4


Doodsmagie

 


Puc stak zijn hand op.

De twee wachters met zwarte pantsers die bij de deur naar de oude tempel stonden, schrokken toen ze drie mannen uit een grijs waas zagen stappen dat er even geleden nog niet was.

'We willen de hogepriester spreken,' verklaarde Puc.

Amirantha keek omhoog en zag een heldere avondhemel vol sterren. *We zijn ergens in het oosten, of niet?'

'Ja,' antwoordde Jim, 'in Rillanon. Dit is de tempel van Lims-Kragma.'

'Dat is logisch,' zei Amirantha.

Niemand in Midkemia had méér kennis over sterven en de doden dan de hogepriester van de Godin van de Dood. De twee wachters leken nog altijd ontdaan over het plotselinge arriveren van de drie mannen, maar hun plicht was beperkt tot het bewaken van de poort bij een overduidelijke aanval. Eigenlijk hoefden ze er alleen voor te zorgen dat degenen die hier kwamen bidden voor hun overleden dierbaren zich ordelijk gedroegen. Uiteindelijk gaf een van hen Puc en zijn metgezellen met een handgebaar te kennen dat ze mochten binnengaan.

Ze liepen door een grote voorkamer vol fresco's van de Doodsgodin. In verfijnde penseelstreken was de laatste rechter van alle sterfelijke wezens afgebeeld als een warme, goedgunstige vrouw die hen in de enorme zaal van de hoofdkathedraal verwelkomde.

Langs beide zijden stonden bankjes voor overpeinzing en gebed, terwijl tegen de achterste muur op twee lange planken honderden gebedskaarsen waren geplaatst, waarvan de " meeste brandden; elke kaars daar was aangestoken om een dierbare de weg naar de zalen van Lims-Kragma te wijzen.

Puc nam even de tijd om naar het ongeveer twaalf voet hoge standbeeld van de godin te kijken, dat de kathedraal domineerde. Ze stak haar ene hand uit in een verwelkomend gebaar, en in de andere had ze een zilverkleurig net. De symboliek was duidelijk: niemand ontkwam aan de spanner van valstrikken, maar ze verwelkomde iedereen gelijkelijk. Persoonlijk vond Puc dat een nogal ironisch sentiment, aangezien hij tot nu toe heel vaardig haar omhelzing had weten te vermijden, hoewel zijn overeenkomst met de godin een zware tol van zijn geest en hart vergde.

Drie priesters knielden in gebed voor het standbeeld, terwijl aan de zijkant enkele smekelingen die voor recent verloren dierbaren de genade van de godin zochten, kaarsen aanstaken en gebeden prevelden. Toen de drie mannen naderden, draaide een van de priesters zich om en stond op om hen te begroeten.

'Puc,' zei hij op neutrale toon, 'wat brengt je hiernaartoe?'

'Ik moet hogepriester Marluke spreken,' zei Puc. 'Het is erg dringend.'

'Dat is het altijd, nietwaar?' vroeg de priester droogjes. 'Maar ik ben ervan overtuigd dat de Heilige Vader het met je eens zal zijn. Volg mij, alsjeblieft.'

Hij leidde hen langs het standbeeld naar een deurtje tussen de voet van het beeld en de eerste rij brandende kaarsen. Nadat hij het had geopend, beduidde hij hun dat ze erdoor moesten gaan, waarna hij volgde en de deur achter hen sloot.

De priester voerde hen door een lange gang naar een grote, onversierde ruimte. In de kamer stonden alleen vier stoelen en een eenvoudige houten tafel. 'Ik zal de hogepriester laten weten dat je er bent,' zei hij.

Op dat ogenblik ging de deur tegenover die waardoor zij waren binnengekomen open en kwam er een oudere man in een sobere zwarte mantel met kap binnen. 'Hij weet het al,' zei hij. 'Je mag ons alleen laten,' liet hij de priester vervolgens weten.

Hij was lang, maar hij begon wat gebogen te lopen van ouderdom, en hij was zo slank dat hij bijna mager was. Zijn haar was lichtgrijs, bijna wit, maar zijn donkere ogen stonden alert en intelligent en hij had een innemende glimlach.

