1

img1.jpg

1968

 

 

OP EEN KLAMME augustusavond, twee weken voor ze is uitgerekend, staat Ashima Ganguli in de keuken van een appartement aan Central Square en mengt in een kom gepofte rijst met zoute pinda’s en een gesnipperde rode ui. Ze doet er zout, citroensap en dungesneden groene chilipeper bij, en wou dat ze mosterdolie had om erbij te doen. Ashima eet dit mengelmoesje al zolang ze zwanger is, een bescheiden imitatie van de lekkernij die voor een paar centen op straat te koop is in Calcutta en op de perrons van stations in heel India, in puntzakken van krantenpapier waaruit veel wordt gemorst. Zelfs nu ze er nauwelijks nog ruimte voor heeft, is dit het enige waarnaar ze verlangt. Ze proeft uit de holte van haar hand en fronst haar voorhoofd: zoals gewoonlijk mankeert er iets aan. Ze staart zonder iets te zien naar de plank met haken achter het aanrecht waaraan haar kookgerei hangt, alles bedekt met een dun laagje vet. Ze wist het zweet van haar gezicht met het losse eind van haar sari. Haar gezwollen voeten doen pijn op het grijze gespikkelde linoleum. Haar bekken doet pijn door het gewicht van de baby. Ze opent een kast waarvan de planken bedekt zijn met goor, geelwit geblokt papier dat ze van plan is te vervangen, en pakt nog een ui; ze plukt aan de knisperende paarsrode schil en fronst opnieuw haar voorhoofd. Een vreemde warmte doorstroomt haar onderlijf, gevolgd door een wee, zo hevig dat ze naar adem snakkend ineenkrimpt en de ui op de vloer laat ploffen.

 De pijn ebt weg, maar wordt gevolgd door een langere aanval. Op de wc ontdekt ze in haar onderbroek een dikke streep bruinachtig bloed. Ze roept haar man, Ashoke, een doctoraalstudent elektrotechniek aan het Massachusetts Institute of Technology, die in de slaapkamer zit te studeren. Hij zit over een kaarttafeltje gebogen; de rand van hun bed, twee tweepersoonsmatrassen op elkaar onder een roodpaarse gebatikte sprei, dient hem tot stoel. Als ze Ashoke roept, noemt ze hem niet bij zijn naam. Als Ashima aan haar man denkt, denkt ze nooit aan zijn naam, al kent ze die best. Ze heeft zijn achternaam aangenomen, maar weigert zijn voornaam uit te spreken omdat ze dat onbetamelijk vindt. Een Bengaalse echtgenote doet zoiets niet. Zoals een kus of liefkozing in een Indiase film, is de naam van je man iets intiems dat niet wordt uitgesproken, maar listig omzeild. Dus in plaats van Ashokes naam te zeggen, gebruikt ze het vragende zinnetje dat de plaats ervan heeft ingenomen en dat zich ongeveer laat vertalen als ‘Hoor eens?’

 

Bij het krieken van de dag wordt er een taxi gebeld die hen door de lege straten van Cambridge via Massachusetts Avenue en langs Harvard Yard naar het Mount Auburn Hospital brengt. Ashima wordt ingeschreven, beantwoordt vragen over de frequentie en duur van de weeën, terwijl Ashoke de formulieren invult. Ze wordt in een rolstoel gezet en door de glimmende, helverlichte gangen geduwd, een lift in die ruimer is dan haar keuken. Op de kraamafdeling krijgt ze een bed bij een raam in een kamer aan het eind van de hal. Ze wordt verzocht haar sari van Murshidabad-zijde te verruilen voor een gebloemde nachtpon die, enigszins tot haar verlegenheid, niet verder reikt dan haar knieën. Een verpleegster wil de sari opvouwen maar propt hem, kregel van de zes gladde meters stof, ten slotte maar in Ashima’s grijsblauwe koffertje. Haar verloskundige, dokter Ashley, tanig en knap op een Lord Mountbatten-achtige manier, met fijn zandkleurig, naar achteren gekamd haar, komt kijken hoever ze is. Het hoofdje van de baby zit goed, het is al aan het indalen. Ze krijgt te horen dat ze nog in een vroeg stadium is, drie centimeter ontsluiting, verstrijking van de baarmoederhals net begonnen. ‘Wat betekent ontsluiting?’ vraagt ze, en dokter Ashley steekt naast elkaar twee vingers op die hij vervolgens uiteen laat wijken terwijl hij uitlegt wat een onvoorstelbaar iets haar lichaam moet doen om de baby door te laten. Het gaat wel een poosje duren, zegt dokter Ashley; aangezien dit haar eerste zwangerschap is, kan de bevalling wel een etmaal gaan duren, misschien nog wel langer. Ze zoekt het gezicht van Ashoke, maar die is achter het gordijn gestapt dat de dokter heeft dichtgetrokken. ‘Ik kom zo terug,’ zegt Ashoke in het Bengaals tegen haar, en een verpleegster voegt eraan toe: ‘Maakt u zich maar geen zorgen hoor, meneer Ganguli. Ze is nog lang niet zover. Laat u het verder maar aan ons over.’

 Nu is ze alleen, door gordijnen van de drie andere vrouwen in de kamer gescheiden. Eén vrouw, maakt ze uit gespreksflarden op, heet Beverly. Een andere heet Lois. Links van haar ligt Carol. ‘Godverdomme, godskolere, wat is dit erg,’ hoort ze een van hen zeggen. En daarna een mannenstem: ‘Ik hou van je, schatje.’ Woorden die Ashima haar eigen man nooit heeft horen zeggen en ook nooit van hem verwacht; zo zijn zij nu eenmaal niet. Het is de eerste keer in haar leven dat ze alleen slaapt, tussen vreemden; haar hele leven heeft ze ofwel in één kamer met haar ouders geslapen, of naast Ashoke. Ze zou willen dat de gordijnen open waren, zodat ze met die Amerikaanse vrouwen kon praten. Misschien is een van hen al eerder bevallen, dan kan die haar vertellen wat haar te wachten staat. Maar ze weet al dat Amerikanen, ondanks hun openbare genegenheidsverklaringen, ondanks hun minirokken en bikini’s, ondanks hun hand-in-hand lopen op straat en hun gevrij in het gras van de Cambridge Common, op hun privacy gesteld zijn. Ze spreidt haar vingers over de strakgespannen, enorme trommel die haar middel geworden is, en vraagt zich af waar de handjes en voetjes van de baby nu zitten. Het kind is niet langer onrustig; de laatste paar dagen heeft ze het, afgezien van een schokje zo nu en dan, niet meer voelen stompen of schoppen of tegen haar ribben voelen drukken. Ze vraagt zich af of zij de enige Indiase is in het ziekenhuis, maar een lichte trilling van de baby herinnert haar eraan dat ze, technisch gesproken, niet alleen is. Het is vreemd, bedenkt Ashima, dat haar kind geboren gaat worden op een plek waar de meeste mensen komen om te lijden of te sterven. Ze vindt geen troost in de gebroken-witte tegels van de vloer, de gebroken-witte panelen van het plafond, de witte lakens van het strak opgemaakte bed. In India, mijmert ze, gaan vrouwen naar het huis van hun ouders om te bevallen, ver van echtgenoten en schoonfamilie en huishoudelijke beslommeringen, en keren ze weer even terug tot hun kindertijd als de baby komt.

