6 Ontdekking
Het wezen bewoog.
De vrouw stond ongeduldig op toen de begeleiders van het wezen opzij gingen. Verscheidene anderen stonden bijeen in de hoeken van de immense zaal, stilletjes met elkaar pratend, en degenen die het slapende monster hadden verzorgd, liepen nu naar hen toe. Zonder verder nog acht op hen te slaan, bekeek de vrouw het ontwakende wezen. Voor het sterfelijk oog was het beest de oermoeder aller draken, een gigantisch schepsel wier massa hoog boven haar dienaren uittorende. Zelfs in de enorme zaal die dienst deed als haar woning, was ze immens. Aan verre wanden flikkerden olielampen, maar zowel de draak als de vrouw hadden maar weinig natuurlijk licht nodig om in het donker te kunnen zien. Er hing een vage, kruidige geur in de lucht, wellicht van de olie in de lampen of anders bedoeld om de lucht te veraangenamen, de vrouw wist het niet.
Uiteindelijk opende de draak haar ogen, ter grootte van paleisramen, ermee knipperend. Ze rekte zich uit, liet haar kop zakken en geeuwde, ivoren tanden tonend zo groot als flitsers, de gigantische tweehands-kromzwaarden uit Groot Kesh. Haar huid was de reden voor de afwezigheid van meer verlichting, want die bestond uit juwelen, gegoten over eens goudkleurige schubben. Een heldere verlichting veroorzaakte door de hele zaal een stortvloed aan kleuren en al was ze in staat tot kunsten die het menselijk begrip doorgaans te boven gingen, van de voortdurend dansende weerkaatsingen kreeg de draak nu eenmaal hoofdpijn.
De vrouw had vaker draken ontmoet, doch nooit een als deze, en al was ze niet gauw onder de indruk, ze moest voor zichzelf nu toegeven dat dit inderdaad een indrukwekkend wezen was. Ze hadden elkaar al 'gesproken' met gebruik van magische kunsten, maar dit was hun eerste ontmoeting in levende lijve. Ondanks alle pogingen om de identiteit van dit wezen gedurende de afgelopen halve eeuw geheim te houden, waren al in diverse delen van het Koninkrijk legenden opgedoken over de 'grote edelstenen draak'.
Doch de vrouw wist dat dit geen echte draak was, ook al was ze wel uit draken voortgekomen. De geest van de oorspronkelijke draak was gesneuveld in de grote veldslag die bijna vijftig jaar geleden in deze zaal zijn hoogtepunt had gekend. Het omhulsel dat eens had toebehoord aan Ryath, dochter van Rhuagh - misschien wel de grootste aller gouden draken - werd nu bewoond door een buiten-Midkemisch en oeroud bewustzijn: het Orakel van Aäl.
Vanuit de keel van het wezen rommelde een diepe, zware stem: 'Gegroet, Miranda. Hoe vaart u?'
De vrouw knikte. 'Het gaat mij goed. De reis vanaf het standbeeld in Malachskruis is echter desoriënterend.'
'Dat is de bedoeling. Alleen zij met een zekere gave mogen die reis aanvaarden en ik wil ervoor zorgen dat welke talenten zij ook bezitten, ze slechts een vaag idee hebben over de werkelijke ligging van deze zaal.'
Miranda knikte instemmend. 'Dat is duidelijk. En hoe voelt u zich?'
'Moe van de hitte. Iedere dag slaap ik langer. Maar de tijd dringt. Binnenkort ga ik in geboorteslaap en dan beëindig ik deze fase van mijn bestaan.'
'De tijd dringt inderdaad. Hoe lang hebben we uw leiding nog?'
'Nu al wordt de toekomst onduidelijk en vaag voor me. Mijn dochter zal de eerste twintig jaren van haar leven de gave niet bezitten, dus binnenkort is het zoals het was voordat ik naar deze wereld kwam, de vijf jaar van mijn geboorteslaap en de twintig jaar van mijn dochters kindertijd. Maar er is meer.'
'Wat dan?'
'Veel kan ik er niet van zien, wat alleen betekent dat het ook mijn eigen toekomst betreft, want aan alle levende wezens, zelfs aan mij, is de kennis over de eigen toekomst ontzegd.'
Het Orakel van Aäl werd beschouwd als het oudste wezen van het universum, dat al oud was toen de Valheru ten tijd~an de Chaosoorlog opstonden tegen de goden. Met die gedachte in haar hoofd keek Miranda naar een verhoogd podium achter het orakel. Met haar wilskracht een verschuiving in haar gezichtsvermogen teweegbrengend, zag de vrouw de steen te voorschijn springen, spookachtig groen van kleur, pulserend van een innerlijk licht. Een tijdlang bleef ze staren naar het hypnotiserende ritme ervan. 'Roeren ze zich weer?' vroeg Ze toen.
'Ze roeren zich altijd,' zei het orakel. 'Maar nu maken ze opvallend veel drukte. Op een of andere manier hebben ze buiten de steen nog steeds invloed op eenieder die zich afstemt op hun roep.'
'Ze' waren de Valheru, de oeroude wezens die de meeste bewoners van deze wereld kenden als de Drakenheersers. Door geheimzinnige krachten die hun verstandelijk begrip te boven gingen, zaten ze gevangen in de steen, waaruit een gouden zwaard met een ivoren zwaardknop stak. Een halve eeuw geleden had er in de stad boven de zaal een verschrikkelijke strijd gewoed die de geschiedenis was ingegaan als de Slag om Sethanon, en in deze zaal was een al even zware strijd geleverd. Hier had de vreemde half-mens, half- Valheru Tomas, erfgenaam van de mantel en de macht van Asschen-Sukar, de Heerser van het Adelaarsbereik, gestreden met een geestwezen in de gedaante van zijn oude bloedverwant Dreeken-Korin, de Heer der Tijgers. Tegelijkertijd hadden Puc van Sterrewerf, magiër van twee werelden, en Macros de Zwarte, de weergaloze tovenaar, gevochten om een scheur tussen twee universa gesloten te houden, daarbij geholpen door twee Tsuranese Grootheden, magiërs van de wereld Kelewan. En de draak, Ryath, had gestreden met een opperdrocht, een wezen uit een onbekende ruimte-tijd, wiens aanraking dodelijk was. Uiteindelijk waren de Valheru verstrikt geraakt in de steen, de opperdrocht overwonnen ten koste van Ryaths leven en heel de strijdmacht van de valse profeet Murmandamus verslagen. Aan weerszijden, in dienst van het Koninkrijk en onder de banier van de moredhelse hoofdman, had geen soldaat geweten wat de reden voor de oorlog was geweest. Niemand van de hoogste leiders van de Naties van het Noorden, zoals de Zwarte elfen en de gnomen werden genoemd, had geweten dat Murmandamus in werkelijkheid een Pantathische serpentpriester was die op magische wijze was veranderd in hun legendarische leider. Alleen de koninklijke familie en een handvol vertrouwelingen wisten van het bestaan van de Levenssteen en de aanwezigheid van het Orakel.