Toen de jongere priester was vertrokken, stak de oude prelaat zijn hand uit en drukte die van Puc. 'Alsof je in mijn tempel zou kunnen opduiken zonder dat ik dat wist,' zei hij. Toen voegde hij eraan toe: 'Ah, Jim Dasher, of is het tegenwoordig baron James?'

Jim drukte hem ook de hand. 'Vandaag is het Jim.'

'En wie is jullie vriend?' vroeg de oude man met een uitnodigend gebaar naar de stoelen.

'Amirantha, zwarte magiër van de Satumbria,' antwoordde Puc.

De wenkbrauwen van de hogepriester kwamen omhoog. 'Een zwarte magiër!' Hij ging zitten zodra de anderen plaats hadden genomen. 'Ik heb wijn en eten besteld, voor het geval jullie honger hebben.'

Jim knikte dankbaar.

Kijkend naar Amirantha zei de hogepriester: Wacht met de serieuze gesprekken tot mijn dienaar ons heeft verlaten.

Tot die tijd moeten we elkaar misschien wat beter leren kennen. Ik dacht dat de Satumbria waren uitgeroeid.'

'Op mij na,' antwoordde Amirantha zonder emotie. *We zijn altijd een klein land geweest. Eigenlijk alleen maar een los-vaste confederatie van dorpen, verspreid over de noordelijke graslanden van Novindus. Het leger van de Smaragden Koningin heeft een einde aan ons gemaakt.'

'Ah,' zei de hogepriester toen zijn dienaar binnenkwam. De vier mannen wachtten zwijgend terwijl voedsel en wijn werd opgediend en de dienaar zich had teruggetrokken.

De hogepriester keek Puc aan. 'Hoeveel jaren er ook verstrijken, jij blijft er hetzelfde uitzien.' Daarna wendde hij zich tot Amirantha. 'Toen ik onze vriend hier leerde kennen, was ik een jonge priester, net aangesteld bij de tempel in Krondor. In die tijd had deze kerel diverse gesprekken met de hogepriesteres.' Hij trok een spijtig gezicht. 'Een geweldige vrouw, eigenlijk, als je haar beter kent; ze was mijn mentor. Vanwege haar heb ik dit onmogelijke ambt in de schoenen geschoven gekregen.' Hij keek weer naar Amirantha. 'Ik vermoed dat Puc er nog steeds zo zal uitzien, jaren nadat ik onze Vrouwe heb ontmoet.'

Amirantha knikte beleefd ten antwoord op de overpeinzingen van de hogepriester.

Toen veranderde de houding van de oude man. 'Genoeg gemijmerd. Wat brengt je hier op dit late uur?'

'Ik weet het zelf niet eens zeker. Amirantha, Jim?' vroeg Puc.

De zwarte magiër wendde zich tot Jim. 'Begin jij maar.'

Jim had net een grote hap brood en kaas genomen en moest die wegspoelen met rode wijn; hij verslikte zich een beetje en zei: 'Goed.' Opnieuw vertelde hij over zijn ervaringen in de Jal-Purwoestijn, en hij beschreef de slachting en zelfopoffering zo goed mogelijk. Door zijn jaren van training in het observeren van details duurde zijn verhaal bijna een half uur.

Geen van de anderen sprak totdat hij klaar was.

'Dat is inderdaad verschrikkelijk,' zei Puc. Hij keek Amirantha aan. 'Jij wilde dat hier een expert op het gebied van de dood bij aanwezig was. Vertel nu eens wat je dwarszit, behalve het voor de hand liggende en misselijk makende. Wat zien we over het hoofd?'

Amirantha had zich al op die vraag voorbereid sinds hij Jims verslag voor het eerst had aangehoord. 'Niets wat Jim heeft gezien is eigenlijk logisch. Ik zal het uideggen, maar ik wil graag eerst aan de Heilige Vader vragen hoeveel hij over demonen weet.'