 Er komt een nieuwe wee opzetten, heviger dan de vorige. Ze schreeuwt het uit en drukt haar hoofd in het kussen. Haar vingers omklemmen de kille buizen van het ziekenhuisbed. Niemand hoort haar, geen verpleegster snelt haar te hulp. Ze moet van de dokter de duur van de weeën opnemen, dus kijkt ze op haar horloge, een afscheidscadeau van haar ouders, dat om haar pols werd geschoven toen zij hen voor het laatst zag, te midden van luchthavenchaos en tranen. Pas toen ze in het vliegtuig zat, voor het eerst van haar leven in een BOAC VC-10 waarvan de oorverdovende start door zesentwintig leden van haar familie werd gadegeslagen vanaf het terras van Dum Dum Airport, toen ze boven delen van India zweefde waar ze nooit een voet had gezet, en daarna nog verder, buiten India zelf, had ze het horloge opgemerkt tussen de bonte verzameling huwelijksarmbanden aan haar beide armen: ijzer, goud, koraal, schelpjes. Nu heeft ze er nog een armband bij, van plastic, met een labeltje waarop haar patiëntgegevens zijn getypt. Ze draagt het horloge aan de binnenkant van haar pols. Op de achterkant, omringd door de woorden waterproof, antimagnetic en shock-protected, zijn haar initialen als getrouwde vrouw, A.G., gegraveerd.

 Op haar polsslagader tikken Amerikaanse seconden. Een halve minuut lang windt er zich een band van pijn om haar buik, die uitstraalt naar haar rug en omlaag schiet door haar benen. En dan weer soelaas. Ze berekent op haar handen de Indiase tijd. De top van haar duim tikt op elke sport van de bruine ladders die in de rug van haar vingers zijn geëtst en stopt bij het midden van de derde: het is negeneneenhalf uur later in Calcutta, al avond, halfnegen. In de keuken van de flat van haar ouders in Amherst Street schenkt nu een bediende de dampende middagthee in glazen en schikt mariakaakjes op een schaaltje. Haar moeder, op het punt grootmoeder te worden, staat bij de spiegel van haar toilettafel en ontwart met haar vingers haar tot het middel reikende haar, dat nog steeds meer zwart is dan grijs. Haar vader staat gebogen over zijn schuine tafel vol inktvlekken bij het raam, schetsend, rokend, luisterend naar de Voice of America. Haar jongere broer, Rana, zit op zijn bed te studeren voor een natuurkun­detentamen. Haar geestesoog ziet duidelijk de grijze cementen vloer van haar ouders zitkamer, voelt de massieve koelte ervan aan haar voeten, ook op de heetste dagen. Een reusachtige zwartwitfoto van haar overleden grootvader van vaders kant beheerst de roze gekalkte muur aan de ene kant; ertegenover is een door ruitjes van melkglas afgeschermde alkoof vol boeken en kranten en de aquarelpotjes van haar vader. Even verdwijnt het gewicht van de baby, wordt vervangen door het tafereel dat aan haar ogen voorbijtrekt, om dan weer plaats te maken voor een blauwe strook van de Charles River, dichte groene boomkruinen en auto’s die in twee richtingen over Memorial Drive glijden.

 In Cambridge is het elf uur ’s ochtends, al tijd voor de lunch in de versnelde dag van het ziekenhuis. Een dienblad met warm appelsap, gelatinepudding, ijs en koude kip wordt bij haar neergezet. Patty, de vriendelijke verpleegster met de diamanten verlovingsring en een randje rood haar onder haar kapje, zegt dat Ashima alleen de pudding en het appelsap mag hebben. Ashima vindt het best. Ze zou toch geen kip hebben gewild, zelfs al had het gemogen; de Amerikanen eten hun kip met het vel er nog aan, maar Ashima heeft onlangs in Prospect Street een aardige slager gevonden die het er voor haar af wil halen. Patty komt om haar kussen op te schudden, het beddengoed recht te trekken. Af en toe komt dokter Ashley een kijkje nemen. ‘Maak je maar geen zorgen,’ kwettert hij vrolijk, terwijl hij zijn stethoscoop op Ashima’s buik gedrukt houdt en een klopje op haar hand geeft en haar diverse armbanden bewondert. ‘Alles ziet er volkomen normaal uit. We verwachten een volkomen normale bevalling, mevrouw Ganguli.’

 Maar voor Ashima’s gevoel is er niets normaal. Voor haar gevoel is er de afgelopen anderhalf jaar, sinds haar aankomst in Cambridge, helemaal niets normaal geweest. Het is niet zozeer de pijn, die ze, dat weet ze op de een of andere manier, wel zal overleven. Het is wat er daarna komt: moeder zijn in een vreemd land. Want het was één ding om zwanger te zijn, om ’s ochtends wakker te worden met een misselijk gevoel, om hele nachten wakker te liggen, die doffe pijn te voelen in haar rug, de vele bezoeken aan de wc. Al die tijd had ze, ondanks het toenemende ongemak, zich verbaasd over het vermogen van haar lichaam om leven te maken, net zoals haar moeder en grootmoeder en al haar overgrootmoeders dat hadden gedaan. Dat het zo ver van huis gebeurde, ongezien en onverzorgd door hen die zij liefhad, had het nog wonderbaarlijker gemaakt. Maar de schrik slaat haar om het hart bij de gedachte een kind te moeten opvoeden in een land waar ze helemaal geen familie heeft, waar ze zo weinig weet, waar het leven zo onzeker is en zo kaal.

 ‘Wilt u niet even een stukje lopen? Dat zal u misschien goed doen,’ zegt Patty als ze het dienblad op komt halen.

 Ashima kijkt op van een stukgelezen exemplaar van het tijdschrift Desh, dat ze had meegenomen om in het vliegtuig naar Boston te lezen en nog steeds maar niet weg kan gooien. De met Bengaalse letters bedrukte bladzijden, die ietwat ruw aanvoelen, schenken haar altijd weer troost. Ze heeft alle korte verhalen en gedichten en artikelen al wel tien keer gelezen. Op bladzijde elf staat een pentekening van haar vader, die als illustrator voor het tijdschrift werkt: een skyline van Noord-Calcutta, gezien vanaf het dak van hun flat op een mistige januari-ochtend. Ze had achter haar vader gestaan toen hij het tekende, toegekeken terwijl hij over zijn ezel gebogen stond, een sigaret bungelend tussen zijn lippen, zijn schouders gehuld in een zwarte kasjmier sjaal.

