Verantwoording van de tekst

Het is alleen dichterlijke vrijheid die het waagt een oude tekst te vernieuwen. Daarmee is eigenlijk alles gezegd ter verantwoording van deze publicatie. Maar zo gemakkelijk wil ik mij er niet vanaf maken, en zo gemakkelijk is het ook niet. Wie het onmogelijke doet, zal daartoe geinspireerd zijn. Er zal in elk geval een idee zijn geweest van de vorm en inhoud die moesten worden gevonden.

Welnu, de inspiratie tot het herschrijven van de ontbrekende bladzijden van het evangelie naar Maria, is voor mij gekomen uit de bladzijden die wel overgeleverd zijn. De vorm en inhoud van de herstelde tekst zijn eveneens uit deze bekende fragmenten afgeleid.

Leeswijze

Wanneer een tekst ons inspireert, komt dat behalve door de tekst zelf, ook door onze leeswijze ervan. Voor een tekst die dateert uit de tweede eeuw van onze jaartelling en die wordt gelezen aan het eind van de twintigste eeuw, geldt dat wel in het bijzonder.Veel gegevens in de tekst zijn ons niet duidelijk. We kunnen wat voor ons onhelder is, proberen te verklaren met literatuur die destijds gelijktijdig ontstond.Voor zover beschikbaar. Maar onze tekst blijkt bovendien gehavend te zijn. De tekstwetenschap gaat zich er grondig mee bezighouden en brengt veel interessants aan het licht. Maar een vertellende en tegelijk poetische tekst vraagt, naast deze zorgvuldige benadering, ook een leeswijze die de tekst vrijuit doet klinken. Ik heb mij voor het evangelie naar Maria opengesteld vanuit mijn twintigste-eeuwse situatie, met mijn leeservaring en levensgevoel. Zo is dit evangelie voor mij een partituur geworden waaruit een herkenbaar lied opklonk. Zo herkenbaar ten slotte, dat ik de ontbrekende delen van het lied vanzelf op de open plaatsen begon in te schrijven.

Lezeres in de twintigste eeuw

Mijn levenssituatie aan het eind van de twintigste eeuw heeft mij gevoelig gemaakt voor racisme en discriminatie, en in het bijzonder voor antisemitisme, antijudaisme als de theologische vorm daarvan, en discriminatie van vrouwen. Als ik in een tekst een van deze verschijnselen aantref, dan wijs ik die af. Dat kan op verschillende manieren gebeuren: door kritiek te geven, door ermee in discussie te gaan, of door de tekst terzijde te leggen. Inspirerend zijn dergelijke geschriften in ieder geval niet voor mij. Het feit, dat het evangelie naar Maria mij direct aansprak en mij enthousiast maakte, betekent, dat ik in dit geschrift de genoemde verschijnselen niet signaleerde. Zeker is de neerbuigende houding van Petrus tegenover Maria als discriminatie te zien, maar haar evangelie is tegelijk een verzetstekst daartegen. In dit evangelie wordt de stem van de apostel Maria helder hoorbaar. Een inspirerende ontdekking in een (kerkelijke) cultuur die al eeuwenlang door mannelijke stemmen gedomineerd wordt.

Maar hoe is het mogelijk om geen anti-judaisme aan te treffen in het evangelie naar Maria? Wordt dit evangelie niet veelal als een gnostische tekst gezien, en heeft de gnostiek, met name waar het de scheppingsleer betreft, geen anti-judaistische trekken? In gnostische mythen wordt immers aangenomen, dat de stoffelijke wereld een schepping is van de demiurg, terwijl deze demiurg is voortgekomen uit de gevallen Sophia, de Wijsheid, die tot de goddelijke sferen behoorde, maar over haar grenzen ging. Deze demiurg wordt dan soms gelijkgesteld met de God van Israel. De stoffelijke wereld zou uit den boze zijn. De geestelijke wereld is de goede, en daarin zou voor het concrete Israel weinig plaats zijn. Gevaarlijke mythen, waar men alleen afwijzend tegenover kan staan. (Tussen haakjes: de christelijke leer die men orthodox is gaan noemen, had ook zo zijn bedenkingen tegen Joden en hun participatie in het rijk van God...)

Maar wat vindt men van deze mythen terug in het evangelie naar Maria? In de overgeleverde passages in feite niets, tenminste wanneer men onbevooroordeeld leest en niet direct geijkte uitleggingen toepast. In het 'Commentaar' zal ik mijn leeswijze ook in dit opzicht verhelderen.

