5
De doorgeefster
Het eerste contact tussen Juliana en de vrouw die in de volgende jaren haar leven zou beheersen, werd op 28 april 1948 gelegd met een even ongekunsteld als wonderlijk epistel van de hand van de laatste. Hofmans’ brief had de volgende inhoud:
Hooggeachte mevrouw. Het is mij een intense drang Uwe Hoogheid de aandacht te vragen voor de volgende feiten.
Sinds maart 1946 is mij op een gebed, waarin ik mijzelf aan den Vader aanbood voor eventuele mogelijkheid op aarde, van Zijn Heilige wedervertrouwen in de mensen, als dienares, en zeker als de nederigste, te mogen deelachtig worden Zijn Heilige genade en wel voor het genezen van alle ziekten. Ook die ziekten die reeds als hopeloos zijn gevestigd in de analen der wetenschap. Onnodig te schrijven dat deze analen dagelijks moeten verdwijnen om voor nieuwere en betere te worden vervangen, wat nu eenmaal de gang der wetenschap is.
Nu heeft de geboorte van Uwe Hoogheids jongste dochtertje Prinses Marijke direct mijn aandacht getrokken, om redenen die ik zo moeilijk op papier kan neerschrijven maar wat ten nauwste verband hield met de daarop volgende tragische gebeurtenis, die zozeer het gezichtsvermogen van Uw kindje ging bedreigen. Als hiervoor gezegd, is er voor mij geen enkele reden tot enige aanklacht aan de wetenschappelijke hulp die Uwe Hoogheid heeft ten baat genomen, doch wel een diepgaande twijfel of dit wel heilzaam zou werken. Het resultaat is de Nederlandsche bevolking wel zeer droevig gevallen, en mij een soort wroeging, mij niet eerder met Uwe Hoogheid in verbinding te hebben gesteld.
Doch door de gave van ‘genezen op afstand’ (zonder iets anders dan een lokje haar van het Prinsesje) kan ik U volkomen instaan voor de algehele genezing van het oogje wat nu nog zwak reageert, en mede ook de gehele voorziening van de structuur van het oogje dat zich schijnbaar voor goed gesloten heeft. Natuurlijk ben ik onmiddellijk bereid Uwe Hoogheid mondeling of schriftelijk te verklaren hoe dit wel kan komen en ook wat de oorzaken zijn die tot dit droevige noodlot hebben geleidt.
Hopende dat Uwe Hoogheid dit schrijven niet terzijde zal leggen, als een wrede hocuspocusschijn maar wil begrijpen dat ik hier met m’n ganse ziel ben ingetreden. Met de diepste hartelijke gevoelens van Lotsbeschikking en Lotsopheffing door Genade van God, Uwe dw. drs. [dienstwillige dienaresse] Mej. Hofmans.
p/a Baronesse A. van Heeckeren van Molecaten, ‘Molecaten’, Hattem.1
Het was niet mis wat hier beloofd werd, maar we hebben al gezien dat ettelijke van zulke ‘ogenbrieven’ ten paleize werden ontvangen; zij plachten vrij routinematig te worden afgedaan. Het is zelfs de vraag of zij alle door Juliana persoonlijk werden ingezien. Bijgevoegd was dan ook een tweede brief van de genezeres op afstand, dit keer gericht aan Juliana’s particulier secretaresse, mejuffrouw Sneller. Daarin drong zij erop aan haar brief toch vooral aan de prinses te overhandigen.
Zo dit al met Hofmans’ brief is gebeurd, het gehoopte resultaat bleef uit. Op 14 mei ontving de afzendster een briefje van de particulier secretaresse met het gebruikelijke standaardantwoord:
Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana heeft mij verzocht U zeer hartelijk te danken voor Uw brief, waaruit zo’n oprecht medeleven blijkt met het jongste Prinsesje.
Hare Koninklijke Hoogheid stelt het in Uw brief gedane aanbod op hoge prijs, doch meent, dat de behandeling van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Marijke, voorlopig tot de medische wetenschap beperkt moet blijven.2
Maar anders dan de meeste anderen zou Hofmans het er niet bij laten zitten. Zij had met haar begeleidende brief aan mejuffrouw Sneller getoond goed op de hoogte te zijn van de in zulke gevallen gangbare procedure. Wie haar informante was, kon ook geen geheim zijn. Dat was de als postadres opgevoerde Adolphine Agneta baronesse van Heeckeren van Molecaten-Groeninx van Zoelen. Haar moeder had als waarnemend grootmeesteres Juliana in 1909 nog naar de doopvont in de Haagse Willemskerk mogen dragen. In hofkringen was Hofmans’ beschermster dan ook geen onbekende verschijning.
Greet Hofmans: een levensbericht
Wie was Greet Hofmans? Margaretha Hofmans werd geboren op 23 juni 1894 in Amsterdam. Zij was de oudste in een vier kinderen tellend gezin dat het bepaald niet breed had. Haar vader zou los werkman zijn geweest. Wie zijn vader was, heeft hij nooit geweten. Artistieke belangstelling was het gezin Hofmans niet vreemd. Vader deed aan beeldhouwen, een hobby die ook in paleizen beoefend wordt, moeder, een Friezin, had religieuze belangstelling en werd lid van de Theosofische Vereniging. Frits, de enige broer van Greet, bezocht de tekenacademie; een zus, die jong overleed, nam zanglessen. Greet zelf had belangstelling voor het toneel en zou op eigen kosten lessen hebben gevolgd bij de bekende acteur Willem Royaards.3
Hoe intelligent Greet mocht zijn, na de lagereschooltijd moest zij een baantje zoeken om het gezinsinkomen aan te vullen. Zij werd dienstbode, werkte als winkelbediende en trad in augustus 1933 in dienst bij de nv Amsterdamsche Tricot- en Kunstzijdefabrieken atek aan de Amsteldijk 217. Daar was zij werkzaam bij de loonadministratie, en zou zij in het verlengde hiervan sociaal werk hebben gedaan. Zij moet zich weinig gelukkig hebben gevoeld in de zakelijke en materialistische omgeving van een textielfabriek. ‘Ik heb een keihard leven gehad,’ zei ze twee jaar voor haar dood. ‘Het hele leven is moeilijk als je het goed wilt doen.’4
In navolging van haar moeder werd zij lid van de Theosofische Vereniging, later ook van het Rozenkruisersgenootschap. Zij voelde zich aangetrokken tot het daar verkondigde mengsel van wereldgodsdiensten, geloof in reïncarnatie, karma, spiritisme, astrologie, een onzienlijke wereld en boodschappen verkondigd door zichtbare en onzichtbare geestelijke leiders, de zogenaamde Meesters. Zo bezocht zij in 1930 en 1933 zomerkampen in Ommen waar de befaamde Indiase wijsgeer en wereldleraar Jiddu Krishnamurti sprak. De theosofie bood voor zelfstudie alle ruimte. Onder het devies ‘er is geen godsdienst hoger dan de waarheid’ wil die graag alles onderzoeken – godsdienst, wijsbegeerte, onverklaarde natuurwetten. Ook maakte zij zich het in die kring heersende, esoterische, uitermate zweverige taalgebruik eigen. Een jarenlange verloving met een Amsterdamse politie-inspecteur sprong om onbekende redenen af. Eind jaren dertig woonde zij op kamers bij een hospita, het lot van zo veel ongehuwde vrouwen in die dagen, ook al waren zij, zoals Greet, de veertig ruimschoots gepasseerd. Zij was verlegen, lang en mager en had enigszins mannelijke gelaatstrekken.5
Op haar houding in de oorlogsjaren viel niets aan te merken. Zelf zei zij in Elseviers Weekblad van 23 juni 1956 dat zij joden had geholpen om aan de Duitsers te ontkomen. Documentatie daarover is bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie niet te vinden. Aan de andere kant bevindt zich onder de stukken die de commissie-Beel (het driemanschap) in 1956 verzamelde in een onderzoek naar haar handel en wandel, een vermoedelijk van de Binnenlandse Veiligheidsdienst afkomstig rapport waarin de anonieme auteur zich op dit punt positief over haar uitlaat. Een aan de tand gevoelde vroegere collega van de atek (J.F. Noorduijn) sprak eveneens met veel waardering over haar gedrag in de bezettingstijd bij het helpen van joodse onderduikers. Zij zou als ‘Roos’ samen met een zekere Harry Waterman, die gebruikmaakte van het alias Harry Weber, joden en andere onderduikers hebben verborgen.6
In de oorlogsjaren kwam Greet (of Roos) in contact met een figuur die een zwaar stempel zou gaan drukken op haar geestelijke vorming en verdere leven. Die man was J.W. (Wim) Kaiser. Hij excelleerde in zo mogelijk nog ondoorgrondelijker taalgebruik dan Greet. Kaiser was employé op het hoofdkantoor van de Stoomvaart Maatschappij ‘Nederland’, die zulke prachtige mailboten op Indië liet varen. Als afleiding van zijn vermoedelijk weinig boeiende kantoorbaan hield hij zich bezig met occulte en paranormale zaken, waaronder de astrologie. Zo trok hij horoscopen van door zijn werkgever te water gelaten schepen. De oorlogsjaren, waarin het personeel van de smn zonder werk zat, gaven hem alle tijd en gelegenheid zich aan zijn hobby’s te wijden. Daartoe hoorde ook de studie van het Grieks, zodat hij nu zelf het Nieuwe Testament daaruit kon vertolken zonder afhankelijk te zijn van enige geautoriseerde bijbelvertaling. Hij schuwde de pen niet, schreef regelmatig in een blaadje dat Uitzicht heette en deinsde evenmin terug voor het grotere werk door zijn kijk op het evangelie in verschillende, moeilijk te vatten brochures en boeken vast te leggen. Ook organiseerde hij huiskamerbijeenkomsten, bijbelstudies en kringgesprekken bij zich thuis, in de Amsterdamse Gerard Terborgstraat 14 3-hoog. Tegenspraak werd daarbij door de autoritaire Kaiser slechts node geduld; een lach niet getolereerd. In latere jaren, toen hij in plaats van in een Amsterdamse volksbuurt op Het Oude Loo zijn licht voor een breder publiek kon ontsteken, viel hij in ongunstige zin op door zijn ellenlange voordrachten, die bovendien onbegrijpelijk waren. De ware gelovige laat zich daardoor echter niet afschrikken.
Ook Greet, die van haar belangstelling had laten blijken, kreeg van Kaiser een uitnodiging en werd een trouw bezoekster van de Terborgstraat. Zelf niet aangesloten bij enig kerkgenootschap zocht zij met Kaiser waarheid en verlichting buiten de Kerk. De geestelijke band tussen hen beiden werd hecht. Van kerken en kerkelijke organisaties moesten zij niets hebben; het omgekeerde gold spoedig al evenzeer. Aanvankelijk de leerling groeide zij, zo niet in geleerdheid, dan toch door de invloed die zij met haar boodschappen, later ‘doorgevingen’ genaamd, op hem en anderen wist uit te oefenen Kaiser spoedig boven het hoofd. Begin 1948 lijkt hij reeds volledig onder haar invloed te zijn geraakt.
De geestelijke ontwikkeling van Greet Hofmans in en onmiddellijk na de oorlog is niet gemakkelijk te volgen. In haar eigen mededelingen hanteert zij een verhullend taalgebruik. Een sleutelwoord daarin is ‘Paasgedachte’. Zo had zij, volgens een in april 1949, vermoedelijk door de Amsterdamse politie, over haar uitgebracht rapport, dat in het archief van de commissie-Beel (het driemanschap) ligt, een keer tegen Pasen ‘haar gehele kamer in rouw gedompeld en een situatie geënsceneerd met een bed, waarin schijnbaar een dode lag, alles omfloerst met kaarsen’. Met enige van haar medestanders was zij op een zwart geschilderd bankje gaan zitten, mogelijk om te bidden. Haar hospita had dit maar matig kunnen waarderen. De rapporteur had verder horen verluiden ‘dat haar gehele houding een uiting zou zijn van verdrongen seksuele complexen’. Hij maakte nog melding van haar ‘heldere bruine ogen, die dwars door iemand heen zien en min of meer hypnotische dan wel magische kracht bezitten’. Zij stond bekend als ‘een duivelin en een engel beide’.7 Een ander rapport, van 30 april 1949, noemde haar ‘zeer goed bespraakt en behoorlijk ontwikkeld... Betrokkene moet een zeer eigenaardig mens zijn.’ Het was een geruststellende gedachte dat zij noch Kaiser ‘aanhangers van het communisme’ waren.8
Vaststaat dat zij in oktober 1945 haar baan bij de atek opzegde. Daar was zij na ruim tien jaar wel aan toe, haar werkgever, de heer A.H. Veder, niet minder. In een brief van 8 juli 1947, die als ‘een ernstige waarschuwing’ aan hem was bedoeld, liet Hofmans weten dat zijn zedelijke levenswandel (‘geld en vrouwen’) alles te wensen overliet en dat een spoedige, radicale gedragsverandering dringend gewenst was.
Kéér, mijnheer Veder, kéér voordat gij binnen enkele jaren volslagen gedegenereerd zijt en opgesloten zal worden in ’t gekkenhuis... Alles kan nog goed komen als gij intens krachtig Uw roer omgooit!
Hij moest overigens niet denken dat zij ‘gek’ geworden was, want bij een gesprek onder vier ogen zou hem blijken ‘dat Hofmans alles van U weet zonder een enkele poging tot naspeuren van Uw “leven” ’.
Overbodig te zeggen dat Veder van dit vermanend woord niet gediend was. Negen jaar later, in juli 1956, bracht hij door tussenkomst van de Amsterdamse burgemeester d’Ailly het incriminerende stuk ter kennis van de commissie-Beel met de mededeling dat de schrijfster in zijn fabriek als ‘Gekke Greet’ bekend had gestaan. Veders hoofdindruk van haar was: ‘sluw, griezelig en homoseksueel’. In een brief aan het Algemeen Handelsblad van 15 juni 1956 hekelde hij haar ‘virtuositeit’ om ‘tweedracht en onrust’ te veroorzaken. De geschiedenis zou hem achteraf op dit laatste punt gelijk geven.9
Nadat zij twee keer haar geluk had beproefd bij een andere confectiefabriek, richtte zij zich vanaf 1947 volledig op het hogere, daarin financieel gesteund door enkele familieleden en vrienden. Zij had een opdracht gekregen waaraan zij al haar tijd wilde wijden. Die opdracht kwam van een weinig voor de hand liggende ‘openstaande bron’, een geest – het betrof immers een overledene – die als het ware spiritueel bezit van haar leek te hebben genomen, door haar mond sprak en ook de brieven dicteerde en ondertekende waarin Greet zich met zijn boodschappen (en de hare) tot haar geestverwanten richtte. Deze buitenaardse ‘meester’ was de in 1939 overleden, door haar nooit persoonlijk gekende, M.J.J. Exler, bij leven theosoof, astroloog en nog het een en ander. In de wandeling en in haar brieven werd hij door haar aangeduid als ‘Ex’.10
=

J.W. Kaiser, inspirator van Greet Hofmans, excelleerde in ondoorgrondelijk taalgebruik.
De in 1882 geboren Exler had zijn steentje bijgedragen aan het gebouw van de homo-emancipatie door zijn boek Levensleed, dat enkele malen zou worden herdrukt. In deze psychologische roman werd het treurige lot beschreven – het werk verscheen in 1911 toen homo’s nog geen homo’s heetten – van een ‘uranist’, die niet voor zijn geaardheid durfde uit te komen en even wanhopig als tevergeefs op zoek was naar de zielsverwante vriend met wie hij zijn leven kon delen. Het is een draak van een boek, tergend moraliserend en langdradig van opzet en uitwerking. Het verhaal is volkomen ondergeschikt gemaakt aan de verre van blijde boodschap die het bevat. De hoofdpersoon is een zekere Harry ter Aar, de jongste van twee zonen uit een welgesteld Amsterdams gezin. De oudste zoon, Adolf, opgeleid tot arts, is al vroeg gelukkig verloofd, de jongste daarentegen wordt bleker en ongelukkiger naarmate hij beter beseft dat ‘een meisje’ hem nooit gelukkig zal kunnen maken en de vurig gezochte vriend niet zal komen opdagen. De vernedering om voor ‘een fl...’ te worden uitgemaakt, wanneer zijn familie en de vrienden van zijn broer achter de waarheid zouden komen, doet hem uiteindelijk de hand aan zichzelf slaan. Het levensleed is tot een ondraaglijke zielsangst geworden. Toch is er door de auteur nog een positief slot aan het boek gebreid: Adolf en een van zijn vrienden zetten zich aan de taak in lezingen en voordrachten begrip voor de homofiele medemens te wekken. Alleen het tijdsbeeld dat het boek oproept, kan bijna honderd jaar later de lezer nog enigszins verrassen, bijvoorbeeld wanneer de vrouw des huizes, de moeder van de hoofdpersoon, zich van haar huiselijke plichten bewust wordt en om half vijf ’s middags in keuken en huiskamer gaat zien of de gedienstigen wel voor het eten hebben gezorgd.
Na dit literaire debuut en diverse banen, of beter baantjes, nam Exlers carrière een verrassende wending. Hij vestigde zich in 1925 als pluimveehouder en kippenfokker op de Veluwe en wel in Hattem. Dat deed hij niet zonder succes. Er ontstond een kippenproefstation waar tal van jeugdige knechts emplooi vonden. In Hattem leerde Exler de adellijke bezitter van het naburige landgoed Molecaten kennen, Evert Walraven baron van Heeckeren van Molecaten, de vader van Juliana’s toekomstige secretaris Walraven. Ook de baron was geïnteresseerd in zaken als theosofie, occultisme en astrologie. De banden tussen hen beiden in de kleine Veluwse gemeenschap werden hecht. Exler leende geld van de barones tegen onderpand van een door hem gebouwd huisje op het landgoed met een paar schuren waar hij kon mediteren en kippen houden. De oudste zoon van de baron, Walraven, verzorgde er als vakantiebaantje het pluimvee en herinnerde zich later dat Exler van elke kip een horoscoop trok. In 1936 kwam aan deze Hattemse periode een einde. Exler vertrok naar het Gooi. Hij had een rusteloze natuur, en vond pas definitief rust na een hartstilstand op het balkon van een Amsterdamse tram drie jaar later, toen hij een prijsje in de Staatsloterij kwam ophalen. Aangezien het bezit van een legitimatiebewijs in 1939 nog niet verplicht was, viel het aanvankelijk moeilijk de naam en het adres van de overleden trampassagier te achterhalen. Gelukkig had Exler de hond van een vriend meegenomen; de door de viervoeter aan de halsband meegevoerde penning gaf uitsluitsel over de identiteit van de vriend en daarna van de overledene.
