18
Aanval
Puc stuurde nog een bezwering uit.
Demonen in alle maten en vormen werden achteruit gekegeld, en Puc riep: 'Er is iets heel erg mis.'
Gulamendis schreeuwde over het gekrijs en gebrul heen: 'Wat dan?'
'Weet ik niet, maar ik voel iets vreemds.'
Laromendis was zo uitgeput dat hij bijna niet meer op zijn benen kon staan; hij had alle mogelijke illusies opgeroepen die hij in de loop der jaren had geleerd. Zijn vele bedreigingen, wachters van de taredhel, dieren en monsters van allerlei aard, hadden de aanval van de demonen zodanig afgeleid en vertraagd dat Puc tijd had gehad om zijn aanzienlijke kracht tentoon te spreiden.
Een stem achter hen vroeg: 'Hebben jullie hulp nodig?'
Puc draaide zich om, en zijn opluchting was duidelijk toen hij Magnus daar zag staan. 'Ben je sterk genoeg?'
Zijn zoon knikte. 'Ze hebben een magiebelemmerend net op Sandrina en mij gebruikt, maar het effect is uitgewerkt.' Toen kneep hij zijn ogen samen. 'En ik ben behoorlijk nijdig.'
Hij ging tussen Gulamendis en Puc in staan, en met uitgestoken handen liet hij een vlaag scharlakenrode energie gaan die zich voortbewoog als een donderende golf over het strand. De demonen, ongeacht hun formaat of vorm, werden weer achteruit gesmeten. Degene achter aan de groep belandden in de enorme kuil waaruit de groene energie opsteeg.
Een schreeuw achter hen maakte dat de andere demonen zich omdraaiden om te zien welke nieuwe dreiging er nu naderde. In de smaragdgroene gloed die werd verspreid door de energiezuil waren rennende mensen te zien, gehuld in de uniformen en pantsers van de Roldeemse Koninklijke Marine. De taaiste strijders van het eilandkoninkrijk waren bedreven in zowel zeeslagen als veldslagen. Vooraan herkenden Puc een bekend gezicht, hoewel de gebruikelijke jongensachtige grijns erop ontbrak. Jommy Kiliroo, nu Ridder van het Koninklijk Hof van Roldem en kapitein van de bijzondere eenheid van de koning, schreeuwde bevelen terwijl hij zijn zwaard hief en ermee uithaalde naar een manshoge demon.
Puc blies zijn adem uit. 'Driehonderd mariniers uit Roldem zullen ze wel bezighouden tot de rest aankomt, en dat zou binnen enkele minuten moeten zijn.'
Als om zijn woorden te bewijzen, werd een volgende schreeuw buiten gevolgd door de aankomst van Tad, een andere geadopteerde kleinzoon van Puc, die een contingent van de Prinselijke Wacht uit Krondor leidde. Hun bevelen waren simpel: dood elke demon die je ziet.
'Spaar je krachten. We hebben ze straks misschien nodig,' zei Puc tegen Magnus.
Magnus knikte. 'Die uitbarsting was even lekker, maar wel vermoeiend.'
'Hoe gaat het met Sandrina en Kaspar?'
'Ze leven nog,' zei Magnus. 'Belasco is onmachtig en worstelt met een of andere demonische aanwezigheid.' Hij stak zijn hand op voordat zijn vader vragen kon stellen. 'Ik weet zeker dat Amirantha het je allemaal kan uitleggen, maar voorlopig hoef je alleen te weten dat als Belasco die strijd verliest, een entiteit genaamd Dahun dit rijk zal binnenkomen.'
'Dahun!' riep Gulamendis. 'Hij is een van de regionale koningen, en als hij er inderdaad doorheen komt, zullen we hem met z'n allen moeten tegenhouden.' Hij schudde vertwijfeld zijn hoofd. 'Ik weet niet of Amirantha en ik hem terug zouden kunnen verbannen naar de Vijfde Cirkel.'
