10


Demonenoverlevering

 


Jim kreunde.

De feestelijkheden waren veel te laat geëindigd om blij te zijn dat het al ochtend was, maar Puc, Magnus en Amirantha kwamen bij het eerste licht zijn kamer binnen, trokken de gordijnen open en schudden hem wakker.

'Water,' kraste Jim.

Amirantha pakte een aarden kan van het nachtkastje naast Jims grote bed en vulde een beker met water. Hij gaf die aan de edele, die er gretig uit dronk. Toen zag Magnus dat een bobbel in het bed naast Jim bewoog. Magnus stootte zijn vader met zijn elleboog aan en wees, en Amirantha keek ook.

'Ah,' zei Puc. 'We wachten wel even in de zitkamer tot je naar buiten komt.'

'Dank je,' antwoordde Jim, zijn stem nog hees van de uitspattingen van de vorige avond.

Eenmaal buiten gingen de drie mannen op een divan tegen de muur zitten wachten.

'Ik had een poedertje voor dit soort dingen mee moeten brengen,' merkte Puc op.

'Wat voor poedertje?' vroeg Magnus.

Op gedempte toon antwoordde Puc: 'Jaren geleden, voordat ik je moeder leerde kennen, dronk ik wel eens een beetje te veel wijn. Een genezingspriester van de Orde van Killian had een poedertje dat je met water moest vermengen en dat de effecten van zo'n avond wegnam; het werkte heel goed en was, zo bleek later, heel makkelijk te maken. Er kwam geen magie bij kijken, alleen maar het juiste mengsel van kruiden en boombast...'

De deur ging open en een zeer aantrekkelijke jonge vrouw glipte naar buiten. Haar haar en ogen waren donker, en ze droeg de kleding van een bediende, hoewel ze op het ogenblik geen schoenen aanhad. Met een flauwe glimlach knikte ze even naar de drie mannen en haastte zich door de kamer naar de deur naar de gang.

'Ik vraag me af waar ze haar laarzen heeft gelaten,' zei Amirantha. 'Of misschien weet ze dat zelf niet meer,' voegde hij er lachend aan toe.

Magnus leek niet bepaald vermaakt. 'We hebben hier de komende dag serieus werk te doen.'

Amirantha legde zijn hand op de schouder van de witharige magiër en zei: 'Je klinkt afkeurend. Als Jim de hele dag een bonzend hoofd en last van maagzuur wil hebben, dan moet hij dat zelf weten. Wij hebben vannacht goed geslapen, en als we hebben gegeten kunnen we aan het werk. Als Jim vandaag niet fit is, is dat toch geen reden tot zorg?'

Magnus schudde zijn hoofd. 'Sorry. Ik maak me te veel zorgen.'

'Heeft hij van z'n moeder,' zei Puc, en het viel Amirantha op dat Puc voor het eerst naar zijn overleden vrouw verwees zonder een toon van droefheid. Hij hoopte dat het een teken was dat de duistere stemmingen van de magiër achter hem lagen. Er hing te veel af van Pucs leiderschap in de komende strijd.

Een paar minuten later verscheen Jim, die er veel beheerster uitzag dan ze hadden verwacht. Hij glimlachte. 'Laten we maar gaan eten,' zei hij, en hij leidde hen naar de uitgang van het gastenverblijf.

Alsof ze zijn behoefte hadden voorzien, stond er een bediende te wachten om hen te begeleiden naar een kleine nis die uitkeek over een van de schijnbaar eindeloze paleistuinen. In plaats van op een divan te gaan liggen om te eten, namen ze plaats op grote kussens rondom een lage tafel. Een keur aan voedsel werd opgediend, met enkele Koninkrijkse gerechten zoals gebakken cake en hartige worstjes, en ook traditionelere, zoete Quegse delicatessen. Tot ieders vreugde stond er een grote pot dampende Keshische koffie, naast een kan heet water en een selectie van de meer exotische theesoorten van Novindus.

Jim at als een man die een week honger had geleden, en toen hij zag dat de anderen naar hem staarden, sputterde hij: Wat? Ik heb trek gekregen vannacht.'

'Het lijkt erop,' zei Magnus met een flauwe glimlach.

'Julie geleerden mogen de gulheid van de keizer van de hand wijzen als je wilt, en ik beschimp jullie niet om je redenen, maar het zou een belediging zijn geweest als ik de festiviteiten van gisteravond te vroeg had verlaten.'

'Dat hadden we in de gaten,' zei Amirantha. 'Ze was heel knap.'

'En ook heel slim,' zei Jim. 'Ik heb me onder de orgie uit weten te draaien door een heel aantrekkelijke bediende in een hoek te drukken, en mijn knappe gastvrouw ging er waarschijnlijk van uit dat het iets te maken had met Koninkrijkse preutsheid, of culturele verschillen.'

Puc glimlachte. 'Ze was een spion.'