Of kreeg Exler zijn rust niet? Kaiser had Exler, die enige tijd zijn collega bij de smn was geweest, persoonlijk gekend en vaak met hem gediscussieerd. Beiden hadden dezelfde belangstelling in het occulte en het astrologische vlak. Ongetwijfeld zal Kaiser Exlers naam wel eens tegen zijn discipel hebben laten vallen. Bij hem thuis hing vermoedelijk een portret van Exler, dat de aandacht van Greet trok. De man kwam in haar gedachtewereld opnieuw tot leven. Zij hoorde zijn stem en ontving van hem moeilijk te doorgronden boodschappen en instructies. De dag waarop haar leven veranderde, wist zij zich later feilloos te herinneren: dat was op 2 maart 1946 bij haar thuis.11
Veluwse belevenissen
Ongestructureerd als Exlers boodschappen mochten zijn, zij wezen spoedig in de richting van Hattem. Daar had ‘Ex’ zijn beste jaren beleefd. Bovendien was in dit Jeruzalem op de Veluwe kort na de oorlog een groepje bevlogenen betrokken bij de uitgave van het blad Cosmisch Licht, waarvan het eerste nummer in oktober 1946 verscheen. Dit blad stond naar eigen zeggen open voor beschouwingen over religie, astrologie, filosofie, parapsychologie, grafologie, aardstralen, psychische therapie (en andere zaken). Op het blad was ook Kaiser geabonneerd. De redactie lag hoofdzakelijk in handen van het echtpaar Otto en Bep Voorhoeve-De Beus, dat de Hattemse villa ‘Windekind’ aan de Oranje Nassaulaan bewoonde.
Kort en goed, Greet trok eind 1946 met trein en bus voor een weekeind naar Hattem om met de Voorhoeves en hun kring kennis te maken. Zij had zich er vooraf van vergewist dat zij bereid waren in hun blad ‘brieven van een overleden vriend’ op te nemen.12 Die vriend was natuurlijk Ex(ler) als alter ego van Greet. Een kritische ooggetuige op ‘Windekind’, zelf jong van jaren, omschreef haar als het type van ‘een oude jongejuffrouw’ en vond het moeilijk persoonlijk contact met haar te maken:
Ze was heel keurig, heel steriel, heel kleurloos in eeuwig grijze of beige mantelpakken met witte blouses, hoog gesloten en met lange mouwen. Ze droeg zelfs ’s nachts een onzichtbaar haarnetje. Ze had absoluut geen gevoel voor humor en duldde zeker geen grapjes, die op haarzelf betrekking hadden: dan werd ze ijzig.13
Ook de dinerwensen van de gast gaven problemen. Ze dronk geen koffie of thee en at niet mee. Alleen bakjes noten of rozijnen werden verorberd. Greet bleek verder gekant tegen het eten van vlees en het nuttigen van sterke drank. De conversatie stokte herhaaldelijk omdat zij geen belangstelling toonde voor gewone dingen, maar alleen voor het hogere. Was zij eenmaal aan het woord, dan stond ze het echter niet gauw af.
Op dit eerste, wellicht niet zo geslaagde Hattemse weekend volgden vele andere. Greet, geboren en getogen stadskind, leerde het buitenleven waarderen. In de zomer van 1947 vond zij voorlopig onderdak te Diffelen in de Overijsselse gemeente Hardenberg bij een gereformeerd keuterboertje. Zij wilde echter dichter bij haar ‘Ex’ zijn. In Hattem richtte zij haar schreden naar Exlers meditatiecentrumpje annex kippenschuur op het landgoed Molecaten, naar diens verlaten, inmiddels wrakkig geworden behuizing. In haar dagboek noteerde de oude barones – de baron was in de oorlog overleden – op 18 januari 1947:
Juffr[ouw] gehad die glazen bol voor Exler zocht. Ze heeft hem gevonden, tenminste zij beweert het.14
Terzelfder tijd kwam zij ook in aanraking met Walraven. Zij schreef hem dat Exler graag contact wilde leggen. Hij zocht haar op 26 januari 1947 op aan de Amsterdamse Vijzelgracht waar zij toen woonde. ‘Zij maakte allerminst de indruk van een koffiedik juffrouw,’ herinnerde hij zich, maar zij zag er wel zorgelijk en verdrietig uit. Toen Greet, naar de overlevering wil, erin slaagde als amateur-helderziende enkele kostbare, in de oorlog op het landgoed begraven vazen uit familiebezit op te sporen, was haar naam gevestigd. Dat zij, naast mediamieke, mede over geneeskundige gaven beschikte, was een besef dat vervolgens daagde. Zij wist de kleindochter van de barones, een freuletje Van Riemsdijk, beter te maken, ook al ontkende de jeugdige patiënte later pertinent bij de ontmoeting met Greet ziek te zijn geweest.15
Begin maart 1948 betrok Greet een voor haar gebouwd huisje op Molecaten. Het beschikte wel over een bidkapel, maar niet over een wc. De bewoonster at weinig en het bos was groot. De Van Heeckerens behoorden voortaan tot haar trouwste volgelingen. Ook hun levenswijze onderging de invloed van de ascetische ‘helderhorige’ (een typering die wij aan Kaiser te danken hebben). De jacht werd bijvoorbeeld afgezworen:
De baron en barones hebben hun grote hartstocht ‘jagen’ op vogels en op konijnen en ander levend wild opgegeven omdat zij er de schandelijke wreedheid van inzien. Zodat deze prachtig in de goede richting meewerken want ieder jaar was er jachtseizoen op Molecaten en knalden de kogels en vielen de slachtoffers. En waarom?16
In mei 1948 meldde zich ook Kaiser met vrouw en drie kinderen in Hattem. Hij zou een ‘doorgeving’ van het duo Exler/Greet hebben gekregen hen beiden daarheen te volgen. Dit betekende wel dat hij zijn baan bij de scheepvaartmaatschappij moest opzeggen en van reguliere inkomsten verstoken was. Hij kreeg een werkkamer in huis Molecaten. Ook Greet beschikte daar over een eigen studeervertrek. Haar leven nam een nieuwe wending.
Al snel na haar eerste, al dan niet geslaagde poging had haar faam als genezeres zich gevestigd. Binnen korte tijd, in de zomer van 1948, ontstond een bloeiende praktijk. Wekelijks meldden zich honderden patiënten uit alle delen van het land bij het Hattemse café-restaurant Steenman aan de Kruisstraat waar zij op maandagen spreekuur ging houden. Soms stonden ze er al om vier uur in de ochtend. Wie te ziek was om te komen, liet door een familielid of bekende een lokje haar brengen. Het waren bepaald niet alleen eenvoudigen van geest die haar wisten te vinden. Standsverschillen vielen weg. De genezeres vroeg geen geld, ook geen gaven in natura. Wel stond er een busje voor ‘vrije giften’. De meeste consulten duurden maar enkele minuten. Greet stelde vast welke ziekte in het spel was of uit welke nood verlossing werd gezocht en droeg vervolgens de lijder aan Christus op. Wat die opdracht inhield, heeft zij eens aan een verslaggever van de Amsterdamse krant Het Parool, Aad van der Mijn, trachten duidelijk te maken. ‘Het gaat om de verlossende liefdekracht in de schepping.’ Wie opgedragen werd, verwierf inzicht in het totale mens-zijn en daardoor ook in eigen lot. ‘Ik ben bang dat uw thee koud wordt,’ voegde zij er tegen haar ondervrager aan toe.17 Ook caféhouder Steenman werd opgedragen. Het voorkwam niet dat zijn zaak midden jaren vijftig afbrandde.
Medicijngebruik en doktersbezoek werden bij deze consulten ontmoedigd. Onze Lieve Heer kon het wel alleen af. Het Veluwse stadje moet overrompeld zijn geweest door het tweetal, waarvan de een het woord verkondigde (want Kaiser kon ook in Hattem het houden van lezingen niet laten) en de ander de geneeskunst beoefende ‘uit naam van Christus zonder enige steun van Kerk of vereniging’.18 De toeloop werd zo groot dat Hofmans ook op andere plaatsen in Nederland spreekuur ging houden, onder andere in Amsterdam en Assen. Het viel te verwachten dat dit genezingsoffensief op theologische grondslag spoedig op bezwaren uit een voorspelbare hoek zou stuiten. Medicus en predikant sloegen de handen ineen.
Minder voorspoedig ontwikkelden zich de betrekkingen met het echtpaar Voorhoeve. Greets urenlange, onsamenhangende, monologen werden niet begrepen, maar aanvankelijk eerbiedig aangehoord. Exler zaliger werd geacht bij deze voordrachten aanwezig te zijn; er stond steeds een stoel voor hem klaar. Haar gehoor bestond niet, zoals men wellicht zou denken, uit eenvoudige zielen. Het was integendeel een behoorlijk ontwikkeld gezelschap van artsen, andere academici en ondernemers dat volkomen in de ban was geraakt van de vreemde vrouw uit Amsterdam. Toen Juliana later ditzelfde overkwam (nadat Greet ook wel iets meer salonfähig was geworden), waren velen uit wat men gewoon is ‘de betere kringen’ te noemen, haar voorgegaan of zouden haar nog volgen. Op den duur kon dit niet goed gaan. Er waren afvalligen en ongelovigen, er ontstonden interne conflicten tussen al dan niet gehuwde stellen. Kortom, Greets aanwezigheid in de kring van de Voorhoeves werkte als een splijtzwam in een aanvankelijk redelijk harmonieus ogend gezelschap en in verschillende huwelijken. Tenminste even verward bleken haar aangekondigde bijdragen aan het blad Cosmisch Licht. Hoofdredacteur Voorhoeve weigerde haar op 7 april 1947 voorlopig plaatsruimte met het niet onlogisch klinkende argument ‘dat wij als redactie toch zelf moeten begrijpen waarom het gaat’. Op voorstel van Greet werd nu door de Voorhoeves direct contact gezocht met ‘Ex’, want wie zou beter dan hij kunnen uitleggen waar het over ging? Dat laatste viel echter niet mee, want Voorhoeve kreeg te horen dat hij daartoe eerst het roken en drinken moest staken en zich onthouden van het eten van vlees. De breuk werd definitief in oktober van dat jaar toen niet alleen ‘Ex’ maar ook Kaiser zijn stukken voor Cosmisch Licht geweigerd zag.19
Behalve de correspondentie met het echtpaar Voorhoeve bevindt zich in de schriftelijke nalatenschap van de commissie-Beel een stapeltje brieven uit de jaren 1947–1948 van Greet aan het echtpaar Jo en Marie A. Noorduijn-Mogath in Amsterdam. Beiden werden in de zomer van 1956 ook ondervraagd door een ambtenaar van de bvd. Noorduijn was een vroegere collega van de Amsterdamse textielfabriek; hij had daar als monteur gewerkt. Hij schetste haar als ‘een huisvriendin’, zij het een wel enigszins opdringerige:
Ook voor de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van andere personeelsleden toonde zij altijd meer dan gewone belangstelling; zij drong zich als het ware aan hen op. Kennelijk wilde zij zo’n beetje voor sociaal werkster fungeren, een functie echter welke destijds bij de atek nog niet bestond... Zij was steeds bereid te helpen... Hoewel van nature geen onaardige vrouw, had zij echter voor mannen weinig aantrekkingskracht.20
De vriendschap was bekoeld toen Noorduijn ziek werd en Hofmans anders dan beloofd hem niet kon genezen, maar hem wel bezwoer er geen dokter bij te halen. Zijn vrouw had haar nog gezegd: ‘Waar blijf je nou met je beweringen over hetgeen je van boven hebt doorgekregen?’ Uiteindelijk was hij hersteld na een buikoperatie. Hij wilde niet zeggen dat zij ‘onbetrouwbaar of oneerlijk’ was, maar haar gave der gebedsgenezing had hem niet geholpen. Ontgoocheld stelde hij vast:
Ik verzeker U, dat een ieder die met haar in aanraking komt niet tegen haar is opgewassen. Er gaat een bijzondere invloed van haar uit en zij kan een ieder zodanig beïnvloeden, dat zij ze in haar macht heeft.21
Mevrouw Noorduijn voegde eraan toe dat Greet wel eens tegen haar gezegd had:
Als ik aan de mensen iets vraag en ze zijn onwillig dan zeg ik maar: ik krijg het (van boven) door en dan (met een gebaar) heb ik het zo.22
De meeste brieven aan de Noorduijns waren geschreven door Greet in haar rol van ‘doorgeefster’ van ‘Ex’. Soms voegde de schrijfster daaraan op eigen naam een naschrift toe. Zo gaf ‘Ex’ in de eerste brief in de bundel, die van 30 juni 1947 dateert, door hoezeer het hem genoegen had gedaan kennis te nemen van de diepe liefde van het echtpaar voor Christus ‘op de verjaardag van mijn liefste en beste vriendin naar de geest en leerling naar de geest Mej. Hofmans’.23 Daarna volgde een uitnodiging voor een lezing bij Kaiser in Amsterdam en liet de leerlinge in een postscriptum weten dat zij nu binnenkort naar Hattem zou vertrekken om ‘een handwerk’ te schrijven over de christelijke verzoeningsleer; veertig hoofdstukken zouden al klaar zijn om in het Duits en Engels te worden vertaald door twee vrienden. ‘Ook zal er zeer scherp in worden houding genomen tegenover de wetenschap die zoo onchristelijk hun uitvindingen exploiteren. Je ziet dat er niet stil wordt gezeten.’ Verwarrend was het allemaal wel, én naar vorm én naar inhoud.
Een jaar later, op 24 juni 1948, was de rol van ‘Ex’ al aanmerkelijk teruggedrongen, terwijl het genezingswerk op de voorgrond stond. Het was Greet die op eigen naam de pen ter hand nam om te bedanken voor een verjaardagsbrief van de Noorduijns. Het was een geslaagde dag geweest. Zowel de familie Kaiser als de baronnen, met wie kennelijk Walraven en adellijke familieleden werden bedoeld, alsmede het personeel van Molecaten en wat Hattemer vrienden, waren haar in haar huisje komen feliciteren. Maar toen het bezoek vertrokken was, had zij met Ex, die hen heel hartelijk liet groeten, en Kaiser een prachtige avond gehad, gewijd aan de vertaling van het evangelie. Ook had zij een bijzonder cadeau gekregen:
Namens Ex heeft de Hr. K. mij een ring gegeven voor de linkerpink en deze ring is geheel geladen met een zeer hoog afgestemd trillingsgehalte voor het genezen van zieken en zal mij in staat stellen om buiten Ex om zieken te genezen zodra ik innerlijk zoo ver ben om deze ladingen te kunnen regelen en richten. Natuurlijk laadt de ring zichzelf steeds opnieuw omdat de ring de stoffelijke binding is tussen de Bron van genezen en mij. Het greep mij zeer aan toen ik de ring kreeg en vond mijzelf ook niet waardig zo iets verhevens te ontvangen!24
Niet lang daarna verdween Exler geheel uit het beeld. Hofmans maakte haar volgelingen duidelijk dat er een misverstand was geweest. Haar werk stond in het teken van ‘X’, maar hiermede bleek bij nader inzien niet ‘Ex’, maar de Grote Onbekende, Christus, bedoeld. De Messias valt natuurlijk in een heel andere categorie dan de schim van een homofiele kippenfokker. Enige upgrading van de inspirator van haar ‘doorgevingen’ kon geen kwaad.25
Het genezingswerk eiste in de volgende maanden veel aandacht. Arm en rijk verscheen aan de deur. Zij had het er druk mee.
De patiënten zijn nu ± 1500 en de laatste zittingsdag had ik er 300. Van ’s morgens 8 tot ’s avonds 6 uur aan een stuk door. Iedere patiënt ±3 minuten en dan een uur rust en daarna van 7-10.30... Wel moe maar dankbaar.26
Een proef om massaal te genezen, ‘te beginnen met 5 à 10 mensen tegelijk’, werd overwogen, maar niet uitgevoerd.27 Elke patiënt kon rekenen op haar persoonlijke aandacht. Wie die in bijzonder mate kreeg, was de zwager van Walraven van Heeckeren, jhr. A.W.G. van Riemsdijk, directeur bij de nv Koninklijke Distilleerderijen Erven Lucas Bols. Hij werd door haar behandeld aan een versplinterde heup. De drankproducent, die kennelijk geloofde in zijn eigen product, werd stevig aangepakt:
Het eerste wat ik hem moest verbieden was alcoholgebruik!!, omdat dit verdovend werkt op iedere geestelijke attentie... Nu is de eerste moleculen zetting volkomen mislukt omdat hij toch dronk. Wel matig, zo iets van vier flinke glazen per dag.28
Dat zij geen geld van hem had willen aannemen – ‘want dit gaat geheel pro deo daar anders de krachten niet doorkomen’ – had hij niet kunnen begrijpen. De mannelijke Noorduijn kreeg eveneens de raad de alcohol te laten staan en het nicotinegebruik te matigen. Ook diende hij zich niet onnodig in het ‘stadslawaai’ te begeven. Hem was door Greet een taak toebedeeld op het vlak van de ‘sociale lotsverbetering’, die kennelijk complementair werd gezien aan haar genezingsarbeid. Het plan om het echtpaar Noorduijn daartoe in het voetspoor van Kaiser ook naar Molecaten te laten verhuizen, werd echter eind september 1948 afgeblazen. Greet had een grotere vis aan de haak geslagen. Zij wachtte op een oproep van de nog geen vier weken eerder ingehuldigde koningin voor het genezen van haar jongste kind.29
Eerste kennismaking op Soestdijk
De eerste poging van Hofmans om contact met paleis Soestdijk te leggen mocht dan in april 1948 zijn mislukt, zij had de moed niet opgegeven. Zij kon rekenen op de voorspraak van een aantal sympathisanten die in hofkringen goed waren ingevoerd. Volgens Bernhard in zijn door Hatch opgetekende autobiografie was het de gewezen commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in bezet Nederland, generaal Henri Koot, die hem in 1948 op haar opmerkzaam maakte. Koot had van een broer van Walravens moeder, jhr. R.F. Groeninx van Zoelen, gehoord van de wonderbaarlijke gaven van de opdraagster en haar daarna ontmoet. De generaal, een voormalig knil-officier en cryptoloog, bedreven in het breken van geheime codes, had met zijn Indo-Chinese achtergrond belangstelling voor oosterse godsdiensten. Daarnaast was hij een toegewijd antroposoof. Met zijn interesse in het paranormale en bovenaardse een buitenbeentje in het zakelijke prinselijke milieu, stond hij toch bij Bernhard hoog aangeschreven. Zijn weduwe, bij wie ik enkele jaren, als jong referendaris (der tweede klasse) bij het ministerie van Justitie, op kamers heb gewoond aan de Haagse Statenlaan, en die haar man aan de hand van getoonde foto’s terecht kwalificeerde als ‘een erg Indische jongen’, werd nog in 1980 op haar honderdste verjaardag verrast met een felicitatietelegram van de prins.