'Er zouden hier binnen een paar minuten nog eens zes magiërs moeten aankomen,' zei Puc.
'Dat zou genoeg moeten zijn,' antwoordde een uitgeputte Laromendis.
'Ja,' beaamde zijn broer. 'Als je hem voldoende schade toebrengt, hem afmat, dan zouden Amirantha en ik in staat moeten zijn hem terug te sturen naar waar hij vandaan komt.'
'Veel keus zullen we niet krijgen,' zei Puc. Hij keek Magnus aan. We kunnen Amirantha en Sandrina wel hier gebruiken.'
'Die proberen uit te vissen waar Belasco mee bezig is.'
'Ik dacht dat je zei dat hij onmachtig was.'
'Het is lastig uit te leggen, vader, want ik weet niet of ik het zelf wel begrijp, maar het lijkt erop dat Belasco gastheer is voor de demon, en als we hem doden laten we alleen maar Dahun vrij in dit rijk. Belasco heeft hem onder controle gehouden, maar het heeft hem zijn eigen vrijheid gekost.'
Toen Gulamendis dit hoorde, zei hij: 'Bij de Voorouders, ik moet naar beneden.' Hij verliet de strijd terwijl er nog meer menselijke soldaten arriveerden om tegen de demonen te vechten.
'Dit zou snel voorbij moeten zijn.' Puc wees naar de compagnie Keshische hondsoldaten en nog een compagnie soldaten uit Muboya die in zicht kwamen.
Ineens barstte er een luid tumult los in de kuil en schoot er een groep vliegers naar buiten, gevolgd door een volgende verzameling monsterlijke wezens die over de rand van de kuil klommen en zich in het strijdgewoel stortten.
'Misschien ook niet,' zei Magnus terwijl hij een enorme vuurbol te midden van de vliegers boven de aanvallende mensenlegers schoot.
Gulamendis zag Amirantha en Kaspar bij de liggende gestalte van Belasco staan, terwijl een stem vanuit het niets brulde: 'Mijn onderdanen komen eraan, mensen! Die vervloekte magiër die me vasthoudt zal sterven, en als ik eenmaal vrij ben zal jullie dood pijnlijk en eeuwigdurend zijn! Laat me nu vrij en ik zal jullie belonen, maar mijn geduld raakt op!'
Jim Dasher stond klaar met zijn dolk om indien nodig Belasco's leven te beëindigen. Hij wierp Amirantha een vragende blik toe.
Amirantha schudde zijn hoofd, keek toen naar de elfen-demonenmeester en vroeg: 'Heb je wel eens eerder zoiets gehoord?'
'Ik heb een demon nog nooit het woord "geduld" horen gebruiken, en ook niet dat er een vast kwam te zitten nadat hij een menselijke gastheer was binnengedrongen.'
Sandrina, inmiddels volledig hersteld, zei: 'Ik ben weieens eerder bedreigd, maar meestal door een demon die probeerde mijn hoofd eraf te rukken, niet een die wilde onderhandelen.'
'Dit is ook in mijn ervaring uniek,' beaamde de zwarte magiër. 'En mijn broer, zoals ik al van hem had verwacht, weigert mee te werken.'
'Je hebt me geen reden gegeven om mee te werken, broertje.' Belasco's stem hing in de lucht.
'Zeg me wat ik moet doen om je te overtuigen, Belasco.'
'Het lastige is dat als ik als overwinnaar uit de strijd wil komen, ik me eerst moet ontdoen van de demon binnen in me, en de enige manier om dat te doen is door te sterven. Maar als ik sterf, keert Dahun terug in zijn eigen lichaam, dat snel in dit rijk zal zijn.'
'Hoe snel?' vroeg Gulamendis.
'Misschien is het er al,' antwoordde Belasco lachend. 'Als je me een uur geleden had gedood, of misschien zelfs een paar minuten geleden, dan zou hij zijn teruggesmeten naar de Vijfde Cirkel van de Hel, maar nu...? Misschien is het al te laat.'