Leeservaring

Bij mijn creatieve bewerking van de tekst heb ik mij uiteraard laten leiden door de leeservaring die ik heb opgedaan met poetische teksten, zowel oude als moderne, met bijbelse literatuur en met gnostische evangelien. De verbinding tussen passages heb ik eerder door beeldspraak of herhaling van uitdrukkingen gelegd dan door redeneringen. Dat is ook in overeenstemming met de ons bekende fragmenten van het evangelie naar Maria, waarin bijvoorbeeld de woorden van de Verlosser over de door hem gestelde regels (blz. 9 van het evangelie) worden aangehaald door Levi (blz. 18). In de overgeleverde fragmenten komen citaten voor die ook in de canonieke evangelien worden teruggevonden. De bijbelse traditie bleek zo een bron om uit te putten.

De lectuur van gnostische evangelien, zoals het evangelie naar Philippus, het evangelie naar Thomas, het evangelie der Waarheid, is door de jaren heen in mij bezonken en bracht als vanzelf verzen voort. De 'Pistis Sophia', een gnostische tekst uit de vierde eeuw na Christus, bevestigt de belangrijke rol van Maria Magdalena in de traditie van de gnosis en schept een geestelijk klimaat. De evangelien die canoniek zijn geworden en in de bijbelse traditie opgenomen, vertonen een groot aantal literaire vormen in een geschrift. Er staan citaten in uit de Tora, uit de profetische boeken en de geschriften, zoals de psalmen. Als literaire vormen zijn verder onder andere gebruikt: beschrijvingen van gebeurtenissen, dialogen, gelijkenissen, hymnische teksten, profetieen, ethische richtlijnen.

Het evangelie naar Maria toont in de overgeleverde bladzijden zowel overeenkomsten als verschillen met dit canonieke evangelie-genre.We herkennen citaten uit het Tweede Testament. Soms verwijzen deze indirect naar het Eerste Testament. Voorbeelden daarvan zijn de passages over de 'nomos', de 'wet'; de belangrijke plaats die 'vrede' inneemt, en het 'rijk'; thema's als: oordeel, genade, omkeer, dwaalweg. Maar het is duidelijk, dat het evangelie naar Maria eerder aanhaakt bij het Tweede Testament dan bij het Eerste. Dit behoeft niet te wijzen op een nietjoodse, laat staan anti-joodse, ontstaansgeschiedenis van dit evangelie. De sleutel tot de verklaring van dit verschil met de canonieke evangelien ligt in het feit, dat het hier gaat om het onderwijs van Jehosjua van Nazareth na zijn opstanding. Er doet zich in de geschiedenis iets nieuws voor: lichtvoetig blijken de voeten te zijn van de goede boodschapper ook na de fysieke dood. Het profetische bericht van het rijk van vrede wordt niet alleen van generatie op generatie opnieuw verteld: het is nu ook tot vervulling gekomen. In deze mens. De tijd is vol geworden. Dit onderwijs van Jehosjua is neergelegd in de gnosistraditie. Het vult de open plekken op in de canonieke traditie, zoals de open plek in het twintigste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes, en die in het eerste hoofdstuk van het boek Handelingen. De ontmoeting van Maria Magdalena met de verrezen Heer in Joh. 20 vormt een leerhuis in de graftuin. Het boek Handelingen begint met te vertellen, dat Jehosjua na zijn opstanding veertig dagen (en nachten) lang aan de apostelen is verschenen en 'tot hen sprak over wat het koninkrijk Gods betreft'. De gnosis-traditie is het, die dit geheime onderwijs enigszins ontsluiert. In de bijbel vinden we, buiten de evangelien, zelfs geen opmerking die aangeeft dat Maria Magdalena deze omgang met de Verrezene heeft gekend. Misschien werd juist zij meer geschoold dan haar broeders...?

Zoals er een verschuiving optreedt in de citaten - meer uit het Tweede Testament dan uit het Eerste - zo verschuiven ook de andere literaire vormen in het evangelie naar Maria ten opzichte van de canonieke evangelien. Naar mijn inzicht hebben deze verschuivingen te maken met de bijzondere situatie die na de opstanding is ontstaan.

