12
Bondgenoten
Sandrina ging in volle galop.
Farson en Kendra spoorden hun achterblijvende rijdieren aan om haar bij te houden terwijl ze de laatste helling naar Durbin afdaalden. Het stof op het open terrein was verblindend, want er was weer een felle, hete wind opgestoken vanuit de woestijn. Sandrina had een straf tempo aangehouden en de arme rijdieren tot de grens van hun krachten aangespoord, wetend dat de drie uitstekende strijdrossen alleen nog goed zouden zijn voor de paardenvilder als deze rit voorbij was; ze zouden nooit meer fit zijn voor de strijd.
Toch vond ze dat een noodzakelijk offer, net zoals het verlies van Jaliel nodig was geweest. Elke avond bad ze tot de Godin voor bescherming, en ze hoopte dat Jaliel het geluk had gehad om gevangen te worden genomen in plaats van gedood. Met de genade van de Godin konden hij en de andere slaven misschien worden bevrijd nadat het mysterie in de Vallei der Verlorenen verder was ontrafeld.
Durbin was veruit de gevaarlijkste stad aan de Bitterzee. Het was de titulaire zetel van de Keizerlijke Keshische regering in de Jal-Purwoestijn en de Bitterzee, en in feite een macht op zich. Af en toe werd er vanuit het keizerlijk hof in Kesh een Keizerlijk Besluit uitgevaardigd om op te roepen tot hervormingen, maar wapenkracht, goud en macht waren de enige middelen waarmee je veilig door de stad kon komen.
Drie afgejakkerde ruiters in volle galop zouden amper nieuwsgierige blikken trekken van de stadswacht, en ieder ander die de groep zag, zou hen uitsluitend zien als een potentiële prooi.
Sandrina trok de meeste aandacht, want ondanks de donkere wallen van vermoeidheid onder haar ogen, het vuil van het reizen, het zweet en haar vette haar was haar gezicht nog altijd mooi. Maar haar wapens en overjas waarschuwden iedereen dat de eventuele winst die de slavenkuilen misschien boden tegen een hoge prijs zou moeten worden verworven. Elke ridder-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken zou in een gevecht veel meer uitdelen dan incasseren.
De andere ridder en de dwerg werden ook niet de moeite waard gevonden, en dus konden de drie zonder lastig te worden gevallen de stad door komen.
Sandrina hield haar rijdier in bij een stal vlak bij de haven en ging op zoek naar de eigenaar. Een snel rondje handjeklap leverde haar genoeg goud op om een boot te kopen. Geen enkele kapitein in Durbin zou passagiers naar Tovenaarseiland brengen, ongeacht de prijs, dus ze wist dat ze op zichzelf waren aangewezen.
Na een korte tussenstop om voedsel in te slaan bij een herberg begaven ze zich naar hun vaartuig. De boot was klein, nog geen twintig voet lang, en als ze in slecht weer belandden zouden ze verdrinken. Toch schraapte Sandrina haar karige zeilvaardigheden bij elkaar, richtte een gebedje tot de Godin, en ze vertrokken.
Sandrina had één voordeel op zee: ze kon de sterren duiden, en ze twijfelde er dan ook niet aan dat ze Tovenaarseiland kon vinden.
Ze zou gedurende de eerste dag noord bij noordoost varen en hun koers aanpassen als het donker werd. Farson en Kendra hadden geen verstand van varen en kregen een korte instructie in wat ze moesten doen. Het zou krap en onbehaaglijk worden aan boord, en er zou geen privacy zijn, maar inmiddels waren ze aan elkaar gewend.
Er werd weinig gezegd. Geen van hen had de afgelopen twee nachten geslapen, ze waren allemaal uitgeput, en Sandrina had alles al gehoord wat Kendra te vertellen had omdat ze hem onderweg had ondervraagd.
De nieuwe informatie, toegevoegd aan wat ze zelf had gezien, maakte Sandrina ervan bewust hoezeer deze ontdekking haar boven de pet ging. Niets was logisch, en op dit moment voelde ze een dringende behoefte om orde te scheppen in de chaos.
Eenmaal aan boord had Sandrina tegen Farson gezegd dat hij zo veel mogelijk rust moest zien te krijgen; Kendra had geen aansporing nodig om zijn armen over elkaar te slaan, zijn kin op zijn borst te laten zakken en in slaap te vallen. Sandrina wist dat zij op een of andere manier wakker moest blijven tot het donker werd en dan Farson moest wekken. Ze zou hem twee duidelijke sterren aan de hemel aanwijzen om bij te navigeren, en pas dan zou ze zichzelf toestemming geven om te rusten. Haar grootste zorg betrof nu de piraten die deze zeeroutes onveilig maakten. Door recht op Tovenaarseiland af te zeilen, hoopte ze de kustroutes en het bijkomende risico van zeeschuimers snel achter zich te laten. Drie gewapende strijders in een stad met meer dan genoeg verdedigbare plekken was één ding. Drie gewapende strijders in een bootje, die werden belaagd door een volledige compagnie bewapende mannen op zee, was iets heel anders. Ze wist dat als er piraten in zicht kwamen, zij en haar metgezellen regelrecht naar Durbin en de slavenkuilen zouden worden afgevoerd.
