1
De Oorzaken van de Koude Oorlog in Europa, 1945-49
1917: de historische wortels van de Sovjet en Amerikaanse buitenlandse politiek
Het jaar 1917 was een zeer belangrijk jaar in de geschiedenis van de twintigste eeuw. Het was het jaar waarin de twee niet-Europese grootmachten – de SovjetUnie en de Verenigde Staten – zich op het wereldtoneel meldden om twee rivaliserende ideologieën te verkondigen. De Verenigde Staten namen niet deel aan de Eerste Wereldoorlog om het machtsevenwicht te herstellen, maar om een einde te maken aan het hele Europese statensysteem en ‘de democratie in de wereld veilig te stellen’ door een nieuwe wereldorde in het leven te roepen. Rusland, onder leiding van Lenin, trok zich na de bolsjewistische revolutie terug uit de oorlog en riep op tot een wereldrevolutie. Bekeken vanuit een ideologisch perspectief is het correct om het begin van de Koude Oorlog in 1917 te laten beginnen. De volledige implicaties van beide gebeurtenissen zouden echter pas na 1945 duidelijk worden, toen de politieke macht van het centrum van Europa naar Moskou en Washington verschoof.
Er zijn drie grondslagen voor de buitenlandse politiek van de SovjetUnie. De eerste zijn de historische ervaringen van het tsaristische Rusland van voor 1917. Sinds de 17e eeuw is Rusland het slachtoffer geweest van invallen en invasies, meestal vanuit het westen. Om die reden heeft het zich altijd onveilig gevoeld. Ten tweede trok Rusland zich na de bolsjewistische revolutie terug uit de Eerste Wereldoorlog, waarna het in de jaren 1918-1920 aangevallen werd door de westerse bondgenoten. Churchill sprak van het ‘in de kiem smoren van het bolsjewisme’, hetgeen de overtuiging van de Russische leiders dat het Westen een kapitalistische omsingeling van de SovjetUnie beoogde, bevestigde. Ten derde lieten de leiders van de SovjetUnie zich inspireren door de Marxistisch-Leninistische ideologie, die de ineenstorting van het kapitalisme voorspelde. Maar, zoals Lenin verklaarde, voor die ineenstorting was ‘een serie van vreselijke conflicten tussen de Sovjetrepubliek en de bourgeoisstaten onvermijdelijk’.[1]
Voelde de SovjetUnie zich altijd zwak en onzeker, de Verenigde Staten voelden zich altijd veilig en zeker van hun kracht. De historische ervaring van de Verenigde Staten was er één van isolationisme. Maar toen Japan in december 1941 Pearl Harbor aanviel en de Verenigde Staten bij de Tweede Wereldoorlog betrok, hervatte president Roosevelt Woodrow Wilsons boodschap van universalisme. Hij verdedigde de politiek van de Verenigde Staten door abstracte principes van democratie en economische vrijheid aan te halen, die later vastgelegd werden in het Atlantische Handvest (1942) en de Verklaring van een Bevrijd Europa (1945). De hoogdravende morele retoriek van de Amerikanen maakte de SovjetUnie woedend, maar was een afspiegeling van het economisch belang van de Verenigde Staten. Roosevelt riep op tot een economische politiek van ‘open deur’ – vrijhandel en vrije toegang tot grondstoffen – om een herhaling van de Depressie van de jaren dertig te voorkomen.
Zowel de SovjetUnie als de Verenigde Staten streefden na 1945 dus naar veiligheid, maar ze definieerden het begrip ieder op een andere manier. De SovjetUnie was na 1945 nog steeds een regionale macht, en veiligheid betekende voor haar ‘vriendelijke’ staten aan haar grenzen. De Verenigde Staten vormden een economische wereldmacht, voor wie veiligheid een wereld betekende waarin goederen, geld en mensen vrijelijk konden bewegen.
Het uiteenvallen van de Grote Alliantie in 1945: Jalta en Potsdam
Op 22 juni 1941 viel Nazi-Duitsland met 270 divisies de Sovjet-Unie aan, waarmee de grootste landoorlog uit de geschiedenis begon. De publieke opinie in de Verenigde Staten was nog steeds isolationistisch. Maar toen Japan de Amerikaanse marinebasis in Pearl Harbor aanviel (7 december 1941) en Hitler de Verenigde Staten drie dagen later de oorlog verklaarde, sloten de Verenigde Staten zich aan bij Groot-Brittannië en de SovjetUnie, waardoor de Grote Alliantie tot stand kwam. Vrijwel vanaf het begin werd de Alliantie gedomineerd door het probleem van de vorming van een tweede front in West-Europa.
