13 Speurtocht

 

De kastelein keek op.

Het was druk in de herberg en gewoonlijk zou het hem onder die omstandigheden niet zijn opgevallen dat er iemand binnenkwam. Maar de nieuwkomer was niet een van zijn gewone klanten, noch was de kastelein een gewone kastelein.  

De nieuwkomer was een vrouw, lang van stuk, met een waakzame houding, gekleed in een alles verhullende mantel van grove stof, die echter mooi genoeg was om haar te kenmerken als meer dan een gewoon straatmeisje, zij het niet elegant genoeg om haar als iemand van adel te kunnen betitelen. Even verwachtte de kastelein een of meer mannen achter haar binnen te zien komen, begeleiders om haar te bechermen tegen de minder beschaafde lieden van de straat. Toen die niet verschenen, wist hij zeker dat dit niet zomaar een vrouw was.  

Ze keek de gelagkamer rond alsof ze naar iemand zocht en toen vond haar blik die van de kastelein. Ze wierp de kap van haar mantel naar achteren en onthulde een jeugdig gezicht - al wist de kastelein heel goed dat schijn kon bedriegen - met donker haar en groene ogen. Knap was ze niet, maar wel opvallend met haar volle lippen en geprononceerde jukbeenderen. Haar ogen straalden gevaarlijk. De meeste mannen zouden haar mooi vinden, maar de meeste mannen zouden dan ook geen idee hebben hoe gevaarlijk ze was.  

Een jonge schurk deed een stap naar voren, haar de weg versperrend voordat ze bij de tapkast kon komen. Hij was in de bloei van zijn jeugd en liet zich graag leiden door het stuwen van zijn bloed en de alcohol daarin. Zijn verschijning was welhaast majestueus. Hij was zeker zes en een halve voet lang, droeg brede ijzeren platen op zijn schouders en vertoonde genoeg littekens om te garanderen dat een aantal van zijn sterke verhalen geen verzinsels betrof.

'Hallo, daar!' zei hij met een dronken lachje en duwde zijn gepluimde helm naar achteren zodat hij beter kon zien. 'Wat doet zo'n prachtige deerne zonder mijn gezelschap?'

Dit wekte het gelach van zijn twee metgezellen en een ontevreden blik van de hoer die op alle drie deze soldaten had gerekend om tot een winstgevende nacht te komen. De vrouw was blijven staan toen de jonge krijger in haar weg ging staan en bekeek hem langzaam van top tot teen. 'Mag ik er even langs?' vroeg ze zacht.

De jongeling grijnsde en stond op het punt iets te zeggen, doch plots verdween zijn glimlach. 'Neem me niet kwalijk,' zei hij kalm en stapte opzij.

Zijn vrienden keken verbaasd op en een van hen kwam overeind om zich ermee te bemoeien, maar op dat moment haalde de kastelein een lichte kruisboog te voorschijn en legde die op de tapkast, de schicht op de protesteerder gericht. 'Waarom ga je niet gewoon weer zitten aan je biertje?'

'Kalm aan, Tabert. Wij geven hier een hoop goud uit! Je hoeft ons niet te bedreigen!'

'Roco, jij wordt eerst op de markt dronken van de goedkope wijn en dan kom je hier naar toe gestrompeld om een van mijn meisjes tot sluitingstijd te betasten terwijl je de helft van de tijd het geld niet hebt om voor haar gezelschap te betalen!'

Hierop stond het meisje dat bij de drie mannen had gezeten terstond op. 'En de helft van de tijd dat ze het geld wel hebben, hebben ze van al die goedkope wijn geen ijzer meer in hun zwaard en die enkele keer dat ze dat per ongeluk toch nog hebben, is het nog niks om over op te scheppen.'

Dit bracht een daverend lachsalvo en een stortvloed van beledigingen teweeg bij de overige gasten van het drinklokaal. 'Arlet!' zei de derde krijger, bij wie de hoer op schoot had gezeten tot ze was opgestaan, 'ik dacht dat je ons aardig vond!'

'Laat me eerst je goud maar eens zien, dan hou ik van je, schat,' zei ze met een grijns waaruit geen genegenheid sprak.

'Waarom gaan jullie met zijn drietjes niet gezellig naar Kinjiki's lokaal om daar de meisjes een poosje te pesten,' zei Tabert. 'Hij heeft Tsuranees bloed, dus hij is waarschijnlijk een stuk beleefder dan ik bij zulk schandelijk gedrag.'

De twee kameraden stonden op het punt tegen dit verzoek te ageren, maar de eerste, die de vrouw had willen tegenhouden, knikte langzaam en zette zijn helm weer recht. Van onder de tafel pakte hij zijn wapen en schild. 'Kom. We gaan onze lol wel ergens anders zoeken.' Zijn twee vrienden wilden net protesteren, toen hij bulderde: 'Kom, zeg ik!' Zijn abrupte woedeuitbarsting deed de anderen zo schrikken dat ze na een korte aarzeling instemden en met hem mee naar buiten liepen.

De vrouw bleef staan voor de tapkast. De kastelein wist al wat haar eerste vraag zou zijn voordat ze haar mond had opengedaan. 'Ik heb hem niet gezien,' zei hij.

Vragend trok de vrouw een wenkbrauw op.

'Naar wie u ook zoekt, ik heb hem niet gezien.'

'Wie denkt u dan dat ik zoek?'

De kastelein, een stevig gebouwde kerel met lange bakkebaarden en een wijkende haargrens, zei: 'Er is maar één soort man naar wie een vrouw als u zou komen zoeken en dat soort is hier de laatste tijd niet geweest.'  

'En wat voor soort vrouw denkt u dan dat ik ben?' vroeg ze.

'Eentje die ziet wat anderen ontgaat.'

'U bent erg opmerkzaam voor een kastelein,' kaatste ze terug.

'De meeste kasteleins zijn erg opmerkzaam, alleen zijn ze vaak zo verstandig om dat niet te laten merken. Aan de andere kant ben ik ook weer niet als de meeste kasteleins.'

'Uw naam?'

'Tabert.'

Op zachte toon zei ze: 'Ik ben in ieder sjofel kroegje en goor schenklokaal van LaReu geweest om te zoeken naar iets waarvan ik uit betrouwbare bron heb vernomen dat het hier is, maar tot nog toe krijg ik alleen maar wezenloze blikken en verward gestamel.' Nog zachter zei ze: 'Ik ben op zoek naar de Galerij.'

'Achterin,' zei hij met een glimlach.