'Als ik je dood, zal ik het weten,' zei Amirantha.
'Maar als je dat doet en hij verschijnt, wat doe je dan, broertje?'
'We hebben misschien genoeg kracht om hem terug te sturen.'
'Ah, misschien. Wat als het niet zo is?'
'Wat is de waarheid?' drong Amirantha aan.
'Ik krijg dan misschien niet de waarheid uit je broer,' zei Gulamendis, 'maar ik kan wel proberen de demon binnen in hem te dwingen de waarheid te spreken, in ieder geval tijdelijk.'
'Heb je een zo krachtige dwingende bezwering?'
'Ik geloof het wel,' antwoordde Gulamendis. Hij zag er uitgeput uit, maar hij sloot zijn ogen. 'Ik zal het proberen.'
Lange minuten sleepten zich voort. De verre geluiden van strijd verbraken nu en dan de stilte, totdat Kaspar vroeg: 'Kan ik jullie veilig hier achterlaten?'
Amirantha gebaarde met de dolk in zijn hand, die hij slechts een duim van de keel van zijn broer vandaan hield. 'Ik denk niet dat het veel verschil maakt of jij hier blijft.'
'Mooi,' zei Kaspar, en hij draaide zich om om te vertrekken. 'Zo te horen kunnen ze daarboven wel een generaal gebruiken, of in ieder geval een extra zwaard.' Tegen Jim, die hem vragend aankeek, zei hij: 'Jij blijft hier. Amirantha aarzelt misschien, maar ik denk dat jij Belasco wel de keel afsnijdt als het nodig is.'
Jim knikte.
Amirantha moest glimlachen. In de maanden dat hij Kaspar nu kende, had hij echt genegenheid voor de man opgevat. Gezien de reputatie van de vroegere hertog vond hij het verbazingwekkend dat een voormalig vijand van het Conclaaf en vriend van zijn krankzinnige, overleden broer Sidi zulk aangenaam gezelschap bleek te zijn. Maar hij wist ook waar Sidi toe in staat was geweest, en hij vermoedde dat veel van Kaspars schurkengedrag door Sidi was ingegeven. De zwarte magiër mocht Jim ook graag, ook al had diens persoonlijkheid wel een harde, kille kant.
'Het is gebeurd,' zei Gulamendis. Toen wendde hij zich tot Dahun. 'Aan waarheid ben je gebonden. Wat voor reden heb je voor deze indringing?'
Het was de vraag die alle drie de demonenexperts in de kamer wilden stellen; bezetenheid werd maar zelden toegepast door de krachtiger demonen. Het ging tegen hun aard in. Waarom zou je immers een sterk lichaam inruilen voor een zwakker, kwetsbaarder lichaam? Vermomming was de enige voor de hand liggende reden, maar vermomming was amper nodig gezien het enorme conflict boven.
Stilte was hun enige antwoord.
Na een tijdje grinnikte Belasco. 'Je bezwering werkt kennelijk, elf.'
'Hoezo?' vroeg Jim.
'Gulamendis heeft de demon gedwongen de waarheid te spreken, maar niet om te antwoorden. Zijn zwijgen wijst erop dat hij niet kan liegen, dus kiest hij ervoor om niets te zeggen.'
Gulamendis keek van Amirantha naar Jim en naar Sandrina, met een smekende blik in zijn ogen. Ze schudden alledrie hun hoofd.
'Wat nu?' vroeg Sandrina.
'Tot een overeenkomst zien te komen met mijn broer,' besloot Amirantha.
'Wat stel je voor?' vroeg Belasco.
'Jim zou je de keel kunnen afsnijden. Dan kunnen wij afrekenen met de demon als hij hier komt,' zei Sandrina, en haar toon liet er weinig twijfel over bestaan dat dat haar de zinnigste optie leek.