Het tweede front kwam er in juni 1944, maar tot die tijd had de SovjetUnie het overgrote deel van het gewicht van de oorlog tegen Duitsland moeten dragen. Naar schatting sneuvelden er vijftig keer zoveel Russische als Amerikaanse soldaten in deze periode. Wat de redenen ook waren voor de vertragingen bij het opzetten van een tweede front, het zou grote consequenties hebben voor de naoorlogse politieke regeling. Het Westen moest proberen aan de onderhandelingstafel te herwinnen wat het op het slagveld verspeeld had. Het belangrijkste doel van de westelijke geallieerden was Hitler verslaan, maar ze waren ook bang voor de toename van de invloed van de SovjetUnie in Oost-Europa. Polen was daar het cruciale land.
De Tweede Wereldoorlog brak uit toen Duitsland Polen binnenviel in september 1939; het land stond ook aan de basis van de oorzaken van de Koude Oorlog na 1945. In oktober 1944 had de SovjetUnie toegestaan dat de nazi’s een pro-westerse opstand in Warschau neersloegen. Vanaf dat moment werd het duidelijk dat de Russische opvatting van ‘vriendelijke’ regeringen in Oost-Europa conflicteerde met de langetermijnbelangen van de Verenigde Staten.
In een poging om hun enorme verschillen van inzicht enigszins te overbruggen hielden de Grote Drie (de Verenigde Staten, de SovjetUnie en Groot-Brittannië) in februari 1945 gedurende een week een conferentie in Jalta op de Krim. In Jalta werd afgesproken dat Duitsland in vier bezettingszones opgedeeld zou worden, en dat de SovjetUnie binnen drie maanden na de Duitse nederlaag deel zou gaan nemen aan de oorlog tegen Japan. Maar het belangrijkst punt tijdens de conferentie was Polen. Stalin erkende alleen de door communisten gedomineerde Poolse regering in Lublin. Tegelijkertijd tekende hij de Verklaring van een Bevrijd Europa, die opriep tot de vorming van regeringen in Oost-Europa die ‘een brede vertegenwoordiging vormden van alle democratische elementen (…) en tot vrije verkiezingen van regeringen die verantwoording aflegden aan de wil van het volk’.[2]
Geloofde Roosevelt echt dat de SovjetUnie haar belofte om vrije verkiezingen in Polen en de rest van Oost-Europa te houden zou nakomen? Als dat niet zo was hield hij dergelijke gedachten voor zich, en liet hij het Amerikaanse volk geloven dat er geen fundamenteel verschil bestond tussen de SovjetUnie en de Verenigde Staten. Het was een fatale misrekening. Stalin had geen probleem met het in overeenstemming brengen van ideaal en werkelijkheid. Het Rode Leger bezette Polen en geen enkele papieren verklaring kon het verwijderen. Stalins mening werd duidelijk verwoord in een gesprek met de Joegoslaaf Milovan Djilas in april 1945: ‘Deze oorlog is niet zoals in het verleden: wie gebied bezet zal dit zijn eigen sociale systeem opleggen, zover als zijn leger reikt. Er is geen andere mogelijkheid’.[3]
Roosevelt stierf op 12 april 1945 en vice-president Harry Truman nam zijn functie over. Sommige historici hebben deze wisseling van de macht beschouwd als het moment waarop de Koude Oorlog begon. Maar er is geen bewijs dat suggereert dat Truman een fundamenteel andere politiek ten aanzien van de SovjetUnie wilde voeren dan Roosevelt. Er was geen oplossing gevonden voor de Poolse kwestie. Er was geen overeenstemming bereikt over de toekomstige vorm van de organisatie van de Verenigde Naties. Niettemin, in mei 1945 stopte Truman abrupt met de Lend-Lease steun aan de Sovjet-Unie.
