14
Onderweg naar Sussex die zaterdag, nog steeds buiten adem omdat ze zich had verslapen en de trein bijna had gemist, met een kater en met een kop koffie in haar hand geklemd, haalde Elle haar nieuwe Nokia 3660 tevoorschijn en huiverde opnieuw. Hoewel ze vele uurtjes vrolijk sms’end met haar nieuwe mobiel kon doorbrengen, wilde ze dat er telefoonpolitie in de straten van Londen patrouilleerde, die je mobiel van je afnam als je duidelijk met te veel drank op de kroeg uit kwam rollen en op het punt stond de nachtbus in te stappen zonder enige andere vorm van afleiding dan de gevaarlijke sms-wereld, zoals dat gisteravond was gebeurd met desastreuze gevolgen. Elle kneep in haar koffiekopje, huiverend bij de herinnering.
Het kantoor had al gegonsd van de roddels. De mensen waren zenuwachtig, hielden elkaar in de gaten, speculeerden hevig. Elle kon de verandering in de lucht voelen en ze vond het vreselijk. Ze had geen idee wat er aan de hand was; ze had Rory op hun gebruikelijke donderdag niet gezien en had hem nauwelijks gesproken. Hij was aan de telefoon of niet op kantoor. Op vrijdag gingen Sam en zij iets drinken in de George MacRae met een paar andere junior medewerkers van Bluebird. Halverwege haar eerste glas wijn was Rory plotseling met Jeremy binnengekomen. Ze hadden naar hun tafeltje gezwaaid, maar waren om het hoekje gaan zitten.
‘Ik vraag me af waar ze het over hebben,’ zei Georgia van de afdeling Publiciteit.
‘O, waarschijnlijk over hoe ze het bedrijf in stukken gaan hakken,’ zei Helena somber.
‘Als ik mijn baan kwijtraak ga ik op reis,’ zei Angelica van Sales. ‘Sam, hoorde jij Rory ook zeggen dat hij dit weekend iemand van de directie zou ontmoeten?’
Elle spitste haar oren, zoals ze altijd deed bij informatie over Rory. ‘Wie?’ vroeg ze. ‘Waar?’
Angelica keek haar bevreemd aan. ‘Geen idee, hoezo?’
Elle leunde achterover. ‘Zomaar,’ zei ze.
Ze had hier zo’n hekel aan. Als ze het zouden weten, deze meisjes die haar collega’s en vriendinnen waren, zouden ze denken dat ze tegen hen had gelogen, hoewel ze net zo in het duister tastte als zij, misschien zelfs nog meer, omdat ze nooit roddelde of speculeerde. Ze wilde met Rory in de pub kunnen zitten, zoals Sam dat met Steven deed, of zoals Matty en Karen dat afgelopen weekend met hun vriendjes hadden gedaan, ze wilde hand in hand over straat kunnen lopen, in het openbaar naar hem kunnen glimlachen, niet dit gecontroleerde, martelende formele gedrag.
Soms had ze het gevoel dat ze was veranderd van een witte-wijn-drinkende stadse in een korte rok die ’s avonds in de bus in slaap viel, in een soort geisha in een toren, wachtend tot ze werd geroepen, gewild was. Het viel haar op, deze week in het bijzonder, dat ze volledig geïsoleerd was. Ze kon niet met Rory praten, ze kon niet met haar vrienden praten en ze wist niet wanneer dat zou veranderen. Ze kon er niets aan doen, ze was zwak omdat ze zoveel van hem hield, niet dat dat een zwakte was, maar… ze was machteloos. Ze schoof ellendig heen en weer op haar stoel en sloeg het laatste slokje achterover.
‘Ik geef een rondje,’ zei Sam, en ze sprong op. Ze probeerde haar altijd vol te gieten. Elle klopte Sam op haar arm en zei: ‘Nee, het is mijn beurt. Echt.’ Ze stond op en liep naar de bar en toen ze opkeek maakte haar hart een sprongetje, Rory stond pal naast haar.
‘Hoi,’ zei ze om zich heen kijkend. Terloops nam ze de pub in zich op, een blik die ze het afgelopen jaar had geperfectioneerd. Ze liet haar ogen even kort op zijn profiel rusten en voor de zoveelste keer voelde ze haar hart als een gek tekeergaan. Hij was van haar. Hij was zo knap, zo volwassen en slim, en hij was van haar. Ze zou het het liefst hardop aan iedereen verkondigen, maar dat kon niet.
‘Hoi,’ zei Rory, en hij wierp een blik op haar. ‘Gaat het?’
