12 Aankomst
Erric vertrok zijn gezicht.
De zwiepende schop waarmee Nakur hem had getroffen, was ingehouden geweest, maar deed niettemin zeer.
'Je valt nog steeds aan als een dolle stier,' berispte de Isalani hem. Zijn gezicht was als gerimpeld leer, maar in zijn ogen schitterde een jeugdige vrolijkheid. Sho Pi keek nauwlettend toe en onverwachts tolde zijn oudere landgenoot weer om zijn as. Erric sprong net op tijd weg om te voorkomen dat hij opnieuw een trap tegen zijn borst kreeg en reageerde ogenblikkelijk met een riposterende schop. Meteen nam hij daarop weer een verdedigende houding aan.
'Waarom doe je dat!' schreeuwde de Isalani. 'Waarom trok je je weer terug?'
Met kracht blies Erric de lucht uit zijn longen en ademde diep weer in. Het zweet liep langs zijn gezicht en lichaam. 'Omdat ik anders... mijn evenwicht verloren zou hebben,' zei hij puffend. 'Die schop was om je... op afstand te houden... niet om je te treffen.' Hij zuchtte nogmaals. 'Als ik was doorgegaan, had je mijn nek gebroken.'
Nakur grijnsde en weer trof het Erric dat dit rare mannetje, nu nog geen maand aan boord van hun schip, in zo'n korte tijd bij iedereen al zo geliefd was geworden. Hij vertelde de meest waanzinnige verhalen, vrijwel zeker allemaal verzonnen, en zijn gewoonte om met kaarten te winnen deed Erric vermoeden dat hij waarschijnlijk nog vals speelde ook. Maar als er één leugenaar en vals speler kon worden vertrouwd, dan was het Nakur.
Sho Pi kwam naast Nakur staan. 'Het is wijs om te weten wanneer je moet hergroeperen, zoals het ook wijs is om te weten wanneer je moet aanvallen.' Hij maakte een buiging en Erric boog terug. Eerst had Erric, evenals de anderen, al die rituelen maar raar gevonden en ze bespot, maar nu voerde hij ze uit zonder erbij na te denken, wederom evenals de anderen. In feite moest hij nu toegeven dat die rituelen hem hielpen met zijn concentratie.
'Meester,' begon Sho Pi.
'Voor de zoveelste keer, jongen, noem me geen meester!'
De mannen lachten. In de week na Nakurs komst was Sho Pi tot de slotsom gekomen dat Nakur de meester was waar hij naar had gezocht. Deze openbaring had echter aan Nakur een stroom van ontkenningen ontlokt, die nu zijn derde week in ging. Minstens eenmaal tijdens ieder gesprek noemde Sho Pi hem meester en eiste Nakur dat hij daarmee ophield.
Sho Pi negeerde het bevel. 'Ik denk dat we de mannen shi-to-ku moeten leren.'
Maar Nakur schudde zijn hoofd. 'Leer jij het hun maar. Ik ben moe. Ik ga lekker daar zitten en een sinaasappel eten.'
Erric bewoog zijn linkerschouder, stijf van de klap op zijn borst, en Sho Pi zag het. 'Heb je daar last van?'
Erric knikte. 'Hij heeft me hier geraakt,' zei hij, wijzend op een plek vlak onder zijn borstspier, 'maar ik voel het helemaal tot aan mijn hals en mijn elleboog. Mijn schouder wordt stijf.'
'Kom maar eens hier,' zei Sho Pi.
Nakur keek toe en knikte toen Sho Pi aangaf dat Erric op zijn knieën moest gaan zitten. Hij maakte een gebaar met zijn rechterhand en plaatste toen zijn handen op Errics schouder. Errics ogen werden groot toen hij een enorme warmte uit Sho Pi's handen voelde stromen. Het kloppen in zijn schouder werd snel minder. 'Wat ben je aan het doen?' vroeg hij.
'In mijn land staat dit bekend als shü-chi,' zei Sho Pi. 'Er is helende energie in het lichaam. Die helpt je genezen van verwondingen en ziekte.'
'Kan je mij dit ook leren?' vroeg Erric terwijl de warmte zijn gekneusde spier versoepelde.
'Dat kost een hoop tijd -'
'Ha!' riep Nakur. Hij stond op van de reling en gooide de half verorberde sinaasappel overboord. 'Nog meer van die kloosterhocus-pocus! Shü-chi is geen mystieke meditatie en het betreft ook geen gebed. Het is iets natuurlijks. Iedereen kan het!'
Met een flauw glimlachje liet Sho Pi zich door Nakur opzij wuiven.
'Wil jij dit ook kunnen?' vroeg het mannetje.
'Ja,' zei Erric.
'Geef me je rechterhand.'
Erric stak hem uit en Nakur draaide hem met de palm naar boven. Hij sloot zijn ogen, tekende een paar figuren in de lucht en gaf toen een klap op Errics hand, zo hard dat de tranen hem ervan in de ogen schoten. 'Waar is dat goed voor?' vroeg hij geërgerd.
'Om de energieën wakker te maken. Hou nu je hand eens daar.' Nakur bracht Errics hand naar zijn schouder en Erric voelde uit zijn hand dezelfde warmte vloeien die hij van Sho Pi had gevoeld. 'Zonder gebed of meditatie vloeit het gewoon,' legde Nakur uit. 'Het werkt altijd, dus wat je ook aanraakt, het wordt geheeld. Nu zal ik je laten zien hoe je je handen moet leggen.' Tegen Sho Pi zei hij: 'In twee dagen tijd kan ik de mannen leren hoe ze deze kracht kunnen gebruiken, jongen. Niks mystieke nonsens. De tempels beweren dat het magie is, maar het is niet eens een goed trucje. Het is alleen dat de meeste mensen te dom zijn om te weten dat ze over die krachten beschikken en hoe ze ermee om moeten gaan.'
