1 Confrontatie
De trompet schalde.
Erric veegde zijn handen af aan zijn schort. Nadat hij klaar was met zijn ochtendklusjes had hij niet veel werk meer verricht en eigenlijk alleen maar het vuur getemperd, zodat hij niet hoefde te beginnen met een koude smidse als er later op de dag nog iets te doen zou zijn. Hij achtte dat echter niet erg waarschijnlijk, aangezien iedereen in de stad op het plein zou zijn, om te kijken naar de komst van de baron. Maar paarden waren eigenzinnige dieren die op de meest ongelegen momenten een hoefijzer konden verliezen, en ook wagens konden kapot gaan op momenten dat dat het slechtst uitkwam - dat had hij in de vijf jaar als hulp van de smid tenminste gemerkt. Hij wierp een blik op Tyndal, die lag te slapen, zijn armen liefdevol rond een kruik scherpe brandewijn geslagen. Meteen na het ontbijt had hij zich al aan het drinken gezet, 'om er een paar op de gezondheid van de baron te nemen,' had hij gezegd. Ergens in het afgelopen uur was hij in slaap gevallen terwijl Erric het smidswerk voor hem had afgemaakt. Gelukkig kon de jongen bijna alles, daar hij groot was voor zijn leeftijd en erg bedreven in het opvangen van Tyndals tekortkomingen.
Toen Erric net klaar was om de kolen met as te bedekken, hoorde hij zijn moeder roepen vanuit de keuken. Hij negeerde haar eis om op te schieten, want er was nog tijd genoeg. Haast was nergens voor nodig: de baron was nog niet eens aan de rand van de stad. De trompet had aangekondigd dat hij in zicht was, niet dat hij de stad had bereikt.
Erric lette zelden op zijn uiterlijk, maar vandaag zou hij in het middelpunt van de belangstelling komen te staan en hij vond dat hij daarom een poging moest doen om er toonbaar uit te zien. Met die gedachte bleef hij even staan om zijn schort af te -doen en zorgvuldig aan een haakje te hangen. Daarna stak hij zijn armen in een emmer met water.
Verwoed schrobbend verwijderde hij het meeste roet en vuil en spetterde wat water in zijn gezicht. Met een grote, schone doek van een stapel oude lappen waarmee staal werd gepolijst, droogde hij zich af, wegwrijvend wat het water had laten zitten.
In het kabbelende oppervlak van de waterton nam hij zijn bibberende spiegelbeeld in ogenschouw: een paar intens blauwe ogen, brede wenkbrauwen, een hoog voorhoofd en blond haar dat naar achteren groeide en tot op zijn schouders hing. Vandaag zou niemand er ook maar een moment aan twijfelen dat hij de zoon van zijn vader was. Zijn neus was meer die van zijn moeder, maar zijn kin en de brede grijns die verscheen wanneer hij glimlachte, waren het evenbeeld van die van zijn vader. Doch zo slank gebouwd als zijn vader was Erric beslist niet. Van zijn grootvader van moederskant had hij de massieve schouders en armen, sinds zijn tiende verjaardag opgekweekt met het werken in de smidse. Met zijn handen kon Erric ijzer buigen en walnoten kraken. Ook in zijn benen was hij sterk, door het ondersteunen van ploegpaarden die op de smid leunden wanneer hij aan hun hoeven werkte, en door het optillen van de wagens wanneer er een kapot wiel werd vervangen.
Met een hand over zijn gezicht wrijvend voelde Erric zijn stoppelbaard. Vanwege zijn hoogblonde haargroei hoefde hij zich maar eens in de drie of vier dagen te scheren, zo licht was zijn baard, maar hij wist zeker dat hij er van zijn moeder vandaag op zijn best moest uitzien. Vlug ging hij naar zijn slaapmatras op het zoldertje, zachtjes om de smid niet te storen, en pakte zijn scheermes en spiegel. Scheren met koud water deed hij niet graag, maar het was beduidend minder irriterend dan de woorden waarmee zijn moeder hem zou terugsturen om zijn scheermes te gaan halen. Hij maakte zijn gezicht weer nat en begon met schrapen. Toen hij klaar was, bekeek hij zich weer in het glinsterende water.
Geen vrouw zou Erric een knappe jongen vinden. Alles aan zijn gezicht was groot en hoekig, van zijn vooruitstekende onderkaak tot het brede voorhoofd. Maar zijn open, eerlijke blik werd door mannen als geruststellend ervaren en door vrouwen zelfs bewonderd wanneer ze eenmaal gewend waren aan zijn welhaast grove voorkomen. Op zijn vijf tienjarige leeftijd was hij al zo groot als een volwassen man en bijna net zo sterk als de smid. Niemand van de andere jongens kon hem met worstelen verslaan en zelden werd daartoe nog een poging ondernomen. En hoe stuntelig hij in de gelagkamer ook kon zijn wanneer hij hielp met het rondbrengen van borden en kroezen, in de smidse ging hij handig en zeker te werk.
Opnieuw sneed zijn moeders stem door de verder zo stille ochtend, met de boodschap om ogenblikkelijk binnen te komen. Hij rolde zijn mouwen af en verliet de smederij, een klein gebouw dat tegen de achterwand van de stalhouderij was gebouwd. Rond de stal lopend kwam hij in zicht van de keuken. Bij de openstaande staldeur keek hij even naar binnen om een blik te werpen op de paarden die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Er logeerden drie gasten bij zijn meester en hun rijdieren stonden vredig gras te eten. Het vierde paard was herstellende van een verwonding en ze hinnikte even begroetend naar Erric. Hij moest erom glimlachen. In de weken dat hij haar had verzorgd, was ze gewend geraakt aan zijn bezoek, wanneer hij haar buiten liet draven om te zien hoe ze genas.
'Ik kom je straks even bezoeken, meisje,' riep hij haar zachtjes toe.
