3 Moord

 

Erric bleef staan.

Het hoefgetrappel van zo veel paarden op de straatstenen was ongebruikelijk in Ravensburg. De bundel met kleren die hij zojuist had dichtgeknoopt, zette hij neer op de kist met zijn moeders spullen.  

Het geluid werd nu duidelijk luider en Erric begreep dat er een groep ruiters op weg was naar de herberg. Hij keek even naar Milo, die aan de andere kant van de keuken zachtjes stond te praten met Fryda. Het was een moeilijk besluit geweest om Ravensburg te verlaten en tot Errics verrassing was het niet eens zijn moeder geweest die bezwaar had gemaakt. Zij scheen zich erbij te hebben neergelegd dat haar droom, dat Erric door zijn vader werd erkend, nooit zou worden verwezenlijkt. Het bleek Nathan die er het sterkst bij hen op had aangedrongen om te blijven. Toen duidelijk werd dat ze toch zouden gaan, vroeg hij hun naar de Verre Kust te trekken. In welhaast eerbiedige termen sprak hij over de edelen van de Verre Kust - hertog Markus, neef van de koning, en zijn eigen baron van Tulan, die alles had gedaan wat in zijn macht lag om hulp te bieden aan de mensen die hadden geleden onder de grootscheepse verwoesting die een kwart eeuw geleden aan de Verre Kust door piraten was aangericht. Stefans dreigementen vervulden hem van afschuw; Nathans kijk op de verantwoordelijkheden van de adel ten opzichte van de burgerij weken danig af van de ervaringen die de bewoners van de herberg daarmee hadden, maar het enige wat Milo erover wilde zeggen, was dat de adel in het westen enorm verschilde van die in Zwartheide.

Erric en Fryda hadden hun spullen gepakt en stonden klaar om mee te gaan met de ochtendkoets die hen westwaarts naar Krondor zou brengen. Daar moest Erric naar het Gildesmids-gebouw met een brief van Nathan, waarin hij uitlegde dat zijn vertrek bij de smidse van Ravensburg niets te maken had met zijn vaardigheden in het vak. In de brief legde hij meer uit over de situatie dan Erric aan een vreemde wilde laten weten, maar Nathan had hem ervan verzekerd dat het gilde als familie was. Tevens verzocht hij in de brief het gilde Erric ergens aan te stellen aan de Verre Kust of op de Avondroodeilanden.

Toen er paarden het erf van de herberg op kwamen, wierp Fryda een bezorgde blik naar Erric. Het was nog maar twee dagen geleden dat Grijskuif Otto's brief had verbrand, maar nog steeds maakte ze zich zorgen dat Stefan voortijdig iets ondernam om haar zoon kwaad te doen.

Toen Erric de achterdeur opendeed, zag hij twintig man in het livrei van de baron afstijgen, met Ewald Grijskuif als leider. 'Meester Grijskuif, wat is er?' vroeg hij, half in de verwachting dat Ewald zou zeggen dat ze hem kwamen arresteren.

In plaats daarvan nam de zwaardmeester van de baron Erric bij de arm en nam hem mee, bij de soldaten vandaan. je vader. Hij heeft een nieuwe attaque gehad. We zijn gistermiddag omgedraaid, maar nu moeten we stoppen. Zijn chirurgijn zegt dat hij Zwartheide niet meer haalt. Hij wordt naar De Pauwestaart gebracht,' - dat was de sjiekste herberg in Ravensburg - 'en de rest van de mannen wordt ondergebracht in de overige herbergen van de stad. Een andere compagnie rijdt vannacht verder naar Zwartheide om de barones te halen. Je vader heeft hooguit nog maar een paar dagen te leven.'  

Erric voelde verrassend weinig bij het horen van het nieuws over zijn vaders naderende dood. De brief had alle kinderlijke fantasieën over de man doen vervliegen en vervangen door een afstandelijk beeld van een man die niet in staat was juist te handelen ten opzichte van een burgervrouw en haar zoon. Het enige dat Erric aan gevoelens herkende, was medelijden.  

'Ik weet niet wat ik moet zeggen, Ewald,' zei hij uiteindelijk.

'Heb je nog nagedacht over ons laatste gesprek?'

'Moeder en ik vertrekken morgenochtend.'

'Mooi. Blijf vanavond en vannacht uit de buurt van het stadsplein en zorg dat je de koets haalt. Stefan en Manfred zijn begrijpelijkerwijs nogal van streek en het is niet te zeggen waar dat heethoofd van een Stefan toe in staat is. Zolang de baron nog leeft, zal hij waarschijnlijk wel bij hem blijven, dus als hij jou niet te zien krijgt, moet alles goed gaan.' Met een blik op de soldaten vervolgde hij: 'Ik blijf hier met deze wacht, tot ik bij de baron geroepen wordt.'

Erric begreep dat Grijskuif opzettelijk met zijn eigen contingent wachters naar herberg De Pijlstaart was gegaan, voor het geval er zich moeilijkheden voordeden, en hij zei: 'Bedankt, Ewald.'

'Ik doe alleen wat mijn heer van me zou willen, Erric. Ga maar naar binnen en zeg Milo dat ik al zijn kamers nodig heb.'  

Erric deed wat hem gevraagd werd en al heel gauw waren Rosalyn, Fryda en Milo druk in de weer om alle kamers voor de gasten in gereedheid te brengen. Iedere soldaat zorgde voor zijn eigen rijdier, maar Erric en Nathan hadden hun handen vol met het brengen van veevoeder naar de schuur en de grote kraal aan de noordkant van de schuur, waar twaalf van de twintig paarden werden gestald.  

