin een afwijkend standpunt te laten horen of daaraan openlijk steun te geven? De door haar gekoesterde pacifistische denkbeelden vonden bitter weinig weerklank bij de meeste Nederlandse politici. Voor Kohnstamm was duidelijk dat die ruimte niet bestond: Nederlanders op de Oude Loo-conferentie zouden bij het zoeken naar de wereldvrede zich met overtuiging achter de Nederlandse regering moeten scharen.

Op de tweede conferentie was niet Kohnstamm maar wel een zeer prominente buitenlandse gast aanwezig, Eleanor Roosevelt, de Amerikaanse presidentsweduwe. Zij was bij een bezoek aan Soestdijk naar Het Oude Loo meegetroond door Juliana en kwam prompt in aanvaring met Kaiser. In de Parijse editie van de New York Herald Tribune van 21 november 1951 blikte zij op de conferentie terug. Het was duidelijk wie zij in elk geval rekende tot de ‘fanatics’ die zij daar had ontmoet. Dat zulke bijeenkomsten in de Verenigde Staten konden plaatsvinden, achtte zij niet waarschijnlijk, behalve misschien in Californië. In een brief van 24 november 1951 dankte zij Kaiser voor de moeite die hij genomen had om haar in een brief van vier kantjes zijn zienswijze nog eens uiteen te zetten. Hij zal niet erg blij met haar reactie zijn geweest.

 

I am afraid that some of it is not very clear to me. It seems to take a great many words to explain something which I think should be comparatively simple, but I may be wrong about that.

 

En daarmee was, wat haar betrof, dan ook alles gezegd. Pogingen die zij later in Amerika ondernam om Juliana op andere gedachten te brengen, haalden niets uit.38

Een groot succes kon deze tweede conferentie niet worden genoemd. Een van de deelnemers, Th.Semeyns de Vries van Doesburgh, berichtte heet van de naald aan de secretaris van de prins, De Graaff, dat het drie ‘zeer inspannende dagen’ waren geweest, gevuld met ‘verwarde, soms bewogen, steeds onduidelijke besprekingen’. Iedereen was voortdurend bezig ‘in het wilde weg mensen aan te klampen en gesprekken te voeren, die, omdat het thema te vaag was, niet voldoende gericht waren’. Niet alleen de organisatie, ook de sprekers schoten tekort, terwijl zich onder het gehoor eveneens te veel ‘mediocriteiten’ bevonden. De gestelde (schriftelijke) vragen waren soms zeldzaam naïef (‘Waarom een bakker minder kans heeft om de wereldvrede te dienen dan een diplomaat’) en werden zwaarwichtig beantwoord. Een herhaling van deze ‘dilettantenbijeenkomst’ zou tot elke prijs vermeden moeten worden. De briefschrijver besefte dat het voor de koningin alles heel essentieel was. Het ging toch om het dienen van de wereldvrede. Wat jammer daarom dat de prins niet gekomen was! Hij had ook het passende gezelschap voor Mrs. Roosevelt kunnen zijn, dat nu zo node werd gemist.39

 

 

Uitdrijving

 

Juliana zal niet alleen de afwezigheid van haar man bij deze eerste Oude Loo-conferenties hebben betreurd, maar misschien nog meer die van minister-president Drees en zijn ambtgenoten van Justitie (Mulderije) en Onderwijs en Wetenschappen (Rutten). Hoewel uitdrukkelijk uitgenodigd, waren zij niet gekomen. Hun weigering kon als een motie van afkeuring van het koninklijk initiatief worden uitgelegd. Zoals meer pacifisten was Kaiser een strijdlustig man. Hij besloot tot een passend antwoord. In de eerst na de tweede Oude Loo-conferentie op 22 november 1951 bij de Piersons belegde (tweede) vergadering van het comité van voorbereiding, waarbij Juliana wederom aanwezig was, stelde hij een door hem ontworpen, op scherpe toon gestelde brief aan de minister-president aan de orde.

In het comité rees dit keer verzet tegen de astrale dwingeland. De oppositie werd aangevoerd door Van Dijk, daarbij gesteund door Stellwag. Greet Hofmans, in de kring gezeten op een wat hogere stoel dan de anderen, redde de situatie. ‘Mag ik eens kijken of ik hierover iets doorkrijg?’ zo tekende Van Dijk uit haar mond op. Daarna hield zij haar hand voor de ogen en verklaarde dat zij doorkreeg dat Van Dijk maar eens met Drees moest gaan praten. De koningin vond dat een uitstekende gedachte. Toen Van Dijk zei niet alleen te willen gaan, kreeg de zieneres door dat Stellwag hem moest vergezellen.

Het gesprek met Drees vond op 20 december 1951 plaats. De minister-president toonde zich zeer bezorgd. Zijn hoofdbezwaar was dat de steun van de koningin aan de conferenties niet strookte met haar positie als ‘symbool van de eenheid van het Nederlandse volk’. De aanwezigheid van de koningin en het actieve aandeel dat zij in de conferenties nam, konden gemakkelijk leiden tot misverstanden. Op Het Oude Loo werden controversiële standpunten verkondigd. De (anoniem gehouden) uitnodigingen en de conferentieverslagen waren niet acceptabel en zelfs kwetsend voor verschillende geestelijke stromingen in Nederland. Ook het stempel dat Kaiser en Hofmans op de conferenties drukten, riep bedenkingen op.40

Van Dijk en Stellwag stelden een verslag van het gesprek op, dat zij twee dagen later met de koningin bespraken. De twee bezoekers troffen de koningin in haar werkkamer op paleis Soestdijk. Ze was allervriendelijkst en belangstellend. ‘Ze had een grote knot oranje wol bij zich en vroeg of ze door mocht blijven breien aan het truitje voor Beatrix,’ zo herinnerde Van Dijk zich in zijn uiterst leesbare memoires. Haar reactie op het gesprek met Drees was echter anders dan hij verwacht had. Hun gastvrouw meende dat Drees het niet begrepen had en er veel meer achter zocht dan de organisatoren van de Oude Loo-conferenties hadden bedoeld. Ze vroeg Van Dijk of hij het eens was met wat de minister-president had gezegd. Toen hij dat beaamde en verwees naar de circulerende geruchten dat de koningin door Hofmans’ doorgevingen beïnvloed werd, mogelijk ook in staatszaken, ‘wees zij dit met beslistheid van de hand’. Wat vond hij eigenlijk zelf van die doorgevingen? Van Dijk greep nu terug op beider bekendheid met het Nederlandse etherwezen. Was het de koningin nooit opgevallen dat als radio Hilversum om 12 uur ’s nachts na het spelen van het Wilhelmus uit de lucht ging, men soms heel zwak boven de ruis van de zwijgende zender uit flarden muziek en woorden van andere radiostations uit de luidspreker hoorde? Ja, dat was de koningin ook wel eens opgevallen. Van Dijk betoogde vervolgens dat de hersenen bij wijze van spreken ook een eigen ruis produceren. Waren de doorgevingen van Hofmans misschien niet meer dan haar eigen ruis? De koningin vond het wel een interessante gedachte maar was het er niet mee eens.

 

Zij meende dat Mej. Hofmans nu eenmaal over de unieke eigenschap beschikte van een onmiddellijke en duidelijke geïnspireerdheid van omhoog. ‘Maar,’ zei de Koningin, ‘U weet Mej. Hofmans zegt er altijd bij: U moet uit haar doorgevingen nemen wat U ervan begrijpt.’

 

Ja, zo sluw was ze wel, dacht Van Dijk, en hij wees op de moeilijkheid haar orakeltaal te interpreteren. Het orakel van Delphi werd erbij gehaald. De vergelijking lag om meer dan één reden voor de hand. Ook daar was de centrale figuur een in vervoering geraakte vrouw van eenvoudige afkomst, de Pythia, gezeten op de drievoet van Apollo, half aan het oog onttrokken door nevels en dampen. Haar onsamenhangende klanken werden door de priesters van het orakel vertolkt in hexameters, maar de koningin wist toch ook dat die priesters hadden beschikt over een uitstekend werkende inlichtingendienst in het oude Griekenland? Daarop kwam het gesprek op Kaiser. Wat vonden de bezoekers van hem? Van Dijk antwoordde dat hij Kaiser maar ‘een verwarde figuur’ vond. Dit antwoord wekte weer verbazing bij de koningin, die zijn werk juist prachtig vond, maar, zo zei zij, de mensen begrepen zijn boeken niet. Van Dijk drong er nog op aan de conferenties van Het Oude Loo te verplaatsen naar een meer neutraal terrein, zodat het aandeel van de koningin minder zichtbaar werd. De koningin meende dat er maar eens verder over gesproken moest worden in de kring van voorbereiders. Die kwamen op 21 januari 1952, dit keer ten huize van de familie Mijnssen, bijeen.

De vergadering had niet het effect dat beide dissidenten ervan gehoopt hadden. Hofmans lag boven ziek te bed, psychisch uitgeput als zij zou zijn van haar werk. Voorlezing van het verslag van het onderhoud met Drees door Van Dijk werd onderbroken door denigrerende opmerkingen van andere aanwezigen over de minister-president. Drees’ bezwaren werden door Kaiser afgedaan als ‘wereldse hovaardij’. Hij kreeg koninklijke bijval. ‘Als wij doorgaan,’ zo noteerde Van Dijk,

 

zullen ze ons misschien op de brandstapel zetten of in een gekkenhuis opsluiten. Wij moeten echter alles maar rustig aanvaarden zoals het beschikt wordt.

 

Stellwag werd er nu op voorstel van Kaiser op uit gestuurd om Hofmans te vragen of die een boodschap had. Tien minuten later keerde ze terug met de mededeling dat de zienswijze van de doorgeefster afweek van die van Kaiser. Daarop ging deze laatste zelf naar boven om terug te komen met het bericht dat de hoogleraar de doorgevingen verkeerd had overgebracht. Van ‘omhoog’ was doorgegeven dat hij het bootje met voorbereiders door de storm zou moeten loodsen. Toen Stellwag protesteerde en Van Dijk eraan toevoegde dat niet zozeer sprake was van storm als wel van mist, ontstak Kaiser in woede en verklaarde de vergadering voor beëindigd.41

Voor Stellwag was dit de druppel die de emmer deed overlopen. Zij vond het zinloos nog langer lid van het comité te blijven en liet de andere voorbereiders tien dagen later weten dat zij ermee ophield. Zij hekelde ‘de destructieve geesteshouding van een der leden ten aanzien van andersdenkende groepen’. Het was niet moeilijk te raden wie zij op het oog had. Daarbij meende zij dat een streven waarvoor de koningin persoonlijke belangstelling toonde, ‘zich moet richten op vereniging van wat thans nog gescheiden is, zij het ook op hoger plan, en niet aanleiding moet zijn tot een te betreuren nog grotere verdeeldheid’.

Zij kon op bitter weinig begrip rekenen. Het geloof in Kaiser en de ‘Hogere Leiding’ bleef ongeschokt. Het vriendinnenfront bleef ongebroken. Erna Mijnssen had haar al direct na de vergadering laten weten dat zij ‘volledig met mijn volle bewustzijn’ achter Kaiser bleef staan. Bep Pierson, die op 5 februari 1952 reageerde, wilde wel toegeven dat Kaiser ‘onbeschoft’ was. Ze zou er

 

een lief ding voor geven als hij een ander temperament of ook maar een beetje liefde voor zijn medemensen had. Maar hij weet en voelt dat wij dikwijls op een niveau inzetten dat eigenlijk niets te maken heeft met ’t Oude Loo en dat ergert hem!

 

Zij voegde eraan toe niet te geloven in toevalligheden maar wel in ‘Leiding’. Waar de koningin een zo hoge missie te vervullen had als het ‘inleiden van een theocratisch tijdperk’, kon het geen toeval zijn ‘wie er om haar heen geplaatst zijn en ik ben er zeker van dat wij daar ieder een persoonlijke taak te vervullen hebben’. Alleen al om die reden was het onjuist weg te gaan. Zij werd daarin bijgevallen door Rita van Heeckeren, die, zoals zij stelde, ook het standpunt van haar man, Walraven, de secretaris van Juliana, vertolkte. Juist nu was het zaak met elkaar om de koningin te blijven staan. Wat was er op Juliana geen druk uitgeoefend ‘om “de Hoge Leiding” los te laten en meer te denken aan “wat men zegt” ’. Toch had zij alle stormen het hoofd geboden, ‘omdat ook zij doordrongen is van het feit dat het echt en verheven is, Willy [Stellwag], en jij bent dat niet! Jij aarzelt, jij gelooft er niet helemaal in.’ Zij moest niet de schuld op Kaiser gooien,

 

want wie alles over heeft voor het werk van de Meester is hij, zonder ooit te denken aan de brokken, die het vanzelf met zich mee zou brengen... Wij hebben ontzettend veel aan hem te danken... En al was het niet altijd even prettig om het toe te geven, maar als we eerlijk de zaak bekeken, had hij gelijk, al was de manier waarop dikwijls vervelend.

 

Als Stellwag mocht hebben gedacht dat Juliana, op wie zij in haar afscheidsbrief indirect een beroep had gedaan, haar zou steunen, kwam zij bedrogen uit. Juliana liet weten haar vertrek te betreuren, maar verbond daaraan geen verdere consequenties. Alleen Van Dijk koos voluit haar kant en tot beider verrassing ook Walravens zuster Aurelia. Zij had al een maand geleden, naar ze op 3 februari 1952 schreef, zich teruggetrokken.42 Ook Carola gravin van Rechteren deed dat. Zij sprak op de koningin in en waarschuwde haar tegen de doorgevingen van Hofmans. Merkbaar effect had hun gesprek niet.

