17 Gewaarwording

 

Ru wees.

In de verte getuigden vlammen en rook van een schermutseling. Zijn woord getrouw viel generaal Gapi ieder korps aan dat zuidwaarts wilde trekken. Een paar kapiteins waren eigenwijs genoeg om toch door het omsingelende leger heen te willen breken, maar die maakten kennis met de volle omvang van de legermacht die Gapi van tevoren in stelling had gebracht.

De vallei was dan wel een prettige plek voor een rendez-vous geweest, maar als uitvalsbasis was het een ongeschikt oord. Vanwege de steile noord- en zuidhellingen was de vallei alleen te verlaten via de oostkant, waarlangs Vaja met zijn groep was gekomen, en volgens hem was dat een verraderlijke route door onherbergzame heuvels. Niettemin trachtten verscheidene kleine groepen via die weg te ontkomen. Anderen deden hetzelfde als Caelis' Vlammende Adelaars: hetzij dienst nemen en genoegen nemen met vergoedingen door plunderen of andere beloningen, hetzij wachten op een goede gelegenheid om ertussenuit te knijpen. Overal waar Erric keek, zag hij ontevreden gezichten. Van Loungville was niet de enige die zich besodemieterd voelde.  

Degenen die generaal Gapi's bevelen gehoorzaamden werden opgesteld in rotten langs het laagste punt van de rivier, vlak voordat die uitkwam in de bredere Vedra. De plek was gemarkeerd door een brug die in een lang vervlogen oorlog was verbrand, en via een reeks veerboten kon er op twee plaatsen worden overgestoken: aan de oostkant van de Vedra van noord naar zuid en stroomafwaarts van de naamloze zijrivier van oost naar west.  

Caelis' korps was als laatste bij de veerboot, aangezien de mannen zich hoger op de hellingen hadden gestationeerd dan de anderen. Zodoende hadden ze langer de gelegenheid om te blijven kijken dan degenen die voor hen waren. Mannen - en ook enkele vrouwen - uit alle uithoeken van Novindus kwamen de rivier over naar de zuidelijke oever waar de korpsen uit de vallei zich aan het opstellen waren.  

Een man met een groene armband kwam naar hen toe gereden. 'Welk korps?' vroeg hij.

Wijzend naar Caelis, die links van hem reed, zei Van Loungville: 'Caelis' Vlammende Adelaars uit de Stad aan de Serpentrivier.'

De man fronste zijn wenkbrauwen. 'Van het beleg van Hamsa?'

Caelis knikte.

De man grijnsde, maar bepaald vriendelijk was zijn uitdrukking niet. 'Ik had je bijna te pakken, smeerlap, maar je ging oostwaarts naar de Jeshandi en tegen de tijd dat mijn korps terug was, zat jij al op de steppen.' Indringend keek hij Caelis aan. 'Had ik geweten dat jij ook zo'n langlevende was, dan zou ik meteen naar het oosten zijn gegaan. Er zitten er een hoop van jouw soort bij de Jeshandi.' Met een houtskoolstokje maakte hij wat aantekeningen op een rol perkament. 'Maar Onze Vrouwe aanvaardt eenieder die naar haar toe komt, dus we staan nu aan dezelfde kant.' Hij wees naar het zuiden. 'Volg de rivier ongeveer een mijl stroomafwaarts en meld je daar bij de kampmeester. Over een paar dagen krijg je je bevelen. Tot die tijd zijn de kampregels simpel: wie vecht, wordt gedood. We zijn nu allen broeders onder de banier van de Smaragden Koningin, dus iedereen die herrie schopt gaat op de spiets. Ik kan het je niet aanraden, ik heb sommige mannen langer dan een uur zien stuiptrekken.' Zonder te vragen of de instructies duidelijk waren, gaf hij zijn paard de sporen en reed weg naar het volgende korps.  

'Dat ging makkelijk,' zei Pradji, links van Caelis.

'Laten we die kampmeester maar eens gaan opzoeken,' zei Caelis. 'We kunnen ons maar beter zo snel mogelijk stationeren.' Hij knikte naar Pradji en Vaja, die zich zonder een enkel woord afsplitsten van het korps.

'Wat is dat nu?' vroeg Erric zachtjes.

'Hou je kop,' zei Meijer, die naast hem reed.

Maar Nakur begon te lachen. 'In alle verwarring raak je gemakkelijk van je korps gescheiden. Het kan Pradji en Vaja wel dagen duren om erachter te komen waar we zijn geplaatst. En in de tussentijd kunnen ze een hoop dingen te horen krijgen.'

Caelis schudde zijn hoofd en keek even over zijn schouder, alsof hij dc Isalani wilde waarschuwen dat soort dingen voor zich te houden, maar het kleine mannetje giechelde van verrukking over het plan. 'Ik denk dat ik ook maar eens een poosje verdwaal,' zei hij, wierp zijn teugels naar Louis en liet zich van zijn paard glijden. 'Dat kan ik beter te voet.' Voordat Caelis kon protesteren, draafde hij al naar een enorme groep ruiters die van rivierboten kwamen. Onderwijl kwam er vanuit het westen een ander groot korps aanrijden en een paar tellen later reden de twee korpsen dwars door elkaar heen en was Nakur verdwenen in het gedrang, wegduikend tussen twee paarden terwijl hun berijders op hem scholden.  

'Dat heeft hij wel vaker gedaan,' zei Caelis.

Met moordlust in zijn ogen keek Meijer de kleine Isalani na, maar Caelis en Van Loungville schudden slechts het hoofd.

 

Uren later vonden ze de kampmeester. Vanuit een smal gezicht namen zijn donkere, snel heen en weer flitsende ogen hen op terwijl Caelis zich meldde. Hij maakte een aantekening op een document en wuifde naar de rivieroever. 'Zoek maar een plekje tussen hier en twee mijl stroomafwaarts. Aan weerskanten van de weg zitten al andere korpsen en vlak ten noorden van jullie moet een korps zitten dat zich Gegari's Commando noemt. Aan de overkant van de weg zit een korps onder bevel van kapitein Dalbrijn. Als jullie nog verder naar het zuiden gaan, wordt er aangenomen dat jullie deserteren en worden jullie achtervolgd. Degenen die niet meteen worden gedood, worden mee teruggenomen voor een openbare terechtstelling. En haal het maar niet in je hoofd om de rivier over te steken.' Hij maakte een vaag gebaar naar de overkant, waar ze in de verte een groep ruiters voorbij zagen draven.  