'Natuurlijk, en als ik hier binnenkort nog eens kom, wil ik proberen haar naar onze kant over te halen.' Bijna in zichzelf voegde hij eraan toe: 'Hoewel, als ze niet wil overlopen zal ik haar moeten doden, en dat zou gewoonweg zonde zijn.' Met een blik op zijn drie metgezellen vervolgde hij: 'Ik was er al van overtuigd dat de Quegse inlichtingendienst een paar agenten zou plaatsen om een oogje op ons te houden.'

'De jonge vrouw die bij mij zat?' vroeg Puc.

'Nee,' antwoordde Jim. 'Zij is de jongste dochter van een heel lage edele. Als de keizer haar niet kan koppelen aan een lagere ambtenaar,' - hij wuifde met een hand naar Puc - 'zal ze moeten trouwen met een verre neef, en de keizer houdt die bescheiden bruidsschat liever in zijn zak.' Hij wendde zich tot Amirantha. 'Die spraakzame kerel die jouw oren gisteravond bestookte, is een van hun beste mannen. Ik betwijfel of je zelfs maar beseft hoeveel je hem hebt verteld.'

'Alleen de waarheid,' zei Amirantha. 'De vragen die hij over mijn thuisland stelde lagen voor de hand, maar het was me na een tijdje duidelijk dat ik weinig wist waar hij iets aan zou hebben. Hij vroeg naar het leger van de Maharadja, en ik zei dat het groot is. Ik had geen idee hoe groot, en dat is waar, alleen maar dat het groot is.'

Jim grijnsde en nam een slok koffie. 'Je zou een goede spion kunnen worden, Amirantha.'

'Ik ben een gokker,' zei Amirantha. 'Ik neem aan dat iedereen die zoveel vragen stelt een leugen kan bespeuren, en ik heb gemerkt dat kleine waarheden in dat soort situaties het beste werken.'

'Ah,' zei Jim. We moeten een keer samen kaarten.'

Wat doen we vandaag?' vroeg Magnus, die ruwweg het plan kende, maar geen details.

Jim kauwde op een stuk sappige meloen en slikte de hap door. 'Ik heb de hele ochtend besprekingen met ambtenaren, daarna ga ik eten met een paar lagere edelen - de keizer en iedereen met enige rang is klaar met me - en daarna kom ik naar jullie toe in de archieven. Jullie drie doen je ding, en iemand zal zorgen dat jullie 's middags te eten krijgen. Na het avondeten bespreken we het werk van vandaag.'

Ze begrepen allemaal dat hij doelde op het stelen van het grote demonenboek als ze dat vonden, maar niemand sprak het uit.

Toen ze klaar waren met eten, kwamen er dienaren aan om hen naar hun verschillende bestemmingen te begeleiden.

Puc, Magnus en Amirantha werden door een reeks lange gangen geleid, en vervolgens door diverse zuilengangen en tuinen, totdat ze een lange tunnel betraden naar een deel van het paleisterrein dat onder de funderingen door was uitgegraven.

Ze kwamen buiten in zonlicht en zagen dat ze nu aan de andere kant stonden van de glooiende heuvels waar het paleis op was gebouwd, waar ze uitkeken op een veel minder drukbevolkt deel van de stad. De ruime huizen en landgoederen waren niet ver weg, maar daarbeneden stonden minder huizen van kooplieden en armen. In plaats daarvan zagen ze een oude muur waarachter op de glooiende heuvels boven op de tafellanden hier en daar boerderijen stonden.

Ze liepen over een weg naar een gebouw met een lange, lage voorgevel en een twaalftal grote ramen. Het grootste deel ervan was in de heuvel gebouwd. 'Heren,' zei de dienaar, 'we zijn er.'

Hij draaide zich om en vertrok, en de drie magiegebruikers wisselden een blik.

'We zijn er,' herhaalde Amirantha vrolijk.

Puc glimlachte, knikte en beduidde dat ze naar binnen moesten gaan.

Eenmaal binnen zag Puc een lange gang, en links een galerij die werd verlicht door zonlicht dat binnenkwam door de hoge vensters.

Twee lange tafels deelden de ruimte in drieën, en eromheen stonden stoelen. Tegenover de vensters waren de uiteinden te zien van zes boekenkasten, waar de boeken met de rug naar voren in stonden.

Een vrouw zat te wachten; toen ze de drie mannen zag binnenkomen, stond ze op en liep glimlachend naar hen toe. 'Richard, wat leuk.'

'Livia,' zei Puc met een lichte buiging. 'Ik geloof dat je mijn metgezellen al kent?'

'Ja,' zei ze, 'maar ik heb ze maar kort ontmoet. Martin, Amirantha, fijn om jullie weer te zien.'

Amirantha's gezicht klaarde op. 'Dat vind ik ook,' antwoordde hij. 'Het spijt me dat ik gisteravond geen kans heb gehad om met je te praten. Misschien...?' Hij maakte zijn vraag niet af.

