2


Voorgevoelens

 


De bliksem flitste langs de hemel. Amirantha telde in gedachten af tot hij in de verte de donderklap hoorde. De zwarte magiër van de Satumbria keek zijn oude vriend Brandos aan. 'De storm trekt weg.'

De strijder knikte en bleef zwijgend en geconcentreerd zijn pantser poetsen. Hij zat op een krukje bij het reusachtige vuur dat in de haard van het fort brandde, in een kamertje bijna boven in de enige bewoonde toren.

Amirantha was geamuseerd geweest toen hij voor het eerst in het legendarische kasteel van de Zwarte Tovenaar aankwam. Inmiddels vond hij het er alleen nog maar oud en tochtig, bedrukkend door de vertrouwdheid van het gebouw, een plek die in de greep van het verdriet verkeerde. Nu hij al een jaar bij deze mensen woonde, begreep de demonenmeester hun verdriet en woede. Wat er ook voor de normale gang van zaken was doorgegaan voordat de woeste aanval op Villa Beata was uitgemond in de dood van Miranda, haar zoon Caleb, diens vrouw Marie en zeker twintig studenten, die normale toestand was nooit meer teruggekeerd.

Een van de vrolijkere momenten van het afgelopen jaar was een maand geleden geweest, toen Brandos was teruggekomen. Hij was naar huis gereisd, in de buurt van de stad Maharta in Novindus, om zijn vrouw Samantha op te halen. Maar zelfs die altijd opgewekte vrouw had slechts bij vlagen de constante somberheid van deze plek kunnen wegnemen.

Puc en zijn nog levende zoon Magnus kwamen en gingen, en nu en dan voerden ze interessante gesprekken. Amirantha moest toegeven dat hij in het afgelopen jaar meer over demonen en het demonenrijk had geleerd dan in vijftig jaar van solitaire studie. Vaak bezaten ze gelijksoortige informatie, maar de magiërs hadden het belang ervan verkeerd ingeschat en Amirantha had Puc vaak geholpen misvattingen te weerleggen.

Maar die momenten werden steeds zeldzamer naarmate Puc en Magnus langere perioden achtereen wegbleven om dringende zaken van het Conclaaf af te handelen. Amirantha en Brandos waren niet formeel uitgenodigd om zich bij hun organisatie aan te sluiten, maar er was een stilzwijgende overeenkomst dat ze er toch deel van uitmaakten, of ze nu wilden of niet. Amirantha twijfelde er niet aan dat de magiërs middelen hadden om te zorgen dat hij het eiland niet verliet met de belangrijke kennis die hij bezat, dus zag hij zijn keuzevrijheid in deze zaak als een theoretische kwestie.

Hij stond op en rekte zich uit, en maakte toen een kleine hoofdbeweging om aan te geven dat Brandos uit het raampje moest kijken. De oude strijder legde het leren wambuis dat hij aan het schoonmaken was opzij en liep naar zijn vriend toe. Hij zag er nu tien jaar ouder uit dan de magiegebruiker, hoewel hij eigenlijk de jongste van de twee was. Wat is er?' vroeg hij zacht.

'Het is bijna droog,' antwoordde de zwarte magiër terwijl hij naar het sombere late middaglicht keek.

'Verveel je je?'

'Doorlopend,' zei de zwarte magiër. Toen ik hierheen kwam, zag ik er enorm naar uit. Ik dacht dat ik voor het eerst van mijn leven collega's zou hebben met wie ik mijn kennis kon delen en van wie ik kon leren, en dat ik misschien verwante zielen zou vinden. Dat was aanvankelijk ook zo, maar de laatste tijd... Nou, wie heb ik nu nog?'

'Kinderen.'

Amirantha glimlachte. De magiërs die nog bij Puc en zijn zoon Magnus verbleven waren niet bepaald kinderen, maar met die omschrijving herinnerde Brandos hem aan zijn neiging om, vanwege zijn lange levensduur en het perspectief dat hem dat bood, bijna niemand serieus te nemen. Puc was echter nog ouder dan hij, en dat gold ook voor enkele anderen die dit eiland aandeden. Miranda, Pucs verscheiden vrouw, had daartoe behoord, en haar plotselinge dood was een grimmige herinnering voor Amirantha geweest dat zijn lange leven en uitgebreide ervaring geen verdediging vormden tegen de sterfelijkheid.