De toon waarop de merrie snoof gaf blijk van haar teleurstelling. Ondanks zijn jeugdige leeftijd kon Erric als een van de besten met paarden omgaan en in de streek rond Zwartheide had hij al enigszins een reputatie als wondergenezer opgebouwd. De meeste eigenaars zouden de gewonde merrie hebben laten afmaken, maar Ewald Grijskuif, de zwaardmeester van de baron, was zeer gesteld op het dier en hij achtte het een aanvaardbaar risico om haar aan Errics zorg over te leveren, want als hij haar zover kon oplappen dat ze weer drachtig kon worden, zou een mooi veulentje of twee de moeite meer dan waard zijn. Erric was vastbesloten haar zodanig te laten genezen dat ze weer kon worden bereden.
Bij de achterdeur van herberg De Pijlstaart, de ingang van de keuken, stond Errics moeder al op hem te wachten, haar gezicht een masker van standvastigheid. Eens was Fryda, een kleine vrouw met een stalen kracht en vastberadenheid, een knappe verschijning geweest, maar hard werk en aardse zorgen hadden een zware tol geëist. Al was ze de veertig nog niet gepasseerd, ze zag eruit alsof ze tegen de zestig liep. Haar eens zo weelderige bruine haar was nu helemaal grijs en rond haar groene ogen stonden groeven en rimpels. 'Schiet op,' commandeerde ze.
'Voorlopig is hij er nog niet,' reageerde Erric, zijn ergernis slecht verhullend.
'Hij is hier maar heel even,' kaatste ze terug, 'en als we te laat zijn, krijgen we geen nieuwe kans meer. Hij is ziek en komt misschien nooit meer terug.'
Erric fronste zijn wenkbrauwen vanwege de onuitgesproken gevolgtrekking van die mededeling, maar zijn moeder zei verder niets. De baron kwam nog maar zelden op zijn kleinere lenen, buiten de gebruikelijke hoogtijdagen. Met de oogst was het de gewoonte dat hij een bezoek bracht aan een van de dorpen en stadjes die Zwartheide voorzag van haar rijkdommen - de beste druiven en wijn van de wereld - maar de baron bezocht dan slechts één wijnkopersgebouw en die in het stadje Ravensburg was een van de minst belangrijke. Daarbij was Erric ervan overtuigd dat de baron in de afgelopen tien jaar dit bepaalde stadje opzettelijk had vermeden en hij begreep ook heel goed waarom.
Kijkend naar zijn moeder dacht hij met een bittere smaak in zijn mond terug aan het voorval van tien jaar geleden, toen zijn moeder hem had meegesleurd door de menigte die naar de komst van de baron was komen kijken. Nog heel goed herinnerde Erric zich de verbazing en de afschuw op de gezichten van de stadsvertegenwoordigers, gildemeesters, wijnbereiders en druivenkwekers toen zijn moeder van de baron had geëist dat hij Erric als zijn kind zou erkennen. Het grote feest van het proeven van de eerste oogst was op slag veranderd in een gênante vertoning, vooral voor de kleine Erric. Daarna was Fryda verscheidene malen door mensen met een zekere positie gevraagd of ze in de toekomst bij dergelijke gelegenheden verstek wilde laten gaan, een verzoek dat ze beleefd en zonder commentaar had aangehoord, echter zonder iets te beloven.
'Ophouden met dagdromen en naar binnen, jij,' gelastte Fryda. Ze draaide zich om en hij volgde haar de keuken in.
Rosalyn glimlachte naar Erric toen hij binnenkwam en hij knikte het dienstertje toe. De herbergiersdochter en hij waren even oud en doordat ze elkaar al hun hele leven lang kenden, waren ze als broer en zus, elkaars beste vrienden en vertrouwelingen. De laatste tijd had hij gemerkt dat er een dieper gevoel in haar aan het ontluiken was, en hij wist zich daar niet goed raad mee. Hij hield van haar, maar dan als broer, en hij had nooit gedacht met haar te zullen trouwen. Zijn moeders obsessie liet geen enkele ruimte voor zulke alledaagse dingen als trouwen, handel drijven of op reis gaan. Van alle jongens van zijn leeftijd in de stad was hij de enige die niet officieel in een ambacht werd opgeleid. Zijn leerlingschap bij Tyndal was informeel en ondanks zijn talent voor de stiel was hij nooit ingeschreven bij het gildekantoor, noch in de westelijke hoofdstad Krondor, noch in de koningszetel Rillanon. En ook liet zijn moeder hem niet aan de smid vragen om diens vaak herhaalde belofte gestand te doen en het gilde officieel verzoek te zenden om Erric als zijn leerling aan te stellen. Dit zou het einde van Errics eerste jaar als ambachts- of koopmansleerling hebben moeten zijn. En ook al kende hij het vak beter dan de leerlingen die twee of drie jaar ouder dan hij waren, hij zou twee jaar onder de anderen beginnen, als zijn moeder hem het komend voorjaar leerling wilde laten worden.
'Laat me naar je kijken,' zei zijn moeder, die een hele kop kleiner was dan hij. Alsof hij nog een kind was pakte ze hem bij de kin en draaide zijn hoofd links en rechts, ontevreden klakkend met haar tong. 'Je zit nog steeds onder het roet.'
'Moeder, ik ben smid!' protesteerde hij.
'Ga je wassen bij de gootsteen!' gebood ze.
Erric wist wel beter dan tegen haar in te gaan. Zijn moeder had een ijzeren wil en een rotsvaste overtuiging. Al heel vroeg had hij geleerd haar niet tegen te spreken. Ook wanneer hij vals werd beschuldigd van een vergrijp, dan nog nam hij zwijgend de straf' in ontvangst, want als hij protesteerde, maakte dat de zaak alleen maar erger. Erric trok zijn hemd uit en legde hem over de rugleuning van een stoel bij de tafel waarop het vlees werd schoongemaakt en gepekeld. Toen hij zag dat Rosalyn stond te lachen omdat hij zich door zijn veel kleinere moeder op zijn kop liet zitten, keek hij haar zogenaamd kwaad aan. Met een nog breder wordende glimlach draaide ze zich om, pakte een grote mand met fris gewassen groenten en liep ermee naar de gelagkamer. Terwijl ze de deur met haar achterste openduwde, stak ze haar tong naar hem uit.