Ze keek naar Puc alsof ze zijn reactie wilde peilen en zei toen: 'Misschien. Zo, en hoe kan ik jullie helpen?'

'Martin en ik hebben opdracht van de koning van de Eilanden en de prins van Krondor om onderzoek te doen naar bepaalde discrepanties in onze geschiedenis, vooral in verslagen over de periode na de terugtrekking van Kesh uit de regio, maar nog voor de westwaartse expansie van het Koninkrijk door Yabon,' vertelde Puc.

'Ik denk dat ik wel weet waar je kunt beginnen,' zei Livia. Kijkend naar Amirantha vroeg ze: 'En jij?'

'Ik heb een andere taak gekregen van mijn meester, de Maharadja. Op dit ogenblik ben ik geïnteresseerd in alle onderwerpen van mystieke aard.'

'Mystiek?' vroeg ze, alsof ze het niet begreep.

'In onze twee landen is het geloof ongeveer gelijk, maar er zijn enkele verschillen. Onze goden hebben andere namen en ietwat afwijkende aspecten.'

'Wat vreemd,' merkte ze op. Toen ze besefte dat dat klonk als een oordeel, corrigeerde ze zichzelf snel. 'Ik bedoel dat het vreemd is dat er verschillen zijn, niet dat jullie kijk erop vreemd is.'

'Dat begreep ik wel,' zei Amirantha met een brede glimlach. 'Het helpt misschien bij mijn begripsvorming als je me niet-geloofsgerelateerde verhalen over magie of geesten, schimmen en demonen kunt laten zien, om maar iets te noemen. Soms geven de verhalen uit dorpen en steden meer inzicht in de overtuigingen van een volk dan de officiële gegevens van de overheid of de tempels.'

'Ik zal kijken wat ik kan doen,' antwoordde ze. Toen wendde ze zich tot Magnus en Puc. 'Ik zal jullie twee installeren, dan kunnen wij' - ze glimlachte naar Amirantha - 'op zoek gaan naar volksvertellingen en legenden.'

Amirantha knikte instemmend, maar om een of andere onduidelijke reden merkte hij dat hij geërgerd was.

Ze liepen de gang door, naar de achterkant van de archieven.

Amirantha kon zijn verbazing alleen met bewuste inspanning in toom houden. De term 'mijn mond viel open' schoot hem te binnen toen hij naar een berg van boeken, schriftrollen en stapels papier keek. Er stond maar één tafel in de achterste hoek van de kamer, en geen stoel.

'Het spijt me,' zei Livia, 'maar voor de dingen die jij zoekt is dit de meest waarschijnlijke plek.' Ze raakte zachtjes zijn arm aan, wat hij zowel geruststellend als afleidend vond. 'Mijn volk, zoals je ongetwijfeld zult ontdekken, heeft voornamelijk belangstelling voor drie, nee vier dingen: roem, zowel militair als commercieel, vormt twee van de vier dingen. Het derde is zelfverheerlijking, want ik geef toe dat we een ijdele samenleving zijn. Ten laatste de lichamelijke genoegens, wat je zou hebben ontdekt als je gisteravond bij het banket was gebleven.'

Amirantha probeerde achteloos te klinken. 'Ik ben wel eerder bij orgies geweest, Livia.'

'Ik ook, en net als jij ben ik ook vertrokken voordat het begon, maar wat ik bedoel is dat als het niet over rijkdom, oorlog, ijdelheid of lust gaat, het hier ligt.' Ze wees naar de enorme stapel geschriften.

'Dus wat jij zegt is dat Richard en Martin' - hij gebruikte de valse namen van Puc en Magnus - 'waarschijnlijk alleen maar officieel goedgekeurde historiën zullen vinden op de plek waar zij onderzoek doen?'

'Nee, ze zullen de enige geschiedschrijvingen vinden die niet in brand zijn gestoken. Maar misschien is daartussen iets te vinden dat hun een paar aanwijzingen kan geven over wat er in het verleden echt is gebeurd. Eventuele besprekingen van volksverhalen, mythen, bijgeloof of verslagen van ontmoetingen met de goden - niet gesanctioneerd door de tempels, uiteraard - zijn echter daartussen te vinden.' Ze wees weer naar de stapels.

Amirantha zweeg even, en toen zei hij: 'Ik heb drie verzoeken.'

'Wat kan ik doen om het je gerieflijk te maken?' vroeg ze met een duidelijke dubbele betekenis terwijl ze de knappe zwarte magiër aankeek.

Hij glimlachte op zijn charmantst. 'Zou je ten eerste kunnen regelen dat er een pot heet water en wat thee naar die tafel wordt gebracht? Ik zal oppassen dat ik niet op die oude boeken knoei, maar ik zou mezelf graag af en toe kunnen laven.'