'Amper,' zei Amirantha. 'Maar de meesten zijn nog in de beginfase van hun opleiding, training en kracht. Er is er niet één bij die zijn vak al meer dan twintig jaar beoefent.'

Brandos keerde terug naar zijn kruk en pakte het leer dat hij aan het reinigen was weer op. Hij smeerde een gulle klodder leerzeep op zijn wapenriem. 'Je gaat je afvragen waar alle volwassenen naartoe zijn gegaan, nietwaar?'

Amirantha bleef uit het venster staren. 'Inderdaad.' Hij strekte zijn nek. 'Ik wil naar buiten.'

Brandos zuchtte. 'Ach, ik kan ook wel een wandelingetje gebruiken om de benen te strekken.' Hij keek zijn vriend aan. 'Samantha zegt dat ik de laatste tijd zo prikkelbaar ben als een beer die uit zijn winterslaap is gewekt, dus misschien doet het ons allebei goed.'

'Het heeft vier dagen aan één stuk geregend.'

'Dit is een eiland in het midden van een oceaan, Amirantha. En de herfst loopt op z'n eind. Dan regent het nu eenmaal veel.'

Amirantha opende mompelend de deur. 'Het is geen oceaan. Het is een zee.'

Brandos schudde zijn hoofd, maar hij zei niets.

Terwijl Amirantha de trap naar de gemeenschappelijke ruimte afdaalde, slaakte hij een diepe, zachte zucht. Hij wist dat zijn pleegzoon begreep dat zijn neiging om in discussie te gaan alleen maar voortkwam uit frustratie. Na de verwoesting van de villa was er veel activiteit geweest. De doden waren gecremeerd, de gewonden verzorgd, en toen waren de lange besprekingen tussen Puc en zijn meest vertrouwde adviseurs afgerond. Die gesprekken hadden de zwarte magiër tot leven gebracht op een manier die hij zelden had ervaren; ze hadden hem gelukkig gemaakt.

Onderweg naar beneden besefte Amirantha dat een deel van zijn huidige irritatie voortkwam uit het contrast tussen de aanvankelijke periode van reorganisatie op het eiland en wat hij nu gedwongen was te ondergaan. Het was twee maanden geleden van de ene op de andere dag veranderd. Puc en Magnus waren gewoonweg verdwenen, samen met meer dan dertig van hun machtigste collega's. Wat een nogal druk fort was geweest, werd nu nog maar door minder dan twaalf mensen bewoond. De maand dat Brandos naar het zuiden was gereisd om Samantha op te halen was de eenzaamste tijd van Amirantha's leven geweest, en hij was geërgerd toen hij ontdekte hoe alleen hij zich kon voelen. Hij had sterke overtuigingen over zaken omtrent zijn eigen gedrag en uiterlijk, en de mate waarin hij zijn pleegzoon had gemist had hem niet lekker gezeten. Hij had zichzelf meer dan eens vervloekt om dergelijke gevoelens. Het was niet verstandig om een te hechte band met iemand anders op te bouwen, vooral niet aangezien Amirantha was voorbestemd om de meeste mensen te overleven; als hij tenminste de komende strijd zou doorstaan.

Toen ze op de benedenverdieping van de toren waren aangekomen, gingen ze de gemeenschappelijke zaal binnen en zagen daar een onverwachte persoon.

'Jim Dasher!' riep Amirantha begroetend.

Jim draaide zich om en stond op van zijn kruk bij het warme vuur. 'Je bent er nog, Amirantha.' Ze drukten elkaar de hand. Hij groette ook Brandos.

'Ik ben hier nog op verzoek van Puc. Hij kan erg overredend zijn,' legde Amirantha uit.

'Aha,' zei Jim knikkend. 'Hij wilde je niet laten vertrekken.'

Brandos snoof, en Amirantha antwoordde: 'Hij drong inderdaad aan, maar eigenlijk vind ik veel dingen hier interessant.'