Volgens de prins in de oorspronkelijke (nadien gekuiste) Engelstalige versie van zijn door Alden Hatch geschreven biografie had Koot hem gebeld, verteld wat hij van Greet Hofmans wist en hem de raad gegeven haar over het gebrekkige gezichtsvermogen van Marijke te consulteren. Kwaad zou het niet kunnen. De prins wist hoe zijn vrouw na de geboorte van Marijke leed onder schuldbesef en zelfverwijt, als het ware geobsedeerd was door ‘an unfounded but nonetheless real feeling of guilt because of her daughter’s defective eyesight’. Nog diezelfde avond sprak hij met Juliana over wat Koot hem verteld had van Hofmans’ ‘divine powers’ en de kracht van het gebed die wellicht genezing kon brengen. ‘Juliana who had her mother’s strong faith in God, was only too anxious to agree.’ Later maakte de prins, goed van vertrouwen als hij naar eigen zeggen was, zichzelf het verwijt niet eerst een onderzoek te hebben ingesteld naar de vrouw die hij tegenover zijn officiële biograaf omschreef als
a thin, ascetic woman with quite extraordinary eyes that were brilliant with faith or fanaticism as one chose to think.30
Maar toen dit inzicht kwam, was het te laat. Er valt overigens aan de beweegredenen van de prins nog wel iets toe te voegen. Allereerst bezat hij weinig mensenkennis. Evenals Juliana was hij verder niet immuun voor een zekere fascinatie met het bovennatuurlijke. Zo schakelde hij in 1952 de Stichting ter bevordering van de psychische physica in voor metingen met de wichelroede in de stallen van Soestdijk. Inderdaad sloeg de wichelroede uit en werden de paarden verplaatst.31
In de versie van de prins wordt geen gewag gemaakt van een eigen onderzoek door Juliana. Volgens Hofmans in een op 20 juli 1956 met de commissie-Beel gevoerd gesprek was die er eerst ‘fel op tegen’. De kinderverzorgster Rita Pennink-Nitschmann was vervolgens opgedragen met de Hattemse heilbrengster te spreken. Dat gesprek had in Hotel Bloemink in Apeldoorn plaats. Toen Hofmans op de vraag hoeveel geld zij wilde hebben, had geantwoord dat zij geen geld aannam, was het ijs gebroken.32
Op 27 september 1948 kon Hofmans ‘Jo en Marie’ [Noorduijn] berichten dat gravin van Rechteren, ‘een van de intiemste vriendinnen van Juliana’, haar in haar huisje had opgezocht ‘en is alles pro forma geregeld’. Zij beschreef haar bezoekster als een ‘fijne verschijning’, eenvoudig en sober, ‘want soberheid van begeerte geeft altijd aanzien aan het uiterlijke’. Het echtpaar kreeg het verzoek met niemand te praten over de komende ontmoeting met de koningin.33 Die vond plaats op 16 november, getuige een volgende brief aan de Noorduijns van precies een maand later.34
Het was een kleurrijk, zelfs geëxalteerd, verslag van haar eerste kennismaking met Juliana, Bernhard en het jeugdige prinsesje dat haar volgende patiënt zou worden. Greet Hofmans kwam, zag en overwon, tenminste als wij op haar eigen relaas mogen afgaan dat, mogelijk met hulp van een onbekende hand, hier en daar verfraaid en gechargeerd lijkt. Het contrast met haar onbeholpen, eerder geciteerde brief van 28 april 1948 is immers groot.
=

Koningin Juliana en de vier prinsessen in het speelhuis bij paleis Soestdijk, 1950 (foto Annelies Romein).
Zoals jullie gehoord hebt is het contact met de ‘top’ reeds in volle gang en heb ik reeds sinds 4 weken iedere week enige dagen in het Paleis Soestdijk gelogeerd. De ontvangst was werkelijk voor mij een vreemde droom want toen ik voor de eerste ontmoeting met een hofauto werd afgehaald en de auto voor de Paleisopgang stopte werd ik zeer ontroerd en bad God mij te steunen in dit onbegrijpelijke verantwoordelijke werk. Nu de ontvangst was niet ceremonieel! Doch warm menselijk en vooral van een geestelijke hoogte die ik nu juist niet zo overdadig tegen ben gekomen. De Koningin liet mij niet bij haar komen doch kwam zelf naar m’n appartement toe. Ik was er in het minst niet verdacht op en voor ik het wist stonden wij als twee vrouwen met ieder haar zware taak hand in hand iets ontroerd tegen elkaar uit te stamelen. Wat is deze vrouw vooral innerlijk van een onnavolgbare distinctie in letterlijk alles. Hoe menselijk en hoe eenvoudig in iedere beweging en gebaar en woord. En toch hoe koninklijk in ieder gebaar! Waar zou ik zo kunnen praten over deze bewonderenswaardige vrouw die zo wars is van elk hofceremonieel en elk conventioneel gedoe en geknip! En zo spontaan gelovig en kinderlijk eenvoudig in haar eisen. Nooit zal ik het moment vergeten dat wij tegenover elkaar stonden hand in hand en oog in oog. Doordrongen van de bovenaardse Leiding in dit alles.
Ieder uur dat zij heeft tikt ze bescheiden aan m’n deur en vraagt dan met die prachtige stemintonatie of ik nog een ogenblikje voor haar heb. Altijd weer weet zij zonder zich hier een ogenblik bewust van te zijn zichzelf weg te cijferen en alles wat voor haar doorgegeven wordt met haar ziel te benaderen. Nooit door kritiek of twijfel. Zij is dan ook vol Paasgedachten van Christus voor Nederland. En heeft altijd maar één vrees niet volkomen te beantwoorden aan deze Paasgedachten. Altijd waakzaam en iedere persoonlijke eis ondergeschikt makend aan haar opdracht. De laatste keer toen wij in haar kamer (die zonder enige opsmuk is) waren, zaten wij op een laag bankje bij het open haardvuurtje. Het uitzicht in het bos was prachtig. Het was reeds schemer en de meubels verloren hun vormen in deze Schemer. De zon ging gloeiend rood en goud onder en boven de hemelhoge beuken zweefden de herfstnevels als fijne gazen sluiers. Wij hadden gesproken over de voorbije beschaving van Egypte en Zij had evenals ik heimwee naar zoveel wat helaas in deze gruwelijke westerse ‘beschaving’ ontbreekt. Vooral de figuren van de Egyptische Koning Amom en diens vrouw Nevritetra waren voor ons beide de ideale mensen voor het regeren van een volk daar zij de belofte van kuisheid en van armoede aan ’s werelds bezit hadden volbracht op een wijze zoals dit nog nimmer is nagevolgd.35
Zij stond ineens op en keek mijmerend voor zich uit en zeide: ‘Zijn wij te laat of te vroeg geboren.’ ‘Precies op tijd,’ gaf ik door. Ik ging naast haar staan, zij nam mijn hand en keek mij met die verheven blik aan, die zij zo geheel met zich had meegedragen in haar troonsbestijging. ‘Lieve,’ zei ze zacht en plotseling werden wij verheven in een tijdloze en sekseloze liefde, die ons voor altijd zal binden. En ons in ons zware werk een nimmer ontbrekende steun zal zijn.
Bij het afscheid nemen droeg ze mijn koffer en weerde de lakei af, die onthutst de last wou overnemen. Toen ik in de auto zat en nog eens omkeek zag ik in de duisternis een zacht wuivende witte hand en de tranen stroomden mij over het gezicht om zoveel grootheid en eenvoud. Er is voor mij een gehele flat gereserveerd. Natuurlijk alles even sprookjesachtig. Haar zorgzaam oog weet altijd weer iets neer te zetten waar niemand om denkt. Een vaas met bloemen op de schrijftafel, op het nachtkastje en toilettafel een schaal met vruchten of een andere verfijnde versnapering. En nooit overdadig doch altijd met distinctie en tactvol. Het aardigste was dat zij mij haar eigen oude kamenier als hulp gaf die ik direct vakantie heb gegeven daar ik haar natuurlijk, zo min als Zij, nodig heeft. Voor haar is de kamenier de oude getrouwe, die zij niet missen wil zomin als de vrouw zelf haar leven zonder de Koningin kan indenken. Jullie ziet een vrouw die zeker een voorbeeld voor alle vrouwen in Nederland kon zijn om haar eenvoud, haar prachtige menselijke instelling en haar trouw aan God en opdracht.
En over Marijke:
Natuurlijk is de kleine Marijke mijn jongste en grootste opdracht. Het is een zonnig, dapper kind. Dat niets kon zien en alleen op het gehoor liep. Met het gevolg dat ze zich ieder ogenblik stoot en valt. Doch de kleine helpt zich met een kreunend ‘au’ of ‘boem’ overeind, veegt met haar knuistje de opkomende tranen weg en begint weer dapper opnieuw. Zij kent mij heel goed en intens aandoenlijk is het op dit blinde gezichtje de glimlach te zien van herkennen, de kordaatheid waarop zij dan de weg naar mij toe neemt met een stoot hier of een botsing daar. Goddank breekt het zien reeds door. D.w.z. zien en horen, dat eerst was zien door horen. De ouders zijn overgelukkig want waren ten einde raad.
Ook de prins, door haar beschreven als ‘een eenvoudige, moedige en zeer mannelijke verschijning’, kwam er bij deze eerste kennismaking goed van af. Hij werd omschreven als ‘hoogst intelligent’ en ‘volkomen rijp voor het werk wat hem binnen korte tijd zal worden opgedragen’. Maar dat laatste bleek toch een misrekening, nog geheel daargelaten wat voor werk zij precies voor de prins in petto had. Was het een bijdrage aan de sociale lotsverbetering van de massa waarvan in sommige van haar brieven aan de Noorduijns sprake was? Of moeten wij aannemen dat de zieneres het zelf niet precies wist? Haar correspondentie met de koningin, zoals wij nog zullen zien, muntte in elk geval niet uit door grote helderheid.
Het contact wordt verdiept
Deze eerste ontmoeting werd gevolgd door een reeks een- of meerdaagse logeerpartijen op Soestdijk. Daarnaast ontspon zich een levendige briefwisseling tussen Greet Hofmans en Juliana, waarvan althans de brieven en doorgevingen van Greet, aangevuld met notities en observaties van Juliana, in het Koninklijk Huisarchief bewaard bleven. Veel wijzer maken die ons niet. Daarvoor waren Greets brieven te zweverig. Men moest wel een heel goed verstaander zijn om bepaalde passages uit haar (eerste) brieven aan Juliana te begrijpen of zelfs maar te duiden. Zo schreef zij (op 2 december 1948):
Indien de Tijdswending door de cosmische krachten is ingezet en onder Opperste Leiding van Liefde wordt tot werking gezet, kan dit geen macht ter wereld tegenhouden.
En wanneer het Nederlandse volk Paasgevoelig is verheven, zal het Nederlandse volk zijn eigen taak volbrengen omdat het niet alleen voorbestemd is, doch steeds zal blijven de Paasgedachten van iedere vernieuwing.
Toen de aardse Koningin haar taak... aanvaardde, toen heeft het Nederlandse volk voor goed beleden trouw in bovenaardse Leiding en super-leiding als aardse norm...
Zeker zal Uwe Majesteit zich steeds in Zijn nabijheid bevinden wanneer zij in onzekerheid van eigen inzichten moet beslissen. Want de overgave aan Zijn Leiding is de enigste zekerheid van ‘ware leiding’.
Iets concreter werd zij in een brief van 18 december 1948 aan ‘Lieve Majesteit’, waarin zij een soort visioen beschreef.
Toevallig moest ik langs het Paleis [op de Dam] en hoog boven de koepel stond de volle maan in een hemel die nog hoger scheen door de diepte van het nachtelijke duister... Er was niemand op het Plein en ik bleef staan. Onwillekeurig zocht mijn blik het balkon dat nu alleen nog maar vaag te onderscheiden was, maar waar toch iets was wat m’n aandacht sterk boeide.
Vreemd dacht ik, wat zou er zijn. En net toen ik dichter bij wilde gaan, werd m’n bewustzijn opgeheven en zag ik ’t balkon vol mensen. Ik herkende hen alleen aan hun kwaliteiten en niet als figuren, en intens geboeid nam ik hen waar.
Hierna volgde de beschrijving van een wel heel bijzondere balkonscène. Er kwam een figuur naar voren, om wie de anderen gingen staan om verslag te doen van hun ‘Werk’, hun ‘Taak’ enzovoort. Deze figuur, die Hofmans niet anders kon beschrijven dan als ‘een werkende Bron van Liefde’, sprak de woorden:
Waarom moet er zoveel omslachtigheid worden opgewekt? Mensen leiden en mensen regeren is toch geen probleem, wanneer het op mensenliefde wordt getoetst? Neem toch geen enkel risico in dit verband. Plaats U zelf niet tussen de kleinen die mensen haten en vernederen, maar tussen de grote die de mensen hieruit opheffen en bezielen!
Stil was zij daarop in het maanlicht huiswaarts gegaan. Wat was het een zegen Nederlander te zijn, overdacht zij. ‘En nog begenadigder uitverkoren te wezen zo’n volk tot Leidster en tot Behoedster te zijn!’
Kort samengevat kwamen deze en volgende boodschappen of ‘doorgevingen’ erop neer dat Juliana zichzelf moest zijn en haar gelofte aan ‘Hem’ of aan ‘des Meesters Woord’ – de naam van God werd zorgvuldig vermeden – getrouw moest blijven. De beloofde ‘Verheffing’ zou dan niet uitblijven.36
Uiteraard was dit zichzelf zijn en blijven geen eenvoudige opgave, zeker niet nu zo’n wilskrachtige figuur als Hofmans haar invloed in Juliana’s leven deed gelden. Juliana zag dit echter niet als een bezwaar. Geestelijk lijkt zij zich vrijwel onmiddellijk na hun eerste kennismaking aan Hofmans te hebben overgegeven. Een verklaring daarvoor is niet gemakkelijk te geven. Misschien weten wij het definitieve antwoord pas wanneer Juliana’s dagboeken ooit voor historisch onderzoek toegankelijk worden, dus op z’n vroegst in 2054. Wij hebben Juliana leren kennen als een intelligente en ontwikkelde vrouw, die althans in haar oorlogscorrespondentie met man en moeder bepaald niet zweverig overkomt. Een indruk van afhankelijkheid van anderen maakte zij in haar brieven niet. In het algemeen leek zij heel wel te weten wat zij wilde, ook al waren aan haar optreden een zekere ongezeglijkheid en onvoorspelbaarheid niet vreemd. Zij moet zich bij de vervulling van haar taak als koningin niettemin eenzaam en onzeker hebben gevoeld. De afstand tussen haar en Bernhard leek groter te worden. Daarbij zocht zij troost voor het onheil dat haar jongste dochter was overkomen, een onheil dat zij in belangrijke mate zichzelf aanrekende. In haar gevoelige, emotionele natuur speelde ook het godsdienstig-religieuze element een grote rol. Zij zocht een hogere leiding in haar leven en werk. Een vrouw als Hofmans, die haar zo goed aanvoelde, die zo goed in onderlinge gesprekken kon verwoorden wat Juliana wilde of wenste, die ook dankzij haar eenvoudige opvoeding en vroegere werkkring in haar dagelijkse doen en laten zo ‘gewoon’ was, zo wars van stands- en rangverschil, kon haar die leiding geven. Niet door zichzelf als leidster op te werpen, maar langs indirecte weg, door haar ‘doorgevingen’, door haar functioneren als verbindingsvrouw tussen de koningin en het hogere. Tussen de zieneres en de koningin bleef daarbij ondanks de hartelijke toon een zekere afstand bewaard. Nooit hebben zij elkaar getutoyeerd. Juliana werd in hun correspondentie doorgaans aangesproken als ‘lieve Majesteit’, Hofmans als ‘lieve Engel’.
Op die ‘doorgevingen’ of boodschappen van hoger hand berustte Hofmans’ persoonlijke en directe invloed op de koningin. Wel liet zij steeds uitkomen dat zij slechts een doorgeefluik was en niet meer. Die invloed bleef bestaan, zelfs nadat haar interventie ten behoeve van Marijke niet de gehoopte, gunstige resultaten had opgeleverd. Juliana was daarbij bepaald de enige niet die als het ware onder de magie van Hofmans raakte. In korte tijd zou een aantal ontwikkelde en gefortuneerde, deels adellijke families in het Gooi en elders haar invloed ondergaan.