'Heel weinig, eerlijk gezegd,' antwoordde de oude man. Wij bekommeren ons hier voornamelijk om het voorbereiden van de gelovigen op hun uiteindelijke reis naar onze Vrouwe. We zijn op deze wereld om de kwetsbare mensheid te helpen begrijpen dat dit leven slechts een onderdeel is van een veel diepgaandere reis, om ze te laten weten dat als ze een goed, eerzaam leven leiden, onze meesteres hen op het juiste pad naar de uiteindelijke verlichting zal zetten. Verder wordt onze kennis stukje bij beetje verzameld; we delen wat we weten met anderen' - hij knikte in de richting van Puc - 'en wij genieten op onze beurt het voordeel van hun wijsheid.' Hij lachte. 'Bovendien is me opgedragen om met Puc samen te werken.'

Amirantha keek verbaasd. 'Opgedragen? Door wie?'

'Door onze Vrouwe zelf,' zei de oude priester. 'Het komt maar zelden voor, een visitatie, maar het gebeurt wel eens. Meestal is het een onthulling aan een gelovige en wordt die door heel het land bekendgemaakt, maar in dit geval kreeg ik alleen te horen dat ik Puc moest helpen waar ik kon en mijn mond erover moest houden.' Hij lachte. 'Ik ben misschien wel de enige leider in de geschiedenis van de tempel die een persoonlijke onthulling heeft ontvangen maar er niet over kan opscheppen.'

'Dan moet ik u,' zei Amirantha, 'opdat u kunt begrijpen wat ik u zal uiteenzetten, eerst een verhaal vertellen dat ik al heb gedeeld met Puc en Jim.'

Amirantha vertelde over zijn jeugd, zijn leven aan de zelfkant van de Satumbriaanse samenleving, de rol van zijn moeder als heks en hoe ze door de dorpelingen werd getolereerd vanwege haar vaardigheid met drankjes en zalfjes. 'Ze was ook heel mooi, en daarom heeft ze drie kinderen gekregen van drie vaders, die ons geen van allen wilden erkennen.'

Hij vervolgde met een karakterschets van zijn broers en legde uit hoe de oudste, Sidi, hun moeder puur voor zijn genoegen had vermoord. Hij schilderde de op één na oudste, Belasco, af als een man die er bezeten van was om zijn broers in elke onderneming af te troeven, die in woede uitbarstte als hij alleen maar dacht dat hij zou worden verslagen en die, om redenen die Amirantha slechts vaag begreep, al vijftig jaar probeerde zijn jongere broer te vermoorden.

'Ik kan me niet eens indenken door wat voor belediging, echt of ingebeeld, Belasco dorst naar mijn dood, maar het doet er niet echt toe.' Hij zweeg even en smeerde zijn droge keel met een slokje wijn.

'U hebt beslist een zeer interessante familie,' merkte de hogepriester op. 'Maar ik begrijp niet op welke manier dit allemaal verband houdt met Jims verslag.'

'Daar kom ik nog op, Heilige Vader,' zei Amirantha. 'Ik vertel u over mijn achtergrond zodat u volledig zult begrijpen wat ik denk dat er achter die slachting in Jal-Pur zit.' Hij zweeg weer even om zijn gedachten te ordenen. 'Mijn oudste broer Sidi, die u mogelijk kent onder de naam Leso Varen, was als kind al waanzinnig, en hij werd alleen maar krankzinniger naarmate hij ouder werd. Toen hij onze moeder vermoordde, was hij een meedogenloos monster zonder enige menselijkheid. Hij was geobsedeerd door doodsmagie.'

De oude priester knikte. 'Ik herken de naam Leso Varen; hij was een vaardig doodsbezweerder en naar verluidt een bron van kwaad.'

*Wat u ook gelezen hebt, het doet die man geen recht,' verklaarde Amirantha terwijl Puc instemmend knikte. 'Als er ooit een Aardje menselijkheid in hem heeft gezeten, dan was dat allang uitgeblust voordat hij een speler werd in dit monsterlijke spel waarin we ons bevinden.

Maar Belasco was anders; hij werd verteerd door afgunst en woede, was jaloers op elke prestatie of vaardigheid van mijn broer en mij. Anders dan ons twee had hij echter werkelijk talent, hoewel hij dat vaak verwaarloosde omdat hij zich richtte op het overtroeven van onze prestaties. Ik kan me goed voorstellen dat hij zich bezighoudt met doodsbezwering of demonenleer, maar de slachtpartij die Jim beschreef is... Dat is niet iets waar hij normaal gesproken aan zou meedoen. En dienaar spelen van een demon ook niet, hoe machtig die ook is.'