Glimlachend stak Erric zijn armen in het water waar ze zojuist de groenten in had gewassen. Rosalyn wist hem altijd weer aan het lachen te maken. Hij mocht dan nog maar weinig begrip hebben van de krachtige roerselen en verwarrende driften waar hij 's nachts mee wakker werd wanneer hij had gedroomd over een van de meisjes in het dorp - de bijzonderheden van het paren waren hem bekend, wat heel gewoon was voor een kind dat opgroeide met dieren om zich heen - maar de emotionele verwarring was nieuw voor hem. Van Rosalyn raakte hij tenminste niet zo in verwarring als van de andere opgroeiende meisjes en één ding wist hij zeker: ze was zijn allerbeste vriendin. Terwijl hij zijn gezicht weer nat maakte, hoorde hij zijn moeder zeggen: 'Met zeep.'
Met een diepe zucht pakte hij het onwelriekende stuk zeep dat op de rand van de gootsteen lag. Het was gemaakt van een bijtend mengsel van loog, as, geklaarde talg en zand dat werd gebruikt om de dienbladen en kookpotten mee schoon te schuren, en bij regelmatig gebruik brandde het de huid van gezicht en handen. Erric gebruikte er zo min mogelijk van, maar toen hij klaar was, moest hij zelf ook toegeven dat er een indrukwekkende hoeveelheid roet in de gootsteen was achtergebleven.
Hij wist de zeep af te spoelen voordat er blaren op zijn huid verschenen en pakte de handdoek die zijn moeder hem voorhield. N adat hij zich had afgedroogd, trok hij zijn hemd weer aan.
De keuken verlatend via de deur naar de gelagkamer zagen ze dat Rosalyn de groenten al in de grote ketel aan de haak in de haard had gedaan. Daar zou de soep de hele middag langzaam blijven pruttelen, een smakelijke geur door de gelagkamer verspreidend waarvan de gasten tegen etenstijd het water in de mond zouden krijgen. Rosalyn glimlachte naar Erric toen hij voorbij liep en ondanks haar opgewektheid, werd hij somber bij de gedachte aan het voorval dat zich straks in de volledige openbaarheid zou voltrekken.
In de deuropening van de herberg stond Milo, de herbergier met de neus als een bloemkool van het jarenlange uitsmijten van ruziemakers, naar buiten te turen. Een trekje nemend van zijn lange pijp nam de gezette waard het stille stadje in ogenschouw. 'Kon wel eens een rustig middagje worden, Fryda.'
'Maar een razend drukke avond, vader,' zei Rosalyn terwijl ze naast Erric kwam staan. 'Zodra de mensen moe zijn van het wachten om een glimp van de baron op te vangen, komen ze allemaal hier naar toe.' Met een glimlach draaide Milo zich naar zijn dochter om en knipoogde naar haar. 'Een mogelijkheid waar vurig om is gebeden. Ik vertrouw er maar op dat de Vrouwe van het Geluk geen andere plannen heeft.'
'Ruthia heeft wel betere dingen om haar geluk aan te spenderen, Milo,' mompelde Fryda. Haar krachtig gebouwde zoon aan de hand nemend alsof hij nog een kleuter was, stuurde ze hem resoluut door de deuropening naar buiten.
Toen Erric met zijn moeder de gelagkamer had verlaten, zei Rosalyn: 'Ze is erg vastberaden, vader.'
'Dat is ze zeker en ze is nooit anders geweest,' zei hij hoofdschuddend, paffend op zijn pijp. 'Als klein kind was ze al zo koppig, wilskrachtig... ' Hij sloeg een arm rond de schouders van zijn dochter. 'Jouw moeder was heel anders, kan ik gelukkig zeggen.'
'Er wordt anders vaak genoeg geroddeld dat jij jaren geleden een van de velen was die dongen naar Fryda's hand,' zei Rosalyn.
Milo grinnikte. 'Zo, zeggen ze dat?' Klakkend met zijn tong vervolgde hij: 'Nou, het is nog waar ook. De meeste mannen van mijn leeftijd, trouwens.' Glimlachend keek hij zijn dochter aan. 'Het beste wat me ooit is overkomen is dat ze nee tegen me zei. Prachtige groene ogen, kastanjebruin haar, slank maar flink gevuld waar het hoort, en een trotse blik waar een mannenhart sneller van ging slaan. Ze liep als een renpaard en gedroeg zich als een koningin. Daarom liet de baron zijn oog ook op haar vallen.'
Vanaf de rand van het stadsplein klonk een trompetnoot. 'Ik moest maar weer eens naar de keuken,' zei Rosalyn.
Milo knikte. 'Ik ga naar het plein om te zien wat er gebeurt, maar daarna kom ik meteen terug.'
Even pakte Rosalyn haar vaders hand en in naar ogen zag hij de bezorgdheid die ze voor Erric verborgen had gehouden. Begripvol knikkend gaf hij een kneepje in haar hand en liet toen los. Hij draaide zich om en wandelde weg door de straat die voor de herberg langs liep, de route volgend die Erric en Fryda hadden genomen.