Met geveinsde ernst op zijn gezicht keek Sho Pi naar Nakur, maar in zijn ogen stond de pret te lezen. 'Ja, meester.'
'En noem me geen meester!' schreeuwde Nakur.
Hij liet de mannen in een cirkel staan en begon te praten over de natuurlijke helende energieën van het lichaam. Erric was gefascineerd. Denkend aan de paarden die hij had behandeld - de dieren die beter hadden moeten worden maar bleven sukkelen en de dieren die tegen alle redelijke verwachtingen in toch genazen - vroeg hij zich af in hoeverre dat aan hun geest had gelegen.
'Deze energie is gemaakt van het spul van het leven,' zei Nakur. 'Ik denk niet dat jullie stommelingen zijn, maar jullie zijn ook geen mensen die veel interesse hebben in de dingen die mij nu juist zo fascineren, dus ik zal geen pogingen doen jullie uit te leggen wat dat spul van het leven volgens mij is. Laat ik maar zeggen dat deze energie overal is, in al wat leeft.'
Op dat moment verscheen Caelis aan dek en hij ving Nakurs blik. Er scheen iets tussen hen te worden uitgewisseld en Nakur zei: 'Al het leven staat met elkaar in verbinding.'
Erric keek om naar Ru en zag dat ook zijn vriend die uitwisseling had opgemerkt.
Vervolgens verduidelijkte Nakur hoe het lichaam zichzelf kan genezen, maar dat de meeste mensen niet weten hoe ze hun eigen krachten kunnen accepteren. Hij demonstreerde een paar dingen die de mannen moesten weten om de shü-chi ten volle te benutten - waar ze hun handen moesten plaatsen om de gewenste uitwerking te verkrijgen, hoe de verschillende vormen van verwondingen en ziektes te onderscheiden - maar nadat Nakur de krachten in hun handen had 'wakker gemaakt' scheen de energie er altijd te zijn wanneer ze zichzelf of iemand anders maar aanraakten.
Tegen de middag hadden alle mannen een klap in hun hand gekregen en uren met de helende energieën op elkaar geoefend. Nakur en Sho Pi hadden hen geholpen met een reeks oefeningen die erop waren gericht om de herkomst van gewone problemen te onderscheiden en de stroom van energieën in een ander lichaam te herkennen. Tijdens het middagmaal werd er druk gegrapt over dit handje-opleggen, maar niettemin waren de mannen duidelijk onder de indruk van deze simpele mogelijkheid om pijn te verlichten, zwellingen te doen slinken en een algemeen welbevinden te bevorderen.
Na het eten werden Erric en Ru het want in gestuurd om de matrozen met dagwacht af te lossen, zodat zij konden eten. Een zeil vastzettend dat op bevel van de kapitein was gereefd toen de wind aanzwol, zei Ru: 'Wat vind jij er allemaal van?'
'Wat Nakur al zei,' antwoordde Erric, 'een handig hulpmiddel. Het kan me geen zier schelen dat Sho Pi zegt dat het iets mystieks is. Het werkt, dus ik maak er gebruik van.' Met een welhaast trieste klank in zijn stem voegde hij eraan toe: 'Ik wou dat ik ervan had geweten toen ik Grijskuifs merrie behandelde. Volgens mij zou ze dan een stuk sneller zijn opgeknapt.'
'Alles wat we weten om onze gezondheid te bevorderen is mooi meegenomen,' zei Ru.
Erric knikte. Er heerste een grimmige berusting onder de mannen met betrekking tot de eventuele afloop van hun reis. Nadat Caelis had verteld van zijn bedoeling om dienst te nemen in dit oprukkende leger, had hij in het kort hun missie uit de doeken gedaan.
Ze zouden met een kleine groep aan land gaan aan de voet van een klif waar normaal gesproken geen schepen voorbij kwamen. De zesendertig gevangenen en het grootste deel van de achtenvijftig overlevenden van de vorige campagne zouden met Meijer, Van Loungville, Nakur en Caelis langs de klifwand naar boven klimmen. Eenmaal op het plateau zouden ze over land naar de basis van een paar bondgenoten van Caelis trekken en vervolgens verder naar de indringers bij een stad genaamd Khaipur. In het vijandelijke leger moesten ze zien uit te vinden of en waar er zich zwakke plekken bevonden - Caelis en Nakur waren degenen die het beste wisten wat die konden zijn. Maar zodra deze zwakheden waren ontdekt, was het ieders afzonderlijke taak om met die informatie terug te gaan naar de Stad aan de Serpentrivier en deze gegevens over te brengen naar prins Valentijn.
Als ze onderwijl een manier konden bedenken om de aanval te keren voordat het invasieleger groot genoeg was om de oceaan over te steken en het Koninkrijk binnen te vallen, des te beter. Doch keer op keer wees Caelis hen op het gevaar dat iedereen liep. Erric herinnerde zich nog haarscherp diens laatste woorden hierover: 'Niemand kan ontsnappen. Deze verschrikkelijke invasie is nog maar het begin van de verwoesting. Uiteindelijk zal er een onvoorstelbaar zwarte magie worden ontketend en al hou je je verborgen in de diepste grotten op de hoogste bergen van het Noordland of op het verste eiland in een afgelegen zee, je zult sterven. Als we deze horde niet tegenhouden, gaan we er allemaal aan.' Hij had van de een naar de ander gekeken. 'Dat is de enige keus: winnen of sterven.'