En nu was de voornaamste beschermer van de Levenssteen, de magische en fysieke entiteit van de orakeldraak, stervende.
'Hoe zal de verandering plaatsvinden?' vroeg Miranda.
De draak tilde haar kop op en knikte langzaam naar rechts, waar zes mannen in gewaden zachtjes met elkaar stonden te praten. 'Zij, mijn echtgenoot-dienaren, maken zich al klaar voor hun transformatie.'
De mannen deden hun kappen af en Miranda zag dat het nog maar jongens waren. 'Toen de hitte begon te komen,' vervolgde de draak, 'heb ik een oproep gedaan en alle jongelingen in de omgeving met een zekere gave hebben mijn roep beantwoord. Ze verlieten hun woonplaatsen en kwamen naar Malachskruis, waar het standbeeld staat, en ik heb hen hierheen gebracht. Degenen die de noodzakelijke gaven misten, werden weggestuurd met de gedachte dat ze het allemaal maar hadden gedroomd. Degenen die ervoor kozen hier te blijven, zijn aan een test onderworpen en zij die daarvoor zakten zijn ook weggestuurd, met maar weinig herinneringen aan hun tijd hier. Maar deze zes zijn de eerste jongelingen die zich waardig hebben getoond om aan mijn dochters zijde te staan.'
Zes oudere mannen kwamen bij de zes jongelingen staan.
'Dit zijn hun leraren, die zich bij mij zullen voegen om te creëren wat mijn dochter zal zijn, en als ze klaar zijn, sterven hun lichamen. De nog levende geestkracht en kennis gaan dan over op deze zes jongemannen.' De draak gebaarde naar een andere groep aan de overkant van de zaal en er kwamen nog zes oudere mannen naar voren. 'Ik hoop dat zich meer jongelingen die zijn gekomen waardig zullen tonen, want als deze lieden geen opvolger hebben wanneer het tijd is om te sterven... gaat hun kennis voor altijd verloren.'
'Niet meer dan twaalf?' vroeg Miranda.
'Had Puc ons niet van onze stervende planeet gehaald, dan zouden er helemaal geen meer zijn. En mocht er een dertiende waardig kind nog voor de geboorte bij ons komen, dan kan ook hij één met ons worden. Als er een meisje komt, dan nog een dochter, die zal dienen met de eerste dochter. Misschien groeien wij toch nog in aantal, wij van de Aäl.'
Miranda hield haar ongeduld verborgen. Op het moment had ze andere dingen aan haar hoofd. 'En dan baart u uw dochter?'
'Dan voegt mijn geest zich bij de geesten van mijn echtgenoot-dienaren en gaan wij geheel in elkaar op, alle herinneringen en gevoelens, alle pijn en vreugde, tot één bewustzijn, dat zich dan weer splitst, zodat deze jongens onze zonen worden en mijn dochter wordt gevormd.'
'Het nieuwe Orakel.'
'Dat zal zij zijn.'
'En welk lichaam zal zij bewonen? Ik zie hier nergens een jong meisje.'
'Dit drakenlijf is magisch. Het is het sterkste dat het Orakel sinds onze oudste herinneringen heeft gebruikt en zal opnieuw gebruikt worden.'
'Dus daarom zult u vijfentwintig jaar niet meer bij ons zijn?'
'Ja. Ze zal nog een kind zijn, ook al zal ze uiteindelijk mijn macht krijgen.'
Miranda slaakte een hoorbare zucht. 'In ieder geval zal het meisje groot genoeg zijn om iemand die in de tussentijd probeert binnen te komen de stuipen op het lijf te jagen.' Even dacht ze na. 'Weet u waar Puc is?'
Het Orakel sloot de ogen. 'Hij is niet op zijn eiland. Ik voel hem wel,' - ze maakte een vaag gebaar met haar hoofd - 'tussen de werelden.'
'Verdomme,' vloekte Miranda. 'Volgens mij hebben we hem hier hard nodig voordat uw dochter sterk genoeg is om deze zaal te verdedigen.' Weer dacht ze een tijdlang zwijgend na. 'Hoe lang duurt het nog voordat de hitte hoog genoeg is?'
'Wij versmelten in nog geen jaar tijd, Miranda. En dan ben ik er niet meer, want met de her-vorming gaat altijd iets verloren. Daarom kunnen wij, die aloud waren toen de sterren net waren geboren, ons maar weinig herinneren van ons eigen begin. Maar met deze hergeboorte zal er meer kracht en kennis komen, zodat zij die mij opvolgt, uiteindelijk mijn gelijke zal zijn en tenslotte mijn meerdere.'
'Als we zo lang nog leven,' mompelde Miranda.
'Er vormen zich duistere stromingen. Eerst zullen die tegen verre kusten slaan, maar uiteindelijk ook hier komen.'
'Ik moet weg. Er is nog veel te doen in maar weinig tijd. Ik vrees dat er al een groot aantal verkeerde keuzen zijn gemaakt en dat we veel te afhankelijk zijn van voorspellingen en voortekenen.'
'U kiest een vreemd gehoor voor dit argument,' reageerde het Orakel.
'Dat u erg nuttig bent geweest, staat buiten kijf,' zei de jonge vrouw; 'Maar ik geloof niet dat het lot onveranderlijk is. Volgens mij kan je je lotsbestemming aangrijpen, als je maar bereid bent de poging daartoe te doen.'
'Dat denken uw tegenstanders ook,' zei het Orakel. 'Dat is de kern van het probleem.'
'Maar dat zijn misleide fanatici, najagers van een krankzinnige droom die geen basis in de werkelijkheid heeft. Zij veroorzaken dood en pijn om geen enkele reden.'
'Dat is zo, maar ze hebben hetzelfde gevoel van zelfbeschikking als u.'
'Met dat idee in het achterhoofd,' zei Miranda droog, 'wens ik u vaarwel. Bent u hier voldoende beschermd?'
'Onze kunsten schieten alleen tegenover de allermachtigsten te kort.'
'Dan ben ik weg. Zien wij elkander terug?'
'Dat weet ik niet,' zei het Orakel. 'Er verschijnen mij te veel mogelijke aflopen, geen ervan duidelijk genoeg als zijnde waarschijnlijk.'
'Vaar dan wel op uw reis naar onsterfelijkheid en bid dat wij, mindere wezens, lang genoeg leven om uw dochter te begroeten wanneer ze tot haar wasdom komt.'
'Ik wens u heil en welslagen,' zei de draak.
Toen was de jonge vrouw verdwenen, opgelost in het luchtledige met slechts een zachte windvlaag die de lege plek waar ze had gestaan, opvulde.