De Grote Drie ontmoetten elkaar voor de laatste conferentie van de oorlog in Potsdam, net buiten Berlijn, in juli 1945. De Duitse kwestie domineerde de gesprekken: ze bereikten overeenstemming over de noodzaak van een gemeenschappelijke bezetting en demilitarisatie van Duitland. Het onderwerp van herstelbetalingen leidde echter tot diametraal tegenover elkaar staande standpunten. Uiteindelijk werd er een gecompliceerde overeenkomst gesloten, waarbij de Sovjet-Unie herstelbetalingen uit zijn eigen bezettingszone zou ontvangen, alsmede 25 % van alle machinerie en fabrieksuitrusting in de westelijke zones. Daartegenover stond dat de SovjetUnie voedsel, kolen en grondstoffen zou sturen tot een waarde van 60 % van wat ze uit het westen ontving. Binnen een jaar liep de overeenkomst vast.
’Atoomdiplomatie’ – Hirvsjima en erna
Een week na de conferentie van Potsdam, op 6 augustus 1945, wierpen de Verenigde Staten de eerste atoombom op Hirosjima. De invloed van de bom op de Amerikaanse diplomatie ten aanzien van de SovjetUnie en op de oorzaken van de Koude Oorlog is het onderwerp van heftige controverse onder historici geweest. Gar Alperovitz beweert in zijn revisionistische werk Atomic Diplomacy dat Trumans harde lijn ten opzichte van de SovjetUnie een direct gevolg was van Amerika’s beschikking over de bom.
Alperovitz meent dat de Verenigde Staten de bom vooral op Japan wierpen om de SovjetUnie zijn militaire kracht te demonstreren. Daarna kon de bom volgens hem gebruikt worden als een diplomatiek breekijzer om de SovjetUnie te bewegen tot concessies in Oost-Europa. Het is waar dat Truman in de herfst van 1945 een hardere houding tegenover de SovjetUnie begon aan te nemen, maar dat kwam voornamelijk door Republikeinse druk vanuit het Congres. Tegelijkertijd begonnen de Verenigde Staten te demobiliseren, waarbij de strijdkrachten binnen een jaar van 12 tot 3 miljoen man gereduceerd werden. Hierdoor verzwakte de Amerikaanse onderhandelingspositie.
Op de Conferentie voor ministers van Buitenlandse Zaken in Londen in september 1945 weigerden de Verenigde Staten de marionettenregimes van Roemenië en Bulgarije te erkennen. Maar er is geen bewijs voor de suggestie dat Stalin zijn buitenlandse politiek liet beïnvloeden omdat de Amerikanen over de atoombom beschikten. Sterker nog, Adam Ulam heeft geopperd dat het vroege monopolie op de atoombom (de SovjetUnie beschikte vanaf 1949 over de bom) de Amerikaanse buitenlandse politiek verzwakte doordat het voor een soort ‘Maginotlinie-mentaliteit’ zorgde. ‘Als een vrek die zijn schat bewaakt, koesterden de Verenigde Staten het atoommonopolie aan hun boezem’, schreef Ulam, ‘niet in staat het uit te buiten of in te wisselen voor iets bruikbaar.’[4]
De voorwaarden voor de Koude Oorlog werden in de Tweede Wereldoorlog geschapen uit de onenigheid tussen de Grote Drie over de vraag hoe het naoorlogse Europa en Verre Oosten eruit zouden moeten zien. Beide partijen handelden op grond van hun eigen historische ervaringen. Toen Duitsland in 1945 ineenstortte werden de grote verschillen in toekomstvisie tussen de bondgenoten duidelijk. De Koude Oorlog was niet het gevolg van één gebeurtenis of beslissing – hij was het gevolg van een fundamentele botsing van ideologieën en belangen tussen de SovjetUnie en het Westen.
Oost-Europa: het slagveld van de Koude Oorlog, 1945
De onmiddellijke oorzaken van de Koude Oorlog zijn te vinden in het conflict tussen de SovjetUnie en het Westen over Oost-Europa. In Jalta verklaarde Churchill dat het lot van Polen voor Groot-Brittannië een kwestie van eer was. Stalin antwoordde dat het voor de SovjetUnie niet alleen een kwestie van eer, maar ook een kwestie van veiligheid was (…) niet alleen omdat wij aan Polen grenzen, maar ook omdat in de geschiedenis Polen keer op keer de corridor geweest is voor een aanval op Rusland (…) In de laatste dertig jaar is onze Duitse vijand twee keer door deze corridor getrokken (…) Het is niet alleen een kwestie van eer maar van leven of dood voor de Sovjetstaat.[5]
Wat Stalin over Polen zei gold in mindere mate ook voor de andere Oost-Europese landen. Hij stond er dan ook op dat de regeringen van die landen ‘vriendschappelijk’ tegenover de SovjetUnie zouden staan. In de praktijk betekende dat dat hij er geen vrije verkiezingen toestond.