Gebruik makend van zijn massieve postuur werkte Erric zich door de menigte. Ondanks zijn grote kracht was hij van nature een zachtaardige jongen die geen geweld wilde gebruiken, maar alleen al zijn aanwezigheid deed anderen opzij gaan. Met zijn brede schouders en armen had hij makkelijk voor een jonge krijger kunnen doorgaan, maar hij had een sterke afkeer van strijd. Na het werk ging hij liever in alle rust zitten genieten van een kop bouillon om zijn honger wat te stillen, wachtend tot etenstijd, onderwijl luisterend naar de verhalen van de oude mannen van de stad, in plaats van ravotten en achter de meiden aan zitten, wat zijn leeftijdgenoten zagen als de beste vrijetijdsbesteding. Meisjes die hun aandacht op hem richtten, lieten zich vaak afschrikken door zijn zwijgzaamheid, maar die was slechts te wijten aan het feit dat hij nooit precies wist wat hij moest zeggen. Het vooruitzicht van een intiem moment met een meisje joeg Erric de stuipen op het lijf.
Hij hoorde een vertrouwde stem naar hem roepen en toen hij omkeek, zag hij een sjofele figuur zich door de menigte dringen, gebruik makend van een lichtvoetige snelheid in plaats van kracht. 'Hallo,' zei Erric begroetend.
'Erric, Fryda,' zei de jongen terug. Rupert Jongkind, door iedereen in het dorp Ru genoemd, was de enige jongen met wie Erric vroeger van zijn moeder niet had mogen spelen - en de enige met wie Erric het liefste had gespeeld. Ru's vader was een menner, een botte, lompe man die ofwel het dorp uit was - met zijn span paarden op weg naar Krondor, Malachskruis of Durroghsdal - ofwel dronken in zijn bed lag. Ru was nooit opgevoed en hij had iets gevaarlijks en onvoorspelbaars over zich, waardoor Erric zich juist tot hem aangetrokken voelde. Erric mocht dan niet zo scherp van de tongriem gesneden zijn, Ru daarentegen was een meester in het versieren van meisjes - als je zijn verhalen tenminste kon geloven, want Ru was een geboren leugenaar, een schelm, en bij gelegenheid een dief, doch desondanks Errics beste kameraad na Rosalyn.
Fryda knikte haast onmerkbaar naar hem terug. Ze mocht de jongen al zijn hele leven niet en vermoedde zijn betrokkenheid bij iedere oneerlijkheid of misdrijf die zich in Ravensburg voordeed - en meestal had ze daarin nog gelijk ook. Een blik op haar zoon werpend, slikte ze een bittere opmerking in. Nu hij vijftien was, liet hij zich steeds minder door zijn moeder commanderen. De meeste taken in de smederij had hij uit zichzelf al overgenomen van Tyndal, die vijf van de zeven dagen dronken was.
'Dus jullie gaan de baron weer strikken?' zei Ru.
Fryda wierp hem een vuile blik toe. Erric keek alleen maar verlegen.
Ru grijnsde. Ondanks zijn onregelmatige gebit was hij goedlachs. Hij had een smal gezicht en intelligente ogen, en knap was hij niet te noemen, maar door zijn levendige, vlotte manier van doen vonden de mensen die hem kenden hem sympathiek, zelfs aantrekkelijk. Doch Erric kende zijn opvliegende karakter, wat er de oorzaak van was dat hij Errics vriendschap regelmatig gebruikte als schild tegen de andere jongens. Maar weinig jongens uit het dorp zouden Erric uitdagen, want hij was veel te sterk. Kwaad werd hij niet gauw, maar de enkele keer dat Erric zijn kalmte verloor, was hij verschrikkelijk om aan te zien. Eén keer had hij in zijn woede een jongen op zijn arm geslagen. Door de klap was de jongen helemaal naar de andere kant van het stalerf gevlogen en had hij zijn arm gebroken.
Ru trok zijn rafelige mantel opzij, de veel beter ogende kleding eronder onthullend, en Erric zag in zijn hand een groene fles met een lange hals, met daarop duidelijk zichtbaar het wapen van de baronie.
Erric rolde zijn ogen hemelwaarts. 'Zin om een hand kwijt te raken, Ru?' zei hij zachtjes, op geërgerde toon.
'Ik heb gisteravond mijn vader geholpen met uitladen.'
'Wat is het?'
'Geselecteerde bessen,' antwoordde hij.
Erric trok een grimas. Aangezien Zwartheide het wijnhandelscentrum van het Koninkrijk der Eilanden was, was de voornaamste bedrijfstak in Ravensburg de wijn, evenals in de meeste andere dorpen en stadjes van de baronie. In het noorden werkten de eikhouwers en tonnenmakers aan de gistvaten en rijptonnen voor de wijn, en ook de kurken werden daar gemaakt. In het zuiden vervaardigden de glasblazers de flessen, maar het centraal gelegen gebied van de baronie was toegewijd aan de druiventeelt.
Ook in de Vrijsteden van Natal en in de westelijke provincie Yabon werden goede wijnen gemaakt, maar geen ervan kon tippen aan het complexe karakter van de jarenlang gerijpte wijnen uit de baronie Zwartheide. Zelfs de lastig te telen Pinot Noir, oorspronkelijk afkomstig uit Bas-Tyra, kon in Zwartheide gedijen als nergens anders in het Koninkrijk. Volle rode, frisse witte, mousserende wijnen voor de feesten - de producten uit Zwartheide brachten overal de hoogste prijzen op, van de noordelijkste grenzen tot in het zuidelijk gelegen hart van het Keizerrijk Groot Kesh. En maar weinig wijnen waren zo hoog geprijsd als de intens zoete bessenwijn, gemaakt van druiven die waren aangetast door een zeldzame en mysterieuze schimmel. De fles die Ru onder zijn mantel hield, kostte het halve jaarinkomen van een boer. En aan het wapen op de hals kon Erric zien dat hij afkomstig was uit de voorraad van de baron, vanuit de provinciehoofdstad Zwartheide overgebracht naar het Ravensburgse gildehuis voor het bezoek van de baron.
Voor diefstal werd al sinds lange tijd niet meer je hand afgehakt, maar wanneer Ru met deze fles werd betrapt, kon hij toch nog vijf jaar dwangarbeid krijgen.