Jim keek nadrukkelijk om zich heen in de lege zaal. 'Echt?'

Amirantha glimlachte. 'Nou, de laatste tijd wat minder, maar de eerste negen maanden waren fascinerend.' Hij wenkte Jim mee naar de grote deuren. 'Mijn vertrekken zijn aardig, maar niet bepaald gerieflijk, dus aangezien het bijna droog is wilde ik even een luchtje gaan scheppen.'

Jim knikte, trok zijn laarzen aan en liep met hen mee. 'Ik ben net teruggekomen van...' begon hij, maar hij maakte zijn zin niet af. 'Ik heb de opdracht om over deze kwestie rechtstreeks verslag uit te brengen aan Puc.' Hij keek Amirantha doordringend aan. 'Maar eigenlijk gaat veel van wat ik heb gezien ook jou aan.'

'O ja?' vroeg de zwarte magiër. Verder zei hij niets, omdat hij wist dat de mysterieuze edele die spion was geworden wel verder zou uitweiden wanneer hij daar klaar voor was.

Toen ze de buitendeur bereikten, bleven ze even staan. Af en toe viel er nog een druppel regen en er stond een frisse wind. Ze liepen door en lieten de betrekkelijke warmte van de hal achter zich om de vochtige grond van het verzamelterrein te betreden. Het regende amper nog en het werd kouder buiten; het voelde al droger.

'Je wilde iets zeggen?'

Jim leek geërgerd. 'Ik weet nooit zeker wie hier nu eigenlijk wat weet.'

Amirantha lachte. 'Nou, dit kan ik je wel vertellen, vriend: iedereen hier heeft enige macht en vaardigheid, hoewel je dat soms niet zou zeggen. Puc heeft ervoor gezorgd dat alle studenten veilig zijn weggebracht op de dag na...' Zijn stem stierf weg.

'De aanval,' voltooide Jim.

'Ik wilde eigenlijk zeggen: de dood van zijn vrouw en zoon.' Amirantha zuchtte. 'Ik heb nooit kinderen gehad en kan alleen maar proberen me voor te stellen wat hij doormaakt. Ik weet niet hoe hij vóór die tijd was, aangezien ik hem toen eigenlijk pas een paar uur kende, maar...' Hij haalde zijn schouders op.

'Je hebt het gevoel dat hij is veranderd,' concludeerde Jim. Hij keek naar het westen, waar ergens achter de wolken de zon naar de horizon zakte. 'Hij wist dat ik bezig was met belangrijke dingen, en toch heeft hij geen duidelijke instructies achtergelaten om contact met hem op te nemen. Dat is niets voor Puc. Het lijkt wel alsof hij...' Jim haalde zijn schouders nog eens op.

'Afgeleid is?' opperde Amirantha.

'Sterker nog,' zei Jim, 'hij is afstandelijk op een manier die me verontrust.'

'Dat begrijp ik niet.'

Jim glimlachte flauwtjes. 'Dat verwacht ik ook niet van je.

Ik ken hem ook niet goed, ondanks onze verre verwantschap.'

'Verwantschap?'

'Mijn overgrootmoeder was zijn pleegdochter.'

Amirantha trok verbaasd zijn wenkbrauwen op. 'Misschien is het alleen een verre bloedverwantschap, maar verder?'

We zijn niet hecht. Het is een lang verhaal, een familiekwestie, en het doet er nu eigenlijk niet toe.'

'Misschien niet, maar we hebben meer dan genoeg tijd. Vertel eens.'

Jim staarde voor zich uit in het afnemende middaglicht. 'Hoewel Puc en ik niet hecht zijn, weet ik wel veel over hem. Hij speelt een grote rol in de politiek van het Koninkrijk, al sinds lang voordat ik werd geboren.'

'Dat is wel duidelijk,' beaamde Amirantha, 'gezien de rang en status van de mensen die hier op bezoek zijn geweest sinds ik voor het eerst over het bestaan van het Conclaaf hoorde.'

Voor mijn andere plichten aan de Kroon heb ik me in de geschiedenis moeten verdiepen, veel ervan opgetekend door mijn eigen voorouders. Ik weet dat Puc een man is met sterke overtuigingen, iemand met oog voor detail. Hij is er het type niet naar om belangrijke zaken uit het oog te verliezen. Maar de laatste tijd...'Jim haalde diep adem.