Grinnikend zei de draak tegen de oudste van haar begeleiders: 'Ze lijkt op haar vader, vind je niet? Dat cynische trekje in haar karakter zou nog wel eens de zwakke plek kunnen zijn waar ze aan ten onder gaat. Ik hoop dat het lot haar vriendelijk gezind is.'
De oudste begeleider knikte. 'Precies haar vader.'
De wind sloeg tegen de gedaante op de heuveltop en haar mantel en gewaad bolden als gekromde vleugels achter haar op. Met de rook van de vuren in de verte prikkend in haar ogen, keek ze naar de slachting beneden zich. Achterblijvers werden opgejaagd door ruiters die moordden en verkrachtten voor de lol. Gebruik makend van haar kunsten bekeek ze het ene tafereel na het andere. Krijgers, door de furie van de strijd veranderd in beesten, troffen hulpeloze mannen, vrouwen en kinderen met pijn en vernietiging. Ze balde haar vuisten van woede, doch hield zich in. De bevelvoerders van de ruiters zouden ogenblikkelijk over haar neerdalen zodra ze haar aanwezigheid magisch bekend maakte. Angst kende ze niet, maar voorzichtigheid wel en ze besefte terdege dat haar waarde lag in het kunnen bereiken van veel dingen tussen nu en de tijd van de werkelijke strijd. Wanneer die kwestie werd beslecht, ging het om het lot van de hele wereld - en meer - en niet alleen om de levens van deze arme drommels.
Zelfs vanaf deze afstand hoorde ze de kreten van pijn in de wind en Miranda draaide zich om en liep de heuvel af. Voorlopig maakte ze een steen van haar hart, want al wilde ze deze weinige overlevenden nog zo graag helpen, haar aandacht werd opgeëist door veel ernstiger kwesties.
Toen ze het strijdtoneel naderde, liep ze ineengedoken verder. Zich schuilhoudend achter wat rotsen wachtte ze tot er een groep dronken krijgers met smaragdgroene armbanden voorbij waren gereden. Een van hen hield een gillende vrouw dwars over de hals van zijn paard. Miranda's gezicht werd rood van woede, maar ze beheerste zich. Niemand schoot er wat mee op als ze nu haar hoofd verloor.
Langs de randen van het slagveld lopend kwam ze bij een totaal vernield dorp. Geen gebouw stond nog overeind - hier een enkele muur, daar een deurkozijn, maar niets wat nog enigszins als onderdak kon dienen. Terwijl een scherpe rook in haar ogen prikte, zocht Miranda naar tekenen van leven. Toen ze die niet vond, waagde ze zich dieper het dorp in, zoekend naar iets waar ze wat uit af kon leiden. In de verte zag ze beweging en wegduikend achter een stuk muur wachtte ze af. Er reed een andere groep ruiters voorbij, niet zo waakzaam als ze zouden moeten zijn, doch geenszins de dronken herrieschoppers die ze eerder had gezien. Dit 'waren geoefende soldaten, meende ze, geen huurlingen, maar leden van de centrale strijdkrachten van de binnenvallende legermacht. Door hun aanwezigheid op deze plek kon ze nu redelijk inschatten hoe snel de veroveraars oprukten. Zachtjes vloekend, want het ging veel sneller dan ze had vermoed, liep ze het dorp uit. Met haar wilskracht kon ze zich op ieder gewenst moment verplaatsen naar een willekeurige andere plek, maar ze was moe en de inspanning om haar aanwezigheid voor haar vijanden verborgen te houden, begon haar tol te eisen. Een korte ongestoorde rusttijd op een stil plekje had ze nodig alvorens dit gebied te kunnen verlaten zonder haar vijand te laten weten dat ze hier was geweest.
Miranda dook door een verbrand deurkozijn tussen twee nog staande delen van een muur en zelfs haar ijzeren zelfbeheersing brak bij het zien van het tafereel dat haar begroette. Snakkend naar adem moest ze zich vastgrijpen aan de deurstijl, want haar knieën knikten toen ze de dode kinderen zag, hun kleine lichamen zwartgeblakerd op een stapel midden in het afgebrande gebouw. In haar keel welde een diep dierlijk gegrom van pijn en woede op en ze moest zich uit alle macht verzetten tegen de razernij die haar dreigde te overweldigen. Als een van die monsters die deze gruwelen hadden aangericht nu haar pad zou kruisen, zou ze hem beslist terstond doden, ongeacht de gevolgen voor haar eigen missie.
Zich tot kalmte dwingend haalde ze een paar maal diep adem, vechtend tegen tranen van diep leed. Zuigelingen met ingeslagen schedels lagen boven op oudere kinderen waar de geblakerde pijlen nog uitstaken. In ieder geval waren de kinderen al dood voordat het gebouw in brand werd gestoken, dacht Miranda. Met bitterheid vroeg ze zich af of doodgestoken of -geschoten worden wel echt zo veel vriendelijker was dan levend verbranden. De zielen van de gekwelde lichaampjes rust en vrede wensend, verliet ze het gebouw. Voorzichtig liep ze tussen het puin door naar de andere kant van de plek waar ze de ruiters had gezien. Ze keek om de hoek van wat eens een herberg was geweest en zag niets. In vliegende vaart rende ze het dorp uit, sprong over een beekje dat uit de heuvels omlaag liep, en stormde verder naar een groep bomen.
Daar scheelde het niet veel of ze was gedood.
De vrouw was zo doods bang dat ze mis stak, maar haar mes schampte toch nog langs Miranda's linkeronderarm. Een kreet van pijn verbijtend greep Miranda de vrouw met haar rechterhand bij de pols, haar met een snelle draaibeweging dwingend het mes los te laten.
Sissend van pijn en woede zei Miranda zachtjes: 'Wees stil, idioot! Ik doe je geen kwaad.' Toen zag ze de twee kinderen ineengedoken zitten achter de vrouw. 'En je kinderen ook niet,' voegde ze er op zachtere toon aan toe. Ze liet de vrouw los en bekeek de schade aan haar arm. Het was een oppervlakkige wond en Miranda legde er haar rechterhand op.
'Wie ben jij?' vroeg de vrouw.
'Ik heet Miranda.'
De ogen van de vrouw liepen vol tranen. 'Ze... ze vermoorden de kinderen.'
Miranda deed haar ogen dicht en knikte. Vrouwen konden de overvallers nog wel een tijdje gebruiken terwijl ze verder marcheerden, maar aan kinderen hadden ze niets. Misschien dat de slavenhandelaars die het hoofdleger volgden hen mee zouden nemen, maar hier aan het front konden kinderen alleen maar de vijand vertellen wat ze hadden gezien.