De trompetten werden weer gestoken en de eerste ruiters van de Zwartheidse Wacht kwamen in zicht. Hun banieren wapperden in de middagwind en de hoefijzers van hun paarden sloegen vonken op de stenen van het plein. Automatisch bekeek Erric hun benen, op zoek naar tekenen van kreupelheid, maar die waren er niet. Wat er verder ook kon worden gezegd van de manier waarop de baron zijn leen bestuurde, zijn cavalerie zorgde altijd goed voor de rijdieren.
De ruiters reden het plein op, zwenkten af bij de kleine fontein in het midden, vormden twee rijen en drongen de burgers langzaam terug. Een paar minuten later was het hele terrein voor het Wijnbereidersgebouw vrijgemaakt voor de koets die volgde.
Er kwamen nog meer soldaten voorbij, allen gestoken in het grijze wapenkleed met het wapen van Zwartheide: een rood driehoekig schild met daarop een zwarte raaf met een hulsttak in zijn snavel. Bij deze groep soldaten stond er ook een gouden kroon boven het wapen, wat aangaf dat dit de persoonlijke lijfwacht van de baron was.
Tenslotte reed de koets in zicht en plots merkte Erric dat hij zijn adem inhield. Weigerend zelfs de lucht in zijn longen te laten beheersen door zijn moeders obsessie, slaakte hij langzaam een diepe zucht en deed zijn best zich te ontspannen.
Onderwijl luisterde hij naar het commentaar vanuit de menigte. Al meer dan een jaar werd er in de hele baronie gesproken over de tanende gezondheid van de baron, en het feit dat hij bij zijn vrouw in de koets zat en niet op zijn paard aan het hoofd van zijn wacht, zinspeelde erop dat de geruchten waar waren.
Errics aandacht werd getrokken door twee jongens, beiden op een vospaard, gevolgd door een tweetal soldaten met de standaard van Zwartheide. Het erfrechtsteken op de linker banier duidde op Manfred van Zwartheide, de tweede zoon van de baron. Het teken op de rechter banier verwees naar Stefan van Zwartheide, de oudste zoon. Ondanks het jaar leeftijdsverschil leken ze op elkaar als tweelingbroers en ze reden met een deskundig gemak dat Erric alleen maar kon bewonderen.
Manfred speurde de menigte af en toen zijn blik uiteindelijk op Erric viel, fronste hij zijn wenkbrauwen. Stefan zag waar zijn broer naar keek en zei iets tegen hem, zijn aandacht terugroepend naar de stoet. De jongemannen waren identiek gekleed: hoge rijlaarzen, een strakke broek met een lederen zitting, een lang wit zijden hemd, een mouwloos vest van zacht leer en een brede baret van zwart vilt, getooid met een groot gouden insigne en een roodgeverfde adelaarsveer. Aan hun zijde droegen ze een rapier en beiden waren ondanks hun jeugdige leeftijd zeer bedreven in het gebruik ervan.
Met haar kin gebarend naar Stefan fluisterde Fryda op dringende toon: 'Jouw plaats, Erric.'
Erric voelde zich rood worden van verlegenheid, maar wist dat het ergste nog moest komen. De koets bleef staan en de palfreniers sprongen eraf om de deur open te maken. Onderwijl kwamen twee stadsvertegenwoordigers naar voren om de baron te begroeten. Als eerste stapte er een trotse vrouw uit de koets, met op haar gezicht een uitdrukking van hooghartige minachting die afbreuk deed aan haar schoonheid. Eén blik op de twee jongemannen, die inmiddels van hun paarden waren gestegen, bevestigde onmiddellijk dat zij hun moeder was. Alle drie waren ze slank en lang, met donker haar. De jongens kwamen voor hun moeder staan en maakten een buiging. Onderwijl speurde de barones de menigte af en toen ze Erric boven de anderen zag uitsteken, betrok haar gezicht nog verder.
'Mijnheer Otto, Baron van Zwartheide, Heer van Ravensburg!' riep een heraut.
De menigte liet een aanzienlijk, zij het niet al te enthousiast gejuich horen. De baron was niet bepaald geliefd bij zijn onderdanen, al stond hij wel in aanzien. De belastingen waren hoog, maar dat waren ze altijd, en van de bescherming tegen bandieten en plunderaars die de soldaten van de baron aan de stedelingen boden, was nauwelijks iets te merken. Op deze afstand van de grenzen en de woeste gebieden van het Westelijke Rijk hadden eerlijke reizigers maar weinig van schurken en boeven te duchten. Voor zover de oudste inwoners van Ravensburg het zich konden herinneren, was er geen gnoom of trol in de bergen bij Zwartheide gezien, zodat men er over het algemeen maar weinig heil in zag om te betalen voor soldaten die weinig meer deden dan escorteren voor hun heer, wapenrustingen poetsen en eten. Maar toch, de oogst was goed, de maaltijden waren overvloedig en betaalbaar en de orde in de baronie vroeg om dankbaarheid van haar burgers.
Toen het gejuich verstierf, wendde de baron zich tot de notabelen van de stad die hem kwamen begroeten en de mensen snakten hoorbaar naar adem. De man die uit de koets stapte, was eens even groot als Erric geweest, maar nu liep hij gebogen, alsof hij dertig jaar ouder was dan zijn vijfenveertig levensjaren. Zijn natuurlijke slanke bouw was nu dramatisch vermagerd in contrast met zijn nog steeds brede schouders. Zijn haar, eens goudblond, was grijs en futloos en zijn gezicht was lijkbleek, de ingevallen wangen wit als gebleekt perkament. De vierkante kaak en het hoge voorhoofd waren vel over been, waardoor hij er nog zieker uitzag. De baron werd geholpen door de ferme greep van zijn jongste zoon op zijn linkerarm. Zijn bewegingen waren schokkerig en hij leek ieder moment te kunnen vallen.
Iemand vlak bij Erric zei: 'Dus het is toch waar van die attaque.'