Er viel Erric iets op en het duurde even voor hij besefte dat de ruiters en de paarden veel te groot waren voor de afstand en de snelheid waarmee ze voorbij reden. Even knipperde hij met zijn ogen en pas toen drong het tot hem door. 'Hagedismensen!' riep hij uit zonder erbij na te denken.

'De bondgenoten van Onze Vrouwe heten Saaurs,' zei de kampmeester. 'Zeg nooit hagedis of slang tegen hen, want dan worden ze kwaad.' Toen er achter hen een ander korps naderde, beduidde hij Caelis en zijn korps verder te gaan.  

Ze gingen weer op weg. Tegen de middagzon in turend probeerde Erric de in de verte dravende ruiters in zich op te nemen.

'Die paarden zijn wel twintig handen hoog,' zei Sho Pi.

'Eerder drie- of vierentwintig,' zei Erric. 'Ze zijn groter dan trekpaarden, maar ze rennen als cavaleriedieren.' De vloeiende bewegingen van de paarden bewonderend, staarde hij de paarden na. De Saaurs reden met een gemakkelijk schommelende zit, al zagen ze er vreemd topzwaar uit vanwege hun welhaast driehoekige wapenrustingen met de brede schouderstukken en het smalle middel. 'Ik zou zo'n beest best eens van dichtbij willen zien,' zei Erric.

'Nee, dat zou je niet,' blafte Van Loungville. 'In ieder geval niet met een ruiter op zijn rug.'

Zijn hoofd schuddend van verwondering bleef Erric kijken tot de ruiters in de verre middagnevelen verdwenen.

 

Ze vonden de kampeerplek en Caelis stelde zich terughoudend voor aan zijn buur-kapiteins. Niemand toonde zich erg spraakzaam, aangezien geen van de korpsen wist of de groep naast hen zich vrijwillig achter de Smaragden Koningin had geschaard of gedwongen dienst had genomen.  

Erg deskundig op militair gebied was Erric niet, maar hij kreeg het idee dat het in dit vreemde land, waar gehuurde strijders de plaats innamen van staande legers, niet erg slim was om andere dan toegewijde mannen onder de wapenen te hebben. Toch scheen het nergens tot opstanden te komen, dus nam Erric aan dat de bevelvoerders van dit enorme leger meer verstand hadden dan hij en liet het daarbij. Caelis liet de mannen hun slaapplaatsen inrichten zonder de tenten op te zetten. Evenmin gaf hij de opdracht om een greppel te graven of een aarden wal op te werpen. Zonder dat het gezegd hoefde te worden, was het duidelijk dat hij de mannen in zo kort mogelijke tijd te paard wilde hebben als zich daartoe de noodzaak voordeed.  

Aan het einde van de tweede dag waren de omringende kampen kleine koloniën geworden, die onderling werden bezocht door degenen die geen wachtdienst hadden. Ruilhandel drijvend, gokkend, verhalen uitwisselend of gewoon de verveling van het kampzitten verdrijvend dwaalden de mannen zo ver ze konden zonder problemen te veroorzaken. Het vertrouwen groeide, zij het langzaam, naarmate de tot dienen gedwongen strijders zich schikten in hun lot. Ze mochten dan gepikeerd zijn over het gemis aan keuze van hun nieuwe meester, maar voor de meeste kapiteins was de ene kant even goed als de andere - en buit was buit. Sommige korpsen toonden zich blij met ieder nieuw gezicht dat een mogelijkheid bood tot het verkrijgen van nieuws, goud om te vergokken of gewoon een onderbreking van de dagelijkse sleur. Doch anderen bleven behoedzaam en tweemaal hadden Ru en Erric al te horen gekregen dat ze door moesten lopen wanneer ze een van die kampen benaderden.  

Die avond, toen Erric, Ru, Sho Pi en Louis zaten te kijken naar Knoert en Natombi, die de kookbeurt voor hun ploeg vervulden, liep Meijer door het kamp en bleef bij ieder groepje mannen even staan praten. 'Hé,' zei hij toen hij bij hun groep kwam en beduidde de mannen op te staan.

Toen ze stonden, maakte hij een buidel open en telde voor elk twee gouden en vijf zilveren munten uit. Op zachte toon zei hij: 'Huurlingen worden betaald en als je niet af en toe iets kunt kopen van een venter of een hoer, dan gaan de mensen vragen over ons stellen. Maar de eerste die dronken wordt en iets verkeerds zegt tegen de verkeerde, kan toekijken hoe ik zijn lever van een stokje eet!'  

Erric woog de koude munten in zijn hand. Het was de eerste keer dat hij over geld beschikte sinds hij Zwartheide had verlaten, besefte hij, en het was een goed gevoel om iets te kunnen kopen. Hij stopte ze in een buidel, vastgenaaid in een naad van zijn tuniek, waar ze veilig zaten.

Later op de avond verschenen er hoeren, op zoek naar klanten. Zonder tenten was er weinig gelegenheid tot afzondering, maar daar schenen slechts weinig mannen zich aan te storen. Velen trokken de vrouw van hun keuze onder een deken en negeerden eenieder die een paar voet verderop zat.  

'Op zoek naar gezelschap, jongens?' vroeg een van de twee vrouwen die naar Erric en Ru kwamen.

Op Ru's gezicht verscheen een brede grijns en plots voelde Erric zijn wangen rood worden van verlegenheid. De vorige keer dat er hoeren in het kamp waren geweest, op de plek langs de zijtak van de Vedra, was hij voor de paarden aan het zorgen en tegen de tijd dat hij terug was, waren ze alweer verderop gegaan. Erric wist zeker dat hij de enige man in het kamp was die nog nooit met een vrouw was geweest. Misschien krijg ik wel nooit meer de kans dacht hij en keek zijn vriend aan, wiens grijns zich spreidde van oor tot oor. Hij grijnsde terug. 'Waarom ook niet?' zei hij.  