Met een door tranen verstikte stem zei de vrouw: 'Ze pakten de allerkleinsten bij de voeten en ze sloegen hen met de hoofden- '
'Hou op!' zei Miranda, maar haar stem, weliswaar gebiedend, klonk ook gegriefd. 'Hou op,' herhaalde ze zacht, de tranen in haar eigen ogen negerend. Ze had de verbrijzelde schedeltjes gezien. 'Ik weet het.' Toen nam Ze de vrouw aandachtig in zich op. Haar ogen waren groot van angst, doch zouden onder normale omstandigheden ook groot zijn geweest. Haar oren onder haar blonde haar waren puntig en hadden geen lellen. Miranda keek naar de kinderen: het was een tweeling. Met grote ogen van ongeloof vroeg ze: 'Behoren jullie tot wat ze de langlevenden noemen?'
De vrouw knikte. 'Ja.'
Miranda deed haar ogen dicht en schudde haar hoofd. Geen wonder dat de vrouw bijna buiten zichzelf was. De wezens die in het grootste deel van de wereld van mensen bekend stonden als elfen, kregen zelden kinderen, die dan ook meestal enkele tientallen jaren in leeftijd verschilden van hun broers of zusters. Sommige elfen werden werkelijk eeuwenoud en de dood van een kind van een hunner was veel erger dan een mens zich kon voorstellen. Maar een tweeling kwam vrijwel nooit voor bij de eledhel, zoals ze zichzelf noemden. Het verlies van deze twee jongetjes zou voor een elf een voor mensen onvoorstelbare tragedie betekenen. 'Ik begrijp het gevaar,' zei Miranda.
'Het hele dorp is afgeslacht,' zei de vrouw. 'Ik had de jongens meegenomen om in het bos naar voedsel te zoeken. We zouden vannacht weggaan. We wilden op zoek naar de Jeshandi en hun om onderdak vragen.'
Miranda knikte. Onder de Jeshandi kwam een hoog percentage langlevenden voor. Bij hen zouden deze vrouwen haar kinderen vrijwel zeker terecht hebben gekund.
'We dachten dat de aanvallers hier de komende dagen nog niet zouden zijn.' Haar ogen liepen weer vol. 'Mijn man .. .'
Miranda haalde haar hand van de wond op haar arm en bekeek die. Het bloeden was gestopt en het enige dat er van de snee nog te zien was, was een roze litteken. 'Als hij in het dorp was, is hij dood,' zei ze. 'Het spijt me.' Ze wist hoe hol het klonk.
Ineens hervond de elfenvrouw haar zelfbeheersing. 'Dan moet ik de kinderen alleen beschermen.'
'Verdomme,' zei Miranda. 'Als we bij deze moorddadige bende vandaan kunnen komen, kan ik misschien helpen.' Ze keek weer naar de twee jongetjes, die haar met enorme ogen in kleine gezichtjes aanstaarden. Ouder dan vijf konden ze niet zijn en ze zouden de komende dertig jaar door hun ras nog steeds als kinderen worden beschouwd en pas over een eeuw tot volle wasdom komen. Maar naar alle maatstaven, van mensen zowel als elfen, waren het mooie kindertjes. Met een berustende zucht zei ze: 'Ik zal je kinderen redden.'
'Hoe dan?'
'Kom met me mee, maar wees stil.'
Miranda liep weg. De vrouwen de jongens volgden haar en al had Miranda kunnen wensen dat ze de legendarische woudlopers kunsten van hun ras beheersten - deze drie waren dorps bewoners en niet gewend om door het dichte struikgewas te lopen - ze bewogen zich in ieder geval een stuk stiller voort dan een drietal mensen zou hebben gekund.
Het slingerende pad volgend dat ze moesten hebben gebruikt om het woud in te gaan, ging Miranda de vluchtelingen voor. Na bijna een uur vroeg ze: 'Is er ergens een plek in de buurt waar ik even zou kunnen slapen?'
'Verderop is een kleine open plek,' zei de vrouw, 'met aan de andere kant de ingang van een grot.'
Miranda knikte en richtte haar aandacht weer op het pad. Misschien kamden de overvallers het gebied uit naar overlevenden, als ze tenminste niet al genoten van de vruchten van hun plunderingen. In dorpjes als deze viel niet veel van waarde te halen en als er maar weinig vrouwen in de goede leeftijdsklasse beschikbaar waren voor het plezier van de mannen, konden de bevelhebbers wel eens een paar groepjes op patrouille sturen om te voorkomen dat er werd gevochten om het voorrecht als eerste de vrouwen te verkrachten.
De elfenvrouw probeerde de twee zwijgzame jongetjes een beetje door te laten lopen en na een tijdje pakte Miranda een van hen op. De vrouw knikte en tilde het andere kind op, en samen droegen ze hen. Als een kind bang genoeg was, bleef het vanzelf stil, wist Miranda, en deze twee kleintjes waren doodsbenauwd. Zonder erbij na te denken gaf ze het kind een kus op het voorhoofd en streelde even zijn haar voordat ze verder liep.
Zich tussen de bomen door haastend bleven ze eenmaal staan toen ze in de verte paarden hoorden. Ze wachtten, luisterden, en toen het geluid zachter werd gingen ze verder. Bij een dichtbegroeid gebied liepen ze door het kreupelhout naar een open plek. Aan de overkant was een grot zichtbaar. 'Daar is het veilig,' zei de vrouw;
Miranda zette het kind neer. 'Wacht even,' zei ze en liep het donker in, haar magische kunsten benuttend om in de duisternis te kunnen zien. De grot was inderdaad leeg en er waren genoeg sporen van gebruik door mensen om aan te nemen dat hij niet door dieren als hol werd gebruikt. Ze ging weer naar buiten. 'Kom-'
Voordat ze kon uitspreken, sprong er met veel geraas een man uit het kreupelhout, schreeuwend: 'Ik zei toch dat ik sporen had gezien!' Hij trok een groot mes uit zijn gordel. 'Een paar snot jochies!' riep hij uit. 'Maar de vrouwen zijn jong!'
Achter hem klonk de stem van een tweede man, maar wat hij zei ging verloren toen Miranda schreeuwde: 'Naar binnen!'
De vrouw greep haar beide kinderen elk bij een arm en rende de grot in. Miranda trok een lange dolk uit de schede aan haar riem en wachtte af. De andere man verscheen achter de eerste op de open plek.
Beiden zagen eruit als gewone huurlingen. De eerste droeg een versleten wapenkleed over een roestige maliënkolder. Het verschoten wapenschild was Miranda onbekend. De tweede was een lange man met een dik gewatteerd hemd dat bij de schouders was afgesneden, want het was hem duidelijk een maat te klein en zou zijn bewegingsvrijheid anders hebben beperkt. Langzaam kwamen ze op haar af.
'Wat wou je daarmee gaan doen?' snauwde de tweede man, wijzend op Miranda's dolk. Hij wierp een blik naar zijn metgezel.
'Doe dat eens weg, meisje,' zei de eerste met een nerveuze glimlach. 'We zullen voorzichtig met je doen als je je netjes gedraagt. Maar als je moeilijk doet, zijn we niet zo zachtzinnig.'