Van Dijk was meer het type van de volhouder. Hij en Stellwag waren blijkbaar tot de conclusie gekomen dat alleen Wilhelmina nog voldoende invloed kon uitoefenen op haar dochter om die tot andere gedachten te brengen. Bovendien was zij het die Het Oude Loo op verzoek van Juliana voor de conferenties ter beschikking had gesteld. Beiden kwamen achtereenvolgens op paleis Het Loo op bezoek. Mogen wij Van Dijk geloven, afgaand op het verslag van zijn gesprek met Wilhelmina op 9 februari 1952, dan toonde zij zich verontrust maar meende zij dat alles maar aan God moest worden overgelaten. Uiteindelijk zou dan alles wel goed komen. Van Dijk vond dit wat al te gemakkelijk en drong aan op een gesprek tussen haar en Hofmans, van wie zij wel wilde toegeven dat die niet onfeilbaar was. Het gesprek vond inderdaad plaats, maar leverde niets op. Hofmans beriep zich op een doorgeving dat de conferenties op Het Oude Loo moesten plaatsvinden, waarna Wilhelmina de strijd opgaf. ‘Hiertegen viel niet te praten,’ zou zij tegen Van Dijk hebben gezegd. Kort daarop viel bij het uitgedunde comité van voorbereiding een brief in de bus waarin Kaiser een nieuwe conferentie op Het Oude Loo aankondigde, de derde, die van 25 tot en met 27 juli 1952 gehouden zou worden.43

Zelfs Van Dijk gaf nu de moed op. Na een nieuw, vergeefs appel op de koningin in een brief van 11 mei 1952 (die hij in kopie ook aan Drees en prinses Wilhelmina zond) liet hij een maand later zijn medeleden van het comité weten dat hij zich terugtrok. Uiteraard liet niemand van de overgebleven voorbereiders er een traan over. Mijnssen had hem al op 15 mei te verstaan gegeven dat dragers van een goddelijke opdracht geen compromis konden sluiten. Volgens de oude mevrouw Van Heeckeren stond of viel alles met ‘het geloof in de Bron van de doorgevingen door Mej. Hofmans’.44

Ook Juliana wilde niet meer met hem te maken hebben. Van Dijk had in zijn afscheidsbrief van 12 juni 1952 geklaagd over de ‘groepshypnose’ waarin zijn medevoorbereiders, opgesloten in hun ‘magische cirkel’, zich bevonden. Hij had haar gewezen op de gevaren waaraan een vorst bloot stond die slechts door een kleine kring van vertrouwden was omgeven. Er konden daardoor sterke vriendschapsbanden ontstaan. ‘Toch schroom ik niet te zeggen dat zulke vriendschap dikwijls juist de objectiviteit uit het oog doet verliezen.’ De koningin bleek niet onder de indruk. Via haar secretaris Walraven van Heeckeren liet zij hem een week later in een kort briefje weten dat zij de ‘krasse, zo persoonlijke verdachtmaking’ waarin hij zijn bezwaren tegen de voorbereiders had gegoten, niet op prijs stelde.45

Van de aanvankelijk acht voorbereiders van de Oude Loo-conferenties waren er dus vier overgebleven, te weten Bep Pierson-van Tienhoven, Mijnssen, de oude baronesse Van Heeckeren en Kaiser. Hun comité bleef tot 1956 bijeen. Met weinig genoegen zal het viertal aan Van Dijk hebben teruggedacht. Na zijn afscheid ging hij de voorbereiders actief tegenwerken, onder meer door aangezochte sprekers te waarschuwen dat zij beter niet konden komen. Hij stelde zijn ervaringen op schrift ten behoeve van het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, L. Einthoven, en andere belangstellenden. Hij wond er geen doekjes om. Hofmans en Kaiser zag hij als de aanstichters in deze ‘uiterst gevaarlijke variant van de Raspoetin-affaire’. De anderen waren ‘de gehypnotiseerde slachtoffers’. De naam van de koningin liet hij in dit verband beleefdheidshalve onvermeld. Toen de commissie-Beel vier jaar later haar werk begon, vertrouwde hij zijn wederwaardigheden opnieuw aan het papier toe. Hij werd verschillende malen door de commissie gehoord. Zijn vernietigend oordeel over de Baarnse kring heeft ongetwijfeld de meningsvorming binnen de commissie diepgaand beïnvloed. Hier sprak immers een ooggetuige die achter de schermen had kunnen kijken.46

 

 

Juliana en de kring

 

Wie mee wilde blijven doen in de Baarnse kring, moest geloven in een ‘Hogere Leiding’ en in de doorgevingen van Hofmans. Had Juliana dat geloof? In de zomer van 1949 had zij naar haar zeggen nog momenten van ‘ellendige twijfel’ aan de missie van mejuffrouw Hofmans gekend, maar die waren sindsdien in hun tegendeel verkeerd. ‘Mee te mogen doen voor Gods grote werk, speciaal in deze vruchtbare tijd, is wat ons boven alle aardse narigheid en diep verdriet uit kan heffen.’47 Haar trouwe aanwezigheid bij de Oude Loo-conferenties en het belang dat zij hechtte aan de ‘wenken’ van de doorgeefster, doen veronderstellen dat die twijfel niet meer is teruggekomen. Wel bleef zij goede vriendinnen houden uit een eerdere levensfase die haar waarschuwden tegen Hofmans, maar blijvende invloed oefenden zij in het algemeen niet uit. Een van hen was Marguerite Michelin, dochter van een vroegere Waalse hofpredikant. Haar betoog dat om de stem van het eigen geweten te horen geen menselijke tussenkomst nodig is, nam Juliana zich misschien wel ter harte, maar toch niet veel langer dan Marguerites gewaardeerde logeerpartijen op Soestdijk plachten te duren.48

Juliana’s vruchteloze pogingen haar echtgenoot bij de kring te betrekken, waren eveneens een aanwijzing voor haar loyaliteit aan de kring. Zo heet het in een brief van 2 juni 1951 aan Hofmans:

 

Mijn man hoorde onder protest de doorgevingen voor hem aan, zei dat hij er niets aan hechtte, enz. Toch hadden we een heel prettig harmonisch gesprek. Ik voel dat er veel ijskorsten ontdooien bij hem.49

 

De hoop dat hij tot inkeer zou komen, was bij Juliana en haar geestverwanten nog niet helemaal opgegeven en leefde weer op toen zorgelijke tijdingen de ronde deden over de gezondheidstoestand van de prins. In december 1952 verschenen daarover in de Nederlandse pers alarmerende berichten. Bij een medisch onderzoek was gebleken dat Bernhard een beschadiging aan de halswervels had overgehouden aan zijn auto-ongeval eind 1937. Ook zou zijn schedel gebarsten zijn, hetgeen bij een val fatale gevolgen kon hebben. Naar hij in zijn geautoriseerde biografie mededeelt, leverde een consult in een Amerikaans hospitaal een slechte prognose op: hij zou, ook als hij zich in acht nam, nog maar hoogstens acht jaar te leven hebben!50 Het moet voor hem een verpletterende slag zijn geweest. Het zorgvuldig gekoesterde beeld van de young daring prince lag aan stukken. Bekend werd gemaakt dat de prins besloten had niet langer deel te nemen aan springwedstrijden en wedstrijdskiën.

Wie weet, zou hij in deze omstandigheden Greet Hofmans zo niet als doorgeefster dan toch als genezeres leren waarderen! Juliana achtte de tijd rijp hem aan te spreken over de mogelijkheid van genezing door gebed. Zij had er geen succes mee. ‘Hij wees ieder intermediair af... Maar hij zegt: God weet wel wat ’t beste voor mij is (in grote ernst).’ 51 Gelukkig bleek achteraf de in Amerika gemaakte prognose wel erg somber en trok het onweer dat zich boven het hoofd van de prins had samengepakt weer over.

Wat Juliana betreft, leek het vooral Hofmans te zijn die wist wat het beste voor haar was. Het waren soms merkwaardige ontboezemingen die haar bereikten. Zoals het briefje van Hofmans, gedateerd 3 februari 1952, toen Juliana zich in de Oostenrijkse Alpen ophield. Het luidde als volgt:

 

Lieve Majesteit. Nu zo’n paar dagen aan ’t bed gebonden, kan ik zoveel bepeinzen wat anders in een verdoezeling komt in ’t denken en wegvaagt zonder meer. In alle peinzerei komt dan telkens zoo sterk naar boven de volstrektheid van Uw inspiratie...

Zo is dan de kerstboodschap ruim en groot, en plaatst U zonder meer in de rij van die grote geesten der wereld die nog altijd de vrede niet voorbij snellen, om toch maar oorlog te mogen bevechten! En het plaatst U op een uitkijkpost van waaruit U steeds meer en meer Uw signalen aan de wereld geeft. Maar er is meer! Er is die merkwaardige rust in U, die op zichzelf al rustgevend is en hoop doet geven, in deze spanningsvolle wereld.

 

En over Het Oude Loo:

 

Hoe zeker is mij doorgegeven dat daar, juist daar het klankbord zou zijn voor de bevestiging van Uw woorden... Met Gods zegen in de bergen voor U en Uw woorden van Uw kerstrede: ‘De wereld houdt de ogen op Nederland gericht.’ Uw peinzende d.g.[doorgeefster]52

 

Brieven als deze, wat men er verder van moge denken, hadden natuurlijk wel een functie. Zij schonken Juliana het zelfvertrouwen dat zij kennelijk bij belangrijke gebeurtenissen in haar leven zocht. Een van die gebeurtenissen diende zich kort daarop aan: haar staatsbezoek aan de Verenigde Staten, samen met Bernhard, waar zij onder meer het Amerikaanse Congres zou toespreken.

 

 

De latere Oude Loo-conferenties (19521956)

 

Naarmate meer Oude Loo-conferenties werden gehouden, leken zij aan belang en belangstelling te verliezen.53 Het nieuwe was er na de tweede conferentie wel af. De publiciteit was gering. De sprekers waren op een enkele uitzondering na (zoals de Spaanse denker Salvador de Madariaga in de elfde conferentie van augustus 1955) tamelijk onbekend, de onderwerpen die zij behandelden weinig spectaculair. Wat moest een breder publiek met een (in de derde conferentie behandeld) onderwerp als ‘De Vina, het Indische gewijde muziekinstrument dat de zevenvoudige structuur van de mens symboliseert’?

Misschien was dat publiek, indien begiftigd met enige voorkennis, wel gekomen om tijdens de zevende conferentie (van 28 tot 30 mei 1954) te luisteren naar Air Chief Marshal buiten dienst Lord Dowding, de held van de Battle of Britain in 1940. ‘Stuffy’, zoals zijn bijnaam luidde, sprak in aanwezigheid van de koningin over ‘De weg naar vrede’, maar gaf aan zijn betoog een verrassende wending. De spreker beleed zijn geloof in het bestaan van vliegende schotels, een typisch jaren-vijftig icoon net zoals aardstralen, grafologisch onderzoek, de coloradokever en de wichelroede. Zo goed als hij wist dat Australië bestond zonder dat hij er ooit was geweest, zo was de luchtheld overtuigd van het bestaan van deze ‘airships’. Zij waren op de radar duidelijk te zien geweest. Ook het werk van George Adamski, een gewezen broodjesverkoper uit Californië, kwam ter sprake, te weten zijn (samen met Desmond Leslie) geschreven boek Flying Saucers Have Landed. Adamski zou een schotellanding in Arizona in 1953 hebben bijgewoond en met een lid van de van Venus afkomstige bemanning hebben gesproken via gedachteoverbrenging (thought-transference), waarin Adamski opmerkelijk bedreven bleek. Het kwam daarbij goed uit dat de ‘Venusians’ Engels spraken.54

=

Drees3_4a6A39.tif

 

Jachtslot Het Oude Loo.

 

Zijn voordracht moet Juliana hebben geïnspireerd om begin 1956 aan Bernhard, die toen in New York was, te vragen of hij voor haar rekening een tiental exemplaren kon meenemen van Adamski’s nieuwste boek, Inside Flying Saucers. Volgens haar wilde ‘iedereen’ het lezen. Zij zal wel hebben gedoeld op haar Baarnse kringgenoten. Buitenaards leven was daar immers een geliefd gespreksonderwerp. Enkele jaren later, op 18 mei 1959, maakten Juliana en Bernhard persoonlijk met de auteur kennis. Hij werd op het paleis ontvangen voor het houden van een voordracht, gevolgd door discussie. Het gezelschap bestond verder uit de chef luchtmachtstaf, generaal H. Schaper, en drie andere lucht- en ruimtevaartdeskundigen. De uitnodiging aan Adamski werd Juliana niet in dank afgenomen. Na het Hofmansavontuur waren de tijden veranderd. Terwijl zij meestal in de Nederlandse pers geen kwaad kon doen, riep dit keer het ‘bezoek uit den hoge’ heftige reacties op. Onder koppen als ‘Blamage’ en ‘Charlatanerie’ werd de koningin verweten dat zij door een ‘kermisfiguur’ in het paleis te ontvangen hem en zijn waandenkbeelden een onverdiend gezag schonk maar Nederland belachelijk maakte. Het comité van ontvangst haastte zich dan ook te verklaren dat de gast ‘niet geloofwaardig’ was gevonden. De verkondiger van de ‘New Age’ boodschap van onze interplanetaire broeders overleed in 1965, ontmaskerd als de fantast die hij altijd was geweest.55

In één opzicht waren de Oude Loo-conferenties hun tijd vooruit en wel door de aandacht die daarin geschonken werd aan de islam. Aanhangers van deze godsdienst, toen in Nederland nog een zeldzaam curiosum, waren welkom, omdat ook zij geloofden in één God. De interesse bleek uit een voordracht tijdens de negende bijeenkomst (van 28 tot 30 januari 1955) van Najmuddin Bammate, een Unesco-functionaris, over ‘le Destin spirituel de l’homme Musulman’. Op de dertiende conferentie (van 25 tot 27 mei 1956) schetste de arabist en voormalig Indisch bestuursambtenaar D. van der Meulen in zijn ‘Begegnungen von Moslims und Christen’ een beeld van de confrontatie van islam en christendom. Als Nederlandse consul te Djeddah had hij veel door het Arabische schiereiland gereisd. Zo had hij, gezeten in de woestijn onder de Arabische sterrenhemel, van een lokale machthebber de vraag gekregen hoe het Westen over de Profeet dacht. Van der Meulen had daarop diplomatiek verwezen naar Thomas Carlyle, On Heroes and Hero-Worship uit 1840. Hij mocht aannemen dat zijn gastheer deze verzameling essays niet kende. Het bood de gelegenheid in te gaan op het gunstige beeld dat Carlyle in zijn ‘The Hero as Prophet’ van Mohammed en zijn leer gegeven had.56

Bij vrijwel alle conferenties waren Juliana en Hofmans aanwezig en was Kaiser een van de woordvoerders. Juliana zelf kwam na 1951 op de sprekerslijst niet meer voor. Opmerkelijk was dat de frequentie van de bijeenkomsten in 1954 werd opgevoerd van twee tot drie per jaar. Geld speelde kennelijk geen rol en deed het ook niet zolang de steun van de koningin en van gefortuneerde geldschieters als Pierson en Mijnssen verzekerd was.

Wat Juliana als privépersoon nastreefde, kon zij zich in het ambt van staatshoofd niet permitteren. Dit heeft zij onvoldoende ingezien. Haar besluit de conferenties openlijk te blijven steunen, vervreemdde haar van de christelijke partijen en de kerken. Ook in politiek opzicht kwam zij op glad ijs terecht. Nederland in de Koude Oorlog vroeg niet om vredesacties. Daar werd de hand van de communisten in gezien en vaak niet zonder reden. De vredesbeweging ‘de 3e weg’, die een gelijknamig tweewekelijks blad uitgaf en ‘Juliana de Vredelievende’ van harte steunde, gold als een clubje fellow-travellers dat met Moskou heulde uit angst voor een atoomoorlog.57 Het vaderland had aan hen geen boodschap. Het zette zijn kaarten op Amerika en de navo.

8
Escalatie

In de jaren 19511956 werd het huwelijk van Juliana en Bernhard zwaar op de proef gesteld. De onenigheid culmineerde in een huwelijksconflict. Zelfs een echtscheiding leek niet uitgesloten. Een dramatisch dieptepunt werd bereikt in het najaar van 1955.