Sandrina bleef uit pure wilskracht wakker, en toen eindelijk de zon onderging en de sterren opkwamen, stootte ze Farson aan. Met een hoofdknik gaf ze aan dat ze de dwerg moesten laten slapen. Zo te zien zou hij sowieso lastig wakker te krijgen zijn.
Ze gaf Farson een kort lesje over het besturen van het vaartuigje. Met een enkel zeil en zonder fok duurde het maar een paar minuten om hem voor te doen hoe hij ermee voor de wind moest varen. Ze doordrong hem ervan dat als iets hem te moeilijk werd, hij haar meteen moest wekken. Hij knikte, en ze wees naar een ster die recht voor hen stond. 'Dat is je referentiepunt, die grote, lichtblauwe ster. Als je de boeg daarop gericht houdt, ga je naar het noorden en zeilen we ten westen van waar we heen willen. En over ongeveer drie uur zie je drie kleine sterren op ongeveer diezelfde plek verschijnen. Ze vormen een driehoekje, met de punt omlaag. Stuur de punt van de boot naar die kant, tot de blauwe ster daar staat.' Ze wees naar links. 'Zodra hij voorbij het hoogste punt aan de hemel is...' Ze geeuwde onbeheerst en knipperde met haar ogen. 'Als hij gaat zakken...' Ze ging liggen, sloot haar ogen en zei: 'Stuur tussen de blauwe ster en dat drietal door totdat de blauwe ster gaat zakken, en richt dan recht op de drie. Je gaat dan zigzaggen, maar we komen er wel. Maak me wakker als het in het oosten licht begint te worden. Ik zal dan nog even snel naar de sterren willen kijken om te zien... hoe... ver...' Ze viel in slaap.
Het geluk, of de Godin, zag glimlachend op hen neer. Drie dagen lang hadden ze een goede wind en stuurde Farson hen 's nachts niet te ver uit koers. Kendra was nuttig gebleken toen hij eenmaal zijn afkeer van zeilen had overwonnen. Zijn volk was niet bepaald dol op diep water en boten, maar toen hij eenmaal de basisbeginselen van het zeilen met het vaartuigje onder de knie had, scheen hij het bijna leuk te vinden.
Hun voedsel was op en het water bijna toen de dwerg met zijn goede ogen meldde: 'Ik zie land!'
Sandrina gebaarde dat Farson het roer moest overnemen. Ze ging achter de dwerg staan, met haar hand op de mast, en tuurde vooruit. Een paar minuten later zag ze een veeg aan de horizon en zei: 'Dat zal Tovenaarseiland wel zijn.' Ze keek om en zag een storm naderen. 'Net op tijd, kennelijk. Ik denk dat we zo meteen rotweer krijgen.'
Niemand sprak toen de veeg in de verte een donkere vlek werd en uiteindelijk een eiland bleek te zijn. Tegen de tijd dat de hemel boven hen begon te betrekken, zagen ze kliffen en een kasteel aan de oostelijke rand. 'Er is een strand ten westen van dat punt,' zei Sandrina, en Farson knikte.
'Het kan lastig zijn om op een strand te landen,' waarschuwde Sandrina, 'dus bereid je maar voor op een nat pak.' Ze had de mannen hun pantsers al laten uitdoen zodra ze de haven van Durbin uit waren, dus ze was niet bang dat haar metgezellen op honderd meter van de kust zouden verdrinken, maar toen dacht ze eraan te vragen: 'Kendra, kun je zwemmen?'
'Geen meter,' antwoordde hij. 'Nooit veel behoefte aan gehad.'
'Ik zal proberen de boot niet te laten vollopen.'
'Dat zou fijn zijn, Sandrina,' zei de dwerg rustig.
Ze nam het roer van Farson over en droeg hem op: 'Als ik het zeg, ga je naar achteren.'
Ze stuurde het bootje handig bij zodat het recht naar het strand wees, en toen ze de golven onder de boeg voeldeopzwellen riep ze Farson toe: 'Haal het zeil omlaag!'
Hij deed wat ze zei, en Sandrina zag het zeildoek los naar beneden zakken net toen er een omkrullende golf achter de boot brak en hen een zet naar het strand gaf. 'Achteruit!' riep ze, en ze gingen een stukje naar achteren, waardoor de boeg omhoog kwam zodat die niet in het zand vast zou komen te zitten. 'Hou je klaar om eruit te springen en ons aan land te trekken.' Ze wachtte even. 'Springen!'