Erric vroeg zich af of het gestel van de baron nog verder zou worden aangetast door zijn moeders plan, maar alsof ze zijn gedachten kon horen, zei Fryda: 'Ik moet het doen.'
Ze wrong zich tussen de mensen door die voor haar stonden en liep vlug tussen twee bereden wachters door voordat die haar tegen konden houden. 'Als vrije vrouw van het Koninkrijk eis ik mijn recht om te worden gehoord!' riep ze, hard genoeg opdat iedereen haar kon verstaan.
Niemand zei een woord. Alle ogen waren gericht op de pezige vrouw die met een beschuldigende vinger op de baron wees. 'Otto van Zwartheide, erken je Erric van Zwartheide als jouw zoon?'
De zichtbaar zieke baron bleef staan en keek naar de vrouw die hem deze vraag telkens had gesteld wanneer hij Ravensburg bezocht. Zijn blik ging langs haar heen en trof haar zoon, die stilletjes achter haar stond. Op zijn evenbeeld uit zijn jongere jaren liet Otto zijn ogen een tijdlang rusten, tot de barones naast hem kwam staan en snel iets in zijn oor fluisterde. Met een trieste uitdrukking op zijn gezicht schudde de baron zijn hoofd, keerde zonder een woord te zeggen Errics moeder de rug toe en liep naar het grootste bouwwerk van de stad, het Wijnbereidersgebouw. Amper haar woede verhullend wierp de barones Fryda en Erric een strakke blik toe voordat ze zich omdraaide en haar man het gebouw in volgde.
Ru slaakte een zucht en als één ademden de mensen op het plein weer uit. 'Nou, dat was het dan, dus.'
'Ik denk niet dat we dit nog eens doen,' zei Erric.
Terwijl Fryda naar hen terug kwam lopen, vroeg Ru: 'Hoezo? Denk je dat je moeder zich laat tegenhouden als ze nog een kans krijgt?'
'Ze krijgt geen kans meer,' zei Erric. 'Hij is stervende.'
'Hoe weet je dat?'
'Zoals hij naar me keek, om vaarwel te zeggen.'
Met een ondoorgrondelijk gezicht liep Fryda haar zoon en Ru voorbij en zei: 'We moeten aan het werk.'
Ru keek om naar de twee broers, Manfred en Stefan, die met elkaar stonden te praten, hun blikken strak op Erric gericht. Manfred hield Stefan tegen, die er kennelijk op gebrand was het plein over te steken voor een confrontatie met Erric. Je halfbroertjes schijnen je niet bepaald te mogen hè?' zei Ru. 'Vooral die Stefan niet.'
Erric haalde zijn schouders op, maar zijn moeder gaf antwoord. 'Hij weet dat hij straks de positie erft die Erric rechtens toekomt.'
Ru en Erric keken elkaar aan. Beiden wisten wel beter dan Fryda tegen te spreken. Ze had altijd beweerd dat de baron haar op een voorjaarsavond had gehuwd, in de boskapel, voor een monnik van Dala, het Schild der Zwakken. Later had hij om een nietigverklaring verzocht, en die gekregen, zodat hij kon trouwen met de dochter van de Hertog van Ran, op koninklijk bevel, om politieke redenen.
'Dan is het nu dus zeker afgelopen,' zei Ru.
Erric keek hem vragend aan. 'Hoe bedoel je?'
'Als je gelijk hebt, is Stefan volgend jaar baron. En zo te zien is hij er niet het type naar dat lang zal aarzelen voordat hij je moeder in het openbaar uitmaakt voor leugenares.'
Abrupt bleef Fryda staan. In haar ogen stond een hopeloosheid die Erric nog nooit van haar had gezien. 'Dat durft hij niet,' zei ze, eerder smekend dan uitdagend. Ze probeerde er strijdbaar uit te zien, maar in haar ogen lag te lezen dat ze wist dat Ru gelijk had.
'Kom, moeder,' zei Erric zacht, 'we gaan naar huis. Het vuur in de smidse is getemperd, maar als er werk komt, moet ik het weer heet stoken. Tyndal is daar beslist niet toe in staat.' Voorzichtig sloeg hij een arm rond zijn moeders schouders, zich verbazend over de breekbare indruk die ze plotseling maakte. Zwijgend liet ze zich door hem meevoeren.
De stadsbewoners stapten opzij om de jonge smid en zijn moeder de ruimte te geven het plein te verlaten. Iedereen begreep dat er binnenkort een einde zou komen aan deze traditie, die vijftien jaar geleden was begonnen, toen de schone en vurige Fryda voor het eerst brutaal naar voren was gestapt, haar schreeuwende zuigeling omhoog houdend en eisend dat Otto van Zwartheide het kind als het zijne zou erkennen. Vrijwel iedere levende ziel in de baronie kende het verhaal. Vijf jaar later had ze hem opnieuw geconfronteerd en weer had hij haar bewering niet weerlegd. Zijn zwijgzaamheid verleende haar verklaring geloofwaardigheid en jarenlang werd het verhaal over het bastaardkind van de Baron van Zwartheide, altijd goed voor een borrel, verteld aan vreemden die langskwamen op hun reis tussen het Oostelijke en Westelijke Rijk van het Koninkrijk.
Waarom de baron bleef zwijgen was iedereen een raadsel, want zodra hij het ontkende, zou de bewijslast ogenblikkelijk bij Fryda komen te liggen. De rondtrekkende monnik die hen huwde was nooit meer in de streek gezien en verder waren er geen getuigen. En nu was Fryda de keukenmeid van een herbergier, en de jongen het hulpje van een smid.
Sommige mensen zeiden dat de baron eigenlijk alleen maar aardig was voor Fryda door haar niet als leugenaarster aan te merken, want al was hij onmiskenbaar de vader van het kind, de bewering over het huwelijk was duidelijk het getier van een gestoorde vrouw of anders een uitgekookt verzinsel van iemand die er beter van wilde worden.