Nog steeds wachtte Miranda af en toen de tweede man zo dichtbij kwam dat hij naar haar zou kunnen grijpen, deed ze een snelle stap naar voren, sneller dan beide mannen hadden verwacht, en stak de dolk in zijn keel. Terwijl de eerste man geschokt achteruit sprong, rukte ze de dolk los. De lange stierf gorgelend terwijl het leven uit het gat in zijn keel gutste.
'Hé!' riep de eerste. Zijn snelle bewegingen kenmerkten hem als een gevaarlijke vijand, hoe haveloos hij er ook mocht uitzien. Zijn zwaard kwam sissend uit de schede en hij stond al klaar om haar op te vangen voordat ze dichterbij kon komen, dus trok ze zich terug.
In de verte klonk hoefgetrappel en de man schreeuwde: 'Hiero! Hierheen!'
Miranda vloekte toen er terug werd geroepen. Terwijl ze hem behoedzaam bleef observeren, maakte ze een schijnbeweging. Onmiddellijk haalde hij uit met zijn zwaard en even gaf hij zijn arm bloot. Meteen stak ze toe met haar dolk, maar het lemmet ketste af op de maliën rond zijn schouder. Hij haalde naar haar uit met de bedoeling haar hoofd van haar schouders te slaan, maar ze hurkte slechts. Terwijl de zwaardkling door het luchtledige suisde, stak ze omhoog met haar dolk, hem treffend in zijn onbeschermde kruis. Krijsend van pijn sloeg hij dubbel en Miranda trok haar mes vlug los. Een stortvloed van rood bloed zei haar dat ze de beenslagader had geraakt en dat de huurling binnen enkele tellen zou sterven. Doch het geluid van naderende paarden liet haar weten dat ook zij nog maar een paar minuten te leven had als ze niet snel handelde.
Ze rende de grot in en knielde voor de elfenvrouw neer. 'Hoe heet je?'
De vrouw, die gehurkt voor de twee jongens zat, antwoordde: 'Ellia.'
'Ik kan jou en de kinderen wel redden, maar ik kan jullie niet naar de Jeshandi brengen. Komen jullie met me mee?'
Met een blik naar buiten, waar ze de ruiters de open plek al op hoorde komen, zei ze: 'Heb ik een keus?'
'Nee,' zei Miranda. Ze boog zich naar haar toe alsof ze haar omhelsde, legde haar handen op de hoofden van de jongens, en ineens tolde alles om hen heen de duisternis in.
Een ogenblik later bewoog de lucht en was het een warme avond. De vrouw snakte naar adem en zei: 'Wat .. .'
Miranda viel onhandig achterover en kwam met een bons op vochtige aarde terecht. 'We zijn...' begon ze, maar ze was duidelijk gedesoriënteerd.
Terwijl Miranda herstelde van de duizeligheid van de verplaatsing, keek Ellia om zich heen. Ze zaten op een grote open plek in een dicht woud, waar een rivier doorheen liep. Het vrolijke geluid van water dat op rotsen spatte was een schokkende verandering na de kreten van de stervenden.
Ellia stond op, ging naast Miranda staan en bukte zich om haar overeind te helpen. De donkerharige vrouw schudde haar hoofd om het waas voor haar ogen te verdrijven.
Een sissend geluid in de verte trok hun aandacht en beiden zochten naar de herkomst ervan. Aan de nachtelijke hemel verscheen een vage groene gloed, die snel veranderde in een punt van licht.
'Vlug, het water in!' gebood Miranda en zonder aarzelen draaide Ellia zich om en pakte haar kinderen op, elk onder één arm. De rivier was niet diep, doch stroomde snel en de elfenvrouw moest zich inspannen om niet uit te glijden op de gladde rotsen. 'Niet omkijken!' riep Miranda en gehoorzaam waadde Ellia zwijgend tot aan haar heupen het water in. De twee jongetjes klampten zich stevig aan hun moeder vast en gaven geen kik, ondanks de plotselinge duisternis en de kou van het rivierwater.
Het sissende geluid werd harder en de jongens drukten hun gezichtjes tegen hun moeders boezem als om te vluchten voor het snerpende geluid. Ellia dacht dat haar oren ervan gingen bloeden en uiteindelijk konden de kinderen het niet meer verdragen en begonnen ze te huilen.
Door een oorverdovende explosie werd Ellia voorover gesmeten en een angstig moment vreesde ze dat Ze haar kinderen zou kwijtraken. Het water sloot zich boven hun hoofden, maar ze draaide zich op haar rug en worstel?e tot ze op haar knieën zat, de hele tijd haar kinderen tegen zich aan drukkend. Hoestend en sputterend kwamen de jongens boven water, maar ze hadden niet losgelaten.
Door haar struikelpartij was Ellia omgedraaid en zonder dat ze het kon helpen, keek ze naar Miranda. Er scheen een fel oranje licht vanuit de hemel naar beneden, een lange bundel energie die de jonge vrouw geheel omgaf. Miranda hief haar armen op als om de verblindende energiestraal af te weren. Opnieuw werd Ellia getroffen door een drukgolf van hete lucht, ditmaal heet genoeg om haar boven het water uitstekende hoofd en schouders grotendeels te drogen. Onverwachts bewoog Miranda haar handen en er verscheen een rasterwerk van witte met paars dooraderde energie die zich razendsnel begon te verspreiden over de zuil van oranje licht, in de richting van de bron ervan. Fel wit schoot het raster opwaarts langs de oranje energie, te fel om naar te kijken. Zo vlug als ze kon in het water, draaide Ellia zich om, de jongens zo veel mogelijk tegen de hitte beschermend.
Verder wadend kwam ze aan de overkant van de rivier en duwde de jongens op het gras van de oever. Toen probeerde ze zelf uit het tot haar middel reikende water te komen. Ineens werd ze door een paar sterke handen beetgepakt en moeiteloos omhooggetrokken.
Drie mannen in groen leer stonden te kijken naar het woeste schouwspel aan de overkant van het water. Een van hen leunde op een langboog en zei iets tegen Ellia in een vreemde taal.
Geruststellend legde ze haar handen op de schouders van haar jongens en zei: 'Ik versta u niet.'
Verrast een wenkbrauw optrekkend wierp de man een blik op zijn twee metgezellen, toen keek hij Ellia weer aan. 'U spreekt Keshisch, maar niet uw eigen taal?'
Zijn accent klonk Ellia vreemd in de oren, maar Ze kon hem wel verstaan. 'Ik spreek de taal die ik van mijn ouders heb geleerd.'
Plotseling verdween het felle licht, de open plek in inktzwarte duisternis hullend. Alsof ze dronken was, stond Miranda op haar benen te zwaaien, maar even later hervond ze haar evenwicht en draaide zich om. Toen haar ogen aan de duisternis gewend waren, zag ze aan de andere kant van de rivier Ellia en de jongens staan bij drie elfenkrijgers. 'Mag ik binnenkomen?' vroeg ze zwak in de Koninkrijkse taal.