De gebeurtenissen die worden beschreven, zijn verschijningen van Jehosjua en ontmoetingen tussen de leerlingen tijdens en na deze verschijningen.

De dialogen overschrijden de grens van de dood of worden getypeerd door het geheim van deze overschrijding.

Wat gelijkenissen betreft, Jehosjua is zelf tot gelijkenis geworden: de mannelijke leerlingen zijn bang bij hun apostolaat niet gespaard te worden, zoals Jehosjua zelf niet gespaard is (blz. 9). Maria Magdalena haalt Jehosjua juist naar voren in zijn geheelde en volkomen mens-zijn, als een beschermer op wie zij kunnen vertrouwen. Het is Levi - en hoezeer benadrukt zijn naam het Jood-zijn van de leerlingen - die dit begrijpt (blz. 18).

De passages op bladzijde 15 en 16, de hemelreis van de ziel, zijn verbonden met klassieke, voor-christelijke, tradities, maar ook met een gnostiek geschrift als 'Het geheime boek van Johannes', dat in een bepaalde versie in dezelfde Berlijnse Codex voorkomt die ook het evangelie naar Maria bevat. De ritmiek van deze passages, met hun herhalingen en raadselachtige bezweringen, doet aan een hymne denken.

Ten slotte: profetieen hebben in het evangelie naar Maria een visionair karakter (blz. 15 en 16). De ethische richtlijnen die Maria Magdalena geeft, zijn profetisch vanuit haar ervaring als ingewijde (blz. 9, 10, 17 en 18).

Al de genoemde kenmerken typeren het evangelie naar Maria als een geschrift van gnosis. In het door mij gerestaureerde deel van het evangelie heb ik mij hierdoor laten leiden.

Wanneer de dichterlijke vrijheid tot 'restauratie' van een oude tekst vaardig wordt, zal men zich de teugels moeten aanleggen van de beschikbare tekstruimte. Leeservaring doet ons aanvoelen waar een tekst uit zijn evenwicht raakt. Leeservaring ook maakt ons bewust van de precisie van een tekst. Een Italiaans sonnet bijvoorbeeld bestaat uit veertien regels: twee kwatrijnen en twee terzetten die volgens een bepaald schema met elkaar zijn verbonden. Dit schema vormt de poetische kracht van het sonnet. Zo heb ik mij ook in dit geval een beeld gevormd van de beschikbare tekstruimte voor mijn improvisatie. Dat moest wel met de nodige fantasie. Immers: de Koptische tekst is al een vertaling van de oorspronkelijke, Griekse tekst. Vertaling in het Nederlands van de Koptische fragmenten, waarbij de Franse vertaling van Anne Pasquier mij behulpzaam was, gaf een idee van de mogelijke lengte van de ontbrekende bladzijden.

Levensgevoel

Uit geschriften spreekt het levensgevoel van wie schrijft. En wie leest, herkent in de eerste plaats datgene wat aansluit bij het eigen levensgevoel, of wat daarmee juist in strijd is. Daartussen ligt een boeiend landschap.Wie een tekst herschrijft, richt landschap in.

Het spreekt vanzelf, dat het vaak geuite vermoeden van Maria's afwezigheid in het eerste gedeelte van het naar haar genoemde evangelie, niet mijn vermoeden is. Commentatoren komen tot deze conclusie op grond van de tekst op bladzijde 9 van de overgeleverde fragmenten: 'Toen stond Maria op, zij verwelkomde hen allen met de vredesgroet en zei tegen haar broeders...' Naar mijn inzicht is deze scene geen reden om aan te nemen, dat Maria nu pas ten tonele verschijnt. Integendeel. De Koptische tekst heeft voor 'groeten' het Griekse werkwoord bewaard. Op bladzijde 8 van het evangelie wordt ditzelfde werkwoord gebruikt als de Verlosser afscheid neemt. Hij groet de leerlingen ten afscheid met het woord 'vrede' (eirene). Maria Magdalena neemt het onderwijs daarna direct van hem over. Zij zal de andere leerlingen ter verwelkoming in hun nieuwe situatie gegroet hebben met dit woord: 'vrede'. Zij is hier werkelijk de apostel van de apostelen, zoals zij in de eerste eeuwen bekend stond. Het zou trouwens onlogisch zijn te denken, dat Maria Magdalena niet bij deze verschijning van de Heer aanwezig was. Juist zij is de leerling van de verschijningen. Bovendien reageert zij met haar woorden zowel op de opdracht die de Verlosser eerder heeft gegeven als op de wanhoop van de wenende leerlingen. Zij legt er de nadruk op, dat zij zich beschermd mogen weten bij de uitvoering van hun apostolaire taak.