‘Ja hoor, maar ik heb hier zo’n hekel aan,’ zei ze zo luchtig mogelijk terwijl de barman haar bestelling klaarmaakte.
‘Ik weet het.’ Rory keerde zich naar haar toe. ‘Luister, het spijt me dat ik je e-mail gisteren niet heb beantwoord.’
‘En mijn telefoontje. En die van de dag ervoor.’ Elle sloeg haar armen over elkaar. ‘Ik weet dat je het druk hebt, Rory, maar je kunt me best even sms’en. Ik kan het niet meer – het is heel moeilijk – het…’ Haar stem stierf weg omdat haar keel samenkneep en ze wilde zichzelf niet voor schut zetten. Ze kon hem niet dwingen met haar af te spreken.
Rory liet zijn adem ontsnappen. ‘Luister, Elle. Ik heb je toch gezegd dat het me spijt. Het is een gekkenhuis op het moment, dat weet je. Bovendien zijn de directieleden zo oud dat ze maar met moeite in beweging komen. Het is echt heel lastig om met hen te moeten werken. En Felicity is zo verontwaardigd dat iemand het lef heeft een bod op haar geliefde bedrijf uit te brengen dat ze niet eens erkent dat er een probleem is. Ik ben werkelijk waar de afgelopen twee avonden bezig geweest haar te kalmeren, meer heb ik niet gedaan.’
Het viel Elle op dat moment voor het eerst op dat het eigenlijk best vreemd was, dat hij zijn moeder, behalve in tijden van enorme stress, altijd Felicity noemde, nooit mama of mam. ‘Je zit tussen twee vuren… Arme Rory,’ zei ze, en ze probeerde meelevend te klinken, maar dat lukte niet. Ze was boos. Ze miste hem en ze was bang, diep vanbinnen, omdat ze voelde dat hij zich terugtrok en hoewel hij haar had verzekerd dat het niet zo was, geloofde ze hem niet.
Hij keek haar achterdochtig aan. ‘Ik zit inderdaad tussen twee vuren, Elle. Je hebt geen idee.’
‘Wat betekent dat?’
Zijn stem was fluisterend, dringend. ‘Het betekent wat ik woensdagmorgen tegen je heb gezegd. Heb geduld tot na Kerstmis, schat. Dan komt alles in orde.’
Elle staarde naar de flessen sterke drank boven de bar. ‘Waarom heb je het steeds maar over Kerstmis? Wat gebeurt er met kerst?’
Rory antwoordde niet. Zijn hand lag naast de hare, op het natte glazen oppervlak van de bar. Langzaam duwde hij hem tegen die van haar en heel voorzichtig haakte hij zijn pink om de hare. Hij wreef met zijn duim over de zijkant van haar handpalm en ademde uit door zijn neus.
‘O, Elby, ik mis je,’ zei hij. ‘Ik wil je zo graag.’
‘Ik wil jou ook,’ fluisterde Elle, en ze wankelde lichtjes bij zijn aanraking. ‘Sorry dat ik zo’n heks ben.’
‘Dat ben je niet, dat ben je niet,’ zei hij. Zijn stem was krachtig. ‘Nog even volhouden. Dit is over een paar weken voorbij, maar we moeten zelfs nog voorzichtiger zijn dan eerst. Mijn moeder hoorde vorige week dat ik met je aan de telefoon was. Ze weet dat ik een vriendin heb. Als ze er nu achter komt, zoals ze zich nu voelt… Dat risico kan ik niet nemen.’
‘Dat is elf pond tachtig, alsjeblieft, schatje,’ onderbrak de barman hun gefluister.
Rory gaf hem twaalf pond. ‘Alsjeblieft.’
‘Dat hoef je niet te doen,’ zei Elle. ‘Het is al goed.’
‘Minste wat ik kan doen,’ zei hij. ‘Onthoud goed dat ook al spreken we elkaar niet, ik wel aan je denk, liefje. Dat doe ik altijd.’ Hij keek om zich heen: Jeremy zat de krant te lezen. ‘Ik denk aan de volgende keer dat we samen zijn en ik al je kledingstukken een voor een kan uittrekken.’ Zijn stem werd nog zachter, en nog steeds keken ze elkaar niet aan. Ze boog iets voorover. ‘Jouw zachte huid tegen de mijne. Mmm? En…’ Hij zuchtte even. ‘Mijn vingers die ik in je laat glijden om erachter te komen hoezeer je me hebt gemist.’