 ‘Ja, dat is goed,’ zegt Ashima.

 Patty helpt Ashima uit bed, steekt haar voeten in slofjes, drapeert een tweede nachtjapon om haar schouders. ‘U moet maar denken,’ zegt Patty terwijl Ashima probeert te gaan staan, ‘over een dag of twee bent u nog maar de helft van wat u nu bent.’ Ze geeft Ashima een arm en samen lopen ze de kamer uit, de gang op. Na een paar meter blijft Ashima staan, haar benen trillen terwijl er een nieuwe pijngolf door haar lichaam trekt. Ze schudt haar hoofd en haar ogen vullen zich met tranen. ‘Ik kan het niet.’

 ‘U kunt het best. Knijp maar in mijn hand. Knijp maar zo hard als u wilt.’

 Na een minuut gaan ze verder, naar de verpleegsterskamer. ‘Hoopt u op een jongen of op een meisje?’ vraagt Patty.

 ‘Als er maar tien vinger aan zitten en tien teen,’ antwoordt Ashima. Want het zijn deze anatomische details, deze bijzondere levenstekens, die ze zich het moeilijkst voor de geest kan halen als ze zich verbeeldt dat ze het kind in haar armen heeft.

 Patty glimlacht, een ietsje te breed, en opeens beseft Ashima haar vergissing, weet ze dat ze ‘vingers’ en ‘tenen’ had moeten zeggen. Die vergissing doet haar bijna evenveel pijn als haar laatste wee. Engels was haar studierichting. In Calcutta had ze, voordat ze trouwde, voor haar doctoraal gestudeerd. Ze had in haar buurt kinderen bijles aan huis gegeven, op hun veranda’s en bedden, ze geholpen om Tennyson en Wordsworth uit het hoofd te leren, om woorden als sign en cough uit te spreken, om te begrijpen waarin de Aristotelische tragedie van die van Shakespeare verschilt. Maar in het Bengaals kan een vinger ook vingers, en een teen ook tenen betekenen.

 Het was op een dag na zo’n bijles geweest dat Ashima’s moeder haar bij de voordeur had opgewacht en gezegd dat ze direct naar de slaapkamer moest gaan om zich klaar te maken: er was een man die haar wilde zien. Het was de derde in evenveel maanden. De eerste was een weduwnaar geweest met vier kinderen. De tweede, een striptekenaar voor een krant, die haar vader kende, was op de Esplanade door een bus aangereden waarbij hij zijn linkerarm had verloren. Tot haar grote opluchting hadden beiden haar afgewezen. Ze was negentien, zat midden in haar studie en had helemaal geen haast om te trouwen. En dus, gehoorzaam maar zonder verwachtingen, had ze haar haren losgekamd en opnieuw gevlochten, de kohl weggeveegd die onder haar ogen was uitgelopen, met een fluwelen kussentje wat Cuticura-poeder op haar huid aangebracht. De doorschijnende papegaaigroene sari die ze geplooid in haar onderrok stopte, was door haar moeder op het bed voor haar klaargelegd. Alvorens de zitkamer binnen te gaan had Ashima even gewacht op de gang. Ze hoorde haar moeder zeggen: ‘Ze is dol op koken, en ze kan uitstekend breien. Deze trui die ik aanheb, had ze binnen een week af.’

 Ashima glimlachte, geamuseerd door haar moeders verkoopkunst; ze had bijna een jaar aan die trui gebreid en dan had haar moeder nog de mouwen gedaan. Ze keek naar de vloer waar bezoekers gewoonlijk hun schoeisel uittrokken en zag, naast twee paar sandalen, een paar herenschoenen staan die anders waren dan alle schoenen die ze ooit in de straten, trams en bussen van Calcutta of zelfs in de etalage van de Bata had gezien. Het waren bruine schoenen met zwarte hakken en gebroken-witte veters en stiksel. Aan weerszijden van elke schoen liep een band met gaatjes zo groot als linzen, en de punten waren versierd met een fraai patroontje dat eruitzag of het er met een naald in was geprikt.Toen ze ze van dichterbij bekeek, zag ze dat de naam van de schoenmaker aan de binnenkanten was geschreven in gouden letters die bijna weggesleten waren: dinges & zn. Ze zag de maat, achteneenhalf, en de initialen U.S.A. En terwijl haar moeder doorging met haar lof te zingen, stapte Ashima, niet in staat een plotselinge, overweldigende aandrang te weerstaan, in de schoenen die daar aan haar voeten stonden. Oud zweet van de eigenaar mengde zich met het hare en deed haar hart sneller kloppen; nog nooit had ze iets ervaren dat de aanraking van een man zo nabij kwam. Het leer was gekreukt, zwaar, en nog warm. Bij de linkerschoen was het haar opgevallen dat een van de gekruiste veters een gaatje had overgeslagen, en deze vergissing stelde haar op haar gemak.

 Ze haalde haar voeten uit de schoenen en ging de kamer binnen. De man zat in een rotanstoel, zijn ouders balanceerden op de rand van het tweepersoonsbed waarin haar broer ’s nachts sliep. Hij was aan de mollige kant en zijn uiterlijk had iets geleerds, hoewel nog jeugdig, met een zwarte uilenbril en een scherpe, prominente neus. Een keurig geknipte snor, verbonden met een baard die alleen zijn kin bedekte, verleende hem een elegant, vaag aristocratisch voorkomen. Hij droeg bruine sokken en een bruine pantalon onder een groen-wit gestreept overhemd en hij staarde mistroostig naar zijn knieën. Hij keek niet op toen ze binnenkwam. Hoewel ze voelde dat hij naar haar keek terwijl ze door de kamer liep, zat hij, toen het haar even later lukte stiekem opnieuw zijn kant uit te kijken, weer onaangedaan met zijn ogen neergeslagen. Hij schraapte zijn keel alsof hij het woord wilde nemen, maar zei vervolgens niets. In plaats daarvan deed zijn vader het woord; hij zei dat de man aan het St. Xavier’s College had gestudeerd, en daarna aan het B.E. College, en dat hij aan beide instellingen was afgestudeerd als beste van zijn jaar. Ashima ging zitten en streek de plooien van haar sari glad. Ze voelde de goedkeurende blik van haar moeder. Ashima was één meter vierenzestig lang, groot voor een Bengaalse vrouw, en woog vijfenveertig kilo. Haar gelaatskleur was iets donkerder dan blank, maar ze was meer dan eens vergeleken met de actrice Madhabi Mukherjee. Haar nagels waren bewonderenswaardig lang, haar vingers, net als die van haar vader, kunstzinnig slank. Ze informeerden naar haar studie en haar werd verzocht enkele coupletten van ‘The Daffodils’ voor te dragen. De familie van de man woonde in Alipore. De vader was personeelschef bij de douaneafdeling van een scheepvaartmaatschappij. ‘Mijn zoon woont al twee jaar in het buitenland,’ zei de vader van de man. ‘Hij is in Boston gepromoveerd op een proefschrift over vezeloptiek.’ Ashima had nog nooit van Boston gehoord, evenmin als van vezeloptiek. Haar werd gevraagd of ze bereid was met een vliegtuig te reizen en zo ja, of ze in staat zou zijn in een stad te wonen die bekendstond om zijn strenge winters met veel sneeuw, en alleen.