'Natuurlijk. Wat nog meer?' vroeg ze terwijl ze zijn arm weer aanraakte.

'Zou ik een ladder kunnen krijgen?' Hij gebaarde met zijn hoofd naar de stapels paperassen. 'Het is beter voor de boeken als ik er van de bovenkant dingen af pak. Een laddertje van een voet of tien hoog zou wel genoeg moeten zijn.'

Ze lachte, en hij vond het een kostelijk geluid. 'Natuurlijk. Ik zal het meteen laten brengen.'

'En zou je me ook een bediende kunnen lenen, om boeken opzij te slepen die ik niet wil bekijken, en hem wat schrijfgerei en papier voor aantekeningen kunnen laten meenemen?'

'Uiteraard,' zei ze, hoewel hij merkte dat ze wat koeler leek.

Omdat hij begreep dat hij een moment van verstandhouding liet wegglippen, voegde hij eraan toe: 'Misschien had ik moeten zeggen: vier dingen. Wil je vanavond met me dineren? Aangenomen dat heer James er niet op staat dat we alle drie met hém dineren, natuurlijk?'

Ze weifelde even, omdat ze niet te gretig wilde lijken. 'Als je sponsor niet staat op je aanwezigheid, zou ik graag met je dineren.' Ze draaide zich om en keek speels over haar schouder. 'Ik zal de thee, de ladder en de bediende onmiddellijk naar je toe sturen.' Haar glimlach kon alleen maar worden omschreven als verleidelijk toen ze eraan toevoegde: 'En ik kom straks nog wel even kijken of je verder nog iets nodig hebt.'

'Dank je,' zei Amirantha, die haar met genoegen nakeek. Die lange Quegse toga reikte dan wel van haar schouders tot aan de vloer, maar hij omhulde haar rondingen op een heel verleidelijke manier.

Hij zette de aantrekkelijke vrouw uit zijn hoofd, draaide zich om en overpeinsde de enorme taak die voor hem lag. Zuchtend stak hij zijn hand uit en pakte willekeurig een boek van de stapel. Hij sloeg het open en zag dat het was geschreven in een taal die hij niet kende. Om zich heen kijkend om te zien of hij niet werd geobserveerd, pakte hij uit zijn riembuidel een voorwerpje dat Puc hem had gegeven voordat ze in Queg aankwamen. Hij deed wat hem was verteld, hield het voorwerpje tegen zijn voorhoofd, prevelde een korte frase en stopte het weg. Toen hij zijn ogen opende, leken de letters op de bladzijde omhoog te zweven en weer bijeen te komen in woorden die hij wel kon lezen.

'Ik had die lui honderd jaar eerder moeten leren kennen!' mompelde hij in zichzelf.

Nu hij de oude Quegse tekst kon ontcijferen, begon hij zachtjes hardop te lezen. 'Over de kwestie van de sterren en hun plaats aan de hemel per seizoen...' Hij las nog een bladzijde, legde het amateuristische astronomieboek toen weg en keek om zich heen. 'Je weet dat wat jij zoekt, onder op de stapel ligt, hè?' mompelde hij voor zich uit.

'Meneer?' klonk een stem achter hem.

'O,' zei Amirantha toen hij twee bedienden in de deuropening zag staan. Een van hen droeg een dienblad met een pot en zeef, een beker en een pot thee, de ander een korte ladder. 'Laat maar.' Hij wees naar de gedrongen man met de ladder en zei: 'Zet die daar neer, klim naar boven en pak voorzichtig het bovenste boek.' Tegen de ander zei hij: 'Zet dat maar op tafel, alsjeblieft.' Terwijl de dienaar deed wat hem was opgedragen, zei Amirantha: 'En zoek even een stoel voor bij die tafel. Dank je.' Hij richtte zijn aandacht op de man die de ladder beklom en vervolgens op de enorme taak die voor hem lag.

Terwijl de uren verstreken, dronk Amirantha twee potten thee. Behalve dat hij voor het middagmaal drie maal zijn blaas moest legen, gebeurde er die ochtend weinig belangwekkends; hij had niets opmerkelijks gevonden. Hij was op een paar dingen gestuit: een verhandeling over het hogere bewustzijn en de goden, die hij interessanter vond vanwege de blinde geloofssprongen die erin werden gedaan dan vanwege de hypotheses die erin werden uitgelegd. Maar het boek was geschreven in een nauwkeurige en elegante stijl, en hij merkte dat hij het bewonderde, ook al was het niet relevant voor zijn huidige zoektocht.

Er was een interessant verslag bij over een heel ernstige hongersnood, en meer familiekronieken dan hij voor mogelijk had gehouden; de Queganen waren inderdaad zelfverheerlijkende mensen. Zelfs kooplieden met een bescheiden succes hadden familiegeschiedenissen laten opstellen; de meeste daarvan bevatten meer fantasie dan feiten, vermoedde hij. Eén verhaal in het bijzonder was een levendige maar onwaarschijnlijke vertelling over een koopman uit de Koninkrijkse stad Krondor, die een fortuin had weten te vergaren met gebakken lucht, of dat beweerde hij althans.