Elle keek over haar schouder naar Jeremy, en Rory’s adem kietelde in haar oor. Haar oogleden waren zwaar, haar lichaam voelde week. Ze bloosde en wilde met hart en ziel dat ze haar armen om hem heen kon slaan, dat hij haar tegen de bar zou drukken en ze zijn lippen op haar huid kon voelen. Het kostte haar alle kracht die ze in zich had. ‘Tot straks,’ zei ze, en ze liep weg met het blad vol glazen en het plotselinge verlangen haar gevoelens weg te drinken.
Terwijl de trein Victoria Station verliet en over de loodgrijze kolkende Theems heen reed, bekroop een gedachte Elle en vlug keek ze in haar ‘Verzonden’-mapje.
Daar in zwarte letters op een misselijkmakende grijsgroene achtergrond zag ze drie sms’jes van de vorige avond. In de eerste stond:
Aan: Rory
Ik mis je zo ontzettend. Ik weet dat jij het nu ook moeilijk hebt. Ik zal echt altijd van je blijven houden en op een dag wil ik je kinderen baren. Dat was het. E x
Shit. Elle trok wit weg. Ze opende de volgende.
Aan: Rhodes
Ik wilde alleen maar even kwijt… je hebt je vorige week echt als een ull gedragen tegen mam. Dat was het. E
Mijn god. Elle slikte. Met trillende hand pakte ze haar koffie. Ze opende de laatste.
Aan: Mam
Mam, ’k an niet w8en je te zien morgen. Ik moet dit even kwijt… Ik vind het verschrikkelijk als je drnoken bent. Ik ben blij dat je niet meer drinkt. E x x
De trein ging sneller rijden. Elle staarde naar de rijtjeshuizen in de buitenwijken en knipperde met haar ogen. Ze was bang dat ze moest overgeven. Waarom had ze dit gedaan? Ze was een verschrikkelijke dronken sms-ster. Alles wat ze overdag wilde zeggen, kwam er ’s nachts uit, als een vampier. En dat toontje! Zo pretentieus!
Ze deed haar ogen dicht, en haar hoofd bonkte. Ze wilde dat ze op bed lag in Ladbroke Grove, luisterend naar het verkeer. Ze zou uit bed kruipen, met Sam in de warme keuken gaan zitten, zwarte koffie drinken en dan mogelijk in haar pyjama naar beneden gaan naar de winkel aan de andere kant van de pizzatent om een krant en een paar tijdschriften te kopen, de nieuwe Heat en Hello! lezen en wachten tot de zaterdagavondprogramma’s op tv zouden beginnen. Was het maar zo’n feest.
Elle knipperde met haar ogen. Er parelden zweetdruppeltjes op haar voorhoofd. Ze begon langzaam te typen. Eerst aan Rory.
Negeer sms’je. Ik was dronken. Schaam me diep. Spreek je morgen. E x
Hoi, Rhodes. Negeer sms. Was dronken en schaam me diep. Sorry. E x
Hoi mam. In trein. Negeer sms. Spijt me zeer. Was heel dronken.
Ze stopte. Wat nog meer? Ik was heel dronken dus vond dat ik je moest vertellen dat je een alcoholprobleem hebt. Ze huiverde. Jemig, wat was ze toch een idioot. Ze verwijderde de laatste zin en typte:
Ging mijn boekje te buiten. Tot straks. E xxx
Elle deed haar ogen dicht. Wat een rotbegin van het weekend. Terwijl ze richting het platteland raasden, dat groen en miezerig was en nog steeds vol water stond na de recente overstromingen, zakte ze weg. Ze zag ertegen op naar haar moeder te gaan – eigenlijk zag ze er de hele week al tegen op.
Na de scheiding had Elles vader gezegd dat hun huis verkocht moest worden. Hij had het geld nodig: het was een prettig huis, niet heel groot, met drie kleine slaapkamers, een grote tuin aan een riviertje en op vijf minuten loopafstand van de trein naar Londen. Mandana, die dol op de tuin was geweest en het feit dat ze zo dicht bij haar vriendinnen woonde, was heel erg van streek. Ze klaagde luidruchtig, ook lang na haar verhuizing naar een verbouwde schuur even buiten het dorp. Alles wat niet goed was aan de schuur was Johns schuld. Twee weken na de verhuizing was hun oude hondje Toogie terug naar Willow Cottage gerend en had een zwangere otter gevangen, waarna ze hem hadden moeten laten inslapen, en Mandana had haar ex-man tranen met tuiten huilend opgebeld in Brighton. ‘Kom maar eens kijken wat je nu weer hebt gedaan!’ herinnerde Elle zich dat ze had geroepen. ‘Je hebt de hond vermoord, je hebt de hond vermoord!’