In tegenstelling tot de SovjetUnie waren de belangen van de Verenigde Staten in Oost-Europa abstract en idealistisch. De Verenigde Staten lagen duizenden kilometers van het gebied verwijderd en onderhielden er vanouds weinig handelsrelaties. Beseft moet worden dat de meeste staten in Oost-Europa – Finland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en Joegoslavië – na de Eerst Wereldoorlog gecreëerd waren uit de resten van de oude dynastieke rijken volgens de door president Woodrow Wilson afgekondigde principes van nationale zelfbeschikking. In 1945 was Roosevelt vastbesloten om voor een duurzame en eerlijke vredesregeling te zorgen, die gebaseerd was op het principe dat een volk zelf zijn regeringsvorm kon kiezen, en dat mensen zelf konden bepalen waar ze wilden wonen.
Roosevelts hoop was in sterke mate gevestigd op de oprichting van de Verenigde Naties in 1945. Het is cruciaal dit te weten om zijn politiek ten aanzien van Oost-Europa tijdens de oorlog te begrijpen. Het betekende namelijk dat alle beslissingen over territoriale veranderingen uitgesteld werden tot na de oorlog – een koers die in de praktijk tot een ‘politiek van geen politiek’ leidde ten aanzien van Oost-Europa.
Intussen werd de toekomst van Oost-Europa bepaald door de opmars van het Rode Leger en Stalins training van een Oost-Europees communistisch kader dat de naoorlogse regeringen zou moeten overnemen. Toen het Rode Leger het hele vooroorlogse Polen in januari 1945 bezet had, werd het pro-Sovjet Lublin Comité geïnstalleerd als voorlopige Poolse regering. Vrije verkiezingen vonden daarna niet meer plaats. Binnen twee jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog waren elf Europese staten, met een gezamenlijke bevolking van meer dan 100 miljoen mensen, communistisch geworden: Letland, Estland en Litouwen (alle drie geannexeerd door de SovjetUnie), Polen, de oostelijke zone van Duitsland, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië, Bulgarije, Joegoslavië en Albanië. Het succes dat de SovjetUnie had in het exporteren naar Oost-Europa van zijn sociale en politieke systeem leidde tot de wijdverbreide angst in het Westen in 1946 en 1947 dat Griekenland, dan Italië en zelfs Frankrijk wellicht de volgenden waren die zouden vallen.
1946: een ‘IJzeren Gordijn’ daalt neer over Europa
1946 is een verwaarloosd jaar in de geschiedschrijving van de Koude Oorlog. Het ligt tussen de meer dramatische jaren 1945 (het jaar van de conferenties van Jalta en Potsdam) en 1947 (het jaar van de Truman-doctrine en het Marshall-plan). Toch is er veel voor te zeggen om het begin van de Koude Oorlog in 1946 te dateren.
Iran was de plaats waar de eerste directe confrontatie zich afspeelde tussen de SovjetUnie en het Westen na 1945. Het waren in eerste instantie de Britten, en niet de Amerikanen, die zich bezorgd afvroegen of de SovjetUnie zijn bezetting van Noord-Iran na de oorlog wel zou opheffen. Moskou weigerde haar troepen binnen zes maanden na het einde van de oorlog terug te trekken, zoals afgesproken was in het Anglo-Russisch-Iraanse verdrag van 1943. In maart 1946 drong de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Byrnes er bij de Iraanse premier op aan zich te verzetten tegen een verdere Russische opmars in de regio. Dit betekende een fundamentele ommekeer in het tot dan gevoerde beleid van de Verenigde Staten. In de woorden van Fraser Harbutt weerspiegelde ze ‘het begin van een grondige geopolitieke verandering, die de Verenigde Staten al snel bij de Anglo-Sovjet confrontatie in de oostelijke Middellandse Zee en het Nabije Oosten zou betrekken.’[6] Na dit moment namen de Verenigde Staten de verantwoordelijkheid op zich een te grote Sovjet-invloed in de regio tegen te gaan.