De dwerg en de ridder-adamant sprongen over de zijkant, in water dat tot aan Farsons dijen reikte, en tot borsthoogte bij Kendra, en vier sterke armen trokken de boot veilig op het zand. Sandrina slaakte een diepe zucht van opluchting. Ze had vertrouwd op de Godin om hen heelhuids hierheen te brengen, maar helemaal zonder twijfel was ze niet geweest.
'Pak jullie wapens,' droeg ze hun op terwijl ze haar spullen pakte.
Op het strand trokken ze snel hun pantsers weer aan en toen iedereen klaar was, leidde Sandrina hen over een paadje naar de rotsen erboven, waar het zich splitste en naar het hart van het eiland en naar het kasteel voerde.
Niemand hield hen tegen. Er was geen teken dat hun aankomst zelfs maar was opgemerkt, maar Sandrina wist dat Puc zich ervan bewust was, of als hij zelf niet thuis was, dan degene die hij de leiding had gegeven. Ze was doodop, maar het feit dat ze eindelijk haar bestemming had bereikt gaf haar energie.
Toen ze het plein van het oud uitziende kasteel bereikten, zag ze een bekend gezicht. Ze had de jonge magiër, Jason, op haar vorige bezoek aan het eiland ontmoet. 'Sandrina,' zei hij met een warme glimlach. 'Ik ben hier om jullie op te vangen.'
'Deze twee hebben eten, schone kleding en rust nodig,' antwoordde ze toen ze Farson en Kendra aan hem had voorgesteld. 'Ik moet meteen Puc spreken.'
Hij neigde zijn hoofd en wenkte een andere jongeman, die bij de deur naar het kasteel had gestaan. Die nam Kendra en Farson mee naar binnen terwijl Jason aan Sandrina vroeg: Weet je zeker dat jij niet eerst ook wilt rusten? Als ik het zeggen mag, je ziet eruit alsof je het wel een beetje nodig hebt.'
Ze glimlachte. 'Ik zie eruit alsof ik het een beetje veel nodig heb, bedoel je.' Ze schudde haar hoofd. 'Nee, eerst praten, daarna rusten.'
Hij draaide zich om. Wat je wilt. Kom maar mee.' Hij leidde haar naar binnen door de hoofdzaal, waar Samantha stond te roeren in een enorme ketel met stoofpot. De mollige vrouw glimlachte, haastte zich naar Sandrina toe en omhelsde haar, waarbij ze haar bijna omver kegelde.
Sandrina was zo moe dat ze amper kon lachen, maar ze omhelsde haar oude vriendin en vroeg: 'Ik neem aan dat dit betekent dat Brandos hier nog is?'
'Ja,' zei Samantha. 'En Amirantha ook.'
'Mooi,' zei Sandrina, tot Samantha's overduidelijke verbazing.
'Mooi?'
'Hij is dan misschien een rotzak, maar we hebben zijn kennis nodig. Ik moet gaan. Ik zie je straks weer.' Ze omhelsden elkaar nog een keer en Sandrina zag dat Jason stond te wachten.
Hij leidde haar door een deur en via een wenteltrap omhoog naar een toren. 'Deze kant op,' zei hij.
Sandrina opende de deur in de verwachting daar Puc en misschien Magnus en Amirantha aan te treffen, maar de kamer was leeg. 'Huh?' vroeg ze.
'Stap door die poort,' zei Jason achter haar.
Toen zag ze een lichte rimpeling in de lucht, zoals van opstijgende warmte. Ze knikte en liep erdoorheen. Plotseling was ze ergens anders. De zaal was gigantisch, mooi ingericht, en er zaten bijna vijfentwintig mensen op een halve kring van banken. Tegenover de banken stond een tafel waaraan Puc, Magnus en Amirantha zaten.
'Sandrina,' zei Puc, die opstond om haar welkom te heten. We hadden al gehoord dat je het eiland naderde.'
Ze knikte, plotseling wensend dat ze Jasons aanbod om te rusten had aangenomen, want ze was vuil, ze stonk naar paarden, zeezout en zweet, en nu stond ze te midden van wat overduidelijk een heel belangrijke bijeenkomst was. Puc gebaarde dat ze moest plaatsnemen aan het hoofd van de tafel, naast Magnus, en dat deed ze.
'Dat is alles wat we voorlopig voor jullie hebben,' zei Puc tegen de aanwezigen. 'Ga maar weer aan het werk, maar wees voorbereid. De oproep kan ieder moment komen.'
De zeker twintig mensen op de banken stonden op, en enkelen van hen verdwenen ogenblikkelijk uit het zicht. Een paar anderen verdwenen even later, terwijl de rest een voor een vertrok door een andere onzichtbare poort. Uiteindelijk bleef Sandrina alleen over met Magnus, Puc en Amirantha.
'Heb je iets te vertellen?' vroeg Puc.