'Hoezo?' vroeg Puc.

Na nog een slokje wijn antwoordde Amirantha: 'Omdat Belasco liever dood zou gaan dan bereidwillig iets of iemand te dienen.'

'Maar er is meer,' zei de hogepriester, en het was geen vraag.

'Belasco zou ook dit soort doodsmagie niet gebruiken. Hier zit 'm het raadsel: doodsmagie wordt niet gebruikt door lieden die omgaan met demonen.'

Puc kreeg plotseling heel veel belangstelling, en hij keek alsof hij een vraag wilde stellen, maar in plaats daarvan zei hij alleen: 'Ga door.'

'Heilige Vader,' vroeg Amirantha, 'welk nut heeft doodsmagie?'

Puc besefte dat Amirantha die vraag stelde om een punt te verduidelijken dat hij wilde uiteenzetten.

'Het is een gruwel,' antwoordde de geestelijke. 'Doodsmagie en doodsbezwering zijn onjuiste benamingen voor de smerigste vorm van levensmagie. Op het ogenblik van de dood, als het leven het omhulsel van het lichaam verlaat, komt er energie vrij. Die energie, die door sommigen de anima en door anderen de ziel wordt genoemd, is de fundamentele kern van het wezen. Onze lichamen zijn tijdelijk en zullen uiteindelijk falen, maar de levenskracht is eeuwig.' Hij stak ter onderstreping een vinger op. 'Behalve... als iemand de energie tegenhoudt zodat die niet naar de zaal van onze Vrouwe kan gaan.'

Amirantha leek ongeduldig. 'Het spijt me dat ik u onderbreek, Heilige Vader, maar de kern van mijn vraag is wat er met de levensenergie kan worden gedaan als die op een of andere manier wordt gegrepen, gebonden of onderschept.'

De hogepriester zweeg een tijdje, en toen zei hij: 'Dat is een uitstekende vraag, maar hij gaat mijn kennis te boven. Het weinige wat we over doodsbezwering weten, hebben we verzameld tijdens onze uitgebreide pogingen om het een halt toe te roepen. Voorkomen dat een ziel terugkeert voor het oordeel is een gruwel jegens onze Vrouwe.' Hij draaide zich om op zijn stoel en riep: 'Gregori!'

Even later verscheen zijn bediende. 'Vraag zuster Makela om bij ons te komen, alsjeblieft,' verzocht de hogepriester.

Gregori boog en vertrok, en de hogepriester verhelderde: 'Makela is de hoedster van ons archief. Als zij iets zelf niet weet, weet ze altijd wel waar ze er meer over kan vinden.'

'Ik heb al gezocht in de archieven van het Ishapische klooster in Dat Wat Eens Sarth Was,' zei Amirantha.

De oude prelaat glimlachte en schudde zijn hoofd. 'De Ishapiërs zijn een nobele orde, en we respecteren hen, maar ondanks hun gezag en kennis neigen ze af en toe naar ijdelheid. Hun bibliotheek is buitengewoon, maar bepaald niet volledig. Niet elk boek vindt zijn weg naar hun collectie.'

'Maar wel naar die van u?' vroeg Jim.

De glimlach van de hogepriester werd breder. We maken allemaal gebruik van onze voorrechten. Onze ontdekkingen blijven van ons totdat wij besluiten ze te delen.' Toen werd hij somber. 'En veel van de kennis die we besluiten niét te delen, draait om het onderwerp dat wij nu bespreken. Sommige kwesties kunnen beter geheim worden gehouden, of in ieder geval goed worden bewaakt door degenen die ze het beste begrijpen.' Hij wendde zich tot Amirantha. Waarom ga je terwijl we wachten niet door met de andere dingen die je wilde vertellen?'

'U bent scherpzinnig, Heilige Vader. Ik laat mijn onwetendheid wat betreft de aard en het doel van doodsmagie of het stelen van levenskracht, zoals u het noemde, even buiten beschouwing, maar ik heb in mijn studies nooit enig verband gevonden tussen die praktijk en het demonenrijk.'