'Krijgen we eerst betaald?' vroeg een van de vrouwen.

Ru begon te lachen. 'Ja, als de kalveren op het ijs dansen.' Hij wuifde naar het kamp. 'Wij gaan voorlopig nergens heen, maar dat kunnen we van jullie niet echt zeggen, wel?'

De hoer die hen had aangesproken trok een zuur gezicht, maar ze knikte. 'Ik wed dat jij niet meer zo jong bent als je eruitziet,' zei ze.

Ru stond op. 'Ik ben ouder dan ik ooit van mijn leven ben geweest.'

De vrouw keek vreemd op bij het horen van die mededeling, maar ze liep mee met Ru, die haar beduidde hem te volgen.

Alleen achtergebleven met de andere vrouw stond Erric op. Misschien was ze nog vrij jong, maar dat was moeilijk te zeggen. Vanwege haar harde gezicht en het beperkte licht van het kampvuur viel slecht te bepalen of ze dichter bij de vijftien of de veertig was. Wat grijs in haar haren zei hem dat ze ouder was dan hij, maar hij wist niet of dat hem nu wel of juist niet gerust moest stellen.  

'Hier?' vroeg ze.

'Wat?'

'Wil je het hier doen of ergens anders?'

Plotseling dodelijk verlegen zei Erric: 'Laten we maar naar de rivierkant gaan.' Onhandig stak hij zijn hand uit en ze nam hem aan, haar greep ferm en haar handpalm droog. Meteen had hij spijt van het gebaar, want zijn hand was vochtig en zijn greep onzeker.  

Ze lachte zachtjes en hij vroeg: 'Wat?'

'Eerste keer zeker?'

'Nee,' zei hij, 'eh... natuurlijk niet, het is alleen... erg lang geleden, vanwege het reizen en zo... '

'Natuurlijk,' zei ze en Erric wist niet of haar geamuseerdheid hartelijk of minachtend bedoeld was. Hij nam haar mee naar de waterkant en struikelde bijna over een stelletje dat in een vurige omhelzing lag. Een stukje verderop, waar het nog net iets donkerder was, bleef hij onzeker staan.

Vlug en handig kleedde de vrouw zich uit en Erric voelde zijn lichaam reageren. Een bijzonder lichaam had ze niet. Ze was wat plomp rond de heupen en dijen en haar borsten hingen, maar toen hij plotseling bedacht wat hij op het punt stond te gaan doen, wist hij zijn kleren niet snel genoeg uit te trekken. Zijn hemd lag al op de grond en hij was bezig met zijn laarzen toen ze zei: 'Jij bent best een forse kerel, hè?'  

Erric bekeek zijn eigen lichaam alsof hij het voor de eerste keer zag. Door de harde tijden die hij sinds zijn gevangenname had doorgemaakt, was hij gespierder geworden dan hij ooit in Ravensburg was geweest. Sterker niet eens, maar hij was zijn zachte vetlaag kwijt, zodat zijn machtige borstkas en schouders eruit zagen alsof hij door een beeldhouwer als held was gemodelleerd. 'Ik ben altijd al groot voor mijn leeftijd geweest,' zei hij.  

Toen hij zijn laarzen uit had, kwam ze naar hem toe en pakte de bovenrand van zijn broek stevig beet. 'Laat maar eens zien hoe groot,' zei ze met hese stem, trok zijn broek omlaag en begon te lachen bij het zien van zijn overduidelijke bereidwilligheid. 'Groot genoeg!'

Gezien haar beroep was ze lief. Ze nam de tijd en lachte niet om Errics onhandige gefrunnik. Wanneer nodig kalmeerde ze hem en al ging de paringsdaad gedreven en snel, er lag enige warmte in. Toen het voorbij was, kleedde ze zich vlug aan, maar ze bleef nog even nadat hij haar had betaald. 'Hoe heet je?'

'Erric,' zei hij, niet zeker of hij haar dat eigenlijk wel wilde vertellen.

'Je bent een wilde jongen, Erric, in het lichaam van een man. De juiste vrouw zal van je aanraking gaan houden als je eraan denkt hoe sterk je bent en hoe zacht haar lichaam is.'

'Heb ik je pijn gedaan?' vroeg hij, ineens slecht op zijn gemak.

Ze begon te lachen. 'Nee, niet echt. Je was... erg enthousiast. Ik zal wel een paar blauwe plekken op mijn achterste krijgen omdat ik op het laatst zo hard tegen de grond sloeg, maar dat is niets vergeleken bij wat die kerels doen die een hoer graag een pak slaag verkopen.'

'Waarom doe je dit eigenlijk?' vroeg Erric, zich aankledend.

De vrouw haalde haar schouders op. Het gebaar ging bijna verloren in het donker. 'Wat moet ik anders? Mijn man was soldaat, net als jij. Vijf jaar geleden is hij gesneuveld. Ik heb geen familie en geen rang. Ik kan gaan stelen of hoereren.' Zonder verontschuldiging of spijt herhaalde ze: 'Wat moet ik anders?'

Voordat hij nog iets kon zeggen, ging ze op zoek naar een andere klant. Erric voelde zich zowel opgelucht als leeg. Hij had iets gemist in hun minnespel, al wist hij niet wat het was, maar nu al kon hij nauwelijks wachten om deze fantastische daad nogmaals te plegen.

 

Zes dagen nadat ze het kamp hadden opgeslagen, zag Erric Pradji en Vaja aan komen rijden. Caelis wenkte hen naar de plek waar hij zat, op korte afstand van Erric en zijn ploeg, die zojuist klaar waren met het middagmaal. De mannen knikten begroetend naar de twee oude huurlingen, die naar Caelis liepen en naast hem plaats namen.  

'Zijn jullie nog iets te weten gekomen?' vroeg Caelis.

'Geen grote verrassingen,' antwoordde Pradji. Met een handgebaar duidde hij op de korpsen rondom hen. 'We zitten ingesloten tussen een kleine bergketen in het oosten, de rivier daar, de vijfentwintigduizend zwaarden in het noorden en de legers van Lanada en Maharta die zich zo'n vijftig mijl ten zuiden van hier verzamelen.'