Sandrina knikte. 'Creegan is naar Rillanon om tot Grootmeester van de orde te worden benoemd. Hij heeft mij de leiding gegeven over Krondor en een verslag voor me achtergelaten...' - ze keek Puc wantrouwend aan - 'dat je vast al hebt gelezen.'
'Een kopie,' zei Puc.
'Er was niemand anders die ik het onderzoek toevertrouwde, dus ben ik zelf gegaan.'
'Wat heb je aangetroffen?' vroeg Puc.
'Heel weinig antwoorden. Veel nieuwe vragen. Ik zal het je uitgebreid vertellen, maar eerst moet ik weten of ik zojuist bij een vergadering van het Conclaaf ben binnengewandeld.'
Puc knikte langzaam. 'Het einde ervan.'
'Jullie zijn met meer dan ik had verwacht.'
'We zijn met meer dan we bekend willen maken, in sommige gevallen zelfs aan onze vrienden. Maar het was noodzakelijk om hen hierheen te roepen.' Puc stond op.
'Om ze te informeren?' vroeg Sandrina, die ook opstond.
'Nee, om ze instructies te geven,' zei Puc. 'Degenen die je zag, zijn de leiders van de groepen die we overal op de wereld verborgen hebben. Maar we moeten onze krachten nu bundelen.'
'Bundelen?' vroeg Sandrina, omdat de vermoeidheid haar traag maakte en ze niet zeker wist of ze het begreep.
'We trekken ten strijde,' zei Amirantha. 'En het wordt de bloedigste, akeligste oorlog die de wereld ooit heeft gezien.'
Sandrina liet zich weer in haar stoel zakken.
'Hij zou hier in de buurt moeten zijn,' zei Gulamendis.
'Hoe weet je dat?' vroeg Laromendis.
'De auteur heeft aangetekend hoe lang de reistijd was. Ik weet hoe snel een mens te paard reist.'
'En als hij te voet was?'
Gulamendis keek zijn broer vernietigend aan. 'Hij heeft het over rijden. Ik neem aan, gezien de verlaten stallen achter in het fort, dat hij op paardrijden doelt.'
Zijn broer neigde zijn hoofd. 'Ga door.'
'Daar heb ik voor gecompenseerd, rekening houdend met hoeveel dit landschap is veranderd, en hoe lang het ons zou kosten om diezelfde afstand te lopen.' Hij maakte een weids gebaar met zijn arm. 'Hij zou hier ergens in de buurt moeten zijn.'
'Wat zoeken we precies?' vroeg zijn broer.
'Een poort.' Hij klonk veel minder overtuigd dan de vorige keer dat hij de vraag van zijn broer had beantwoord.
'Je weet toch nog wel dat die bij het fort onzichtbaar was?' vroeg Laromendis.
De demonenmeester dacht even na. 'Jij bent de meester van het ongeziene. Heb jij een middel om onzichtbare dingen te zien?'
'Als ik weet waar ik naar zoek misschien wel.'
'Een poort?'
Laromendis keek beschaamd toen hij besefte dat hij eraan had moeten denken zijn vaardigheden op die manier toe te passen. 'Het zou helpen als ik ongeveer wist waar.'
Gulamendis wuifde met zijn hand naar hun onmiddellijke omgeving. 'Als ik dat boek goed lees, zou de poort vlakbij moeten zijn. Het lijkt me dat ze hem zo ver van het fort af hebben opgericht dat hun regent en zijn hof niet in gevaar zouden komen als er iets misging. Dit landschap is al verwoest door die vulkanen, dus het verschroeien van een paar extra hectaren land zou niet bepaald een probleem zijn.'
Wat zou volgens jou de meest logische plaats zijn?'
'Ergens dicht bij de oude weg die hier ooit liep.' Hij wees naar een niet-vulkanische heuvel vlakbij. 'Dat is misschien nog het enige herkenningspunt dat is overgebleven van voor de recente uitbarstingen, en als dat de heuvel is die in dit boek wordt genoemd...' Hij keek om zich heen. 'Ik zou zelf een poort bij de weg maken, op een vlakke plek die eenvoudig vanaf een veilige afstand te bekijken is...' Hij wees. 'Daar, bijvoorbeeld.'
Laromendis knikte. Hij liep een helling op, en toen via een steiler gedeelte omlaag naar een vlak stuk grond dat met losse stenen was bezaaid. Hij sloot zijn ogen en stak beide handen schuin omlaag. Even later meldde hij: 'Nee. Niks.'
'Laten we het methodisch aanpakken,' zei Gulamendis.
Hij draaide zich om, zocht naar een andere open plek die al van verre zichtbaar was, en liet zijn broer die toen onderzoeken.
Ze vonden de poort drie uur later. Hij was niet onzichtbaar. Hij was alleen omgevallen, misschien door een aardbeving. Hij had een brede basis, die veel leek op de constructies die de taredhel gebruikten, met twee slanke, gebogen armen die omhoog wezen. Ze moesten hem heel voorzichtig weer rechtop zetten, want ze hadden geen middelen om eventuele schade die ze aanrichtten te repareren.