 

 

Onenigheid

 

Op 12 februari 1950 schreef Bernhard vanuit Suriname een lange brief aan ‘Lieve Moene’, dus aan Wilhelmina. Het was geen opgewekte brief. Hij had iets op zijn hart dat hij in andere, meer vragende en informerende vorm ook aan Juliana had geschreven. Zijn grieven over het contact tussen zijn vrouw en Hofmans lijken even gemeend als de zin waarin hij ze samenvatte te lang.

 

Ik had zo erg graag dat ze de dingen die ons echt privéleven aangaan niet met Mej. H[ofmans] besprak want dan spreekt ze daarna met mij dikwijls met woorden die maar al te kennelijk niet van haarzelf zijn en dat schept een soort muur tussen ons en irriteert me ontzettend want dan spreek ik niet meer met mijn vrouw maar met een vrouw, die iemand anders, die er buiten staat, haar eigen gevoelens heeft getoond, maar deze gevoelens pas gemengd met het advies en de opmerkingen van de andere aan mij weer duidelijk wil maken en dat is naar mijn bescheiden mening onzuiver.

 

Bernhard herinnerde aan zijn brief van 1 januari 1950, waarin hij Hofmans de wacht had aangezegd en de toegang tot paleis Soestdijk ontzegd. De haar toegeschreven geneeskundige gaven hadden Marijke niet kunnen helpen. De oogarts, prof. Weve, had hem verzekerd dat haar gezichtsvermogen zich precies zo ontwikkeld had als in vergelijkbare gevallen waarin de genezeres niet was geraadpleegd. Beloften dat zij haar werk ook op een afstand kon doen, waren niet nagekomen. Elke twee weken was ze wel drie of vier dagen op het paleis komen logeren. Haar aanwezigheid op Soestdijk had een akelige scheiding veroorzaakt tussen hem en Juliana. ‘Moeder, dit kan niet goed zijn.’1

Zijn onuitgesproken verzoek aan zijn schoonmoeder, om te willen bemiddelen en haar niet-geringe invloed op haar dochter uit te oefenen, had geen effect. Wilhelmina schaarde zich achter Juliana en zag geen rol als arbiter of mediator voor zichzelf weggelegd. Hoe goed de verstandhouding met haar schoonzoon tijdens de oorlogsjaren was geweest, in een conflict tussen hem en haar dochter stond zij onvoorwaardelijk aan Juliana’s kant. Wilhelmina’s houding lijkt daarbij niet zozeer te zijn ingegeven door de mogelijke invloed die Hofmans (of Kaiser) op haar uitoefende. Zij liet zich in laatste instantie door niemand beïnvloeden. Ook Bernhard zou dit ondervinden. De relatie met zijn schoonmoeder werd in de jaren van de Hofmanscrisis uitgesproken slecht.

De ergernis van de prins over Hofmans en haar volgelingen – de Baarnse kring – deed hem in 1951 zelfs tot een soort schriftelijke wilsbeschikking besluiten voor het geval dat hij en Juliana bij een van hun reizen om het leven zouden komen; ze bleef in zijn handschrift in zijn archief bewaard. Volgens die laatste wens van de prins moest een aantal, door hem genoemde personen de toegang tot paleis Soestdijk en ieder contact met de daar achtergebleven weesmeisjes worden ontzegd. Het lijstje bevatte de namen van de families Pierson, Van Maasdijk, Mijnssen, Rita van Heeckeren, mej. Hofmans, Kaiser ‘en de verdere mensen die tot deze kring behoren’. Wilhelmina mocht, als het aan de prins lag, zich evenmin met de opvoeding van haar kleinkinderen bemoeien, ‘aangezien ze door de opvoeding van haar dochter bewezen heeft, niet in staat te zijn het ook maar enigszins behoorlijk te doen’. Wie wel mocht adviseren, was zijn eigen moeder, prinses Armgard.2 Zij stond op het punt in Nederland woonplaats te kiezen, een voornemen dat niet onomstreden was.

Op 13 november 1951 berichtten verschillende Nederlandse dagbladen dat Armgard zich nog voor het einde van de maand zou vestigen in Hilversum. Zij zou het aan de ’s-Gravelandseweg gelegen buiten ‘Oersberg’ betrekken, dat Bernhard voor haar gekocht had. De woonruimtevergunning was al door de gemeente verleend.3 Armgard had tot dan toe altijd in Duitsland gewoond, laatstelijk in de omgeving van Bonn. Na het huwelijk en het vertrek van haar jongste zoon Aschwin naar New York, waar hij een baan als conservator had aangenomen bij de oosterse afdeling van het Metropolitan Museum, zou zij zich vereenzaamd hebben gevoeld. Zij wilde dicht bij Bernhard en haar kleinkinderen gaan wonen.

De kranten wisten ook te melden, dat de verhuizing van Armgard paste in het opkomen door Juliana voor vluchtelingen. Nog onlangs had de koningin hiervoor in een brief de aandacht van de Amerikaanse president Truman gevraagd. Zij stelde een aanpak voor die vooral op de Amerikaanse schouders neerkwam. Als klein en dichtbevolkt emigratieland kon Nederland zelf immers weinig doen.4 Hofmans is misschien aan deze stap niet geheel vreemd geweest, want ook zij bleek zeer begaan met het lot van de vluchteling.5

De zaken lagen toch minder eenvoudig dan de Nederlandse pers veronderstelde. Juliana voelde er namelijk helemaal niets voor dat haar schoonmoeder zich dicht bij Soestdijk zou vestigen.

Armgard had al langere tijd Bernhard onder druk gezet om mee te werken aan een verhuizing naar Nederland. Anders restte haar, zo maakte zij hem duidelijk, niet veel anders dan haar toevlucht te zoeken in een klooster in Duitsland waar zij in elk geval goed verzorgd zou worden. Ook haar zwakke gezondheid werd als wapen in de strijd geworpen. De zaak lag moeilijk, omdat het naoorlogse Nederland niet op de komst van een Duitse prinses zat te wachten. De koningin schijnt eerst geaarzeld te hebben. Hofmans had begin 1949 de prins in deze kwestie gesteund, maar toen waren de onderlinge verhoudingen nog goed. In 1951 was Juliana van mening veranderd. Ze wenste Armgard niet permanent in haar directe omgeving en die van haar kinderen te zien. Bovendien zou haar schoonmoeder dan, naar zij vreesde, elke dag op Soestdijk komen. Dat kon ertoe leiden dat Armgard belegerd zou worden door mensen die iets van Bernhard wilden of via hem iets bij de koningin hoopten te bereiken. Zelf zou Armgard moeilijk kunnen beoordelen wie gehoor bij de prins verdiende en wie niet. Een ander bezwaar zag Juliana in Armgards overgang tot de rooms-katholieke kerk die in de oorlog had plaatsgehad. Aan die gebeurtenis was in de katholieke pers ruime aandacht geschonken. Het betrof immers een prominente bekeerling. Zou de katholieke geestelijkheid met haar sterk missionaire tendens niet in de verleiding komen Armgard als werktuig te gebruiken om ook de goed protestantse Nederlandse koninklijke familie tot een terugkeer naar de moederkerk te bewegen? Juliana moet bij die gedachte hebben gehuiverd. In Nederland, zo tekende Juliana voor zichzelf (in het Engels) aan, waren de katholieken een grote minderheid die graag een meerderheid wilde worden. Dat Bernhard ooit katholiek kon worden, kon zij zich moeilijk voorstellen. Zelf zou zij het in elk geval nooit kunnen zijn, ‘in short because my freedom (of the spirit) is all-important to me. I could never let it be tied down like the R.C. Church does.’ Om twee redenen dreigde de komst van Armgard naar het Gooi haar dus tot een brievenbus, tot ‘the Soestdijk letterbox’ te maken, zelfs als ze zich neutraal zou willen opstellen.6

Ook in deze kwestie kon Juliana op Wilhelmina rekenen. In brieven van 7 oktober en 7 november 1951 waarschuwde de vroegere oorlogskoningin Armgard niet naar Nederland te komen, vanwege de in Nederland heersende anti-Duitse gevoelens. Bernhard heette niet in staat dit voldoende te beoordelen. Het was inderdaad de tijd waarin de eerste Duitse toeristen in Amsterdam werden geconfronteerd met borden als ‘Ik wil mijn fiets terug’ en met vernielingen aan hun auto’s. Dat anti-Duitse ressentiment zou volgens Wilhelmina nog in de hand worden gewerkt door de onbekendheid van het Nederlandse publiek met Armgards houding vóór en in de oorlog.7 Zij zette, als wij Drees mogen geloven, haar bezwaren kracht bij door het koninklijk gezin te dreigen met het opzeggen van de huur van paleis Soestdijk. Het behoorde haar immers toe als meest directe nazaat van koning Willem ii, ‘de held van Waterloo’, aan wie het paleis indertijd door het dankbare Nederlandse volk geschonken was.8

Armgard bleek niet om een antwoord verlegen. Vermoedelijk dagtekent uit deze periode een ongedateerde brief van haar hand aan Juliana waarin zij het voor haar zoon opnam. Vooral ‘Frau Hofman und Rita’ [Van Heeckeren] moesten het ontgelden. Zij zouden het gezinsleven op Soestdijk hebben verwoest. Bernhard was op van de zenuwen geweest door die telkens terugkerende scènes en Juliana’s verwijten. Hij werd door haar behandeld als ‘ein unreifer Schuljunge’. Het was allemaal de schuld van ‘schlechte, ehrgeizige Elemente’ – ook de naam van Van Maasdijk viel – die haar schoondochter onder hun invloed hadden gebracht en haar tegen Bernhard opstookten; ‘das verzeiht kein Mann’. Anderzijds waren oude vrienden, die haar hadden gewaarschuwd, weggestuurd. Hoe kon Juliana nog steeds in Hofmans geloven, terwijl de ogen van Marijke toch niet beter waren geworden? Dat Juliana de indruk wekte dat Bernhard ‘einen kompletten Trottel’ (sukkel) was, stoorde haar. ‘Dass du mich für gaga und trottelig hältst, das stört mich nicht.’ Was getekend: ‘Dein altes Mamachen’.9

De gemoederen ten paleize moeten in deze weken tot het kookpunt zijn verhit. Bernhard viel immers zijn moeder niet af. Achter het verzet van Juliana vermoedde hij de hand van Hofmans. ‘Ik laat niet juffrouw H. en Maasdijk mij bevelen wat kan en wat niet,’ schreef hij op 11 oktober 1951 aan Tellegen. In deze echtelijke twist zijn, zoals we nog zullen zien, kennelijk woorden gevallen en stappen gezet die beter achterwege hadden kunnen blijven. Het waren ook de maanden waarin Bernhard een buitenechtelijk kind, een dochter, verwekte, Alicia. Zij werd geboren te San Francisco op 21 juni 1952 uit een kortstondige verhouding tussen de prins en een Duitse pilote. In zijn postume herinneringen waarin de prins haar bestaan onthulde, stelt hij dat hij Juliana pas later hierover heeft ingelicht. Zelf zou deze dochter pas op haar zeventiende op de hoogte zijn gekomen van de identiteit van haar vader.10

Ten einde raad besloten de drie partijen (als we Wilhelmina meerekenen) de minister-president, dus Drees, in te schakelen. Hij was een man die allerwegen vertrouwen genoot, ook op paleis Soestdijk en op Het Loo. Daarenboven had de zaak staatkundige aspecten die onder de ministeriële verantwoordelijkheid vielen. Zo moest aan Armgard door de minister van Justitie een verblijfsvergunning worden verleend. Van familiekwestie werd haar komst naar Nederland regeringszaak. Drees werd enigszins tot zijn verrassing in dit huiselijk conflict in de rol van bemiddelaar gedrukt.11

Uiteindelijk kwam in februari 1952 conform een suggestie van Tellegen een compromis uit de bus. Armgard zou zich in Nederland mogen vestigen, maar wel ver van Soestdijk. Juliana stipuleerde dat haar woonplaats ten oosten van de IJssel moest liggen of ten zuiden van de Maas (maar niet Den Bosch en omgeving). Ook zou de woningnood ter plaatse niet al te groot mogen zijn. In een tweede in Bernhards archief aanwezig briefje verklaarde zij verder af te zien van ‘de stappen die ik ondernomen heb c.q. van plan was te ondernemen, teneinde tot of een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed met eventuele latere echtscheiding te komen’. Die stappen waren immers alleen gezet, zo ging de verklaring verder, omdat zij ervan overtuigd was dat Bernhard door vast te houden aan zijn oorspronkelijke besluit haar positie en het gezag van de kroon in gevaar dreigde te brengen en kennelijk niet op andere wijze ervan te overtuigen was hoe hoog zij de zaak had opgenomen.12

Armgard vestigde zich vervolgens op een door Bernhard voor circa een kwart miljoen gulden aangekocht kasteeltje te Warmelo in de gemeente Diepenheim, waar zij tot haar dood in 1971 zou blijven wonen. Het was een allercharmantst onderkomen maar een veel duurdere behuizing dan het buiten Oersberg. De personeels- en overige exploitatiekosten zouden door Juliana en Bernhard gezamenlijk worden gedragen. In het gezelschap van haar trouwe huisgenoot, Pantchulidzev, die intussen op aanbeveling van Bernhard tot Nederlander was genaturaliseerd, had Armgard het er zeer naar haar zin. Zelf hield zij vast aan haar Duitse nationaliteit, misschien ook wel omdat zij geen afstand wilde doen van de sociale uitkering waarop zij als Duitse en Heimatvertriebene aanspraak kon maken. Zijn zakelijke inslag had Bernhard van niemand vreemd. Op Warmelo waar Beatrix en Irene naar hartenlust konden paardrijden onder het toeziend oog van Pantchulidzev, was het allemaal veel informeler en minder stijf dan bij Wilhelmina op Het Loo. Armgard huisvestte vaak ook gasten die om uiteenlopende redenen, of op verzoek van Bernhard, bij haar werden ondergebracht in plaats van op Soestdijk.

De verstandhouding tussen de echtgenoten liet ook na het compromis over Armgard veel te wensen over. Bernhard meende dat hij had moeten zwichten voor ‘chantage’, waarachter hij de hand van Hofmans en haar vrienden vermoedde. Hij vreesde voor het precedent. ‘En dat is een gevaarlijk iets; als haar vrienden dat goed merken dan gaat dat over alles door en dat kan niet.’13 Juliana op haar beurt schikte zich in Armgards aanwezigheid in Nederland, al deed het haar weinig genoegen dat haar dochters, in het bijzonder de oudste twee, het op het ‘warme’ Loo veel meer naar hun zin leken te hebben dan op het ‘koude’ Loo waar de andere grootmoeder resideerde. Het werd een bron van nieuwe conflicten toen te vaak naar Juliana’s zin haar dochters op Warmelo logeerden en de indruk wekten Soestdijk soms te willen ontvluchten.