'Wie wenst Elvandar te betreden?' antwoordde een van de krijgers.
'Iemand die de raad zoekt van heer Tomas.'
'Steek maar over als u kunt.'
'Ik denk dat me dat wel lukt,' zei Miranda droog.
Terwijl Miranda naar de overkant waadde, zei de elfenvrouw tegen haar: 'Wat is dit voor een magie?'
'Dit is de woonstee van jouw volk, Ellia,' antwoordde Miranda. 'Dit zijn eledhel en we staan hier op de grens van Elvandar.'
'Elvandar?' Ze keek verward. 'Maar dat is een legende, een verhaaltje dat de ouden aan de kinderen vertellen.'
'Ik begrijp dat er veel vragen te beantwoorden zijn,' sprak de leider van de drie krijgers, 'maar niet nu en niet hier. Kom, het is nog twee dagen reizen naar het hof van de koningin.'
'De kleintjes zijn moe,' zei Miranda, 'en ze zijn bang.'
De elf keek naar de jongetjes. Zijn ogen werden iets groter, een reactie die de meeste mensen zou zijn ontgaan, maar Miranda zag zijn verbazing. 'Een tweeling?' zei hij.
Ellia keek naar Miranda, die antwoordde: 'Inderdaad.'
Daarop zei een van de andere twee elfenkrijgers: 'Ik ga meteen om bericht naar het hof te brengen.' Hij draaide zich om en verdween tussen de bomen. Op een gebaar van de eerste elf knikte de ander eenmaal met het hoofd en volgde zijn metgezel.
'Mijn naam is Galain,' zei de leider tegen Miranda. 'De anderen zijn Althal, die teruggaat naar ons kamp om een maaltijd voor jullie te bereiden, en Lalial, die bericht gaat brengen naar de koningin en haar gemaal.'
Daarop hing hij de boog over zijn schouders en zonder iets te vragen pakte hij de beide jongens op alsof het twee jonge poesjes waren. De jongens keken naar hun moeder, maar geen van beiden protesteerde. Even legde Miranda haar hand op Ellia's schouder en gebaarde toen met haar hoofd dat ze hun gids moesten volgen.
Met haar normale gezichtsvermogen hield Miranda de anderen in zicht. Haar kunsten waren uitgeput door het gevecht op de rivieroever. Het was maar een korte strijd geweest, doch daarom niet minder verbeten. Maar ondanks haar uitputting was Miranda zeer tevreden. De Pantathische magiër die de speurende energie stroom achter haar aan had gestuurd, was niet op haar tegenaanval bedacht geweest. Met grimmig genoegen dacht ze aan het lijk dat nu aan de andere kant van de wereld lag te smeulen.
Zonder één woord te hebben gesproken, bereikten ze het kamp. Er brandde al een vuur en Althal legde er nog wat hout op. Miranda's neus werd gevuld door de geurige aroma's van houtrook en vers wild.
De jongetjes sliepen inmiddels en voorzichtig zette Galain hen neer op de grond. 'Over een paar uur wordt het licht,' zei hij zachtjes. 'We geven hun wel te eten wanneer ze wakker worden.'
Met een bons liet de elfenvrouw zich op de grond zakken, zowel lichamelijk als emotioneel uitgeput. Haar woonplaats was verwoest, haar man was dood en plotseling bevond ze zich in dit onbekende gebied met deze vreemdelingen, zonder zelfs maar de beschikking te hebben over de simpelste persoonlijke eigendommen.
'Wie zijn jullie?' vroeg ze in de taal van haar land.
Antwoord gevend, schakelde Galain over op het Yabonees, de taal van de naburige Koninkrijkse provincie die verwant was aan de oude taal van Kesh, de gemeenschappelijke voorloper van de taal die Ellia sprak. 'Wij zijn van de eledhel - net als u.'
'Dat woord ken ik helemaal niet,' zei Ellia, uiterlijk kalm, ook al was ze doodsbang.
'In onze eigen taal betekent het: "zij die licht zijn",' legde Galain uit. 'Er moet u nog veel worden verteld. Maar om te beginnen dit: eeuwen geleden is ons ras verdeeld in vier stammen, bij gebrek aan een betere term. De oudsten onder ons, de eldar, zijn de bewaarders van wijsheid. Zij die hier onder koningin Aglaranna in Elvandar wonen zijn de eledhel. En er zijn ook nog anderen: glamredhel, de wilden, en moredhel, de onzaligen. Maar een paar jaar geleden ontdekten we het bestaan van uw volk, die wij de ocedhel noemen: "zij van over zee". We weten niet zeker of jullie eigenlijk glamredhel zijn of eledhel die de kennis van hun eigen ras zijn kwijtgeraakt. Maar in ieder geval zijn jullie welkom in Elvandar. Hier wonen wij.' Hij glimlachte. 'Wij zijn als u. Hier bent u veilig.'
Nadrukkelijk keek Ellia hem in de ogen, hem bestuderend. Alsof hij haar gedachten kon lezen, hield hij zijn lange haar opzij om haar de puntige, lelloze oren van het elfenras te tonen. Ze slaakte een zucht van opluchting. 'Veilig...' herhaalde ze. Aan haar stem was te horen dat ze dat nauwelijks kon geloven.
'Je zult merken dat dit de veiligste plek op de hele wereld is,' zei Miranda.
Ellia knikte, trok haar knieën op tot onder haar kin, sloeg haar armen eromheen en deed haar ogen dicht. Even later verscheen er een traan op haar wang en ze zuchtte nogmaals.
Galain liet haar alleen met haar herinneringen. 'Dat was een indrukwekkende vertoning,' zei hij tegen Miranda.
'Slangen!' zei Miranda terug, het woord uitspuwend.
Galains ogen vernauwden zich tot spleetjes. 'De serpentlieden?'
Miranda knikte.
'We vertrekken zodra de jongens wakker zijn en hebben gegeten. Ga nu maar slapen als u kunt.'
Dat hoefde haar geen tweemaal te worden gezegd. Op de plek waar ze zat ging ze liggen op de vochtige grond en viel binnen enkele tellen in diepe slaap.
De twee jongetjes zaten bij Galain en Althal op de schouders. Ellia en Miranda repten zich achter hen aan. Door de last die ze te dragen hadden, liepen de elfen niet zo vlug als anders, maar toch moest ze haar best doen om het tempo bij te houden. Uit Ellia's onhandigheid putte ze een schrale troost, want het was te danken aan een leven lang wonen in de wouden dat de elfen zo soepel door het kreupelhout konden trekken, niet aan de kenmerken van hun ras.