Hij ging haar voor naar een klein achterkamertje en vervolgens langs een trap naar beneden. 'Deze voorraadruimte staat in verbinding met andere ruimtes onder de stad,' zei hij. Onder aan de trap deed hij een deur open en nam haar mee door een smalle gang. Een deur was er niet, alleen een kleine nis, aan het zicht onttrokken door een lange doek die aan een metalen roede hing. 'U zult het wel begrijpen als ik zeg dat ik u niet kan helpen als u eenmaal in die kamer bent. Ik kan u alleen de deur wijzen.'

Miranda knikte, al was ze niet helemaal zeker van wat hij bedoelde. Ze stapte naar binnen.

Op het moment dat ze onder de metalen roede doorging, voelde ze de energie ervan uitgaan. Heel even zag ze een kleine voorraadkamer. volgestouwd met lege wijn- en biervaten en wat kratten, maar meteen begreep ze de woorden van de kastelein. Met een wilsinspanning bracht ze zichzelf in fase met de energie die uit de metalen roede straalde en een oogwenk later stond ze ergens anders.

 

De Galerij was eindeloos. Tenminste, geen enkel wezen dat op enigerlei wijze informatie kon overbrengen, had ooit het einde ervan ontdekt. Aan weerszijden zag Miranda om de zoveel el een deur, een rechthoek van licht, op de Galerij uitkomen. Tussen de ingangen schemerde een grijs niets. Het feit dat ze kon zien was op zich al een mysterie, want er was nergens een lichtbron. Miranda verschoof haar waarnemingsvermogen en had er meteen spijt van. De duisternis die ze ervoer was zo volkomen dat die ogenblikkelijk wanhoop opriep. Vlug bracht ze haar gezichtsvermogen terug naar de magisch afgestemde staat die ze eerder had gebruikt en nu kon ze weer zien. Ze dacht na over de woorden van de kastelein. 'U zult het wel begrijpen als ik zeg dat ik u niet kan helpen als u eenmaal in die kamer bent. Ik kan u alleen de deur wijzen.' Hij wist van het magische portaal naar de Galerij, maar kon niemand in staat stellen naar binnen te gaan. Alleen een talent als Miranda en enkele anderen op Midkemia beschikten over de middelen om de Galerij te betreden en eenmaal daar in leven te blijven.

Ze draaide zich om en keek naar de deur waar ze zojuist doorheen was gekomen, hem in gedachten van de anderen onderscheidend voor het geval ze langs deze weg terug moest gaan. Eerst kon ze er niets bijzonders aan ontdekken, maar uiteindelijk zag ze erboven vaag runen hangen, nauwelijks zichtbaar. Ze richtte haar aandacht erop, prentte de vorm en volgorde in haar geheugen en vertaalde de tekens in gedachten in: 'Midkemia'. Tegenover de deur wenkte alleen een grijze, kenmerkloze leegte. De deuren bevonden zich om en om links en rechts zodat er geen twee tegenover elkaar stonden. Ze deed een paar stappen en zag dat de runen bij de deur schuin tegenover de ingang die ze zelf had genomen er heel anders uitzagen. Ook die prentte ze in haar geheugen. Als ze ergens moest omdraaien en niet meer kon zien waar ze was, zou een aantal bekende oriëntatiepunten geen kwaad kunnen.  

Nadat ze een handvol deurtekens in de buurt uit het hoofd had geleerd, koos ze de richting die ze toch al had genomen - in de veronderstelling dat zonder enige informatie de ene richting even goed was als de andere - en begon te lopen.

 

De gedaante in de verte was ruwweg menselijk van vorm, maar het zou een lid van een groot aantal rassen kunnen zijn. Miranda bleef staan om te kijken. Ze was goed in staat zichzelf te verdedigen, maar ze vond het beter problemen uit de weg te gaan zolang ze dat kon. Een deur rechts van haar bood een mogelijke vluchtweg, al had ze geen flauw idee wat er aan de andere kant lag.

Alsof hij haar gedachten las, riep de gedaante iets naar haar, een gehandschoende hand heffend om te laten zien dat er geen wapen in lag. Het gebaar was verre van geruststellend, aangezien het wezen meer wapens op zijn lijf droeg dan iemand naar Miranda's idee kon dragen zonder om te vallen. Het vizier van de helm op zijn hoofd was gesloten en zijn lichaam was bepantserd met een materiaal dat er even hard uitzag als staal, doch een buigzamere indruk maakte. Het was dof, licht zilver van kleur, bijna wit, zonder de spiegelende eigenschap die een gepoetste wapenrusting meestal bezat. Op zijn rug droeg hij een rond schild, waardoor hij een beetje op een schildpad leek. Over zijn ene schouder stak het gevest van een lang hakzwaard en over de andere iets wat leek op de steel van een kruisboog. Aan de rechterheup hing een kort zwaard en rond zijn bovenlijf een assortiment aan messen en werpwapens. Aan zijn linkerheup hing een opgerolde zweep en over zijn ene schouder droeg hij een grote zak.

'Ik zie dat je niets in je hand hebt,' riep Miranda in de Koninkrijkse taal, 'op het moment, tenminste.'

Behoedzaam zette de gedaante een stap in haar richting en zei iets in een andere taal dan waarvan hij zich eerst had bediend. Miranda antwoordde in het Keshisch, waarop het langzaam op haar toe lopende arsenaal iets zei in weer een andere taal. Tenslotte sprak Miranda in een variant van de taal van het koninkrijk Roldem.

'Ach, je bent een Midkemiër!' zei hij - zijn stem klonk tenminste als die van een man. 'Ik meende net al wat Delkisch te herkennen, maar daar ben ik niet meer zo vlot in. Wat ik je net probeerde te vertellen, is dat je maar beter methaan kunt ademen als je door die deur wilt.'

'Ik kan mezelf beschermen tegen dodelijke gassen,' antwoordde Miranda.

Langzaam bracht de man zijn hand omhoog en zette zijn helm af, een welhaast jongensachtig gezicht onthullend: sproetig, met groene ogen en een vochtige rode haardos, voorts gesierd door een vriendelijke glimlach. 'Dat kunnen de meesten die de Galerij bewandelen, maar het blijft een wat akelige gewaarwording. Je zou er ongeveer tweehonderd keer zo zwaar zijn als normaal, daar op Thedissio - zo noemen de bewoners hun wereld - en dat kan je bewegingsvrijheid enorm beperken.'

'Bedankt,' zei Miranda uiteindelijk.

'Eerste keer in de Galerij?'

'Waarom vraag je dat?'

'Nou, misschien dat je een stuk sterker bent dan je eruitziet - en ik zal de eerste zijn om toe te geven dat schijn welhaast altijd bedriegt - maar gewoonlijk zijn het altijd degenen die hier voor het eerst zijn die we zonder begeleiding door de Galerij zien zwerven.'