Nu begreep Erric waarom Leonhard van Loungville 'radeloze mannen' nodig had, want in wezen stonden ze op het punt hun nek weer in de strop te steken. Afwezig betastte Erric het touw dat nog steeds om zijn hals hing.
'Grote genade!' riep Ru, Erric uit zijn mijmerij halend.
'Wat?'
'Als je het over een demon hebt, trap je op zijn staart! Is dat niet Ewald Grijskuifs zilveren hoofd die ik daar op het voordek van de Vagebond zie?'
Ingespannen turend zag Erric de piepkleine gedaante op het andere schip. 'Zou kunnen. Ongeveer hetzelfde postuur en hij heeft inderdaad die zilveren lokken in zijn haar.'
'Waarom hebben we hem dan niet op het strand gezien?'
Erric knoopte een lijn vast. 'Misschien is hij niet aan land geweest. Misschien wist hij al wat we gaan doen.'
Ru knikte. 'Maar er zijn nog steeds een paar dingen die ik niet begrijp.
Wie was die Miranda nou eigenlijk? Iedereen die ik erover aanspreek, heeft haar ontmoet, zij het soms onder een andere naam. En Grijskuif mag dan een vriend van jou zijn, maar als hij op dat schip zit, heeft hij dan iets te maken met onze arrestatie?'
Erric haalde zijn schouders op. 'Als dat Grijskuif is, komen we daar vanzelf wel achter als we aan land gaan. En wat maakt het verder uit? We zijn hier en we hebben een taak te verrichten. Met piekeren waarom verander je daar niets aan.'
Geïrriteerd keek Ru hem aan. 'Jij bent veel te verdraagzaam van aard, mijn vriend. Als dit allemaal achter de rug is en we leven nog steeds, ben ik van plan om rijk te worden. Ik weet in Krondor een koopman met een lelijke dochter die hij wil uithuwelijken. Misschien ben ik wel precies de goeie man voor haar.'
Erric begon te lachen. 'Wees jij dan maar ambitieus voor ons allebei, Ru.'
Ze gingen verder met hun werk en toen Erric nogmaals naar de Vagebond keek, was de gedaante die Ewald had kunnen zijn verdwenen.
De weken verstreken. Zonder brokken zeilden ze door de Straat der Duisternis, ondanks het moeilijke weer. Voor het eerst merkte Erric wat het was om aan boord van een schip in gevaar te zijn, hangend in het want terwijl de elementen hem teisterden. De oude rotten grapten dat dit in de Straat voor de tijd van het jaar een makkelijke doorvaart was en vertelden kleurrijke verhalen over onmogelijke toestanden met mijlshoge trechtervormige wolken en golven zo groot als kastelen.
Het duurde drie dagen, en toen ze erdoor waren, was Erric bijna ingestort in zijn kooi, evenals zijn metgezellen. De ervaren soldaten lukte het om tijdens hun vrije wacht dwars door het noodweer heen te slapen, maar de voormalige gevangenen deden er niet zo luchthartig over.
Naarmate het leven aan boord van het schip tot een routine werd, ontwikkelden zich vriendschappen tussen de mannen. Soms spraken ze dagen achtereen over het grimmige doel achter hun missie, dan gingen er weer dagen voorbij zonder enig commentaar. Bespiegelingen leidden vaak tot twistgesprekken, gevolgd door de stilzwijgende beaming dat iedereen op zijn eigen manier bang was.
De soldaten die van de Vagebond kwamen om met de gevangenen te oefenen, gaven dikwijls langdurige verslagen over de vorige reis zuidwaarts, doch even vaak hielden ze hun mond erover, afhankelijk van de man en de stemming waarin hij verkeerde.
Eén ding ontdekte Erric keer op keer: Caelis was geen mens, als hij de oudere soldaten kon geloven. Aanzienlijk veelzeggender dan de verhalen van Jadow en Jerom over zijn wonderbaarlijke lichaamskracht was het relaas van een oudere soldaat, een vroegere korporaal uit Cars, die zei dat hij vierentwintig jaar geleden Caelis voor het eerst had ontmoet, toen de korporaal nog maar een groentje was, en dat Caelis sindsdien geen dag ouder was geworden.
Onderwijl leerde Ru zijn woede in te tomen en misschien zelfs wel geheel te bedwingen. Verscheidene malen had hij ruzie gekregen, doch slechts eenmaal was het tot klappen gekomen en aan dat incident was vlug een einde gemaakt toen Jerom Handig hem oppakte, over het dek naar de reling droeg en hem dreigde overboord te smijten. De bemanning had vreselijk gelachen om de bungelende Ru, die door Jerom aan zijn enkels boven het water werd gehouden.
Ru had zich eerder geschaamd dan kwaad gemaakt over het gebeuren en toen Erric hem er later over aansprak, wimpelde hij het af, waarbij hij iets zei dat Erric sindsdien altijd bijbleef. Hij had zijn jeugdvriend recht aangekeken en gezegd: 'Wat er ook gebeurd, bang ben ik al geweest, Erric. Ik heb als een klein kind gehuild en in mijn broek gesast toen ze ons naar de galg brachten. Waar moet je daarna dan nog bang voor zijn?'
Erric genoot van de zee, maar dacht toch niet dat het zeemansleven geschikt voor hem was. Hij verlangde naar zijn smidse en het verzorgen van paarden. Als hij de komende oorlog overleefde, zou dat zijn keus zijn: een smidse en misschien op een dag een vrouwen kinderen.