De Hofmanskring had zijn pogingen opgegeven Bernhard in te lijven. Er werd kwaad over hem gesproken. Lag het niet mede aan zijn negatieve houding wanneer het gezichtsvermogen van Marijke ondanks de inspanningen van de zieneres toch zo weinig verbeterde? Deze kwaadsprekerij kon Juliana niet ontgaan. In dit geheel liet haar particulier secretaris, Walraven van Heeckeren, zich niet onbetuigd. In het voetspoor van Van Maasdijk, met wie hij in vriendschappelijke betrekking bleef staan, begon hij zich hoe langer hoe sterker als de beschermer van de koningin op te werpen tegen de listen en lagen van haar eigengereide echtgenoot. Tegenover de alom aanwezige juffrouw Tellegen liet hij zich weinig positief over de prins uit. Dat had hij beter niet kunnen doen. Zij kon het over het algemeen uitstekend vinden met de prins, te meer waar deze een charmeur pur sang was, ongeacht de leeftijd van het voorwerp van zijn aandacht.

Op 16 november 1951, te midden van alle beslommeringen over Armgard, werd hem in de Nieuwe Kerk te Delft een eredoctoraat in de technische wetenschap verleend. Uiteraard bleef zijn band met de vliegtuigindustrie in de feestrede, de laudatio, van de rector, prof. dr. A.J. Kluyver, niet onbesproken. Bernhard had zich doen kennen als ‘een even hartstochtelijk vlieger als bezadigd piloot’. Ook zijn technisch inzicht werd geprezen.

 

Menig vliegtuigconstructeur, die U in later jaren zijn nieuwe scheppingen toonde, hebt gij in verbazing gebracht door de oordeelkundigheid van Uw vragen en van Uw commentaar.14

 

Tellegen herinnerde twee dagen later in een brief aan Juliana, haar ‘lieve chef’ aan de feestrede van de rector. Natuurlijk waren de ‘schaduwplekken’ in het karakter van de prins daarin niet genoemd, de gelegenheid was er niet naar, maar onder dit voorbehoud was de schets van zijn hoedanigheden voortreffelijk geweest; het ‘deed mij realiseren hoe ontzaggelijk veel de Prins voor ons land is gaan betekenen en steeds meer betekent’. Des te meer had het haar getroffen toen zij van iemand die kort daarvoor een avond in ‘het groepje van je naaste vrienden’ had doorgebracht, had gehoord van ‘de minachtende toon’ waarop in die kring over de prins werd gesproken, als over ‘die man’. Alsof dit niet genoeg was, had zich bij haar een tweede bezoeker gemeld, iemand uit Juliana’s naaste omgeving:

 

De toon, waarop deze persoon over de prins sprak was onbeschrijflijk minachtend en smalend. Het was afschuwelijk, het was bijna haat. Ik kon de twijfel niet van mij afzetten, dat men zo niet over je man zou durven spreken, als men niet het gevoel had, dat je dit toelaat. Maar ik wil en ik kan dit niet aannemen, omdat het zoo verschrikkelijk deloyaal zou zijn. En dat is voor mij na de hoogheid des harten de ergste zonde.

Wie je man op een dergelijke wijze aantast en beledigt, tast jou aan en beledigt jou. Laat toch niemand in twijfel dat je dit niet tolereert, dat je je man hooghoudt, dat je van een ieder loyaliteit verwacht. Want anders, waarheen voert dan je weg? Naar eenzaamheid, gruwelijke eenzaamheid.

 

De brief die met verontschuldigingen besloot indien Juliana zich gekwetst mocht voelen, heeft deze laatste niet onberoerd gelaten. Het epistel werd doormidden gescheurd in het Koninklijk Huisarchief aangetroffen. Wie Tellegen op het oog had, is wel duidelijk. Haar eerste zegsman moet Van Dijk zijn geweest, de tweede over wiens uitlatingen ze ronduit geschokt was, was niemand anders dan Juliana’s particulier secretaris en dagelijkse adviseur Van Heeckeren. Door de koningin ingelicht over Tellegens brief, zette hij zich aan het schrijven van een geharnast antwoord, dat uiteindelijk nooit verzonden werd.15

Op Soestdijk waren de stellingen betrokken. De partijen stonden in de jaren daarna tegenover elkaar zonder dat er veel veranderde. De prins was ongelukkig over de invloed van Hofmans op zijn vrouw en over wat hij zag als stoken in zijn huwelijk door Juliana’s secretaris en andere leden van de Baarnse kring. De koningin was ongelukkig met een echtgenoot die zich steeds meer van haar leek los te maken en in geestelijk opzicht steeds verder van haar kwam af te staan. Zij voelde zich door hem en haar kinderen verwaarloosd. Intimi van de koninklijke familie, zoals freule Wttewaall van Stoetwegen, zagen het aan, maar konden weinig uitrichten; de freule kon slechts bidden op de goede afloop, zo liet zij op 28 juni 1953 aan de prins weten.16

=

029.tif

 

In huize Warmelo woonde prinses Armgard, moeder van Bernhard. ‘Liever Warmelo dan Koude Loo’.

 

De kinderen, in elk geval de oudere helft, kozen in deze tegenstelling de zijde van hun vader. Aan hem was het ook te danken dat Beatrix en Irene in het voorjaar van 1951 van de school van Kees Boeke werden gehaald.17 Door hun leerachterstand moest er wel een speciale (middelbare)schoolvoorziening worden getroffen in de vorm van het zogenoemde Incrementum aan het Baarns Lyceum. In kleine klasjes werden beiden klaargestoomd voor het behalen van diploma’s die er juist in hun geval niet erg toe deden, maar daarom niet minder begeerd werden. Voor Juliana was dit faillissement van haar onderwijspolitiek moeilijk te accepteren. Zij voelde zich in de affectie van haar kinderen voorbijgestreefd door Bernhard en later door diens moeder, en dat maakte haar des te verdrietiger en prikkelbaarder.

 

 

De invloed van Greet Hofmans in staatszaken

 

Minister-president Drees had aan zijn kennismaking met Hofmans begin 1949 de indruk overgehouden dat zij politieke invloed nastreefde.18 Op 2 mei 1951 maakte hij – voor zover valt na te gaan voor de eerste keer – in de ministerraad er gewag van, ‘dat mej. G. Hofmans aan het Hof invloed probeert uit te oefenen en als een Raspoetinfiguur wordt aangeduid’.19 Beel, vicepremier in het derde kabinet-Drees (19521956) en meest prominent lid van de naar hem genoemde commissie, viel hem in september 1956 bij. Het was volgens Beel ‘aan geen twijfel onderhevig dat Mej. Hofmans via doorgevingen in de afgelopen jaren zich onder meer op staatkundig terrein heeft bewogen en concrete adviezen aan H.M. heeft verstrekt’.20

Pakken met wenken en doorgevingen, hetzij in de hand van Hofmans hetzij in de hand van Juliana – in dat laatste geval waren zij kennelijk door de zich dan zo noemende ‘d.g.’ [de doorgeefster] aan haar gedicteerd – worden in het Koninklijk Huisarchief bewaard. Ze omvatten de jaren 19491956. Helder waren ze in de regel niet, veelal waren ze ook niet gedateerd. Vaak bevatten de wenken van de zieneres tamelijk vage gedachten over de wereldvrede, de hulp aan vluchtelingen en het hogere. De cruciale vraag blijft natuurlijk wat de concrete invloed van die wenken en doorgevingen op Juliana was. Het is daarbij zaak onderscheid te maken tussen beslissingen die overheids- dan wel persoonlijke zaken raakten, tussen Juliana’s functioneren als staatshoofd en als particulier persoon. Vragen die rechtstreeks of zijdelings betrekking hadden op kabinetsformaties en begrotingszaken, wetsvoorstellen, troonredes, ambtelijke benoemingen enzovoort, plachten niet door Juliana aan de doorgeefster te worden voorgelegd voor advies van ‘Boven’. Daarop betrekking hebbende wenken of doorgevingen zijn door de commissie-Beel niet gevonden. Zelf heb ik ze evenmin in het persoonlijk archief van Juliana of elders in het Koninklijk Huisarchief aangetroffen. Uitzondering op het vorenstaande zijn enkele, aan het slot van dit hoofdstuk behandelde doorgevingen uit de eerste maanden van 1956, waarbij overigens niet helemaal duidelijk is of die uit de koker van Hofmans of haar volgeling Van Heeckeren kwamen. Wel werd Hofmans betrokken bij de inhoud van sommige koninklijke redevoeringen en andere uitspraken van Juliana, ook als die een politieke strekking hadden. Het was immers nuttig te weten wat ‘Boven’ ervan dacht. Over het effect van haar adviezen was de doorgeefster niet altijd even optimistisch. Tegen de commissie-Beel zei ze in 1956 dat de koningin na het horen van een doorgeving vriendelijk kon knikken en anders handelen. Kwam het Juliana niet uit, dan negeerde ze het gehoorde.21

Als Hofmans zelf met uitspraken kwam die politieke implicaties konden hebben, los van de vraag of zij politieke invloed beoogde uit te oefenen, werden die, voor zover al begrijpelijk, door Juliana in de regel voor kennisneming aangenomen. Dat gold bijvoorbeeld voor het door de zieneres ‘doorgegeven’ oordeel over minister van Buitenlandse Zaken Stikker. Hij probeerde in 19501951 tevergeefs een oplossing te vinden voor de kwestie-Nieuw-Guinea, die tien jaar later Nederland en Indonesië op de rand van een oorlog bracht. Hij had ‘met handig manoeuvreren’ buitenlandse politiek gevoerd, maar was met de binnenlandse politiek niet in evenwicht. ‘De olie in de lamp van Stikker raakt op.’ Inderdaad trad hij kort daarop af, nadat zijn eigen partij, de vvd, het vertrouwen in hem had opgezegd. Triomfantelijk keerde hij terug toen geen andere vooraanstaande liberaal bereid bleek zijn plaats in te nemen. De kabinetscrisis werd opgelost door de formatie van het (tweede) kabinet-Drees in maart 1951. Bedenkelijker klonk Hofmans’ voorspelling dat de koningin binnenkort ‘een onnavolgbare onafhankelijkheid’ zou gaan tonen die de regering zou opvallen ‘en hen daar zal treffen waar zij vergroeid zijn met partij- en eigenbelang’.22

Bij Juliana’s redevoeringen, voor zover zij die zelf schreef of wenste te schrijven, werden zowel vooraf als achteraf ‘wenken’ en ‘doorgevingen’ gevraagd. Zo kreeg Juliana in 1951 van Greet Hofmans over haar kerstrede te horen dat deze rustig had geklonken

 

vanuit een zekerheid die telkens weer het kenmerk van Uw boodschappen zijn. Misschien microfonisch niet volmaakt genoeg doch dit is techniek en zal wel te verbeteren zijn.23

 

Bij een door Juliana in 1951 aan de organisatie voor International Christian Leadership te zenden boodschap werden vooraf aanwijzingen gevraagd, ‘bijvoorbeeld of ik op de goede weg ben’. Hetzelfde gold voor een toespraak voor een aantal burgemeesters. Doorgegeven werd dat de nadruk minder zou moeten liggen op hun onderlinge samenwerking en meer op ‘de verantwoordelijkheid’ voor de inwoners van hun gemeenten. Verder werd het concept beoordeeld als ‘nog wat te oppervlakkig daar de Inspiratie zelf meer omvat dan de vorming van goede zinnen’.24

Hofmans kwam er ook aan te pas toen Juliana in 1953 het plan opvatte een nieuwe brief over het vluchtelingenvraagstuk te schrijven, dit keer aan de pas gekozen president Eisenhower. Evenals bij haar brief aan Truman ging het hier om een persoonlijk initiatief van Juliana, vermoedelijk mede geïnspireerd door de doorgeefster. Het druiste in feite in tegen het standpunt van het kabinet. Dat ging uit van de fictie dat Nederland een emigratie- in plaats van een immigratieland was. Vluchtelingen hadden hier niets te zoeken. Aan repatrianten uit Indië had men al de handen vol. Bernhard zou haar oproep (tot Amerika) voor een ruimhartig toelatingsbeleid op 27 maart 1953 aan de president persoonlijk overhandigen. Met moeite kreeg het kabinet tevoren inzage van het koninklijk schrijven. Juliana had ‘van Boven’ begrepen, dat ook andere staatshoofden aangeschreven moesten worden. Moest dat gelijktijdig geschieden of pas na de overhandiging van de brief aan Eisenhower? Het antwoord van Hofmans was kort maar krachtig:

 

Eerst Eisenhower! Daarna andere staatshoofden en niet met verwijzing naar Eisenhower. En op centraal verantwoordelijk-heidsgevoel wijzen.25

 

Het antwoord logenstrafte Hofmans’ latere bewering tegenover de commissie-Beel dat er nooit sprake was van ‘een concrete vorm, van een concrete situatie’.26 Wel was waar dat Juliana het doorgaans moest doen met minder concrete uitspraken in de trant van: ‘De nieuwe economie zal geleid worden in de banen van verlichte democratische geest.’ Ook de verzekering dat de jeugd de toekomst had, was nooit weg:

 

U begrijpt, dat voor U de weg nog maar pas begonnen is en dat de komende 5 jaren de meest belangrijke contacten worden in werking gezet (door Hogerhand) en de wereld U in deze zin (directer uitgesproken) zal leren kennen als in deze zin allround en steekhoudend, omdat 2/3 van de jonge mensen (17-25 jaar) hier onmiddellijk in zullen treden en zo de eerste steen leggen, die, met recht, de hoeksteen der vrede genoemd mag worden. De radicale ineenstorting (van het politiek, militair, economisch gebied) zal zeer snel plaatshebben...27

 

Ettelijke vergelijkbare voorbeelden zijn te geven van de vaagheid, zo niet de totale onbegrijpelijkheid, van haar wenken en doorgevingen. De invloed van Greet Hofmans op de koningin in staatszaken, zo die er al was, bleef daardoor beperkt. Ze waren te duiden zoals de ontvanger ze wilde duiden. Vielen ze in goede aarde, dan viel niet uit te sluiten dat zij een bevestiging inhielden van wat Juliana tevoren zelf al had gedacht of gewild.

Begin 1956 leek het karakter van die wenken en doorgevingen echter te veranderen, hun toon werd dwingender, de koningin opgeroepen de grenzen van haar staatsrechtelijke bevoegdheden op te zoeken. In bepaalde doorgevingen (we komen er nog op terug) werd de koningin aangespoord om door gesprekken met ministers en hoofdredacteuren van kranten nadere invulling te geven aan haar regeringstaak. Beel zal in het bijzonder op deze ontwikkeling hebben gedoeld toen hij zich later dat jaar zo alarmerend uitliet over de invloed van Hofmans. Hij had er toen ook wel reden voor omdat hij de indruk had gekregen dat de koningin ondanks de door zijn commissie gedane aanbevelingen haar ‘Lieve Engel’ niet wilde opgeven.