'We?'

'Wij die hier wonen.'

'Woon jij in de Galerij?'

'Zie je wel, de eerste keer.' Hij zette de zak neer. 'Ik ben Bruut Bloed.'

'Interessante naam,' zei Miranda, zichtbaar geamuseerd.

'Nou ja, dat is niet de naam die mijn ouders me hebben gegeven, maar ik ben nu eenmaal huurling en in dat vak moet je toch een bepaalde intimidatie uitstralen. Niet echt geloofwaardig, dat weet ik, maar het blijkt wel het geval te zijn. En trouwens,' - hij wees naar zijn gezicht - 'wekt dit smoeltje enige doodsangst op?'

Miranda schudde haar hoofd en glimlachte terug. 'Nee, ik denk het niet. Noem mij maar Miranda. Ja, dit is mijn eerste keer in de Galerij.'

'Kan je terug naar Midkemia?'

'Als ik me omdraai en zo'n tweehonderdtwintig deuren terugloop, zal ik de goede wel vinden, vermoed ik.'

Maar Bruut schudde zijn hoofd. 'Dat is om. Een stukje verderop zit de deur naar de stad ytli, op de wereld Il-Djabon. Als je het redt door de twee straten naar een andere ingang zonder te worden aangeklampt door de plaatselijke bevolking, dan vind je een deur die uitkomt op de Galerij pal naast de deur naar... Ik ben even kwijt welke, maar het is een van de deuren naar Midkemia.' Hij bukte zich, maakte zijn zak open en haalde er een fles uit. Na nog even zoeken viste hij er ook nog twee metalen kroezen uit. 'Zin in een bekertje wijn?'

'Graag,' zei Miranda, 'ik ben een beetje dorstig.'

'Toen ik voor het eerst in de Galerij verzeild raakte - dat zal nu zo'n anderhalve eeuw geleden zijn - heb ik hier rondgezworven tot ik bijna doodging van de honger,' zei Bruut. 'Een erg inschikkelijke dief heeft me toen het leven gered, in ruil voor de ontelbare keren dat hij me nadien aan dat feit mocht herinneren, doorgaans gepaard gaande met het verzoek om een gunst mijnerzijds. Maar destijds heeft hij me toch een hoop last bespaard. Het is heel nuttig om in de Galerij de weg te weten. En die kennis zou ik met genoegen met je willen delen.'

'In ruil voor?'

'Je bent vlot van begrip,' zei Bloed met een grijns. 'Voor niets gaat in de Galerij nog niet eens de zon op. Soms doe je er goed aan om bij anderen tegoeden op te bouwen, maar er gebeurt nooit iets zonder dat er iets voor terug moet worden gedaan. In de Galerij kun je drie verschillende types tegenkomen: zij die je uit de weg gaan en je hun gezelschap in het voorbijgaan besparen, zij die een koopje met je willen sluiten en zij die gebruik van je willen maken. Het tweede en het derde type is niet noodzakelijkerwijs hetzelfde.'

'Ik kan voor mezelf zorgen,' zei Miranda op licht tartende toon.

'Zoals ik net al zei: als je niet over bepaalde capaciteiten beschikte, zou je hier niet eens zijn. Maar vergeet niet dat dat ook geldt voor alle anderen die je in de Galerij der Werelden tegenkomt. Zo heel af en toe valt er wel eens een arme ziel zonder enige macht, talent of vermogen binnen - niemand weet precies hoe dat kan - maar die nemen al heel gauw een verkeerde deur of lopen lieden tegen het lijf die op zoek zijn naar een gemakkelijke prooi. Of ze stappen tussen twee deuren de leegte in.'

'Wat gebeurt er als je de leegte in stapt?'

'Als je de goeie plek weet, kom je terecht in het schenklokaal van een grote herberg, die onder veel verschillende namen bekend staat. De eigenaar heet Jan. De herberg wordt door iedereen gewoon De Herberg genoemd en Jan staat bekend onder de namen: Jan de Ethicus, Jan Zonder Bedrog, Jan Met Het Geweten, Jan Die Zich Aan Zijn Woord Houdt en nog een stuk of vijf vergelijkbare titels, maar iedereen noemt hem gewoonlijk Eerlijke Jan. De laatste keer dat er geteld is, waren er elfhonderdzeventien verschillende ingangen naar het schenklokaal. En als je de goeie plek niet weet... wel, dat weet niemand, want er is nooit iemand van teruggekeerd om te vertellen hoe het eruitziet in de leegte. Het is gewoon de leegte.'  

Miranda ontspande zich. De huurling gedroeg zich zo vriendelijk dat ze betwijfelde of hij misbruik van haar wilde maken. 'Zou je me een van die ingangen willen wijzen?'

'Zeker, maar dat heeft een prijs.'

'En die is?' vroeg ze, een wenkbrauw optrekkend.

'In de Galerij zijn maar weinig dingen van waarde. Het gebruikelijke: goud en andere edelmetalen, juwelen en edelstenen, eigendomsakten van landgoederen, slaven en dienstovereenkomsten, en bovenal: informatie. En dan natuurlijk nog het ongebruikelijke: unieke voorwerpen, persoonlijke diensten, manipulaties van de werkelijkheid, zielen van lieden die nooit geboren zullen worden en dat soort dingen.'

Miranda knikte. 'Wat vraag je?'

'Wat bied je?'

Ze begonnen te onderhandelen.

 

In nog geen dag tijd had Bloed al tweemaal zijn waarde bewezen. Miranda achtte zichzelf fortuinlijk dat ze hem als eerste had ontmoet in plaats van de ploeg interdimensionale slavenhandelaars die ze enkele uren later tegenkwamen. Miranda had een persoonlijke afkeer van het instituut slavernij en die werd alleen maar vergroot door de poging om haar en Bruut tot inventaris te degraderen.

Nadat Bruut eerst had geprobeerd hun voor te stellen ieder vredig zijns weegs te gaan, had hij de vier bewakers en de slavenhandelaar uit de weg geruimd. Miranda dacht dat ze zich alleen ook wel tegen hen had kunnen verdedigen maar ze was onder de indruk van de snelheid waarmee Bruut het moment had bepaald waarop praten geen zin meer had. Nog voordat ze zich kon concentreren voor een beschermende bezwering, had hij al twee bewakers onschadelijk gemaakt en tegen de tijd dat ze zichzelf met een schildcocon had omhuld, was de strijd voorbij.