Anderen zeiden dat de baron een veel te grote lafaard was om in het openbaar te ontkennen dat Erric zijn zoon was, want je hoefde maar één blik op Otto te werpen om te zien dat Erric als twee druppels water op hem leek. De baron hulde zich in schande waar een beter mens zich eerbaar zou gedragen, want als hij Erric wel erkende, al was het maar als bastaardzoon, trok hij het erfrecht van zijn eigen kinderen in twijfel en riep hij de toorn van zijn vrouw over zich af.
Maar wat de reden ook was, door telkens opnieuw niets te zeggen, liet hij de kwestie onbeantwoord en kon Erric de naam 'Van Zwartheide' dragen omdat de baron hem het recht daartoe niet had ontnomen.
Langzaam liepen ze door de straat terug naar de herberg. Ru, die nooit twee minuten in stilte voorbij kon laten gaan, vroeg: 'Ga jij vanavond nog iets bijzonders doen, Erric?'
Meteen begreep Erric wat Ru bedoelde: het bezoek van de baron werd altijd aangegrepen als excuus voor een vrije dag, niet in de zin van een jaarlijkse feestdag, maar toch zou er in herberg De Pijlstaart tot diep in de nacht druk worden gedronken, gekaart en gedobbeld, en waren de meeste meisjes van de stad te vinden bij de fontein, wachtend tot de jongens genoeg vloeibare moed tot zich hadden genomen om hun het hof te komen maken. Erric zou het dus druk genoeg hebben en zei dat ook.
'Het zijn zoons van hun moeder,' zei Ru, 'dat staat buiten kijf.'
Erric begreep dat Ru doelde op zijn halfbroers. Ru keek over zijn schouder de straat door naar het plein, waar de koets van de baron nog steeds voor het Wijnbereidersgebouw stond, en zag dat de twee edelmanszonen weer buiten waren om zogenaamd toezicht te houden op het binnenbrengen van hun vaders bagage, maar ze spraken zacht met elkaar, hun ogen gericht op Errics rug. Even kreeg Ru de neiging om een grof gebaar naar hen te maken, maar bedacht zich toen. Zelfs vanaf deze afstand kon hij de openlijke vijandigheid en de hartgrondige woede op hun gezichten zien. Zijn blik weer richtend op de herberg, verhaastte Ru zijn tred om Erric in te halen.
De duisternis bracht overal een afname van de dagelijkse drukte, behalve in herberg De Pijlstaart, waar arbeiders en handelslieden met onvoldoende rang om aan te zitten bij het diner in het Wijnbereidersgebouw bijeenkwamen om te genieten van een kroes wijn of bier. Er hing welhaast een feeststemming, waarin de aanwezigen op luide toon verhalen vertelden, kaartten en dobbelden om koperen munten of hun vaardigheden toonden met pijltjes gooien.
Erric moest bijspringen in de keuken, wat vaak het geval was wanneer het druk werd. Zijn moeder was alleen maar serveerster, maar Milo liet haar het toezicht over de keuken houden, domweg vanwege het feit dat Fryda nu eenmaal gewend was een ander te vertellen wat hij of zij moest doen. Dat ze daar vrijwel altijd gelijk in had, deed niets af aan de ergernis die een dergelijke houding opwekte. Menig dienstmeisje was met de jaren gekomen en gegaan en vaak was Milo de reden van vertrek verteld. Zijn antwoord was altijd hetzelfde geweest: Fryda was een oude vriendin en het dienstmeisje niet.
In de meeste opzichten speelden Fryda, Erric, Milo en Rosalyn de rollen als man en vrouwen broer en zus van een gezin, al sliepen ze elk apart van elkaar, Milo in zijn kamer, Rosalyn in de hare, Fryda op de vliering boven de keuken en Erric op de zolder van de smidse. Fryda bestierde de herberg alsof die van haar was en Milo voelde er niets voor haar in te tomen, voornamelijk omdat ze zich fantastisch van die taak kweet, maar ook omdat hij als geen ander de pijn begreep waarmee Fryda dagelijks moest omgaan. Al zou ze het nooit toegeven, ze hield nog steeds van de baron en Milo wist zeker dat haar eis om erkenning voor haar zoon uit die liefde voortkwam - een wanhopig verzoek om een teken dat ze voor korte tijd waarlijk van elkaar hadden gehouden.
De deur naar de gelagkamer openduwend droeg Erric een vat wijn naar binnen en zette hem achter de tapkast neer aan Milo's voeten. De oude man haalde het lege vat uit het rek en zette het opzij terwijl Erric moeiteloos het nieuwe op zijn plaats legde. Milo zette een schone tapkraan tegen de stop, sloeg hem met een enkele klap van een houten hamer in het vat en schonk een beetje voor zichzelf in een beker om de inhoud te proeven. Met een vertrokken gezicht zei hij: 'Waarom zitten we hier midden in het beste wijngebied ter wereld dit spul te drinken?'
Erric begon te lachen. 'Omdat we dit tenminste kunnen betalen, Milo.'
De herbergier haalde zijn schouders op. 'Wat ben jij toch altijd irritant eerlijk.' Met een glimlach vervolgde hij: 'Maar ja, het gaat toch om de uitwerking, nietwaar? Na drie kroezen van dit spul ben je net zo ver boven je theewater als na drie kroezen van de beste van de baron, of niet soms?'
Bij het horen noemen van de baron verdween de vrolijkheid van Errics gezicht. 'Ik zou het niet weten,' zei hij en begon terug naar de keuken te lopen.
Met een hand op Errics schouder hield Milo hem tegen. 'Neem me niet kwalijk, jongen.'
Erric haalde zijn schouders op. 'Zo bedoelde je het vast niet, Milo. Ik neem je niets kwalijk.'
'Waarom neem je niet even pauze,' zei de herbergier. 'Volgens mij wordt het wat rustiger.'