Amirantha stak zijn hand op. 'Een laatste redmiddel.' Tegen zijn broer zei hij: We zouden de demon nu kunnen terug verbannen naar de Vijfde Cirkel.'
'Een exorcisme?' vroeg Belasco ongelovig. 'Dat is zeker een grapje.'
'Sandrina is de moeder-bisschop van de Orde van het Schild van de Zwakken,' antwoordde de zwarte magiër.
'Ik denk dat ik haar aardiger vond toen ze me alleen mijn kop in wilde slaan met haar knots,' zei Belasco. 'Dat zou snel en eenvoudig zijn. De dood door uitdrijving is veel te traag en pijnlijk.'
Sandrina en de twee demonenmeesters wisselden betekenisvolle blikken, en ze beaamden in stilte dat Belasco gelijk had. Hoe machtiger de demon die uit de gastheer werd verdreven was, hoe meer schade de sterveling opliep. En in de hele geschiedenis van de tempel had niemand ooit met succes een demonenkoning of -prins uitgebannen.
'Jouw keus, broertje,' zei Amirantha. 'Een snelle dood waarna wij afrekenen met je demon, of we kunnen proberen je te redden, waarna we hoogstwaarschijnlijk alsnog gedwongen zullen zijn je te doden.'
'Je kent me goed, broertje.' Er viel een lange stilte. 'Geef me je woord dat als ik hier ongeschonden uitkom, je me één dag voorsprong geeft om een veilig heenkomen te vinden.'
'Na alles wat jij hebt gedaan?' vroeg Sandrina.
'Dat is mijn voorwaarde.'
'Ik stem voor een snelle dood,' zei Sandrina stellig.
'Ik vind dat we die uitdrijving moeten proberen,' zei Gulamendis.
Jim haalde zijn schouders op. 'Ik weet echt niet wat het beste is.'
'Dan is het aan jou, broertje,' besloot Belasco.
'Geef me één reden om je genade te betonen,' zei Amirantha. 'Je probeert me al een eeuw te vermoorden.'
'Nou, dat is spijtig. Ik zie het meer als een nare gewoonte, eigenlijk. Ik ergerde me gewoon zo aan jou en Sidi... Ik heb er niet echt bij nagedacht.'
Amirantha sloot zijn ogen even, opende ze weer en zei: 'Je bent misschien niet zo krankzinnig als onze broer, maar normaal ben je ook niet. Laat me duidelijk zijn, ik neig er erg naar om dit snel af te handelen en je dus de keel af te snijden, behalve als je me een voldoende goede reden geeft waarom we het risico zouden nemen je te laten leven, waarbij we nog altijd het hoofd moeten bieden aan een sterke demon.'
Het bleef lange tijd stil voordat Belasco antwoordde. 'Ik zal je de waarheid vertellen.'
Amirantha lachte. 'Dat zou weer eens wat nieuws zijn.'
'Bij het bloed van de oude vrouw van de manen, de nachtmerries van het kind in het dorp en de botten in het verborgen graf van de kwade man,' zei Belasco.
Amirantha zweeg. Hij keek Sandrina en Gulamendis aan en zei zachtjes: Toen we klein waren, hebben we een pact gesloten, met gebruikmaking van een vloek die onze moeder vaak uitsprak...' Hij schudde zijn hoofd. 'Bij ons was dat zo ongeveer het heiligste wat we kenden. Zelfs Sidi heeft nooit een belofte verbroken of gelogen nadat hij die eed had gezworen.'
'Het is het beste wat ik te bieden heb, broertje.'
Amirantha zweeg weer. Na lange tijd zei hij: 'Goed dan. Begin.'
Puc zag dat de demonen voor de deur zich afwendden van zijn groep om de aanval van Jommy's mariniers af te slaan. Kaspar kwam aan en vroeg: 'Hoe staat 't ervoor?'