Vaak dacht hij aan Rosalyn, aan zijn moeder, aan Milo en de anderen in Ravensburg, en vroeg zich dan af hoe het met hen ging en of ze wel wisten dat hij nog leefde. Misschien had Manfred er iets over gezegd tegen een wachter, die het had doorverteld aan iemand in het dorp. Er was in ieder geval niemand die genoeg om hem en zijn familie gaf om ervoor te zorgen dat zijn moeder of Rosalyn het te weten kwamen. Zijn gedachten aan Rosalyn waren overigens merkwaardig neutraal. Hij hield van haar, maar als hij zich een voorstelling maakte van een vrouwen kinderen, was Rosalyn daar niet bij - niemand, trouwens.
Ru had voor zichzelf al besloten dat hij terug zou gaan naar Krondor om te trouwen met de lelijke dochter van Helmut Grebbe. Telkens wanneer hij het daarover had, begon Erric te lachen.
Met het verstrijken der dagen werden de mannen steeds kundiger in alle onderdelen van hun opleiding. De verhalen van de overlevenden van de vorige missie, het voorbeeld dat ze stelden, hun eigen grimmige vastberadenheid om de beste te zijn, al die dingen spoorden de voormalige gevangenen aan om hun prestaties te evenaren. Zo goed als ze konden aan boord van het schip oefenden ze met hun wapens, en met kalmer weer gaf Caelis hun onderricht in het boogschieten, waarbij ze zich bedienden van een kleine boog van het type dat werd gebruikt door de ruiters van de Oostlandse steppen: de Jeshandi. Caelis had zijn eigen langboog opgeborgen in zijn hut, maar ook met het kortere wapen wist hij uitstekend om te gaan. Ongeveer de helft van de mannen bleek een goed tot uitmuntend schutter. Ru was beter dan Erric, maar geen van beiden behoorde tot de eerste dertig boogschutters. Die kregen elk een boog, had Caelis gezegd, maar hij wilde dat iedereen in ieder geval voldoende vertrouwd was met het wapen om enige kans te hebben een doel te treffen.
Dat scheen tevens het onderliggende patroon van de hele opleiding te zijn. Van Loungville en Meijer lieten de mannen oefenen met alle wapens die ze mogelijk moesten gebruiken, van lange paalwapens tot korte dolken. Van iedereen werden zowel de goede als de slechte prestaties bijgehouden in een journaal, maar niemand mocht de uren van scholing missen, al toonde hij nog zo weinig aanleg voor het betreffende wapen. Wat in het kamp buiten Krondor was begonnen, werd voortgezet aan boord van het schip. Iedere dag bracht Erric een halve wacht door met een zwaard, speer, boog, mes, strijdhamer of zijn vuisten, maar altijd werd er van hem verwacht dat hij zichzelf weer overtrof.
Het uur met Sho Pi en Nakur werd voor Erric het hoogtepunt van de dag en ook de andere mannen schenen van de oefeningen te genieten. In het begin was de meditatie wel wat vreemd, maar nu voelde hij zich daarna altijd verfrist en sliep hij beter.
Tegen de derde maand was Erric al zeer bedreven in het vechten met geopende handen, zoals hij de vreemde Isalanische dans die ze van Sho Pi leerden, had genoemd. Hoe raar ze eerst ook waren geweest, de bewegingen smolten langzaam samen tot een arsenaal van bewegingen en tegenbewegingen en vaak merkte Erric dat hij tijdens de gevechtsoefeningen zonder erbij na te denken als vanzelf op een volkomen onverwachte manier reageerde. Eenmaal, bij het messenvechten, had hij Louis bijna geraakt en de Rodeziër had zijn makker uit de dodencel indringend aangekeken en toen lachend gezegd: 'Jouw "dans van de kraanvogel" is veranderd in de "klauw van de tijger", naar het schijnt.' Het waren allebei bewegingen die Sho Pi hem had geleerd en van geen van beide was hij zich bewust geweest.
Erric vroeg zich af wat er van hem werd.
'Land in zicht!' riep de uitkijk.
In de afgelopen twee dagen was de spanning aan boord van het schip danig opgelopen. De matrozen hadden gezegd dat ze het punt naderden waarop er vaste grond aan de horizon zou verschijnen en inmiddels was iedereen zich scherp bewust van de beperkende afmetingen van het schip. Deze grote driemasters waren goed genoeg van proviand voorzien voor de lange reis van vier maanden, maar het voedsel was nu oud, muf of verpieterd. Alleen Nakurs nimmer ontbrekende sinaasappels waren vers.
Erric klom het want in om de zeilen te reven, nu de kapitein het schip door een reeks verraderlijke riffen stuurde. Toen ze langs een stuk vlak water kwamen, zag Erric zo'n tien voet onder de zeespiegel een deel van een gezonken schip liggen.
'Dat is de Roofvogel, jongen,' zei Marstin, een oudere matroos die naast hem stond. 'Het schip van de oude kapitein Schendert, de voormalige Koninklijke Adelaar uit Krondor. We hebben toen een tijdje voor piraten gespeeld.' Hij wees naar de rotsige kust. 'Vierentwintig jaar geleden zijn we daar met een groepje aangespoeld, samen met Caelis, de Prins van Krondor - Valentijn, niet zijn vader - en hertog Markus van Schreiborg.'
'Was jij daar dan ook bij?' vroeg Ru, die aan de andere kant naast hem stond.
'Een handjevol van ons leeft nog steeds. Het was mijn eerste reis als zeemansleerling bij de koninklijke marine, maar het was wel op het beste schip onder de beste kapitein in de geschiedenis van de zeevaart.'
Ru en Erric hadden al verscheidene versies gehoord van het verhaal over Caelis' eerste reis naar het zuidelijke continent. 'Waar gaan jullie heen nadat wij zijn afgezet?'