Kijken wij nog eens naar de inhoud van haar boodschappen, voor zover daaraan een politieke kleur kan worden gegeven, dan bleek dat Hofmans enerzijds de vluchtelingen in de wereld en de wereldvrede een warm hart toedroeg, maar anderzijds weinig moest hebben van zaken als herbewapening en versterking van de defensie. Bij Juliana vond zij voor haar voorkeuren een open oor. Voor de opeenvolgende Nederlandse kabinetten gold in de jaren waarin de Koude Oorlog zijn hoogtepunt naderde, precies het omgekeerde. Ook Bernhard, in de communistische pers wel aangeduid als ‘de navo-prins’, toonde zich een warm voorstander van een drastische verhoging van het defensiebudget. Als inspecteur-generaal voor de verschillende krijgsmachtonderdelen en nauw bevriend met minister van Oorlog C. Staf, kon ook moeilijk anders van hem worden verwacht. Drees lijkt zelf aan de pacifistische neigingen van het staatshoofd minder zwaar te hebben getild. Met wederzijds geven en nemen kwam men daar wel uit, gaf hij nog op 30 oktober 1956 aan een bezoeker te kennen.28

Niettemin was Juliana zich goed bewust van de grondwettelijke verhouding tussen staatshoofd en ministers; zij besefte dat haar handelingsvrijheid beperkt was. Het kon ook moeilijk anders. Haar hele opvoeding was erop gericht geweest haar een juist begrip van het Nederlandse staatsrecht bij te brengen. Dat gold en geldt voor elke Nederlandse troonopvolger, te beginnen bij de jonge koningin Wilhelmina aan het einde van de negentiende eeuw. Het leven mocht wel eens afwijken van de leer, maar die leer was in elk geval duidelijk. Het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid, dat met Thorbeckes Grondwetsherziening van 1848 zijn intrede in het Nederlandse staatsbestel had gedaan, staat niet toe dat de koningin eigenmachtig, dus zonder de instemming van de minister-president of haar ministers, in staatszaken optreedt of haar eigen gang gaat. Deed zij het toch, dan zou zij tot de orde zijn geroepen, zoals in 1956 uiteindelijk het geval was.

In een van haar spaarzame brieven aan de directeur van het kabinet der Koningin Tellegen – meestal werden staatsrechtelijke kwesties door beide dames mondeling besproken – kwam na de formatie van het tweede kabinet-Drees in maart 1951 het fenomeen nieuwe ministers ter sprake. Juliana liet zich cynisch maar trefzeker over deze nieuwkomers en de verhouding tot hun ambtenaren uit.

 

Nieuwe ministers zijn grappige mensen. Ze zien ongehoorde mogelijkheden, willen wonder wat bereiken. Voorts vinden ze mijn opinie belangrijk!!!!!!... Enfin, hh. Ambtenaren zullen alle kinderlijke denkbeelden wel gauw verjagen!29

Haar woorden gaan ruim een halve eeuw later nog steeds op. Juliana kende de beperkingen van haar staatsrechtelijke positie en maakte zich vrolijk over nieuwe bewindslieden die overdreven belang toekenden aan haar mening.

 

 

Alternatieve geneeskunde

 

Liet de invloed van Hofmans zich gelden in een zaak die begin 1952 door minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, J. in ’t Veld, aan zijn ambtgenoten werd gemeld? De Vlaardingse huisarts C. Moerman had een alternatieve kankertherapie ontwikkeld, waarin de door hem gefokte variant van de Nederlandse duif (hij was ook een enthousiast duivenmelker) een belangrijke rol speelde. Toen de gemeenteraad van Vlaardingen in 1947 een uitbreidingsplan had vastgesteld dat voorzag in de onteigening van een deel van zijn land, had Moerman met een beroep op zijn therapie het hoger opgezocht. Hij tekende tegen het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland beroep aan. De duiven moesten op zijn land blijven. Bij hun verhuizing naar een ecologisch andere omgeving zou de door hem gekweekte soort degenereren. Hij had succes voor zover het de koningin in september 1950 ter tekening voorgelegde besluit inzake dit Kroonberoep gedeeltelijk met zijn bezwaren rekening hield. Burgemeester en wethouders van Vlaardingen toonden zich bereid zijn land te ontzien indien een officieel medisch onderzoek de waarde van zijn therapie zou bevestigen. Dat onderzoek kwam er voorlopig niet en leverde uiteindelijk niets op. Toen in 1952 de zaak, dit keer in de vorm van een door de gemeenteraad van Vlaardingen vastgesteld onteigeningsbesluit, ter goedkeuring aan de koningin werd voorgelegd, liet zij de (korte) termijn verlopen waarbinnen zij het besluit met haar handtekening had moeten bekrachtigen. Minister In ’t Veld vond dit blijkbaar een zorgelijke ontwikkeling, want hij meldde het feit in de ministerraad van 18 februari 1952 en voegde daaraan toe dat Majesteit ‘bewust’ de wettelijke termijn had laten verstrijken. Pas in 1961 volgde een koninklijk besluit waarin Moermans land (ten dele) ter onteigening in het belang van de volkshuisvesting werd aangewezen. Het belette hem niet tot diep in de jaren zeventig door te procederen.30

De naam van Hofmans viel niet in het dossier, maar zeker zal zij zich voor Moermans therapie hogelijk hebben geïnteresseerd. Ook zij wilde met de officiële medische wetenschap niet te maken hebben. Zij bleef daarin tot het einde van haar leven, zelfs bij de behandeling van de ziekte die haar ten slotte velde, consequent.

 

 

De zaak-Lages

 

Heeft Juliana misschien onder invloed van Hofmans gehandeld in de min of meer gelijktijdig spelende kwestie van het gratieverzoek van Lages? Hij was een van de grootste Duitse oorlogsmisdadigers die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland werden berecht. Lages had als hoofd van de Amsterdamse Sicherheitsdienst een belangrijk aandeel gehad in de deportatie van de joodse bevolking tijdens de oorlog en honderden arrestanten zonder vorm van proces laten doodschieten. Hij was bij sententie van het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam van 20 september 1949 ter dood veroordeeld. Het vonnis werd door de Bijzondere Raad van Cassatie bij arrest van 12 juli 1950 bekrachtigd. Bijna anderhalf jaar later, op 30 november 1951, werd het door Lages ingediende gratieverzoek door minister van Justitie H. Mulderije met een afwijzend advies aan de koningin voorgelegd. Deze bleek echter niet van zins haar minister te volgen. Zij wenste de doodstraf in levenslange gevangenisstraf te zien omgezet. Zelfs zou zij tegenover Drees hebben gezegd dat zij liever als koningin aftrad dan in het verlate doodvonnis te berusten. Het kabinet ging door de knieën, een nieuwe minister van Justitie, L.A. Donker, zette uiteindelijk (in september 1952) zijn handtekening op het koninklijk besluit waarbij Lages gegratieerd werd en levenslang kreeg (totdat hij in 1966 vanwege zijn slechte gezondheid op vrije voeten werd gesteld).

In de formatiebesprekingen van 1956 zou Drees ontkennen dat de invloed van Hofmans op de koningin tot directe staatkundige moeilijkheden had geleid. Hij maakte echter een voorbehoud voor de zaak-Lages en voor de redevoeringen van Juliana tijdens haar Amerikaanse reis in 1952, waarop wij zo dadelijk terugkomen.31 Toch was Juliana’s verzet tegen het doodvonnis goed te begrijpen. Daar had zij geen aanwijzingen of wenken van Hofmans voor nodig, die over dit onderwerp dan ook niet in het Koninklijk Huisarchief zijn aangetroffen. Het waren geen principiële bedenkingen tegen de doodstraf die bij haar de doorslag hebben gegeven. Eerder, zowel voor als na haar kennismaking met Hofmans, had zij wel en bij herhaling verzoeken om gratie van zulke straffen afgewezen. Nog in 1951 en 1952 was dit drie keer het geval.32 Er waren andere redenen voor haar verzet. Ten eerste was erg veel tijd verstreken tussen het uitspreken van de doodstraf tegen Lages en het moment waarop het gratieverzoek aan haar werd voorgelegd. Bovendien waren, mede om die reden, de bij het gratieverzoek uitgebrachte rechterlijke adviezen niet eensluidend. Zowel de Bijzondere Strafkamer van de rechtbank te Amsterdam als de procureur-fiscaal (die in strafzaken tegen andere oorlogsmisdadigers van de diensten van Lages gebruik had gemaakt) en drie van de zeven leden van de Bijzondere Raad van Cassatie hadden voor inwilliging van het gratieverzoek en omzetting van de doodstraf in levenslang gepleit. Ook Tellegen had het staatshoofd in dit geval daartoe geadviseerd. Juliana stond dus bepaald niet alleen in haar verzet tegen de door de minister van Justitie namens het kabinet voorgestelde afwijzing van het gratieverzoek. In een recent proefschrift over ‘de drie van Breda’ door Hinke Piersma is dan ook de conclusie getrokken dat de rol van koningin Juliana met betrekking tot de gratieverlening aan Lages geringer was dan tot nu toe werd gedacht.33

 

 

Een succesvol staatsbezoek

 

Van 2 tot 23 april 1952 bracht Juliana tezamen met Bernhard een met veel publiciteit omgeven staatsbezoek aan de Verenigde Staten. Het was een lange reis die haar van de hoofdstad Washington via New York naar Grand Rapids in Michigan en Californië voerde.34 Het doel was de Amerikanen te bedanken voor hun aandeel in de bevrijding van Nederland in 19441945. Het daartoe geschonken Nederlandse carillon op de erebegraafplaats van Arlington bij Washington bracht die dank op passende wijze tot uitdrukking. Het was verder zaak de politieke en economische banden aan te halen met het machtige Amerika, de grote bondgenoot in de Koude Oorlog. Van groot belang werd Juliana’s presentatie geacht. Wat zou zij bij officiële ontvangsten zeggen en hoe? Niet alleen zou zij bij de Trumans op het Witte Huis logeren, maar ook het Amerikaanse Congres toespreken, zoals haar moeder in 1942 had gedaan. De Nederlandse ambassadeur te Washington, J.H. van Roijen, en minister van Buitenlandse Zaken Stikker bereidden de door de koningin uit te spreken redevoeringen dan ook zorgvuldig voor.

=

J&B14 Amerikaans Congres SFA.tif

 

Juliana spreekt het Amerikaans Congres toe, 3 april 1952.

 

Er kwam een kink in de kabel toen bleek dat Juliana niet van zins was de haar voorgelegde teksten braaf voor te lezen. Zij had zelf een deel van haar toespraken geredigeerd en over hun inhoud zich laten adviseren door ‘Boven’. Dat veroorzaakte grote commotie op wat toen nog ‘het Plein’ en nu ‘de Apenrots’ (het ministerie van Buitenlandse Zaken) heet. Diplomaten plegen een onevenredig gewicht toe te kennen aan het belang van hun eigen bezigheden, om het eens diplomatiek te zeggen. Juliana wilde immers helemaal niet alleen over de (Koude) Oorlog spreken, de verbondenheid van beide landen in de navo, of het Amerikaanse ongenoegen over de (te) geringe Nederlandse defensie-inspanning. Zij wilde het hebben over de vrede. Geïnspireerd door Hofmans zou dat gebeuren in zweverige teksten die voor velerlei uitleg vatbaar waren. De doorgeefster had het haar al voorspeld: ‘Uw toespraken zullen sterke beroering wekken’ en haar op het hart gebonden aandacht te schenken aan ‘de ingevingen’ die zouden volgen. Stikker haalde Drees en Tellegen erbij om de koningin tot andere gedachten te brengen. Ook Bernhard deed zijn best, want hij was wel de laatste die zijn talrijke Amerikaanse vrienden van zich wilde vervreemden. Het hielp wel iets maar niet veel. Juliana hield op tal van punten aan haar teksten vast en de ministerraad legde zich er uiteindelijk morrend bij neer. Zelfs een constitutioneel staatshoofd kan de vrijheid van meningsuiting niet geheel worden ontnomen. Het kabinet aanvaardde bij meerderheidsbeslissing en zonder enige politieke geestdrift de politieke verantwoordelijkheid voor wat zij zou zeggen.35

Iedereen hield in Den Haag zijn hart vast. Maar anders dan verwacht, werd Juliana’s bezoek aan het land waar zij in de oorlog zo vaak was geweest een enorm succes. Haar Amerikaanse toehoorders vonden haar op warme toon in onberispelijk Engels uitgesproken toespraken prachtig, voor zover zij er al naar luisterden en die begrepen. Geen Amerikaan lag er wakker van, wanneer Juliana zei (zoals in haar toespraak tot het Congres op 3 april) dat zij van ganser harte hoopte dat de productiestijging die nu werd gebruikt voor de bewapeningswedloop eens ten goede zou komen aan ontwikkelingsprojecten (in de derde wereld) en dat de landen van het Atlantisch bondgenootschap niet dezelfde fout moesten maken als de landen achter het IJzeren Gordijn, om alles te concentreren op hun verdediging in plaats van mede op hun economisch, sociaal en cultureel welzijn. Alle zorgelijk kijkende Nederlandse diplomaten (en Bernhard niet te vergeten) werden in het ongelijk gesteld. Juichende commentaren in de Amerikaanse pers vielen haar ten deel. De vroegere president Roosevelt bleek in zijn sympathie voor ‘royalty’ niet alleen te hebben gestaan. Zelfs het verrassende antwoord op de Juliana tijdens een persconferentie in Los Angeles gestelde vraag hoe zij dacht haar bevlogen denkbeelden te realiseren (‘I have no idea whatsoever’) – hetgeen na afloop van de persconferentie een boze reactie van de prins uitlokte – viel in goede aarde.

Enthousiast liet ook een aan de Britse ambassade te Washington verbonden diplomaat, Christopher Steel, zich over het Nederlandse staatsbezoek uit. In een rapport aan het Foreign Office in Londen prees deze onbevangen waarnemer het optreden van Juliana:

 

By the ease of her personal contacts, her dislike of formality, her mastery of English and ability to produce the occasional ‘bon mot’ and by the good sense of her comments on international affairs, and the graciousness with which she administered any criticisms of this country, she fulfilled the purpose of her visit with outstanding success.