Hij deed naast charmante curiosa wel een paar interessante vondsten, waaronder een boek met duistere spreuken die meer waarheid bevatten dan de auteur zelf begrepen had. Hij legde het opzij voor Puc of Magnus.

Een ander werk was een kroniek over een strijd tussen twee tempels, die hij geen van beide kende. De magie die hij gebruikte om buitenlandse talen te lezen maakte het begrijpen van de eigennamen niet gemakkelijker. Er werd gesproken over iemand die Rah-ma-to heette, en Amirantha's enige inzicht in die puzzel kwam van de context. Het was misschien een plaatselijke god, of een lokale naam voor een van de goden die hij al kende, of mogelijk was het gewoon een boer geweest. Toch had het zijdelings te maken met mystiek en magie, dus legde hij ook dat boek opzij.

Andere boeken bevatten ook merkwaardige dingen, maar niets wat leek op de informatie die hij zocht. Hij vroeg zich af of Puc en Magnus misschien meer geluk hadden.

Het middagmaal werd aangekondigd door de komst van Livia. De charmante Quegse leek geamuseerd toen ze Amirantha op zijn knieën zag zitten om boeken op te stapelen.

'Heb je al iets nuttigs gevonden?' vroeg ze.

Hij wees naar een twaalftal boeken op tafel, naast de lege theepot. 'Die zien er veelbelovend uit.' Hij overdreef, maar hij wilde aantonen dat dit een zinnige onderneming was, zodat hij hier weer terug kon komen.

'Ik kwam om je naar de archivariskwartieren te begeleiden, waar een maaltijd is opgediend.'

Hij stond op en merkte dat zijn knieën een beetje stram waren. Hij veinsde meer ongemak dan hij voelde en zei: 'Ik moet even een stukje lopen, denk ik. Te veel zittend werk, en ik begin oud te worden.'

Ze glimlachte en haakte haar arm door de zijne. Amirantha had al heel zijn leven te maken met flirtende vrouwen, en uit haar vertrouwelijke gebaar leidde hij af dat hij was gewogen en geschikt genoeg was bevonden om verdere aandacht te verdienen. Hij overwoog de vreemde aspecten van deze cultuur, dat een zo aantrekkelijke en intelligente vrouw een buitenlandse geleerde met bescheiden middelen een passende vervanger zou kunnen vinden voor een hooggeplaatst man. Maar toen bedacht hij dat een vrouw van haar leeftijd misschien haar vruchtbare jaren ten einde zag lopen, en besefte hij dat ze misschien bereid zou zijn te trouwen met de eerste de beste man die haar vroeg.

Hij zuchtte en woog zijn behoefte aan genoegen af tegen de mogelijkheid dat hij haar zou kwetsen.

'Wat is er?' vroeg ze.

'Pardon?' vroeg hij.

'Je zuchtte, en nogal diep.'

Hij glimlachte. 'O, alleen maar omdat het aantal boeken dat ik nog moet bekijken zo groot is,' loog hij. Hij zou na het middagmaal de bediende wegsturen. De stapel was nu zodanig geslonken dat hij er in zijn eentje mee uit de voeten kon, en aangezien hij nu gewend was aan de manier waarop de

Queganen hun persoonlijke geschiedenissen, zakelijke gegevens en andere nutteloze dingen optekenden, zou hij het grootste deel van de stapel nog voor het avondmaal moeten kunnen schiften.

'Misschien moet je wat langer blijven?'

Hij glimlachte, keek haar aan en zag dat zijn intuïtie wat dit aanging bijna zeker klopte; die vrouw wilde snel een man vinden en een gezin stichten. Ineens besefte hij dat hij de gedachte niet afstotelijk vond, alleen maar onmogelijk.

Hij schudde zijn hoofd. 'Voor zover ik heb begrepen, is de afspraak tussen jullie keizer en de koning van de Eilanden drie dagen geldig, en niet langer. Aangezien ik maar een assistent ben van de officiële onderzoekers...' Hij haalde zijn schouders op.

'Misschien kan ik met iemand praten?' probeerde ze.

'Ik woon hier heel ver vandaan,' zei hij neutraal, maar ze begreep wat hij bedoelde.

Ze keek hem aan met licht samengeknepen ogen en boog zich toen een heel klein stukje naar achteren. 'Heb je een vrouw?'

'Nee, niets van dien aard,' antwoordde hij. 'Mijn werk neemt me volledig in beslag.'

'Ah,' zei ze, alsof dat alles verklaarde.