'Heeft de rana van Maharta zijn leger zo ver naar het noorden gestuurd?'  

'Dat wordt gezegd,' zei Vaja op zachte toon, zodat alleen de mannen bij Caelis' kampvuur hem konden horen.

'Deze veldtocht duurt nu al twaalf jaar sinds de val van Irabek,' zei Pradji. 'Vroeg of laat moest die rana er toch achterkomen. Een voor een zijn de steden langs de rivier gevallen en iedere keer hoopten ze maar dat de buurman in het noorden als laatste door de Smaragden Koningin werd ingenomen.' .

'En verder?' vroeg Caelis terwijl Leonhard van Loungville en Charel Meijer achter hem kwamen staan.

'We vertrekken over een paar dagen, hooguit een week, denk ik.'

'Wat heb je gehoord?'

'Niemand die zei: "Over drie dagen gaan we marcheren,'" zei Pradji. 'Gewoon wat gekeken en geluisterd.'

Vaja wuifde naar het noorden. 'Ze bouwen een grote brug over de rivier op de plek van de veerboot. Minstens Zes genieploegen en een stuk of honderd slaven werken er dag en nacht aan.'

'Niemand kan zonder vrijbrief van deze kant naar het noorden,' zei Pradji.

'En niemand kan dit gebied uit zonder een schriftelijk bevel daartoe,' vulde Vaja aan.

'Aan de noordkant van de rivier zitten alle oude veteranen,' vervolgde Pradji, 'degenen die vanaf het begin aan deze veldtocht hebben meegedaan, samen met de Saaurse hagedismensen.'  

Een tijdlang bleef Caelis stil. 'Dus wij zijn muurvlees?'

'Ziet ernaar uit,' zei Pradji.

Zachtjes vroeg Erric aan de andere mannen in zijn ploeg: 'Muurvlees?'  

Fluisterend, opdat de officieren hem niet zouden horen, antwoordde Knoert: 'Degenen die als eerste naar de muur marcheren, ouwe jongen. Je wordt aan de muur gevoerd, als het ware.'

Louis bewoog een gestrekte hand langs zijn keel. 'In de eerste golf die op de muur af gaat, sneuvelen de meeste mannen,' voegde hij er zachtjes aan toe.

'We moeten waakzaam blijven,' zei Caelis. 'We moeten dichter bij die Smaragden Koningin en haar generaals zien te komen om uit te vinden wat we werkelijk moeten weten. Als dat inhoudt dat wij als eersten door de poort of over de muur moeten om onszelf te bewijzen, dan doen we dat. Als we eenmaal weten wat we weten moeten, maken we ons wel weer zorgen over hoe we moeten maken dat we wegkomen.'

Erric ging liggen op zijn bedrol, zijn armen achter zijn hoofd, kijkend naar de wolken die in de late middagbries voorbij zeilden. Hij had vannacht de wacht, dus probeerde hij nu alvast wat te slapen.  

Maar de gedachte om als eerste de muren van een stad aan te moeten vallen kwam keer op keer weer bij hem op. Tot dusver had hij vier mensen gedood, bij drie verschillende gelegenheden, maar een veldslag had hij nog nooit meegemaakt.

Hij lag nog steeds over de komende campagne na te denken toen Meijer langskwam en tegen zijn laarzen schopte om hem te vertellen dat het tijd was om op wacht te gaan. Het verraste Erric dat het al zo laat was. Zo diep was hij in gepeins verzonken geweest dat hij niet eens had gemerkt dat de zon was ondergegaan. Hij stond op, pakte zijn zwaard en schild en liep naar de rivier om de komende uren op de uitkijk te staan.

Hij vond het ironisch dat hij op wacht stond te midden van een leger dat zich in een oogwenk op Caelis' Vlammende Adelaars zou storten zodra ze begrepen wat hun werkelijke bedoelingen waren, en waartoe hij op wacht stond was hem een raadsel, aangezien de dichtstbijzijnde vijand zich vijftig mijl verderop bevond. Niettemin was hem gezegd op wacht te staan, dus deed hij dat.

 

Nakur stond aan de rand van de menigte te kijken naar de priester die het dode schaap optilde. De Saaur-krijgers die het dichtst bij het vuur stonden, schreeuwden goedkeurend, doch hun kreet was meer een kelig gesis dat door de nacht schalde als een koor van woeste draken. De mensen vlak buiten de kring van hagedismensen keken gefascineerd toe, want deze riten waren slechts de Saaurs bekend. Velen van hen sloegen een teken om te worden beschermd door hun eigen goden en godinnen.

Er werd groots feestgevierd en Nakur dwaalde ongehinderd tussen de verscheidene mensen-gezelschappen door. Inmiddels had hij al veel gezien wat hem tevreden stelde en tegelijkertijd met afschuw vervulde. Tevreden was hij omdat hij verscheidene sleutelelementen van het mysterie had ontdekt, hetgeen Caelis kon helpen besluiten wat hij vervolgens zou doen. Zijn afschuw kwam voort uit het besef dat hij in zijn lange leven nog nooit zo'n immens grote groep kwaadwillige lieden had gezien.  

De kern van dit leger werd gevormd door de Saaurs en een grote groep mensen die zich de Keurwacht noemde. Beide compagnieën droegen de gebruikelijke smaragdgroene armband alsmede een groene band rond het hoofd. Hun kwaadwilligheid bleek duidelijk uit het feit dat van een groepje van hen dat op korte afstand van Nakur stond allen een halsketting van mensenoren om hadden. In het kamp deed het gerucht de ronde dat dit de gewelddadigste, gevaarlijkste en verderfelijkste mannen in dit leger van zwarte zielen waren. Wie tot hun gelederen wilde toetreden moest verscheidene veldslagen hebben meegemaakt en zich daarbij bovendien door talrijke waarlijk snode daden hebben onderscheiden. De laatste proeve voor de toetreding zou ritueel kannibalisme zijn. Nakur twijfelde er geen moment aan. Doch van zijn bezoeken aan de Skashakan-eilanden uit voorgaande jaren wist hij ook dat de meeste kannibalen zouden walgen van de praktijken waar deze lieden zich mee in lieten.  