Het is mijn levensgevoel als vrouw in een tijd van opbloeiende vrouwelijke theologie, dat mij in Maria Magdalena vanzelfsprekend de hoofdpersoon doet zien van het naar haar genoemde evangelie.

In mijn gerestaureerde tekst is zij dan ook vanaf het begin aanwezig als de apostel van de apostelen.

Het voor mijn gevoel joodse klimaat van het evangelie naar Maria maakt, dat ik zo zorgvuldig mogelijk te werk ben gegaan ten aanzien van de Hebreeuwse bijbel. Ik heb geprobeerd in mijn improvisatie te vermijden wat met Tenach in strijd zou kunnen zijn. Mirjam van Migdal was een joodse vrouw, zoals alle leerlingen van het eerste uur joden waren. Het evangelie naar Maria past in een traditie van gnosis, en dat houdt ook in: joodse gnosis. In de joodse kennis voor ingewijden gaat het om de verinniging van de omgang met de Eeuwige, om de doorlichting van de schepping. In het evangelie naar Maria concentreert de gnosis zich op en rond de Verlosser. Het is een messiaanse gnosis. In die uitgesproken messiaanse ervaring ligt ook de kwetsbaarheid van dit evangelie. Meer nog dan de canonieke evangelien loopt deze tekst het gevaar meegezogen te worden in een stroom die wegvoert van de joodse traditie. Immers: waar zo de nadruk ligt op messiaanse gnosis in de vorm van opstandingservaringen, kan het zicht op het joodse erfgoed verdwijnen.

Wat doet mij het evangelie naar Maria als afkomstig uit een joods geestelijk klimaat ervaren? Het zijn enkele voor mij welsprekende passages. Zo is er op bladzijde 7 de intense aandacht voor de stoffelijkheid van de schepping. Er is de in feite optimistische visie, dat wij als mensen de zonde in het leven roepen door onze keuzes.

Op bladzijde 8 treft mij het Griekse woord 'makarios', dat Jehosjua in de Bergrede, in de zgn. Zaligsprekingen, zo veelvuldig gebruikt, en dat hier op hemzelf wordt toegepast.

De vredesgroet is een traditionele groet in de bijbelse traditie. (Zie b.v. Ri. 6:23, Ri. 19:20; 1 Sam. 25:6; Dan. 10:19; Mat. 10:12; Joh. 14:27; Joh. 20:19, 21, 26).

De verwachting van het rijk van de Mensenzoon gaat terug op de Joodse profetische en apocalyptische traditie (Dan. 7:13,14).

Er wordt nagedacht over wet en wetten, zoals ook in de brieven van Paulus gebeurt (Rom. 7). De vraag is immers, of de volkeren zich aan de Tora moeten houden of niet.

Op bladzijde 9 wordt temeer duidelijk, dat de leerlingen joden zijn: hun angst en onzekerheid betreft de wijze waarop ze met het messiaanse bericht naar de volkeren moeten gaan.

Eveneens op bladzijde 9 zien we hoe Maria hun gezindheid goed weet te orienteren, als in een tesjoeva, een omkeer naar de weg.

Gezichten zien is in de bijbel van Israel niet zeldzaam. De profeet Joel ziet dit vermogen bij uitstek als een teken van de aanbrekende messiaanse tijd (Joel 2:28).

Het gesprek van Maria met de opgestane Heer cirkelt rond een bekende spreuk: 'Waar het inzicht is, daar is de schat.' Deze spreuk van Jezus vindt men ook in de synoptische evangelien, en wel alsvolgt: 'Waar je schat is, daar zal je hart zijn' (Luc. 12:34, Mat. 6:21). Het woord 'hart' (kardia) is in het evangelie naar Maria vervangen door 'inzicht' (nous). Dit benadrukt de vergeestelijking in de gnosis. Opmerkelijk is, dat bij de genoemde evangelisten het gezegde in een omgekeerde vorm wordt gebezigd. Gilles Quispel heeft verondersteld, dat de bron voor deze spreuk ligt in het evangelie van de Hebreeen (Quispel 1957). In dat verlorengegane geschrift zou de volledige joodse spreuk aldus hebben geluid: 'Waar je schat is, daar is je hart, en waar je hart is, daar is je schat.' Het canonieke evangelie heeft dan de ene helft van de Hebreeuwse spreuk bewaard, het evangelie naar Maria de andere helft.