Bernhard stond in het begin zeker niet onwelwillend tegenover Hofmans. Hij spoorde in 1949 enkele vrienden met medische problemen aan haar ook eens te consulteren. Zij won vermoedelijk zijn sympathie toen zij Juliana op 15 februari 1949 adviseerde prinses Armgard gastvrijheid in Nederland te verlenen, mits deze zich afzijdig zou houden van elk streven naar publiciteit. Deze zaak ging de prins ter harte, want noch bij Juliana noch bij haar moeder bestond voor dit denkbeeld veel animo. Toch zou hij zich spoedig keren tegen Hofmans’ invloed op zijn vrouw. Blijvende steun in haar relatie tot Hofmans vond Juliana bij haar moeder, prinses Wilhelmina. De band tussen moeder en dochter was en bleef ook na 1948 buitengewoon hecht. Iedere dag werden er lange telefoongesprekken gevoerd tussen Soestdijk en paleis Het Loo, de residentie van Wilhelmina. In het leven en de belevingswereld van de oude koningin was haar niet-kerkelijk gebonden religieuze overtuiging na haar troonsafstand een steeds grotere rol gaan spelen. Ongetwijfeld heeft zij haar dochter daarin doen delen. Ook al had prinses Wilhelmina zich na haar abdicatie geheel uit het staatkundig leven teruggetrokken, zij stelde zich tot taak het Nederlandse volk te doordringen van de goddelijke leiding. Aan die gedachte gaf zij eerst uitdrukking in verschillende brochures en paasboodschappen en uiteindelijk in haar door Thijs Booy bewerkt levensverhaal Eenzaam maar niet alleen, dat begin 1959 verscheen. Wilhelmina moet evenals Juliana in Greet Hofmans een verwante geest hebben gezien, voor wie zij zich openstelde. Niet alleen op Soestdijk, maar ook op Het Loo was de genezeres vanaf begin 1949 een geziene gast.
Dat gold eveneens voor Kaiser, met wie Wilhelmina via Hofmans in aanraking kwam. Hij was behulpzaam bij haar theologisch werk en werd door haar (en Juliana) financieel ondersteund. Op 7 juni 1949 sprak hij over dierenriem en evangelie op het kasteeltje Het Oude Loo, een locatie waar hij in later jaren nog menigmaal het woord zou voeren. De koningin en verschillende leden van de hofhouding, alsook mejuffrouw Hofmans, bevonden zich die dag onder zijn gehoor. De eveneens aanwezige Van Maasdijk vond de voordracht maar moeilijk te volgen.37
Anders dan haar onzekere, met haar nieuwe taak worstelende dochter was Wilhelmina echter een veel te onafhankelijke geest om zich blijvend door Hofmans (of Kaiser) te doen beïnvloeden. Al in een brief van 6 januari 1949 aan haar dochter heet het:
Ofschoon ik gaarne nog eens met Mej. Hofmans zoude spreken, kan ik wel zonder haar verder op ’t ogenblik.
Juliana kon dat laatste bepaald niet. Wilhelmina paste daarom zelfs haar agenda aan, wanneer zij haar dochter op Soestdijk kwam opzoeken, om het ongestoorde contact tussen Juliana en de genezeres niet in de weg te staan. ‘Wil mij een dag en uur aangeven waarop je haar beslist niet kunt spreken.’38 In nog geen twee maanden was Hofmans een dominante rol in Juliana’s leven gaan spelen. Zelfs haar moeder was bereid daarvoor te wijken. Waarschuwingen van haar zijde aan haar dochter om zich niet te zeer door de nieuwkomer op het paleis te laten beïnvloeden, waarvoor op den duur toch wel aanleiding was geweest, bleven uit.
Verwachtingen
Een tiental dagen na Hofmans’ eerste bezoek aan Soestdijk had Wilhelmina op 28 november 1948 aan haar dochter geschreven:
En dan alles te horen over alle hoop en verwachtingen die die onbekende bij jou gewekt heeft. Ik ben erg benieuwd op haar successen!
Hofmans zou in haar rol van paranormaal genezeres moeten bewijzen wat zij waard was. Voor dat doel was zij gevraagd aan het hof te komen. Zij besefte dit natuurlijk zeer wel. In tal van brieven en aantekeningen voor Juliana stonden de medische vorderingen van het jonge prinsesje centraal, zij het dat zij veelal in raadselen sprak. Wat bijvoorbeeld te denken van haar voor Juliana bestemde aantekening van 14 februari 1949?
Marijke is geheel in de sfeer der algehele vereffening opgenomen en ondergaat dit met de algehele overgave van het formaat van haar wezen.39
Het was begrijpelijk dat de meeste brieven optimistisch van toon waren. Een genezeres die los van de medische wetenschap opereert, hoort niet te versagen. Een goed observatievermogen kon Hofmans daarbij niet worden ontzegd. Illustratief is een brief van 23 februari 1949. Bij afwezigheid van Juliana, die naar de wintersport was vertrokken, logeerde zij tezamen met Marijke, op paleis Het Loo.40
Lieve Majesteit. Eerst even over Marijkje. Het gaat heel goed! Zij is uitbundig van vrolijkheid behalve als ze impulsief om U roept. Dan wordt het moeilijk. Wij leiden haar dan voorzichtig af en half verdrietig, half geïnteresseerd laat zij zich afleiden.
De vragen zijn soms verrassend van waarneming! Van morgen speelde ik met haar met het karretje met de gekleurde blokken. Ik balde met twee kleuren eerst geel/groen toen rood/blauw, toen weer geel/groen. Ze was sterk geboeid. Plotseling zocht ze in het doosje een nieuw rood blokje en zei: ‘Nu die rooie’, en hield vol...
Het is typisch zoals ze ons nu telkens verrast met haar opmerkingen. Het is of haar breintje zeer actief begint te werken op waarnemen en ze is overmatig blij als ze wat ontdekt!... Dit zijn mijn eigen waarnemingen.
Vervolgens kwam er een ‘doorgeving’, waarin Juliana werd aangezegd,
dat een van de meest opzienbarende genezingen zich aan het voltrekken is, die menselijkerwijze een wonder mag genoemd worden. Mej. H[ofmans] is vol Paastoewijding en zeer hoog ingesteld op deze genezing. Natuurlijk wordt zij hierin gesteund door haar geloof in Christus.
In een andere, ongedateerde, Hofmansnotitie werd beschreven hoe Marijke rondreed met haar poppenwagen ‘alsof ze dit al jaren doet’. Ze kreeg nog een andere positieve beoordeling:
Ze zingt opvallend zuiver en vooral is de intonatie van ieder woord of zinnetje treffend juist. Zou ze gaan zingen?!!! Wat zou dat zijn!
Ook werd Juliana aangespoord Marijke ‘als een volkomen zeer begaafd kind in Uw denken op te nemen’.41 Hofmans toonde zich getroffen door ‘de schranderheid, de humor en de lieve wijze van doen’ van het prinsesje. In deze gedragslijn paste – een jaar later – het verslag van een wandeling van Hofmans met haar naar de schildwacht voor paleis Het Loo:
Ze keek hem lang aan en begon ineens met een ernstig stemmetje te zingen: ‘Gloria in Excelsis Deo’. De schildwacht werd zo aangegrepen dat hij er rood van werd, maar bleef zo onbewegelijk staan. Marijke begon hem toen weer met diepe belangstelling aan te kijken doch nu van opzij en herhaalde met nog grotere overtuiging haar ‘Goria’. Draaide zich toen robuust om en zei: ‘Man slaapt.’42
Aanwijzingen voor de voeding en leefwijze van Marijke bleven evenmin achterwege, waarbij Hofmans haar vegetarische levenswijze niet helemaal verloochende. Ook de andere prinsesjes mochten daarin delen. De raadgeefster strekte haar zorgen immers graag mede uit tot andere leden van het koninklijk huisgezin, of ze daarom gevraagd hadden of niet.
Weinig vlees en altijd kalfsvlees in boter. Weinig melk of melkspijzen. Weinig snoeperij (ook de andere kinderen) daar dit de eetlust gezond houdt.43
Het eten van gevogelte door de vier kinderen werd afgeraden. Vruchten en vruchtensappen waren te verkiezen.
Daar gevogelte niet volkomen beantwoordt aan de trillingsfactor van verteren dan door een hogere trillingsopwekking die dan ’t hart te veel moet laten werken.
Van enig gepsychologiseer toonde Hofmans zich daarbij niet afkerig:
Het oudste zusje is wel heel sterk met haar [Marijke] verbonden door zorgzaamheid... Zij is min of meer ontzet wanneer Marijkje valt of struikelt of ergens tegen aanloopt en toont dan een golf van innige meewarigheid.
Wel leek het zaak het ‘heersende’ element in ‘Trix’ buigzamer te maken. Het oordeel van de aldus besprokene over de vrouw die niet op haar verzoek zich zo ingrijpend met het gezinsleven op Soestdijk bemoeide, is in indirecte vorm bewaard gebleven; en wel in de vorm van een ijzig briefje van Hofmans aan de toen twaalfjarige, dat weinig te raden laat.44
Trix, Beginnend bij ’t einde van je brief n.l. of ik je niet kwalijk wil nemen dat je mij onomwonden je mening over mij en mijn arbeid hebt gezegd, antwoord ik je:
Natuurlijk niet!! Ieder mens heeft recht op een oordeel hierover!!
En veroordeel is voor eigen risico van geweten, en de tijd zal dit waar maken of beschamen.
Jouw brief stuur ik hierbij terug, juist om als een bewijsstuk voor je beschuldigingen te kunnen dienen of als levensles om oordeel of veroordeel te kunnen loslaten wanneer men daartoe in staat is. M. Hofmans
Uiteindelijk overspeelde Hofmans haar hand. Op 16 april 1949 kondigde zij aan dat niet alleen het gezichtsvermogen van het rechteroog, waaraan Marijke geopereerd was, maar ook het door Weve opgegeven linkeroog een onmiskenbare vooruitgang te zien gaf. Een stroom van optimistische toekomstvoorspellingen zou volgen.
Marijke is nu vol Paasgedachten geworden van ‘ontvankelijk voor de staat van’ evenwichtig zien (dus met beide ogen) hetgeen betekent dat zich nu de genezing zal gaan concentreren op het linkeroog, tot het de gelijke stand van het rechteroog zal krijgen.45
Deze onberaden, want bij medisch onderzoek gemakkelijk op hun juistheid te controleren observaties en prognoses werden in de volgende maanden keer op keer herhaald. Zij wekten valse hoop bij de moeder en ergernis bij de vader. De vraag of het niet tijd werd zich van de genezeres te ontdoen, drong zich aan de prins steeds klemmender op. Ook haar inmenging in politieke kwesties deed vermoedelijk zijn irritatie groeien.
Politieke bemoeienissen
Zolang het nog slechts om Hofmans’ bemoeienissen met Marijke ging, kon haar verschijning aan het hof als een privézaak worden gezien. Het werd anders zodra zij zich zou inlaten met het functioneren van Juliana als staatshoofd. Juliana zal zich hier ongetwijfeld bewust van zijn geweest. Het aanbrengen van een scheidslijn was in de praktijk echter minder eenvoudig. In haar enthousiasme voor Hofmans wilde Juliana anderen doen delen. Zelfs een zo prozaïsche en nuchtere figuur als minister-president Drees, die iedere godsdienstige of mystieke inslag miste, moest eraan geloven. Juliana wist dat hij aan een maagkwaal leed (hetgeen hem overigens niet belette bijna 102 te worden). Misschien kon Hofmans goede diensten bewijzen bij de genezing van die kwaal. Ook de doorgeefster zelf was van zo’n gesprek niet afkerig. Heeft zij gehoopt invloed te kunnen uitoefenen op het regeringsbeleid? De tijden waren ernaar. Nederland had enkele dagen voor Kerstmis 1948 een nieuwe militaire aanval ingezet op de republiek van Soekarno, een aanval die de boeken inging als de tweede politionele actie. Weliswaar was de actie na twee weken onder druk van de Veiligheidsraad afgebroken, maar de guerrillastrijd ging onverminderd verder. Dagelijks sneuvelden er Nederlandse militairen. Wekelijks stonden hun namen, soms tientallen tezamen, in de dagbladen onder de kop: ‘De Nederlandse regering maakt tot haar leedwezen bekend...’
Het gesprek tussen hen beiden op 25 februari 1949 op het ministerie van Algemene Zaken werd in de beleving van Drees geen succes. Een wantrouwige minister-president voelde zich gesterkt in het besef dat zij in de Indonesische kwestie, ‘zij het in vage bewoordingen’, politieke invloed wilde uitoefenen, ook om de positie van de koningin te versterken. Haar vraag ‘of ik niet wilde opschrijven wat zij zei’, deed voor hem de deur dicht. Uit beleefdheid deed hij het toch maar, al sprak zij ‘orakeltaal’. Voor hem als gewezen Kamerstenograaf was dat opschrijven immers een koud kunstje. Hofmans zou ten slotte onverrichter zake zijn vertrokken met de opmerking: ‘Ik merk wel op welke weerstand ik hier stuit.’46 Aan Juliana deed zij diezelfde dag echter een heel ander verslag. Het vermoedelijk enige waarheidsgetrouwe element erin is de hoffelijkheid die ‘de massieve mens’ Drees tegenover haar aan de dag legde.
Lieve majesteit,
Zo juist kom ik van de Heer Drees en ben wel zeer verrast door de diepe aandacht waarmede hij alles in zich opnam. Hij heeft zijn aantekeningen gemaakt en (naar ik waarnam) [viel] vooral de aandacht op de wenken voor hem zelf om steun te geven aan het hoge Mandaatschap wat U als Koningin was opgelegd, tijdens de Troonbestijging op deze onvergetelijke dag zelf. Diep ontroerd werd deze massieve mens toen ik moest doorgeven, dat tegenover de gehele Wereld de Koningin dit mandaat had aangenomen en als zodanig haar volk onder haar hoede kreeg onder deze Leiding. Hij werd zeer bleek en kon de tranen moeilijk verbergen. En in dit hoge moment kwam door: ‘Dat rondom de Koningin een kern zou worden gevormd die als dienend element in dit Mandaat zou worden toegevoegd. En in de voor hen weggelegde taak als Zij die steun en inspiratie zouden krijgen die nodig zijn in deze tijd voor Nederland en Indië.’
Hij was vooral zeer bewogen toen ik moest zeggen dat ik altijd beschikbaar was voor doorgeven wanneer hij graag licht wilde hebben op de moeilijke problemen en op de Steun en Kracht kon rekenen wanneer hij zich ‘dienend’ in dit verband wilde stellen.
Het was een hoogst belangrijke ochtend en de man was merkbaar tot een groot bevrijdend gevoel gekomen in zijn grote verantwoordelijkheid te worden gesteund en zo dat de gevolgen nooit tot een ernstige dwaling kon[den] worden, wat juist altijd zoo zwaar weegt in dergelijke verantwoordelijke posities... Op de vraag of hij [op] de verdere wenken die ik voor hem doorkreeg nog wilde ingaan ging hij verrassend actief op in: ‘Heel graag’ ‘En van ’t grootste belang!’ mompelde hij. Het telefoonno. heeft hij genoteerd en vroeg of ik binnenkort weer op Soestdijk kwam. Nu ik kon hem gerust stellen want het is goed dat ik iedere week een paar dagen kom.47
De ambitie bij Hofmans om politieke invloed uit te oefenen lijkt er dus wel degelijk te zijn geweest, zij het dat zij daarvoor het niet erg effectieve instrument koos van de persoonlijke, goddelijk geïnspireerde, en dan nog vaak onbegrijpelijke getuigenis, de door Drees gesignaleerde ‘orakeltaal’. In elk geval bleef het gehoopte resultaat uit tegenover een door de wol geverfde sociaal-democraat (en overtuigd atheïst) als Drees. Bij Juliana vond zij meer gehoor, omdat die voor haar ‘doorgevingen’ openstond. Het bleef ook dan echter bij gedachtespinsels die moeilijk als duidelijke politieke wenken konden worden opgevat. Daardoor konden zij in de regel weinig kwaad aanrichten. Het staat wel vast dat Hofmans bijvoorbeeld in 1949 verschillende malen met Juliana intensief over de Indonesische kwestie van gedachten heeft gewisseld, maar dit leidde doorgaans tot niet meer dan algemeenheden.
Zowel de tekst van de overdrachtsrede die Juliana in het Paleis op de Dam op 27 december 1949 uitsprak als die van haar vier dagen eerder gehouden kerstrede werd aan het oordeel van Hofmans onderworpen. Een baaierd aan aantekeningen van Juliana, evenals diverse ‘wenken’ in de hand van Hofmans, vormen er het bewijs van. Bij Hofmans oogstte zij dan ook een complimentje voor haar toespraak bij de soevereiniteitsoverdracht. (‘De inspiratie is zeer zuiver opgenomen en vooral strikt gehouden in de sfeer waar deze rede werken moet.’) Veel maakte het niet uit. De invloed van Juliana als staatshoofd op de loop van de dramatische gebeurtenissen in en met betrekking tot Indonesië was zeer beperkt.48
Op langere termijn werden er ook wel tegenkrachten gemobiliseerd, die de invloed van de genezeres moesten neutraliseren. Bepaalde ministers in het kabinet en de daadkrachtige Tellegen hebben zich ongetwijfeld geweerd, wanneer zij achter bepaalde zweverige uitlatingen van het staatshoofd in gesprekken of concepttoespraken de invloed van Hofmans konden vermoeden. Vooral de nuchtere Tellegen had helemaal niets met haar op. Zelfs Juliana vertoonde op het punt van de ‘doorgevingen’ soms enige aarzeling. Zo noteerde zij op 4 augustus 1949 voor zichzelf:
De profetische voorlichting zal aan mijn intuïtie moeten worden onderworpen... D.w.z. dat mijn intuïtieve vermogen altijd aan de orde moet zijn bij dergelijke voorlichting voordat ik die gebruik of verwerp... Altijd moet de toets ‘intuïtie’ worden gebruikt bij het doorgegevene en het bestaande.