Elle had medelijden met haar, maar heimelijk was ze blij dat ze nooit meer terug naar dat huis hoefden. ‘Hij zit in Brighton, in zijn pretentieuze huis met die klere-aga – echt zo belachelijk in een stadswoning!’ had haar moeder op een keer geschreeuwd, toen ze net in de schuur woonde en de wind rond het afgelegen huis huilde en de voordeur opentrok, die onrustbarend hard tegen de stenen muren sloeg. ‘Het kan hem verdorie geen moer schelen, dat weet je toch? Hij loopt verdorie met zijn zwangere vriendin bij de Laura Ashley, waarom zou hij zich nog om ons bekommeren!’
Zo kwam Elle erachter dat haar halfbroer Jack onderweg was. Later, toen ze studeerde, had ze geleerd dit om te buigen tot een grappig verhaal. Het was zo afschuwelijk dat het grappig was zoals ze het vertelde. De mensen krompen ineen, lachten, knikten en zeiden dan: ‘Ouders, echt ongelofelijk! Wauw.’ Dan had Elle altijd het gevoel dat ze niet alleen was, dat er anderen waren die wisten hoe het was, hoe je je voelde als alles instortte en niemand wist of het weer goed zou komen.
Wachtend op het kleine station in de ijskoude vochtige mist stampte Elle met haar voeten en zwaaide zodra de gehavende oude Mini in het zicht draaide naar haar moeder. Hoewel de koffie en wat water veel hadden gedaan om haar gemoedsrust te herstellen, was ze nog altijd zenuwachtig. Door de vieze voorruit heen wierp Mandana een blik van herkenning op haar dochter. Elle zwaaide opnieuw en haar hart bonkte.
Mandana zette de auto stil aan de andere kant van de parkeerplaats. Ze leunde opzij en draaide het raampje open.
‘Kom hierheen,’ riep ze. Het kleine groepje mensen dat uit de trein was gekomen keek nieuwsgierig om. ‘Ik kan best rijden, hoor. Ik heb vandaag maar twee flessen wijn op.’
Elle bleef stokstijf staan van schaamte. Ze keek om zich heen en haastte zich naar de overkant.
‘Mam, het spijt me…’
Mandana glimlachte toen ze zag hoe ontsteld Elle keek. ‘Lieve hemel, haal die ongeruste uitdrukking van je gezicht. De komeet Halley valt niet te pletter op het huis, die moedervlek is geen kanker en ik ben niet boos op je. Dat was ik wel, maar nu niet meer.’
‘Het was dom, het spijt me, ik wilde je niet…’
‘We doen allemaal wel eens dingen die we niet zouden moeten doen, schat. Dat weet ik beter dan wie dan ook. Stap in en relax.’
Lachend van opluchting stapte Elle in, en ze reden weg.
Pas later die middag begon Elle zich weer mens te voelen. Het was na drieën, maar het begon al te schemeren en de geur van het haardvuur en het warme gevoel in haar buik van Mandana’s pompoensoep en de vermoeidheid van het naar beneden sjouwen van dozen vanaf de zolder droeg bij aan een slaapverwekkend gevoel van welbehagen. De benedenverdieping had onder water gestaan, maar de flagstones waren nog heel en er was geen blijvende schade. Elle en haar moeder pakten Mandana’s geliefde kinderboeken uit, waaruit ze voorlas in de bibliotheek, plus de dingen die op de planken hadden gestaan tot de overstromingswaarschuwing was gekomen: een paar vakantiekiekjes van Elle en Rhodes, een foto van de grootmoeder van haar moeder, haar smalle, zorgelijke gezicht bijna in een glimlach, staand op een pier in de wind, en een klein zwart-witfotootje van Mandana die ergens protesteerde voor een klassiek gebouw, waar wist ze niet meer. De kamer was gezellig toen alles weer op zijn plek stond, voor de verandering eens helemaal schoon, en voor het eerst sinds lange tijd voelde Elle zich thuis in de schuur. Haar ogen werden zwaar.
Terwijl Mandana opstond van de bank om een houtblok op het vuur te gooien zei ze: ‘Schat, vertel me eens over je werk. Je zei aan de telefoon dat je niet zeker wist wat er aan de hand was.’
‘Nou, ik hoop dat het goed komt,’ zei Elle, die met haar ogen moest knipperen om wakker te blijven. ‘Iedereen moet willen verkopen en blijkbaar is dat niet zo. Maar Felicity en Rory brengen veel tijd achter gesloten deuren door.’
‘Felicity is toch de eigenaresse?’ vroeg Mandana.
‘Ja, sorry. Rory is haar zoon. Hij is mijn baas.’