De beeldspraak van de 'schat' komt veelvuldig voor bij joodse auteurs (Pasquier 1983:103).
Het gezag waarmee Levi spreekt aan het slot van het evangelie naar Maria, waardoor de barrieres bij de mannelijke leerlingen worden weggenomen en Maria haar apostolaat kan verwerkelijken, onderstreept de band met de joodse traditie.Wordt de naam Levi niet verklaard als 'gunsteling van God'? (De Vaux 1962: II, 238). De stam Levi vertegenwoordigt het priesterschap, omheint het heilige. De instemming van Levi met de rol van Maria bevestigt haar gezag.

Gnosis, een vertrouwd levensgevoel

Toen ik de gnosis leerde kennen, rondom en in de bijbelse traditie, beaamde ik deze onmiddellijk vanuit mijn eigen levensgevoel. Gnosis - kennis vanuit ervaring, intuitieve wetenschap, irrationele inwijding in het goddelijke - is van alle tijden en zal er altijd zijn. Wanneer de blokkades, opgeworpen in een rationele cultuur, worden weggenomen, komt de stroom van gnosis in ons vrij en herkennen we deze in tot nu toe eenzijdig geinterpreteerde geschriften. De inkeer tot onze eigen bron van kennis blijkt een universele reis te worden.Wie deze reis aandurft, zal steeds meer ervaren dat zelfkennis een vorm van Godskennis is. De weg van gnosis heeft als eindbestemming de volheid van de geestelijke rust.

Ik kwam ertoe voor mijzelf een aantal kenmerken van de gnosis te noteren en ze te zetten naast de orthodoxe traditie. Als ik het zo formuleer, geef ik al aan, dat ik dit deed in een theologisch kader. Het is een reeks van kenmerken, die ik eenvoudig naast elkaar plaats, niet om ze tegen elkaar uit te spelen, maar juist om mij bewust te maken hoezeer ze elkaar aanvullen. Mijn levensgevoel beaamt telkens meer het eerstgenoemde kenmerk dan het tweede. Zo hoop ik als vanzelf duidelijk te maken vanuit welk levensgevoel ik het evangelie naar Maria lees en ook vanuit welke inspiratie ik de ontbrekende gedeelten heb herschreven.
De gnosis is een traditie waarin schepping wordt ervaren als uitstraling. Gnosis schrikt niet terug voor het vloeiende. In de scheppingsverhalen van de gnosis vloeit het ene beginsel uit het andere voort. In de gereconstrueerde leer van Valentinus (christen-gnosticus uit de tweede eeuw) bijvoorbeeld ligt de oorsprong van alles in de Aeon, de eeuwige hoogte en diepte. (Puech/Quispel z.j.: 49). In gemeenschap met het Zwijgen brengt de Aeon Bewustzijn voort. Dit op zijn beurt baart Rede en Leven. Zo is er een steeds verder voortvloeiende schepping waarin het mannelijke en het vrouwelijke gepaard, in androgynie, aanwezig zijn. (Tussen haakjes: hoezeer het vloeiende in een vrouwelijke filosofie kan worden begrepen, blijkt uit het geschrift van Luce Irigaray 'De mechanica van het vloeiende').

De orthodoxe traditie - rechtzinnig ook in de betekenis van: de in officiele vergaderingen aanvaarde traditie, die andere opvattingen als niet-rechtzinnig of zelfs als ketterij afwijst - ziet schepping tot stand komen door scheiding. 'En God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis...' (Gen. 1). Orthodoxie denkt vaak in tegenstellingen, hetgeen zij de gnostiek juist verwijt... Zouden de twee stromingen elkaar misschien kunnen vinden in de gedachte, dat zowel scheiding als uitvloeiing hier in wezen betekent: alles krijgt zijn terechte plaats?

In de gnosis ligt de nadruk meer op het individu en diens persoonlijke ontwikkeling, terwijl het in de orthodoxie in de eerste plaats om de gemeenschap gaat.