Toen Erric de laatste baal hooi voor de paarden had gebracht en zijn handen ging wassen in de smidse, kwam Nathan achter hem staan. 'Het spijt me van je vader, Erric,' zei hij.

Erric haalde zijn schouders op. 'Veel verdriet doet het me anders niet, Nathan. Milo is de enige vader die ik ooit heb gehad, al is hij eigenlijk meer een oom. Jij hebt me in de afgelopen vijf maanden vaker als een zoon behandeld dan Otto in zijn hele leven. Ik weet niet hoe ik me eigenlijk zou moeten voelen.'  

Nathan legde zijn hand op Errics schouder en kneep er stevig in. 'Vergeet dat "eigenlijk" maar, jongen. Je voelt je zoals je je voelt, en dat is niet goed of fout. Otto was je vader, maar je hebt hem nooit gekend.' Zijn stem was stil en rustig. 'Luiers verschonen wanneer je vrouw het te druk heeft met een ander kind dat ziek is, luisteren naar het geklets van je kind na een lange vermoeiende dag omdat het jouw kind is dat kletst, om dat soort dingen ben je een vader, niet omdat je een meisje zwanger hebt gemaakt. Dat kan iedere imbeciel. Je armen om een kind slaan omdat het 's nachts bang is of het laten paardje rijden op je knie om het aan het lachen te maken - die dingen heb jij met Otto nooit meegemaakt. Ik snap best dat je geen verdriet voelt om zijn heengaan.'  

Erric draaide zich om en keek de potige smid indringend aan. 'Ik zal je missen, Nathan. Wat ik net zei, dat meende ik. Jij hebt me leren begrijpen hoe een vader hoort te zijn.' Hij omhelsde de oudere man en lange tijd bleven ze zo staan.

'En jij hebt me de kans gegeven me voor te kunnen stellen hoe het zou zijn geweest als mijn zoons nog hadden geleefd, Erric. Die herinnering zal ik koesteren.' Met een harde, blaffende lach vervolgde hij: 'En je hebt het moeilijk gemaakt voor mijn volgende leerling, jongen. Je hebt talent en een jarenlange ervaring achter je kiezen. Waarschijnlijk heb ik niet zo veel geduld met een onhandige knul van veertien jaar die nog nooit een voet in een smidse heeft gezet.'

Erric schudde zijn hoofd. 'Dat denk ik toch niet, Nathan. Volgens mij zul je best redelijk met hem zijn.'

'Ach, laten we maar niet te lang stilstaan bij het vertrek. Kom, dan gaan we naar binnen en pakken we wat te eten voordat de soldaten alles hebben opgegeten.'

Daar moest Erric om lachen en plots merkte hij dat hij honger had, ondanks het vooruitzicht dat hij zijn geboortestad voorgoed ging verlaten en ondanks de gedachte aan zijn vaders onafwendbare dood.  

In de keuken was Fryda druk bezig met koken, alsof er niets aan de hand was, en Rosalyn rende heen en weer tussen de keuken en de gelagkamer terwijl Milo bier en wijn uit de voorraadkamer haalde. Samen met Nathan ging Erric de gelagkamer binnen, waar het gebruikelijke lawaai van luide stemmen ontbrak. De soldaten zaten rustig te eten en drinken, op zachte toon met elkaar pratend.  

Ewald zat alleen aan een tafeltje in de hoek en gaf Erric en Nathan een teken bij hem te komen zitten. Nauwelijks hadden ze plaatsgenomen of Milo kwam met drie grote glazen wijn. Toen hij weg was, vroeg Ewald: 'Waar gaan jullie morgen naar toe, Erric?'

'Krondor,' zei hij. 'Naar het gildekantoor voor een nieuwe aanstelling.'

'Naar het westen, dus?'

'Ja. De Verre Kust of de Avondroodeilanden.'

'Ze hebben edelstenen en goud gevonden in de bergen bij Jonril, dus er is daar nu een hoop bedrijvigheid,' zei Nathan. 'De handelshuizen uit de Vrijsteden zijn erop afgegaan, evenals alle avonturiers, dieven en zwendelaars uit de wijde omtrek. Maar het is tevens een goede gelegenheid, want de Hertog van Schreiborg heeft gevraagd of er extra smeden en andere ambachtslieden naar toe kunnen worden gestuurd.'  

Ewald knikte. 'Er gebeurt hier niet veel en de meesten van ons krijgen maar zelden een kans om hun leven ten goede te veranderen. Maar daar, met wat inspanning, gezond verstand en een beetje geluk, kan een gewoon burger het tot grote rijkdom schoppen en misschien zelfs tot de adelstand.'

'Rijkdom wel, met een beetje geluk, denk ik,' zei Erric. 'Maar een burger die een edelman wordt?'

Ewald grijnsde een scheve grijns. 'Het is lang niet overal bekend, maar de hoogste raadsman van de koning, de Hertog van Rillanon, is als burger geboren.'

'Werkelijk?' zei Nathan.

'Hij heeft eens iets gedaan voor wijlen de Prins van Krondor en kreeg de rang van jonker toen hij nog maar een jochie was. Met zijn scherpe verstand en zijn dienstbaarheid aan het Koninkrijk is hij snel in rang gestegen en nu is hij de machtigste man na de koning.' Bijna fluisterend voegde hij eraan toe: 'En er wordt wel gezegd dat hij niet alleen een burger was, maar nog een dief ook.'

'Dat bestaat niet,' zei Erric.

Ewald haalde zijn schouders op. 'Niets is onmogelijk, denk ik wel eens.'

'Nou,' zei Erric, 'misschien toen hij nog maar een jochie was, maar dat was vijftig jaar geleden.'