 

Het was, aldus deze rapporteur, daarom geen wonder dat het bezoek alle verwachtingen had overtroffen. Kritiek had zij haar gastheren niet bespaard, maar ‘the criticism was made so graciously, however, that no one appeared to take offence’. De persoonlijkheid van Juliana en de wijze waarop zij zich had afgezet tegen de romantische, apolitieke atmosfeer die een koninklijk bezoek nu eenmaal placht te kenmerken, hadden haar de allure gegeven van ‘a visiting elder statesman’.36

Haar ontvangst in Amerika onderscheidde zich inderdaad van andere staatsbezoeken. Zij had drie dagen bij de president op het Witte Huis gelogeerd in plaats van de gebruikelijke ene dag en in New York een ticker-tape ontvangst gekregen (waarbij confetti en papiersnippers uit de ramen van wolkenkrabbers werden gestrooid). Verder had zij een weekend bij Mrs. Roosevelt op Hyde Park doorgebracht (die haar nog eens vruchteloos tegen Kaiser en Hofmans waarschuwde) en, last but not least, bij een erepromotie aan de Columbia Universiteit de studenten gewezen op het gevaar van overspecialisatie, een nog steeds actueel thema.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Dean Acheson, bleek al evenzeer te spreken over het bezoek. Om het uitstekende Engels van Juliana te demonstreren aan zijn gehoor bij een officieel diner, citeerde hij zelfs een paar zinnen uit haar toespraak voor het Congres, die naar zij hem achteraf wat sip influisterde juist niet van haar waren.37

Wat bleekjes stak bij dit alles het oordeel van een vermoedelijk zuinig kijkende Van Roijen af. Hij bleef ‘zich verwonderen doch tevens verheugen’ over de wijze waarop de koninklijke redevoeringen, waarop hij eerder zoveel kritiek had gehad, in Amerika waren aangeslagen. Niemand had kritiek geuit. Ook Stikker kon moeilijk anders doen dan na afloop publiekelijk zijn tevredenheid betuigen over het grote succes dat de reis was geweest. De stemming was boven verwachting vriendelijk, aldus de bewindsman. Voor Juliana moet het een prachtige maand zijn geweest in een niet al te plezierige fase van haar leven.38

 

 

De invloed van Greet Hofmans in persoonlijke zaken

 

De prins ergerde zich in zijn brief aan Wilhelmina van 12 februari 1950 zeer aan het feit dat zijn vrouw zaken ‘die echt ons privéleven aangaan’ met Hofmans besprak. Op dit punt overdreef hij niet. Een groeiend aantal doorgevingen raakte zijn persoonlijke levenssfeer en die van de kinderen. Zijn echtgenote zag er geen kwaad in. ‘J[uliana] krijgt regelmatig wenken door, die ze rustig door haar brieven heen vlecht en haar man zodoende frappante steun zal geven op de moeilijke momenten,’ zo noteerde Juliana voor zichzelf op 16 oktober 1952. Anders dan in haar meer staatkundig georiënteerde wenken doorgaans het geval was, kon de zieneres dan soms verrassend to the point zijn. Werd ze hierbij gesecondeerd door Walraven van Heeckeren? Voor hem als particulier secretaris van de koningin bleef weinig geheim. Bovendien was hij gehuwd met een vrouw die als een van Juliana’s beste vriendinnen gold, haar zelfs met ‘Mammie’ aanschreef.

Zo legde Juliana Hofmans de vraag voor wie op Soestdijk aan de telefoon spioneerde (want daarvan was ze kennelijk overtuigd) of daartoe opdracht gaf. (Antwoord: ‘Namen zijn voor U van geen belang daar van omhoog dit spel tot op zekere hoogte wordt gelaten om later bewijsstukken te hebben voor hun wangedrag.’) Een andere vraag betrof Sesink, verantwoordelijk voor haar veiligheid en die van haar man. Was hij nog te vertrouwen of te zeer in de invloedssfeer van Bernhard geraakt doordat hij die op buitenlandse reizen steeds vergezelde? (‘Neen. Hij is beetje voor beetje gezwicht voor eigenbelang.’) Ook mutaties onder het hofpersoneel kwamen aan de orde, en niet-onbelangrijke, zoals de vraag of de intendant van het Koninklijk Paleis en Domein Het Loo na een reorganisatie gehandhaafd moest worden. (‘Stel ontslag uit tot nader onderzoek.’) Zelfs de positie van de linnenjuffrouw in het paleis werd aan de doorgeefster voorgelegd met het verzoek of ‘Boven’ advies kon geven.

Eveneens werden gevraagd en ongevraagd analyses van de gezondheid en het karakter van de prins verstrekt. Juliana zocht immers bij Hofmans steun naar aanleiding van bepaalde opmerkingen van de prins. (‘Troost U me eens: mijn man zei zojuist: Van de zomer werd je weer aardig, maar nu in de herfst heb je weer alles afgebroken wat er aan genegenheid bij me opgekomen was; je staat nu weer onder invloed van je vrienden.’)39 Innerlijk was ze ‘ernstig verdrietig’ om wat in de laatste jaren was voorgevallen tussen haar en Bernhard, ‘gezien de toch nog merkbare binding die bij ons beiden voortdurend aan de dag komt’. De oude liefde was niet helemaal verdwenen, maar werd wel zwaar op de proef gesteld.40

De vraag rijst andermaal waarom Juliana zich zo liet leiden door een vrouw die als een destructieve kracht op haar huwelijk inwerkte, de gezinsverhoudingen ontwrichtte en kennelijk een eigen agenda voerde. Kwam het door het verdriet om Marijke, een verdriet waarmee zij elke dag opnieuw werd geconfronteerd? Lag het aan de spanningen in haar huwelijk, haar werk en de toestand in de wereld die haar ongelukkig en onzeker maakten? Was het de wens om zich te conformeren aan haar Baarnse kring van vriendinnen die zich in hun dagelijkse leven eveneens naar Hofmans’ wenken en doorgevingen richtten? Was het de voor ons niet meer na te voelen fascinatie voor een vrouw aan wie bovennatuurlijke gaven en krachten werden toegeschreven, maar die tegelijkertijd ook weer zo ‘gewoon’ was? Of hing het geloof in ‘Boven’ samen met Juliana’s aanleg en karakter? Zelf zei ze tegen de commissie-Beel dat haar spreken met Hofmans beantwoordde aan een innerlijke behoefte. Mensen die haar goed meenden te kennen, zoals freule Wttewaall van Stoetwegen en de hoogleraar Waterink, wierpen het op een haar toegeschreven ernstig minderwaardigheidscomplex. Ze had zich altijd de mindere gevoeld van haar moeder en aanvankelijk ook van haar man. De paradoxaal klinkende conclusie ligt dan voor de hand dat zij zo sterk afhankelijk van Hofmans werd, omdat deze haar zekerheid en zelfvertrouwen schonk.

Kunnen Juliana’s grafologische exercities ons misschien verder helpen? Zij probeerde die immers graag op zichzelf uit, daarbij geassisteerd door Waterink, de pedagoog-professor van de Vrije Universiteit. Anonimiteit moest voor alles verzekerd zijn, want anders verloor een test van het handschrift natuurlijk alle waarde. Tegelijk wilde een grafoloog wel weten in welk milieu de schrijver van het handschrift verkeerde en hoe oud hij ongeveer was. Waterink had dit probleem opgelost door Juliana op te voeren als de vrouw van een ambassadeur. Nog niet eens een leugen, schreef hij op 2 oktober 1950 onder toezending van de uitslag opgewekt aan Juliana. Werd de prins immers niet ‘the ambassador of goodwill’ genoemd?41

We mogen aannemen dat mevrouw E. Joseephy-Kahn te Nunspeet inderdaad niet beter wist. Ook wie elke grafologische beschouwing maar onzin vindt (anders dus dan Juliana en velen van haar tijdgenoten) zal niet kunnen ontkennen dat bepaalde aspecten van Juliana’s persoonlijkheid in haar analyse goed getroffen waren, al was deze, naar mevrouw Kahn aangaf, helaas gebaseerd op een met een balpen beschreven velletje papier, waardoor het schriftbeeld wel enigszins kon veranderen. De grafologe meende onder dit voorbehoud te mogen vaststellen dat het zwaartepunt van het karakter van de onbekende diplomatenvrouw lag bij ‘de moederlijke kant’.

 

Maar dit moederlijke is niet beperkt tot haar kinderen: ze is van een gevoelsmatige alverbondenheid, die gesteund wordt door haar wereldbeschouwing – een liefdevol mens. Er is in haar iets breeds en gemoedelijks, een vitale en argeloze hartelijkheid, met die ze zich wil geven; haar tragiek is echter, dat haar dat niet in deze mate is gegund. Het leven eist blijkbaar van haar een gespannenheid van houding, een snelheid van reactie, die wel overeenkomstig zijn aan haar vlugge en bewegelijke geest, aan haar intuïtieve begaafdheid, maar minder aan de eisen van haar gemoed, van haar opnemende en tot overgave bereide natuur. Mede hierdoor ontstaat een zeker gebrek aan evenwichtigheid.

 

Had ze vroeger hierin berust, als ‘rijpe vrouw’ was ze in verzet gekomen, ze had zich wapens gesmeed die haar vroeger vreemd waren. Als ‘tedere en warmvoelende vrouw’ was ze er overigens niet gelukkiger door geworden.

 

Van natuur zeer bereid tot inzicht en tevens toegankelijk voor goede raad, zal ze toch bij gelegenheid haar zin kunnen doordrijven op een manier, die geen tegenspraak duldt, zo niet met dan zonder argumenten en coûte que coûte.

 

Welwillendheid, een eenvoudige en natuurlijke vriendelijkheid, de bereidheid zich voor allen en alles te interesseren, haar hekel aan frases en gedoe, het warme contact van mens tot mens, haar vitaal elan – ‘ze kan iets uitstralen’ – het kwam allemaal ter sprake in de karakterschets van de psychologe/grafologe.

Waterink had nog een tweede handschriftexpert om een oordeel gevraagd, mevrouw A.M. Simon-Schmidt te Amsterdam. In haar rapport van 27 oktober 1950 beschreef zij haar diplomatenvrouw als:

 

Intelligent, buitengewoon levendig van geest en goed in staat op te nemen met een uitgesproken gevoel voor het hogere des levens... Een zeer spontane, levendige, temperamentvolle, emotionele en impulsieve natuur, een temperament, dat onder bewuste zelfcontrole en discipline heftig kan reageren. Zij is dan uiterst gespannen en nerveus... Veel plichtsbewustzijn. De zelfverzekerdheid, die in haar gedrag en in de gehele wijze, hoe zij zich geeft, tot uitdrukking komt, is dikwijls in tegenspraak met de diepere lagen van haar wezen...

Fijngevoelig maar ook kwetsbaar verdraagt zij niet gemakkelijk kritiek, vooral niet in perioden van te grote gespannenheid van zenuwen...

 

Waterink zelf liet zich evenmin onbetuigd. Onder de stukken van zijn hand die in het Koninklijk Huisarchief worden bewaard, bevindt zich het ontwerp van een uitvoerige brief waarin de koningin wordt verweten te zeer ‘gewoon’ te willen doen. Hij had een beter moment kunnen kiezen dan hij deed. De brief werd namelijk geschreven op 8 februari 1953, enkele uren nadat de koningin een aangrijpende rede had gehouden ter herdenking van de bijna tweeduizend slachtoffers van de watersnoodramp. Het schrijven van de brief was, naar Waterink de vorstin verzekerde, hem uiterst zwaar gevallen. Er was daarover ‘een grondig overleg van mijn hart met God’ geweest. Hij spaarde haar zijn kritiek niet, met hoeveel verzuchtingen en omhaal van woorden die ook werd gebracht. Zijn bezwaren kwamen erop neer dat ‘het stellig uitnemend pogen van Uwe Majesteit gewoon te doen met gewone mensen aan velen van Uw goede burgers en aan verschillende van Uw trouwste vrienden een zekere teleurstelling bezorgt’. Bovendien was dit streven tot mislukken gedoemd. Ten eerste omdat de mensen nu eenmaal in haar de koningin bleven zien. En ten tweede omdat, wanneer de koningin dan toch joviaal als ieder ander wilde doen, die houding haar niet lag.

 

Als Uwe Majesteit dat poogt te doen, dan maakt het óf de indruk van gewildheid, óf Uwe Majesteit maakt de indruk van te ver te gaan en zekere grenzen uit het oog te verliezen, die in de gecultiveerde burgerstand toch altijd in acht genomen worden... En het uiterst pijnlijke is nu, dat er zoveel mensen zijn, die deze vorm van gewoon doen van Uwe Majesteit betreuren en die er niet toe komen – en ik kan dat volkomen begrijpen – om dit eerlijk aan Uwe Majesteit te zeggen.

 

Ten slotte brak Waterink de staf over ‘de wijze waarop Uwe Majesteit een vrijwel onbegrensd idealisme en geloof in de menselijke mogelijkheden openbaart’. Dat ging nu eenmaal niet in de wereld van 1953.

 

In deze wereld zijn vele warhoofden, zijn ook veel onbetrouwbare mensen. Ook zijn er velen, die in vaag idealisme en die in idealistische vaagheid zich belangwekkend willen maken.

 

Waterink als opvoeder zocht het onvermogen van de koningin om gewoon te doen in haar opvoeding. Die had haar er niet op voorbereid om het leven en de verhoudingen onder de mensen te leren kennen. Daar kwam bij dat de mensen zich tegenover haar anders gedroegen dan zij werkelijk waren. ‘Er is uit de aard der zaak óf een zekere terughoudendheid óf een zekere neiging om zichzelf op te poetsen.’42

Heeft hij de brief ook verzonden en hoe was haar reactie? De vriendschap met de prins bleef in elk geval opperbest. Die zal niet gebukt zijn gegaan onder de verkapte kritiek op de Hofmanskring die in Waterinks schrijven besloten lag. Indien Juliana inderdaad van de brief heeft kennis genomen, heeft ze zich niet laten kennen. Waterink bleef op het paleis persona grata, een geziene gast.

Van haar menselijk tekort (of was het haar menselijk teveel?) als koningin was niemand zich beter bewust dan Juliana zelf. Toen de regering een staatsdiner aanbood in het Paleis op de Dam ter gelegenheid van de achttiende verjaardag van Beatrix, sprak Juliana in gevoelvolle woorden haar dochter toe. Zij zei onder andere:

 

Het ontbreken van een conflict tussen plicht en aanleg is een omstandigheid, waarvoor je, lieve Trix, niet dankbaar genoeg kunt zijn.43

 

Die zin uit haar toespraak schetste de jarige en haar moeder trefzekerder dan welke grafoloog of wijsneuzige Amsterdamse professor ook.