'Chaos,' riep Magnus. 'Net toen onze soldaten eraan kwamen, dook er een horde demonen uit die kuil op!'
'Het is een enorme oproepkuil; zelfs Amirantha en Gulamendis herkenden het niet. Het is een demonenpoort.'
'Dan moeten we hem sluiten!' concludeerde Kaspar.
'Het punt,' antwoordde Puc, 'is dat dat wel even kan gaan duren.'
Kaspar keek naar de strijd die buiten de deur woedde, terwijl Magnus nog een uitbarsting van verzengende energie afschoot naar een demon die op hen afstormde. 'Blijf ze ontmoedigen,' zei Kaspar, 'terwijl ik een kijkje ga nemen.' Hij tikte Laromendis op de schouder. 'Kun jij me een zetje naar het dak geven?'
'Zeker,' zei de elf. Ze stapten naar buiten en Laromendis maakte een opstapje met zijn handen. Kaspar stapte erin, en de lange elf gaf hem een goede zet, zodat de generaal op het dak kon klimmen.
Magnus stapte net op tijd naar buiten om een vlieger te vernietigen die Kaspar als eenvoudig doelwit had geselecteerd, en de generaal riep: 'Bedankt!'
Kaspar zag dat de activiteit in de kuil was stilgevallen en riep omlaag: 'Ik denk dat ze dat allemaal waren!' Hij keek naar de strijd en vervloekte zichzelf omdat hij niet beter had ingeschat hoe deze veldslag zich zou ontwikkelen. Hij had een slechte aanname gedaan, namelijk dat een snelle aanval met heel veel soldaten een ongeorganiseerde bende van sekteleden en een paar demonen wel zou wegvagen. Hij had niet verwacht dat de demonen gewapend en georganiseerd zouden zijn en dat er versterking zou komen. Toch kregen zijn soldaten dankzij hun grotere aantallen langzaam de overhand. En dat was maar goed ook, overpeinsde hij, want er schenen drie of vier mensen nodig te zijn om één grotere demon te verslaan.
Zijn ogen traanden van de stank van demonenbloed, en een andere vlieger die uit de nachtelijke hemel omlaag suisde rukte bijna zijn hoofd eraf. Hij voelde de hitte van het brandende karkas toen Magnus de vlieger uitschakelde.
Kaspar ging op de dakrand zitten en liet zich met een grom op de grond zakken. 'Ik ben te oud en moe voor dit soort dingen,' klaagde hij tegen niemand in het bijzonder.
Puc en de anderen kwamen uit het kleine gebouw tevoorschijn toen de mêlee zich grotendeels naar de andere kant van het grote fort had verplaatst. 'Wij zijn in het voordeel, zolang er niet onverwachts iets verandert,' zei Kaspar. 'Ik moet mijn bevelvoerders opzoeken en kijken of we dit wat beter kunnen coördineren.'
Hij haastte zich weg, en Puc wendde zich tot Laromendis en zei: 'Waarom ga jij niet kijken wat je broer en Amirantha beneden uitvoeren? Magnus en ik verdedigen deze positie wel.'
'Graag,' zei Laromendis, en hij rende het gebouw weer in.
'Er is een nieuwe oorlog gaande,' zei Belasco. 'Die is al eeuwen aan de gang. De vijf demonenkoningen strijden al sinds het begin der tijden om suprematie, maar deze nieuwe oorlog is iets anders.'
'Hoezo is hij anders?' vroeg Amirantha.
Het geluid van gelach dreef door de ruimte, zowel van Belasco als van de demon. De lach van het monster klonk hatelijk en bitter, terwijl die van Belasco oprecht vermaakt klonk. 'Ik weet het eigenlijk niet,' antwoordde de roerloze magiegebruiker. 'Leugens zijn evenzeer onderdeel van de aard van demonen als van mij, lieve broer. Toen ik pas begon met oproepen, was dat om de gebruikelijke reden: ik wilde jou overtreffen. Ik heb Sidi een keer geprobeerd te vermoorden door een ondode te creëren, wist je dat?'