Ewald knikte. 'Tijden veranderen. Eens, eeuwen geleden, was dit de grens van de bewoonde wereld, Erric.'

Erric fronste zijn wenkbrauwen alsof hij het niet begreep.

'Ik ben geboren aan de Verre Kust, Erric,' zei Nathan. 'Ik denk dat vriend Grijskuif bedoelt dat je daar een ander soort mensen zult treffen, mensen die het belangrijker vinden wat je kunt en weet dan wie je bent of wie je vader was. Er gebeurt veel te veel om je druk te maken over iemands rang. Je moet op je buren kunnen vertrouwen. Er zijn altijd wel gnomen, zwarte elfen, bandieten of andere problemen waardoor je blij bent met een helpende hand in de buurt. Je hebt geen tijd om je zorgen te maken over de dingen die het leven hier in het Koninkrijk bepalen.'

Grijskuif knikte, en Erric zei een tijdlang niets, denkend aan de mogelijkheid dat alles uiteindelijk toch nog op zijn pootjes terecht zou komen, tot de deur van de herberg openging en Ru kwam binnenstormen. Zodra hij Erric in de hoek zag zitten, kwam hij door de drukke gelagkamer naar hem toe. Zo eerbiedig als hij maar kon, knikte hij naar de zwaardmeester van de baron. 'Meester Grijskuif,' zei hij, 'ze vragen naar u bij De Pauwestaart, meneer.'

Ewald wierp een blik op Erric en zijn gezicht verried zijn bezorgdheid. Dat kon nooit goed nieuws zijn. Hij stond op, zei snel gedag en vertrok. Ru nam zijn plaats in.  

'Ben jij tegenwoordig jonker, Ru?'

Ru trok een gezicht alsof hij van dat woord een vieze smaak in zijn mond kreeg. 'Ik hing wat rond bij de fontein voor het Wijnbereidersgebouw toen er een soldaat naar buiten kwam en ons allemaal zei te gaan zoeken naar de zwaardmeester om hem zo snel mogelijk naar De Pauwestaart te laten komen. Dus toen heb ik tegen de andere jongens gezegd dat ik hierheen ging.'  

'Ik hoopte al dat je vanavond nog langs zou komen,' zei Erric glimlachend.

'Ik zou al eerder gekomen zijn, maar Gwenda was bij de fontein, enne...'

Erric schudde zijn hoofd. 'Dus je staat weer bij haar in de belangstelling?'

'Ik doe mijn best,' zei Ru.

Nathan kuchte. 'Hoe zou jij het vinden om leerling in de smederij te worden, Ru?'

Ze wisten allemaal dat het een grapje was, maar Ru zei: 'Wat, en dan helemaal zwart en smerig worden? Je krijgt er zo'n laag eelt op je handen en de paarden gaan op je voeten staan! Mij niet gezien. Ik heb andere plannen.'

Erric glimlachte, maar Nathan vroeg: 'O ja? Wat voor plannen?'

Ru keek de gelagkamer rond alsof hij bang was te worden afgeluisterd. 'Er valt ook een goeie boterham te verdienen zonder een opleiding bij het gilde, vriend smid.'  

Nathan fronste zijn wenkbrauwen. 'Jij komt nog eens in de gevangenis terecht, Ru.'

Ru hief zijn handen op als om zijn onschuld te tonen. 'Nee, niets oneerlijks, ik zweer het. Maar mijn vader heeft al zo veel uit Krondor hier naar toe gesleept, dat ik een redelijke neus heb gekregen van hoe diverse dingen in de markt liggen. Ik heb wat geld gespaard en dat ga ik vandaag of morgen investeren in een partij van het een of ander.'

Nathan scheen onder de indruk. 'Een vervoersbedrijf?'

'In Krondor en Salador heb je handelsverenigingen die het vrachtvervoer van de ene naar de andere stad of scheepsladingen naar verre havens verzekeren. Daar kan je op intekenen en ze keren een aardige winst uit.'  

N athan knikte. 'Zeker, maar er zijn ook risico's mee gemoeid. Als een vracht niet op tijd wordt afgeleverd, kan je je winst wel vergeten en als de karavaan wordt overvallen of het schip zinkt, ben je alles kwijt.'

Ru keek alsof hem dat nooit zou overkomen. 'Ik ben van plan om klein te beginnen en eerst een paar jaar mijn kapitaal op te bouwen.' 'En wat ga je in de tijd dat je je geld investeert in die ondernemingen dan doen om aan eten en onderdak te komen?' vroeg Nathan. 'Tja, dat heb ik nog niet helemaal uitgewerkt, maar -'

'Hoeveel kapitaal heb je al, Ru?' onderbrak Nathan.

'Tegen de dertig gouden soevereinen,' zei hij trots.

'Een behoorlijk begin, zei Nathan geïmponeerd. 'Ik zal maar niet vragen hoe je zo'n klein fortuin hebt vergaard,' - hij wendde zich tot Erric - 'en ik stel voor dat jij teruggaat naar de smidse en je niet meer laat zien. Als morgenvroeg de koets komt, is er nog tijd genoeg om afscheid te nemen. Als meester Grijskuif je nog moet spreken, stuur ik hem wel naar je toe.'

Erric knikte en stond op. Ru liep met hem mee. Vanuit de drukke gelagkamer gingen de jongens naar de keuken, waar Rosalyn net vandaan kwam met een groot dienblad vol dampende groenten voor de soldaten. Fryda werkte koortsachtig aan de soep alsof het een gewone drukke avond in de herberg was in plaats van de laatste in haar geboorteplaats. Gevolgd door Ru liep Erric naar buiten en toen hij langs de kraal liep, wandelden de paarden naar hen toe om de twee jongens te komen bekijken. Uit gewoonte controleerde Erric hun benen. 'Milo moet morgen hooi bestellen,' mompelde hij tegen Ru, langzaam langs het hek slenterend. 'Tegen de tijd dat ze gaan, hebben die beesten de hele zolder leeggegeten.'  