 ‘Is híj er dan niet?’ had ze gevraagd, wijzend naar de man in wiens schoenen ze heel even had gestaan, maar die nog geen woord tegen haar had gesproken.

 Pas na de verloving had ze zijn naam leren kennen. Een week later werden de uitnodigingen gedrukt en twee weken daarna werd ze opgesierd en aangekleed door talloze tantes en talloze nichtjes die om haar heen zwermden. Dat waren haar laatste ogenblikken als Ashima Bhaduri, voordat ze Ashima Ganguli werd. Haar lippen werden donker gemaakt, haar voorhoofd en wangen bestippeld met sandelhoutpasta, haar haar in een wrong gedaan, met bloemen bestoken en op zijn plaats gehouden met wel honderd spelden, waarvan het verwijderen wel een uur zou gaan duren, als de bruiloft eenmaal voorbij was. Over haar hoofd werd rood gaas gedrapeerd. De lucht was vochtig, en ondanks de spelden wilde Ashima’s haar, dikker dan dat van al haar nichtjes, niet plat liggen. Ze droeg al de halskettingen en chokers en armbanden die voorbestemd waren het grootste deel van hun leven door te brengen in een extra grote cassette in een bankkluis in New England. Op het vastgestelde uur werd ze op een piri gezet die door haar vader was versierd, anderhalve meter opgehesen en naar buiten gedragen om de bruidegom te ontmoeten. Ze had haar gezicht bedekt met een hartvormig betelblad en haar hoofd gebogen gehouden totdat ze hem zeven keer omcirkeld had.

 Achtduizend mijl verderop, in Cambridge, Massachusetts, heeft ze hem leren kennen. ’s Avonds kookt ze voor hem, in de hoop hem te behagen, met de suiker, de bloem, de rijst en het zout die zo opvallend wit en schoon zijn en waarover ze haar moeder al in haar eerste brief naar huis heeft geschreven. Inmiddels heeft ze geleerd dat haar man zijn eten het liefst wat aan de zoute kant heeft, dat wat hij het lekkerste van de kerrieschotel met lamsvlees vindt, de aardappelen zijn, en dat hij graag zijn maaltijd afsluit met een kleine portie rijst met dal. ’s Nachts, als hij naast haar in bed ligt, luistert hij als zij hem vertelt wat ze die dag heeft beleefd: haar wandelingen langs Massachusetts Avenue, de winkels waar ze komt, de hare krisjna’s die haar lastigvallen met hun pamfletjes, de pistache-ijsjes waarop ze zichzelf op Harvard Square trakteert. Al verdient hij als assistent niet veel, toch legt hij wat geld opzij dat hij om de paar maanden naar zijn vader stuurt om een aanbouw aan het huis van zijn ouders te helpen betalen. Hij is veeleisend wat zijn kleren betreft; hun eerste woordenwisseling ging over een trui die door haar schuld in de wasmachine gekrompen was. Als hij van de universiteit thuiskomt, is het eerste wat hij doet zijn overhemd en broek ophangen en een pyjama met trekkoord aandoen, en als het koud is een pullover. ’s Zondags is hij een uur in de weer met zijn doosjes schoensmeer en drie paar schoenen, twee zwart en één bruin. Het bruine paar had hij aan toen hij voor het eerst bij haar op bezoek kwam. Als ze hem zo in kleermakerszit ziet zitten op kranten die hij op de vloer heeft uitgespreid, ingespannen poetsend, moet ze altijd weer denken aan haar indiscretie in de gang van haar ouderlijk huis. Het is een moment dat haar nog steeds met schrik vervult, en dat zij, hoeveel ze hem ’s nachts ook vertelt over het leven dat ze nu delen, liever voor zich houdt.

 

Op een andere verdieping van het ziekenhuis, in een wachtkamer, buigt Ashoke zich over een Boston Globe van een maand oud, die iemand op een stoel naast hem heeft achtergelaten. Hij leest over de rellen tijdens de Democratische Nationale Conventie in Chicago en over dr. Benjamin Spock, de kinderarts die twee jaar cel heeft gekregen omdat hij gedreigd heeft dienstweigeraars van advies te dienen. De Favre Leuba aan zijn pols loopt zes minuten voor op de grote grijze klok aan de muur. Het is halfvijf ’s ochtends. Een uur geleden sliep Ashoke nog als een roos, thuis, met naast zich, op Ashima’s helft van het bed, de tentamens die hij tot diep in de nacht had liggen nakijken, toen de telefoon ging. Ashima had volledige ontsluiting en werd naar de verloskamer gebracht, had iemand aan de andere kant gezegd. Bij aankomst in het ziekenhuis kreeg hij te horen dat ze persweeën had en dat het nu elk moment kon gebeuren. Elk moment. En toch leek het nog maar zo kort geleden, die staalgrauwe winterochtend toen de hagel tegen de ruiten kletterde, dat ze haar thee had uitgespuugd en hem verweten had dat hij er zout in plaats van suiker in had gedaan. Om zijn gelijk aan te tonen had hij een teugje van het zoete vocht uit haar kopje genomen, maar ze had volgehouden dat het bitter smaakte en het in de gootsteen gegooid. Dat was de oorzaak van haar eerste vermoeden geweest, dat vervolgens door de dokter was bevestigd, en daarna werd hij elke ochtend wakker van het geluid, als ze haar tanden ging poetsen, van haar gebraak. Voordat hij naar de universiteit vertrok, zette hij een kopje thee voor haar neer, naast het bed waarin ze lusteloos en zwijgend bleef liggen. Vaak gebeurde het dat hij haar ’s avonds bij zijn thuiskomst nog steeds in bed aantrof, de thee onaangeroerd.