'Nee,' zei Amirantha.
'Het was ondoordacht, eigenlijk, met te veel nadruk op ironie en niet genoeg op het leren van mijn vak. Sidi schakelde het monster snel uit en ik heb bijna een jaar in een heel koude grot in Noordland gewoond, omringd door ijsberen, sneeuwluipaarden en donkere elfen.' Hij zuchtte, meer als emotionele voetnoot dan als werkelijke uitademing. 'Je zou denken dat ik mijn lesje inmiddels wel geleerd had, maar dat was dus niet het geval.
Ik besloot niet zomaar een willekeurige demon op te roepen en op je af te sturen; ik wist dat je die gemakkelijk zou verslaan, dus besloot ik een van je eigen bezweringen te beïnvloeden zodat je een schepsel opriep dat je niet verwachtte. Dat vond ik heel slim van mezelf.'
'Het lukte bijna,' zei Amirantha.
'Bijna?'
'Ik had hulp. Ik zou zijn omgekomen als ik alleen was geweest.'
'Nou, dat is dan wel een soort troost.' Belasco zweeg even. 'Om te leren hoe het moest, ben ik de demonenoverlevering gaan bestuderen, veel ervan bij jou bekend, neem ik aan. Maar ik vond wel een paar ongebruikelijke dingetjes; een schriftrol hier, een boek daar, waardoor ik ontdekte dat er veel meer achter het demonenrijk zit dan jij ooit hebt vermoed. Ik deed dat natuurlijk niet uit wetenschappelijke overwegingen. Ik zocht naar een sluwe manier om mijn broers te vermoorden.'
Gulamendis keek Belasco en vervolgens Amirantha aan, en schudde enkel zijn hoofd. Sandrina hield haar blik op Amirantha's gezicht gericht.
'De demonenoorlog?' vroeg Amirantha.
'Die demonen worden ergens door gedreven. Er is iets naar hun rijk gekomen, en dat strijdt daar tegen hen om de macht,' zei Belasco. 'Miljoenen demonen zijn vernietigd in de gevechten, en drie van hun koningen hebben zich verenigd om het tegen de indringers op te nemen.'
'Wie dan?' vroeg Amirantha.
'Weet ik niet,' antwoordde Belasco. 'Ik hoor alleen vage verwijzingen naar "ze", of "de indringers". Eén keer hoorde ik dat ze "uit de duisternis" komen. Verder weet ik alleen dat die macht de orde heeft vernietigd, voor zover die al bestond in de Vijfde Cirkel. Van de twee koningen die geen bondgenootschap hebben gevormd, nam er één een afwachtende houding aan: mijn vriend hier, Dahun.' Dat werd begroet met een grauwend geluid, maar geen samenhangende woorden.
'De andere was Maarg. Een of andere stommeling op een wereld in dit bestaansniveau opende een demonenpoort naar Maargs rijk, en hij stuurde zijn horde naar die wereld. Er waren grote veldslagen, maar uiteindelijk bleven de demonen gestrand achter en konden ze niet meer weg.'
'Shila,' zei Sandrina. 'Puc had het over die wereld, en over de strijd tussen de demonen en de Saaur.'
'Maar het was Dahun die het potentieel in dit rijk zag. De demonen hebben hun eigen magiegebruikers, en voordat Maarg Shila verwoestte, stuurde Dahun spionnen en agenten naar die wereld om de bibliotheken te plunderen. Ze keerden terug met alles wat ze konden dragen, en bijna een halve eeuw lang hebben ze alleen maar gestudeerd.
Dahun herkende als eerste de behoefte om zijn eigen positie te versterken, dus annexeerde hij Maargs rijk en zette hij Maarg vast op het sterfelijke niveau, wetend dat de demonenkoning uiteindelijk zou verhongeren nadat hij alles daar had verslonden.
