Inleiding
In 1896 trof de Duitse egyptoloog C. Reinhardt een papyruscodex aan in een antiquariaat in Cairo. Het was een codex met in het Koptisch geschreven teksten. Hij kocht de codex en nam deze mee naar Berlijn. Het boek wordt daar sindsdien bewaard in de afdeling egyptologie van het Nationaal Museum. Het is bekend onder de naam Papyrus Berolinensis 8502.
De codex bleek vier geschriften te bevatten: ten eerste het 'Evangelie naar Maria', en vervolgens het 'Apocryphon van Johannes', de 'Wijsheid van Jezus Christus' en de 'Handeling van Petrus'. Het zijn, wat men noemt, gnostische geschriften. De betekenis van dat woord hoop ik, wat betreft het evangelie naar Maria, in het hiernavolgende duidelijk te maken. Nu volstaat het om te zeggen, dat het gaat om geschriften die niet in de canon van de gevestigde kerken zijn opgenomen. Ze wijken zowel naar inhoud als naar vorm af van de canoniek geworden boeken.
Hoewel het evangelie naar Maria al in 1896 is teruggevonden, duurde het nog tot 1955 voordat dit evangelie openbaar werd gemaakt. De chaos van de twee wereldoorlogen zal er mee de oorzaak van zijn geweest, dat de uitgave van de papyrus-manuscripten zo lang op zich heeft laten wachten. De eerste teksteditie van de Papyrus Berolinensis, verzorgd door W.C.Till, verscheen tenslotte in 1955.
Van het evangelie naar Maria zijn slechts gedeelten bewaard gebleven. In de papyrus-codex ontbraken de bladzijden 1 t/m 6 en de bladzijden 11 t/m 14. Het geschrift eindigt op bladzijde 19, zodat dus meer dan de helft van het evangelie verloren is gegaan.
De taal van de teruggevonden fragmenten is het Sahidisch, een vorm van het Koptisch, de taal van het oude Egypte (Koptisch komt van: gypteios). In de tekst komt een aanzienlijk aantal Griekse woorden voor. Het Grieks is de oorspronkelijke taal geweest waarin het evangelie naar Maria werd geschreven. Dit wordt bevestigd door twee ontdekte papyri die fragmenten van het evangelie in het Grieks bevatten: het gaat hierbij om een deel van de bladzijden 9 en 10, en om het slot van de tekst, vanaf bladzijde 17, vers 5.
De Griekse papyri worden gedateerd in de derde eeuw. Ze lijken terug te gaan op een eerdere versie. Het evangelie naar Maria kan daarom gedateerd worden in de tweede eeuw, wellicht in de eerste helft daarvan. Hoewel de Koptische codex van rond het jaar 400 is, ligt de oorsprong van het evangelie naar Maria Magdalena waarschijnlijk niet zoveel later dan die van het evangelie naar Johannes.
In mijn weergave van de overgeleverde fragmenten van het evangelie heb ik mij vooral gebaseerd op de teksteditie van de Koptische tekst door Anne Pasquier en haar vertaling daarvan in het Frans. De verder door mij gebruikte literatuur staat achterin vermeld. Behalve een verantwoording van de door mij herstelde tekst van het evangelie, heb ik een commentaar toegevoegd en een nabeschouwing over Maria Magdalena.