Niettemin moet Bernhard de bijna magische betoveringskracht die Hofmans zo snel over Juliana wist te verwerven, met lede ogen hebben aangezien. Tussen hem en Juliana had zich een macht van buiten gedrongen in de persoon van een vreemde, onbegrijpelijke vrouw; een vrouw die zich aan zijn invloed onttrok en vast besloten leek haar overwicht op de koningin in plaats van het zijne te stellen. Een conflict tussen hem en Hofmans kon niet uitblijven.
=

Stacaravan bij de familie Mijnssen in Baarn, waar Greet Hofmans in woonde. Voor de deur Wim Kaiser.
6
De prins onder vuur
Het eerste grote conflict tussen de prins en Greet Hofmans speelde zich af in de tweede helft van 1949. Bernhard behaalde daarin een pyrrusoverwinning. Weliswaar werd voortaan de genezeres de toegang tot paleis Soestdijk ontzegd en verviel de standing invitation om daar te logeren, maar Hofmans wist haar invloed op de koningin te behouden. Pas zeven jaar later, na een nieuw conflict, wist de prins deze invloed te breken en kwam er een einde aan de contacten tussen Juliana en de vrouw die zoveel in haar leven betekend had. Anders dan de eerste keer moest de prins nu hulptroepen van buiten inschakelen (de commissie-Beel), nadat hij aan de zaak in de buitenlandse pers bekendheid had laten geven.
Vanaf het begin van zijn huwelijk was de prins er prat op gegaan dat zijn vrouw dan wel (toekomstig) staatshoofd was, maar dat hij als hoofd van het gezin thuis de baas was.1 Het werd hem in de loop van 1949 hoe langer hoe duidelijker dat die uitspraak niet meer opging. Later heeft hij Juliana verweten dat zij als het ware ‘gehypnotiseerd’ leek door Hofmans en haar omgeving. Dat woord was inderdaad niet slecht gekozen. Juliana zocht houvast bij Hofmans, die steeds meer de ‘doorgeefster’ werd tussen het hogere en de koningin. Ettelijke malen treffen wij in de briefwisseling tussen Juliana en de zieneres de vraag aan of er nog een ‘doorgeving’ was dan wel of ‘mijn lieve engel’ die kon vragen. Boodschapper en boodschap vloeiden ineen. Zoals wij nog zullen zien, betroffen die doorgevingen zaken van zowel persoonlijke als politieke aard. Ook het huwelijk van Juliana en Bernhard kwam daarin aan de orde. Bernhards ingrijpen lokte immers in de Hofmanskring heftige, tegen hem gerichte reacties uit.
Prins en paard
De aanleiding tot de onvermijdelijke Hofmanscrisis leek onschuldig. In het voorjaar van 1949 was naar Hofmans’ zeggen de prins naar haar toe gekomen (hij beweerde later het omgekeerde). Kon zij hem doorgeven hoe hij zich met zijn favoriete dressuurpaard, ‘No No Nanette’, kon kwalificeren voor grote toernooien, misschien zelfs voor de in 1952 in Helsinki te houden Olympische Spelen? Zij kreeg door dat het dier met vlees en room moest worden bijgevoed. Inderdaad, een origineel voedingsadvies voor een herbivoor, een haver-, hooi-, gras- en groente-eter. Hilarische taferelen in de stallen volgden en daarna bittere verwijten van de prins aan de doorgeefster. Zijn humeur werd er niet beter op toen Hofmans had geantwoord: ‘Hier ziet U hoe Uw ijdelheid gestraft wordt.’ De prins had de therapeutische werking van de van hoger hand ontvangen boodschap, die gericht was op het doen afzweren van zijn ijdelheid, onvoldoende op haar waarde geschat. Tegen de Noorduijns zei ze later dat haar advies (balletjes gehakt, gedrenkt in melk) een grap was geweest waaraan de prins geloof had gehecht. Een staaltje Amsterdamse humor dus.2
Aan Delmer en indirect aan Der Spiegel deed de prins in 1956 een geheel ander verhaal. Hij had Hofmans op de proef willen stellen en de gebedsgenezeres op haar verzoek drie haren uit de staart van Nanette in een envelop gegeven om inspiratie op te doen. Zij was in zijn val gelopen. Zij had blasfemisch gehandeld en haar bovennatuurlijke gaven misbruikt door hem behulpzaam te willen zijn met zoiets triviaals als een bijvoedingskuur voor een paard! Los daarvan was ze, afgaand op haar advies, kennelijk niet goed snik.3 Hij vermeldde niet hoe op 11 april 1949 het personeel van de Koninklijke Stallen opdracht had gekregen ‘No No Nanette’ één keer per week een liter melk en vleesnat voor te zetten. Er waren toen nog andere wenken gegeven voor de behandeling van zijn rijpaarden, die mogelijk eveneens op ‘doorgevingen’ teruggingen. Het personeel van de Koninklijke Stallen zal in elk geval met een zekere verbazing kennis hebben genomen van de instructies. Het paard ‘Etendard’ moest tweemaal per dag met heet water worden afgesponst maar niet na donker; een ander ros, ‘Kolonel’, mocht vier weken lang alleen rechtsom de stal in of uit en in de manege alleen wendingen naar rechts maken enzovoort enzovoort.4 Kennelijk had de prins toch meer waarde toegekend aan de adviezen van Hofmans dan hij achteraf deed voorkomen, ook al had zij als stadskind in haar leven waarschijnlijk alleen op het paard van de melkboer gezeten. Zou hij, achter zijn rug uitgelachen door zijn stalknechten, inderdaad in zijn ijdelheid gekwetst zijn geweest?
=

Bernhard tijdens een dressuurproef te Delft, 5 juli 1956.
De stemming leed nog meer toen de prins voor de jaarlijkse Horse Show naar Engeland wilde reizen met zijn moeder en de oudste twee dochters, maar zonder Juliana. Die had toch geen belangstelling voor paarden of hippische evenementen. Hofmans gaf door dat de koningin er wel bij moest zijn, en dat was niet naar de zin van de prins. Hij zegde zijn vertrouwen in haar op. Zij was op het paleis niet langer welkom. Er moet een forse echtelijke ruzie zijn gevolgd, getuige althans een verzoenend briefje van Bernhard aan Juliana:
Lieve Mammie. Ik ben niet meer boos op je. Het spijt me, ik had het ook niet moeten worden. Maar ik heb iets gemerkt van een prachtidee – je uitschreeuwen in een andere verre kamer!!! Hoera!! That is the answer to a poor husband’s prayer. Heel veel liefs.5
Volgens zijn particulier secretaris Thomassen, die aan Van Maasdijk op 2 augustus 1949 verslag deed, had de koningin anders dan de prins het vertrouwen in Hofmans niet geheel verloren, ze had er
veel verdriet van maar is niet zo kapot als de Prins, die zegt: ’t is alles fake, we hadden op onze eigen intuïtie moeten vertrouwen etc. etc... De koningin spreekt van een ‘gebroken illusie’, doch handhaaft haar vertrouwen in de genezingen. Ik heb haar aangeraden de behandeling van Marijke te laten doorgaan en overigens het contact te beperken tot het persoonlijke, dus geen divagatiën [uitweidingen] over politiek en economie.
Thomassen was zelf een Hofmansadept. (‘Deze vrouw blijft voor mij een der grootste mensen die ik ooit ontmoet heb of zal ontmoeten.’) Hij was intussen niet blind voor haar menselijke zwakheden en beperkingen. Volmaakt was zij zeker niet. Een brief van haar aan adjudant Sonderman had de prins ‘razend’ gemaakt. Later beweerde zij dat de prins haar zou hebben willen vergiftigen en daarom Sonderman op haar had afgestuurd om iets in haar koffie te doen, ‘maar ik kreeg van “Omhoog” door dat ik de koffie niet moest drinken’.6 Thomassen gaf een andere lezing. Sonderman en Rita Pennink hadden ‘een flirtation’ gehad en dat had haar woede en jaloezie opgewekt.
Zij heeft het huwelijksgeluk niet gekend en dáár ligt haar grootste zwakheid. Haar oordeelvellingen op dit gebied missen doorleefdheid, zijn hard en dor.7
Begin oktober leek de rust weergekeerd en kwam Hofmans opnieuw op het paleis logeren.8 Naast de koningin had zij daar nog steeds andere trouwe aanhangers. De meest toegewijde was waarschijnlijk Rita Pennink-Nitschmann, de kinderverzorgster. Toen zij in februari 1951 vertrok, bleef Walraven van Heeckeren over, de ruim een jaar eerder benoemde particulier secretaris van de koningin. Zijn naam was voor het eerst door Hofmans genoemd in een gesprek met Van Maasdijk op 22 april 1949, zoals blijkt uit een dagboekaantekening van de laatste. De koningin was aanvankelijk tegen. Zij vreesde ‘Hofmans geklets’, maar liet zich door Van Maasdijk bepraten. Walraven, toen als secretaris werkzaam bij het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken (een voorloper van het instituut ‘Clingendael’), werd op 9 november 1949 door zijn nieuwe werkgeefster aangenomen. Het was geen gelukkige keuze. Voor zijn functie, die hij bijna zeven jaar zou vervullen, was hij ongeschikt. Dat kwam niet alleen door zijn band met Hofmans, maar ook door zijn persoonlijke eigenschappen. De Engelse ambassadeur in Den Haag, Paul Mason, vond hem ijdel en onprettig (‘vain and rather disagreeable’).9 Als hij al intelligent was, liet hij het niet blijken. Over de (vijfjarige) hbs had hij zeven jaar gedaan, bij zijn studie economie in Rotterdam was hij niet verder gekomen dan een met moeite behaald kandidaatsexamen.10 Voor de constitutionele positie van de koningin in het Nederlandse staatsrecht toonde hij bitter weinig begrip. Met de prins stond hij spoedig op slechte voet. In zijn nagelaten, keer op keer opnieuw geredigeerde en herschreven gedenkschriften, die in het Gelders Archief te Arnhem worden bewaard, liet Van Heeckeren zich uiterst rancuneus over hem uit. Zo zou Bernhard in 1948 de troon hebben geambieerd in de hoedanigheid van regent, omdat Juliana naar zijn mening toch ongeschikt was tot regeren. Het was een bewering die niet uit andere bron werd bevestigd, ook niet door Van Maasdijk.11
Van Maasdijk, toen nog bijzonder invloedrijk aan het hof, zag Hofmans als ‘de telefoon’. Zijn dagboek bevat ettelijke door hem genoteerde doorgevingen die van haar afkomstig waren. Hij lijkt er overigens niet veel mee gedaan te hebben. Belangrijk voor hem was ‘de Zaak’, waarbij niet duidelijk is wat hij daarmee precies bedoelde.12 Of was ‘de Zaak’ zijn eigen positie als (waarnemend) algemeen secretaris? Om definitief in die functie te worden benoemd, moest hij eerst afrekenen met zijn gezworen vijand, grootmeester Van Hardenbroek. In Hofmans zag hij waarschijnlijk een bondgenoot die de koningin kon bewerken.
Het bestand tussen Hofmans en de prinsgezinde factie in het paleis duurde maar kort. Op 3 november 1949 is er in Van Maasdijks dagboek sprake van een nieuwe crisis, nu tussen Hofmans en de kinderverzorgster enerzijds en Bernhards particulier secretaresse Gilles anderzijds. Dit keer was de breuk definitief. Zijn voornemen Hofmans te zeggen waar het op stond, verwezenlijkte de prins op Nieuwjaarsdag 1950 in een brief aan ‘Beste Juffrouw Hofmans’. Een antwoord verlangde hij niet, ‘want ik moet U dit zeggen’. Zijn vrouw informeren wilde hij evenmin, want het zou haar maar pijn doen. ‘Ik moet U zeggen,’ zo ging zijn brief verder,
dat ik ervan overtuigd ben dat U niet meer goed en zuiver bent. Indien U in het geheel de zaak zoude bedriegen geloof ik niet dat ik U had moeten schrijven want dan was dat overbodig. Dus ik veronderstel dat U toen U bij ons kwam nog wel goed was. Hoe en waarom het is gaan veranderen moet U met Uzelf gaan uitzoeken. U kunt hier in huis niet meer ‘helpen’. God heeft U die kracht ontnomen omdat U niet meer zuiver bent. En dat had U moeten zien en beseffen... U had ook niet mogen helpen met de paarden – mijn eerste instinctieve reactie hierop was wel zuiver – U hebt niet meer hier in huis de kracht die U denkt of dacht te hebben. Waarom dit zo is, en waarom U niet meer zuiver bent, zal U ook wel zelf het beste weten. Maar het is bepaald slecht van U om, als U werkelijk U in U zelf gaat keren, en dit inziet, daarna door te gaan mijn arme vrouw, die nog altijd vast in U gelooft, voor de gek te houden – dat zal God U nooit vergeven. Jula heeft heus beter verdiend want zij is een echt goed mens – respecteer dit en trek U terug tot dat U eens werkelijk weer bent wat U zich op het ogenblik verbeeldt te zijn.
Ik heb medelijden met U – want de verzoeking is groot geweest en U bent gevallen. Ik hoop dat U de kracht tegenover andere mensen niet gaat verliezen en zo weer bovenop kunt komen. God vergeeft wel als men eerlijk is – wees dat dan en bedrieg niet Uzelf en anderen. Ik hoop dat dit jaar U dat zal mogen gelukken – ik hoop het voor U.13
Een dag later vertrok de prins voor zijn eerste, elf weken durende reis naar het Caraïbisch gebied en Zuid-Amerika. Hofmans bracht eind januari 1950 haar laatste bezoek aan paleis Soestdijk; ze liet zich er daarna niet meer zien. Zij bleef wel in de onmiddellijke omgeving van de koningin. Aan het verblijf op Molecaten kwam in de loop van 1950 een einde. Zij vond een gastvrij onderdak in de achtertuin van de familie Mijnssen-s’Jacob aan de Regentesselaan in Baarn in een daar geplaatste, met de wielen ingegraven stacaravan (voor het bouwen van een tuinhuis zou een vergunning zijn vereist).14 De heer des huizes, F.C. Mijnssen, was eigenaar van de verzekeringsmaatschappij Providentia en deed in toewijding aan Hofmans niet voor zijn vrouw onder. Nauwe banden werden verder aangeknoopt met de eveneens in Baarn woonachtige familie Pierson-van Tienhoven. J.L. Pierson Azn. was firmant van de bank Pierson, Heldring en Pierson en zeer vermogend. De dames Mijnssen en Pierson waren met Juliana bevriend, een vriendschap die dankzij de gemeenschappelijke Hofmansaffectie na 1948 een nieuwe impuls kreeg. Kaiser betrok met zijn gezin een door Pierson beschikbaar gesteld huis in de Ferdinand Huycklaan in Baarn. Een net van Hofmansgetrouwen, in dit boek ook wel aangeduid als de Baarnse kring, spande zich om Soestdijk.
Prins-reiziger en prins-regent
Begin 1950 stond de prins op het hoogtepunt van zijn populariteit. Op 2 januari 1950 vertrok hij uit Rotterdam met het vlaggenschip van de Nederlandse marine, het vliegdekschip Hr.Ms. ‘Karel Doorman’, dat hem naar Puerto Rico bracht. Zijn eerste grote promotiereis ten behoeve van het Nederlandse bedrijfsleven omvatte bezoeken aan de Nederlandse Antillen, Venezuela, Suriname, Brazilië en Mexico. Op de terugreis werden ook de Verenigde Staten en Canada aangedaan. Er zouden nog vele goodwillreizen volgen. Deze eerste reis duurde tot 19 maart 1950 en werd publicitair een enorm succes. De filmjournaals deden wekelijks verslag van de prinselijke excursies (televisie was er nog niet). In een enkel geval leidden zulke vertoningen tot door de bvd aan de communisten toegeschreven tegenacties, waarbij het publiek beelden van de prins begroette met het zingen van het lied ‘Wie zal dat betalen’. Na vergeefse aanmaningen van de directie om deze samenzang te staken, werden bioscoopzalen in Heerlen en Maastricht ontruimd.15 Meestal was de bijval echter groot en bleven wanklanken uit.
Het toeval wilde dat bijna gelijktijdig, op 5 januari 1950, de regering twee wetsvoorstellen bij de Staten-Generaal aanhangig maakte, waarin Bernhard eveneens voor het oog van het Nederlandse volk werd gelauwerd. Beide wetsontwerpen waren door de Grondwet voorgeschreven voor het geval dat Beatrix nog minderjarig zou zijn, wanneer Juliana kwam te overlijden. Pas op haar achttiende verjaardag, op 31 januari 1956, was zij volgens de Grondwet als troonopvolgster van rechtswege meerderjarig (voor andere Nederlanders lag de meerderjarigheidsgrens toen nog op eenentwintig jaar). Wie zou, zolang Beatrix minderjarig was, als regent optreden en wie als voogd?
In 1909 was besloten dat prins-gemaal Hendrik wel voogd zou worden van een minderjarige koningin Juliana (bij het overlijden van Wilhelmina), maar geen regent. Voor dat laatste viel met het argument dat zij al regentes was geweest de keuze op grootmoeder Emma.16 In Bernhard was het vertrouwen groter. Hij werd in de twee wetsvoorstellen én als voogd én als regent voor de minderjarige koningin aangewezen. De keuze ging vergezeld van lovende woorden aan het adres van de reizende prins. Zo zou Bernhard herhaaldelijk hebben getoond ‘hoe dierbaar hem het volk van Nederland, zijn taal en zijn zeden en gewoonten zijn geworden’ en hoe hij in en na de oorlogsjaren de Nederlandse Staat in menige functie ‘onder niet zelden uiterst moeilijke en niet ongevaarlijke omstandigheden grote diensten heeft bewezen’. De Staten-Generaal sloten zich maar al te graag bij deze waarderende woorden aan. Alleen de communistische partij, de cpn, trachtte de feestvreugde te verstoren door bij monde van de geachte afgevaardigde H. Gortzak te waarschuwen tegen leden van het Koninklijk Huis (lees: Bernhard) die zich in dienst stelden van ‘de propaganda, zowel in binnen- als buitenland, van een politiek die staat onder leiding van Amerika’. Aan het verdere debat namen zij geen deel.