Meteen nadat de jongens hadden gegeten, hadden ze het kamp bij de rivier verlaten. Vrijwel de hele dag hadden ze gelopen, met een korte middagpauze om even wat gedroogd vlees en fruit te eten. Daarna waren ze in stevige pas tussen de bomen verder gegaan tot een uur voor zonsondergang.
Galain was op jacht gegaan terwijl Althal een vuur aanlegde. Binnen het uur was Galain teruggekeerd met een stel konijnen. Erg rijke kost voor vier volwassen en twee kinderen was het niet, maar toch genoeg om ongeplaagd door honger te kunnen slapen.
De ochtend naderde te snel voor de uitgeputte kinderen en vermoeide vrouwen, maar zodra de zon in het oosten opkwam, gingen ze weer op pad. Tegen het middaguur ontmoetten ze een jagerspatrouille en vlug werd er informatie met Galain en Althal uitgewisseld. Vanwege haar onbekendheid met de subtiele wijze waarop elfen met elkaar communiceerden, kon Ellia niets van het gesprek volgen en ook Miranda miste er een hoop van.
Halverwege de middag arriveerden ze op een enorme open plek. Met open mond van ontzag struikelde Ellia voort en zelfs Miranda was onder de indruk.
Aan de overkant van de open plek verrees een machtige bomenstad. Stammen waarbij de grootste eiken in het niet vielen, torenden hoog boven hen uit, de hemel aan het zicht onttrekkend. Een dicht bladerdek vormde boven de stammen een baldakijn dat zich uitstrekte tot ver buiten het zicht, en hier en daar werd het donkergroen van het bladerscherm onderbroken door een boomtop van een andere kleur, soms goud, of wit, een enkele keer sprankelend smaragdgroen of azuurblauw; En overal speelde een vage gloed door de bomen, alsof het hele gebied door een magische nevel werd omgeven.
'Elvandar,' zei Galain.
Ze staken de open plek over en toen ze de boomgrens naderden, zag Miranda gedaanten lopen. Er waren arbeiders, huiden looiend, wapens smedend en houten gebruiksvoorwerpen snijdend. Anderen voorzagen pijlen van veren, bewerkten stenen of bereidden voedsel. De gewoonheid van al die taken deed echter niets af aan de uitstraling van deze stad: Elvandar was wellicht het meest magische oord ter wereld. Overal klonken geruststellende geluiden in plaats van het kabaal dat gewoonlijk met arbeid gepaard ging, en de stemmen der arbeiders waren eerder muzikaal dan hard.
Aangekomen bij een gigantische boom zag Miranda dat er in het levende hout van de stam een trap was uitgehouwen.
'Als u hoogtevrees hebt, Miranda, zeg het dan nu.'
Uit haar mijmerij opgeschrikt zag Miranda dat Galain naar haar en Ellia stond te kijken. Ze zei niets, schudde haar hoofd en Galain ging hun voor naar boven.
Tijdens de klim zag Miranda dat de grotere takken van boven vlak waren en zodoende smalle paden vormden waarover de elfen van boom tot boom liepen. In veel stammen zaten holtes, waarin kennelijk kleine woningen waren gemaakt.
De hen passerende elfen glimlachten begroetend en verscheidene toonden openlijk hun verrukking bij het zien van de tweeling. De meesten van hen waren gekleed in leer, bruin of groen van kleur, maar anderen droegen zachte gewaden, versierd met kralen of edelstenen. Allemaal waren ze even lang, sommigen blond, anderen met haar dat even donker was als dat van Miranda.
Er waren er ook die zich hadden gehuld in huiden. Deze elfen droegen wapens, met metaal bezette armbanden en halskettingen van goud en edelstenen. Zij bekeken de vrouwen met onverholen nieuwsgierigheid en hun gezichten stonden minder vriendelijk wanneer ze zich tot Galain wendden.
'De glamredhel voelen zich hier nog steeds niet helemaal op hun gemak,' zei Althal toen er zo'n groepje voorbijkwam. 'Maar ze zijn hier dan ook nog maar kort.'
'Hoe lang dan?' vroeg Miranda.
'Dat groepje dat net voorbijkwam nog geen dertig jaar.'
Miranda moest een lach onderdrukken. 'Nauwelijks een lang bezoek.'
Glimlachend keek Galain haar over zijn schouder aan om haar te tonen dat hij de humor in haar woorden waardeerde. Ze wist niet zeker of Althal haar ook goed had begrepen.
Aan het einde van een dikke tak was een platform bevestigd en daarvandaan liep een trap van hout en touw omhoog. Die beklimmend kwam het zestal op een nog groter platform, met daarlangs een brede doorgang naar een doolhof van platforms, marktplaatsjes en trefpunten. Daar voorbij arriveerden ze tenslotte op een gigantisch platform dat het hart van Elvandar vormde.
Het platform betredend nam Galain hen mee naar het midden, waar hij bleef staan tegenover twee gedaanten op een verhoging. Voorzichtig zetten Althal en hij de jongens neer en maakten een buiging. 'Mijn koningin,' zei Galain, 'en Tomas.'
De vrouw was een indrukwekkende, koninklijke elf met rood-goud haar en ogen als ijsblauwe gletsjers. Honderden jaren oud was ze, maar ze zag eruit als een vrouw in de kracht van haar leven, haar gezicht ongerimpeld en haar lichaam nog recht en soepel, en ondanks haar fijne, scherpe gelaatstrekken straalde ze kracht uit.
De man naast haar was nog opvallender, want hij was mens noch elf van uiterlijk. Zeseneenhalve voet lang was hij, met brede schouders en een kloeke borst, zonder een lijvige indruk te maken. Zijn ogen waren nog lichter blauw dan die van zijn vrouwen zijn haar was rossig blond. Zijn gezicht was dat van een mens: rechte wenkbrauwen en neus, volle maar niet zachte lippen. Doch op een of andere wijze waren zijn trekken veranderd" hersmeed, met een vreemde kwaliteit overgoten. Knap kon hij niet worden genoemd, daar was hij te koninklijk voor, maar wanneer hij glimlachte, straalde hij een jongensachtige charme uit.
De vrouw stond op en Miranda maakte een buiging. Ellia keek verward en maakte uiteindelijk een onhandige knix terwijl de jongens zich aan haar vastklampten.
Alle formaliteiten negerend liep de elfenkoningin naar Ellia en omhelsde haar. Daarna knielde ze voor de jongens neer en raakte hen allebei aan op de wang. Ze sprak zacht en Ellia zei: 'Ik versta u niet.'
'Onze koningin spreekt tot uw metgezel,' zei Galain.
In het Keshische dialect dat het meest op dat van Ellia leek, zei Aglaranna: 'Ik zei: "U brengt ons rijkdom." U hebt mooie kinderen. Hun komst hier is een grote verrijking voor ons.'
Ellia's ogen liepen vol tranen. 'Ze lijken op hun vader,' zei ze.