 Hij verlangt nu zelf hevig naar een kop thee, aangezien hij daar voor zijn vertrek naar het ziekenhuis geen tijd meer voor had. Maar uit de machine op de gang komt alleen maar koffie, in het beste geval lauw, in kartonnen bekertjes. Hij neemt zijn uilenbril af die een opticien in Calcutta hem heeft aangemeten, poetst de glazen met een katoenen zakdoek die hij altijd bij zich draagt en waarop zijn moeder met lichtblauw garen een A voor Ashoke heeft geborduurd. Zijn zwarte haar, dat hij normaal netjes naar achteren kamt, zit in de war en staat half overeind. Hij staat op en begint te ijsberen, net als de andere aanstaande vaders. Tot nu toe is de deur van de wachtkamer twee keer opengegaan en is een verpleegster in een blauw mouwschort komen vertellen dat een van hen een zoon heeft of een dochter. Er worden handen geschud en ruggen beklopt alvorens de vader wordt weggeleid. De mannen wachten met sigaren, bloemen, adresboeken, flessen champagne. Ze roken sigaretten, morsen as op de vloer. Ashoke is immuun voor dat soort zwakheden. Hij rookt niet en drinkt niet. Ashima is degene die al hun adressen bewaart, in een klein notitieboekje dat ze altijd in haar handtas heeft. Het is nooit bij hem opgekomen om bloemen voor zijn vrouw te kopen.

 Hij verdiept zich weer in de Globe, en ijsbeert al lezend verder. Ashoke is een beetje mank, hij trekt bij elke stap bijna onmerkbaar met zijn rechtervoet. Al vanaf zijn kinderjaren heeft hij de gewoonte om al lopend te lezen, met een boek in zijn hand onderweg naar school, van kamer naar kamer in zijn ouderlijk huis van drie verdiepingen in Alipore, en onder het beklimmen en afdalen van de trap van rode klei. Niets kon hem afleiden. Niets kon hem doen struikelen. Als tiener had hij de complete Dickens gelezen. Hij las ook recentere schrijvers, zoals Graham Greene en Somerset Maugham, die hij kocht bij zijn favoriete stalletje in College Street met pujo-geld. Maar het meest hield hij van de Russen. Zijn grootvader van vaders kant, een emeritus professor in de Europese literatuur aan de universiteit van Calcutta, las eruit voor in Engelse vertalingen toen Ashoke nog een kleine jongen was. Elke dag tegen theetijd, als zijn broertjes en zusjes buiten kabadi en cricket speelden, ging Ashoke naar de kamer van zijn grootvader en dan las die hem, ruggelings op bed liggend met zijn voeten over elkaar, een uur lang voor, het open boek rechtop op zijn borst, terwijl Ashoke met opgetrokken knietjes naast hem lag. Een uur lang was Ashoke doof en blind voor de wereld om hem heen. Hij hoorde zijn broertjes en zusjes niet lachen op het platte dak en had geen oog voor het piepkleine, stoffige, rommelige kamertje waarin zijn grootvader las. ‘Lees alle Russen, en lees ze dan opnieuw,’ had zijn grootvader gezegd. ‘Ze zullen je nooit teleurstellen.’ Toen Ashokes Engels goed genoeg was, begon hij de boeken zelf te lezen. Lopend in straten die tot de drukste en lawaaiigste ter wereld behoorden, de Chowringhee Road en de Gariahat Road, had hij bladzijden gelezen van De gebroeders Karamazov, Anna Karenina en Vaders en zonen. Een jonger neefje dat geprobeerd had hem dat na te doen, was bij Ashoke thuis van de trap van rode klei gevallen en had daarbij een arm gebroken. Ashokes moeder was er altijd van overtuigd geweest dat haar oudste zoon onder een bus of tram zou komen, met zijn neus diep in Oorlog en vrede. Dat hij lezend in een boek zou sterven.

 Op een dag, in de vroege ochtend van 20 oktober 1961, was dit bijna gebeurd. Ashoke was tweeëntwintig en studeerde aan het B.E. College. Hij had vakantie en reisde met de 83 Up Howrah-Ranchi Express om zijn grootouders te gaan bezoeken, die na het emeritaat van zijn grootvader van Calcutta naar Jamshedpur waren verhuisd. Ashoke was nog nooit in een vakantie van huis weg geweest. Maar zijn grootvader was kortgeleden blind geworden, en hij had speciaal om het gezelschap van Ashoke gevraagd, opdat die hem ’s morgens uit The Statesman voor kon lezen, en ’s middags uit Dostojevski en Tolstoj. Ashoke had de uitnodiging gretig aanvaard. Hij had twee koffers bij zich, één met kleren, de andere leeg. Want bij dit bezoek, had zijn grootvader gezegd, zou Ashoke de boeken krijgen uit de kast met de glazen deurtjes, de boeken die hij een leven lang had verzameld en achter slot en grendel had bewaard. De boeken waren Ashoke al zijn hele kindertijd beloofd, en zo lang als hij zich kon herinneren had hij ze meer dan wat ook ter wereld begeerd. Hij had er de afgelopen jaren alvast een paar gekregen, voor zijn verjaardag en andere bijzondere gelegenheden. Maar nu de tijd was gekomen dat hij de rest ging erven, nu zijn grootvader de boeken zelf niet meer lezen kon, was het hem triest te moede, en toen hij de lege koffer onder zijn zitplaats schoof, bracht de gewichtloosheid ervan hem van zijn stuk en betreurde hij de omstandigheden waaraan het te danken was dat hij bij zijn terugkeer vol zou zijn.