Grijnzend knikte hij naar een man vol tatoeages die een jonge jongen stevig tegen zich aan gedrukt hield. De jongen had een ijzeren band om zijn hals en met een gedrogeerde blik staarde hij de leegte in. De man gromde naar Nakur, wiens grijns nog breder werd voordat hij wegliep.

Nakur probeerde langs de grootste kluit feestvierders te komen teneinde een beter uitzicht te verkrijgen op het paviljoen van de Smaragden Koningin. Op de nachtelijke wind dreven vreemde energieën mee en door de oude, vertrouwde weerklanken van magie die tussen de noten van gezang door klonken, kreeg Nakur al enig idee van wat hij daar aan zou treffen. Maar zeker wist hij het nog niet en zonder absolute zekerheid kon hij niet terug naar Caelis aan de andere kant van de zijrivier om hem te zeggen wat hij vervolgens moest doen. Het enige waarvan hij nu zeker was, was de noodzaak om terug te keren naar Krondor en Valentijn te waarschuwen dat zijn grootste vrees ruimschoots werd overtroffen door hetgeen zich in dit verre land afspeelde. Hier werden grote, verschrikkelijke krachten losgelaten. Subtiel verscholen achter de oeroude magie van de Pantathiërs hing er een vage geur van vreemde origine in de lucht.

Omhoog kijkend snoof Nakur de demonische aroma's op, die als regen dreigde neer te dalen. Hij schudde zijn hoofd. 'Ik word moe,' mompelde hij in zichzelf en liep tussen een aantal reusachtige Saaur-krijgers door.

Een van Nakurs betere trucjes, zoals hij zijn vermogens noemde, was de kunst om zich zonder ongewenst de aandacht te trekken in een menigte te begeven, maar dat lukte niet altijd, zoals ook nu.

Een van de Saaur-krijgers keek omlaag en snauwde: 'Waar ga jij heen, mens?' Zijn stem was zwaar en zijn accent klonk Nakur scherp in de oren.

Nakur keek in de half dichte ogen, met de donkerrode, door wit omgeven irissen. 'Ik ben maar onbeduidend, O, machtige. Ik kan niks zien. Ik ga naar een plek vanwaar ik dit wonderbaarlijke ritueel beter kan bekijken.'

Toen hij pas in het centrum van het kamp was gearriveerd, was Nakur nieuwsgierig naar de Saaurs geweest, maar nu bewaarde hij liever zijn afstand. Ze vormden voor hem nog steeds een raadsel. Ze leken op de Pantathiërs als mensen op elfen, dat wilde zeggen, oppervlakkig vrijwel gelijk, doch bij nadere beschouwing totaal verschillend. Nakur was er haast van overtuigd dat ze van een volkomen andere wereld kwamen en warmbloedig waren, zoals mensen, elfen en dwergen, echter in tegenstelling tot de Pantathiërs.

Die theorieën had hij graag met een ontwikkelde Saaur besproken, maar de enige hagedismensen die hij had gezien waren jonge krijgers die een regelrechte minachting voor mensen koesterden. Als de mensen in dit kamp geen dienaren van deze Smaragden Koningin waren, zouden de Saaurs hen vast met het grootste genoegen hebben uitgemoord. Ze konden hun antipathie voor mensen maar amper in toom houden.

De gemiddelde Saaur was tussen de negen en tien voet lang. Ze hadden een brede borst en schouders, maar een merkwaardig dunne hals en al waren hun benen sterk genoeg om hun immense paarden te berijden, hardlopen of springen scheen hen niet bepaald goed af te gaan. Te voet zouden ze niet sterker zijn dan een goed korps mensen, dacht Nakur.

De hagedisman gromde iets en aannemend dat het goedkeurend was bedoeld, liep Nakur gewoon door in de vaste veronderstelling dat hij het snel genoeg zou merken als hij zich bleek te hebben vergist.

Dat was niet het geval. De krijger richtte zijn aandacht weer op het welkomstritueel.

Het paviljoen van de Smaragden Koningin stond op een gigantische verhoging van hout of aarde - dat kon Nakur niet precies zien - en stak zes voet boven de andere tenten in dit deel van het kamp uit. Rondom stond een horde Saaurs en voor het eerst zag Nakur achter hen Pantathische priesters staan. Bovendien zag hij ook nog Pantathische krijgers. Nakur grijnsde, want dit was iets nieuws voor hem en hij genoot er altijd van wanneer hij iets onbekends ontdekte.  

De Saaur-priester draaide zich nu om, wierp het geslachte schaap op een brandstapel en sprenkelde er wat aromatische oliën overheen. De donkere rook die kronkelend oprees was geurig en dicht. Ingespannen keken de priester en de andere Saaurs toe. Toen wees de priester en sprak in een vreemde taal, maar de klank was positief gestemd en Nakur veronderstelde dat hij verklaarde dat de geesten tevreden waren met de offers of dat de voortekenen gunstig waren - soortgelijke priesterlijke abracadabra in ieder geval.

Nakur tuurde ingespannen toen er een man in een groene wapenrusting uit het paviljoen te voorschijn kwam, gevolgd door een tweede, die plaats maakte voor een derde, wiens groene wapenrusting met een gouden rand was afgezet. Deze indrukwekkende verschijning was generaal Fadawah, opperbevelhebber van het gehele leger. Nakur bespeurde een kwade kracht die als een rookwolk rond de man hing. Voor een soldaat stonk hij werkelijk naar magie.  

Achter hem verscheen een vrouw met smaragden rond haar hals en polsen, gekleed in een groene japon, van voren diep uitgesneden opdat haar smaragden halsketting beter uitkwam. Op haar ravenzwarte haar droeg ze een kroon van smaragden.

'Dat zijn wel erg veel smaragden,' mompelde Nakur, 'zelfs voor jou.'

De manier waarop de vrouw bewoog verontrustte Nakur, en toen ze naar voren kwam om het gejuich van haar leger in ontvangst te nemen, raakte hij pas echt ongerust. Er was iets helemaal mis!