Daar moest Erric om grijnzen, want het kabaal in de gelagkamer was welhaast oorverdovend, zo hard als er gelachen en gepraat werd. 'Als jij het zegt.' Hij liep om de tapkast heen en wrong zich door het gedrang in de gelagkamer. Toen hij bij de deur stond, wierp Rosalyn hem een beschuldigende blik toe. Met zijn lippen vormde hij de woorden: 'Ben zo terug.' Even rolde ze met gespeelde ergernis haar blik hemelwaarts en was meteen weer in de weer, kroezen van de tafels halend om terug naar de tapkast te brengen.
Het was een frisse avond. De herfst naderde en ieder moment kon het bitter koud worden in de bergen rond Zwartheide. Al waren die niet zo hoog als de Calastiusbergen in het westen of de Tanden van de Wereld ver in het noorden, toch lag er in de koudere winters sneeuw op de pieken en alleen in de zomer maakten de kwekers zich geen zorgen over vorst.
Erric liep naar het stadsplein en zoals hij al had verwacht, zaten er nog steeds een paar jongens en meisjes op de rand van de fontein voor het Wijnbereidersgebouw. Ru stond zachtjes te praten met een meisje dat, lachend om zijn voorstel, hem wantrouwig bekeek. Ook was ze druk bezig met haar handen om die van Ru te beperken tot de neutrale gebieden van haar lichaam.
'Avond, Ru,' zei Erric. 'Gwenda.'
Het gezicht van het meisje klaarde op toen ze Erric ontwaarde. Met haar rode haar en grote groene ogen was Gwenda een van de mooiste meisjes van het stadje en al meer dan eens had ze getracht bij Erric in de smaak te vallen. 'Erric!' riep ze uit en duwde Ru's handen krachtig van zich af. Ook een paar andere leden van de plaatselijke jeugd groetten het hulpje van de smid.
'Klaar in de herberg?' vroeg Ru.
Erric schudde zijn hoofd. 'Even pauze. Over een paar minuten moet ik weer terug. Ik dacht even een luchtje te scheppen. Het kan er knap rokerig worden, en het lawaai...'
Gwenda wilde net iets zeggen toen de uitdrukking op Ru's gezicht zodanig veranderde dat zowel zij als Erric omkeken. Twee jongemannen in mooie kleren, elk met een zwaard aan de zij, stapten de lichtkring van de fakkels rondom de fontein binnen. Gwenda stond op en maakte onhandig een knix. Anderen volgden haar voorbeeld, maar Erric bleef zwijgend staan en Ru bleef zitten, met open mond.
Stefan en Manfred van Zwartheide keken naar de jongens en meisjes van ongeveer dezelfde leeftijd als zij. Door hun kledij en houding echter staken ze even duidelijk af als zwanen in een vijver vol eenden en ganzen. Ze hadden duidelijk gedronken en liepen met de zorgvuldigheid van iemand die zijn benevelde staat trachtte te verbergen.
Zodra Stefans blik zich op Erric vestigde, betrok zijn gezicht, maar Manfred legde een hand op zijn arm. Iets in Stefans oor fluisterend, verstevigde de jongste broer zijn greep. Uiteindelijk knikte Stefan, zijn ogen half geloken, en er verscheen een kille glimlach rond zijn lippen. Erric en Ru negerend maakte hij een lichte buiging voor Gwenda en zei: 'Mejuffrouw, het lijkt erop dat mijn vader en de stadse notabelen alleen maar spreken over zaken betreffende wijn en druiven die mijn begrip en geduld te boven gaan. Wellicht bent u zo vriendelijk om ons vertrouwd te maken met wat... interessantere manieren om de tijd te verdrijven?'
Blozend wierp Gwenda een blik op Erric, die haar fronsend aankeek en heel even zijn hoofd schudde. Als om hem het recht haar te adviseren onmiddellijk te ontzeggen, sprong ze lichtvoetig van het muurtje rond de fontein. 'Met genoegen, mijnheer,' zei ze en riep naar een ander meisje dat vlakbij zat. 'Katherine, ga je mee?'
Als een dame aan het hof nam ze Stefans uitgestoken arm en onhandig volgde Katherine haar voorbeeld bij Manfred. Langzaam wandelden ze weg, verdwijnend in het donker, Gwenda overdreven wiegend met haar heupen.
'We kunnen er maar beter achteraan gaan,' zei Erric na een tijdje.
Meteen ging Ru recht voor zijn vriend staan. 'Zin in een knokpartij?'
'Nee, maar die twee nemen geen genoegen met nee en de meisjes-'
Ru zette zijn hand op Errics borst, als om hem tegen te houden. 'De meisjes weten precies wat ze aan een edelmanszoon hebben,' zei hij. 'Gwenda is geen klein kind meer. En Stefan zal de eerste niet zijn die onder haar rokken komt. En jij bent zo ongeveer de enige knul in de stad die nog niet met Katherine tussen de lakens is gedoken.' Met een blik over zijn schouder in de richting waarin het viertal was verdwenen, voegde hij eraan toe: 'Al had ik gedacht dat ze allebei een betere smaak zouden hebben.' Op zachte toon, zodat alleen Erric hem kon horen, sprak Ru verder, in zijn stem een ruwe klank die zijn vriend onmiddellijk herkende. Op die toon sprak Ru alleen wanneer hij doodernstig was. 'Erric, op een dag zul je tegenover dat zwijn van een broer van je komen te staan. En als het zover is, zul je hem waarschijnlijk moeten doden.' Erric fronste zijn wenkbrauwen bij het horen van Ru's toon en woorden. 'Maar vanavond nog niet. En zeker niet om Gwenda. Dus: moet jij niet terug naar de herberg?'
Erric knikte en haalde rustig Ru's hand van zijn borst. Nog even bleef hij roerloos staan, als om tot zich door te laten dringen wat zijn vriend zojuist had gezegd. Toen, zijn hoofd schuddend, draaide hij zich om en liep terug naar de herberg.