 

 

Oplopende spanningen

 

Het conflict escaleerde toen Bernhard na terugkeer van zijn (derde) Zuid-Amerikaanse reis in het najaar van 1952 van Van ’t Sant vernam dat mejuffrouw Hofmans had ‘doorgekregen’ dat de prins een aanslag op de koningin beraamde, terwijl hij en zijn moeder het neonazisme zouden willen bevorderen. Ook zou Armgard de hand hebben gehad in de ontsnapping van zeven Duitse oorlogsmisdadigers uit de strafgevangenis in Breda, een zaak die destijds voor veel opschudding zorgde.44 Nu was enige voorzichtigheid geboden bij mededelingen die uit de koker van Van ’t Sant kwamen, maar de prins zag toch aanleiding om in december 1952 contact met Beel en Tellegen te zoeken. Dat hij juist dit duo in vertrouwen nam, was niet zo vreemd. L.J.M. Beel, minister-president van 1946 tot 1948, was in het in september 1952 aangetreden (derde) kabinet-Drees vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken. Hij stond én bij Juliana én bij Bernhard hoog aangeschreven. Zijn achtergrond (voormalig gemeenteambtenaar en katholiek) deed niet onmiddellijk een grote mate van intimiteit met het koninklijk paar veronderstellen, maar Beel beschikte over eigenschappen die hem bij uitstek voor de rol van vertrouwensman kwalificeerden. Hij was wijs en discreet; daarnaast was hij heel menselijk. Juliana had hem in het laatste oorlogsjaar in Londen leren kennen. Ze was, zoals zij haar moeder in de zomer van 1945 schreef, ‘dolblij’ toen hij in het kabinet-Schermerhorn als minister terugkwam. Ook later kon zij het uitstekend met hem vinden.45

Voor Tellegen gold dat zij naast haar sympathie voor Bernhard nog steeds een bijzondere band met de koningin had, al werd haar positie in deze jaren ondermijnd door de Hofmansgroep. Ook Beel en Tellegen stonden met elkaar op vertrouwelijke voet. In een briefje van Beel uit 1953 aan ‘beste Marie-Anne’ heet het bijvoorbeeld: ‘Ik waardeer zó bijzonder je vriendschap.’ In dat conclaaf werd de particulier secretaresse en vertrouwelinge van prinses Wilhelmina, Jeannette Geldens, betrokken. In een eerder briefje aan Tellegen sprak Beel van ‘de band tussen ons drieën, welke ik zeer bijzonder waardeer’. Ongetwijfeld zullen zij in deze jaren, voorgelicht door Bernhard, menigmaal met elkaar gesproken hebben over de moeilijkheden op Soestdijk.46 Beel moet over de situatie op het paleis goed geïnformeerd zijn geweest, toen zijn hulp in het najaar van 1955 voor het eerst daadwerkelijk werd ingeroepen.

Een tweede bron van spanning tussen koningin en prins was het streven van de Hofmanskring om nog meer invloed aan het hof te krijgen. Een veeg teken was de benoeming van de oude mevrouw Van Heeckeren van Molecaten, de moeder van Walraven, nog steeds een van de ‘voorbereiders’ van de Oude Loo-conferenties, tot grootmeesteres op 18 november 1954. Wij hebben haar leren kennen als iemand die tot de grootste vereerders van de doorgeefster behoorde. Weliswaar was haar functie een in hoofdzaak ceremoniële, maar de indruk werd toch gewekt dat Hofmans na de zoon met zijn moeder een tweede trouwe paladijn in de onmiddellijke omgeving van de koningin had weten te posteren. Gelijktijdig werd mevrouw H.P.J. van Till-Tutein Nolthenius tot dame du palais benoemd. Zij en haar man, G.N.H. baron van Till, een marineofficier die in 1953 na zijn pensionering een aanstelling kreeg als adjudant in buitengewone dienst van Juliana, stonden te boek als aanhangers van Greet Hofmans. Anderen daarentegen die met haar niets te maken wilden hebben, kregen ontslag, zoals Juliana’s secretaresse mevrouw Smitt-Avis in de zomer van 1956, of zagen hun bevoegdheden ingeperkt. Zo moest grootmeester Van Hardenbroek zijn functie van opperceremoniemeester op 1 februari 1955 neerleggen. Nu was er voor de inperking van de bevoegdheden van Van Hardenbroek wel iets te zeggen, maar in de gepolariseerde sfeer aan het hof werd iedere personele mutatie direct uitgelegd als geïnspireerd door Hofmans en haar aanhangers.

Zelfs de bijschriften bij kleine geschenken tussen de echtgenoten kregen zo een lading die in meer normale tijden niemand erachter gezocht zou hebben. Wat te denken van Bernhards traditionele nieuwjaarscadeautje voor Juliana, een zakagenda, die vergezeld ging van het volgende kattenbelletje?

 

Lieve Mammie. Hier het ‘gebruikelijke’ cadeau – met de grote hoop dat je in dit en in alle volgende jaren mij minder zult verdenken van je te willen ‘pesten’ of zelfs erger. Je wilt toch geen ‘zwijgende’ echtgenoot? Dus – geen complexen meer maar gewoon doen en liever vragen dan verkeerd denken – ter wille van jezelf. Heel, heel veel liefs van je oude B.

 

Of hetzelfde geschenk maar dan voor 1955:

 

Mijn lieve Lula. Van harte hoop ik dat 1955 je heel veel vreugde en geluk mogen brengen, ook pleizier met ons allen samen en een minimum aan zorgen!! Met een extra zoen je soms moeilijke (alleen uiterlijk!) Bernilo.47

 

Nu biedt een ruim paleis als Soestdijk wel enige mogelijkheden elkaar te ontlopen, terwijl ook de drukke agenda’s van koningin en prins genoeg kansen schiepen elkaar niet al te vaak te zien. Bernhard reisde in deze jaren veel, niet alleen naar Zuid-Amerika maar ook naar een land met een prachtige natuur en uitgestrekte wildparken waar hij nog vele malen zou terugkeren, Zuid-Afrika. Met dat ‘stamverwante’ land, waar de apartheidspolitiek een vijftal jaren eerder was ingevoerd, onderhield Nederland nog steeds warme betrekkingen. Zelfs minister-president Drees was Bernhard in 1953 in een officieel bezoek aan Kaapstad voorgegaan. De denkbeelden van de prins bleken na zijn uitermate geslaagde reis in niets te verschillen van die van de meesten van zijn landgenoten in die jaren. ‘Je kunt die neger-problemen onmogelijk uit de verte beoordelen en als men hier is begrijpt men veel beter de houding der regering.’ Weliswaar moest er het nodige veranderen en zouden de blanken water in de wijn moeten doen, ‘maar het zijn farmers die regeren, dat gaat niet zo vlug’.48

Maar Bernhards reislust richtte zich in deze jaren vooral op de Verenigde Staten. Hij vond nieuw en passend emplooi in het organiseren van de zogenoemde Bilderberg-conferenties. Ze werden bijgewoond door een selecte kring van genodigden met hem als voorzitter. De prins deed het in die functie lang niet slecht, dankzij zijn joviale, maar ook zakelijke manier van optreden. Het was een (overigens niet door hem bedacht) initiatief dat ten doel had de Amerikaans-Europese betrekkingen te verbeteren en het ook toen al in Europa welig tierende antiamerikanisme de kop in te drukken. De opzet deed aan de Oude Loo-conferenties denken met inleidingen, sprekers en discussie. De regering was op de hoogte. Minister van Buitenlandse Zaken Beyen, die bij Juliana (toen nog) goed stond aangeschreven, had in de ministerraad mededeling gedaan van de voorgenomen activiteiten van de prins en niemand had daartegen verzet aangetekend.49 De enigen die bij Bernhards optreden vraagtekens plaatsten, waren Juliana en nog meer haar particulier secretaris Van Heeckeren. Begaf de prins zich hiermee niet op het terrein van de buitenlandse politiek dat toch aan de koningin was voorbehouden? Ook de rechtstreekse contacten van haar echtgenoot met minister Beyen werden door de koningin minder gewaardeerd.

De eerste bijeenkomst, van 29 tot 31 mei 1954 in hotel De Bilderberg bij Oosterbeek, viel in de tijd trouwens samen met een Oude Loo-conferentie. Het zal noch Juliana noch Bernhard zijn ontgaan. Alleen kwamen de circa 75 deelnemers te Oosterbeek uit een totaal ander milieu. Geen zweverige types bevolkten de conferentiezalen en wandelgangen van de Bilderberg-bijeenkomsten, maar politici, oud-politici en zakenlieden uit Amerika en een aantal West-Europese landen. Communistische deelname was taboe. Het koudeoorlogsdenken vierde hoogtij. Het geld werd door particulieren bijeengebracht. De aanwezigheid van talrijke, gefortuneerde ondernemers maakte dit niet moeilijk. Ook de Amerikaanse inlichtingendienst en de Ford Foundation droegen hun steentje bij. Voor de technische ondersteuning kon Bernhard een beroep doen op zijn oude vriend Paul Rijkens die aan het hoofd stond van de Brits-Nederlandse multinational Unilever. Die stelde onder meer personeel uit zijn ‘service departments’ beschikbaar en met groot succes. Margarine is nu eenmaal een uitstekend smeermiddel.50

Op de agenda stonden onderwerpen als de communistische dreiging, de Europese eenheid en de grote economische problemen. De pers werd niet toegelaten. Een waas van geheimzinnigheid, dat de nieuwsgierigheid slechts kon prikkelen, omgaf de Bilderberg-bijeenkomsten. Aan de derde conferentie, van 23 tot 25 september 1955 in Garmisch-Partenkirchen, nam de founding father van de Europese Unie, Jean Monnet, deel evenals een aantal Amerikaanse en West-Europese atoomgeleerden. De enige dissonant was het Duitse weekblad Der Spiegel, dat een ironisch getoonzet commentaar over de ‘Geheimkonferenz’ afdrukte.51

=

pag 278.tif

 

Hotel De Bilderberg te Oosterbeek begin jaren vijftig.

 

Zelfs Hofmans bleek niet afkerig van een buitenlands reisje, waardoor zij voor enige tijd uit het gezichtsveld van het hof verdween. Ze reisde regelmatig naar bijeenkomsten van gespreksgroepen in Duitsland en Engeland en bracht twee keer een bezoek aan Venezuela, in januari 1954 en van 18 december 1954 tot 23 januari 1955. Onder het kapitaalkrachtige personeel van de Koninklijke/Shell in dat olierijke land had zij enkele volgelingen bereid gevonden haar overtocht te financieren. Naar de consul te Maracaibo later vernam, zou onder haar invloed in verschillende Nederlandse gezinnen ter plekke onenigheid zijn ontstaan en waren ‘enige landgenoten ten gevolge van haar inmenging geestelijk uit hun evenwicht geraakt’. Een derde bezoek werd dan ook ongewenst geacht. De Shell-directie had laten weten dat Hofmans niet meer bij haar employés zou mogen logeren (zo ging dat nog in die tijd). Een van de dames die haar hadden uitgenodigd en bij wie ze in huis had gewoond, was trouwens overleden, nadat zij vermoedelijk op advies van haar gast iedere medische behandeling had geweigerd.52

 

 

Een uitbarsting

 

De sfeer op het paleis werd er niet beter op, toen Juliana in de loop van 1955 bezwaar ging maken tegen de aanwezigheid van mejuffrouw Gilles, Bernhards particulier secretaresse, en van ‘Tschuli’ (Pantchulidzev) in het paleis. Gilles werkte niet alleen op Soestdijk maar woonde er ook. Zij was buitengewoon toegewijd aan Bernhard en stond letterlijk dag en nacht voor hem klaar; een andere relatie dan de werkrelatie was er overigens niet. Regelmatig at zij met het koninklijk gezin mee. Kennelijk werkte zij Juliana op de zenuwen. Volgens Walraven van Heeckeren, die haar niet mocht, was zij brutaal en opdringerig en kende zij haar plaats niet.53 Met Armgard was zij goed bevriend, zij logeerde wel eens op haar kasteeltje, en ook dat zal bij Juliana niet tot aanbeveling hebben gestrekt.

Pantchulidzev was een veel geziene gast in de stallen van Soestdijk waar hij, zoals op Warmelo, ruim aandacht gaf aan de hippische prestaties van de oudste prinsessen. Een mogelijk jaloerse Juliana vond dat zijn pupillen op deze wijze wel erg sterk in de invloedssfeer van Armgard werden getrokken. Zij vond de gewezen Rus met zijn niet al te duidelijke achtergrond minder geschikt gezelschap voor haar dochters. Bovendien zou hij, volgens de aantekeningen die Gerbrandy maakte als lid van de commissie-Beel, samen met de prins regelmatig in paarden ‘scharrelen’.54

Voor een beschrijving van de maanden die nu volgden, bewijzen Van Heeckerens dagboekaantekeningen goede diensten. De secretaris steunde Juliana door dik en dun, zij het dat hij zowel op de prins als soms ook op zijn werkgeefster snijdende kritiek had. Volgens hem ging het erom dat twee mensen voor een taak geroepen waren die daarvoor, toen zij ermee begonnen, volkomen ongeschikt waren. Hij was roekeloos en een avonturier, zij besluiteloos. Deze negatieve instelling verhoogde de harmonie op het paleis waar Van Heeckeren dagelijks aanwezig was niet.

De uitbarsting kwam toen Bernhard – en dit niet voor de eerste keer – in juli 1955 weigerde Juliana mee te nemen naar Engeland voor de paardenraces. Hij ging met zijn twee oudste dochters, Pantchulidzev en... zijn moeder. Het was voor Juliana de druppel die de emmer deed overlopen. Ze wenste een einde te maken aan hun relatie en liet dat op 2 augustus 1955 weten in een, in haar fraaie handschrift zonder één doorhaling geschreven brief aan Bernhard. Het was een brief waaruit bitterheid en teleurstelling spraken. Ze bedankte hem dat hij de laatste tijd weer extra zijn best had gedaan om ‘aardig en lief’ te zijn, maar verwachtte niet dat dit ooit tot een werkelijk bevredigende toestand kon leiden. Als een ‘goed’ huwelijk niet mogelijk was, dan was helemaal geen huwelijk te verkiezen boven halfslachtigheid. Zij had daarom, ‘na heel rijp beraad’, besloten de voorkeur te geven aan ‘een 100% ongetrouwd maar rustig leven boven deze onrust, die tot niets meer leidt’. Ze wenste dit eigen leven – van een echtscheiding sprak zij niet met zoveel woorden – ter wille van de kinderen en haar werk. De zakelijke uitwerking van dit alles zou rustig samen besproken kunnen worden. Bernhard zou zich intussen langzamerhand elders kunnen installeren, bijvoorbeeld op Warmelo. Als alles geregeld was, zou het leven ook hem nieuwe kansen kunnen bieden. Enkele dagen later vertrok zij met haar moeder naar Noorwegen voor een reeds lang tevoren geplande vakantiereis. De gebruikelijke ansichtkaarten werden niet vergeten. Armgard ontving er een, gedateerd op 14 augustus 1955, waarin Juliana haar schoonmoeder haar ‘love’ toezond.55

Of haar brief aan Bernhard van 2 augustus als een totale verrassing is gekomen, weten wij niet. Hij was in ieder geval zo verstandig er geen ruchtbaarheid aan te geven, Aan een blijvend uiteengaan van hem en Juliana heeft hij nooit gedacht. Misschien heeft hij gehoopt dat de bui zou overwaaien. Een echtscheiding in het koninklijk gezin was, zeker in die tijd, vrijwel onbestaanbaar. Juliana zou dit toch moeten inzien. Bij eerdere huwelijken in het Oranjehuis was het wel eens tot een ogenschijnlijk onherstelbare breuk gekomen, maar bleven de echtelieden voor het oog van het volk bij elkaar, althans bij representatieve gebeurtenissen. Het huwelijk van Juliana’s grootvader, koning Willem iii, en zijn eerste vrouw, koningin Sophie, was daarvan een voorbeeld. Ook Wilhelmina en Hendrik leefden na 1914 zo niet van tafel dan toch van bed gescheiden.