'Ik neem aan dat je dit bedoelt,' zei Amirantha met een gebaar naar het koude, bijna verlaten kasteel.

'Ja. Ik had verwacht dat de man die ik kende, die ik heb bestudeerd, meteen zou zijn begonnen met de wederopbouw van de villa, vastbesloten zijn vijanden te laten weten dat ze niet zouden winnen.'

Amirantha knikte en tuitte nadenkend zijn lippen. Hij zweeg een tijdje, en toen vroeg hij: 'Hoe lang denk je dat zijn vijanden hem hebben bestudeerd?'

Jim neigde zijn hoofd een beetje, als om aan te geven dat Amirantha een goed punt had.

'Denk je niet, gezien wat hier is gebeurd, dat Puc beseft dat hij goed in de gaten wordt gehouden? Naar verluidt wordt hij al jaren in de een of andere vorm door zijn vijanden bestookt.'

'Als je ervan uitgaat dat er een enkel brein zit achter de reeks aanvallen op deze wereld, ja. Maar dat is slechts een aanname.'

'Een betere,' merkte de zwarte magiër op, 'dan denken dat dit land is bestookt door een reeks van toevallige bezoekingen. Ik ben misschien niet zo'n meester in de magie als Puc, maar ik weet genoeg over de andere rijken om te vermoeden dat dit geen toevallige gebeurtenissen waren.' Hij zweeg even, en Brandos herkende zijn gezichtsuitdrukking. Amirantha was gefrustreerd. 'In het afgelopen jaar heb ik vaak verwijzingen gehoord naar de Panthatische Slangenpriesters, de Oorlog van de Grote Scheuring, de Grote Opstand en meer van dergelijke zaken. Genoeg om te geloven dat er één persoon achter dit alles zit, één intelligentie die het op deze wereld voorzien heeft, misschien wel op dit land, of wellicht zelfs op dit eiland, om redenen die alleen die persoon kent. Ongeacht die redenen zullen de gevolgen voor deze hele wereld ongetwijfeld groot zijn.'

'Dat denk ik ook,' zei Jim, 'maar vertel eens waarom jij dat denkt.'

'De Panthatiërs houden zich op in de bergen ten westen van mijn woonplaats, maar er doen verhalen over hen de ronde. Het is een vreemd ras, en hoewel talloze keren werd aangenomen dat ze niet meer bestonden, houden ze nog altijd stand.

Ze dienen een oude haat, een vrouwelijke afgod die ze "de moeder van ons allen" noemen. Zonder verblikken of verblozen doden ze iedereen die weigert haar te dienen.

De Smaragden Koningin, die met haar leger een aanval op mijn vaderland deed voordat ze de halve wereld doorkruiste op weg naar het Koninkrijk, was een vermomde demon.' Plotseling raakte Amirantha bezield. 'Heb je enig idee hoe opmerkelijk dat is?'

Jim schudde zijn hoofd.

'Ik verveel je een andere keer wel met een langdurige uiteenzetting...'

'En dat van die verveling klopt echt,' mengde Brandos zich erin.

'... maar demonische bezetenheid op een zodanig niveau, van een sterke magiegebruiker... Voor mij en mijn vakgenoten is dat iets ongehoords.'

'Ik zie nog steeds het verband niet,' zei Jim.

Amirantha scheen te zoeken naar woorden. 'Ik kan het niet uitleggen. Het lijkt alsof ik op het punt sta iets belangrijks te begrijpen, maar ik ben er nog niet helemaal. Het is meer dan alleen maar een gevoel, Jim.' Hij richtte zich tot zijn oude kameraad. 'Vind je mij iemand die overhaast conclusies trekt, Brandos?'