In dezelfde maand hield de voormalige Britse premier Winston Churchill zijn beroemde ‘IJzeren Gordijn’-rede in Fulton, Missouri. Hij schilderde de SovjetUnie af als een expansionistische staat, en wilde voor eens en voor altijd de mentaliteit van Jalta en de politiek van tegemoetkomen aan de SovjetUnie veranderen. Hij stelde dat de dreiging van de SovjetUnie niet gelegen was in militaire expansie, maar in binnenlandse subversie. Churchills oproep tot een Anglo-Amerikaans bondgenootschap om de Sovjetdreiging het hoofd te bieden was voorbarig, maar zijn toespraak markeerde een belangrijke verandering ten opzichte van Jalta.
1946 was ook het jaar waarin de Verenigde Staten en de SovjetUnie er niet in slaagden overeenstemming te bereiken over controle over de atoombom. Het Baruch-plan beval het opzetten van een internationale ‘Atoomontwikkelingsinstantie’ aan. Die zou geleid moeten worden door de Verenigde Naties en controle moeten uitoefenen over alle uraniumvoorraden die alleen gebruikt mochten worden voor vreedzame doeleinden. De Verenigde Staten zouden echter het recht behouden verdere atoomwapens te ontwikkelen. Het is niet verwonderlijk dat de SovjetUnie het Baruch-plan afwees. Het plan betekende immers dat het monopolie van de Verenigde Staten op kernwapens permanent zou worden.
In dezelfde maand waarin Churchill zijn ‘IJzeren Gordijn’-toespraak hield stuurde George Kennan, de Amerikaanse chargé d’affaires in Moskou, een telegram van 8000 woorden naar de regering-Truman in Washington. Het resultaat van dit beroemde Lange Telegram was sensationeel – kopieën circuleerden in het Pentagon, en het werd ‘de Bijbel voor Amerikaanse beleidsmakers’.[7] Kennan schreef dat de SovjetUnie van mening was dat vreedzame coëxistentie tussen de communistische en de kapitalistische wereld onmogelijk was. De grondslag voor de neurotische visie van het Kremlin op de wereldgebeurtenissen, schreef Kennan, was ‘een instinctief Russisch gevoel van onzekerheid, dat gecombineerd met het Marxistische dogma het expansionisme van de SovjetUnie gevaarlijker en verraderlijker maakte dat ooit tevoren’.[8]
De implicaties van Kennans analyse waren huiveringwekkend. Indien de buitenlandse politiek van de SovjetUnie niet geformuleerd werd als een reactie op gebeurtenissen in de buitenwereld maar slechts als gevolg van de omstandigheden binnen de SovjetUnie, dan zou geen enkele maatregel van de Verenigde Staten een vermindering van de vijandigheid van de SovjetUnie ten opzichte van het Westen tot gevolg kunnen hebben. De politiek die Kennan adviseerde kan in één woord worden samengevat: containment. Containment was in essentie een politiek van de middenweg tussen isolationisme aan de ene kant en een preventieve oorlog aan de andere kant. In 1947 werd het de officiële politiek van de regering-Truman.
De Truman-doctrine en het Marshall-plan, 1947
In 1947 was de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten verward. Zoals we gezien hebben, begonnen de Verenigde Staten in 1946 een agressievere houding ten opzichte van de SovjetUnie aan te nemen. Maar het Congres werd gedomineerd door Republikeinen die de militaire uitgaven wilden beperken, terwijl niemand wist hoe diplomatieke winst uit het nucleaire monopolie behaald kon worden. De publieke opinie was niet overtuigd van de dreiging van de SovjetUnie. Truman had weinig ruimte om te manoeuvreren, maar hij kreeg zijn kans tijdens de crisis in Griekenland in 1947.
In februari 1947 overhandigde de Britse regering twee memoranda aan het Amerikaanse State Department, waarin ze aankondigde dat alle economische en militaire hulp aan Griekenland en Turkije na 31 maart op werd geschort. Hoe zou de regering-Truman hierop reageren? In zijn memoires Present at the creation beschrijft Dean Acheson zijn ontmoeting met leiders uit het Congres in het Witte Huis.