Vervolgens sloot hij een bondgenootschap met de drie overgebleven demonenkoningen en stuurde troepen om te strijden tegen de indringers; maar de soldaten die hij stuurde, waren degene die hij had geërfd uit Maargs rijk, en hij hield zijn eigen loyale leger bij zich.
Toen begon hij zich voor te bereiden op zijn vertrek uit de Vijfde Cirkel.'
'Om hierheen te komen?' vroeg Gulamendis, op het moment dat zijn broer de kamer binnenliep.
'De strijd gaat goed,' meldde Laromendis zachtjes, en zijn broer knikte, maar hij stak zijn hand op om aan te geven dat hij verder moest zwijgen.
'Ja,' zei Belasco. 'Dit rijk is zwak vergeleken met de Vijfde Cirkel, maar Dahun is veruit de intelligentste van de demonenheren. Hij besefte dat er veranderingen nodig waren voordat hij dit rijk kon binnenkomen.
Jij weet alles over demonen wat een man zelfstandig kan leren, broertje. Je weet dat een demon die niet wordt beheerst, zal blijven eten totdat hij alles heeft verslonden wat hij kan vinden. Dahun creëerde die beheersing. Hij creëerde een hiërarchie die verderging dan die al bestond in het demonenrijk, die niet alleen boogde op macht en bondgenootschappen, maar ook op loyaliteit. Hij orkestreerde verraad, liet spionnen infiltreren in de domeinen van de andere regenten en startte een reeks van conflicten tussen zijn buren.
Dahun creëerde de illusie dat Maarg was teruggekeerd, fingeerde zijn eigen nederlaag onder de handen van de demonenkoning en liet de andere regenten geloven wat hij wilde dat ze geloofden. Toen liet hij de demonenoorlog escaleren naar een hoger niveau en zette bondgenoten tegen elkaar en tegen de sterfelijke rassen die hij in dit rijk tegenkwam op, tegen iedereen die een dreiging kon zijn.
Kortom, hij bereidde zich voor om dit niveau van de werkelijkheid binnen te gaan en het opperbevel op te eisen.'
'Maar wij hebben op een of andere manier zijn plannen gedwarsboomd,' concludeerde Amirantha.
'Meer dan je beseft,' beaamde Belasco. 'Eerst dacht ik dat dit gewoon weer een kans was om een beetje grimmig plezier te beleven, een leuk spelletje dat mij persoonlijk iets zou kunnen opleveren, maar toen ik ontdekte wat Dahun echt van plan was, was het te laat.'
'Je zat al in de val,' zei Gulamendis.
'Ah, weer een nieuwe stem,' zei Belasco. 'Ja, demonen zijn schepsels die niet vatbaar zijn voor rede, onderhandeling of smeekbeden; je kunt ze alleen maar dwingen tot een overeenkomst te komen, en het enige waar je zeker van kunt zijn is dat ze je zullen verraden zodra ze de kans krijgen.
Amirantha, je wilt niet weten wat je zogenaamde onderdanen van je vinden. Voordat je je gekrenkt voelt, moet je begrijpen dat ze over alle mensen zo denken. Wij zijn vee voor hen. We zijn voedsel. We bieden dingen die zij willen, verder niets. Om te krijgen wat ze willen, zullen ze dienen als het moet, maar het gaat altijd om wat zij willen.'
'En Dahun wil op deze wereld leven?'
'Hij wil erover regeren. Hij heeft alle demonen die hij kon verzamelen door zijn poorten gestuurd om de elfen op een stuk of tien werelden uit te roeien. Hij is hier gekomen omdat...'
'Nee!' riep de stem van Dahun. 'Daar mag je niet over praten!'
Het bleef stil.
'Belasco?' vroeg Amirantha.
Nog steeds stilte.
Gulamendis keek naar Sandrina en vervolgens naar Amirantha. 'Wat nu?'
'Geen idee,' zei de zwarte magiër.