Hij bestudeerde haar terwijl ze sprak. 'Mijn gelovigen! Ik, die Uw Vrouwe ben, doch slechts een voertuig voor een veel grotere Vrouwe, dank u allen voor uw gaven. De Hemelse Horde van de Saaurs en de Smaragden Koningin beloven u overwinning in dit leven en onvergankelijke beloning in het volgende. Onze spionnen die zijn teruggekeerd, berichten ons dat de ongelovigen op een afstand van slechts drie dagen marcheren naar het zuiden in een hinderlaag liggen. Weldra gaan wij op weg om hen te verpletteren en ons vervolgens te storten op de heidense steden om die tot as te reduceren. Iedere overwinning komt sneller dan de vorige en onze aantallen groeien.'  

De vrouw die de Smaragden Koningin werd genoemd stapte naar voren tot aan de uiterste rand van de verhoging en keek neer op de gezichten van de lieden die het dichtst bij haar stonden, zowel Saaurs als mensen. Wijzend naar een man zei ze: 'Jij bent vannacht mijn boodschapper aan de goden!'  

Triomfantelijk schudde de man met zijn vuisten, rende de eerste vier treden van de trap naar de verhoging op en wierp zich neer over de laatste twee, zodat zijn hoofd voor zijn meesteres op de vloer kwam te liggen. Ze tilde haar voet op, plaatste hem bij wijze van ritueel even op het hoofd van de man en liep terug de tent in. Grijnzend stond de man op, knipoogde naar zijn kameraden, die hem toejuichten, en volgde de koningin naar binnen.

'O, dit is heel erg,' fluisterde Nakur. Rondkijkend zag hij dat de feeststemming in hevigheid toenam. In korte tijd zouden de mannen dronken worden en gaan vechten, voor zover dat werd toegestaan, en gezien het gebrek aan discipline dat Nakur in dit onderdeel van het leger had gezien, vermoedde hij dat dat probleemloos tot bloedvergieten kon leiden. Nu moest hij zich een weg door een massa laveloze en hallucinerende moordenaars zien te banen en de rivier oversteken om terug naar Caelis te gaan - vooropgesteld dat hij Caelis' kamp kon vinden.  

Zorgen maakte Nakur zich nooit en dat was hij nu ook geenszins van plan, maar het liefst liep hij nu zo min mogelijk vertraging op, want nu wist hij wat er allemaal stak achter het conflict dat zich de afgelopen twaalf jaar aan het opbouwen was geweest. Bovendien was hij misschien wel de enige ter wereld die alle aspecten van wat hij zojuist had gezien ten volle kon begrijpen.

Zijn hoofd schuddend van ontzetting over de complexiteiten van het leven begon het kleine mannetje aan de terugweg, het paviljoen van de Smaragden Koningin achter zich latend.

 

De koerier die kwam aangereden, vroeg: 'Ben jij kapitein Caelis?'

'Dat ben ik,' zei Caelis.

'Instructies. Je moet met je korps de rivier over' - hij gebaarde naar een plek ten noorden van hen, dus veronderstelde Erric, die vlakbij zat, dat er daar een doorwaadbare plaats in de rivier was - 'en een uitval maken langs de rivier, tot tien mijl stroomafwaarts. Een van onze verkenners heeft Gilani's gezien en de generaals willen de andere oever vrij houden van zulk ongedierte.' Hij wendde zijn paard en reed weg.  

'Ongedierte?' vroeg Pradji. Hoofdschuddend van ongeloof keek hij de koerier na. 'Die knul heeft duidelijk nog nooit een Gilani gezien.'

'Ik ook niet,' zei Caelis. 'Wie zijn dat?'

'Barbaren,' antwoordde Pradji, onderwijl zijn uitrusting oppakkend en zich gereed makend voor vertrek. 'Nee, wilden, eigenlijk. Leden van een bepaalde stam. Niemand weet precies wie ze zijn of waar ze vandaan komen. Ze spreken een taal die maar weinigen kennen en ze geven een buitenstaander maar zelden de kans die te leren. Het zijn taaie rakkers en ze vechten als gekken. Ze dwalen over de Vlakte van Djams en in het voorgebergte van de Ratn'gari, waar ze jagen op de grote bisonkuddes of op elanden en herten.'  

Zijn bedrol oppakkend zei Vaja: 'De meeste problemen die ze aan deze kant van de rivier met hen hebben zijn met paarden. Het zijn de beste paardendieven van de wereld. De rang van een man hangt bij hen af van het aantal vijanden dat hij heeft gedood en het aantal paarden dat hij heeft gestolen. Maar ze berijden ze niet, ze eten ze op - dat heb ik tenminste gehoord.'

'Kunnen we veel last van hen verwachten?' vroeg Caelis.

'Welnee, waarschijnlijk krijgen we er niet eens een te zien,' antwoordde Pradji. Hij wierp zijn bedrol naar Erric. 'Hou dat eens even voor me vast.' Vervolgens bukte hij zich naar de zak met de rest van zijn persoonlijke eigendommen. 'Maar het zijn taaie rakkertjes, ongeveer de helft zo klein als dwergen.' Met een gemene grijns wees hij naar Ru. 'Net als hij!'

De mannen schoten in de lach en Pradji nam zijn bedrol weer van Erric over. Ze liepen naar de paarden en Van Loungville en Meijer begonnen bevelen uit te vaardigen om het korps te laten vertrekken.

'Ze kunnen zomaar ineens verdwijnen tussen dat lange gras aan de andere kant van de rivier alsof het geesten zijn,' ging Pradji verder. 'Ze wonen in van die lage hutjes die ze maken van geweven gras en ze kunnen op tien voet afstand van je staan zonder dat je het in de gaten hebt. Lastige lui om op te sporen.'

'Maar vechten kunnen ze,' zei Vaja terwijl ze de paarden begonnen te zadelen.

'Dat kunnen ze inderdaad,' beaamde Pradji. 'Alsjeblieft, kapitein, nou weet je net zo veel over de Gilani's als ieder ander die in deze streek is geboren.'

'Nou,' zei Caelis, 'als ze problemen uit de weg gaan, moeten we die tien mijl heen en terug naar het zuiden kunnen afleggen voordat het donker wordt.' Alsof hij zich ergens zorgen over maakte, keek hij om naar het hoofdgedeelte van het kamp en zei tegen Van Loungville: 'Laat een ploeg achter om op de spullen te passen.' Op zachtere toon voegde hij eraan toe: 'En zeg hun uit te kijken naar Nakur.'