Deze Congresleden hadden geen idee van de uitdaging die voor hen stond; het was mijn taak dat duidelijk te maken (…) Gedurende de afgelopen achttien maanden, zei ik, heeft de druk van de SovjetUnie op de Bosporus, op Iran, en op Noord-Griekenland, de Balkan op een punt gebracht waar een mogelijke doorbraak drie continenten kan openleggen voor Sovjetpenetratie. Zoals appels in een mand die aangetast worden door één rotte, zo zou de aantasting van Griekenland leiden tot de besmetting van Iran en alles ten oosten ervan. Zo zou de infectie via Klein-Azië en Egypte zich ook uitbreiden naar Afrika, en naar Europa via Italië en Frankrijk, die al bedreigd werden door de sterkste binnenlandse communistische partijen in West-Europa.[9]
We zien hier een vroege versie van wat later de ‘dominotheorie’ genoemd zou worden – een theorie die het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten tijdens de volgende generatie zou domineren en teisteren, en die tijdens de Vietnamoorlog tot felle discussies leidde.
Om Republikeinse steun voor hulp aan Griekenland en Turkije te verwerven moest Truman zijn verzoek aan het Amerikaanse volk verpakken in termen van een ideologische confrontatie tussen democratie en communisme. Het resultaat hiervan was zijn toespraak in het Congres op 12 maart 1947, waarin hij wat later bekend zou worden als de Truman-doctrine afkondigde. Truman stelde dat elke natie tussen twee manieren van leven moest kiezen, en verklaarde dat het de politiek van de Verenigde Staten was om ‘vrije volkeren te steunen die zich verzetten tegen onderwerping door binnenlandse minderheden of druk van buitenaf.’[10]
Met deze woorden gaf Truman een blanco cheque af: elk land dat aan kon tonen dat het door het communisme bedreigd werd, kon voortaan bij de Amerikanen aankloppen. De Truman-doctrine werd afgekondigd met de universalistische taal van een kruistocht om ‘vrije volkeren’ over de hele wereld te steunen. De toon van de buitenlandse politiek van de volgende twintig jaar was hiermee gezet.
Op het moment van afkondiging van de Truman-doctrine ging West-Europa gebukt onder een ernstige economische crisis. De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, George Marshall, lanceerde het plan voor grootschalige hulp van de Verenigde Staten aan Europa. Het Economisch Herstelplan (de officiële naam van het Marshall-plan) voorzag zestien Europese landen van giften en kredieten ter waarde van 13,2 miljard dollar.
Het Marshall-plan was een duidelijk economisch succes. In 1952 was de Europese industriële produktie gestegen tot 35% boven het vooroorlogse niveau. Er was een oplossing gevonden voor de vraag hoe de Duitse economie weer op poten gezet moest worden zonder dat dit tot een nieuwe Duitse overheersing zou leiden. Die oplossing was de koppeling van Duitsland aan een herstelplan voor heel Europa. Vanuit humanitair oogpunt bracht het Marshall-plan langdurige steun voor een in economische chaos verkerend Europa. Voor diegenen in de Verenigde Staten die bang waren voor een stagnatie van de export en een nieuwe economische depressie bood het plan een manier om de wereldhandel te stimuleren. Voor diegenen die bang waren voor communistische subversie in West-Europa was het plan een middel om gezonde nationale economieën te creëren, zodat de arbeidersklasse haar liberale kapitalistische regeringen zou steunen.
Het succes van het Marshall-plan leidde tot een crisis in de relatie tussen de SovjetUnie en het Westen. Het zal geen verbazing wekken dat de SovjetUnie weigerde aan het plan deel te nemen, en haar daaropvolgende openlijke veroordeling ervan bezegelde de economische en politieke tweedeling van Europa. In het voorjaar van 1948 was Europa verdeeld in twee duidelijke economische en politieke blokken, de ene afhankelijk van de Verenigde Staten, de andere van de SovjetUnie.
Het antwoord van de SovjetUnie op het Marshall-plan kwam in september 1947 met de oprichting van het Communistisch Informatiebureau (Cominform). Het Cominform was een vreemde instelling met als belangrijkste taak het fabriceren van propaganda om de communistische partijen in Europa ondergeschikt te houden aan Moskou en te verkondigen dat de Sovjetweg de enige ware weg naar het socialisme was.