Brandos haalde zijn schouders op, maar toen besefte hij dat dit geen moment was om grappen te maken; het was een serieuze vraag geweest. 'Nee, je bent af en toe wat te overtuigd van je eigen genialiteit, maar je bent niet overhaast.' Hij zweeg even en voegde er toen tegen Jim aan toe: 'Hij heeft een paar keer misrekeningen gemaakt die ons bijna het leven hebben gekost, maar dat waren vergissingen, geen onstuimigheid. Als hij zegt dat hij op het punt staat iets heel belangrijks in te zien, dan zou ik hem maar geloven.'

'Nou,' zei Jim, 'kan ik dan misschien ergens bij helpen?'

'Alleen als je me meer informatie kunt geven dan ik de laatste tijd heb gekregen.'

Jim zweeg lange tijd en staarde naar de invallende schemering.

Brandos schraapte zijn keel. 'Ik ga maar eens naar binnen. Ik zal Samantha vragen iets te eten voor jullie te maken. Jullie zullen wel honger hebben.'

Jim glimlachte. 'Dank je, Brandos. Dat zou heerlijk zijn.' Toen de oude strijder was vertrokken, zei hij: 'Hij had diplomaat moeten worden.'

Amirantha lachte. 'Dat lijkt me wat ver gaan, maar hij kan wel discreet zijn.'

Jim zweeg nog even. 'Goed dan. Ik vermoed dat Puc toch zal vragen of jij mijn verslag ook wilt aanhoren, aangezien jij de demonenexpert bent.'

Amirantha knikte. 'Die elf, Gulamendis, is het enige schepsel dat ik ken met evenveel of misschien nog wel meer kennis dan ik.'

Jim keek onbehaaglijk. 'Ik voel me niet op mijn gemak bij die Sterrenelfen. Maar zij zullen moeten wachten tot een andere keer.' Jim vertelde de zwarte magiër wat hij in de verre Jal-Purwoestijn had gezien, en toen hij klaar was vroeg hij: Wat denk je ervan?'

'Ik denk dat we moeten proberen Puc zo snel mogelijk terug te halen,' concludeerde Amirantha.

'Hoezo?'

Amirantha draaide zich om naar het fort. 'Kom mee.'

Hij controleerde niet of Jim hem volgde toen hij zich naar binnen haastte. In de gemeenschappelijke zaal keek hij om zich heen en wendde zich vervolgens tot de vier jongere magiërs die daar verzameld waren. Waar is Jason?'

Een van hen wees naar de deur van een kamertje dat Puc af en toe als werkkamer gebruikte. Amirantha liep naar de deur, klopte aan en deed open. Jason zat achter het schrijftafeltje in de voormalige opslagruimte en tuurde bij het karige licht van een kaars naar een vel papier. Het venstertje boven in de muur liet zelfs op de helderste dagen weinig licht binnen.

'Ja?' vroeg hij, kennelijk onverstoord door de onverwachte bezoekers.

'Puc,' zei Amirantha. 'Je moet hem onmiddellijk roepen.'

Jason ging achteroverzitten. 'En hoe moet ik dat doen, terwijl ik geen idee heb waar hij zit?'

Amirantha wierp Jim een zijdelingse blik toe. 'Ik zie Puc voor veel dingen aan, maar hij is niet dom. Zelfs als je niet weet waar hij is, dan nog ben ik er vrij zeker van dat hij je een mogelijkheid heeft gelaten om contact met hem op te nemen voor het geval dat nodig mocht zijn; en het is nu nodig.'

'Werkelijk?' vroeg de jonge magiër. Hij keek Jim aan voor bevestiging.

'Ik denk het ook,' beaamde Jim.

'Goed dan,' zei Jason, die opstond van zijn stoel. 'Kom mee.' Hij pakte de kaarsenstandaard op, leidde hen de kamer uit en liep de grote zaal van het fort door. Brandos stond naast zijn vrouw bij de open haard, waar een ketel met stoofpot hing te pruttelen. De oude strijder wierp een vragende blik op Amirantha, maar met een hoofdknik gaf de zwarte magiër aan dat hij moest blijven waar hij was.

Jason leidde hen over een trap omhoog naar de bovenverdieping van het hoofdgebouw en via een lange gang dwars door het gebouw naar de toren tegenover die waarin Amirantha woonde. De kaars die Jason droeg was het enige licht op die verdieping. Voor zover de zwarte magiër wist, stond deze toren leeg en was er alleen de betovering op de bovenverdieping, die zorgde voor het onheilspellende blauwe licht telkens als er een schip in zicht van het kasteel kwam.