'De Stad aan de Serpentrivier,' antwoordde Marstin. 'Daar blijft de wraak op jullie liggen wachten terwijl de Vagebond terug naar huis gaat met het laatste nieuws, na opnieuw te zijn uitgerust, natuurlijk. Dat heb ik tenminste gehoord.'
Het gesprek werd onderbroken door het bevel om de zeilen te strijken en Erric en Ru gingen aan de slag.
Toen de zeilen waren opgerold, hadden ze vanuit het want een goed uitzicht op de kust. Ze lagen langs een lang, verlaten strand onder een enorme klifwand van zeker honderd voet hoog. Aan de golfslag was te zien dat de kuststreek wemelde van de rotsen en Erric was diep onder de indruk van het gemak waarmee de kapitein deze relatief veilige ankerplaats had weten te bereiken.
'Verzamelen aan dek!' klonk het bevel en samen met de anderen klauterden Erric en Ru naar beneden. Van Loungville wachtte tot de hele compagnie paraat was en schreeuwde: 'Hier gaan we aan land, dames. Jullie hebben tien minuten om beneden je uitrusting te gaan halen. Geen getreuzel, want de sloepen worden nu meteen gestreken. Niemand wordt achtergelaten, dus haal het maar niet in je hoofd om je te verstoppen in de kabelbak.'
Erric was ervan overtuigd dat die waarschuwing overbodig was. Uit de gesprekken die hij met de andere leden van dit gezelschap had gehad, viel op te maken dat iedereen begreep dat er aan deze missie niet viel te ontsnappen. Sommigen geloofden misschien niet wat Caelis had gezegd, maar Nakurs woorden bleken tot iedereen te zijn doorgedrongen en wat daar ook waar van was, deze groep radeloze mannen was bereid de strijd tegemoet te gaan.
Boven aan het klif stonden ruiters te wachten. De klim was vrij gemakkelijk verlopen, aangezien er een touwladder met houten sporten langs de rotswand was neergelaten. Iemand met een slechte gezondheid zou wellicht problemen met de lange klim hebben gehad, maar na vier maanden werken aan boord van het schip, volgend op de opleiding in het kamp, had Erric geen enkele moeite om met zijn rugzak en wapens naar boven te klauteren.
Boven op de rotsen aangekomen zag Erric vlak bij de klif rand een weelderige oase van dadelbomen en ander gebladerte rondom een grote waterpoel. Toen kreeg hij de woestijn in het oog. 'Goden!' riep hij uit.
Ru kwam bij hem staan. 'Wat is er?' Ook Knoert en de anderen kwamen kijken waarheen Erric wees.
'Ik ben in de Jal-Pur geweest,' zei Will Godwinus, 'en hierbij vergeleken was dat een vakantieparadijs.'
Aan alle kanten werd het oog begroet door rotsen en zand. Behalve daar waar het klif uitzicht bood over de oceaan, was er maar één kleur: leigrijs met vlekken van donkerder gesteente. Zelfs op dit late middaguur deed de opstijgende hitte de lucht golven als beddenlakens aan een waslijn en ineens kreeg Erric dorst.
'Dat zou ik een hellehond nog niet toewensen,' zei Knoert.
Hun aandacht werd plotseling afgeleid toen Meijer schreeuwde: 'Goed, dames, straks is er nog tijd genoeg om van het natuurschoon te genieten. Aantreden!'
Ze werden voor een wachtende Van Loungville geleid. Hij wees naar een groepje van zes mannen, waaronder Jerom en Jadow Shati. De andere vier kende Erric eveneens van naam en tijdens de laatste reis had hij verscheidene malen met hen gesproken. 'Dit is het oudste groepje van zes dat ik heb,' zei Van Loungville. 'Ze hebben een opleiding van drie jaar.' Toen wees hij naar het groepje van Erric. 'Dat is de nieuwste groep. Zij hebben maar een paar weken geoefend voordat we gingen.' Tegen Erric en de anderen zei hij: 'Let goed op hen. Doe wat zij doen. Als jullie in moeilijkheden raken, zullen ze jullie helpen. Als jullie een fout maken, zullen ze jullie helpen. Als jullie proberen te ontsnappen, zullen ze jullie doden.' Zonder nadere uitleg liep hij weg, Meijer roepend om de mannen te laten aantreden voor een mars.
Nadat de ruiters met Caelis hadden overlegd, reden ze weg. Even verderop lagen grote bundels onder zeildoeken, met touwen pinnen aan de grond verankerd. Meijer zette twaalf man aan het werk om alles los te maken en toen ze klaar waren, zag Erric een verborgen arsenaal van wapens en wapenrustingen.
Caelis hief zijn hand op. 'Jullie zijn nu allemaal huurlingen, sommigen gekleed als voddenrapers en anderen als prinsen. Ik wil geen gekibbel over wie wat neemt. De wapens zijn belangrijker dan de kleren. Laat jullie Koninkrijkse wapens hier en verruil ze voor deze hier.'
'Ik wou dat ze ons hadden gezegd dat we al die dingen niet nodig hadden vóórdat we alles het klif op hadden gesleept!' fluisterde Ru.
'Denk eraan,' vervolgde Caelis, 'dit is een maskerade, verder niets. Het gaat ons niet om de buit.'
De mannen kwamen dichterbij staan, want Caelis sprak hen zelden toe en ze wisten nog steeds maar weinig van wat er in het verschiet lag. 'Jullie weten wat je verteld is,' ging hij verder, 'en nu krijgen jullie de rest te horen. In de oudheid werd er een ras geschapen, de serpentmensen van Pantathië.'
Het gebruikelijke gemompel bleef uit en de mannen luisterden stil en aandachtig, want ze wisten dat hun leven afhing van hetgeen ze over deze missie te weten konden komen.