De slaven hadden ze vrijgelaten - wat een aanzienlijke beargumentering van Miranda's zijde had vereist, want nu moest ze ook nog de winst vergoeden die Bruut had willen maken door de slaven te verkopen die hij had veroverd. Miranda had hem erop gewezen dat hij dat had gedaan als haar werknemer en dat zij daardoor zelf het recht had te bepalen wat er met de slaven gebeurde. Hij vond dat een wat twijfelachtig standpunt, maar na te hebben nagedacht over de problemen om de slaven te verzorgen en te eten te geven, had hij besloten dat het een betere oplossing was om van Miranda een bonus te accepteren.

De tweede ontmoeting was met een groep huurlingen, die ervoor kozen bij Bloed en zijn werkgeefster uit de buurt te blijven, maar Miranda was ervan overtuigd dat ze heel anders zouden hebben gereageerd wanneer ze alleen was geweest.

En tijdens het lopen werd ze wijzer.

'Dus als je weet waar de deuren zitten, kan de reis door de Galerij worden verkort?'

'Zeker,' zei Bloed. 'Het hangt een beetje af van de wereld, het aantal deuren dat er bestaat en de plek ten opzichte van elkaar in de Galerij. Dandelospan, bijvoorbeeld,' - hij wuifde in het voorbijgaan naar een deur - 'heeft er maar eentje, die bovendien helaas uitkomt op de offerzaal van de heilige tempel van een sekte kannibalistische mensachtigen, die zich geenszins druk maken over het definiëren van het begrip kannibalisme wanneer er iemand zomaar hun heilige der heiligen komt binnenwandelen. Deze wereld wordt dus maar weinig bezocht. Merleen echter' - nu wees hij naar een deur iets verderop - 'is een handelswereld met maar liefst zes deuren, zodat er niet alleen druk wordt gehandeld tussen de landen onderling, maar ook met andere Galerijwerelden. De wereld waar jij kennelijk vandaan komt, Midkernia, telt in ieder geval drie deuren waar ik het bestaan van weet. Welke heb jij gebruikt om hier binnen te komen?'  

'Onder een kroeg in LaReu.'

'Ach ja, bij Tabert. Goede maaltijden, fatsoenlijk bier en slechte vrouwen. Echt iets voor mij.' Hij scheen te grijnzen achter zijn vizier. Hoe Miranda het wist, kon ze niet zeggen, misschien door een subtiele nuance in zijn lichaamshouding of anders een klank in zijn stem.

'Hoe kom je achter het bestaan van die deuren? Is er een kaart?'

'Ja, eentje,' zei Bruut, 'bij Eerlijke Jan. Hij hangt in de gelagkamer aan de muur. Daarop kan je de bekende grenzen van de Galerij zien. De vorige keer dat ik erop heb gekeken, stonden er zo'n zesendertigduizend-nogwat deuren op aangegeven. Af en toe wordt er een berichtje naar de Herberg gestuurd wanneer er weer een nieuwe deur wordt gevonden, hetzij in de Galerij, hetzij op een wereld waar een nieuwe doorgang wordt ontdekt. Er is zelfs één legendarische gek wiens naam ik steeds vergeet die de uiterste grenzen verkent en af en toe bericht stuurt. Soms duurt het wel tien jaar tot zo'n bericht eindelijk bij Jan aankomt. Hij zit al zo ver bij de Herberg vandaan dat hij een soort mythe is geworden.'  

Miranda dacht na. 'Hoe lang gebeurt dit nu al?'

Bruut haalde zijn schouders op. 'Ik geloof dat de Galerij al bestaat sinds het begin der tijden. Al eeuwenlang wonen er hier mensen en andere wezens. Het vereist een zeker talent om het hier lang vol te houden, zodat er een bepaalde aantrekkingskracht van uitgaat voor degenen die een... lonend leven willen leiden.'

'En jij dan?' vroeg Miranda. 'Op veel werelden zou je het stilletjes aan kunnen gaan doen met dat bedrag dat je mij hebt berekend.'

De huurling haalde zijn schouders op. 'Ik doe dit meer voor de opwinding dan voor de premie. Eerlijk gezegd raak ik nogal vrij snel verveeld. Er bestaan werelden waar ik als koning zou kunnen heersen, maar dat trekt me eigenlijk niet zo. Om je de waarheid te zeggen voel ik me het gelukkigst onder omstandigheden waar een ander knettergek van zou worden. Oorlog, doodslag, moordaanslagen, intriges - dat zijn de kneepjes van mijn vak en er zijn er niet veel die mij daarin kunnen benaderen. Ik zeg dat niet om op te scheppen, want ik heb je aanstelling al, maar gewoon om je duidelijk te maken dat er geen ander leven meer is als je eenmaal aan het wonen in de Galerij gewend bent geraakt.'

Miranda knikte. Het bereik van het terrein was overweldigend. Het was letterlijk de som van alle bekende en een niet onaanzienlijk aantal onbekende werelden.

'Hoezeer ik ook geniet van je gezelschap, Miranda, en van de rijkdom die je me in het vooruitzicht hebt gesteld, ik word moe,' zei Bruut. 'Tijd mag hier dan geen betekenis hebben, maar vermoeidheid en honger zijn even echt als in alle andere dimensies - die ik bezocht heb tenminste wel. En je hebt me nog steeds niet gezegd waar je heen gaat.'

'Dat komt omdat ik eigenlijk niet weet waar ik naar toe ga,' zei Miranda. 'Ik ben op zoek naar iemand.'

'Mag ik vragen wie?'

'Iemand die werkt met magie, genaamd Puc van Sterrewerf.'

Bruut haalde zijn schouders op. 'Nooit van gehoord. Maar als er één plek is waar we in ons beider behoeften kunnen voorzien, dan is dat de Herberg.'  

Miranda was onzeker en vroeg zich af waarom ze het meest voor de hand liggende niet wilde aanvaarden. Als er een gemeenschapsruimte in de Galerij was, dan was dat de beste plek om naar Puc te informeren als hij door de Galerij was geweest. Maar ze was bang dat er ook nog anderen in zijn handel en wandel geïnteresseerd konden zijn en achtte het waarschijnlijk dat hij zijn bestemming daarom geheim zou hebben gehouden. Maar toch, het was beter dan doelloos rondzwerven.  

'Is het ver naar de Herberg?'

'Nee, hoor,' zei Bruut. 'Sinds we elkaar hebben ontmoet, zijn we al twee ingangen gepasseerd en een stukje verderop is er nog een.' Hij beduidde haar mee te lopen, passeerde nog twee deuren en wees op de leegte. 'De eerste keer is het erg moeilijk.' Nu wees hij op de deur tegenover de leegte. 'Zie je dat teken?'