Ze gingen via een wenteltrap omhoog naar de op een na hoogste verdieping en Jason opende een deur. De kamer binnen was leeg, op een houten constructie na: twee gebogen palen boven op een metalig uitziende voet. Amirantha keek Jason vragend aan. 'Tsuranees?'

'Het ontwerp wel, maar Puc heeft hem gebouwd,' antwoordde de jonge magiër.

Wat is het?' vroeg Jim.

'Een scheuringstoestel,' zei Amirantha. Wat onze vrienden de Sterrenelfen een poort noemen.'

Jason liep naar een schap bij een venster met luiken ervoor en pakte er een stoffen buideltje af. Hij gaf zijn kaars aan Jim, knielde neer en opende de buidel zorgvuldig Hij haalde er een merkwaardig uitziend toestel uit: een vierkant kistje met vreemde patronen, hendeltjes en radertjes.

'Dit is gemaakt door een ambachtsman van Tsuranese afkomst in LaReu. Het is wat onhandig vergeleken met de oude Tsuranese toestellen.' Hij haalde zijn schouders op alsof hij simpele feiten opsomde. Toen zette hij het toestel op de metalen voet tussen de twee palen, trok aan een van de hendeltjes en stapte achteruit. 'Ik heb geen kennis of vaardigheid als het op scheuringsmagie aankomt,' zei de jonge magiër. 'Het is ingewikkeld en het heeft niet mijn belangstelling. Alleen Magnus en een paar anderen weten er veel van, hoewel niemand er zoveel van weet als Puc. Hij heeft dit laten maken voor het geval er een dringende reden was om hem op te roepen.'

Plotseling was er een luchtvlaag in de kamer te horen, toen een geknetter van energie, gevolgd door een trilling tussen de palen. Er verscheen een grijs waas met lichte, fonkelende kleuren, die over het oppervlak gleden als olie op water.

'Puc krijgt zo meteen een waarschuwing. Hij zou moeten komen zodra hij kan.'

Weet je waar hij naartoe is?' vroeg Jim.

We weten alleen het weinige wat hij ons vertelt,' zei Jason.

Er verstreken lange momenten, en toen stapte er een gestalte door de scheuring naar buiten. Puc was klein van stuk, met een kortgeknipte baard, en hij droeg nog steeds de traditionele kleding van de Tsuranese Grootheden: een eenvoudige zwarte mantel en sandalen met gekruiste riemen. Wat is er?' vroeg hij zodra hij binnen stond.

Jason neigde zijn hoofd naar Jim en Amirantha, en de zwarte magiër nam het woord. We worden voor de gek gehouden, Puc.'

Pucs voorhoofd plooide. 'Hoe bedoel je?'

'Ik zal het uideggen,' zei Amirantha, 'zodra Jim je heeft verteld wat hij een paar dagen geleden in Jal-Pur heeft gezien, maar het zou helpen als er nog iemand bij was.'

Wie dan?'

We hebben iemand nodig die alles weet over de dood.'

Puc keek lichtelijk verward, maar toen zei hij: 'Ik weet precies wie we moeten hebben.' Hij draaide zich om en stak zijn hand omhoog. De zwarte magiër voelde magie door de kamer bewegen, hoewel Jim alleen zijn narigheidsknobbel voelde opspelen. Even later zei Puc: 'Jullie twee, kom met mij mee.' Hij wierp een blik op Jason. 'Berg dat speelgoedje op als we erdoor zijn.' Vervolgens stapte hij de scheuring in.

Jim draaide zich naar Jason om. 'Vertel kapitein Jenson alsjeblieft dat hij het anker kan lichten en naar Krondor kan gaan. Ik ontmoet hem daar wel.' Hij draaide zich om en volgde Puc.

Net voordat hij naar binnen stapte, wendde ook Amirantha zich tot Jason. 'Je moet misschien ook maar tegen Samantha zeggen dat Jim en ik vanavond niet blijven eten.' Toen volgde hij de twee mannen de scheuring in.