Ze liepen zwijgend naar het vertrek dat was ingericht voor hun maaltijd. Daar wachtte hun een naar Quegse normen bescheiden middagmaal, maar een klein feestmaal naar die van ieder ander. Kort nadat Amirantha was binnengelaten, kwamen Puc en Magnus aan. Livia trok zich terug met hun geleide en liet de drie mannen alleen.

'Heb je al iets interessants gevonden?' vroeg Puc terwijl hij een aardewerk schotel en een tweepuntige vork pakte en kaas, vlees en fruit op zijn bord begon te stapelen.

'Niets opwindends,' antwoordde de zwarte magiër. Hij wees met een vragend gezicht naar een grote kan water, en toen naar een karaf wijn.

'Water, alsjeblieft,' zei Magnus. 'Als ik nu wijn ga drinken, slaap ik de hele middag.'

Puc knikte, en Amirantha zei: 'Drie bekers water, dus.'

Ze namen aan dat ze werden afgeluisterd, dus spraken ze over weinig belangwekkende dingen. Toen Amirantha zijn eten op had, vroeg hij: 'Zo, en hebben jullie nog iets opmerkelijks gevonden?' Ze wisten dat hij vroeg of ze misschien een aanwijzing hadden gevonden die hem kon helpen bij zijn zoektocht door de enorme berg boeken.

'Behoorlijk wat. Het is duidelijk dat de Koninkrijkse gegevens over deze streek in het beste geval leemten vertonen,' antwoordde Magnus. Dat was een code waarmee hij Amirantha vertelde dat ze niets hadden ontdekt waar hij iets aan had.

Na de maaltijd brachten bedienden hen weer terug naar hun studievertrekken, en Amirantha was enigszins teleurgesteld dat Livia haar opwachting niet maakte. Hij vervloekte zichzelf om zijn lusten en omdat hij zo open stond voor redenen om te doen wat hij wilde in plaats van wat hij zou moeten doen. Sinds hij Puc en zijn metgezellen had leren kennen, hadden vele dingen op diepgaande wijze zijn kijk op de wereld waarin hij leefde veranderd: de gevaren waar ze tegenover stonden, de toewijding en moed van degenen die dat gevaar het hoofd boden, en hun grootmoedigheid en belangeloosheid. Maar één ding bleef hem doorlopend verontrusten en zorgen baren, en hij had ooit gedacht dat het iets onbelangrijks was.

Zijn ontmoeting met Sandrina en Creegan had oude wonden heropend, wonden waarvan hij vóór die ontmoeting het bestaan niet eens zou hebben toegegeven.

Bij mensen zoals Brandos, die hem goed kenden, verontschuldigde hij zich doorgaans niet voor zijn rokkenjagende gedrag. Hij bleef even staan en probeerde zijn aandacht op de stapel nog te bekijken boeken te richten, maar zijn gedachten keerden terug naar de jonge ridder-adamant uit Krondor.

Als jongeman, zoals zoveel andere jongemannen, was hij gemakkelijk verliefd geworden, of hij had zichzelf althans wijsgemaakt dat het liefde was. Maar door het leven dat hij nu eenmaal leidde, had het nooit standgehouden. Tegen de tijd dat hij Brandos als jonge jongen scharrelend op de stadsstraten vond, had hij geleerd om zijn hart niet meer te laten spreken. Vrouwen waren schepsels voor de behaaglijkheid, die je moest gebruiken en dan moest verlaten, anders hechtte je je aan hen en moest je je voorbereiden op verlies.

Wat hij vreesde, was dat hij veel meer om Sandrina gaf dan hij had toegegeven; dat de tijd die ze samen hadden doorgebracht, in dat dorpje met die vreemde naam ten noorden van Krondor, iets diepers had gesmeed dan alleen een prettige lichamelijke intimiteit. Hij vond het verschrikkelijk hoe hij zich voelde.

Hij dwong zijn morbide overpeinzingen opzij en vervloekte zichzelf omdat hij een sentimentele oude dwaas in het lichaam van een jongeman was, en toen ging hij aan het werk.

Na ongeveer een uur begon Amirantha iets te voelen. Hij nam een boek ter hand, keek naar de titel en legde het weer weg. Toen hij het volgende pakte, voelde hij opnieuw dat vreemd vertrouwde, naamloze getintel. Hij legde dat boek opzij en pakte twee andere. Naarmate hij dieper in de stapel groef, werd het gevoel bekender en indringender.

Het was demonisch.

Hij wroette omlaag en negeerde de schade die hij misschien toebracht aan de oude boeken - veel ervan stonden op het punt van uiteenvallen - terwijl het gevoel steeds sterker werd.

Zijn hand raakte iets, en hij deinsde achteruit alsof hij een schok had gekregen.

Zo snel mogelijk werkend, maar zonder het voorwerp dat zijn aandacht had getrokken te beschadigen, wist hij het kaft ervan vrij te maken. Zodra hij het boek eenmaal goed kon zien, kreeg hij kippenvel.