Ze knikte.

'Dat is Halliali, heel mooi als je van bergen houdt. Een van de ingangen naar Eerlijke Jan is er recht tegenover. Je stapt er gewoon af en zet je voet een klein stukje buiten de rand van de leegte alsof je op een traptrede stapt.' Met die woorden stapte hij in het grijs en verdween.

Miranda haalde diep adem. Terwijl ze zijn beweging wilde herhalen, bedacht ze: Een traptrede omhoog of omlaag?  

 

Miranda viel voorover. De traptrede lag lager en ze had hoger gegokt. Door sterke armen werd ze opgevangen en haar ogen werden groot toen ze de witte vacht erop zag.

Haar kalmte bewarend maakte ze zich los van haar redder, een negen voet lang wezen dat van top tot teen bedekt was met een dikke, sneeuwwitte pels met hier en daar wat zwarte plekken. Twee gigantische blauwe ogen en een mond waren de enige zichtbare kenmerken van de ruigbehaarde kop. Een klaaglijk gegrom werd gevolgd door Bruuts stem: 'Als je wapens bij je hebt, kun je die maar beter nu inleveren.'

Ze zag hem zich handig ontdoen van zijn arsenaal, waaronder verscheidene nogal onschuldig ogende voorwerpen die hij op zijn lichaam verborgen had. Miranda had maar twee dolken, een in haar ceintuur en een andere in een schede aan de binnenkant van haar rechterkuit, die ze vlug inleverde.

'Eeuwen geleden merkte de eigenaar dat dit etablissement goed loopt zolang het voor iedereen neutraal gebied is,' zei Bruut. 'Quad zorgt ervoor dat geen enkele ruziezoeker langer in het schenklokaal blijft dan strikt noodzakelijk is.'

'Quad?'

'Onze grote harige vriend hier,' antwoordde Bruut. Terwijl ze de deuropening verlieten, vervolgde hij: 'Quad is een Coropabaan, sterker per pond dan welk bekend wezen dan ook en vrijwel volkomen resistent tegen magie. De giftigste stoffen doen er bij hen een week over om enig effect te ressorteren. Het zijn ongelooflijk goede lijfwachten, als je er tenminste eentje zo ver kan krijgen om zijn thuiswereld te verlaten.'

Met open mond was Miranda blijven staan. Het schenklokaal was immens, zeker tweehonderd el breed en tweemaal zo diep. Langs bijna de gehele rechterwand liep een enkele tapkast, waar twaalf schenkers het vuur uit de sloffen liepen om aan de eisen van hun klanten te voldoen. Langs de andere drie wanden hingen balkons in twee rijen boven elkaar, vol met tafeltjes en stoelen, de drinkenden en etenden een prachtig uitzicht verschaffend over de vloer, waar de meest uiteenlopende gokspelen werden gespeeld, van variaties op een dobbelspel tot een messenduel in een kleine zandkuil. Wezens van allerlei pluimage en gestalte liepen op hun dooie gemak door het gedrang, elkaar groetend wanneer ze oude bekenden tegenkwamen.

Andere wezens liepen rond met dienbladen vol potjes, borden, bekers, emmers en kommen, die hier en daar werden neergezet voor wezens die Miranda's gevoel voor beschaafdheid tartten. In de zaal zaten minstens twaalf duidelijk reptielachtige wezens te eten, welk feit op zich haar al slecht op haar gemak stelde. De meerderheid van de cliëntèle was mensachtig, al ontwaarde ze hier en daar een insectachtig wezen en iets wat leek op een rechtop lopende hond.  

'Welkom bij Eerlijke Jan,' zei Bruut.

'Waar is Jan?' vroeg ze.

'Die staat daar.' Hij wees naar de lange tapkast. Aan hun kant daarvan stond een man in een vreemd pak van glinsterende stof. De broekspijpen hielden zonder broekomslag op boven een paar glimmend zwarte laarzen met vreemd puntige tenen. Het jasje was van voren open, zicht biedend op een wit hemd met ruches, paarlemoeren knopen en een puntkraag, verfraaid met een heldergele stropdas. Op zijn hoofd droeg hij een breedgerande witte hoed met een glanzend rood zijden band. Hij stond zachtjes te praten met een wezen dat eruitzag als een mens met een extra paar ogen in zijn voorhoofd.

Terwijl ze op hem toe liepen, zwaaide Bruut naar hem en de man die hij als Jan had aangewezen, zei iets tegen de vierogige man, die eenmaal knikte en vertrok.

'Bruut!' zei Jan met een brede glimlach. 'Dat is - wat, een jaar geleden?'

'Nog niet helemaal, Jan, maar het scheelt niet veel.'

'Hoe houden jullie in de Galerij de tijd in de gaten?' vroeg Miranda.

Jan wierp een blik op Bruut, die zei: 'Mijn huidige werkgeefster, Miranda.'

Met een theatraal gebaar nam Jan zijn hoed af en hield hem voor zijn borst, vanuit het middel buigend en met zijn andere hand de hare voorzichtig vastpakkend om er een kus op te drukken, al raakten zijn lippen haar huid niet.

Vlug trok ze haar hand terug, enigszins ongemakkelijk met het lichaamscontact.

'Welkom in mijn nederige etablissement,' zei Jan.

Plots werden Miranda's ogen groot. 'In welke taal zijn jullie - zijn wij...'

'Uw eerste bezoek, begrijp ik,' reageerde Jan. 'Ik vond het al zo onwaarschijnlijk dat we zo'n lieftallige gaste als u al eerder hadden onthaald zonder dat het mij was opgevallen.' Hij wuifde hen naar een tafel vlak bij de tapkast en trok er een stoel onder vandaan. Het duurde even voordat Miranda besefte dat hij wachtte tot ze plaatsnam. Ze was niet gewend aan dit vreemde gedrag, maar gezien de brede variëteit aan menselijke gebruiken, verkoos ze geen aanstoot te geven en liet zich door hem op de stoel helpen.  

'Een van de weinige magische bezweringen die zijn toegestaan,' legde Jan uit. 'Niet alleen nuttig, maar zelfs noodzakelijk - doch niet onfeilbaar, vrees ik, want zo nu en dan ontvangen we een bezoeker wiens pçrsoonlijke referentiekader zo vreemd is ten opzichte van de meerderheid van het bewuste leven dat met hen hooguit de meest simpele vormen van communicatie mogelijk zijn. En natuurlijk wandelt er ook wel eens een gek naar binnen.'  

Bruut begon te grinniken. 'Dat kan je wel zeggen, ja.'