Meijer wenkte een groepje dat net aan kwam lopen om de paarden te zadelen en gaf instructies. Terwijl Erric zijn zadel optilde om op de rug van zijn rijdier te zetten, keek hij over zijn schouder. Inderdaad, vroeg hij zich af, waar was Nakur?  

 

Kreunend pakte Nakur de plank op, in stilte de imbeciel aan het andere uiteinde vervloekend vanwege het feit dat hij maar niet wilde beseffen dat er zoiets bestond als gecoördineerd samenwerken. De man, wiens naam Nakur onbekend was, maar over wie hij dacht als 'die idioot', bleef maar tillen, lopen en neergooien zonder Nakur van te voren even op de hoogte te brengen. Dientengevolge had Nakur in de afgelopen twee dagen een verbazingwekkende hoeveelheid splinters, schrammen en blauwe plekken opgelopen.

Het bleek lastig om terug naar Caelis' korps te gaan. Het grote leger was eindelijk bijeen, met het kernleger ten noorden van deze zijrivier van de Vedra, terwijl Caelis en de andere nieuwe huurlingenkorpsen aan de zuidkant waren ingekwartierd. Oversteken kon nu alleen te paard en met officieel ogende documenten, uitgegeven door de generaals. Nakur had drie van die vrijbrieven in zijn rugzak, twee nachten geleden gepikt, maar hij wilde er pas een gebruiken nadat hij ze uitgebreid had bekeken en daar had hij geen gelegenheid voor kunnen vinden zonder de aandacht op zich te vestigen. Benevens het gevaar om die documenten kwijt te raken, was Nakur niet geneigd de aandacht te trekken zonder dat daar een duidelijke reden voor was.

Maar de generaals lieten een brug over deze zijrivier bouwen, waar een werkploeg ijverig mee bezig was. Nakur speelde voor arbeider en zodra de overkant via de brug bereikbaar was, zou hij eenvoudig verdwijnen in de menigte op de andere oever.  

Helaas verliep het werk een stuk trager dan hij had verwacht, aangezien het slavenarbeid bleek te zijn en de arbeiders dus geen haast hadden. Ook werd hij nu 's nachts in de gaten gehouden. De bewakers mochten hem dan niet hebben gezien toen hij kwam - als er 's avonds één slaaf te veel in een ploeg bleek te zitten, zou de wacht gewoon aannemen dat hij zich die ochtend had verteld - maar als er eentje minder werd geteld, viel dat ogenblikkelijk op.  

Derhalve moest Nakur het goede moment afwachten om tussen de huurlingenkorpsen te verdwijnen. Eenmaal buiten het blikveld van de bewakers van de werkploeg was het niet moeilijk meer om onopgemerkt te blijven, maar liever wachtte hij op ideale omstandigheden voordat hij een poging waagde. Een klopjacht door het zuidelijke kamp zou best leuk kunnen zijn, maar N akur moest spoedig verslag uitbrengen bij Caelis en de anderen, zodat ze hun plannen konden trekken om uit dit leger te ontsnappen en terug naar Krondor te gaan.

'Die idioot' liet zijn uiteinde van de plank al vallen voordat Nakur het in de gaten kreeg en weer kreeg hij een paar splinters in zijn schouder. Ter vergelding wilde hij net een van zijn 'trucjes' doen - een stekend gevoel in de billen, wat de man zou doen denken dat hij op een wesp was gaan zitten - toen hij een koude rilling kreeg.

Hij keek om en zijn borst verstrakte, want nog geen tien voet verderop stond een Pantathische priester naar de bouw te kijken, rustig pratend met een menselijke officier. Vlug legde Nakur zijn kant van de plank neer en repte zich terug voor de volgende, zijn ogen neergeslagen. N akur had al eerder kennis gemaakt met het werk van de Pantathiërs, op een reis met de man die tegenwoordig Prins van Krondor was, maar nog nooit had hij van zo dichtbij een levende Pantathiër gezien. Toen hij langs het wezen liep, ving hij een vage geur op en herinnerde zich een beschrijving ervan: reptielachtig, maar toch heel anders.  

Op het moment dat Nakur zich bukte om de volgende plank op te pakken, zag hij 'die idioot' struikelen over een steen. De man verloor zijn evenwicht en deed een wankele stap in de richting van de Pantathiër. Het wezen reageerde onmiddellijk, uithalend met een klauwachtige hand. De lange nagels troffen 'die idioot' op de borst en scheurden zijn tuniek open alsof het messen waren. Er verschenen diepe rode striemen en de man schreeuwde het uit. Toen knikten zijn knieën en stortte hij in, om stuiptrekkend op de grond te blijven liggen.

'Haal hem hier weg,' zei de officier tegen Nakur en samen met een andere slaaf pakte Nakur de getroffene op. Tegen de tijd dat ze hem terug naar het slavenverblijf hadden gedragen, was de man dood. Nakur bekeek het gezicht, dat versteend was, met wijd open ogen. Na een paar minuten wist hij zeker welk gif de Pantathiër aan zijn nagels had. Het was geen natuurlijk gif, maar een mengsel van verscheidene giftige planten. Nakur vond deze openbaring fascinerend.

Ook was hij gefascineerd door het feit dat de Pantathiër het nodig had gevonden de menselijke officier te demonstreren dat hij met een enkele aanraking kon doden. Er speelden zich hier in het kamp van de Smaragden Koningin intriges af waar buiten het kernkamp niets van te merken was en Nakur wou dat hij tijd had om er meer van te ontdekken. Iedere machtsstrijd in het vijandelijke kamp was goed nieuws, maar helaas kon hij het zich niet meer veroorloven zich ergens op te stellen waar hij het stille spel om de macht kon gadeslaan.

'Gooi hem daar maar neer,' zei een bewaker, wijzend naar een afvalhoop die met zonsondergang per kar werd weggevoerd naar een stortplaats op een mijl afstand van de rivier. Nakur deed wat hem gezegd was en de bewaker stuurde de twee slaven weer naar het werk.  