Puc nam het woord. 'Ik moet nu eigenlijk iets over mijn verleden vertellen.' Hij keek naar de drie andere mannen en vervolgde: Toen het leger van de Smaragden Koningin vele jaren geleden vanuit Novindus de oceaan overstak om het Koninkrijk der Eilanden binnen te dringen en Krondor te plunderen, was hun vorstin vervangen. Een demon genaamd Jakan droeg haar gestalte.'

Amirantha hield zijn hoofd schuin en overpeinsde Pucs woorden.

Wat niemand weet, behalve de weinige mensen die erbij waren...' Hij aarzelde even toen hij bedacht dat zijn overleden vrouw, Miranda, aanwezig was bij de gebeurtenissen die hij op het punt stond te beschrijven, en hij voelde een steek van verdriet.

'Ik wilde zeggen,' ging hij verder, 'dat het niet simpelweg om verovering ging, maar eigenlijk om een grootscheepse aanval met als doel naar de stad Sethanon door te stoten.'

Jim fronste zijn voorhoofd. Waarom? Sethanon was al sinds het eind van de Grote Opstand verlaten. Er was daar niets.'

'Zelfs je Koninkrijkse geschiedschrijvers weten niet wat er na de Slag bij de Nachtmerriekam onder de oude stad gebeurde,' antwoordde Puc. Tijdens de Chaosoorlog maakten de Drakenheersers een machtig voorwerp, dat de Levenssteen werd genoemd. Ik heb nooit de kans gehad om het goed te bestuderen omdat het te gevaarlijk werd geacht, dus hebben we het...' Hij overwoog of het verstandig was om de verblijfplaats van het Orakel van Aal te onthullen en besloot zijn metgezellen niet met die informatie te belasten. '... ergens in een diepe grot onder de stad verstopt.' Hij keek de Heilige Vader aan. 'Maar ik denk dat de Levenssteen was gemaakt met gevangen levenskracht, zoals u hebt beschreven.'

De hogepriester snoof. 'Ishapiërs! Ik wist wel dat ze iets voor ons achterhielden. We zijn al heel lang nieuwsgierig naar wat er aan het eind van de Grote Opstand in Sethanon is gebeurd, en waarom koning Lyam nooit heeft geprobeerd de stad te herbouwen. De officiële reden was dat het niet langer een belangrijke tussenstop langs de handelsroute was, en volgens de geruchten was het vervloekt.' Hij schudde zijn hoofd en zuchtte.

'De Ishapiërs wisten alleen wat wij hun vertelden,' biechtte Puc op. 'En wij weten alleen dat de Levenssteen een omhulsel was van grote kracht en dat de demon Jakan vastbesloten was hem te bereiken.'

'Maar waarom?' vroeg Amirantha. 'Wat zou een demon aan zo'n ding hebben, hoe krachtig het ook is?'

'Als we dat konden achterhalen,' zei hogepriester Marluke, 'dan zouden we misschien ook begrijpen waarom je waanzinnige broer zo'n belangstelling heeft voor slachting en doodsmagie, en wat dat te maken heeft met de demon die hij schijnt te dienen.'

Amirantha ging zuchtend achteroverzitten. 'Misschien, maar ik denk van niet.'

'Hoezo niet?' vroeg Puc.

'Laat me daar nog een tijdje over nadenken voordat ik ga speculeren,' antwoordde de zwarte magiër.

'Kunnen we... ik bedoel, kunnen jullie die Levenssteen niet bestuderen?' vroeg Jim.

Puc schudde zijn hoofd. 'Hij is vernietigd voordat de demon hem kon bereiken.'

Het gezicht van de hogepriester nam een verontruste uitdrukking aan. 'Vernietigd?'

Puc stak verzoenend zijn hand op. 'Misschien is dat het verkeerde woord. De zoon van de elfenkoningin, Caelis, heeft de beperkende magie weten los te maken en de daarin opgesloten levensenergie vrijgelaten.'

Bij dat nieuws keek de hogepriester opgetogen op. 'Een zegen! De zielen zijn bevrijd om hun reis naar onze Vrouwe voort te zetten!' Hij keek Puc gretig aan. 'Hoe was dat?'