Ru draaide zich om en keek Erric aan terwijl hij half struikelend, half dansend achteruit bleef lopen. 'Erric, kan ik niet met je meegaan?' 'Waarom zou je?' zei Erric.

'Nou, jij bent de enige echte vriend die ik hier heb en ik heb geen vak geleerd. Dat was geen grapje over die handelsvereniging. In Krondor kan ik een baan zoeken en mijn geld investeren tot ik rijk ben. Eenmaal in Krondor zal je zien dat er betere dingen te doen zijn dan beginnen aan een nieuw leerlingschap.'

Erric begon te lachen en bleef staan, zodat Ru niet meer achteruit hoefde te lopen. 'En je vader dan?'

'Die is me liever kwijt dan rijk,' zei Ru op bittere toon. 'Voor zover ik me kan herinneren, heeft die schoft nog nooit één vriendelijk woord tegen me gezegd.' Plotseling, als bij toverslag, verscheen er een dolk in Ru's hand en even onverwachts stak hij hem terug in zijn wijde hemd. 'Ik kan voor mezelf zorgen als het nodig is. Laat me nou met je meegaan.'  

'Ik zal er met mijn moeder over praten,' zei Erric, 'al vraag ik me af of ze erg bemoedigend zal reageren.'

'Praat haar maar om.'

'Nou, aangenomen dat me dat lukt, moet jij je spullen gaan pakken en iets hebben om de koets mee te betalen.'

'Al mijn spullen zitten al in een bundel bij mijn vader thuis. Ik ga hem wel even halen.'

Hoofdschuddend keek Erric zijn wegrennende vriend na. Toen Ru in het donker was verdwenen, werd hij ineens overvallen door een melancholische bui. Dit zou zijn laatste nacht onder het dak van de schuur worden. Het was maar een armzalige slaapplaats - soms lekte het dak, het was er tochtig en er was niet veel beschutting tegen de winterse kou en de zomerse hitte - maar het was wel zijn eigen plek. En hij zou Milo en Rosalyn missen.  

Terugkerend naar zijn plaatsje op de zolder, dacht hij aan Rosalyn. Ze was knap, maar niet verleidelijk zoals Gwenda en de andere meisjes konden zijn. Wat hij voor haar voelde werd vaak verzacht door zijn gevoel van verwantschap. Ze was zijn zusje, ook al hadden ze niet dezelfde ouders, en al keek hij net als de andere jongens van zijn leeftijd naar de meisjes, bij Rosalyn was dat toch heel anders. Haar zou hij nog het meeste missen.  

Moe van de zorgen en een lange dag werken sukkelde Erric al gauw in slaap, doch schrok ineens wakker van een aanval van paniek. Hij ging rechtop zitten en keek op de donkere zolder om zich heen. Vlakbij loerden onzichtbare vijanden. Vanuit de herberg klonken de geluiden van pratende mannen en de paarden in de kraal en de stal snoven. Erric ging weer liggen, rolde zich op zijn zij, met zijn hoofd op zijn arm, en dacht na over dat rare gevoel van gevaar dat hem zo plotseling had bezocht.

Hij deed zijn ogen dicht en zag Rosalyns gezicht weer voor zich. Hij zou haar missen, en Milo en Nathan ook. Weldra dutte hij weer in. Vlak voordat hij diep in slaap viel, droomde hij dat hij Rosalyn zachtjes hoorde roepen.  

 

'Erric!'

Met een schok werd Erric wakker toen iemand aan zijn schouder schudde. Hij had erg vast geslapen, verloren in een diepe sluimering van emotionele uitputting, en wist zo gauw niet waar hij was.

'Erric!' sneed Ru's stem door de duisternis en vlak boven zich zag Erric het gezicht van zijn vriend. Ru had nog steeds dezelfde kleren aan, maar droeg nu een reis bundel over zijn schouder.

'Wat is er?'

'Kom snel mee. Naar de fontein. Rosalyn.'

Met twee sprongen was Erric van de ladder en zo snel hij kon klauterde Ru achter hem aan. Erric rende langs de kraal met de paarden en toen hij bij de herberg kwam, hoorde hij binnen stemmen. 'Hoe laat is het?'  

'Negen uur werd er als laatste geroepen. Een half uur later, denk ik.' Met al die soldaten in de stad zouden er beslist meisjes bij de fontein zijn, maar het was erg onwaarschijnlijk dat Rosalyn een van hen was. 'Wat is er gebeurd?'

'Weet ik niet,' antwoordde Ru. 'Maar dat kan Gwenda je vertellen.' Erric rende de .straat door tot hij bij het plein met de fontein kwam, waar drie jonge soldaten met verhalen over hun heldendaden indruk probeerden te maken op de plaatselijke meisjes. Doch in het licht van de lantarens kon hij aan Gwenda's gezicht zien dat ze aan onschuldige hofmakerijen niet meer dacht. Ze keek zeer bezorgd.

'Wat is er?' vroeg Erric.

'Rosalyn kwam hier naar je zoeken.' 'Ik was op de zolder,' zei Erric.

'Ze zei dat ze daar al had geroepen,' zei Gwenda, 'maar dat ze geen antwoord kreeg.'

Zijn diepe slaap vervloekend vroeg Erric: 'Waar is ze nu?' 'Ze zeggen dat ze met Stefan is meegegaan,' zei Ru.