Ook Tomas stond op en terwijl hij naar Ellia toeliep, zei hij: 'Bij het volk van mijn vrouw is het niet gebruikelijk om de naam te noemen van degenen die zijn afgereisd naar de Gezegende Eilanden. In zijn zoons leeft hij voort. U bent hier meer dan welkom.' Hij wendde zich tot Althal. 'Zorg dat deze nieuwgekomenen zich thuis voelen en dat het hen aan niets ontbreekt.' Toen zei hij tegen Ellia: 'Hier bent u veilig, onder mijn bescherming. In Elvandar zal u noch uw zoons iets overkomen. In het begin zal onze levenswijze u vreemd voorkomen, maar u zult langzamerhand gaan begrijpen dat het ook uw levenswijze is en dat de vaderen van uw vaderen te lang bij ons zijn weggeweest. Welkom in uw ware thuis.'
Zwak van opluchting liet Ellia zich wegvoeren, met aan beide handen een van haar kinderen. Toen ze waren vertrokken, zei Tomas: 'En u bent?'
'Een vriendin van uw zoon,' antwoordde Miranda.
Leunend op zijn boog zei Galain: 'Uw naam kwam me al bekend voor.'
Tomas' gezicht bleef onbewogen. Hij beduidde Miranda met hem mee te lopen en ging haar voor naar een tafel, waarop enkele elfen verfrissingen hadden geplaatst. Een paar leden van het hof wenkend vroeg hij: 'Hoe gaat het met Caelis?'
'Die is niet goed bij zijn hoofd,' antwoordde Miranda. 'Heeft hij u verteld van dat krankzinnige plan van hem?'
Aan de angstige uitdrukking op Aglaranna's gezicht kon ze zien dat dat het geval was. Tomas knikte.
'Nou, ik help hem daarbij, in voor- en tegenspoed.' Hoofdschuddend voegde ze eraan toe: 'Al vraag ik me af of dat iets uitmaakt.' Ze pakte een peer, nam een hap, kauwde op het vruchtvlees en slikte het door. 'Inmiddels weten de slangen dat er iemand met enig talent bij hun legers aan het rondneuzen was.' Ze legde uit wat er was gebeurd: haar verkenning van het oprukkende leger aan de overkant van de oceaan, de ontmoeting met Ellia en de jongens, hun ontsnapping en tenslotte de aanval op de rivieroever.
Toen ze was uitverteld, zei Aglaranna: 'Erg veel langer konden ze niet hebben verwacht dat hun waanzinnige opmars aan de aandacht van de machthebbers zou ontsnappen. Maar misschien denken ze dat u een van de vele magiërs of priesters was.'
Miranda knikte. 'En ze kunnen met geen mogelijkheid weten waar ik ben. De enige die me heeft gevonden, kan het hun niet meer vertellen. De anderen kunnen wellicht vermoeden dat ik hier ben, maar ze zullen geen pogingen doen uw bolwerk aan te vallen... nu nog niet.'
'Morgen praten we hierover verder,' zei Tomas. 'Eerst moet u rusten. De nacht nadert en u ziet er moe uit.'
'O, moe ben ik zeker,' beaamde Miranda, 'maar morgen wil ik hier alweer een heel eind vandaan zijn. Er is nog veel te doen en er rest me maar weinig tijd. Ik moet op zoek naar uw Zoon om met hem te overleggen en vervolgens enkele redelijk denkende mensen ervan zien te overtuigen mee te doen aan een hoogst dwaze en gevaarlijke onderneming. Daarna kan ik me met andere dingen bemoeien. Ik was niet van plan hier meteen naar toe te komen, maar nu ik hier toch ben: kunt u mij iets vertellen?'
'Wat?'
'Waar ik Puc kan vinden?'
Tomas keek zijn vrouw even aan. 'We hebben hem in geen jaren gezien. De laatste keer dat ik bericht van hem kreeg, is zeven jaar geleden. Toen maakte hij zich zorgen over de verslagen die mijn zoon mee terugbracht van zijn laatste reis naar Novindus. Hij had het Orakel van Aä1 geraadpleegd en...'
'En toen?' spoorde Miranda aan.
Met zijn bleekblauwe ogen keek Tomas haar een tijdlang aan. 'Hij vreesde dat zijn macht niet toereikend zou zijn voor de komende strijd,' zei hij uiteindelijk. 'Hij zei dat hij op zoek moest naar bondgenoten.' Miranda glimlachte een humorloze glimlach. 'Zijn macht was niet toereikend.' Ze schudde haar hoofd. 'En wie ter wereld is zo machtig als hij, behalve u?'
'Zelfs mijn macht verbleekt bij wat Puc kan doen als het moet,' antwoordde Tomas. 'Mijn kunsten zijn bepaald door mijn erfgoed en hebben zich sinds het einde van de Oorlog van de Grote Scheuring, vijftig jaar geleden, niet vermeerderd. Maar Puc studeert en leert bij en wordt jaarlijks nieuwe dingen meester, en het is mogelijk dat na Macros de Zwarte niemand zijn macht zelfs maar kan benaderen.'
Bij het horen van Macros' naam trok Miranda een zuur gezicht. 'Veel van die zogenaamde kundigheid van hem is gebaseerd op de onnozelheid van zijn toehoorders, zo is me uit de verhalen herhaaldelijk gebleken.'
Tomas schudde zijn hoofd. 'Ik ben geweest op plekken die u zich amper kunt voorstellen, vrouw. Ik stond aan Macros' zij in de Tuin van de Eeuwige Stad en ik heb de schepping van dit heelal gezien. Hij mag dan soms tot overdrijving hebben geneigd, maar dan toch slechts in geringe mate, kan ik u verzekeren. Zijn macht benadert die van de goden en zijn bekwaamheden zouden ons in de komende strijd zeer welkom zijn.'
'Maar toch,' zei Miranda, 'volgens alle verhalen is de Zwarte Tovenaar al vijftig jaar uit dit rijk verdwenen. Dus naar wie zou Puc dan op zoek kunnen zijn?'
'Dat komt u wellicht meteen te weten zodra u weet waar hij zoekt,' zei Aglaranna.
'Als hij niet op deze wereld is,' zei Tomas, 'dan zult u naar andere werelden moeten gaan. Hebt u de middelen daartoe?'
'Zo niet, dan weet ik waar ik hulp kan vinden,' zei Miranda. 'Maar waar moet ik beginnen?' Ze keek Tomas aan. 'Naar men zegt waren u en Puc als broers. Weet u misschien waar ik het beste kan gaan zoeken?'
'Ik kan maar één plek bedenken,' antwoordde Tomas, 'maar dat is net alsof ik u zeg de zee af te zoeken naar één bepaalde vis, want de plek om met zoeken te beginnen is de meest uitgestrekte van allemaal in de talloze mogelijke universa.'
Miranda knikte. 'De Galerij der Werelden,' zei ze. Ook Tomas knikte. 'De Galerij der Werelden.'