Het bleef echter niet bij dit openingssalvo. Op 27 augustus 1955 kreeg Bernhard van Juliana een telefoontje dat zij de dagelijkse leiding van de hofdepartementen, die zij hem in 1948 had toevertrouwd, terugnam. De betrokken hofdignitarissen werden dienovereenkomstig aangeschreven. Als reden werd opgegeven de wens om ‘mijn man in zijn huidige drukke werkzaamheden andere zorgen te besparen’.56 De directe aanleiding tot dit besluit is niet helemaal duidelijk. Volgens een mededeling van Bernhard aan zijn biograaf Alden Hatch zou Juliana door leden van de Hofmansgroep zijn ingefluisterd dat de prins zich haar toebehorende fondsen had verduisterd.57 Het geld zou hij vervolgens hebben besteed aan het onderhoud en de exploitatie van het kasteeltje te Warmelo. Thesaurier Van Hardenbroek wist ervan, maar zat met Bernhard in het complot. De juistheid van die beschuldigingen is nooit vastgesteld; het bewijs daarvoor nimmer geleverd. Ook de commissie-Beel heeft zich er niet over uitgesproken.

Adding insult to injury, bedacht Juliana een week later Armgard met een ijzig, tweeregelig, briefje. Daarin maakte zij duidelijk dat zij, op grond van alles wat in de laatste jaren in haar huwelijk en gezinsleven was voorgevallen, het beter achtte alle betrekkingen (‘all relationship’) met haar schoonmoeder te verbreken. Ook Wilhelmina brak het contact met Armgard af. Als eigenaar van paleis Soestdijk beschikte zij nog over andere machtsmiddelen. Pantchulidzev kreeg in oktober te horen dat hij niet langer op het paleis welkom was. Die ‘alte Königin’ had zijn kamers nodig die hij op een termijn van vier dagen moest ontruimen. De bom barstte nu ook tussen Bernhard en Wilhelmina. Hij liet de distinctieven van adjudant van de prinses (een w) van zijn uniformen halen.58

De prins was uitermate boos, schreef, zoals gezegd, het gedrag van zijn vrouw toe aan roddels in haar Baarnse netwerk en besloot op 12 september 1955 minister van Binnenlandse Zaken Beel in te schakelen. Achteraf is voor het verspreiden van die kwaadsprekerij met een beschuldigende vinger naar Walraven van Heeckeren en zijn vrouw Rita gewezen. Zelf kwam de secretaris met een ander verhaal. De koningin had na haar terugkeer uit Noorwegen, zoals dat na een vakantie pleegt te gaan, een stapeltje nrc’s doorgenomen en daarin, op de voorpagina van de editie van 17 augustus, een foto aangetroffen van Bernhard, Armgard, Aschwin en juffrouw Gilles op vakantie in het Spaanse Bilbao. Zij was er toch al ontstemd over dat hij haar bij haar terugkeer op 25 augustus uit Noorwegen niet van het vliegveld had afgehaald. Het vakantiekiekje deed de deur dicht. Niet met haar met vakantie, maar wel met Armgard en die Gilles!59

Tegen Van Heeckerens versie pleit echter dat al in juli 1955 sprake was van het terugnemen van de aan Bernhard verleende machtigingen, waarover ‘Boven’ geraadpleegd werd.60 Juliana’s vakantie-ergernissen zouden dan ten hoogste als katalysator hebben gewerkt. Haar humeur zal niet verbeterd zijn, toen zij op 14 september in de Volkskrant kon lezen dat de prins en zijn moeder bij hun voorgenomen reis naar Rome door de paus in privéaudiëntie zouden worden ontvangen. Ook bij Bernhards volgende buitenlandse reis, dit keer naar Garmisch-Partenkirchen voor de (derde) Bilderberg-conferentie, was Armgard in zijn gezelschap. Er valt enig begrip op te brengen voor Juliana’s uitlating tegenover de commissie van drie, driekwart jaar later, dat haar man last had van een oedipuscomplex. ‘Er mag natuurlijk een band zijn, maar niet een binding.’61 Mogelijk lag hier ook het motief voor haar besluit radicaal met Armgard te breken. Op die wijze zou de invloed van haar schoonmoeder op haar man en kinderen kunnen worden teruggedrongen.

Beel, door de prins te hulp geroepen om een dreigend huwelijksconflict te bezweren, verzekerde zich van de instemming van de koningin, sprak daarna met Van Heeckeren en op diens advies met Van ’t Sant. Deze zou immers volgens de secretaris nog de enige zijn die zowel het vertrouwen van de koningin als dat van de prins genoot. Al dan niet met de hulp van Van ’t Sant slaagde Beel er vervolgens in de partijen tijdelijk weer tot elkaar te brengen. Juliana had haar woede gelucht en liet haar brief verder rusten, maar daarmee keerde de rust nog niet weer. De breuk met Armgard werd, ondanks Beels goede diensten, voorlopig niet geheeld. Op advies van Bernhard reageerde zij niet op de brief van haar schoondochter waarin de vriendschap was opgezegd. Maanden van stilzwijgen volgden. Pas op 22 mei 1956 kwam er een brief uit Warmelo, waarin Armgard verwees naar de haar door Van ’t Sant overgebrachte grieven van Juliana. Het was volgens schoonmoeder allemaal te herleiden tot één groot misverstand aan de kant van haar schoondochter. Deze had haar bedoelingen toegedicht die zij niet bezat. Het was des te betreurenswaardiger waar het veel gemakkelijker was om gekrenkt te worden door mensen die men verafschuwde dan door mensen die heel dierbaar waren. (‘It is much easier to be hurt by people you hate than by somebody you are fond of.’)62

Van ’t Sant kwam haar het antwoord brengen: Juliana ambieerde geen verandering in de bestaande toestand. Armgard had zich tussen haar en haar kinderen gesteld en zij duldde geen inmenging in haar familieleven. Als de prins werkelijk een oplossing wenste, moest hij het maar tonen.63

Op Soestdijk kwamen Armgard en ‘Tschuli’ niet meer. Bernhard en de oudste kleinkinderen wisten wel de weg naar Warmelo te vinden. In plaats van Armgard te isoleren, had Juliana haar eigen isolement vergroot. Alleen op haar moeder kon zij onvoorwaardelijk rekenen en natuurlijk op Hofmans, haar secretaris Van Heeckeren, Van Maasdijk en de vriendinnen van de Baarnse kring. Heeft zij nog wel eens gedacht aan de voorspelling van Tellegen, uit 1951, dat haar een ‘gruwelijke eenzaamheid’ te wachten stond als zij niet optrad tegen het gestook uit die kring?

 

 

Een onhoudbare toestand

 

Tussen september 1955 en juni 1956 bleef de relatie tussen beide kampen zeer gespannen. Elk incident dat de stemming verder kon verstoren, dreigde tot grote proporties te worden opgeblazen.

De Bilderberg-conferenties waren in het anti-Bernhardkamp een steen des aanstoots. De vrede werd er niet gediend, over God niet gesproken. Paste het de prins wel om zich in te laten met prominente buitenlandse politici en hun denkbeelden, ook al gebeurde dat in besloten kring? Kon de koningin door uitspraken van de prins of zijn aanwezigheid bij conferenties waar mogelijk controversiële verklaringen werden afgelegd, niet in opspraak komen? Juliana deelde deze kritiek (of liet zij zich overtuigen?). Van Heeckeren, die nu op voet van oorlog met de prins stond, stookte het vuurtje op. De minister-president kreeg in een brief van 1 oktober 1955 van de koningin te horen dat zij de activiteiten van haar echtgenoot op dit internationale terrein ongewenst achtte.64 Zij verwachtte dat het kabinet direct passende maatregelen zou treffen om aan deze hoogst bedenkelijke gang van zaken een einde te maken. Bijgevoegd waren knipsels uit Nederlandse en Amerikaanse dagbladen waarin van de deelname van de prins aan de conferenties melding werd gemaakt. Het klonk natuurlijk wel hypocriet. Op de Oude Loo-conferenties werd immers in de aanwezigheid van de koningin óók politiek bedreven, zij het niet voor maar tegen de bewapeningswedloop en het denken in machtsblokken.

Drees deed waar hij goed in was, namelijk pappen en nathouden. Het kabinet zag geen aanleiding op de wens van de koningin in te gaan. Bernhard had minister van Buitenlandse Zaken Beyen steeds voldoende geïnformeerd. De Nederlandse pers onthield zich van kritiek. Der Spiegel had, wel verre van iets te onthullen, juist geklaagd over het geheimzinnige gedoe op de conferenties dat een vrije nieuwsgaring belemmerde. Een nieuwe conferentie zou nog geruime tijd op zich laten wachten.

De koningin toonde zich niet tevreden. Zij kwam op 10 januari 1956 bij Drees op het onderwerp terug. De prins zou diezelfde avond naar Amerika vertrekken, iets waarvan zij kennelijk tot het laatste moment onkundig was gelaten. Hij ging een nieuwe Bilderberg-conferentie voorbereiden en daarna een bezoek brengen aan de vliegtuigfabrieken van Douglas en Lockheed. Opnieuw sprak zij haar bezorgdheid uit over de internationale contacten van de prins. Hij mocht dan toestemming van het kabinet hebben, zij wist er niet van. Op initiatief van het kabinet werd minister van Staat E.N. van Kleffens, die tijdens de Tweede Wereldoorlog minister van Buitenlandse Zaken was geweest en deel uitmaakte van het Steering Committee van de Bilderberg-groep, aangewezen om zijn huidige ambtsopvolger, Beyen, te informeren en zo nodig met deze overleg te plegen over de grensoverschrijdende activiteiten van de prins. Ook nu weer toonde Juliana zich ontevreden. Op 2 mei 1956 liet zij in een brief aan Drees voor de derde maal van haar bezwaren blijken. Zij bleef gekant tegen de deelname van de prins aan de Bilderberg-conferenties (de volgende zou van 11 tot 13 mei in Kopenhagen gehouden worden). Wat hij in het internationale vlak deed, sloeg immers op haar terug en door de betrokkenheid van een minister van Staat als Van Kleffens zou haar verantwoordelijkheid zelfs nog meer accent krijgen. De aanwezigheid van de prins in een dergelijk anticommunistisch gezelschap zou het staatshoofd in de problemen kunnen brengen indien zij na de verkiezingen de communisten zou moeten raadplegen. Het leek een gezocht argument, maar wel passend bij de Hofmansgroep. Daar was men niet afkerig van enig modieus geflirt met de communisten die toch ook tegen de (West-)Duitse herbewapening waren gekant.

De achttiende verjaardag van Beatrix op 31 januari 1956 leidde tot nieuwe beroering. Aan de schrijfster Hella Haasse was gevraagd een inleidend woord te schrijven bij een boek dat dit heuglijke feit moest gedenken. Op haar achttiende werd Beatrix immers als troonopvolgster voor de Grondwet meerderjarig en zou zij na het overlijden of de abdicatie van haar moeder de troon bestijgen. Voorlopig had de prinses heel andere plannen. Zij wilde na haar eindexamen naar Leiden gaan om daar te studeren, zoals ook haar moeder dat had gedaan. Hella Haasse had haar taak serieus aangepakt. Zij had op paleis Soestdijk het doen en laten van de prinses enkele maanden gadegeslagen om haar zo goed mogelijk te leren kennen en lang met Beatrix gesproken. Ook de verhouding van de jonge prinses tot haar beide ouders had zij geobserveerd. Het verslag dat zij daarvan in het als feestelijk bedoelde gedenkboek deed, wond er geen doekjes om. Bernhard mocht tevreden zijn, Juliana was dat niet.65

 

Tussen Beatrix en haar vader bestaat een hechte karakterverwantschap, een gelijkgericht-zijn. Hij is altijd haar maatstaf, haar voorbeeld geweest. Met een woord, een blik begrijpen zij elkaar. Zij hebben over mensen en dingen een onmiddellijke stilzwijgende verstandhouding...

 

Haar verhouding tot haar moeder, zo vervolgde Haasse, die, zelf oudste (en enige) dochter, hier als ervaringsdeskundige sprak, was veel gecompliceerder.

 

Een zekere spanning tussen moeder en dochter (vooral wanneer die dochter ook het eerste kind is), een wederzijds gevoel van niet te begrijpen en niet begrepen te worden, lijkt haast biologisch bepaald. Daarbij komen dan uiteraard meestal ook verschillen in karakter en opvoeding. In een koninklijke familie liggen deze dingen in wezen niet anders dan bij gewone gezinnen... De Koningin heeft een neiging tot beschouwelijkheid, tot een intellectuele aanpak, zij is ook beschroomder en omzichtiger. Beatrix geeft de voorkeur aan het directe, onverbloemde, zij ziet eerlijkheid nog liever bruusk en onverbiddelijk dan ‘aangelengd’ met tact of diplomatie of een naar haar gevoel overdreven consideratie met andermans gevoelens.

 

De conclusie was duidelijk, Beatrix was een vaderskind, net zo als Juliana trouwens. Weliswaar was, zo erkende de (ook toen al) gevierde schrijfster, de band tussen Beatrix en haar vader de laatste tijd wat losser geworden, maar ‘emotioneel hangt zij nog met heel haar wezen aan haar vader’. Voor zover zij kritiek op hem had, want verstandelijk had zij met haar zelfstandige geest een zekere afstand genomen, was dat ‘kritiek die de loyaliteit niet aantast, maar waardoor men zich des te duidelijker van die trouw bewust wordt’.

De Telegraaf deed nog zijn best het tij te keren. Van Maasdijk, kamerheer en krantenmagnaat, zal er niet vreemd aan zijn geweest. De schrijfster en de kroonprinses kregen op 31 januari 1956 in een hoofdredactioneel commentaar in feite de schuld. Juliana heette met de publicatie voor een voldongen feit te zijn geplaatst. ‘Zulk een boek over de minderjarige Prinses had zonder de toestemming van het Hoofd van het Huis nooit mogen verschijnen.’ Verder werd gesteld dat het stuk van Hella Haasse opmerkingen bevatte die ‘beslist indiscreet’ waren. Deze laatste reageerde als door een wesp gestoken nog dezelfde dag. Zij stond erop dat de hoofdredacteur van het blad het commentaar zou rectificeren (wat hij niet deed), omdat de gewraakte zinsnede de integriteit van Beatrix leek aan te tasten. Beide ouders hadden het artikel wel degelijk vooraf gelezen en hun goedkeuring gegeven, alleen was dit niet via de officiële weg (in casu secretaris Van Heeckeren) geschied. Aan hem liet de verontwaardigde schrijfster op 20 februari 1956 weten:

 

Sympathie voor prinses Beatrix heeft ten slotte voor mij de doorslag gegeven. Had ik die sympathie niet gevoeld, ik zou de opdracht, hoe vererend ook, niet geaccepteerd hebben aangezien ik al na de eerste ontmoeting zeer goed heb beseft dat er sprake zou moeten zijn van een compromis. Ik heb geprobeerd de waarheid geen geweld aan te doen en evenmin essentiële dingen te verzwijgen.66