Haastig ging Nakur terug naar de bouwplaats, maar de Pantathiër en de menselijke officier waren al weg. Even betreurde hij het dat hij de serpentpriester niet langer kon bestuderen en het speet hem dat 'die idioot' nu dood was. Een flinke steek in zijn achterste had de man wel verdiend, maar geen pijnlijke dood omdat zijn hart en longen door een gif werden verlamd.

Nakur werkte door tot aan het middagmaal. Met zijn eten ging hij zitten op de brug, die nu nog maar een paar el van de andere oever verwijderd was. Terwijl hij zijn voeten boven het water liet bungelen, at hij de smakeloze havergort en het harde brood om op krachten te blijven. Onderwijl vroeg hij zich af wat Caelis en de anderen aan het doen waren.  

 

Caelis gaf de buitenposten aan de rechterflank een teken om op één lijn te gaan rijden, de een naast de ander, verspreid over een halve mijl. Met een gebaar gaf de dichtstbij rijdende man te kennen dat het signaal was begrepen.

De hele middag reden ze al zonder een spoor van iemand langs de oever te zien. Ofwel het verslag over de stam van Gilani's berustte op een misverstand, ofwel deze kleine lieden konden zich uitstekend verborgen houden, zoals Pradji al had gezegd.  

Erric lette op onverwachte bewegingen van het gras, maar het was een winderige middag en het lange gras golfde als water. Alleen iemand met haviksogen kon iemand over deze begroeide vlakte zien lopen.

Korte tijd later zei Caelis: 'Als we het komende half uur nog niets vinden, gaan we terug. We moeten nu toch al in het donker de rivier over.'

Een kreet van een buitenpost en iedereen keek westwaarts. Met zijn hand schermde Erric zijn ogen af tegen het zonlicht en zag een ruiter verwoed gebaren vanaf de voet van een grote bult in het landschap. Op een teken van Caelis keerde de stoet naar de ruiter.

Aangekomen bij het heuveltje zag Erric dat het was begroeid met hetzelfde gras, waardoor het eruitzag als een omgekeerde ruigbehaarde kom. De bult was bijna volmaakt rond en op enige afstand stond de tweede van een rij heuvels die in de richting van de bergen in de verte liep.

'Heb je wat gevonden?' vroeg Caelis.

'Sporen en een grot, kapitein,' antwoordde de ruiter.

Pradji en Vaja keken elkaar verbaasd aan en stegen af. Hun paarden aan de teugels meevoerend liepen ze naar de grot. Een kleine ingang, waar één man gebukt doorheen kon, leidde de duisternis in.

Inmiddels had Caelis de grond bekeken. 'Oude sporen.' Hij liep naar de ingang van de grot en liet zijn hand langs de stenen rand glijden. 'Dit is geen natuurlijke grot.'

'Of anders heeft iemand zijn best gedaan om hem te verstevigen,' zei Pradji, de wand eveneens betastend. 'Er zit steenwerk onder deze aarde.' Hij veegde er wat van weg, een paar op elkaar gepaste stenen blootleggend.  

'Sarakan,' zei Vaja.

'Zou kunnen,' gaf Pradji toe.

'Sarakan?' vroeg Caelis.

Pradji steeg weer op. 'Dat is een verlaten dwergen stad in de Ratn'gari. Geheel ondergronds. Een paar honderd jaar geleden zijn er wat mensen gaan wonen, van een of andere sekte van gekken, maar die zijn uitgestorven. Nu staat hij weer leeg.'

'Langs de Golf worden er regelmatig ingangen van aangetroffen,' zei Vaja, 'en in het voorgebergte bij het Grote Zuiderwoud ook.'

'Maar dat is toch honderden mijlen hiervandaan?' merkte Caelis op.

'Klopt,' beaamde Pradji, 'maar die rottunnels lopen overa1.' Hij wees naar de bult. 'Deze hier zou daar ergens uit kunnen komen,' - hij wees naar de bergen in de verte - 'of gewoon na een paar honderd voet kunnen ophouden. Dat hangt ervan af wie hem heeft gebouwd, maar hij ziet eruit als een ingang van Sarakan.'

'Misschien is hij door dezelfde dwergen gebouwd, maar loopt hij naar een andere stad?' opperde Ru.

'Zou kunnen,' zei Pradji. 'Het is heel lang geleden sinds de dwergen ergens anders dan in de bergen woonden en stadslui blijven nooit lang op de Vlakte van Djams.'

'Zouden we hem als opslagplaats kunnen gebruiken?' vroeg Caelis. 'Kunnen we hier wapens en voorraden achterlaten voor het geval we langs deze kant van de rivier moeten gaan?'

'Ik zou het niet doen, kapitein,' antwoordde Pradji. 'Als de Gilani's hier in de buurt zijn, kunnen ze deze grot als basis gebruiken.'

Een tijdlang was Caelis stil. Toen sprak hij luid, zodat de hele troep hem kon horen, behalve dan de buitenposten. 'Prent deze plek in je geheugen. Let op de oriëntatiepunten in het landschap. Misschien moeten we binnenkort deze plek snel terug zien te vinden. Als we, om welke reden dan ook, het kamp moeten verlaten of ons een weg naar buiten moeten vechten en je kunt Lanada niet rechtstreeks bereiken, ga dan naar deze grot. De mannen die elkaar hier treffen, gaan zo goed en zo kwaad als het kan zuidwaarts. De Stad aan de Serpentrivier is jullie uiteindelijke bestemming, want daar ligt een van onze schepen te wachten.'  

Erric keek om zich heen en toen omlaag naar zijn rijdier. Als hij de neus van het paard in één lijn bracht met twee bergpieken - de ene als een afgebroken slagtand en de andere als een tros druiven - met achter hem de rivier en links van hem een andere bergpiek, dan moest hij deze plek wel weer kunnen vinden.

Nadat de mannen zich hadden georiënteerd, draaide Caelis zich om naar een buitenpost die vanaf een heuveltop naar hen stond te kijken. Met een armgebaar gaf hij aan dat ze teruggingen.

De man bevestigde het bevel, draaide zich om en gaf hetzelfde teken aan een ruiter verderop terwijl Caelis het bevel gaf terug te keren naar het leger van de Smaragden Koningin.