Het boek zat vol met demonische magie.

Hij reikte in de stapel en pakte het; het buitenaardse gevoel van demonenmagie overspoelde hem opnieuw, maar deze keer was hij erop voorbereid. Hij tilde het grote boek van de stapel en nam het mee naar de tafel. Daar legde hij het voorzichtig neer en keek er even naar voordat hij het weer aanraakte.

Hij was er bijna zeker van dat het kaft was gemaakt van huid; menselijk, elf of anderszins, dat wist hij niet, maar dit boek was beslist gebonden in iets wat ooit levend en bewust was. Hij opende het kaft en liet zich bijstaan door de magische spreuk die Puc hem had gegeven. De taal was misschien oud en duister, maar hij las die nu even gemakkelijk als de eerste taal die hij als jongen had geleerd.

Hardop fluisterend las hij de titelpagina. 'Demonenoverlevering.'

Langzaam sloeg hij de eerste bladzijde open en begon te lezen.

Na een paar minuten werden zijn benen bibberig en verkrampte zijn maag, maar hij ging in de stoel zitten en las door, waarbij hij de neiging om gillend de kamer uit te rennen onderdrukte.

 

Zodra ze zich aan het eind van de dag verzamelden voor het avondmaal, was het de anderen duidelijk dat Amirantha hun iets te vertellen had, maar dat hij zweeg uit angst om te worden afgeluisterd. Toen ze eindelijk alleen waren, keek Puc Magnus vragend aan. De jongere magiër knikte een keer, sloot even zijn ogen en zei toen: 'We hebben een paar minuten. De magie die ze gebruiken om ons te bespioneren is zwak, maar als ik te veel tegendruk uitoefen, merkt iemand het misschien.'

'Wat heb je gevonden?' vroeg Jim aan Amirantha.

'Waar we voor zijn gekomen,' antwoordde hij. 'Het is demonenoverlevering, en meer.'

'Meer?' vroeg Puc. Wat staat er dan in?'

'Alles wat er te weten valt over demonen,' zei hij met amper verhulde opwinding. 'Ik beschouwde mezelf als een ervaren zwarte magiër, en demonen als mijn specialiteit; maar ik weet niets!' Hij ging achteroverzitten. 'Ik heb het nog niet uit, maar ik heb er genoeg in gelezen om te weten dat er iets ongelooflijks op komst is.'

Puc wierp een blik op Magnus. 'Nog een minuut, maar niet langer,' zei die.

We kunnen het er later nog over hebben,' zei Amirantha. Hij keek Jim aan. 'Als jij het boek gestolen hebt.'

Jim haalde zijn schouders op alsof dat niets voorstelde. De bibliotheek was de Keizerlijke Schatkamer niet, hij kon er binnen een paar minuten in en uit zijn met het boek in zijn ransel. Als diplomaat zouden zijn persoonlijke bezittingen niet worden doorzocht, en eenmaal op zee konden de drie magiërs er naar hartenlust in bladeren.

'Er is zoveel te overwegen,' zei Amirantha. Hij zweeg even, maar herinnerde zich toen dat ze niet veel tijd hadden. 'De demonen zijn zoveel meer dan wij dachten.' Na een korte stilte herhaalde hij: 'Veel meer.' Toen stak Magnus zijn hand op en zei hardop: 'Ik heb een verslag gevonden over de zeeslag bij Queesters Panorama, in het Vijftiende Jaar van het Bewind van Rodney de Derde.' Met een geforceerd lachje voegde hij eraan toe: 'Dat verslag wijkt behoorlijk af van dat wat we in de Koninklijke Bibliotheek in Krondor hebben gelezen.'

Ze gingen over op alledaagse academische praat, met een paar vleiende opmerkingen over de gastvrijheid van de Queganen, en vielen weer snel in hun rol van onschuldige gasten.

Jim zocht het perfecte moment uit om zijn kamer te verlaten zonder degene te wekken die bij hem was; hij wist dat de Queganen ervoor hadden gezorgd dat hij het bed deelde met een aantrekkelijke spion. Als hij niemand tegenkwam op het korte stukje van het paleis naar de bibliotheek, kon hij naar binnen sluipen, het boek pakken - dat Amirantha uitgebreid had beschreven - en binnen een halfuur of misschien wel binnen het kwartier terug zijn.

Puc en Magnus dachten hetzelfde: wat had Amirantha eigenlijk in dat boek gelezen?

En Amirantha zat zwijgend voor zich uit te kijken, onzeker of hij maar enigszins had begrepen wat hij had ontdekt, terwijl hij zich afvroeg of hij het wel zou kunnen begrijpen. Want als dit boek niet bestond uit de groteske verzinsels van een benevelde geest, dan veranderde het alles wat hij ooit had gedacht te weten over demonen en over wat zijn mensen de Vijfde Hel noemden.