Een ander aspect van de nieuwe militante Cominform-politiek was het versnellen van de consolidatie van de Sovjetcontrole over Oost-Europa. Dit proces culmineerde in een staatsgreep in Tsjechoslowakije in februari 1948. Eind 1948 waren alle niet-communistische leiders in Hongarije Polen, Roemenië, Bulgarije, Joegoslavië en Albanië geëlimineerd door terrorisme, showprocessen en politieke zuiveringen. Tsjechoslowakije verschilde van de andere Oost-Europese landen omdat dit het enige land was dat wellicht in staat was geweest een democratie in westerse stijl te verzoenen met de eis ‘vriendschappelijk’ tegenover de SovjetUnie te staan.
Maar toen de economische situatie in Tsjechoslowakije eind 1947 begon te verslechteren begon de communistische minister van Binnenlandse Zaken betrouwbare kameraden te benoemen op de belangrijkste functies binnen de politie. Ook bereidde hij processen tegen zijn politieke tegenstanders voor. Toen de niet-communistische regeringsleden uit protest hiertegen aftraden, installeerde president Benes in februari 1948 een geheel communistische regering. De Tsjechische staatsgreep ‘stuurde een schokgolf door de beschaafde wereld’.[11 ]De gebeurtenissen in Praag hielpen Truman publieke steun te vinden voor zijn politiek van containment. Het Congres, bijvoorbeeld, steunde het Marshall-plan twee maanden later met een overweldigende meerderheid.
De Duitse kwestie, de Berlijnse blokkade en de NAVO, 1948-49
De laatste en belangrijkste fase van Stalins afwijzing van het Marshall-plan was de blokkade van Berlijn in juni 1948. Om het probleem van Berlijn te kunnen begrijpen is het noodzakelijk de cruciale rol die Duitsland speelde in de verslechterende verhoudingen tussen Moskou en Washington na 1945 te doorgronden.
De vier overwinnaars (de Verenigde Staten, de Sovjetunie, Groot-Brittannië en Frankrijk) kwamen op de conferentie van Potsdam overeen dat Duitsland de ‘vijf D’s’ moest ondergaan: demilitarisatie, deïndustrialisatie, decentralisatie, democratisering en denazificering. Duitsland zou in vier bezettingszones verdeeld worden, maar als één enkele economische entiteit behandeld worden door middel van de Allied Control Council (Geallieerde Controleraad, ACC), met zijn hoofdkwartier in Berlijn. Berlijn zelf, dat 180 kilometer binnen de Sovjetzone lag, zou eveneens in vier sectoren worden opgedeeld, en bestuurd worden door een geallieerde Kommadandatura, die direct onder de ACC ressorteerde.
Duitslands geopolitieke positie in het centrum van Europa, gekoppeld aan zijn industriële potentieel, zorgde ervoor dat het land cruciaal was voor het Europese en zelfs wereldwijde machtsevenwicht. Lenins uitspraak dat ‘wie Duitsland beheerst, Europa beheerst’ bleek nog steeds waar. Maar dankzij de totale ineenstorting van Duitsland in 1945 had elk van de bezettingsmachten de mogelijkheid zijn eigen zone naar zijn eigen inzichten in te richten. Het gevolg was dat Duitsland niet alleen militair maar ook politiek en economisch opgedeeld werd. De eerste breuk tussen de SovjetUnie en het Westen met betrekking tot Duitsland ontstond in 1946 toen de gecompliceerde overeenkomst over de herstelbetalingen tussen de Sovjetzone en de Westerse zones stukliep. Het Westerse antwoord hierop was een fusie tussen de Britse en Amerikaanse sector tot Bizonië in januari 1947. In het Westen bestond er sterke druk om Duitsland economisch weer op de been te helpen en de drie Westerse zones te integreren in het Europese herstelprogramma. Dat was precies waar de SovjetUnie bang voor was. Zo’n staat, die driekwart van de bevolking en de belangrijkste industriegebieden in de Ruhr en Rijnland-Westfalen zou omvatten, zou een grote aantrekkingskracht kunnen hebben op de Duitsers die in de Sovjet-zone woonden. Nog alarmerender voor de SovjetUnie was de mogelijkheid dat een West-Duitse staat met nauwe banden met de Verenigde Staten op een zekere dag weer een militaire mogendheid zou worden die de SovjetUnie bedreigde.