'Wat?' Bij het horen van de naam van zijn halfbroer greep hij Gwenda bij de arm. 'Wat is er gebeurd?'

Met een hoofdknik beduidde ze Erric een stukje verderop te gaan, buiten gehoorsafstand van de soldaten. 'Ze wilde net terug naar de herberg toen de zoons van de baron naar buiten kwamen. Stefan begon haar te paaien, maar ze was niet zo gecharmeerd van zijn manier van doen. Ze wilde weggaan, maar ze wist niet hoe ze nee moest zeggen tegen iemand met zijn rang, en toen hij haar bij de arm nam is ze meegegaan. Maar hij bracht haar niet terug naar de herberg, ze liepen in de richting van de oude boomgaard.' Ze wees die kant op. 'Het leek er meer op dat hij haar meesleepte, Erric.'

Erric was al een stap achter hen aan gegaan toen Gwenda hem bij een arm pakte. 'Erric, ik ben met Stefan geweest. De vorige keer dat hij hier was, ben ik met hem meegegaan naar zijn kamer in De Pauwestaart...' Op zachte toon sprak ze verder, alsof ze zich schaamde. 'Ik heb er nog littekens van, Erric. Hij vindt het leuk om te slaan als hij het doet en toen ik huilde, moest hij daarom lachen.'

Ru, die naast Erric stond, zag het gezicht waarmee Erric zich omdraaide naar de appelboomgaard en even deed hem dat aarzelen. Terwijl zijn vriend met doelbewuste stappen wegrende, pakte hij Gwenda bij de arm. 'Ga naar De Pijlstaart en waarschuw Nathan. Zeg hem wat er is gebeurd en dat hij naar de boomgaard komt!' Daarop rende Ru naar de drie soldaten die de in de nacht verdwijnende Erric nakeken. Een van hen keek Ru met een vragende blik aan en Ru zei: 'Als jullie enig bloedvergieten willen voorkomen, ga dan vlug naar Ewald Grijskuif en zeg hem naar de oude boomgaard te komen.' Zo snel hij kon rende hij toen achter de rap kleiner wordende Erric aan. De magere jongen was een van de snelste hardlopers van het stadje, maar Erric had het licht van de lantarens op het plein al achter zich gelaten en was verdwenen in de straat die naar de oude appelboomgaard aan de rand van de stad liep.  

Rennend door de straten hoorde Ru zijn voetstappen op de stenen een geluid maken dat alle woede en verontwaardiging uit het donker scheen op te roepen. Iedere stap klonk als een klap in een gezicht en zijn bloed ging ervan koken. Met zijn opvliegende karakter en zijn wrokkige aard besefte hij heel goed dat er straks zou worden gevochten en hij bereidde zich erop voor zijn vriend te helpen. Hij mocht Stefan toch al niet, voor zover hij hem gezien had, maar met iedere stap die hem dichter bij de confrontatie bracht, veranderde die afkeer steeds meer in serieuze haat. Toen hij de laatste gebouwen passeerde, ving hij een glimp op van Erric, nog net zichtbaar, vlak voordat hij in het donker verdween. Ru rende hem achterna, maar Errics woede verleende zijn voeten vleugels. Ru had hem nog nooit zo hard zien lopen.  

Aan de andere kant van het weideland sprong Ru over het hek naar het terrein van de oude boomgaard, de favoriete ontmoetingsplaats voor jonge geliefden op een warme zomeravond. Aan de rand van de bomen, gehuld in dreigende duisternis na het helder verlichte stadsplein en de lantarens langs de straten, ging Ru langzamer lopen. Stappend tussen de donkere stammen stond hij ineens vlak achter Erric, die zich naar hem omdraaide. Erric gebaarde om stilte. 'Die kant op, denk ik,' fluisterde hij, onderwijl op adem komend.

Ru spitste zijn oren en wilde net zeggen dat hij behalve het bonzen van zijn eigen hart niets hoorde, toen er plots een zacht geluid klonk, het ruisen van kleding langs kleding, alsof iemand zijn gewicht verplaatste. Het kwam uit de richting die Erric aanwees. Ru knikte.

Als een jager besloop Erric zijn prooi. Dit hele verhaal klopte van geen kanten. Rosalyn zou nooit met een jongen naar de boomgaard zijn gegaan, want dat deed je maar om één reden. Rosalyn was nog steeds maagd en nog te jong om zich te laten beminnen. Sommige meisjes, zoals Gwenda, werden vroeg volwassen en genoten van het gezelschap van oudere jongens, maar andere meisjes waren daar veel te verlegen voor. En Rosalyn was niet zomaar verlegen; eenmaal buiten haar vaders herberg was ze zelfs een beetje bang voor andere jongens dan Erric en Ru. Van het onschuldigste compliment begon ze al te blozen en als de andere meisjes begonnen te praten over de jongens, liep ze beschaamd weg. In zijn hart wist Erric zeker dat ze gevaar liep en de stilte in de boomgaard was voor hem angstaanjagend. Ieder paartje dat hier ergens in de boomgaard aan het vrijen was, zou op deze stille nacht te horen zijn geweest.

Plotseling hoorden ze allebei een geluid waar hun haren van overeind gingen staan. Het was de gil van een meisje, gevolgd door het geluid van een vuistslag, toen stilte. Erric sprong in de richting van het geluid. Na een korte aarzeling ging Ru hem achterna.

