Epiloog
Nasleep
Puc beduidde iedereen te gaan zitten. De stemming in de kamer was
bedrukt. Ondanks hun overwinning op de demonen waren er levens
verloren gegaan.
'Nu Belasco dood is, hoop ik dat onze dagen van conflict met je familie achter ons liggen, Amirantha,' zei Puc.
De zwarte magiër glimlachte. 'Vast. Ik kan niets doen om goed te maken dat mijn broer ten dienste stond van de duistere groepering die zoveel ellende heeft aangericht, maar ik zal doen wat ik kan om te helpen, Puc.'
'Graag. Het is duidelijk dat we maar heel weinig begrijpen van het demonenrijk.'
De twee elfenbroers overlegden zachtjes, waarna Gulamendis zei: 'Mijn broer keert terug naar E'bar, Puc, om te kijken of we ons volk kunnen helpen.' Droogjes voegde hij eraan toe: 'En om uit te zoeken of we nog wel welkom zijn. Ik zou graag een tijdje hier blijven om samen met Amirantha te studeren.'
'Natuurlijk,' antwoordde Puc. 'Jullie zijn hier allebei altijd welkom.' Hij keek Laromendis aan. 'Jouw taak zal lastig kunnen zijn, als ik begrepen heb wat je Regent en zijn raad van plan zijn. Maar als het moet, zullen we proberen een vriendschappelijke handreiking naar hen te doen.'
Laromendis glimlachte. 'Denk eraan dat mijn volk lang leeft, Puc. Geef Tomas nog een paar jaar om het eens te worden met de Regent, en dan stellen we jullie wel aan elkaar voor.'
Jim Dasher, weer gekleed als de haveloze leider van een straatbende uit Krondor, lachte en nam een slok wijn. Hij had eerder al aangekondigd dat hoewel het Koninkrijk het nog wel een paar dagen zonder zijn diensten kon stellen, hij betwijfelde of dat ook opging voor de Snaken, de dieven van Krondor. Hij veegde zijn mond af met een vuile mouw en zei: 'Ik moet zo weg, maar ik heb nog een vraag, en dit lijkt me het perfecte moment om hem te stellen, nu jullie allemaal hier zijn.'
Puc knikte en keek om zich heen. Alleen Kaspar ontbrak, omdat hij met zijn soldaten was teruggekeerd naar zijn verantwoordelijkheden in Muboya. Brandos zat naast Sandrina. Hij had het grootste deel van de dag geklaagd dat hij het gevecht had gemist, tot groot vermaak van Amirantha.
Ze waren allemaal een paar uur voor zonsopgang teruggekeerd en hadden een bad genomen voordat ze waren aangeschoven voor dit late ontbijt, of heel late avondmaal, afhankelijk van hoe je het bekeek.
'Wat gebeurde daar nu echt, Puc?' vroeg Jim. 'Ik weet wat ik heb gezien, allebei de keren dat ik er geweest ben, maar wat zag ik nu eigenlijk echt?'
Puc keek om zich heen en antwoordde: 'Op een of andere manier zijn jullie allemaal lid van het Conclaaf, zelfs als je dat zelf niet zo ziet. Jullie hebben bij de verdediging van deze wereld allemaal een vastberadenheid aan de dag gelegd die eventuele plicht aan kroon of geloof oversteeg.' Bij dat laatste keek hij Sandrina aan. 'Jullie verdienen het om te weten wat ik weet. Ik heb al meer dan een eeuw te maken met een duistere groepering. Ik heb mijn vermoedens over wie de manipulator is al twee keer moeten herzien.' Tegen Amirantha zei hij: 'Dat je broers dienaren waren van diezelfde groepering is volgens mij toeval.'
Amirantha knikte. Hij zette zijn beker wijn neer. 'Dat moet wel. Ze zouden nooit bewust samenwerken; ze wilden elkaar even graag vermoorden als mij. Sidi was gedreven en behoorlijk gestoord, en Belasco was... minder erg, maar zeker niet normaal.'
'Wat mij tot de conclusie leidt, vader, dat dat kwaadaardige genootschap waar jij het over hebt, lieden aantrekt die aanleg hebben voor waanzin.'
'Omdat je een eerlijk man niet kunt bedriegen,' zei Jim Dasher.
'Pardon?' vroeg Gulamendis.
'Het is een oud gezegde onder zwendelaars. Om een beoogd doelwit te bedotten, moeten ze aan twee voorwaarden voldoen: ze moeten inhalig zijn, en ze moeten denken dat ze iets op je voor hebben, dat ze slimmer zijn dan jij.' Hij nam een slokje wijn. 'Je twee broers zijn misleid, Amirantha. Wie het ook was voor wie ze werkten, bracht ze in de waan dat hun dienstverband hun meer zou opleveren dan het hun kostte. Dat zij op een of andere manier in het voordeel waren.'
Amirantha knikte. 'Alles wat tegemoet kwam aan Sidi's behoefte om macht te vergaren, of aan Belasco's ijdelheid. Ja, dat zou wel werken.'
'Hoe die groepering zijn dienaren ook werft, ze hebben er veel, en die komen op ons af zodra ze denken dat ze sterk genoeg zijn om te winnen,' vertelde Puc.