Hartelijke woorden van genegenheid en dankbaarheid werden na deze dissonant gesproken door de voorzitter van de Tweede Kamer, L.G. Kortenhorst. De katholieke politicus greep de gelegenheid aan om de rol van het vorstelijk gezin te belichten. De Almachtige werd uitgenodigd
het Koninklijk gezin tot in lengte van jaren de weerspiegeling, de echo en het voorbeeld te doen blijven van de meest karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse volk, namelijk die van gelukkige huiselijkheid, van liefde tot de evennaaste en van offerbereidheid, overal en altijd, wanneer het belang van ons volk dat vraagt.17
Ook de vicepremier en eveneens katholieke minister J.H.R. van Schaik deed een duit in het zakje. Na eerst de liefde, toewijding en verdiensten van de prins aan en voor de nationale zaak te hebben geprezen, kreeg de volksvertegenwoordiging te horen, dat ‘de plaats die hij inneemt in een gelukkig Koninklijk Gezin een ieder tot stichting en voorbeeld strekt’.
Het (per definitie gelukkige) gezin, vorstelijk of niet, stond in een tijd waarin echtscheidingen nog een betrekkelijke zeldzaamheid waren, hoog aangeschreven bij het Nederlandse volk, in het bijzonder bij het confessionele deel daarvan. Alleenstaanden, die blijkbaar de gave misten een gezin te stichten, werden met meewarigheid bekeken. Zij waren, zeker bij de toen heersende woningnood, veroordeeld tot een leven op kamers of, als zij meerderjarig waren en nog thuis woonden, tot een bestaan in de schaduw van hun ouders en ander ongemak. De zegeningen en gezelligheid van het gezinsleven moesten zij missen.
Op 28 maart 1950 werden beide wetsvoorstellen met algemene stemmen (in afwezigheid van de communisten) door de Staten-Generaal, in verenigde vergadering bijeen, aangenomen. Het laatste woord was aan de Britse ambassadeur in Nederland. In zijn rapport aan het Foreign Office, waarin hij het lot van de regentschaps- en voogdijwetten beschreef, maakte deze gewag van Bernhards ‘outstanding success’ op zijn Zuid-Amerikaanse reis. De populariteit van de prins was sinds zijn komst naar Nederland in 1936 alleen maar toegenomen. Het Nederlandse volk omschreef hij als ‘solid supporters’ van de monarchie.18
Op reis naar de West en Zuid-Amerika
De Zuid-Amerikaanse reis, zoals gezegd de eerste in een lange reeks van goodwillreizen en voorbereid in overleg met het ministerie van Economische Zaken en het Nederlandse bedrijfsleven, lijkt toch minder harmonieus en zonnig te zijn verlopen dan alle publiciteit daarover wilde doen geloven. Ze was lang en vermoeiend. De prins verkeerde ook niet in een al te beste conditie. Hij had in de voorafgaande tijd maagklachten gehad en was oververmoeid.19 Het tijdschema van de bezoeken was strak. Bovendien viel in San Juan, Puerto Rico, bij het lossen een balk op het door de prins en Sonderman te besturen vliegtuig, met een ‘flinke deuk’ in de Dakota als gevolg. Het toestel werd voorlopig gerepareerd, maar bleef gebreken vertonen. De prins stond er niettemin op verder te vliegen met zijn ‘kist’, die door andere leden van zijn gezelschap een doodkist werd genoemd, zeker als Sonderman achter het stuur zat. ‘Die vent vliegt ons allemaal morsdood.’ Het aanbod van een Venezolaans toestel werd geweigerd, zogenaamd vanwege het risico. Niettemin zette de Nederlandse regering tot woede van de prins door dat de laatste etappe naar Rio de Janeiro met een ander toestel werd afgelegd.20
De reis legde een zwakte van de prins bloot die hem ook later in zijn leven parten zou spelen. Het was de gave om het verkeerde gezelschap te kiezen en zich dan te laten gaan alsof hij nog twintig was in plaats van het dubbele of een veelvoud aan jaren te torsen. Twee leden van het gezelschap zagen het hoofdschuddend aan. De een was de prinselijke secretaris, Thomassen, overigens niet bepaald het type van de levensgenieter. Hij was in woede ontstoken toen twee vrolijke studentes van de Vrije Universiteit te Amsterdam zich bij hem hadden gemeld met het aanbod de prins op zijn reis te vergezellen voor het verrichten van secretariaatswerkzaamheden; zij wilden ook wel iets van de wereld zien. vu-hoogleraar Waterink werd gesommeerd het vrijpostige tweetal tot de orde te roepen.21 Zijn werkgever had misschien minder bezwaren gemaakt, maar bleef van het aanbod onkundig. De andere waarnemer was de vroegere secretaris van Juliana in Canada, W. van Tets, een diplomaat. Enige kennis van de psyche van de prins kon Van Tets niet worden ontzegd. Hij maakte deel uit van de dassenclub, de ‘Tie-club’, waarvan de leden, allen persoonlijke vrienden van de prins, elkaar ten minste een keer per jaar op Soestdijk ontmoetten.22
Van Tets zag het leven wat lichter dan Thomassen, maar was onthutst over het lage intellectuele peil van het gezelschap. Overigens waren het allen ‘voortreffelijke lieden om een borrel mee te drinken’. In brieven aan de directeur van het kabinet der Koningin, mejuffrouw Tellegen, van wie hij een verre verwant was, velde hij een hard oordeel over de prins. Weliswaar luisterde die op de Antillen beleefd en minzaam naar de aubades, maar er ging geen warmte van hem uit, zoals bij Juliana wel het geval was.
Daarnaast zijn zijn gedachten te veel vervuld van zwemmen, vissen enz., hetgeen de bevolking vanzelfsprekend ook niet ontgaat.
Het bezoek aan Venezuela evenals dat aan Suriname was een groter succes, al bleef de prins in de ogen van een kritische Van Tets
een zwaar bedorven kind, dat zijn wil wil doordrijven en hierin dikwijls slaagt dank zij een natuurlijke charme en ook grote slimheid.
Toch moest Van Tets, eenmaal in Rio de Janeiro, in een volgende brief aan Tellegen toegeven:
Hoe langer de prins op reis is, des te beter wordt hij. Dit soort werk ligt hem volkomen.
Hij ging weliswaar zijn eigen gang en pleegde met niemand overleg, maar dat was nu eenmaal zijn karakter. Misschien was het ook maar beter zo omdat hij hierdoor in staat was spontaan te beslissen, terwijl het zijn zelfvertrouwen ten goede kwam.23
De hoofdpersoon zelf vertrouwde zijn impressies eveneens aan het papier toe. Hij vond zijn reisgezellen, onder wie kennelijk ook Thomassen en Van Tets, maar lui. Aan boord van de ‘Karel Doorman’ was alleen adjudant Geertsema bereid gevonden aan de Spaanse lessen mee te doen. Dat hij op eigen kosten op zijn trouwdag een borrel moest aanbieden aan honderdtwintig marineofficieren, omdat ‘men zo graag iets wilde doen’, beviel hem evenmin. Vervolgens was er het ongeluk met de Dakota gekomen en de eis van de regering dat het vliegtuig na de reparatie opnieuw op zijn luchtwaardigheid werd getest. Tot overmaat van ramp was een veel te overladen programma voor het driedaagse bezoek op Curaçao opgesteld. Het levenspad van een prins gaat inderdaad niet altijd over rozen:
Gisteren non-stop van 8.45 [’s ochtends] tot 10.45 avonds. Eerst Marinekamp doorlopen, verkleed, legerkamp doorlopen, vaandel uitgereikt, speeches, parade, lunch, dan kinder-(wezen) gesticht, rondlopen, etc., dan dito voor slechte jongens, dan dito voor ouden van dagen, dan Leger des Heils zeemanshuis, dan Kath[oliek] zeemanshuis, en even verkleden, eten en dan ontvangst met handjes geven voor ± 1500 mensen, staande natuurlijk... Vanavond deputaties van God weet wie allen, ontvangst.
Maar Venezuela bleek nog veel erger, zoals ‘lieve Mammie’ in een brief van 3 februari 1950 kon lezen, met al het officiële gedoe en dan nog in een vreemde taal. Minstens drieduizend handen had hij geschud. De Nederlandse gezant bleek totaal waardeloos, ‘een prul’ en ‘dagelijks dronken’. De prins verheugde zich op de betrekkelijke rust van Suriname, dat vooral tropisch warm bleek. Brazilië was opnieuw ‘doodvermoeiend maar erg aardig’, zij het dat de Nederlandse gezant in prulligheid niet voor zijn collega in Caracas onderdeed. De prins zag tegen het bezoek aan het laatste Zuid- (of beter Midden-)Amerikaanse land, Mexico, op, maar dat viel achteraf reuze mee. ‘Van de President tot de laatste arbeider was ieder persoonlijk vriendelijk.’ Ook het hem als geschenk aangeboden rijpaard werd zeer gewaardeerd. De prins vroeg zich af of Juliana het wilde hebben. Anders kon hij het ook cadeau doen aan zijn moeder of aan zijn vriendin Ann Orr-Lewis.24 Californië was een verademing en het bij bezoeken van staatshoofden en met hen gelijkgestelden gebruikelijke hoogtepunt, ‘een diner met alle filmsterren, zó comme il faut dat Drees het zelfs mooi had gevonden’.
Misschien genoot hij nog meer van het straalvliegtuig waarin hij op de Amerikaanse luchtmachtbasis Monroe had gevlogen. Zoals in meer reisverhalen van de prins bleef echter een fysieke reactie niet uit. Hij had nu eenmaal een problematische gezondheid. In Californië kreeg hij een ineenstorting ‘met ontzettende pijnen’, maar niet ernstig, waardoor de prins een dag het bed moest houden. Via Washington, Ottawa, Quebec en New York vond op 18 maart de thuisreis plaats. Juliana werd aangespoord ‘een erewacht’ van ambassadeurs en ministers mee te brengen ‘om het lijk binnen te halen’.25 Inderdaad mocht de prins niet klagen over de belangstelling die hem bij zijn aankomst op Schiphol ten deel viel.
Een dag later – op maandag 20 maart – deed Bernhard in de ministerraad verslag van zijn grote reis. Er werd ook lering uit getrokken. Bij volgende reizen – van 24 maart tot 28 april 1951 naar Uruguay, Argentinië en Chili en van 28 oktober tot 14 november 1952 naar Mexico, Colombia, Ecuador en Peru – was het programma minder overladen en korter, terwijl meer aandacht aan de voorbereiding werd besteed. De resultaten voor de bv nederland vielen echter tegen. Nederlandse bedrijven speelden onvoldoende op deze promotiereizen in. Traditioneel waren zij nog steeds op Indonesië gericht en niet op het toen tamelijk onbekende Zuid- en Midden-Amerikaanse continent. Alleen de nationale luchtvaartmaatschappij, de klm, voer er wel bij in haar nimmer aflatende jacht op landingsrechten. De prins trof geen verwijt. Hij toonde zich een goed propagandist voor het Nederlandse bedrijfsleven. Een hoogtepunt was zonder twijfel de grote order voor Werkspoor die hij in 1951 in Argentinië binnensleepte door president Perón te paaien met een hoge Nederlandse onderscheiding voor zijn vrouw Eva (dit alles in nauw overleg met de Nederlandse regering). Het door het machinebedrijf betaalde smeergeld legde uiteraard nog veel meer gewicht in de schaal. Het ministerie van Economische Zaken was daarvan wel op de hoogte in verband met de ook voor provisies toen vereiste deviezenvergunning, maar de prins niet (hij rapporteerde vol trots aan de ministerraad dat er geen enkele steekpenning was betaald). Pas anderhalf jaar later hoorde hij ervan.26
Vakantiereizen naar de sneeuw
Vanuit een stoffig en heet Suriname had de prins laten weten dat hij Juliana benijdde omdat zij spoedig op de ski’s zou staan. Zij zou dat jaar zelfs twee keer naar de sneeuw afreizen, een keer zonder en een keer met Bernhard. Het werd geen ongecompliceerd skivermaak. De eerste reis, die per trein werd gemaakt, voerde de koningin met haar oudste drie dochters van 20 februari tot 13 maart 1950 naar Hotel Post in het Oostenrijkse Sankt Anton am Arlberg. In haar gezelschap bevonden zich Rita Pennink en Van Maasdijk en diens echtgenote, terwijl het echtpaar Bob en Bep Pierson-Van Tienhoven was verzocht gelijktijdig een vakantie in dit wintersportoord te boeken.
Van Maasdijk mocht tevreden zijn over de positie die hij in ruim anderhalf jaar als waarnemend algemeen secretaris aan het hof had opgebouwd. Hij zal niet hebben beseft dat er zo spoedig een einde aan zou komen. Aan hem danken wij een uitvoerig, voor de grootmeester bestemd verslag van de reis. Hij maakte ook enkele persoonlijke dagboekaantekeningen. Een treinreis van het koninklijk gezin had in die eerste naoorlogse jaren nogal wat voeten in de aarde. In de sinds lang niet gebruikte, maar haastig opgeknapte koninklijke wachtkamer in Baarn stond de directeur van de Nederlandse Spoorwegen, ir. F.Q. den Hollander, in hoogst eigen persoon het gezelschap op de dag van vertrek om zeven uur ’s ochtends op te wachten (dat deed hij ook bij de terugkomst). Opvallend was de belangstelling van het publiek, toen het koninklijk vervoermiddel voorbij kwam, vooral in Zuid-Limburg. ‘Overal langs het traject stonden aldaar mensen te wachten om naar de trein te wuiven.’ Uiteindelijk duurde de reis welgeteld achtentwintig uur, inclusief een overnachting op een zijspoor op het station van Bazel, waar Beatrix en Irene, daarbij geassisteerd door de gendarmes die de trein moesten bewaken, gillende keukenmeiden afstaken. Kort voor het eindpunt kwamen ook twee fotografen en een verslaggever van het anp aan boord, om volgens een afspraak met de Nederlandse pers gedurende de eerste dagen verslag te doen van de koninklijke sneeuwpret. Veel privacy hadden de vakantiegangers dus niet, te meer waar in Sankt Anton zowat de gehele bevolking met de fanfare ter begroeting op het station was samengestroomd en, nadat de afzetting was verbroken, de koningin bijna onder de voet liep.27 Het tekende de levenslange tragiek van Juliana. Zij wilde ‘gewoon’ zijn, maar was het niet, zelfs niet in een Oostenrijks bergdorp.
Wie zich in Sankt Anton ook bij het station liet zien, was tot Van Maasdijks schrik Ann Orr-Lewis, inmiddels formeel gescheiden van haar tweede echtgenoot. ‘Dringt zich op. Moet dit uit film laten halen,’ noteerde hij in zijn dagboek. Zij bleek in hetzelfde hotel te logeren als de koningin. Voor de waarnemend algemeen secretaris was het bestaan van Ann geen verrassing. Hij wist dat zij en haar vriendin Phyllis von Graevenitz, een andere goede bekende van de prins uit diens Londense jaren, bij diverse wintersportreizen van de partij waren geweest. Zij werden beschouwd als vriendinnen van Juliana en haar echtgenoot.28 Van Maasdijk had hierin aanleiding gezien van 18 januari tot 20 januari 1950 een bezoek aan Armgard te brengen in haar huis te Roisdorf bij Bonn.29 Hij had haar met klem verzocht haar zoon tot de (maritale) orde te roepen. De koningin stelde hij hiervan pas op 3 februari op de hoogte. ‘Hare Majesteit vindt goed dat ik dit probeer te regelen!!!’ noteerde hij kennelijk opgelucht in zijn dagboek. Aannemelijk is dat Armgard Bernhard intussen geschreven had over het ongewone verzoek dat haar had bereikt. Het resultaat stond in elk geval haaks op wat Van Maasdijk beoogd had. Uit Paramaribo kondigde Bernhard op 7 februari 1950 Anns komst aan Juliana aan.
Denk erom, als jullie er nu met zoveel mensen zijn, dat ik Annie uitgenodigd heb (al ben je nu toch mee van de partij) zodat ze met jullie mee eet en zoo. Trouwens vind ik dat voor bepaalde redenen en ook voor enkele Nederlanders om te zien toch ook nuttig.
Van Maasdijks actie zou kunnen verklaren waarom een geprikkelde Bernhard zo hechtte aan Anns aanwezigheid in Sankt Anton tijdens zijn afwezigheid. Mogelijk speelde ook enige ergernis over de nog steeds aanwezige invloed van Hofmans op zijn vrouw een rol. Daarop zou een andere passage in dezelfde brief kunnen wijzen:
Zeg à propos – eens zal je me moeten vertellen welke dingen en wat voor dingen je met Mej. H. bespreekt, want ik wil uiteraard zielsgraag weten wanneer je iets tot mij zegt of het geheel uit je zelf komt of pas uit je zelf ‘ontdekt’ is na een gesprek met haar – begrijp je? Want tenslotte ben ik met jou en niet met haar getrouwd – dat geldt dus voor onze privé probleem-‘tjes’. Vind je ook niet?30
Van Maasdijk moet na zijn bemoeienissen Ann in het wintersportoord met een weinig welwillend oog hebben gadegeslagen. Al in de trein daarheen had hij tegen de koningin gezegd dat het zo niet langer kon. Na een lang gesprek met Juliana op 8 maart nam hij op zich de prins nu zelf op zijn buitenechtelijke escapades aan te spreken. Hij had hem op 18 februari, dus voor de reis naar Sankt Anton, reeds aangespoord zich ‘tactvol maar resoluut’ van alles en iedereen te ontdoen die zijn roeping als prins der Nederlanden in de weg stond.31 Natuurlijk had Van Maasdijk hier een punt. Ook van andere zijde (Thomassen en Van Tets) was kritiek geleverd op het prinselijk gezelschap. Vooral Bernhards vriend en medepiloot Sonderman moest het indirect ontgelden. Toch had Van Maasdijk, die zijn brief van 18 februari 1950 met ‘Gerrie’ had ondertekend om zijn vriendschappelijk relatie met de prins te onderstrepen, die beter niet kunnen schrijven. Bernhard bleek van deze opdringerigheid en bemoeizucht met zijn privézaken totaal niet gediend.