'Denk je dat je dat ding aan de praat kunt krijgen?' vroeg Laromendis.
'Weet ik niet,' antwoordde zijn broer openhartig. 'Ik kan het alleen maar proberen.' Hij raadpleegde het boek enkele keren en zei toen: 'Zoek naar een holte in de basis.'
Laromendis deed dat. 'Er zit hier een dekseltje.'
Hij peuterde en prutste eraan, en uiteindelijk schoof het deksel opzij. Een licht gezoem vulde de lucht. Binnen zagen ze een gloeiend geel kristal.
'Werkt hij nog?'
'Geen idee,' zei Laromendis. 'Jij bent degene die het boek heeft gelezen.'
'We hebben allebei tientallen keren zulke poorten gebruikt.'
'Ja,' zei de bezweerder, 'maar we hebben er geen van beiden ooit een ingesteld.'
'Ik wel,' zei de demonenmeester droogjes.
'Waarna we bijna verdronken.'
Gulamendis knielde neer en bestudeerde de basis, en vervolgens de twee gebogen staanders van hout die de omtrekken van de poort vormden. 'Ik voel energie, maar het is heel zwak.'
'Zie je mogelijkheden om hem te bedienen?'
'Hier, geloof ik,' antwoordde Gulamendis. 'Voel hier maar.' Hij wees naar een plek op een van de staanders.
Laromendis deed het en zei: 'Ik voel een inkeping... Wacht, het zijn er meer.'
'Draai je hand eens opzij.'
'Vingers!' zei Laromendis uitgelaten. 'Je legt je vingers hierin.'
'En eentje voor je duim, dat weet ik zeker.'
'Hoezo?' vroeg zijn broer.
'Omdat maar weinig demonen vier vingers en een duim hebben, en als ze die al hebben, dan zijn ze zo lang dat ze hier niet in passen.'
'Of ze hebben het gewoon zo gemaakt omdat ze het altijd zo deden.'
'Dat kan ook,' gaf Gulamendis toe.
Laromendis verschoof zijn vingers in de inkepingen en zei: 'Ik weet niet hoe dit moet.'
'Er staat niets in het boek over hoe dit toestel werkt. Heel veel over wat er gebeurde toen ze het gebruikten, maar niets over de bediening ervan.'
'Er staan geen tekens op, er zijn geen hendeltjes of knoppen, niets waaraan je kunt zien of je de juiste instelling hebt.' Laromendis keek verslagen.
Plotseling zei Gulamendis: 'Denk aan waar je naartoe wilt.'
'Denken?'
'Jij bent de meester-bezweerder. Roep in je geest de plek op Tovenaarseiland op waar die draak ons afzette.'
Omdat hij geen beter idee had, sloot Laromendis zijn ogen en probeerde zich die plek zo goed mogelijk voor de geest te halen. Plotseling schoot er energie omhoog door zijn arm en trok hij met een ruk zijn hand weg. 'Au!'
'Wat is er?' vroeg Gulamendis.
Schuddend met zijn hand antwoordde zijn broer: 'Niks. Alleen een soort schok. Alsof je metaal aanraakt op een heel droge dag.' Voorzichtig legde hij zijn vingers weer in de inkepingen. 'Het is niet zo erg als je het ziet aankomen.' Hij sloot zijn ogen en probeerde zich weer te concentreren op Tovenaarseiland. Na een tijdje haalde hij zijn hand weg. Tsjee, er is iets niet goed.'
'Wat dan?'
'Als ik dat wist, was ik een galasmanciër, geen bezweerder.'
Gulamendis ging zitten, opende het boek en bladerde het door. 'Dit heeft waarschijnlijk geen zin, maar ik zal kijken of ik iets over het hoofd heb gezien.'
Zijn broer ging een stukje verderop zitten en nam genoegen met wachten en uitrusten. Hoewel ze weinig fysieke inspanning hadden hoeven leveren sinds hun ontsnapping aan de demonen, hadden de spanning en het slaapgebrek hun tol geëist. Laromendis wenste dat hij op iets behaaglijkers kon zitten dan op een ruwe plaat basalt. Hij streek met zijn vingers over het fijnkorrelige, donkergrijze steen en bekeek de randen ervan. Op de uitsteeksels in het steen lag een poederig stof, dat glinsterde van de kleine stukjes kristal. Hij liet zijn blik over het landschap dwalen en zag hier en daar een glimmertje licht waar de middagzon weerkaatste op blootliggende rotspunten met kristal of vulkanisch glas erin. Hij zag een ader van obsidiaan in een rotswand niet ver van zijn ongemakkelijke zitplaats. Eeuwen eerder was er water door een spleet in de stenen gesijpeld, en op zeker moment was een deel van het gesteente afgebroken, en het breukvlak onthulde de geologische geschiedenis van deze regio. De minerale rijkdommen van deze woeste plek had de taredhel ooit hierheen gelokt. Hij vroeg zich af of de demonen hier om dezelfde redenen waren, of dat ze simpelweg hierheen waren gekomen omdat hun vijanden zich hier bevonden. Er waren zoveel dingen die Laromendis niet begreep. Hij dacht na over de komende oorlog met de demonen. Volgens hem was die al verloren voordat hij begonnen was, want de enige magiërs met kennis van de demonen waren de leden van de Kring van Licht geweest, en die organisatie was vernietigd. Alleen de weinigen die de vervolgingen hadden overleefd, of degenen die, zoals zijn broer, hun kennis in afzondering hadden vergaard, zouden hun volk te hulp hebben kunnen schieten. Niet voor het eerst voelde Laromendis een diepe, bittere wrok jegens de Raad van de Regent en hun beleid in zich opwellen.