 Hij had voor de reis maar één boek meegenomen, een gebonden uitgave van korte verhalen van Nikolaj Gogol, die zijn grootvader hem gegeven had bij zijn eindexamen van de middelbare school. Op de titelpagina had Ashoke onder zijn grootvaders handtekening die van hemzelf gezet. Vanwege Ashokes grote voorliefde voor dit boek was de rug onlangs gespleten, waardoor het binnenwerk in tweeën dreigde te vallen. Zijn lievelingsverhaal in het boek was het laatste, ‘De mantel’, en dat was het verhaal dat Ashoke begonnen was te herlezen toen de trein ’s avonds laat met een langgerekt, oorverdovend gegil uit het station van Howrah vertrok, weg van zijn ouders en zijn zes jongere broers en zusters, die hem allemaal uitgeleide waren komen doen en die tot het laatste moment bij het raam hadden samengedromd en hem vanaf het lange, schemerige perron hadden uitgewuifd. Hij had ‘De mantel’ al ontelbare malen gelezen, en bepaalde zinnen en uitdrukkingen hadden zich in zijn geheugen gegrift. Telkens weer werd hij gegrepen door het absurde, tragische, maar vreemd stimulerende verhaal van Akaki Akakijevitsj, de verarmde hoofdpersoon, die zijn leven doorbrengt met het nederig kopiëren van documenten die door anderen geschreven zijn en de spot van werkelijk al zijn medemensen moet verduren. Zijn hart ging uit naar de arme Akaki, een eenvoudige kantoorklerk, zoals ook Ashokes vader dat aan het begin van zijn loopbaan was geweest. Telkens als hij het verhaal las van Akaki’s doop en de reeks zonderlinge namen die door zijn moeder werden afgewezen, moest Ashoke hardop lachen. Hij huiverde bij de beschrijving van de grote teen van de kleermaker Petrovitsj, ‘met de vergroeide nagel, dik en hard als het schild van een schildpad’. Het water liep hem in de mond bij het koude kalfsvlees en de slagroomgebakjes en champagne die Akaki consumeerde op de avond dat hij van zijn dierbare mantel werd beroofd, hoewel Ashoke deze delicatessen zelf nooit had geproefd. Telkens weer was Ashoke diep geschokt als Akaki werd beroofd op ‘een plein dat eruitzag als een lugubere kale vlakte’, waar hij koud en kwetsbaar achterbleef, en bij Akaki’s dood, enkele bladzijden later, kreeg hij altijd weer tranen in zijn ogen. In bepaalde opzichten kwam het verhaal hem, telkens als hij het herlas, minder logisch voor en werden de scènes die hij zich zo levendig voor de geest haalde en zo volledig in zich opnam steeds onwerkelijker en ondoorgrondelijker. En zoals de geest van Akaki door de laatste bladzijden rondwaarde, zo waarde hij ook rond door het diepste van Ashokes ziel en liet daar zijn licht schijnen over alles wat irrationeel, alles wat onvermijdelijk was in het leven.

 Buiten werd het snel donker en maakten de verspreide lichten van Howrah plaats voor het absolute niets. Hij had een couchette in de tweede klas, achter de airconditioned zevende wagon. Vanwege het seizoen was de trein drukker en lawaaiiger dan normaal, vol gezinnen op vakantie. Kindertjes met hun mooiste kleertjes aan, de meisjes met kleurige linten in het haar. Hoewel hij voor zijn vertrek naar het station nog gegeten had, stond er een vierdelig pannensetje naast zijn voeten dat door zijn moeder was gevuld voor het geval hij in de loop van de nacht door honger zou worden overvallen. Hij deelde de coupé met drie anderen. Er was een middelbaar echtpaar uit Bihar dat, zo maakte hij uit hun gesprekken op, zojuist hun oudste dochter had uitgehuwelijkt, en een vriendelijke, buikige, middelbare Bengaalse zakenman in driedelig pak met stropdas, die Ghosh heette. Ghosh vertelde Ashoke dat hij twee jaar met een werkvergunning in Engeland had doorgebracht, maar dat hij onlangs naar India was teruggekeerd omdat zijn vrouw absoluut niet in een vreemd land kon aarden. Ghosh sprak met ontzag over Engeland. De schitterende lege straten, de glanzend gepoetste zwarte auto’s, de rijen glimmend witte huizen, het had alles veel weg van een droom, zei hij. De treinen vertrokken en arriveerden er op tijd, vertelde Ghosh. Niemand spuugde op het trottoir. Zijn zoon was in een Engels ziekenhuis geboren.

 ‘Veel van de wereld gezien?’ vroeg Ghosh aan Ashoke, terwijl hij zijn schoenen losmaakte en met gekruiste benen op zijn bed ging zitten. Hij haalde een pakje Dunhill uit de zak van zijn colbert en hield het iedereen in de coupé voor, alvorens zelf een sigaret op te steken.

 ‘Eén keer naar Delhi,’ antwoordde Ashoke. ‘En tegenwoordig eens in het jaar naar Jamshedpur.’

 Ghosh stak zijn arm uit het raam en tipte het gloeiende puntje van zijn sigaret de nacht in. ‘Niet deze wereld,’ zei hij, terwijl hij teleurgesteld de coupé rondkeek. Hij wenkte met zijn hoofd naar het raam. ‘Engeland. Amerika,’ zei hij, alsof de naamloze dorpen die ze passeerden voor die landen hadden plaatsgemaakt. ‘Heb je er weleens aan gedacht om daarheen te gaan?’

 ‘Mijn docenten hebben het er weleens over. Maar ik ben niet alleen op de wereld,’ zei Ashoke.

 Ghosh keek bedenkelijk. ‘Al getrouwd?’

 ‘Nee. Een moeder en vader en zes broers en zusjes. Ik ben de oudste.’

 ‘En over een paar jaar ben je getrouwd en woon je in het huis van je ouders,’ opperde Ghosh.

 ‘Best mogelijk.’

 Ghosh schudde het hoofd. ‘Je bent nog jong, en vrij,’ zei hij, zijn handen spreidend om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Doe jezelf een plezier. Voor het te laat is en zonder er te veel over na te denken moet je een kussen pakken en een deken en zoveel je kunt van de wereld gaan zien. Je zult er geen spijt van hebben. Op een dag is het te laat.’

 ‘Mijn grootvader zegt altijd dat je daar boeken voor hebt,’ zei Ashoke, van de gelegenheid gebruikmakend om het boek in zijn handen open te slaan. ‘Om te reizen zonder van je plaats te komen.’

 ‘Ieder zijn meug,’ zei Ghosh. Hij hield beleefd zijn hoofd een ietsje schuin en liet het peukje van zijn sigaret uit zijn vingers vallen. Hij stak zijn hand in een tas aan zijn voeten en haalde er zijn agenda uit, waarin hij de twintigste oktober opzocht. De bladzijde was leeg en met een vulpen waarvan hij plechtig de dop afschroefde, schreef hij zijn naam en adres op. Hij scheurde het blaadje uit de agenda en gaf het aan Ashoke. ‘Mocht je ooit van gedachten veranderen en contacten nodig hebben, laat het me dan weten. Ik woon in Tollygunge, vlak achter de tramremise.’

 ‘Dank u wel,’ zei Ashoke. Hij vouwde de informatie op en stopte het achter in zijn boek.

 ‘Heb je zin in een spelletje?’ vroeg Ghosh. Hij haalde een versleten spel kaarten uit zijn zak, met een plaatje van de Big Ben op de achterkant. Maar Ashoke weigerde beleefd, want hij kende geen kaartspelen en ging bovendien liever lezen. Een voor een poetsten de passagiers hun tanden op het balkon, trokken hun pyjama’s aan, maakten het gordijn om hun couchette vast en legden zich te slapen. Ghosh bood aan het bovenste bed te nemen en klom, nadat hij zijn kostuum zorgvuldig had opgevouwen, met blote voeten het laddertje op, zodat Ashoke het raam voor zich alleen had. Het echtpaar uit Bihar nam wat snoepjes uit een doosje, dronk water uit hetzelfde kopje zonder de lippen aan de rand te zetten, ging toen ook in bed liggen, deed het licht uit en keerde het gezicht naar de wand.