'Dat ras beschikt over kennis uit de tijd van de Chaosoorlog. Ze denken dat ze voorbeschikt zijn over deze wereld te regeren, door al het andere leven erop te vernietigen.' De mannen een voor een aankijkend, alsof hij hun gezichten wilde onthouden, sprak de jonge halfelf: 'En ik denk dat ze daartoe de middelen hebben. In ieder geval is het onze taak dat te ontdekken. Twaalf jaar geleden zijn sommigen van ons al hier geweest.' Hij knikte naar de groep soldaten uit de vorige campagne. 'We dachten er toen veel eenvoudiger over: we zouden ons gewicht in de strijd gooien en de veroveraars terugslaan. Inmiddels weten we beter.' Alle soldaten die de eerste campagne tegen de Pantathiërs hadden overleefd, knikten instemmend. 'Wat deze wezens ook van plan zijn, het is meer dan eenvoudig landje-veroveren of plunderen om oorlogsbuit. Twintig jaar geleden rukten ze op naar een kleine stad aan de andere kant van dit continent, Irabek, en sindsdien valt elk gebied dat ze innemen achter een gordijn van dood en vuur. Uit geen enkele stad die ze hebben veroverd kregen we bericht. Degenen van ons die hen vanaf de muren van Hamsa hebben gezien, weten hoe het eraan toe gaat. De eerste golf bestaat uit huurlingenkorpsen, van het soort waar wij ons ook voor uitgeven, maar achter hen volgen fanatieke soldaten. Veel officieren en strijders uit de zeer goed opgeleide kaders zijn mensen, maar er zijn ook serpenten die rijden op paarden met een schofthoogte van vijfentwintig handbreedten.'
Daar keek Erric van op. Het grootste krijgsros dat hij in Otto's cavalerie had gezien, was negentien handbreedten hoog. Weliswaar had hij gehoord dat er door de Krondorische Zware Lansiers paarden van twintig handbreedten werden gebruikt, maar vijfentwintig? Dat was bijna acht en een halve voet. Zelfs het allergrootste trekpaard kwam daar niet bij in de buurt.
'Zelf hebben we deze dieren niet gezien,' vervolgde Caelis, 'maar we hebben betrouwbare verslagen. En achter deze beesten komen de priesters zelf. Sommige mensen, zo is ons verteld, worden beloond met een hoge plaats binnen deze kaders van zeer goed opgeleide strijders. Maar ze zijn allemaal bereid deze meedogenloze onderdrukkers van dit land te dienen. Onze missie is simpel. We moeten zo dicht mogelijk het hart van dit invasieleger zien te bereiken en zo veel mogelijk proberen te weten te komen. Zodra we alles weten wat er te ontdekken valt, moeten we ontvluchten naar de Stad aan de Serpentrivier en vandaar naar huis, zodat prins Valentijn zich op de komende invasie kan voorbereiden.'
Even bleef het stil, tot Knoert zei: 'Dus dat is alles wat we moeten doen en daarna kunnen we naar huis?'
Ineens werd er gelachen. Ook Erric kon zich niet bedwingen. Ru keek hem aan, worstelend om zijn gegrinnik in te houden, tot ook hij in schateren uitbarstte.
Caelis liet de pret even uitrazen voordat hij zijn handen ophief om stilte. 'Velen zullen niet terugkomen. Doch degenen die het overleven, hebben hun vrijheid en de lof van de koning verdiend. En als we deze moordlustige slangen kunnen verslaan, krijgen jullie de gelegenheid je eigen leven in te richten zoals je maar wilt. Dus: pak je uitrusting. We hebben nog een lange mars door een zware woestenij voor de boeg voordat we ons bij onze bondgenoten kunnen aansluiten.'
De mannen stortten zich op de wapens en kleding als kinderen op Midwinterfeestgeschenken, en weldra vlogen de commentaren en vriendschappelijke beledigingen over en weer.
Erric vond een verschoten, maar stevige blauwe tuniek, en gespte daaroverheen een borstplaat van onbekende makelij met een versleten leeuwenkop erop. Met een eenvoudig rond schild, een lange dolk aan zijn riem en een vakkundig gesmeed hakzwaard was zijn uitrusting compleet. Een van de mannen die helmen aan het passen waren, smeet er een opzij die naar Erric rolde en aan zijn voeten bleef liggen. Het was een taps toelopende helm met een neusbrug en toen hij hem opraapte, viel er een nekbeschermer van maliën uit. Hij paste uitstekend, dus hield hij hem op.
Terwijl de mannen zich bewapenden, werd de stemming somberder. Zodra Caelis zag dat ze klaar waren, hief hij zijn handen weer op. 'Jullie zijn nu Caelis' Vlammende Adelaars. Voor het geval iemand die naam kent: jullie komen van de Avondroodeilanden. Degenen die al eerder hebben gediend kunnen de anderen vertellen wat ze over de Adelaars moeten weten wanneer ernaar wordt gevraagd. Wij zijn de felste krijgers van het Koninkrijk en we vrezen mens noch demon. De vorige keer dat we hier waren kregen we de kous op de kop, maar dat is nu twaalf jaar geleden en ik betwijfel dat er hier nog meer dan één op de duizend rondloopt die zich dat kan herinneren. Dus stel je op in rotten - we zijn huurlingen, maar geen gepeupel- en zorg voor je proviand. Iedereen draagt drie volle waterzakken. We marcheren 's nachts en slapen overdag. Volg de instructies op en je redt het levend naar de volgende waterbron.'
Terwijl de zon in het westen onderging, stelden Van Loungville en Meijer de mannen op in het gelid. Met zijn gezicht naar de rood vlammende zon ging Caelis hen voor, de hitte in.