Zonder erbij na te denken rende Erric naar de plek waar het geluid had geklonken. Toen zag hij Rosalyn en de wereld bleef een ogenblik stilstaan. Het meisje lag achterover tegen de stam van een boom, haar gezicht vol blauwe plekken en haar kleren aan flarden. Haar blouse was

van haar lijf getrokken, haar borsten ontblotend, en haar rok was stukgescheurd en hing in repen rond haar middel. Erric voelde een golf van verblindend hete woede in zich opkomen.  

Beweging, eerder gevoeld dan gezien, deed Erric naar rechts duiken, waarmee hij zich het leven redde. Er schoot een verzengende pijn door zijn linkerschouder waar Stefans zwaardpunt hem raakte. Met een kreet van pijn voelde Erric zijn knieën week worden van de onverwachte schok. Toen vloog Ru langs hem heen, zijn hoofd in Stefans maag borend. Erric viel bijna flauw toen de zwaardpunt uit zijn schouder werd gerukt. Alles draaide voor zijn ogen en zijn maag keerde zich om, en hij moest zich tot het uiterste concentreren om niet bewusteloos te raken. Met grote inspanning kwam hij overeind, schuddend met zijn hoofd om zijn duizeligheid kwijt te raken. Ru's paniekerige geroep om hulp bracht hem weer bij zijn positieven. In het donker, met alleen de middelmaan die door de takken scheen, zag hij Ru boven op Stefan zitten. De kleinere jongen had Stefan verrast, maar dat voordeel was nu verdwenen. Met zijn grotere kracht en omvang werkte Stefan zich onder Ru uit en drukte hem tegen de grond. Alleen het feit dat zijn zwaard was gemaakt voor een gevecht op een armlengte afstand redde Ru het leven. Had Stefan een dolk gehad, dan was de jongen nu beslist dood.  

Toen Ru hem nogmaals riep, negeerde Erric de vreselijke pijn in zijn linkerschouder en met een enkele stap stond hij achter Stefan. Hij greep zijn halfbroer rond het middel en met een verschrikkelijke oerkreet trok hij hem omhoog in een verpletterende omhelzing. Stefans lucht werd hem uit de longen geperst toen de machtige armen van de jonge smid zich rond zijn borst sloten. Het zwaard viel uit zijn hand toen hij van Ru werd afgetrokken. Boven de grond gehouden kon hij alleen maar hulpeloos naar achteren schoppen en krabben aan Errics handen.  

Roerloos bleef Erric staan, als door een wraakgeest bezeten terwijl hij Stefan plat probeerde te persen. Hij kon zijn ogen niet afwenden van Rosalyn, die doodstil lag, als een stille getuige van Stefans wreedheid. Als kind had Erric haar naakt gezien wanneer ze samen in bad gingen, maar daarna niet meer. De aanblik van haar borsten, bevlekt met haar eigen bloed, kwam hem voor als obsceen. Een geliefde, een echtgenoot, een kind had dat lichaam mogen beroeren, met koesterende liefde. Zijn Rosalyn verdiende beter dan de ruwe behandeling van een perverse, wrede edelman.

Ru krabbelde overeind, de dolk uit zijn hemd al in zijn hand. Met een moorddadig flitsende woede in zijn ogen kwam hij naar voren. Stefan spartelde als een bezetene en Erric voelde hem uit zijn greep ontsnappen. 'Maak hem af!' hoorde Erric een stem schreeuwen toen Ru vlak bij hen was, en pas toen Ru toestak, besefte Erric dat de stem die Stefans dood had bevolen van hemzelf was geweest.  

Stefan verstijfde, schopte eenmaal en werd slap. Toen Ru zijn mes lostrok, bewoog de zoon van de baron niet. Erric werd overspoeld door een gevoel van walging, alsof hij iets gruwelijk onreins vasthield, en hij liet los. Stefan viel slap op de grond.

Met de bebloede dolk in zijn hand boog Ru zich over hem heen en Erric zag de razernij nog steeds in zijn ogen fonkelen. 'Ru?' zei hij.

Ru knipperde met zijn ogen, keek naar zijn mes, toen naar Stefan. Hij veegde het lemmet af aan Stefans hemd en borg het mes op. De frustratie en woede gierden nog steeds door zijn lichaam en beheersten zijn gedachten. Uit dringende behoefte aan een voorwerp om zijn gevoelens op te luchten, gaf hij Stefans lichaam een gemene schop. De teen van zijn laars trof de ribben, die brekend. Met een laatste gebaar van minachting spuwde hij op het lijk.  

Ineens ebde Errics woede weg. 'Ru?' herhaalde hij en zijn vriend keek hem aan. Erric keek verward en Ru's gezicht was een masker van al even chaotische woede. Een derde maal noemde Erric de naam van zijn vriend. Eindelijk gaf Ru antwoord, zijn stem hees van opwinding en angst. 'Ja?'

'Wat hebben we gedaan?'

Een tijdlang keek Ru hem wezenloos aan, toen keek hij naar Stefan.

Met een schok drong het tot hem door wat er zojuist was gebeurd. Hij rolde zijn ogen ten hemel. 'O, goden, Erric,' zei hij. 'Ze hangen ons op.'

Erric keek rond en bij het zien van Rosalyn vergat hij op slag de zorgen over zijn eigen lot. Met een paar stappen was hij bij haar en knielde naast haar neer. Ze leefde nog, maar ze ademde zwaar en oppervlakkig. Voorzichtig hees hij haar wat meer rechtop. Hulpeloos naar haar kijkend vroeg hij zich af of hij haar moest bedekken of proberen het bloeden van haar neus te stelpen of zoiets. Toen kreunde ze zachtjes.  

Ru verscheen met een modieuze mantel, duidelijk die van Stefan, en dekte haar toe.

'Ze is er erg aan toe,' zei Erric.