Van huis uit leerde ik Jezus als wegwijzer te zien. Dat was anders dan de rechtzinnige leer: Jezus als weegschaal. Orthodox is, dat het gewicht van onze zonden door het offer van de Christus wordt goed gemaakt en kwijtgescholden. De vrijzinnige weg is die van de persoonlijke verantwoordelijkheid: de mens volgt met vallen en opstaan de meester. De gnosis is mij daarom ook zo vertrouwd, omdat ik afkomstig ben uit een vrijzinnig-hervormd milieu.

Een theologie van het boek, van de letters, zoals in de Joodse kabbala, is kennis voor ingewijden. Een theologie van lichaam en bloed daarentegen is openbaar en in haar schokkende voorstellingen mijns inziens zowel autoritair als provocerend. De joodse mystieke leringen van de Kabbala - dit woord betekent 'traditie' - waarbij het Hebreeuwse schrift met de getalswaarde van zijn letters zo'n grote rol speelt, zijn een vorm van joodse gnosis die haar wortels heeft in de eerste eeuwen van de gebruikelijke jaartelling (Scholem 1962: 16). De scheppingsleer van de Kabbala, met haar uitstralingen, machten en hierarchieen, laat samenhangen zien tussen vormen van jodendom en christelijke gnosis.

Een geheime leer over de schepping en over de troonwagen, de zogenaamde Merkaba (Ezechiel 1), werd al ontwikkeld door de Talmoedisten van de eerste eeuwen (christelijke jaartelling). Gershom Scholem ziet de Merkaba-mystiek als een joodse tak van de gnosis. Belangrijke kenmerken van gnosis zijn immers in deze mystiek terug te vinden, zoals: kennis die niet op een intellectuele wijze, maar door openbaringen en geestelijke verlichting wordt verworven; het bezit van een geheime leer aangaande de ordening van de hemelse werelden, en kennis die toegang tot deze werelden geeft. Er is in de troonwagen-mystiek esoterische kennis over de opgang van de ziel, uit de heerschappij van de wereld, door zeven vijandige sferen heen naar haar goddelijke oorsprong (Scholem 1962:18). Een dergelijke hemelreis van de ziel treffen we aan in het evangelie naar Maria.

Ik vervolg mijn reeks kenmerken van gnosis en orthodoxie. Bij de gnosis gaat het in de eerste plaats om de verlossing in onszelf, die uitstraalt naar de wereld. De orthodoxe leer ziet de verlossing buiten ons verwerkelijkt, waarna wij erin worden opgenomen. Dus: de verlossende Christus is in ons binnenste of buiten ons. Het gaat hierbij weer om een accentverschil, omdat beide tradities ook de andere werkelijkheid kennen.

De voornaamste zintuiglijke waarneming is in de gnosis het zien, in de orthodoxie het horen. Visioenen zijn schering en inslag in de kennis voor ingewijden. De rechtzinnige leer staat en valt met het gesproken woord.

Hiermee hangt samen, dat de gnosis voorkeur heeft voor poezie, terwijl de rechtzinnige leer het verhaal, de narratieve vormen, verkiest. 'Zien' bevoorrecht beeldspraak, ook synesthetische beeldspraak, dat wil zeggen beeldvorming waarin vermenging van zintuiglijke indrukken plaatsvindt: 'het oorverdovend zonlicht' (Lucebert), of 'de blauwe fluisteringen van de zee'. De poetische inslag van deze spiritualiteit stroomt uit in associaties, mythen en meditaties. De rechtzinnige traditie bevoorrecht een narratieve theologie.Verhalen van mensen in hun concrete situatie staan erin centraal. De dialoog is afhankelijk van ons gehoor.

Ook in de gnosis is er dialoog. Maar in de gekerstende gnosis heeft de dialoog vooral een bovennatuurlijk karakter: het gaat om het gesprek met de verrezen Heer. Het opstandingslichaam, met alle vragen die dat aan stervelingen stelt, is het transparante middelpunt. De orthodoxie houdt zich aan het lichaam van gerechtigheid: de arme, vernederde mens, blijkt de verhoogde, de verheerlijkte. Gnosis ontwikkelt een theologie van verrijzenis.