Misschien was sagenmeester Tandarae oprecht en kon er wat vooruitgang worden geboekt, of misschien zou er alleen met geweld verandering worden bereikt. Terwijl de vermoeidheid zijn ziel overspoelde, sloot Laromendis zijn ogen even, want hij besefte dat zijn overpeinzingen pure theorie waren als zijn broer geen weg naar huis kon vinden.
Hij begon te denken aan wat ze konden doen als Gulamendis de poort niet kon activeren. Zou er nog een weg naar huis zijn in het oude fort van de taredhel, vele mijlen naar het zuiden? Zelfs als daar een nog werkende poort was, zou die hen dan niet terugbrengen naar de Doorgangswereld? En als ze in E'bar aankwamen, zouden ze dan worden gedood zodra ze door de poort stapten? Voor het eerst in jaren voelde hij zich verslagen.
'Ik heb het,' zei zijn broer zachtjes.
Laromendis ging rechtop zitten en vroeg: 'Wat?'
'Ik weet waarom de poort niet werkt.'
'Nou?'
In plaats van iets te zeggen, scharrelde Gulamendis naar de basis van het toestel toe en opende het vakje om het kristal te onthullen. Hij haalde de steen eruit, opende toen het buideltje aan zijn riem en pakte er een kristal uit dat hij had meegenomen van de dode galasmanciër op de Doorgangswereld. Hij plaatste het in het vakje en sloot het dekseltje. Kijkend naar Laromendis zei hij: 'Probeer het nog eens.'
Laromendis kwam overeind, legde zijn vingers in de holten en werd meteen overspoeld door beelden. Hij sloot zijn ogen en zei zachtjes: 'Ik zie dingen.'
'Die schok die je kreeg,' zei Gulamendis, 'was bedoeld om de gebruiker van het toestel te laten weten dat het kristal niet voldoende energie meer had om de poort te laten werken.'
Laromendis haalde zijn hand weg en lachte. 'Natuurlijk. Er zijn geen symbolen, geen tekens, niets...' Hij haalde diep adem, sloot zijn ogen weer en zag tuimelende landschappen. 'Ik heb een gevoel alsof ik over werelden vlieg,' zei hij. 'Woestijnen, bergen, oceanen...'
'Probeer te sturen. Zoals een schip op zee.'
'Ik zal het proberen.' Laromendis begon ermee zich voor te stellen dat hij tot stilstand kwam, en plotseling stond het beeld om hem heen stil, alsof hij een stukje boven de grond zweefde. Hij zag een weiland, met bomen die er bijna bekend uitzagen maar toch zo afwijkend waren dat hij wist dat hij deze wereld niet kende. Hij stuurde zijn geest naar de vallei nabij de uitgebrande resten van Villa Beata op Tovenaarseiland, waar hij was herenigd met zijn broer.
Hij bespeurde wat weerstand, alsof het toestel niet naar een plek wilde gaan die het niet kende, of naar een plek zo ver weg, maar toen voelde hij een ruk en suisde hij ineens tussen de sterren door. Hij had een bijna overweldigende aanval van hoogtevrees en zijn maag verkrampte, maar hij hield het toestel vast en zijn ogen dicht. Er kwam met grote snelheid een wereld op hem af, en toen leek het ineens alsof hij ernaartoe viel; hij zag een uitgestrekte oceaan, twee grote landmassa's en een zee, met eilanden in het midden! Toen ging hij recht op een klein eiland af, ten noordwesten van de kust, en remde hij met zijn wilskracht af.
Bang om zijn ogen te openen zei hij zacht: 'Ik geloof dat ik het heb gevonden.'
Zijn broer sprak op gedempte toon: 'Open de poort, Laro.'
Hij richtte zijn wilskracht op het openen van de poort, stelde zich een weg tussen de werelden door, en voelde een schok door zijn arm gaan; geen scherpe waarschuwing, maar een fysieke trilling, terwijl de lucht een luid zoevend geluid maakte en knetterde van de energie. Hij opende zijn ogen.