 Alleen Ashoke bleef zitten lezen, nog aangekleed. Een enkel lichtpeertje gloeide zwak boven zijn hoofd. Van tijd tot tijd keek hij door het open raam naar de inktzwarte Bengaalse nacht en de vage vormen van palmbomen en de allersimpelste behuizingen. Voorzichtig sloeg hij de gelige bladzijden van zijn boek om, waarvan er al enkele fijne wormgaatjes vertoonden. De stoomlocomotief pufte gestaag, krachtig, door. Diep in zijn borstkas voelde hij het hossen en stoten van de wielen. Vonken uit de schoorsteen vlogen langs zijn raam. Een dun laagje vettig roet vormde spikkeltjes aan één kant van zijn gezicht, op zijn ooglid, zijn arm, zijn hals; zijn grootmoeder zou erop staan dat hij zich meteen na aankomst zou wassen met een stuk Margo-zeep. Verdiept in de kleermakersperikelen van Akaki Akakijevitsj, verloren in de brede, witbesneeuwde, winderige straten van Sint-Petersburg, niet vermoedend dat hij zelf ooit ergens zou gaan wonen waar het sneeuwde, zat Ashoke om halfdrie ’s ochtends nog te lezen, als een van de weinige passagiers in de trein die nog wakker waren toen de locomotief en zeven wagons uit de rails van het breedspoor liepen. Het geluid was dat van een exploderende bom. De eerste vier wagons kantelden in een greppel die langs de spoorbaan liep. De vijfde en zesde wagon, waarin de eersteklas en airconditioned passagiers zaten, schoven in elkaar, zodat de passagiers in hun slaap werden gedood. De zevende, waarin Ashoke zat, kantelde eveneens en werd door de kracht van de ontsporing verder het veld in geslingerd. Het ongeluk gebeurde op 209 kilometer van Calcutta, tussen het station van Ghatshila en dat van Dhalbumgarh. De walkietalkie van de conducteur werkte niet; pas nadat de man bijna vijf kilometer hardlopend had afgelegd van de plaats van het ongeluk naar Ghatshila, kon hij de eerste oproep om hulp uitzenden. Er verstreek nog ruim een uur voor de reddingswerkers arriveerden, met lantaarns en schoppen en bijlen om lichamen uit de wagons te bevrijden.

 Ashoke herinnert zich nog altijd hun roepen, hun vragen of er nog overlevenden waren. Hij herinnert zich dat hij probeerde terug te roepen, zonder resultaat, omdat er uit zijn mond niets dan een vrijwel onhoorbaar raspend geluid kwam. Hij herinnert zich het geluid van halfdode mensen om hem heen, kreunend en op de wanden van de trein kloppend, schor fluisterend om hulp, woorden die alleen zij die ook bekneld zaten en gewond waren konden horen. Zijn borst en de rechtermouw van zijn overhemd zaten onder het bloed. Hij was gedeeltelijk uit het coupéraam geduwd. Hij herinnert zich dat hij helemaal niets kon zien; de eerste uren dacht hij dat hij misschien, net als zijn grootvader naar wie hij onderweg was, blind was geworden. Hij herinnert zich de scherpe brandlucht, het gegons van vliegen, gehuil van kinderen, de smaak van stof en bloed op zijn tong. Ze waren nergens, ergens in een veld. Om hen heen liepen dorpelingen, politie-inspecteurs, een paar dokters. Hij weet nog dat hij dacht dat hij ging sterven, dat hij misschien al gestorven was. Hij voelde de onderhelft van zijn lichaam niet, en daardoor wist hij ook niet dat de verbrijzelde ledematen van Ghosh over zijn benen lagen gedrapeerd. Ten slotte zag hij het kille, onvriendelijke blauw van het ochtendgloren, de maan en een paar laatste sterren. De bladzijden van zijn boek, dat uit zijn hand was geslingerd, fladderden in twee gedeelten dicht bij de trein. Het schijnsel van een lantaarn verlichtte ze heel even, wat een ogenblik de aandacht van een reddingswerker trok. ‘Niks te zien, hier,’ hoorde Ashoke iemand zeggen. ‘Kom, we gaan verder.’

 Maar het lantaarnlicht aarzelde nog even, net lang genoeg voor Ashoke om zijn hand op te tillen, een gebaar waarvan hij geloofde dat het het laatste restje leven dat hij in zich had zou verbruiken. Hij hield nog één blaadje van ‘De mantel’ stijf verfrommeld in zijn vuist, en toen hij die optilde viel het vodje papier op de grond. ‘Wacht even!’ hoorde hij iemand roepen. ‘Die knaap bij dat boek. Ik zag hem bewegen.’

 Hij werd uit het treinwrak getrokken, op een draagbaar gelegd en met een andere trein naar een ziekenhuis in Tatanagar vervoerd. Hij had zijn bekken gebroken, zijn rechterdijbeen en drie ribben aan de rechterkant. Het daaropvolgende jaar van zijn leven bracht hij plat op zijn rug door; hij moest van de dokter zo stil mogelijk liggen terwijl zijn botten genazen. Er bestond een kans dat zijn rechterbeen altijd verlamd zou blijven. Hij werd overgebracht naar het Calcutta Medical College, waar hij twee schroeven in zijn heupen kreeg. In december was hij in zijn ouderlijk huis in Alipore teruggekeerd, als een lijk op de schouders van zijn vier broers door de tuin en de rode kleitrap op gedragen. Drie keer per dag werd hij met een lepel gevoerd. Hij deed zijn plas en behoefte in een pan. Dokters en bezoekers kwamen en gingen. Zelfs zijn blinde grootvader uit Jamshedpur kwam op bezoek. Zijn familie had de krantenberichten bewaard. Op een foto zag hij de aan flarden gescheurde trein, een grillige skyline van verwrongen wrakstukken, bewakingspersoneel zittend op de persoonlijke bezittingen die niet waren opgeëist. Hij las dat er op enkele meters van de spoorbaan lasplaten en bouten gevonden waren, wat aanleiding gaf tot de verdenking, die later nooit was bevestigd, dat er sabotage in het spel was geweest. Hij las dat veel lijken onherkenbaar waren verminkt. ‘Vakantiegangers hadden afspraak met de dood,’ kopte The Times of India. In het begin had hij het grootste deel van de dag naar het plafond van de slaapkamer liggen staren, naar de drie beige bladen van de ventilator die in het midden ronddraaiden, met donkere randen van het vuil. Hij hoorde de bovenrand van een kalender tegen de muur schrapen als de ventilator aanstond. Als hij zijn hals naar rechts draaide, kon hij een venster zien met een bestofte fles Dettol op het kozijn, en als de luiken open waren het beton van de muur die het huis omgaf en de slanke lichtbruine gekko’s die er rondrenden. Hij luisterde naar de onafgebroken parade van geluiden van buiten: voetstappen, gerinkel van fietsbellen, het onophoudelijke gekras van kraaien en de toeters van fietsriksja’s in de steeg die zo nauw was dat taxi’s er niet door konden. Hij hoorde het vullen van kruiken uit de welput op de hoek. Elke avond in de schemering hoorde hij hoe er bij de buren op een tritonschelp werd geblazen als oproep tot het gebed. De glinsterende groene smurrie die zich in het open riool verzamelde kon hij ruiken, maar niet zien. In het huis ging het leven door. Zijn vader kwam thuis en ging naar zijn werk, zijn broers en zusjes gingen naar school. Zijn moeder werkte in de keuken en kwam zo nu en dan naar hem kijken, haar schoot geel van de kurkuma. Twee keer per dag kwam de meid de vloer dweilen.