Orthodoxie ontwikkelt een theologie van lijden en sterven. Beide tradities zijn in deze onuitputtelijke materie soms verdwaald geraakt, wellicht juist door hun tegengestelde keuzes en belangen. In extremen hebben zij hun opvattingen willen verduidelijken. Zo neig ik ertoe het gnostische docetisme, dat wil zeggen de leer dat Jezus alleen in een schijnlichaam zou hebben geleden, te zien als een hyperbool, een stijlfiguur van overdrijving, van de gnosis. Omgekeerd zouden de verheerlijking van het martelaarschap in de orthodoxe traditie en de avondmaalsstrijd tussen deze 'niet-ketterse' kerken onderling, het gevolg kunnen zijn van hun hang naar het historische verhaal, ook als basis van de sacramenten. Elaine Pagels heeft erop gewezen, dat de verheerlijking van het martelaarschap in de vroege, orthodox geworden, kerk niet strookte met het levensgevoel van vrouwen. Voor haar was de gnosis aantrekkelijk. Vrouwen, draagsters van heelwording en leven, kozen niet voor verminking en dood. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het feit, dat het evangelie naar Maria Magdalena verspreid is in de bedding van de gnosis.

Alle tot nu toe genoemde kenmerken, in elk van beide tradities afzonderlijk, hangen met elkaar samen. Het volgende sluit hier nog bij aan:

Gnosis is niet bang voor esthetiek. Een traditie van poezie en mythe is een literaire traditie. Kunst wordt gezien als een venster op het goddelijke. De orthodoxe leer vreest het esthetische als een verleidelijke en verleidende realiteit. De verregaande soberheid van veel rechtzinnige kerkgemeenschappen betekent, in elk geval op het eerste gezicht, armoede aan spiritualiteit en creativiteit.

Sterker: er is veel angst in de orthodoxie. Overal dreigen de innerlijke en uiterlijke gevaren. Vrouwen zijn daarvan in het bijzonder slachtoffer, omdat de verwerpelijke verleiding door mannen op haar wordt geprojecteerd.Wij kunnen er bijna niet zijn. Als wij er zijn, is dat op de voorwaarden van de mannelijke (godsdienstige) cultuur.

Gnosis leidt tot een leven zonder angst. Zelfkennis en Godskennis vloeien verlossend ineen.
De innerlijke bevrijding in de gnosis van zowel vrouwen als mannen begunstigt een gemeenschap van gelijkwaardigen.Vrouwen hebben in de tradities van gnosis meestal een vrije en zelfstandige ontwikkeling kunnen doormaken. Zij dragen ook in theologisch opzicht gezag. De innerlijke bevrijding van de gnosis leidt tot uiterlijke bevrijding. In de orthodoxie wordt veelal met uiterlijke bevrijding begonnen: de proclamatie van de vrijheid in Christus. Maar omdat deze proclamatie plaatsvindt in een door mannen gedomineerde cultuur, genieten vrouwen deze vrijheid alleen op mannelijke voorwaarden. Tot een verinnerlijking van de vrijheid van Christus komt het dan niet, noch voor haar, noch voor de mannen, die immers zelf pas werkelijk vrij zouden zijn in een gemeenschap van vrije mensen.

De gnosis heeft niet geschroomd haar vrijheidsbeleving aldus uit te drukken: het gaat erom Christus te worden. Jezus is immers onze broeder. Hij wilde niet aanbeden worden. Het bijzondere van deze broeder ligt voor de gnosis in zijn verrijzenis. De gnostische evangelien voeren de verrezen Heer sprekend in. Het zijn bovennatuurlijke dialogen. Het is geheime kennis voor hen die in deze transfiguratie zijn ingewijd. Daartoe heeft de gnostische traditie een antropologie ontwikkeld, die duidelijk probeert te maken, hoe de in blindheid gevangen mens tot de verlichting van Christus kan komen. De stoffelijke mensen blijven hangen in hun verblinding. Er is voor hen geen perspectief. Bij verstarring van deze mensbeschouwing gaat het fout met de gnostiek. Er lijkt een tweedeling te ontstaan van reddelozen en geredden. Onze beoordeling van deze gnostische mensbeschouwing is afhankelijk van onze visie erop. Wat mij betreft: ik heb deze antropologie altijd gezien als een poging binnen de gnosis om te komen tot een verklaring van het kwaad in de wereld. Deze, niet te beantwoorden, kernvraag voor alle godsdiensten en religieuze stromingen, wordt binnen de gnostiek antropologisch opgelost. Het zijn de stoffelijke mensen, de geprogrammeerde materialisten zou men kunnen zeggen, die het kwaad in de wereld brengen en in stand houden. De psychische mensen staan open zowel voor de materie als voor de geest. Met hulp van de verlosser kunnen zij mensen van geest worden. Deze pneumatici genieten het Godsrijk al hier op aarde, en worden na hun lichamelijke dood rechtstreeks in de heerlijkheid van de goddelijke Aeon opgenomen. Het lied van de hemelreis van de ziel in de overgeleverde fragmenten van het evangelie naar Maria is daarvan een voorbeeld. Het typeert Maria Magdalena als de geestelijke mens.