'Het is je gelukt,' zei Gulamendis zacht.
'Ongelooflijk,' zei Laromendis. 'Dit poorttoestel is beter dan die van ons. Veel beter. Zelfs nog beter dan die van de mensen, voor zover ik die heb gezien.'
'De bouwers ervan waren mensen,' bracht zijn broer hem in herinnering.
'Ik bedoel de mensen van Thuis.'
'Thuis,' zei Gulamendis. Met een opgeluchte blik zei hij: 'Laten we naar huis gaan.'
Hij stapte erdoor, en Laromendis volgde.
Ze liepen een andere wereld in, en even was de verandering in luchtdruk een schok. Ze waren van de bergen rechtstreeks naar zeeniveau gegaan, en hun gevoelige elfenoren protesteerden. De geuren waren ook anders en gingen in een oogwenk over van de zure stank van door vulkanen verschroeid land naar de zilte lucht van dit groene eiland.
En dan was er nog de kwestie van een twaalftal vastberaden kijkende magiërs in een halve kring voor hen, met Puc in het midden.
Gulamendis stak verzoenend zijn handen op. 'Wij zijn het, Puc.'
Puc gebaarde naar de magiërs dat ze achteruit konden stappen. Hij wendde zich tot de twee elfenbroers. 'Hoe hebben jullie dat gedaan?'
'We vonden een poort, eh... een scheuringstoestel op een andere wereld en wisten dat als we in E'bar zouden opduiken, we...'
'Leg dat later maar uit,' zei Puc. 'Ik wil weten hoe jullie de scheuring open hebben gekregen.'
Gulamendis keek zijn broer aan om te beduiden dat hij moest antwoorden. 'Ik droeg hem gewoon op ons hierheen te brengen.'
'En dat gebeurde?' vroeg Puc stomverbaasd.
'Ja, is dat zo vreemd?'
'Heel vreemd,' zei Puc met een bezorgde blik. 'Ik heb na de laatste aanval afweerbezweringen rond dit eiland aangebracht, en daarom wist ik dat jullie eraan kwamen. We werden maar een tel of twee voordat de scheuring door onze verdediging heen brak gewaarschuwd. We zijn op zoek gegaan naar de bron ervan, daarom stonden we hier al toen jullie arriveerden.'
'Verdediging?' vroeg Laromendis.
'Zonder magie van onvoorstelbare kracht hadden jullie niet in staat moeten zijn door mijn barrières heen te komen.'
De twee elfen wisselden een blik, en Laromendis zei: 'Ik wist dat de poort, ik bedoel het scheuringstoestel, beter was dan die van ons, maar ik wist niet dat hij zóveel beter was.'
Puc stak zijn hand uit alsof hij naar de scheuring waar ze doorheen waren gekomen reikte, maar toen liet hij met een bezorgde blik zijn arm zakken. 'Niks. Hij is meteen gesloten nadat jullie erdoor waren gestapt. Waar zijn jullie vandaan gekomen?'
Gulamendis gaf een korte samenvatting van hun reizen. 'Als we met de demonen kunnen afrekenen en veilig terug kunnen naar de Doorgangswereld, kan ik je naar Can-ducar op de wereld Telesan brengen, en van daaruit kan ik die poort weer vinden.'
'Dat zal moeten wachten, maar ik wil je aanbod zeker aannemen. Dat ontwerp verklaart waarom er in de loop der jaren veel dingen zijn gebeurd die niet mogelijk hadden moeten zijn, vooral aanvallen op dit eiland die mijn verdediging doorbreken.'
'Kunnen we ergens gaan zitten?' vroeg Gulamendis. 'We zijn allebei nogal moe.'
'Ja,' zei Puc met een geforceerde glimlach. 'Vergeef me.' Hij gebaarde naar de andere magiërs. We zien jullie weer in het kasteel.' Hij legde zijn handen op de schouders van de twee elfen, en plotseling waren ze in Pucs werkkamer in de toren.
'Dit is een verbazingwekkende illusie, Puc,' zei Laromendis. 'Ik ben onder de indruk.'
Puc glimlachte. 'Je bent goed in je vak. Dit is inderdaad een illusie. Ik heb twee kamers, op twee verschillende plekken, en iedereen die de deur door gaat zonder de juiste procedure te kennen, komt hier terecht. Mijn werkkamer, de echte, bevindt zich op een andere plek.'
Laromendis keek uit het raam. 'En het uitzicht?'
'Ook een zinsbegoocheling, een kopie van wat je zou zien als je uit het raam van de toren kijkt.'
'Nogmaals: indrukwekkend.' Laromendis keek om zich heen. Waar is die andere kamer, waar je terechtkomt als je wel weet wat je doet?'
'Dat is voor een andere keer. Ga toch zitten.'