 

Amirantha legde het enorme boek op tafel. Jim grapte: 'Het stelen ervan was geen punt. Het hierheen krijgen zonder om te vallen wel.'

Het boek was anderhalve voet hoog en bevatte zo'n vijftig of zestig bladzijden van dik velijnpapier. Het woog met gemak vijftig pond; geen ondraagbare last, maar onmogelijk te verstoppen. Gelukkig, had Jim gemerkt, zouden de Queganen denken dat als hij al 's nachts zou rondsluipen, hij staatsgeheimen of keizerlijke schatten zou proberen te stelen, geen vergeten boeken.

Ze hadden Queg nog geen uur geleden verlaten, en eenmaal uit de haven en onder het toezicht uit, aards of magisch, had Magnus hen naar de werkkamer van zijn vader boven in de toren op Tovenaarseiland verplaatst.

Amirantha keek gefascineerd als een kind dat op het Midwinterfestival een geschenk van Vader Winter opent. Hij wees naar het boek en zei: 'Het zou me maar een dag of twee moeten kosten om te achterhalen of wat hierin staat ook maar enigszins waar is. Als dat zo is...' Hij keek Puc aan. 'Mijn nieuwe vriend de elf Gulamendis en ik zijn allebei op de moeilijke manier aan onze vaardigheden gekomen: met vallen en opstaan. We behoren tot de weinigen die dat onderwijs hebben overleefd, Puc, want ik vermoed dat heel wat jonge heren en dames die hun eerste demon opriepen daar pijnlijke, dodelijke resultaten mee behaalden.

Hiermee' - hij priemde nadrukkelijk met zijn vinger naar het boek - 'zou ik twee keer de meester in de demonenoverlevering zijn geworden die ik nu ben, in de helft van de tijd.'

'Dat klinkt indrukwekkend,' zei Puc.

'En jij klinkt heel enthousiast,' merkte Jim op.

Magnus keek hem zijdelings aan en vroeg toen aan de zwarte magiër: 'Wie heeft het geschreven?'

'Ik zie geen naam van een auteur,' antwoordde Amirantha. 'Misschien staat het wel ergens; ik heb er maar een kwart van gelezen voordat Livia me aan het einde van de dag kwam ophalen.

Er zijn...' Hij zoog zijn adem naar binnen. 'Ik weet niet waar ik moet beginnen.' Hij zweeg weer even. 'Mijn indruk van het demonenrijk, wat wij de Vijfde Cirkel van de Hel noemen, was dat het een plek van chaos was, constant in beweging en altijd gewelddadig, waar de sterksten het bevel voerden.' Hij liet zijn stem dalen. 'Maar het is zoveel meer. Ze hebben een hiërarchie.' Hij keek op en zag dat hij de onverdeelde aandacht van beide magiërs had, en dat zelfs Jim aandachtig luisterde. 'Net als jullie dacht ik dat de demonenkoning gewoon de sterkste was, degene die zijn rang had bereikt door strijd, moord, terreur, of bondgenootschappen met demonen die zijn bescherming zochten...' Hij zuchtte.

'Wat is er?' vroeg Magnus.

'Die demonen zijn een slavenklasse,' zei Amirantha.

'Slavenklasse?'

'Net als de Keshische hondsoldaten. Getrainde moordenaars, gestoord, fel, alleen maar goed voor één ding: oorlog voeren. Zelfs de impen zijn weinig meer dan criminelen in hun samenleving.'

'Criminelen?' vroeg Jim, nu overduidelijk geïnteresseerd.

'Ze hebben een samenleving,' antwoordde Amirantha. 'Ze hebben bouwers... Waar was die zaal die je beschreef, aan de andere kant van de scheuring waar Macros stierf tijdens zijn strijd met Maarg?' vroeg hij aan Puc.

Puc knipperde met zijn ogen alsof hij daar nooit over had nagedacht. 'Ik heb hem maar heel kort gezien.'

'En toch gaf je mij een beschrijving toen je me over Macros vertelde,' zei Amirantha.

'Ik dacht dat het op een andere wereld was,' zei Puc schouderophalend.

'Een wereld die al door de demonen was veroverd?' vroeg Magnus.

'Ik zal dit een paar dagen moeten bestuderen,' zei Amirantha. Hij keek Puc aan. 'Mag ik het meenemen naar mijn kamer?'

'Natuurlijk,' antwoordde Puc.

Amirantha legde zijn handen op het boek, maar in plaats van het op te pakken, opende hij het bij de allerlaatste bladzijde. De bladzijde was omgevouwen, en toen hij hem opensloeg zagen ze dat die gekanteld in het boek was gevouwen, en er werd een stuk zwaar papier van vier bij drie voet zichtbaar.

'Wat is dat?' vroeg Jim.

Bijna grijnzend zei de zwarte magiër: 'Als ik me niet vergis, heer James Dasher Jameson, dan is dit een kaart van de hel!'