Het voorlopig resultaat van Van Maasdijks zedelijkheidsoffensief was dan ook dat de prins bij zijn terugkeer op Schiphol op 19 maart woedend was, weigerde Van Maasdijk een hand te geven, hem ontslag aanzegde (al kon formeel alleen de koningin dat verlenen) en later die dag een enorme scène maakte met Juliana. Vooral het gebrek aan loyaliteit dat Van Maasdijk had getoond door Bernhards gedrag bij zijn moeder en Juliana ter sprake te brengen, werd hem door de prins hoogst kwalijk genomen. Een vriend viel je niet af door in de kring van zijn familie over diens buitenechtelijke avonturen te spreken! Het vuurtje zal ongetwijfeld zijn opgestookt door grootmeester Van Hardenbroek, die eindelijk de kans schoon zag van een gehate bemoeial af te komen. Uit zijn koker kwam het verhaal dat zijn rivaal in een onbewaakt ogenblik van de prins had gezegd dat die kon doodvallen. Nu de verhoudingen zo verstoord waren, zat er voor Van Maasdijk niets anders op dan zijn ontslag als (waarnemend) algemeen secretaris te vragen. De koningin mocht het daarmee oneens zijn (‘ik ben er ook nog,’ had zij gezegd), daarin bijgevallen door haar moeder en Greet Hofmans, het (eervol) ontslag werd niettemin met ingang van 15 juli 1950 verleend.32
Het enige wat Van Maasdijk met zijn actie bewerkstelligde, was dat Ann niet meeging naar de volgende wintersportbestemming, Val d’Isère in Frankrijk, waar de koninklijke familie eind maart 1950 en deze keer per vliegtuig naar toe reisde. Dat resultaat was echter niet zozeer te danken aan Van Maasdijk als wel aan juffrouw Tellegen, die hij had ingelicht. Zij was naar de koningin gestapt en had haar gezegd dat het eenvoudig niet kon, ‘1. voor kinderen 2. voor haar 3. voor hem 4. voor ’t land’.33 Volgens Juliana’s nieuwe secretaris, Walraven van Heeckeren, was de vakantie geen groot succes. ‘De Prins spreekt met niemand, gaat bijna nooit naar de bar en direct na het eten naar bed.’34 Hij moet zich hebben verveeld. De koningin zocht vertier, ging met haar oudste dochters naar een Franse bar en kreeg een woede-uitbarsting toen een in het programma aangekondigde danseres niet optrad. De uitbater had van het optreden van de dame die op de tafels zou dansen, afgezien vanwege het koninklijk bezoek en de leeftijd van Juliana’s kinderen, maar oogstte hiervoor weinig begrip.35
=

In St. Anton, 1951 – samen met Ann Lady Orr-Lewis (zittend).
De ‘Annie-affaire’ was daarmee niet afgedaan. De prins was weliswaar met Van Maasdijk gebrouilleerd, al deed deze laatste in de volgende maanden verwoede pogingen het vriendschappelijk contact te herstellen, maar Juliana was dat niet. Als pleister op de wonde en misschien ook wel om haar onafhankelijkheid ten opzichte van haar man te demonstreren – zijn vijanden behoefden immers nog niet haar vijanden te zijn – benoemde zij hem tot kamerheer in buitengewone dienst.36 Ook het commandeurskruis in de Huisorde van Oranje bleef hem begin 1951 niet onthouden. Zij had er beter aan gedaan definitief met hem te breken. Nu behield hij, daarin gesteund door zijn vrouw, de gelegenheid Juliana op te zetten tegen haar echtgenoot als die geen afstand wilde doen van zijn Engelse vriendin. Hij drong erop aan ‘Uw huis weer zuiver te maken. Dat geldt zowel voor het huis van de Koningin als voor het huis van een moeder van vier kinderen.’ Of zoals mevrouw Van Maasdijkvan Tuijll van Serooskerken het in een brief van 10 juli 1950 aan ‘lieve Jula’ onverbloemd formuleerde, nietwaar, vriendinnen onder elkaar:
In St. Anton heb ik herhaalde malen aan je gezegd: ‘Jula je bent te lief en te goed.’ Nu zeg ik: ‘Jula je bent te naïef.’
Om daarna de koningin de ongevraagde raad te geven:
Zeg hem: Ik wil niets meer met Annie te maken hebben, ik wil ook niet dat de kinderen haar meer zien. Wat jij doet, laat mij koud!37
Het zal je kamerheer (of diens vrouw) maar wezen. Brieven en adviezen als deze moesten wel een funest effect hebben op de harmonie in het huwelijk van Juliana en Bernhard. Leidden ze ook tot het beoogde resultaat? Het jaar daarop werd Lady Ann tijdens de wintersportvakantie nog in het gezelschap van koningin en prins gesignaleerd. Begin maart 1951 was er even sprake van dat zij op paleis Soestdijk zou komen logeren. Van Maasdijk achtte het zijn taak de koningin hiervoor te waarschuwen. Ook Walraven van Heeckeren wees op het gevaar van Lady Ann in huis te halen. Het bezoek werd alsnog afgezegd. In 1952 reisde zij af naar de Bahama’s en verdween daarmee voorgoed uit het gezichtsveld van het hof, zij het niet uit dat van de prins.38 Op 12 oktober 1955 kon broer Aschwin uit New York melden, een societyblad citerend, dat Annie, ‘well known to the Palm Beach-Miami circuit’, was benoemd tot fashion adviser bij de bbc-televisie.39
Niet alleen Van Maasdijk, ook Rita Pennink-Nitschmann moest het veld ruimen. Bij een brief van 9 juli 1950 vroeg zij ontslag, omdat zij zich wilde inzetten ‘voor mijn vaderland en Indië in dienst van God’. In werkelijkheid wenste de prins haar vertrek, omdat zij te veel aan de leiband van Greet Hofmans liep. Dat laatste was zeker waar. In een brief uit Stockholm van 26 juli 1950 van de kinderverzorgster aan Juliana heet het bijvoorbeeld:
Wat hebben Greet, jij en ik toch een innige band, al foeteren we elkaar wel eens uit! Dikke zoenen.40
Bij Juliana, die na enige aarzeling in het ontslag toestemde, bleef Rita in de gratie. Zij maakte een verrassende comeback door haar huwelijk met Walraven van Heeckeren op 10 maart 1951. Beiden waren in Greet, die dan ook als getuige bij het huwelijk optrad (samen met Juliana). De jongste twee prinsessen fungeerden als bruidsmeisjes en strooiden bloemen. Aan het buffet champagne zaten landsvrouwe en doorgeefster gezamenlijk aan. Onder de dertig bruiloftsgasten bevond zich Van Maasdijk, maar niet de prins.41 Het was een opmerkelijke echtverbintenis, omdat Walraven zich in het verleden nogal laatdunkend over zijn latere vrouw had uitgelaten. Wellicht mag dan ook enige invloed van Greet op de ontloken romance worden verondersteld. De alliantie kwam haar immers niet slecht uit. Zij mocht dan zelf door Bernhards toedoen van het hof verbannen zijn, in Van Heeckeren en diens vrouw vond zij twee tussenpersonen die nauw met haar en Juliana verbonden waren.
Van Maasdijk behield zijn invloed op de koningin. Zijn ster rees toen hij in 1951 nieuwe banden aanknoopte met het dagblad De Telegraaf, zijn vroegere werkgever. Door toedoen van hoofdredacteur J.M. Goedemans en Pierson in de rol van geldschieter verwierf hij een pakket aandelen in de n.v. Rotatiedrukkerij Voorburgwal, het grafisch bedrijf dat de krant drukte en waarvan hij president-commissaris werd. Het was een lucratieve positie die hem invloed gaf op het dagblad dat in de volgende twintig jaar tot het grootste van Nederland zou uitgroeien. Van Maasdijk mocht Pierson maar vooral Hofmans dankbaar zijn. De bankier, geconfronteerd met de vraag of hij een belang in De Telegraaf moest nemen, had de zieneres immers om een ‘doorgeving’ verzocht. Deze had georakeld dat ‘Omhoog’ wilde dat hij op het aanbod inging, maar ook dat hij Van Maasdijk daarin zou betrekken.42 En zo geschiedde het.
De zaak-Duyff
Gelijktijdig met de kwestie-Ann deed zich in 1950 een nieuwe perkara voor, die de verhoudingen aan het hof en in Juliana’s huwelijk op scherp zette en de prins andermaal door toedoen van Van Maasdijk in het nauw bracht. Dat was de zaak-Duyff. Jan Willem Duyff was een medicus van naam, die in de oorlog in het verzet had gezeten. Onder de schuilnaam ‘Leopold’ was hij een van de landelijke sabotagecommandanten van de Binnenlandse Strijdkrachten geweest. Alle reden dus om hem in 1945 in de staf van de prins op te nemen. Met Bernhard raakte hij zeer bevriend. Als bezoldigd reservemajoor bij het Nederlandse leger was zijn liefde voor het uniform zó groot dat hij daarin wel eens college gaf nadat hij in 1946 tot hoogleraar in de fysiologie aan de Leidse universiteit was benoemd. Ook maakte hij in die eerste naoorlogse jaren in uniform verschillende reizen naar Indonesië waar toen een oorlog aan de gang was. Als wel meer vroegere actieve verzetslieden had hij moeite te wennen aan het alledaagse en saaie leven in bevrijd Nederland. Een zekere verloedering maakte zich van hem meester. Hij raakte aan de drank, kreeg schulden en kwam in opspraak door vrouwengeschiedenissen. De vriendschap met Bernhard leed er ogenschijnlijk niet onder. Zijn bezoeken aan Soestdijk konden dat getuigen. Het was bij de prins weer het gebruikelijke patroon: loyaliteit aan oude vrienden die vaak verkeerde vrienden waren of werden.
Bij Van Maasdijk vatte de mening post dat Duyff en in zijn kielzog de prins betrokken waren bij buitenlandse wapentransacties, die tot doel hadden de regering van het pas onafhankelijk geworden Indonesië ten val te brengen. Deze transacties zouden namelijk mede gefinancierd zijn met gelden van de Prins Bernhard Stichting (een destijds bestaand militair fonds dat niet moet worden verward met het Prins Bernhard Fonds). Duyff was voorzitter van de stichting en zou van de malversaties kennis hebben gedragen. De naam van de prins zou daarbij te pas en vooral te onpas zijn gebruikt. Bij een onderzoek door de Koninklijke Marechaussee tegen een van de frauderende bestuursleden van de stichting was een en ander aan het licht gekomen.43
Ex-knil-kapitein Raymond Westerling pleegde op 23 januari 1950 met behulp van gewezen knil-militairen zijn beruchte gewapende aanslag op Bandoeng in het nog geen maand onafhankelijke Indonesië, waarbij onder de troepen van de Republiek tientallen doden vielen. Bij deze mislukte machtsgreep was sultan Hamid ii van Pontianak betrokken. Hij was als officier bij het knil een vroegere adjudant van de koningin en aan het hof niet onbekend. Van Maasdijk wist dat noch de prins noch prinses Armgard veel sympathie had voor de nieuwe Republiek Indonesië. Daarin verschilden zij overigens niet van de meeste Nederlanders, die volgens opiniepeilingen in grote meerderheid achter de twee politionele acties tegen de Republiek in 1947 en 1948 hadden gestaan. De indruk kon postvatten dat de prins niet zou treuren indien de jonge staat in zwaar weer terechtkwam.
De beschuldigingen aan het adres van Duyff en indirect aan de prins kregen vorm in een stroom rapporten van de hand van majoor R.A. baron van Heeckeren van Brandsenburg (geen directe familie van Walraven van Heeckeren). Deze officier bij de cavalerie was in 1945 overgeplaatst naar het Wapen der Koninklijke Marechaussee en daar aangesteld als hoofd van een inlichtingenbureautje. Hier voerde hij een uitzichtloze strijd tegen het hoofd van de pas opgerichte bvd, mr. L. Einthoven. Zijn eerste rapport in de zaak-Duyff dateerde van 12 maart 1950, het zevende en laatste van 14 juni 1950. Van de omvang van deze in het geheim archief van het Kabinet van de Minister-President berustende en pas met de publicatie van dit boek vrijgegeven rapporten moet men zich overigens geen al te grote voorstelling maken, de meeste telden slechts twee tot vijf a4’tjes. Het eerste rapport (een stuk van tien pagina’s) was het meest uitvoerig. Het werd op 18 maart 1950 aan minister van Oorlog Schokking aangeboden (dus één dag voor de terugkeer van de prins uit Amerika) en kwam twee dagen nadien ter kennis van juffrouw Tellegen.
Het lijdt geen twijfel dat mr. C.L.W. Fock, secretaris-generaal bij het ministerie van Algemene Zaken en vroeger hoofd van de Nederlandse inlichtingendienst in Londen, Van Maasdijk heeft ingelicht. Van de wereld van de geheime diensten had Fock maar met moeite afscheid kunnen nemen. Hij had de contacten met vroegere relaties aangehouden. Hij onderhield die mede met Van Maasdijk, die als voormalig persman zelf ook over een uitgebreid inlichtingennetwerk beschikte. Evenals Van Maasdijk had Fock, hoewel verder een net hoofdambtenaar, iets van een conspirateur in zich.
Fock kende de inhoud van het explosieve rapport vermoedelijk als eerste. Op 13 maart 1950 had hij Van Maasdijk dringend verzocht hem te spreken ‘aangezien er een urgente vrij vervelende zaak aan de gang is’.44 Wat die zaak inhield, viel te lezen in Van Heeckerens pennenvrucht van een dag eerder:
In steeds breder kringen verspreidt zich het ‘verhaal’ dat Prof. Duyff voor zkh en leden van de Regering met financiële steun middels Ali Shah getracht heeft invloed uit te oefenen op de goodwill jegens Nederland in de Mohammedaanse wereld in het Verre Oosten.
Van Heeckeren van Brandsenburg suggereerde verder dat er verbindingen bestonden tussen Duyff en kapitein Westerling. ‘Door zijn onvoorzichtige uitlatingen is te Leiden de mening gevestigd, dat D[uyff] direct of indirect betrokken is bij de actie-Westerling.’ Aangezien de hoogleraar amicaal omging met koningin en prins – om dit te bewijzen zou hij in een daarover sceptisch gezelschap eens Soestdijk hebben gebeld om zich met ‘Jule’ te laten verbinden – kon worden aangenomen dat de prins met zijn handel en wandel niet onbekend was.
Harde bewijzen voor deze uitspraken werden niet geleverd. De lezer moest het doen met Van Heeckerens verzekering dat zijn onderzoek ‘op volkomen objectieve wijze en slechts door daartoe geschikt geacht personeel’ had plaatsgehad. Verder vielen in het rapport de nodige roddels over Duyff en diens levenswijze te lezen. Op de Haagse Sociëteit De Witte zou hij zich ophouden in verdacht gezelschap door zijn omgang met figuren uit rechts-nationalistische kring. Ook de in die tijd blijkbaar onvermijdelijke grafologische analyse van zijn handschrift ontbrak niet. De conclusie was dat het Koninklijk Huis tegen hem in bescherming diende te worden genomen aangezien hij als ‘zeer gevaarlijk’ te boek stond.
Al maakte het (eerste) rapport van Van Heeckeren een niet erg solide indruk, het sloeg bij Van Maasdijk in als een bom. Hij zag zijn somberste vermoedens over de prins bevestigd. Onmiddellijk, op 18 maart, lichtte hij de koningin in dat haar echtgenoot andermaal als gevolg van verkeerd gezelschap in opspraak dreigde te komen. Uiteraard zou hij zijn best doen om dat te voorkomen, zelfs nu de prins niets meer van zijn trouwe dienaar wilde weten.
Een tweede rapport van 20 april 1950, dus een maand later, leek niet minder alarmerend. Op grond van verder onderzoek meende Van Heeckeren van Brandsenburg te kunnen vaststellen dat Duyff kort voor de soevereiniteitsoverdracht via een Amerikaans/Joodse wapenhandelaar, een zekere F.C. Armstrong, voorheen Aronstein, die toegang zou hebben tot verlaten Amerikaanse wapendepots in de Pacific, voor vijftig miljoen gulden wapens aan Soekarno had geleverd of althans die wapens had aangeboden. Toen Soekarno die niet kon betalen, had Duyff contact gezocht met het Indonesische verzet. Betaling zou moeten plaatsvinden in de vorm van voordelige concessies aan grote Nederlandse bedrijven in het onafhankelijke Indonesië of door het smokkelen van bankbiljetten en waardepapieren uit dat land. Een tweede wapenhandelaar, een voor zijn heulen met de nsb veroordeelde Nederlander, zou eveneens bij deze transacties zijn betrokken. Bovendien had Duyff via de secretaris van de prins, Thomassen, onder valse voorwendsels (ziekte van zijn vrouw) een visum voor Amerika geregeld.
Prof. Duyff heeft misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en middels zijn relaties met het Koninklijk Huis en mogelijke officieuze opdrachten de Nederlandse interne en buitenlandse politieke belangen ernstig geschaad en de Koninklijke Familie in opspraak gebracht...
Ook dit keer bleven de bewijzen voor deze beweringen achterwege. Het waren steeds uitspraken van anonieme zegslieden waarop de rapporten waren gebaseerd. Van Heeckeren was bang dat hij door opening van zaken te geven zijn informanten zou compromitteren. Hij wilde het belastende materiaal alleen aan een door hem en de ministerraad ‘vertrouwd persoon’ ter beschikking stellen, op wie minister-president Drees en de overige ministers zich dan zouden moeten verlaten,
zodat wanneer deze persoon, de bewijzen vernomen hebbend en zeggend: ‘dit is goed of fout’, ook verder door de Ministerraad geloofd zal worden.