De twee uitgeputte elfen deden dat, en Puc zei: 'Ik kan wel zien dat jullie de laatste tijd veel hebben doorstaan. Jullie zullen wel uitzien naar een warm bad, een maaltijd en een goede nachtrust voordat we dit alles bespreken, dus ik zal het kort houden. Morgen kunnen we elkaar het hemd van het lijf vragen.'
'Dat zou fijn zijn, Puc,' zei Gulamendis. 'Maar ik moet twee dingen melden. Ten eerste denk ik dat we iets hebben gevonden wat ongekend is. Op de verlaten wereld Telesan hebben we een oud mensenfort ontdekt, maar de demonen hebben het bezet en houden er gevangenen vast.'
Puc bleef roerloos staan, toen knikte hij eenmaal. 'Ik begrijp het.'
'Dat weet ik nog zo net niet,' zei de demonenmeester. 'Demonen nemen geen gevangenen. Ze eten alles op wat ze tegenkomen en trekken dan verder. Maar het lijkt wel alsof ze zijn veranderd.'
'Is dat niet dezelfde conclusie die jij en Amirantha trokken toen jullie tamme demonen jullie verraadden aan Dahun en Belasco?'
Gulamendis antwoordde: 'Dat was... Ja, dat klopt, maar toen snapten we niet in hoeverre hun gedrag was veranderd. Dit is het bewijs dat hun aard is gewijzigd. Ze worden meer zoals wij.'
Puc knikte weer. Met zijn donkere ogen keek hij de beide elfen een tijdje onderzoekend aan. 'Je zei dat er twee dingen waren?'
'Ze schijnen onderling oorlog te voeren.' Hij beschreef de aanval van het ene leger van demonen op het andere, en de illusie van de demon die op Maarg leek en de verbazingwekkende organisatie bij de demonen.
Toen Gulamendis klaar was met zijn relaas, zei zijn broer: 'Net voordat we Andcardia verlieten, zagen we dat sommige demonen op het slagveld bevelen leken te geven aan de andere demonen, hen organiseerden en leidden. Ik stond er destijds niet te veel bij stil, want het was niet mijn taak om erover na te denken, en ik was druk bezig met het redden van mijn eigen hachje... Maar wat we op Telesan zagen, ging nog veel verder. De demonen daar waren georganiseerd in eenheden, die zich gedroegen zoals mensen of elfen zouden doen, met officiers, schildwachten en zelfs iets wat op een commandotent leek. De aanvallers kwamen in gediciplineerde rijen de heuvel af, gecoördineerd door een opzichter, die wij niet konden zien. De demonen waarvan wij dachten dat die het bevel voerden bleken illusies te zijn.' Hij ging achteroverzitten, overduidelijk op het randje van de uitputting.
Puc zweeg lange tijd, en toen zei hij: We hebben veel te bespreken. Maar dat kan wachten tot jullie je hebben hersteld van je beproeving.'
Gulamendis gaf het boek dat hij bij zich had aan Puc. 'Dit vind je misschien interessant. Ik in ieder geval wel, en ik begrijp nog niet de helft van de dingen die hij heeft geschreven.'
'Wie?'
'De auteur. Makras, of zo.' Hij zuchtte. 'Ik weet het eigenlijk niet. Hij had een torenkamer met heel veel boeken en schriftrollen, en hij hield aantekeningen en dagboeken bij. Dit boek lag op zijn werktafel. Maar goed dat ik het heb meegenomen, anders had ik misschien niet eens de informatie gevonden die ons in staat stelde door de poort hierheen te komen.'
'Dat is een gelukkig toeval,' merkte Puc op. 'Alsjeblieft, ga naar de zaal beneden om iets te eten. Brandos' vrouw Samantha heeft de leiding over de keuken. Ze heeft vast wel iets te eten voor jullie. En daarna brengt Jason jullie naar een slaapplaats. Ik zal water laten opwarmen voor een bad.' Hij stond op en voegde eraan toe: 'Ik weet niet of we kleding hebben die jullie zal passen...'
'We redden ons wel,' zei Laromendis. 'We kunnen dit nog wel een tijdje dragen als het moet.'
'Misschien een paar schone mantels terwijl jullie spullen worden gewassen?' opperde Puc. 'Hoe dan ook, ga eten en rusten, want morgen hebben we veel te bespreken.'
De twee elfen verlieten zijn werkkamer en Puc keek naar het boek dat de demonenmeester hem had aangereikt. Hij hoefde het niet eens te openen om te weten wie de auteur van dit werk was. Hij herkende het symbool op de rug. Maar om zichzelf tevreden te stellen, opende hij het en bekeek het teken op de eerste bladzijde. 'Macros,' zei hij zacht.
Puc slaakte een diepe zucht. Had Macros op die wereld gewoond en advies gegeven aan een buitenaardse regent, of was dit weer een valse aanwijzing die voor hem was achtergelaten door de Bedrieger?
'Kalkin!' brulde Puc. 'Is dit jouw werk?'
Stilte was zijn enige antwoord.