Erric had het nog nooit zo heet gehad. Hij was hondsmoe, hij stierf van de dorst en hij had jeuk in zijn nek, maar hij had de fut niet eens om te krabben. De eerste nacht was nog vrij makkelijk geweest. Binnen enkele uren was de temperatuur gedaald van heet naar fris en met het naderen van de ochtendstond hadden ze het zelfs koud gehad. Doch zelfs toen was de kou zeer droog geweest en had de dorst toegeslagen. Zoals hun was opgedragen, dronken ze alleen wanneer ze van Van Loungville en Meijer toestemming kregen, ieder uur een mondvol.
Tegen zonsopgang moesten ze kamp opslaan en vlug zetten ze hun kleine tenten op, elk groot genoeg om zes man te beschutten. Al gauw vielen ze in slaap.
Uren later schrok Erric wakker toen de lucht in zijn longen onmogelijk genoeg kon zijn om hem in leven te houden. Hij snakte naar adem en werd beloond met een droge hap lucht die bijna pijn deed aan de keel en longen. Buiten zag hij de lucht sidderen van de hitte die oprees van de harde ondergrond. De anderen bewogen moeizaam om het zich in de hitte zo makkelijk mogelijk te maken. Een paar hadden de kleine tenten verlaten omdat ze dachten dat de hitte buiten minder was dan de warmte die door het tentdoek straalde, maar al gauw keerden ze terug in hun beperkte schuilplaats. Alsof hij hun gedachten kon lezen, had Meijers stem door de lucht geschald, waarschuwend dat iedereen die dronk zou worden geranseld.
De tweede nacht was zwaar geweest en de tweede dag verschrikkelijk. Nu bracht het liggen in de hitte niet eens rust, doch was het slechts een kwestie van minder energie verbruiken dan wanneer ze verder zouden lopen. De nacht bood geen verlichting, aangezien de koude droge lucht even veel vocht aan de mannen onttrok als de hitte van de dag.
Ze marcheerden voort.
Meijer en Van Loungville zorgden ervoor niemand uit het oog te verliezen en letten goed op dat er achteraan niemand die struikelde werd achtergelaten. Erric was ervan overtuigd dat het ook was om ervoor te zorgen dat niemand belangrijke spullen liet vallen om minder te hoeven dragen.
Nu was het de derde dag en Erric vroeg zich wanhopig af of hij ooit nog water en schaduw zou zien. En alsof het allemaal nog niet erg genoeg was, liep het terrein verderop omhoog. Eerst was het vrijwel onmerkbaar begonnen, maar nu was het alsof ze heuvelopwaarts liepen.
Verderop bleef Caelis staan en gebaarde dat de anderen naar hem toe moesten komen. Toen ze op de top van een heuvelkam stonden, zag Erric dat ze bij grasland waren aangekomen. Vanaf de heuvelkam strekten rollende groene heuvels zich uit tot verspreid staande bossen waar brede boomtakken beschutting beloofden. In de verte liep een slingerende bomenrij door het landschap, waar Caelis naar wees. 'De Serpentrivier. Jullie kunnen nu drinken wat je wilt.'
Erric pakte zijn laatste waterzak en zette hem aan zijn mond, maar tot zijn verrassing was hij al bijna leeg. Dat vond hij vreemd, want hij had gedacht meer water over te hebben, aangezien ze niet genoeg hadden mogen drinken om drie waterzakken te legen.
Caelis keek Van Loungville aan. 'Dat viel best mee,' zei hij.
Erric wierp een blik op Ru, die zijn hoofd schudde. Het bevel tot marcheren werd doorgegeven en ze liepen in de richting van de rivier in de verte.
De paarden liepen rond in grote veekralen en Caelis sprak met een paar handelaars. Ze waren al eerder geweest bij deze bloeiende handelaarspost met de naam Shingazi's Steiger. Een van de oudere soldaten had gezegd dat de oorspronkelijke herberg tot de grond toe was afgebrand toen Caelis hier vierentwintig jaar geleden voor het eerst was gekomen, maar dat de boel daarna was herbouwd. Shingazi zelf was bij de brand omgekomen, maar de nieuwe eigenaars hadden de naam gehouden, zodat ze nu konden genieten van Breks gastvrijheid bij Shingazi's Steiger.
Het eten was simpel doch welkom na de rantsoenen van de afgelopen drie dagen, evenals het overvloedige bier en wijn. De mannen die hen hier hadden opgewacht, waren niet dezelfde als de ruiters die ze op de klif rand hadden ontmoet. Dat waren Jeshandi geweest, was Erric verteld, en dit waren stadsmensen, afkomstig uit de Stad aan de Serpentrivier.
De stedelingen werden vergezeld door een compagnie wachters en hun kapitein was Caelis bekend. Ze waren de herberg ingegaan om te praten terwijl het huurlingenkorps buiten aan zijn lot werd overgelaten. Iedereen had zich gewassen in de rivier en gedronken tot ze niet meer konden, en nu rustten ze uit alvorens de tocht per rijdier te vervolgen.
Geïnteresseerd bekeek Erric de paarden. Eindelijk zag hij weer iets wat hij kon begrijpen. Ieder paard kreeg een trens en een cavaleriezadel met een borstriem, zadeltassen en plaats voor een beddenrol of een opgerolde tent achter de zadelboog. Plots viel hem iets op. 'Korporaal,' zei hij tegen Meijer toen die langsliep.
Meijer bleef staan. 'Ja?'
'Dat paard is niet in orde.'
'Wat?'