Jan wuifde met een hand. 'Wat uw eerste vraag betreft: het afmeten van de tijd is vrij eenvoudig. Buiten de Galerij verstrijkt de tijd, net als in ieder ander deel van het universum, voor zover ik weet. Maar om uw vraag te beantwoorden: hier meten we de tijd zoals we dat deden op mijn thuiswereld. Het is een tikje arrogant, maar aangezien ik de eigenaar van het etablissement ben, is het mijn goed recht om de regels op te stellen. Van welke wereld bent u afkomstig, als ik vragen mag?'

'Midkemia.'

'Ach, in dat geval is er weinig verschil met wat u gewend bent. Slechts enkele uren verschil per jaar, voldoende om schrijvers en fi1osofen te troebleren, maar op een heel leven zou uw verjaardag op beide kalenders maar een paar dagen schelen.'  

'Toen ik voor het eerst van de Galerij hoorde, dacht ik dat het een magische poort was waardoor je naar andere werelden kon gaan,' zei Miranda. 'Ik had geen idee...'

Jan knikte. 'Dat is bij de meesten het geval. Maar mensen - want ik neem aan dat u er ook een bent - reageren net als de meeste andere intelligente wezens: ze passen zich aan. En de dingen die ze nuttig vinden, blijven ze doen. Evenzo passen wij, die het voorrecht genieten de Galerij te bewandelen, ons aan. Er zijn zo veel redenen om in de Galerij te blijven, zo veel voordelen, als we de weg ertoe eenmaal hebben gevonden, dat de meesten van ons er blijven wonen en onze vroegere banden verbreken of in ieder geval schaamtelijk verwaarlozen.'

'Voordelen?'

Jan en Bruut keken elkaar aan, waarop Jan aan Miranda vroeg: 'Opdat ik u niet ga vervelen, mejuffrouw, waarom vertelt u mij niet wat u al over de Galerij weet?'

'Tijdens mijn reizen heb ik verscheidene malen van de Galerij der Werelden gehoord,' zei Miranda. 'Maar ik heb geruime tijd moeten zoeken om de ingang te vinden. Ik weet dat liet een middel is om door de ruimte te reizen, naar verre werelden.'

'En ook door de tijd,' zei Bruut.

'Door de tijd?' vroeg Miranda.

'Om langs gewone middelen naar een verre wereld te reizen duurt verscheidene mensenlevens. De Galerij vermindert de doorvaart tot enkele dagen, in sommige gevallen zelfs uren.'

'Maar nu tot de kern van de zaak,' zei Jan. 'De Galerij bestaat onafhankelijk van de objectieve werkelijkheid zoals we die graag omschrijven wanneer we op onze eigen thuiswereld staan. Het is een verbinding tussen werelden die zich misschien wel bevinden in heel verschillende universa, verschillende ruimte-tijden, bij gebrek aan een betere term. Dat kunnen we onmogelijk weten. Wat dat betreft kan er een verbinding zijn tussen werelden in verschillende tijden. Mijn thuiswereld, een niet bepaald voorname bol in een baan rond een onopvallende zon, kan best van ouderdom zijn gestorven voordat uw wereld werd geboren, Miranda. Hoe zouden we het kunnen weten? Als we ons begeven door de objectieve ruimte, waarom dan niet ook door de objectieve tijd? En om die reden hebben we hier, in de Galerij, alles. Of anders in ieder geval zo veel als een sterveling zich maar kan wensen. Hier in de Galerij handelen we in wonderen en in het prozaïsche, alle diensten en goederen, naar alle speciën en schulden. Wat u zich maar kunt voorstellen, als het ergens gevonden kan worden, dan is het hier, of anders vindt u hier in ieder geval iemand die u ernaar toe kan brengen.'  

'Zijn er nog meer voordelen?'

'Nou, om te beginnen word je in de Galerij nooit ouder.'

'Onsterfelijkheid?'

'Of anders iets wat er zo veel op lijkt dat het weinig verschil uitmaakt,' zei Jan. 'Het kan zijn dat degenen die in staat zijn de Galerij te bereiken reeds over deze gave beschikken, of dat we door in de Galerij te gaan wonen de ijzige hand van de Dood ontlopen, maar de winst in tijd is niet onbeduidend en maar weinigen zijn bereid die te laten lopen.' Hij wuifde met een hand naar de balkons boven. 'In mijn gastenkamers verblijven er enkele honderden die bang zijn de Galerij ooit nog te verlaten en al hun zaken afhandelen vanuit de kamers die ik hun verhuur. Anderen komen hier omdat het de enige schuilplaats tegen alle gevaar is, terwijl weer anderen hun dagen beurtelings hier en op andere werelden doorbrengen. Maar geen enkele inwoner van de Galerij zal de verlokkingen ervan opgeven nadat hij zich van de voordelen bewust is geworden.'

'En Macros de Zwarte dan?'

Bij het horen van die naam keken zowel Jan als Bruut ongemakkelijk op. 'Dat is een bijzonder geval,' zei Jan na een tijdje. 'Hij zou best eens een vazal van een hogere macht kunnen zijn en misschien is hijzelf wel een hogere macht. Maar in ieder geval is hij meer dan wat wij hier in de Galerij als sterfelijk beschouwen. Hoeveel van wat er aan hem wordt toegeschreven waar is of slechts een legende, weten maar weinigen. Wat weet u van hem?'

'Alleen wat me op Midkemia is verteld.'

'Niet de wereld van zijn geboorte,' zei Jan. 'Daar ben ik vrijwel zeker van. Maar wat brengt zijn naam in dit gesprek?'

'Alleen het feit dat hij een bijzonder geval is, zoals u al zei. Dus kunnen er ook anderen zijn.'

'Wellicht.'

'Zoals Puc van Sterrewerf?'

Weer keek Jan ongemakkelijk, maar Bruut knipperde niet eens met zijn ogen bij het horen van Pucs naam. 'Als u Puc zoekt, kan ik u niet veel bieden bij wijze van bemoediging.'

'Hoe dat zo?'

'Een flink aantal maanden geleden is hij hier nog geweest, ogenschijnlijk op weg naar een of andere rare wereld die ik me niet kan herinneren, om onderzoek te plegen, maar ik vrees dat dat een opzettelijk dwaalspoor is.'

'Waarom denkt u dat?'

'Omdat hij een paar van Bruuts vrindjes heeft ingehuurd om iedereen die naar hem komt vragen, te verhinderen achter hem aan te gaan.'

'Wie dan?' vroeg Bruut, de ruimte door kijkend.

'Willem de Grijper, Jelle de Rode en Elmo Scharlaken, de Grijze Moordenaar.'