Dat is wel een heel andere waardering van haar dan in de orthodoxe traditie, waar zij vooral als een berouwvolle zondares wordt voorgesteld. Orthodoxe antropologie heeft vrouwen vereenzelvigd met het lichamelijke en mannen met het geestelijke: eveneens een tweedeling als verklaring van het kwaad!
Naar mijn inzicht biedt de gnosis in vrijwel alle opzichten een meer natuurlijke en inspirerende ambiance voor vrouwen dan de orthodoxie. De tot nu toe genoemde kenmerken mogen dit bevestigen. De weg van de gnosis is geen gemakkelijke weg. Het vooroordeel dat gnosis elitair zou zijn, komt waarschijnlijk meer voort uit de behoefte van de orthodoxie om het eigen gezag te handhaven. Mensen met vrijheidsdrang en verbeeldingskracht, zoekende mensen, zijn een bedreiging voor stelsels en instituten die hun gezag ontlenen aan door hen gevonden zekerheden. Gnosis typeren als moeilijk, als elitair en zelfs als ketters, komt voort uit zucht naar macht. Door het domhouden van onderdanen kunnen gevestigde gezagsdragers aan de macht blijven.

Gnosis ontwikkelt zich door bewustwording. Het is een zich steeds verhelderend bewustzijn. Geestelijk inzicht in onze oorsprong, in de bladzijden van ons aardse bestaan en in datgene wat 'de dood' wordt genoemd, typeert de mens van gnosis. Zij of hij ontdekt de taal als instrument van kennis, neemt het woord, spreekt vrijuit. Het zwijgen, dat in de gnosis zo'n diepe betekenis heeft, is vrucht van een ontwikkeling die door heel het bewustzijn van taal en spraak is heengegaan. Ik herken het zwijgen van de gnosis in de onuitsprekelijke Naam waarmee de joodse traditie tast naar de Verborgene.

De orthodox geworden leer benadrukt gehoorzaamheid. Daarbij wordt vaak vergeten, dat de bijbelse traditie gehoorzaamheid uitlegt als een vrijwillige daad: de mens geeft gehoor aan de roep van God. De Tora is een wegwijzer, geen weegschaal! Wie de Tora als wegwijzer volgt, gehoor geeft aan de Tien Woorden, behoudt het leven in vrijheid zoals de Bevrijdende het gewild heeft en bevestigd met de doortocht door de wateren van de Schelfzee. De orthodox geworden gehoorzaamheid verlangt helaas meestal het zwijgen van de onderdanige. Wordt er gesproken door de gehoorzame mens, dan is dat alleen aanvaardbaar als vrucht van luisteren. Maar voor vrouwen ontbreekt vaak zelfs het podium waarop zij het door luisteren gewonnen woord kunnen spreken. De onuitsprekelijke Naam die ons inspireert tot zoveel poezie in de gnosis, is in de orthodoxie een dogmatische naam geworden. En de dogma's rond de Naam zijn in alle opzichten van het mannelijk geslacht.

Toch ben ik er persoonlijk van doordrongen, dat beide tradities elkaar aanvullen. Dit levensgevoel beinvloedt mijn leeswijze van religieuze en theologische teksten, en dus ook mijn leeswijze van het evangelie naar Maria. Ik lees in de fragmentarisch overgeleverde tekst een spiritualiteit waarin de beide tradities die later zo vaak uiteen zijn geworpen, die van gnosis en die van orthodoxie, elkaar doordringen en van elkaar doordrongen zijn. Ik ervaar het evangelie naar Maria als een tekst waarin heel de verscheidenheid van geestelijke stromingen uit het begin van onze jaartelling spiegelt. En het is juist deze spiegeling die ik heb willen opvangen in het kwetsbare glas dat ik zelf heb geblazen: de ontbrekende fragmenten van het evangelie naar Maria.