'Het is moeilijk te beschrijven, Heilige Vader. De Levenssteen zag eruit als een kristal, dat pulseerde van de groene energie, maar toen hij werd... ontrafeld... zweefde er een verzameling groene vlammetjes weg, alle kanten op.'

De hogepriester zakte achterover. 'In de geschiedenis van de tempel is nog nooit een dergelijke manifestatie van de eigenlijke overgang opgetekend. Het beste wat we hebben zijn sporadische verslagen waarin onze priesters, priesteressen of lekenbroeders en -zusters aangeven een klein groen vonkje te hebben gezien.' Hij zuchtte gelaten. 'Er zijn maar zo weinig duidelijke tekenen van wat we doen. Degenen onder ons die zijn gezegend door een visitatie van de godin...' Hij keek in zijn wijnbeker en nam een slokje. 'Af en toe is het moeilijk om de gelovigen te overtuigen. Er zijn er maar zo weinig die het goddelijke werkelijk ervaren.'

Puc weerstond de neiging op te merken dat hij schoon genoeg had van het goddelijke. Verschillende ontmoetingen met zowel de Godin des Doods, Lims-Kragma, als met Banath, de God van de Dieven, Leugenaars en een heleboel andere boeven hadden hem duidelijk gemaakt dat de goden even echt waren als de stoel waarop hij zat. Zijn geloof was geen punt van twijfel, maar hij voelde zich beslist soms hun pion, en die gedachte gaf hem een nare smaak in zijn mond als hij er te lang bij bleef stilstaan.

De deur ging open en een oude vrouw in een priesteressengewaad kwam binnen, gevolgd door een jongere vrouw in gelijksoortige kleding. 'U had me ontboden, Heilige Vader?'

'Zuster Makela, we hebben behoefte aan je kennis.'

'Ik sta u ter beschikking,' zei ze terwijl Jim opstond om haar zijn stoel aan te bieden. Ze glimlachte, knikte dankbaar en nam plaats. Ze was even oud als de hogepriester en zag er breekbaar uit, maar ze had dezelfde levendige blik in haar ogen als hij.

De hogepriester zette uiteen wat er was besproken. Toen hij klaar was, vroeg hij: 'Is er wel eens grondig onderzoek gedaan naar de exacte aard van doodsbezwering, en dan specifiek naar wat een doodsbezweerder met gestolen levensenergie zou kunnen doen?'

De oude vrouw aarzelde geen ogenblik. 'Nee, niet grondig. Er bestaan wat opiniewerken, en ik kan die uit de archieven laten halen als u wilt, Heilige Vader. De gegevens duiden erop dat doodsbezweerders meestal één van twee doelen hebben. Het eerste is macht over de doden, het vasthouden van genoeg levensenergie om een lijk tot een soort leven terug te brengen en te besturen.'

'Waarvoor?' vroeg Jim.

'Een dode dienaar heeft verschillende voordelen,' zei de archivaris. 'Aangezien hij al dood is, kan hij alleen worden tegengehouden door zijn lichaam volkomen te vernietigen. Die "ondoden" kunnen vaardige lijfwachten of huurmoordenaars zijn, en ze kunnen naar plekken worden gestuurd waar de levenden het niet lang uithouden. Ze kunnen bijvoorbeeld een paar uur onder water blijven, of in een vervloekte kamer komen die wordt beschermd met gifgas, of in een andere valstrik die schadelijk is voor de levenden. Bovendien kunnen ze net zo gemakkelijk doden met ziekten of infecties als met wapens. Het probleem dat erbij komt kijken is dat ze vergaan, net als alle doden, hoewel hun aftakeling met levensmagie vrije lange tijd kan worden tegengegaan.'

'En de andere reden voor het gebruik van levensmagie?' vroeg Puc.

Ze zuchtte alsof ze het een wansmakelijk onderwerp vond. 'Het kan ook worden toegepast om het eigen leven te verlengen, zelfs na de dood. Beoefenaars kunnen hun bewustzijn in hun sterfelijke omhulsel handhaven in plaats van de reis naar onze Vrouwe te maken om te worden gewogen.'