Bruut schudde zijn hoofd. 'Dat zijn er drie die voor problemen kunnen zorgen.' Hij boog zich voorover naar Miranda. 'Jelle kan ik waarschijnlijk wel aan, zijn reputatie is voornamelijk op geruchten gebaseerd. Maar Willem en Elmo beschikken allebei over dodelijke talenten en dat maakt het wat link als ze samenwerken.'

'Zie ik eruit als een Pantathiër?' vroeg Miranda.  

'Lieve mevrouw;' zei Jan, 'na al die eeuwen die ik in de Galerij heb doorgebracht, zal ik de laatste zijn om op iemands uiterlijk af te gaan. U, bijvoorbeeld, zou ondanks al uw charme mijn eigen grootvader kunnen zijn en dat zou me niet eens verbazen ook - al hoop ik werkelijk dat die ouwe jongen dood is, aangezien we hem hebben begraven toen ik veertien was.' Terwijl hij opstond, vervolgde hij: 'Puc van Sterrewerf is, net als Macros, iemand die niet in de Galerij woont, maar er wel gebruik van maakt. Maar zijn woord is betrouwbaar en zijn goud eveneens. Hij heeft betaald voor discretie, dus die krijgt hij ook. Ik raad u aan niemand anders in deze ruimte te laten weten dat u hem zoekt en hem via andere kanalen op te sporen, want anders moet u zich erop voorbereiden dat u nog geen minuut nadat u dit etablissement hebt verlaten twee van de meest vermaarde huurlingen uit de Galerij en een van de meest gevreesde huurmoordenaars tegenkomt.' Hij maakte een buiging. 'Laat mij u iets aanbieden als mijn gast.' Daarop wenkte hij een klein mannetje en zei hem wat te drinken te gaan halen. 'Mocht u een tijdlang onderdak believen, dan zult u merken dat de prijzen alleszins redelijk zijn. Zo niet, dan wens ik u een aangenaam verpozen en hoop ik u spoedig bij ons terug te zien.' Met een vinger tegen zijn hoed tikkend maakte hij nogmaals een buiging, keerde terug naar de tapkast en hervatte zijn gesprek met de vierogige man, die zojuist was teruggekeerd.

Bloed slaakte een dramatische zucht. 'Waar kies je voor?'

'Ik blijf zoeken. Ik heb geen kwade plannen met hem.'

'Weet hij dat ook?'

'Ik heb hem nog nooit ontmoet. Ik ken hem alleen van naam. Maar ik weet zeker dat hij me niet gevaarlijk zal vinden.'

'Ik heb hem ook nog nooit ontmoet, maar Jan herkende zijn naam meteen. Dat betekent dat zijn reputatie groeit en om dat in de Galerij voor elkaar te krijgen, moet je over beduidend hoge gaven beschikken. Als zo'n man zich zorgen maakt dat hij wordt gevolgd...' Hij haalde zijn schouders op.

Miranda was geneigd Bruut op zijn woord te geloven, want tot dusver had hij nog niets gezegd dat haar achterdocht kon wekken. Maar toch, er stond te veel op het spel om risico's te nemen. 'Als hij niet wil worden gevolgd en daartoe dergelijke voorzorgsmaatregelen heeft getroffen, hoe zou je hem dan nog op kunnen sporen?'

Bruut blies zijn wangen bol. 'Er zijn verscheidene orakels -'

'Ik heb het Orakel van Aäl al geraadpleegd.'  

'Als zij het niet weet, dan weten ze het geen van allen,' zei hij meteen. 'Dan is er nog de Speelgoedfabrikant.'

'Wie is dat?'

'Iemand die apparaten maakt, bijvoorbeeld om mensen te bespioneren die niet willen worden gezien. Maar hij is niet helemaal goed snik en daarom onbetrouwbaar.'

'Verder nog iemand?'

De ober verscheen met een dienblad en zette een kroes met een schuimend nat dat eruitzag als bier voor Bruut neer en voor Miranda een grote kristallen bokaal met rode wijn. Uitgebreid vouwde hij een paar servetten open en legde er een op Miranda's schoot en een op die van Bruut. 'Met de complimenten van mijn meester,' zei hij en verdween.

De wijn was verrukkelijk en Miranda nam een grote slok toen ze plots merkte dat ze best dorst had - en honger.

'En dan hebben we ook nog Querl Dagat,' zei Bruut. 'Die handelt in informatie. Hoe onwaarschijnlijker het bericht, des te interessanter hij het vindt.. zolang het maar waar is. Om die reden steekt hij met kop en schouders uit boven de gemiddelde nieuwtjesventer hier.'

Miranda pakte haar servet om haar lippen te drogen en er viel een dichtgevouwen stukje papier op de vloer. Ze keek omlaag en toen naar Bruut, die zich bukte om het op te rapen. Ongeopend overhandigde hij het haar.

Ze nam het aan, vouwde het open en las een enkel woord. 'Wie is Mustafa?' vroeg ze.

Bruut sloeg met zijn hand op tafel. 'Precies de kerel die we moeten spreken.' Hij keek rond. 'Daar,' zei hij, wijzend naar een van de balkons. Hij stond op en Miranda volgde hem door het gedrang van tafeltjes en vreemde wezens. Bij de trap liepen ze naar boven tot het eerste balkon, waar Miranda tot haar grote verrassing ontdekte dat het balkon slechts de ene zijde was van een brede promenade met lange gangen die ervan wegliepen. 'Hoort dit nog allemaal bij de Herberg?'

'Zeker,' zei Bruut.

'Hoe groot is die dan?'

'Eerlijke Jan is de enige die dat zeker weet.' Hij nam haar mee langs stalletjes waar allerlei waren en diensten werden aangeboden, sommige van onzedelijke aard, minstens twintig duidelijk illegaal in alle streken waar Miranda ooit was geweest, en vele 'onbegrijpelijk. 'Er wordt wel gezegd dat Jan op zijn thuiswereld een kastelein was die na een geschil uit zijn geboortestad is verjaagd. Hij werd achterna gezeten door een roversbende van een soort inheems volk en liep door stom toeval tegen een ingang naar de Galerij op. Hij kwam er echter midden in een gevecht terecht. Aangezien hij niet beter wist, sprong hij recht tegenover de deur die hij had genomen de leegte in en ontdekte zo de eerste ingang naar de stabiele ruimte waarin de Herberg nu is gevestigd.' Bruut sloeg een zijgang in. 'Hij stommelde wat rond in het donker en vond op een of andere manier de weg terug naar de Galerij, zodat hij weer naar zijn thuiswereld kon, nadat hij zich ervan had vergewist dat die inheemsen weg waren. Door de jaren heen kwam hij steeds terug naar de Galerij om te verkennen en handel te drijven. Toen hij uiteindelijk wat thuis was geworden in het reilen en zeilen van de Galerijbewoners, kwam hij tot de slotsom dat hij met de Herberg rijk kon worden. Hij maakte wat afspraken, huurde wat arbeiders in en kwam terug om zijn herbergje te vestigen. Met de jaren heeft hij die steeds verder uitgebreid en inmiddels is het al een klein stadje geworden. Telkens wanneer hij weer bijbouwt, ondervindt hij geen beperking om zijn onderneming te vergroten - tot dusver tenminste nog niet.'