Op 24 juni 1948, één dag nadat de Westerse mogendheden een nieuwe Mark hadden geïntroduceerd in de Westerse zones, sneden de Sovjetautoriteiten alle passagiers- en vrachtvervoer naar West-Berlijn af. De Berlijnse blokkade was begonnen. Voor de SovjetUnie was Berlijn de ideale plaats om de kracht van de SovjetUnie te demonstreren. 2,4 miljoen Berlijners van wie een deel diep in de Sovjetzone woonden waren aan de genade van de Russische bezettingsmacht overgeleverd. Het Westen had nagelaten een schriftelijke bevestiging te verkrijgen van zijn recht op toegang over land tot zijn sectoren van de stad. De Amerikanen en Britten reageerden op deze uitdaging van de SovjetUnie door een massale luchtbrug in te stellen. Bijna een jaar lang werden de omsingelde bewoners van Berlijn door de lucht van voedsel, brandstof en andere noodzakelijke goederen voorzien. De dag en nacht plaatsvindende vluchten naar Berlijn trokken wereldwijd de belangstelling. De SovjetUnie kwam hierdoor in een kwaad daglicht te staan, als een land dat vrouwen en kinderen probeerde uit te hongeren.
In mei 1949 gaf Stalin toe dat de blokkade mislukt was en beëindigde hem. Berlijn was het eerste openlijke conflict tussen de twee tegenstanders in de Koude Oorlog. Toch leidde het niet tot een echte oorlog. De Verenigde Staten maakten geen gebruik van hun nucleaire monopolie om de blokkade te doorbreken, en de SovjetUnie maakte geen gebruik van haar conventionele militaire superioriteit om het Westen uit Berlijn te verdrijven. De terughoudendheid van de SovjetUnie werd waarschijnlijk mede veroorzaakt doordat de Verenigde Staten op het hoogtepunt van de crisis zestig B-29 bommenwerpers die in staat zijn kernbommen te vervoeren, overgeplaatst hadden naar Groot-Brittannië.
De SovjetUnie besloot tot de blokkade als reactie op een geldhervorming in de Westerse bezettingszones. Maar het werkelijke doel van de blokkade was de Westerse geallieerden uit Berlijn te verdrijven en te voorkomen dat er een pro-Westerse Duitse staat zou worden gevormd. Het conflict om Berlijn ging verder dan een diplomatieke botsing en had alle karakteristieken van een oorlog. Maar het feit dat de Verenigde Staten over de bom beschikten maakte het conflict anders dan andere. Het bestaan van nucleaire wapens zorgde voor een revolutie in de klassieke militaire strategie, en reduceerde het aantal opties dat voor beide zijden openstond. Geen van beide partijen maakte gebruik van zijn specifieke vorm van militaire kracht. Berlijn was het eerste conflict in het nucleaire tijdperk dat liet zien dat beide partijen de neiging hadden de geografische status-quo intact te laten.
De gebeurtenissen in Europa in de jaren veertig die culmineerden in de Berlijnse blokkade maakten het voor de Westerse leiders duidelijk dat alleen de Verenigde Staten het machtsevenwicht in Europa konden bewaren. Ernest Bevin, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, zag in dat het noodzakelijk was de Verenigde Staten blijvend te betrekken bij het ontredderde Europa na de Duitse ineenstorting en de opkomst van een goed bewapende SovjetUnie. Het Noord-Atlantisch Verdrag, getekend in Washington in april 1949, vormde de oplossing.
Het doel van de NAVO was eigenlijk psychologisch. De strategie waarop de gemeenschappelijke verdediging van Europa gebaseerd was, was een eenvoudige – de mogelijkheid van de Verenigde Staten een atoombom af te werpen. Door een nucleaire paraplu over hun helft van het continent te houden kregen de West-Europeanen een veilige basis om aan het economisch herstel te werken en konden ze weerstand bieden aan de interne communistische subversie. Er werden geen pogingen ondernomen het verschil in het aantal legerdivisies aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, in 1949 geschat op 125 tegen 14 in het voordeel van de SovjetUnie, bij te stellen. Dit was het dilemma in het hart van de NAVO. Omdat het politiek onmogelijk was de sterkte van de West-Europese grondtroepen voldoende te vergroten om het Rode Leger weerstand te bieden, moest de NAVO op de bom vertrouwen om een Sovjetaanval af te schrikken. De nucleaire garantie van de Verenigde Staten zou de hoeksteen van de alliantie blijven.