Die vertrouwde persoon heette Fock. Dit voorstel bracht een geagiteerde Van Maasdijk op 26 april 1950 aan mejuffrouw Tellegen over. Vanzelfsprekend is het kabinet-Drees, indien het al van deze suggestie kennis heeft gekregen, er nooit op ingegaan. Het zou zijn eigen verantwoordelijkheid dan uit handen hebben gegeven.
De voormalige nieuwtjesjager voegde er tegen Tellegen aan toe dat ook naar de mening van Fock het (tweede) rapport van Van Heeckeren ‘in wezen stellig juist’ was. Van Maasdijk maakte duidelijk hoe Fock zijn handen vol had aan de prins. Zo had de secretaris-generaal namens Drees navraag gedaan omtrent de bekende spionne Leonie Brandt, die naar Zweden wilde gaan om een ‘compromittant boek’ over Bernhard te schrijven. Ook was Fock zeven maanden eerder bij de Engelse geheime dienst, vermoedelijk mi5, geroepen, die hem gevraagd had direct naar Londen te komen, indien hij in verband met de prins zou worden gebeld.
Fock weet op grond van zijn oude relaties veel meer dan men wel vermoedt... en maakt zich heel ernstige zorgen... Fock vreest dat Drees niet tegen de Prins opgewassen is en uiterst ongaarne bereid zal zijn met Zijne Koninklijke Hoogheid te spreken.45
In navolging van Van Maasdijk liet ook Fock zich horen. In een nota aan Drees van 8 mei 1950 sloeg hij een al even alarmerende toon aan: ‘aangenomen mag worden, dat deze zaak veel uitgebreider en ernstiger is dan uit het U bekende rapport zou kunnen blijken’. Hij drong erop aan dat Drees stappen zou ondernemen, opdat de naam van het Koninklijk Huis buiten de affaire-Duyff bleef. Het was een opmerkelijke uitspraak omdat er tot dan toe wel veel door Van Heeckeren van Brandsenburg verspreide rook was, maar weinig vuur. Het is onaangenaam om dit van een verdienstelijke secretaris-generaal als Fock te zeggen, maar hij maakt evenals Van Maasdijk de indruk een Wichtigtuer te zijn geweest, iemand die de zaken graag opblies. Het is een typering die ook op zijn optreden in 1956 past, toen de Hofmanszaak was geëscaleerd. Want waar waren de bewijzen die Van Heeckerens verhaal konden ondersteunen?
Zij waren in elk geval niet te vinden in zijn derde rapport van 11 mei. Daarin viel te lezen dat Duyff thans ‘in hoge mate ontstemd en gedesillusioneerd’ was over het deloyale gedrag van de prins jegens hem.
Prof. Duyff verklaart, dat voor zkh gelden zijn opgenomen uit de Prins Bernhard Stichting c.q. Sociale Dienst van het Ministerie van Oorlog en dat daardoor de ernstige verwikkelingen zijn ontstaan. Het is Prof. Duyff onbegrijpelijk, dat door zkh deze ernstige consequenties en bagatelle worden behandeld.
De hoogleraar zou thans bereid zijn opening van zaken te geven. Dan zou ook de rol van Fritze (‘Fritsche’) ter sprake kunnen komen, die al vele jaren de financiële belangen van de prins en zijn moeder behartigde. Beiden zouden volgens Duitse bankkringen in geldnood verkeren. In Amerika zou Fritze voor de prins miljoenen gedevalueerde ‘Soekarnoguldens’ tegen dollars willen verkopen.
Pas het vierde rapport van de voormalige cavalerieofficier van 15 mei 1950 werd concreter over de gedragingen van de prins, al verdween daarin Fritze weer helemaal uit het beeld. Van enkele ‘volkomen betrouwbare’ captains of industry, die in 1949 door de prins op het paleis waren uitgenodigd, had majoor Van Heeckeren van Brandsenburg vernomen dat de prins had verzocht om hun financiële steun voor het werk van prof. Syed Ikbal Ali Shah. Deze Afgaanse geleerde zou als president van de Moslem Union veel invloed uitoefenen in de islamitische wereld, in het bijzonder in Pakistan. Vanuit Londen, waar hij sinds lang woonachtig was, trok hij aan de touwtjes van de Daroel Islambeweging, die zich in het voor zijn vrijheid strijdende Indonesië als een geduchte tegenstander van de Nederlanders had ontpopt. Ali Shah was bereid een goed woordje te doen voor de Nederlandse zaak. Daarvoor moest er wel geld op tafel komen. De prins had al uit eigen middelen duizend pond sterling (zo’n tienduizend gulden naar de toenmalige koers) op tafel gelegd. Hij sprak de hoop uit dat hij die later weer terug zou krijgen, en nodigde de aanwezige industriëlen uit zijn voorbeeld te volgen. De indruk werd gewekt dat de regering niet afkerig van het initiatief was.
Er was een tweede bijeenkomst op Soestdijk voor nodig voordat een bedrag van zo’n 75.000 gulden was opgehaald om de operatie ‘Ali Baba’ te financieren. Vooral ondernemers met Indische belangen – de Bataafsche Petroleum Maatschappij (thans Shell), Philips en de verenigde Bergcultures – kenden hun plicht. Het geld zou zijn gebruikt om een groot aantal brochures voor de islamitische lezer te drukken – in totaal circa honderdvijftig pakketten van elk zeven kilo. Die pakken werden eerst door de Nederlandse douane in beslag genomen, omdat geen uitvoerrechten waren betaald. Daarna waren ze naar Parijs verzonden, waar ze uit het zicht verdwenen. Ook had Duyff aan Ali Shah een grote receptie in een prestigieus Londens hotel aangeboden. Met de rest van het geld zouden op uitdrukkelijke wens van de prins de schulden van Duyff zijn afgelost.
De gevers, de prins incluis, zagen hun geld nooit terug. Een overspannen geraakte Duyff, die door de Koninklijke Marechaussee op 12 en 13 juni 1950 aan de tand werd gevoeld, noemde Ali Shah ‘een oplichter’ en vreesde zelf ‘in de gevangenis of het gekkenhuis’ te eindigen. Hij verklaarde niets te maken te hebben met de actie-Westerling. Rijk was hij van zijn acties niet geworden. Zelfs zijn telefoon was intussen wegens wanbetaling afgesloten.46 Hij beloofde plechtig zich voortaan van alle politieke activiteiten te zullen onthouden. De prins van zijn kant had het contact in mei 1950 met hem verbroken en hield daar rigoureus de hand aan. Pas in 1957 kon er een bloemetje van af toen Duyff na een ernstig auto-ongeluk in het ziekenhuis was beland.47
Van alle beschuldigingen en verdachtmakingen aan het adres van de prins bleef dus niet zo heel veel over. Vaststond dat hij contact had onderhouden met de hooggeleerde, maar aan lager wal geraakte Duyff en schimmige fondsen had ingezameld om een de Nederlandse regering vermoedelijk niet onwelgevallig werk te ondersteunen, namelijk het maken van propaganda voor de Nederlandse zaak in een vijandige islamitische wereld. Mogelijk was die steun ook ten behoeve van zijn oude vriend Duyff aangewend, nadat deze een greep in de kas van de Prins Bernhard Stichting had gedaan. De gedachte van een conspiratie tussen Duyff en Westerling zal wel te herleiden zijn geweest tot de omstandigheid dat juist in West-Java, waar Westerling opereerde, de Daroel Islambeweging zich sterker had gemanifesteerd dan elders in de Indonesische archipel. Nergens – noch in de militaire archieven noch in de literatuur over Westerling – is er één aanwijzing voor prinselijke medeplichtigheid of die van Duyff aan de coup te vinden. Het belette Van Maasdijk en Fock niet om staatshoofd en minister-president maanden achtereen met alarmerende nota’s en mededelingen te bestoken. Ook mejuffrouw Tellegen kreeg haar deel. Een gesprek van een gespannen Van Maasdijk met Drees op 15 juni 1950 leverde vermoedelijk niet op wat hij ervan verwacht had, in elk geval niet het door hem gesuggereerde driemanschap (met alweer Fock als een van de leden) om de zaak te onderzoeken.48
De zaak-Duyff ging dus als een nachtkaars uit. Van de zijde van de minister-president zou de prins het advies krijgen zijn omgeving voortaan zorgvuldiger te kiezen, om te vermijden dat zijn naam opdook ‘in alle mogelijke kwesties, die slechts schade aan het Koninklijk Huis kunnen berokkenen’.49 Het was een advies dat met de wetenschap van nu van een vooruitziende blik getuigde, als het al door Drees ter kennis van de prins is gebracht, want dat is niet helemaal zeker. Anders zal mejuffrouw Tellegen of een bewindsman op Defensie zich vermoedelijk met het overbrengen van deze boodschap hebben belast. Een geschikte gelegenheid om de omgeving van de prins met meer zorg te kiezen, bood zich aan toen in de zomer van 1950 naar een nieuwe secretaris van de prins werd uitgezien. Thomassen had kort na de eerste Zuid-Amerikaanse reis ontslag genomen, omdat hij zich mateloos zou hebben geërgerd aan het lichtzinnige gedrag van zijn reisgezelschap, met name in New York. Hij werd als particulier secretaris van de prins met ingang van 1 november 1950 opgevolgd door dr. F.A. de Graaff, die in paleiskringen meer prestige genoot. Bernhard bleef echter wie hij was, een onvoorspelbare Einzelgänger.
Van Heeckeren van Brandsenburg werd korte tijd later op non-actief gesteld. Zelfs hij schijnt achteraf niet zo zeker van zijn zaak te zijn geweest. In een brief van 18 april 1951 aan zijn adellijke naamgenoot Walraven van Heeckeren maakte hij gewag van ‘de zeepbel’ die net op tijd kapot was gestoten met als gevolg dat de zaak ‘nu vergeten en “ingeblikt” is’. Er was ‘op groteske wijze’ misbruik gemaakt van de naam van Zijne Koninklijke Hoogheid.50 Hij kreeg in 1953 vervroegd (eervol) ontslag uit de militaire dienst. Bijna een halve eeuw later rakelde Walraven, die met de prins nog een appeltje te schillen had, de zaak op en wees opnieuw met de beschuldigende vinger naar Bernhard.51 Nieuwe bewijzen kwamen toen niet op tafel.
De terugkeer van Van ’t Sant
In een hofhouding wordt veel geroddeld over de hoogst geplaatsten, maar ook veel voor hen verzwegen. De openhartigheid van Van Maasdijk was hierop een uitzondering. Dat zou kunnen verklaren waarom hij zo gemakkelijk het oor van de koningin vond. ‘[Zij] neemt ’t prachtig,’ noteerde hij in zijn dagboek, nadat hij haar voor het eerst over de zaak-Duyff informeerde.52 In zijn verhalen riep hij een verre van gunstig beeld van de prins op. Niet alleen als echtgenoot deugde hij niet, zo was de boodschap, ook zijn vrienden waren verdacht. Noch met vrouwen noch in zaken was hij te vertrouwen. Juliana was zich van deze kwaadsprekerij maar al te zeer bewust zonder die duidelijk af te keuren. Gesteld voor de vraag welke kant zij moest kiezen in het slepende conflict tussen grootmeester Van Hardenbroek en Van Maasdijk, waarover zij met Bernhard van mening verschilde, werd Hofmans om raad gevraagd:
Praten we over gvm [Gerrie van Maasdijk] dan eindigt ’t gesprek dus met ’s welles, ’s nietes, dus de stand is 1–1... Wilt U Boven vragen mij de wapens te tonen, alstublieft, lieve engel.53
Niettemin slaagde Van Maasdijk erin Juliana’s vertrouwen te behouden. Hij bleef een van haar persoonlijke adviseurs, die regelmatig op Soestdijk werd gezien. Ook prinses Wilhelmina werd door Van Maasdijk over haar schoonzoon voorgelicht. Op 6 juli 1950 was hij volgens zijn dagboek op Het Loo waar hij ten overstaan van de rododendrons in de tuin (muren hebben oren!) ‘alles’ met de prinses besprak,
te weten: 1) politiek Ali Baba 2) Anny 3) vrienden. Hare Koninklijke Hoogheid diep getroffen: ‘Is hij nog te redden?’
Het is niet onaannemelijk dat Wilhelmina’s bezorgdheid over haar schoonzoon mede heeft bewerkstelligd dat haar vertrouwensman uit vroeger dagen, de voormalige hoofdcommissaris van de Haagse politie François van ’t Sant, weer nauwer bij de zaken van het hof werd betrokken. Van ’t Sant was in 1922 door haar aangetrokken om een wakend oog te houden op haar echtgenoot, prins Hendrik. Hij zou, als de nood aan de man kwam, opnieuw van dienst kunnen zijn. Zij waardeerde hem bijzonder. Hij was de enige buiten haar directe familie die haar durfde te zeggen waar het op stond en naar wie zij luisterde.54 Ook met Juliana waren de betrekkingen heel hecht. Bij zijn overlijden in 1966 schreef deze laatste aan zijn enig kind, een dochter:
Mijn moeder, mijn man en ik en... nog ’t allermeest mijn vader, hebben waarschijnlijk aan hem meer te danken dan aan enig mensenkind. Het ging ver uit boven wat men van vriendschap en toewijding mag verwachten... U zult begrijpen en wel goed vinden dat ik iets van Uw dochterlijke gevoelens ten opzichte van hem deel.55
Van ’t Sant was na de oorlog in Engeland, in Torquay, blijven wonen. Toen zijn vrouw ernstig ziek werd, zou Hofmans een keer bij hem op bezoek zijn gekomen om haar op te dragen. De prins zelf, die toen nog goed met Hofmans overweg kon, zou haar in zijn privévliegtuig naar Engeland hebben gevlogen. Na het overlijden van zijn vrouw in de zomer van 1950 kon Juliana dan ook niet nalaten in een hartelijke condoleancebrief nog een keer de lof van de gebedsgenezeres te zingen. Deze had haar geleerd ‘door de oppervlakkige buitenkant der dingen heen te mogen zien’. Van ’t Sant moest maar eens met haar gaan praten. ‘Zo’n “gesprek” gun ik U zo van harte.’56 Hij was echter veel te nuchter om Juliana’s voorbeeld te volgen. Zijn, niet van praktische zin gespeende commentaar op de enige Oude Loo-conferentie die hij ooit bijwoonde was, dat de wenteltrap naar de vergaderzaal in het kasteeltje best een dik koord als leuning kon gebruiken.57 Wel sloeg hij zijn tenten in 1952 weer in Nederland op. Hij ging bij zijn dochter in Rotterdam wonen maar bracht, ook al werd hij het jaar daarop zeventig, een groot deel van zijn tijd op Soestdijk door. Hij zag alles, wist alles en zweeg over alles. Niet voor niets had hij vroeger bij de Nederlandse inlichtingendiensten gewerkt.
=

François van ’t Sant, vertrouwensman van de koninklijke familie.
De flegmatieke Van ’t Sant gold als het toppunt van tact en discretie. Hij was onberispelijk in kleding en voorkomen, aangenaam in de omgang en bezat een goed gevoel voor humor. Hij had het voordeel dat hij een van de heel weinigen, zo niet de enige, in de paleisomgeving was die zowel het vertrouwen van de prins als dat van Juliana genoot. Hij kon daardoor in de moeilijke jaren die tussen hen beiden zouden volgen, een brugfunctie vervullen. Een ander sterk punt was dat hij in het sinds 1950 woedende hofconflict met iedereen on speaking terms bleef. Zo onderhield hij goede betrekkingen met de Hofmansgroep en viel hem menige doorgeving van Greet ten deel (die zelf nog eens met een politieman verloofd was geweest). Walraven van Heeckeren had eveneens vertrouwen in Van ’t Sant en stortte zijn hart en frustraties bij hem uit. Hij stelde hem zelfs zijn persoonlijke aantekeningen ter beschikking. Dat had hij beter niet kunnen doen, want zijn ontboezemingen kwamen via de belangstellende luistervink, die Van ’t Sant was, in 1956 bij de commissie-Beel terecht. Niet iedereen dacht intussen even gunstig over de gewezen politieman. De voor zijn werkwijze zo karakteristieke geheimzinnigheid maakte hem in de ogen van sommigen tot een intrigant. ‘Een mestkever die van de onenigheid leeft,’ vond jhr. E.W. Röell, die in 1957 tijdelijk als particulier secretaris van Juliana optrad.58
Na 1950 brak voor het gezin op Soestdijk een zware tijd aan. Bernhard wenste zijn gedrag niet of slechts ten dele te conformeren aan wat van hem in zijn positie werd verwacht of aan de regels van het glazen huis waarin hij leefde. Wat wel veranderde, was de bereidheid van Juliana dat gedrag te accepteren. Zaken die zij vroeger als min of meer vanzelfsprekend had aanvaard, werden in het vervolg afgekeurd. Nog afgezien van de inblazingen van Van Maasdijk onderging zij de invloed van de kring van personen die zich om Greet Hofmans had geschaard. Dit proces moest op den duur haar huwelijk met Bernhard onder druk zetten. De prins raakte zijn invloed op zijn vrouw kwijt en die ontwikkeling drong hem in het defensief. Het jaar waarin hij op Nieuwjaarsdag de ‘ontslagbrief’ aan Hofmans geschreven had, eindigde voor hem slechter dan het was begonnen. De Hofmanskring had haar invloed op Juliana behouden en in Walraven van Heeckeren als Juliana’s naaste medewerker een nieuwe steunpilaar in haar directe omgeving gekregen. In 1951 zou de groep Hofmansgetrouwen naar buiten treden door de organisatie van de zogenaamde Oude Loo-conferenties, waaraan ook Juliana actief deelnam. Daar kon weinig goeds van komen.