'En?'

'Wat?'

'Is hij er rijk van geworden?'

Bruut begon te lachen en weer trof het Miranda hoe jongensachtig de huurling eruitzag. 'Naar alle redelijke maatstaven is Jan vermoed ik de rijkste man van heel de schepping. Hij zou hele werelden kunnen kopen en verkopen als hij zou willen. Maar net als zo vele anderen heeft hij gemerkt dat rijkdom alleen maar een middel is om leuke dingen te doen of om bij te houden hoe goed je het doet in de verschillende spelletjes en transacties die zich in de Galerij afspelen.'

Bij een deuropening met een gordijn ervoor bleef Bruut staan. 'Mustafa, ben je thuis?' riep hij.

'Wie is daar?'

Daar moest Bruut hartelijk om lachen. Hij trok het gordijn opzij en beduidde Miranda naar binnen te gaan. Daar trof ze een klein kamertje met een enkele tafel en daarop een brandende kaars. Verder viel er in de kamer niets bijzonders te zien. Geen muurdecoraties of andere meubelen, alleen nog een deur in de muur tegenover de opening met het gordijn.

Achter de tafel stond een man, zijn gezicht bijna zwart, als oud en geolied leer. Aan zijn kin en wangen kleefde een witte baard, maar zijn hovenlip was geschoren. Op zijn hoofd droeg hij een groene tulband. Hij maakte een buiging. 'Vrede zij met u,' sprak hij in de taal van de Jal-Pur.  

'En met u zij vrede,' antwoordde Miranda.

'U zoekt Puc van Sterrewerf?' vroeg hij.

Miranda knikte, wierp een blik op Bruut en trok vragend een wenkbrauw op.  

'Mustafa is waarzegger,' zei Bruut.

'Eerst dient u mijn palm met goud te kruisen,' zei Mustafa, zijn hand uitstekend. Miranda tastte in haar buidel en haalde er een munt uit, die ze in zijn hand legde. Zonder ernaar te kijken stak hij hem weg. 'Wat is uw vraag?'

'Dat heb ik toch net gezegd!'

'U moet het zelf hardop uitspreken,' zei Mustafa.

Zich ergerend aan de volgens haar nodeloze vertoning om onnozele reizigers te overtuigen, zei Miranda: 'Ik ben op zoek naar Puc van Sterrewerf.'

'Waarom?'

'Dat is mijn zaak, maar ik moet hem vinden.'

'U bent lang niet de enige die hem zoekt. Hij heeft voorzorgsmaatregelen getroffen zodat hij niet wordt gevolgd door lieden die hij liever niet tegenkomt. Hoe moet ik weten dat u er daar niet één van bent?'  

'Er is iemand die voor me in kan staan,' zei Miranda, 'maar die zit op de wereld Midkemia: Tomas, vriend van Puc.'

'De Drakenrijder.' Mustafa knikte. 'Die naam is de meesten die Puc kwaad willen doen, onbekend.'

'Waar kan ik hem vinden?'

'Hij is op zoek naar bondgenoten en gaat spreken met de goden. Zoek hem in de Hemelstad, in het Paleis van de Wachtende Goden.'

'Hoe kom ik daar?' vroeg Miranda.

'Ga terug naar Midkemia,' antwoordde Mustafa, 'en ga naar het land Novindus. In de hoogste bergen, de Pilaren van de Hemel, vindt u de Necropolis, de Stad der Dode Goden. Daar, boven op de bergpieken, bevindt zich een zaal waar de goden verblifven die wachten om opnieuw te worden geboren. Ga daarheen.'

Zonder een moment te dralen, draaide Miranda zich om en liep weg, Bruut alleen met Mustafa achterlatend. Na een moment van stilte vroeg Bruut: 'Is dat echt waar? Of voer je weer een van je toneelstukjes op?'

Mustafa haalde zijn schouders op. 'Ik weet niet of het waar is. Ik ben er alleen voor betaald om dat te zeggen.'

'Wie heeft je dan betaald?'

'Puc van Sterrewerf.' De oude man zette zijn tulband af, een bijna geheel kale schedel ontblotend. Zijn schedel krabbend zei hij: 'Het zal vast wel weer een vals spoor zijn. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze Puc beslist niet gevonden wenst te worden.'

'Dit wordt interessant,' zei Bruut. 'Ik denk dat ik haar maar in ga halen om te zien of ze hulp nodig heeft.'

Mustafa schudde zijn hoofd. 'Of ze hem nu vindt of niet, ik heb het gevoel dat ze heel veel hulp nodig gaat hebben voordat deze geschiedenis ten einde is. Een of andere imbeciel heeft een cruciale poort naar het demonenrijk open laten staan, waardoor er een paar werkelijkheden ernstig in gevaar kunnen komen.' Hij geeuwde.

Bruut wilde net vragen wat dat betekende, maar bedacht toen dat Miranda's voorsprong dan te groot werd, dus zei hij niets en vertrok.

Een ogenblik nadat Bruut weg was, ging de andere deur open. De man die binnenstapte was klein van stuk, doch een opvallende verschijning. Hij had donker haar en ogen, een korte baard, en was gekleed in een eenvoudig zwart gewaad. Uit een buidel aan zijn riem haalde hij wat gouden munten en gaf ze aan Mustafa. 'Bedankt,' zei hij. 'Goed gedaan.'

'Tot genoegen. Wat ga je nu doen?'

'Ik denk dat ik maar eens een klein testje ga opzetten.'

'Nou, veel plezier dan maar,' zei Mustafa. 'En laat me even weten hoe die situatie met het demonenrijk afloopt. Het zou hier best eens wat druk kunnen worden als ze ontsnappen.'  

'Doe ik. Tot ziens, Mustafa,' zei de man en hij gebaarde met zijn handen.

'Tot ziens, Puc,' zei Mustafa terug, maar tegen de tijd dat hij zijn mond weer dichtdeed, was Puc van Sterrewerf al uit het zicht verdwenen.