 'Wij ook,' antwoordde Ru. 'Als we hier nog veel langer blijven, worden we gearresteerd en opgehangen, Erric.'

Erric maakte aanstalten om Rosalyn op te pakken, maar Ru zei: 'We moeten hier weg!'

'Hoe bedoel je?' vroeg Erric.

'We hebben de zoon van de baron vermoord, idioot!' 'Maar hij heeft Rosalyn verkracht!'

'Dat geeft ons nog niet het recht hem terecht te stellen, Erric. Voel jij er wat voor om voor de rechtbank te zweren dat dit alleen maar om Rosalyn was? Als het iemand anders was, vooruit, maar uitgerekend je halfbroer...'

'We kunnen haar niet zomaar laten liggen,' zei Erric.

Vanuit de nacht klonk het geroep van mannen. 'Ze vinden haar zo,' zei Ru. 'Binnen een paar minuten wemelt het hier in de boomgaard van de soldaten.'

Als om die woorden te benadrukken, hoorde Erric nu afzonderlijke stemmen dichterbij komen.

Ru keek alsof hij het ieder moment op een lopen kon zetten. 'Hij had niet dood gehoeven, Erric. Als we straks voor het hekje staan, kunnen we niet in alle eerlijkheid zeggen dat we niet anders konden.' Ru pakte Errics arm vast alsof hij hem mee wilde trekken. 'Ik wilde hem dood, Erric. En jij ook. We hebben hem vermoord.'

Erric merkte dat hij zich de gebeurtenissen onmogelijk helder voor de geest kon halen. Hij wist nog dat hij een zekere moordlust had gevoeld toen hij Stefan had beetgepakt, maar nu was dat maar een vage herinnering en de volgorde waarin alles was gebeurd, wist hij ook niet meer.

'Ik heb mijn geld hier,' zei Ru, wijzend op zijn reis bundel, 'dus we kunnen in Krondor een reis boeken naar de Avondroodeilanden.' 

'Waarom daarheen?'

'Als je daar een jaar en een dag hebt gewoond zonder een misdaad te plegen, krijg je gratie voor alles wat je had gedaan voordat je daar kwam. Dat is een oude wet van voordat de eilanden bij het Koninkrijk hoorden.'

'Maar ze zullen naar ons zoeken.'

Rosalyn bewoog, zachtjes en ongemakkelijk kreunend. Ru boog zich naar haar toe en vroeg: 'Kun je me horen?'

Het meisje gaf geen antwoord.

'Ze zullen waarschijnlijk denken dat we naar Kesh gaan,' zei Ru. 'Je kunt je in het Dromendal verborgen houden en zonder veel moeite over de grens komen.' Het dal dat de grens vormde tussen Groot Kesh en het Koninkrijk was een niemandsland van smokkelaars, bandieten en garnizoenen aan weerszijden van de landsgrenzen. Iedereen ging er zijn eigen gang zonder dat er veel vragen werden gesteld.  

Erric probeerde zijn schouder te bewegen en voelde zich licht in het hoofd worden toen zijn poging werd beantwoord door een stekende pijn. 'Dat kunnen we niet maken,' zei hij.

Ru schudde zijn hoofd. 'Als we hier blijven, worden we opgehangen. Man, al hadden we twintig getuigen, Manfred zal er wel voor zorgen dat we schuldig worden bevonden.' Hij keek op toen er van dichterbij werd geroepen. 'Ze komen eraan. We moeten weg!' 

Erric knikte. 'Ik moet eerst terug naar de herberg _' 

'Nee,' zei Ru. 'Dat verwachten ze. We moeten langs de oude weg naar het westen. We lopen de hele nacht door en als het licht wordt, gaan we de bossen in. Als ze de honden achter ons aan sturen, kunnen we er maar beter voor zorgen dat we voor morgenmiddag een stuk of tien beekjes hebben overgestoken.'

'Mijn moeder -' begon Erric.

'Die heeft niets te vrezen,' onderbrak Ru. 'Manfred heeft geen reden om het haar moeilijk te maken. Jij bent altijd de dreiging geweest, niet je moeder.' Een kreet van de andere zijde van de boomgaard deed Ru vloeken. 'Ze zijn ook al aan de andere kant We zitten in de val!'

'Daar!' zei Erric, wijzend naar een oude boom waarin ze vroeger vaak hadden gespeeld. Het was de oudste en grootste boom van de gaard, met zo veel bladeren dat ze zich er misschien tussen konden verstoppen.

Terwijl ze ernaar toe renden, vroeg Ru: 'Hoe is het met je schouder?'

'Doet verrekte pijn, maar ik kan hem bewegen.'

Ru aarzelde geen moment en klauterde meteen naar boven. Hij klom zo hoog als hij kon om de wat zwaardere takken voor Erric vrij te houden. Tegen de tijd dat Erric uit het zicht was verdwenen, kwamen er . fakkels en lantarens dichterbij.

Even verloor Ru zijn evenwicht, maar met een schok herstelde hij zich weer. Erric was nu bijna misselijk van pijn, angst en afkeer. Stefans dood was nog steeds iets onwerkelijks voor hem. Kijkend naar de donkere vorm van zijn lijk op de grond, verwachtte hij hem ieder moment te zien opstaan, alsof het allemaal maar een maskerade op een festival was.

Toen verscheen er een soldaat, die in het licht van zijn lantaren Rosalyn zag liggen. 'Meester Grijskuif! Hierheen!'

Tussen de bladeren door kon Erric net de gedaanten zien die naar de plek kwamen rennen waar Rosalyn en Stefan niet ver van elkaar lagen. Toen hoorde hij Ewald Grijskuifs stem zeggen: 'Hij is dood.'