'Dus je denkt dat ze zullen terugkomen?' vroeg Sandrina.
'Bijna zeker,' antwoordde Puc. Toen glimlachte hij. 'Maar wij zullen er klaar voor zijn. We hebben sterke hulpmiddelen, zoals jullie hebben gezien, en onze leden en bondgenoten hebben hoge posities.'
'Creegan?' vroeg Sandrina.
'Hij is lid van het Conclaaf. Ik heb hem gerekruteerd toen hij een jonge ridder-adamant was. Nu is hij Grootmeester van de orde. We hebben met jullie tempel hechtere banden dan met andere, hoewel we met sommige andere tempels ook een goede relatie hebben.'
'Dat dacht ik al,' zei Sandrina. Ze nam een slok uit haar beker thee. 'Ik ben alleen nog niet zo zeker van die rol van moeder-bisschop.'
'O, dat,' zei Puc glimlachend. 'Die was maar tijdelijk. Ik geloof dat Creegan dat vergeten is te zeggen.'
Sandrina twijfelde tussen woede en opluchting. 'Ja, inderdaad. Wie kiest hij in mijn plaats, en waarom?'
'Wat het wie betreft: broeder Willoby, een trouw lid van het Conclaaf en een prima bestuurder. Jij bent te goed in wat je doet om de hele dag achter een schrijftafel te zitten. Wat het waarom aangaat: Creegan had geen idee hoeveel hulp je van de tempel nodig zou hebben voordat we klaar waren. Een sergeant-adamant zou enig gezag hebben, maar met de titel van moeder-bisschop zou je alles krijgen waar je om vroeg.'
Sandrina dacht daar even over na, en toen lachte ze. 'Jullie zijn gluiperige rotzakken, allemaal.'
'Dat moet wel,' zei Puc minzaam. Toen kwam hij terug op Jims vraag. 'Ik weet niet precies waar we getuige van zijn geweest.' Hij keek Gulamendis en Amirantha aan. 'Hebben jullie er ideeën over?'
Gulamendis antwoordde: 'Ja. Dit was zo anders dan alles wat we kennen van het gedrag van demonen, dat we onze oude aannames moeten vergeten en een nieuwe theoriemoeten formuleren op basis van wat we hebben gezien.'
'We weten dat er in de Vijfde Cirkel een burgeroorlog gaande is die al eeuwen woedt,' vertelde Amirantha. Voor zover wij weten, is die nu voor het eerst uitgebreid naar onze wereld. Maar dat betekent niet dat het niet nog eens zal gebeuren.'
'Ik betwijfel of dat de laatste keer was dat we de demonen zagen, maar misschien hoeven we niet tegen ze te strijden zoals op de werelden van de taredhel,' vulde Gulamendis aan. 'Hoewel het er waarschijnlijk op dat moment niet op leek, is dat wat wij in Kesh zagen nog niets vergeleken met de aanvallen die mijn volk het hoofd heeft geboden.'
'Waarom probeerde Dahun dan onze wereld binnen te sluipen met een kleiner leger?' vroeg Jim. 'Of eigenlijk, waarom zou hij op die schaal magie, moord en chaos zaaien? Waarom nam hij niet gewoon Belasco over toen er niemand oplette? Waarom kwam hij hier niet aan als een normale demon en verscheurde hij vervolgens alles?'
'Dat is het hart van het mysterie,' vatte Gulamendis samen.
'Ik heb wel een theorie,' zei Amirantha.
'Laat maar horen,' zei Jim, die achterover ging zitten in zijn stoel. Zijn baard begon te groeien en Sandrina wist dat zodra hij de volgende dag door de straten van Krondor liep, hij weer zijn berucht uitziende zelf zou zijn. Op een dag zou ze hem misschien vergeven voor zijn aandeel in de pijnlijkste periode van haar leven, maar ze zou nooit vergeten dat hij er de hand in had gehad.
'Dahun was op de vlucht. Hij kwam hier om zich te verstoppen,' speculeerde Amirantha.
Puc en Magnus keken elkaar aan, en Gulamendis zei: 'Dat zou een hoop verklaren.'
'Waarvoor verstopte hij zich dan?' vroeg Brandos. 'Ik heb in mijn leven tegenover genoeg demonen gestaan om te weten dat ze niet bepaald schuchter zijn.'
'Dat weet ik niet,' gaf Amirantha toe.
'Misschien die andere demonenkoningen?' opperde Laromendis.
'Misschien,' zei Puc, 'maar ik betwijfel het. Er zit iets achter dit alles, een diepere oorzaak van alle problemen die deze wereld al plagen sinds voordat wij allemaal waren geboren.' Hij slaakte een diepe zucht. 'Het zal uiteindelijk wel aan het licht komen, maar tot die tijd moeten we maar trots zijn op deze overwinning. En ons afvragen hoe lang we kunnen genieten van deze pas verworven vrede voordat we ons moeten voorbereiden op de volgende aanval.'
'Weet je zeker dat die zal komen?' vroeg Sandrina.
'Zo zeker als maar kan,' zei Puc.
Het gesprek verstomde, en er daalde een stilte neer.