 Overdag was hij suf door de pijnstillers. ’s Nachts droomde hij dat hij nog in het wrak van de trein opgesloten zat of, nog erger, dat het ongeluk nooit had plaatsgevonden, dat hij ergens op straat liep, een bad nam, in kleermakerszit op de vloer zat en een bord eten naar binnen werkte. En dan werd hij wakker, nat van het zweet, in tranen, ervan overtuigd dat hij geen van deze dingen ooit nog zou doen. Ten slotte begon hij, in een poging deze nachtmerries te vermijden, ’s avonds laat te lezen, wanneer zijn roerloze lichaam het onrustigst en zijn geest alert en helder was. Hij weigerde evenwel de Russen te lezen die zijn grootvader voor hem had meegebracht, of welke roman dan ook. Die boeken, die speelden in landen die hij nog nooit had gezien, herinnerden hem alleen maar aan zijn bedlegerigheid. In plaats daarvan las hij zijn studieboeken, deed hij zijn best om weer bij te komen, loste hij bij het licht van een zaklantaarn vergelijkingen op. In die stille uren dacht hij dikwijls aan Ghosh. ‘Pak een kussen en een deken,’ hoorde hij Ghosh steeds maar zeggen. Hij herinnerde zich het adres dat Ghosh op een blaadje uit zijn agenda had geschreven, ergens achter de tramremise in Tollygunge. Daar woonde nu een weduwe, een zoon zonder vader. Om hem op te beuren, praatte zijn familie elke dag met hem over de toekomst, de dag dat hij zonder hulp zou kunnen staan, door de kamer lopen. Hierom was het, dag aan dag, dat zijn vader en moeder baden. Hierom was het dat zijn moeder op woensdag geen vlees meer at. Maar terwijl de maanden verstreken begon Ashoke zich een ander soort toekomst voor te stellen. Hij zag zichzelf niet alleen weer lopen, maar weglopen, zo ver hij kon, van de plek waar hij geboren was en waar hij bijna de dood had gevonden. Het volgende jaar keerde hij, lopend met een stok, naar college terug. Hij studeerde af, en zonder zijn ouders iets te zeggen vroeg hij een beurs aan om zijn ingenieursstudie te kunnen voortzetten in het buitenland. Pas toen zijn verzoek met een volledige beurs was beloond, vertelde hij hun, met een nieuw paspoort in zijn hand, wat hij van plan was. ‘Maar we hebben je al bijna een keer verloren,’ had zijn vader verbijsterd geprotesteerd. Zijn broers en zusters hadden gesmeekt en gehuild. Zijn moeder had sprakeloos drie dagen geweigerd te eten. Ondanks dit alles was hij gegaan.

 Zeven jaar later zijn er nog steeds beelden die hem van streek maken. Ze loeren om een hoek als hij zich op het MIT door zijn afdeling haast, zijn post doorneemt. Ze zweven bij zijn schouder als hij zich ’s avonds aan tafel over een bord rijst buigt, of zich ’s nachts tegen Ashima’s lichaam vlijt. Bij elk keerpunt in zijn leven – op zijn bruiloft, toen hij achter Ashima stond met zijn armen om haar middel en over haar schouder keek terwijl er gepofte rijst in het vuur werd gestrooid, of tijdens zijn eerste uren in Amerika, bij het zien van een grauw stadje onder een dik pak sneeuw – heeft hij tevergeefs geprobeerd deze beelden te verdringen: de verwrongen, vernielde, gekantelde treinwagons, zijn lichaam verwrongen eronder, het afschuwelijke knarsende geluid dat hij gehoord maar niet begrepen had, zijn verpulverde botten. Het is niet de herinnering aan de pijn die hem achtervolgt; daar heeft hij geen herinnering aan. Het is de herinnering aan het wachten voordat hij gered werd, aan de angst, die nog altijd bonst in zijn keel, dat er geen redding zou komen. Nog steeds heeft hij last van claustrofobie, houdt hij in liften zijn adem in, krijgt hij het benauwd in auto’s als de ramen niet aan beide kanten openstaan. In het vliegtuig vraagt hij om de zitplaats bij het tussenschot. Soms vervullen huilende kinderen hem met een hevige angst. Nog steeds drukt hij soms op zijn ribben om te voelen of ze wel stevig zijn.

 Dat doet hij nu weer, in het ziekenhuis, en hij schudt opgelucht, ongelovig, zijn hoofd. Hoewel het Ashima is die het kind draagt, voelt ook hij zich zwaar, door de gedachte aan het leven, aan zijn leven en het leven dat daaruit voortkomen gaat. Hij is grootgebracht zonder stromend water, bijna omgekomen toen hij tweeëntwintig was. Opnieuw proeft hij het stof op zijn tong, ziet hij de verwrongen trein, de enorme ijzeren wielen die ondersteboven liggen. Niets van dit alles had mogen gebeuren. Maar nee, hij had het overleefd. Hij was tweemaal geboren in India, en daarna voor de derde maal in Amerika. Drie levens en dertig jaar. Dat heeft hij aan zijn ouders te danken, en aan hun ouders en aan de ouders van hun ouders. Hij dankt God niet, hij vereert openlijk Marx en wijst in stilte de godsdienst af. Maar er is nog een dode ziel die hij dank verschuldigd is. Hij kan het boek niet bedanken; het boek is, net zoals hijzelf bijna, in flarden ten onder gegaan, in de vroegste uren van een oktoberdag, in een veld op 209 kilometer van Calcutta. In plaats van God te danken, dankt hij Gogol, de Russische schrijver die zijn leven heeft gered, op het moment dat Patty de wachtkamer binnenkomt.