Erric kroop tussen de relingen van het kraalhek door en liep langs de rondlopende paarden. Een van de knechten van de paardenkoopman riep iets naar Erric. Aan boord van het schip had hij de taal van dit land geprobeerd te leren, zodat hij wist dat de man hem opdroeg uit de buurt van de paarden te blijven, maar hij had niet genoeg vertrouwen in zijn taalvaardigheid om te zeggen dat hij alleen maar even wilde kijken, dus zwaaide hij maar naar de man alsof hij reageerde op een groet.
Bij het paard aangekomen, liet hij zijn hand langs het linkervoorbeen lopen en tilde het op. 'Zieke hoef.'
'Wat een vuile gierigaards,' zei Meijer.
Inmiddels was de paardenverzorger bij hen, schreeuwend dat ze de dieren met rust moesten laten. 'Er is nog niet betaald! Ze zijn nog niet van jullie!'
Meijer ontketende zijn legendarische razernij. Met een vlezige hand greep hij de man bij zijn hemd, tilde hem op zodat hij op zijn tenen stond en brulde hem in het gezicht: 'Kijk jij maar uit dat ik je lever niet opvreet! Ga je meester halen! Als hij niet hier is voordat ik mijn goeie humeur verlies, maak ik hem en alle andere zwendelende hoerenzonen binnen een straal van vijf mijl een kopje kleiner!' Hij duwde de man van zich af en de koopmansknecht viel met zijn rug tegen het paard, dat protesterend snoof en wegliep. De man rende weg om zijn werkgever te halen.
Deze woordenwisseling ging niet onopgemerkt voorbij aan de wachters die bij de paardenhandelaars hoorden en plots stonden er overal gewapende mannen klaar voor de strijd.
'Korporaal,' vroeg Erric, 'was dat wel verstandig?'
Meijer grijnsde slechts.
Een paar ogenblikken later stormde de paardenkoopman op hen af, eisend te weten waarom ze zijn knecht hadden aangevallen.
'Aangevallen?' zei Meijer. 'Ik zou jullie koppen op staken moeten zetten! Kijk dit dier eens!'
De man keek naar het paard en zei: 'Wat is daarmee?'
Meijer keek Erric aan. 'Wat is ermee?'
Ineens stond Erric in het middelpunt van de belangstelling van alle aanwezigen. Hij keek rond en zag Caelis met de leider van de stadswachters naar buiten komen. Kennelijk had iemand hen gewaarschuwd voor mogelijk gevaar.
'Hij heeft een zieke hoef,' zei Erric. 'Hij is gespleten en ontstoken en ze hebben hem overgeschilderd zodat hij er gezond uitziet.'
De man begon aan een stroom van protesten, maar Caelis vroeg: 'Is dat waar?'
Erric knikte. 'Het is een oud trucje.' Hij liep naar het hoofd van het paard en keek naar de ogen, toen in de mond. 'Hij heeft een pijnstillend middel gekregen. Welk middel weet ik niet, maar er zijn er verscheidene die de pijn zodanig verzachten dat hij niet kreupel loopt. Het is nu bijna uitgewerkt. Hij begint al een beetje te trekken met dit been.'
Caelis liep naar de paardenkoopman. 'Jij hebt deze opdracht toch gekregen van onze vriend Regin van de Leeuw-stam?'
De man knikte en probeerde zich eruit te bluffen. 'Klopt. In de Stad aan de Serpentrivier en heel het Westland weet iedereen dat ik een man van mijn woord ben. Ik zal uitzoeken wie van mijn misleide bedienden hiervoor verantwoordelijk is en hem streng straffen. Kennelijk probeert iemand bij mij in de gunst te komen, maar ik ben de laatste om een goede vriend te bedonderen!'
Caelis schudde zijn hoofd. 'Mooi. We zullen alle paarden onderzoeken en voor elk dier dat wordt afgekeurd, krijg je een boete van de prijs van een gezond paard. Dit is de eerste, dus dat betekent dat we één gezond rijdier gratis krijgen.'
Toen de man een blik wierp op de kapitein van de compagnie die hem begeleidde, glimlachte deze. 'Lijkt me eerlijk, Mugaär.'
Bij gebrek aan bijval bracht de man een hand naar zijn hart. 'Dat is dan afgesproken.'
Terwijl de verslagen koopman wegbeende, zei Caelis tot de kapitein van de wacht: 'Hatonis, dit is Erric van Zwartheide. Hij inspecteert alle paarden. Als je ervoor kunt zorgen dat hij dat ongehinderd kan doen, ben ik je zeer dankbaar.'
Erric stak zijn hand uit en de man schudde die met een stevige handdruk. Hij was een soldaat van middelbare leeftijd, doch met maar weinig grijs dat zijn jeugdigheid weersprak, en hij zag eruit als een doorgewinterd strijder. 'Mijn vader zou opstaan uit zijn graf om zo'n man het leven zuur te maken als hij schande over onze stam bracht,' zei de kapitein.
Caelis wendde zich tot Erric. 'Lukt het je om meer dan honderd paarden te keuren voordat het morgenochtend licht wordt?'
Erric keek rond en haalde zijn schouders op. 'Als het moet.'
'Het moet,' zei Caelis en liep weg.
Meijer keek hem even na en draaide zich om naar Erric. 'Nou, sta je hier nog steeds? Aan de slag!'
Gelaten slaakte Erric een zucht. Hij keek rond en riep een paar mannen uit zijn gezelschap om hem een handje te helpen. Een andere paardenkenner kon hij niet te voorschijn toveren, maar hij had mannen nodig om de dieren te laten lopen en draven en de gekeurde paarden naar een andere plaats te brengen.
Hij haalde een keer diep adem en begon met het dichtstbijzijnde paard.