'En het meisje?' vroeg iemand anders.

'Ze is er slecht aan toe, zwaardmeester,' zei een derde. 'We kunnen haar maar beter naar de chirurgijn brengen.'

Toen klonk Manfreds razende geschreeuw; 'Ze hebben mijn broer vermoord!' Een bijna onhoorbare vloek werd gevolgd door een snik. 'Ik maak hem kapot!' riep hij toen.

Erric ving tussen de bladeren een glimp op van de slanke gedaante van Ewald Grijskuif en hoorde de zwaardmeester van de baron zeggen: 'We zullen de daders wel vinden, Manfred.'

Erric schudde zijn hoofd. De drie soldaten die Ru en hem achter Stefan en Rosalyn aan hadden zien gaan, zouden hen hier zeker mee in verband brengen. Een van de soldaten zei: 'Ik weet dat de bastaard en uw broer kwade vrienden waren, maar waarom hebben ze het meisje geslagen?' Meteen begreep Erric dat hun identiteit al vaststond. Hij voelde zijn woede weer opkomen.

Toen hoorde hij een bekende stem. 'Erric zou Rosalyn nooit kwaad doen.' Dat was Nathan!

'Wilt u soms zeggen dat mijn broer dit heeft gedaan, meester smid?'

'Jongeheer, ik weet alleen dat dit meisje het vriendelijkste wezentje is dat de goden op deze wereld hebben geplaatst. Ze was als een zusje voor Erric en een van Ru's weinige vrienden. Geen van beiden zou haar ooit iets doen.' Op nadrukkelijke toon voegde hij eraan toe: 'Maar ik kan me wel heel goed voorstellen dat ze degene zouden vermoorden die dit op zijn geweten heeft.'

'Laat ik niet merken dat deze lafhartige moord wordt verdedigd, meester smid,' zei Manfred met boze stemverheffing. 'Geen enkel familielid van mij zou zoiets doen.' Op commanderende toon riep hij: 'Laat de mannen hun paarden halen en het hele gebied uitkammen, zwaardmeester. Als die twee moordlustige zwijnen worden gevonden, houd ze dan vast tot ik kom. Ze mogen pas worden opgehangen als ik erbij ben om het te zien.'

Nathans stem schalde boven het gemompel van de soldaten uit. 'Niemand wordt hier zomaar opgehangen, jongeheer, zo luidt de wet. En als familielid van het slachtoffer kunnen noch u, noch uw vader het oordeel vellen. Als ze worden gevonden, worden Erric en Ru overgedragen aan een magistraat van de koning.' Toen kreeg Nathans stem een waarschuwende klank. 'En Erric is een gildeleerling, dus als u echt problemen zoekt, jongeheer, steek dan het hoofd van mijn leerling maar eens in een strop voordat er een proces is geweest.'

'Wou u het gilde erbij slepen?' vroeg Manfred.

'Jazeker,' antwoordde Nathan. Erric voelde de tranen in zijn ogen stromen. Nathan snapte tenminste hoe het was gebeurd. 'Ik stel voor dat de jongeheer teruggaat naar zijn vader. Iemand zal hem het slechte nieuws moeten brengen en dat hoort iemand te zijn die hem lief is.' Om ieder misverstand uit te sluiten, zei hij: 'Dat hoort u te zijn, jongeheer.'

Op dat moment bewoog Rosalyn en ze slaakte een zwakke kreet.

Onmiddellijk nam Nathan de leiding. 'Meester Grijskuif, wilt u twee van uw mannen vragen het meisje terug naar de herberg te dragen?' Grijskuif gaf instructies en liet de speurtocht naar Erric en Ru beginnen.  

Vanuit de boom zagen ze de soldaten zich in alle richtingen verspreiden en zwijgend bleven ze zitten tot het al geruime tijd stil was geweest. Pas toen lieten ze zich langzaam naar de grond zakken en doken ineen, klaar om ervandoor te gaan zodra ze werden ontdekt. 'Voorlopig hebben we in ieder geval het geluk aan onze kant,' zei Ru uiteindelijk.

'Hoezo?'

'Ze hebben geen idee dat we achter hen zitten. Naarmate de cirkel waarin ze zoeken wijder wordt, komen er meer plekken waar we erdoor kunnen glippen. Iedere boer uit deze streek zou meteen denken aan de oude weg naar het westen, maar Grijskuif heeft daar waarschijnlijk zelfs nooit van gehoord. Als hij naar het westen ging, nam hij altijd de Koningsheerbaan. Voorlopig hoeven we ons alleen maar zorgen te maken over soldaten die voor ons zitten, niet achter ons.'

'Misschien moesten we ons maar gewoon aangeven,' zei Erric.

'Misschien heb jij de bescherming van Nathan en het gilde, misschien, maar ik niet,' zei Ru. 'Zodra ze me vinden, laat Manfred me dezelfde dag nog ophangen. En denk niet dat hij zich erg druk zal maken over de wet als het hem begint te dagen dat jij nu een bedreiging bent voor zijn erfrecht en niet dat van Stefan.'  

De moed zonk Erric nu definitief in de schoenen.

'Jij hebt van hem de volgende baron gemaakt,' fluisterde Ru, 'en ik denk niet dat hij je graag terugziet om je te bedanken, Erric. We zijn ten dode opgeschreven als we niet zo snel mogelijk naar de Avondroodeilanden gaan.'  

Erric knikte. Hij was nog steeds licht in zijn hoofd en zijn schouder deed helse pijn, maar wankel kwam hij overeind. Zonder een woord volgde hij Ru de duisternis in.