'Als ondode,' zei Amirantha.

'Ja,' beaamde Makela. 'Het is de ultieme daad van verzet tegen onze Vrouwe en de natuurlijke gang van zaken. Maar de prijs is hoog, want de geest van de magiegebruiker die zijn leven op die wijze verlengt, is het eerste slachtoffer van een dergelijk kwaad; volgens onze gegevens is een ondode altijd waanzinnig.'

Waanzin sluit geen sluwheid of doelgerichtheid uit,' merkte Puc op.

'Dat is waar,' gaf de hogepriester toe.

Amirantha keek de archivaris aan. 'Staat er in de annalen iets over verbanden tussen dergelijke magie en het oproepen of beheersen van demonen?'

De vrouw keek de zwarte magiër een tijdje zwijgend aan. 'Demonen zijn schepsels uit de andere rijken; ze hebben niets te maken met de natuurwetten in onze wereld. We hebben weinig ervaring met dergelijke praktijken, omdat die meer het vakgebied zijn van de ordes die Sung de Witte of Dala Schild van de Zwakken dienen. Misschien hebben zij dergelijke kennis, maar ik niet.' Ze wendde zich tot de hogepriester. 'Anders nog iets, Heilige Vader?'

'Ik denk van niet, Makela. Dank je voor je hulp.'

Ze stond op, maakte een lichte buiging voor de hogepriester en liep naar de deur, waar haar assistente stond te wachten. Toen ze daar aankwam, draaide ze zich om en zei: 'Ik bedenk net nog iets.'

Wat dan?' vroeg de hogepriester.

'Een onopvallende verwijzing, meer niet. Lang geleden is er een oorlog uitgevochten tegen een kliek van doodsbezweerders. Dat was op zich al merkwaardig, aangezien het meestal solitaire types zijn, maar vooral hun naam was opmerkelijk. Ze noemden zichzelf de Demonenbroeders.'

'En is er nog meer over bekend?' vroeg Amirantha.

'Nee, alleen hun naam.' Ze hield haar hoofd schuin en dacht na. 'Die heb ik trouwens altijd vreemd gevonden.' Ze keek hen om beurten aan. Wij namen aan dat het gewoon propaganda was, een naam die was bedoeld om de groepering te omschrijven als kwaadaardig. Maar hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik ga geloven dat er misschien toch meer achter zat, want de juiste vertaling van hun oude naam zou "Broeders van Demonen" zijn. Ik hoop dat dit helpt.' Ze knikte, haar assistente opende de deur voor haar en de twee vrouwen vertrokken.

'Hebben jullie daar iets aan?' vroeg de hogepriester.

'Ja,' zei Puc, 'misschien wel heel veel. Dank u.' Hij stond op en Amirantha volgde zijn voorbeeld.

Gregori verscheen om hen naar buiten te begeleiden en liet hen in de hoofdzaal van de tempel achter. Wat nu?' vroeg Jim.

We gaan naar Dat Wat Eens Sarth Was,' besloot Puc. 'De Ishapiërs zijn meestal inschikkelijk, hoewel ze op dit gebied niet veel hulp konden bieden, maar nu hebben we een specifiek onderwerp om onderzoek naar te doen.'

'De Broeders van Demonen,' zei Amirantha. 'Een heel vreemde naam voor een groep doodsbezweerders.' Aan Puc vroeg hij: 'Moeten we de anderen op het eiland laten weten dat we niet meteen terugkeren?'

'Dat regel ik wel als we in Sarth zijn,' zei Puc.

'Mooi,' reageerde de zwarte magiër. 'Samantha wordt heel boos op me als ik niet op tijd ben voor het eten.'

Voor het eerst in lange tijd lachte Puc bulderend.

Iedereen in de tempel draaide zich bij dat geluid om en staarde hem aan, en enkele mensen die bij de kaarsen stonden keken boos, want je hoorde niet vaak gelach in de tempelzaal.

'Dit lijkt me een goed moment om te vertrekken,' spoorde Jim hem aan.

'Kom dicht bij me staan,' zei Puc, die zijn handen uitstak. Ze gingen allebei naast hem staan, pakten Pucs onderarm vast, en plotseling waren ze ergens anders.