‘Natuurlijk. Volgens mij vind je hem best aardig.’
Elle wierp vlug een blik op haar moeder, maar haar uitdrukking onthulde niet meer dan een milde interesse. ‘Hij is geweldig, ja.’
‘Ik ben zo trots op je.’ Mandana leunde voorover en klopte op haar arm. ‘Je doet het zo goed. Wanneer denk je dat je echte boeken mag gaan doen?’
Elle lachte. ‘Wat bedoel je met echte boeken?’
‘Eh… ik weet het niet. Geen romannetjes, neem ik aan. Je wilt toch niet je hele leven dit, wat het ook is, blijven doen? Sprookjes?’
Elle wierp een blik op de rij gehavende oude Ladybird-boeken op de boekenplank. Jij bent degene die me elk elfenverhaal zo’n twintig keer heeft verteld, moeder. ‘Dat ben ik niet van plan, mam,’ zei Elle, en ze probeerde zich niet te ergeren. Plotseling zag ze zichzelf op Elspeths leeftijd, nog steeds MijnHart-boeken redigerend, nog steeds kruipend voor de negentig jaar oude Abigail Barrow, in een kantoor vol spinnenwebben, met dezelfde grijze monitor en plastic bakjes onder een laag stof, nog steeds wachtend tot de tachtigjarige Rory hun relatie aankondigde.
‘Al een vriendje?’ vroeg Mandana plotseling. ‘Ik hoor je nooit over vriendjes.’ Elle had er echt een hekel aan als ze dat deed, zo’n vraag stellen als ze er totaal niet op bedacht was.
‘Nee, niemand,’ zei ze, kijkend naar haar schoot. ‘Ik ben een zwart gat als het op romantiek aankomt.’
Ik wilde dat je het soort moeder was met wie ik erover kon praten, dacht ze. Ik wilde dat je kalm en verstandig was en dat ik naast je op de bank kon gaan zitten om je alles te vertellen.
Terwijl ze dit dacht wist ze hoe oneerlijk het was. Ze kon het haar moeder niet vertellen omdat ze niet wist hoe ze na al die tijd over Rory moest beginnen. Ze had haar hersens ingesteld op haar geheime leven en dat moest haar hebben veranderd, besefte ze nu, voorgoed, ook op manieren die ze nog niet begreep.
Mandana stond met haar armen over elkaar voor haar. ‘Ik geloof je niet!’ zei ze, en haar toon verried hoe verrukt ze was over haar eigen speurwerk. ‘Je liegt! Wie is het?’
‘Niemand,’ zei Elle. ‘Echt niet.’
Mandana ging naast haar zitten. ‘Is het een meisje?’ vroeg ze, en met haar bruine ogen tuurde ze tussen haar pony door. Ze gaf Elle een aai over haar bol. ‘Het geeft niet, schat. Je weet dat ik dat niet erg zou vinden.’
‘Wat? Nee, het is geen meisje!’ zei Elle. ‘Jemig, mam! Ik heb geen vriendje, dus ben ik lesbisch? Dat is best een belediging voor lesbiennes, vind je ook niet?’
‘Snauw niet zo, Ellie,’ zei Mandana kortaf. ‘Ik vraag het alleen maar omdat je zo gesloten bent. Je vertelt me nooit iets en ik ben bang dat…’
‘Mam,’ zei Elle, en ze sloeg haar armen over elkaar, ‘ik ben niet lesbisch. Ik heb geen vriendje. Alles is in orde. Jij wilt altijd dat er iets mis is, maar dat is niet zo.’ Ze wist dat het verkeerd was om dat te zeggen zodra de woorden over haar lippen kwamen. En noem me geen Ellie, wilde ze er nog aan toevoegen.
Maar Mandana reageerde niet zoals ze had verwacht, ze stoof niet op. Ze tuitte haar lippen en stond op. ‘Het spijt me dat je dat denkt,’ zei ze. ‘Luister, het zou me echt niet kunnen schelen als je lesbisch bent. Ik ben je vader niet. Nee, zo bedoel ik het niet, ik bedoel… Toen ik in San Francisco was, vlak na de Summer of Love, was de helft van mijn vrienden homo.’
Elle en Rhodes hadden vroeger altijd grapjes gemaakt over Mandana’s verwijzingen naar haar tijd in San Francisco. Als ze het erover had, was het net alsof ze aanwezig was geweest bij het schrijven van de Tien Geboden. Ze begrepen nooit goed wat er zo bijzonder aan was. Zij waren in de jaren zeventig geboren. Hippies waren niet interessant.
‘Ja, dat weet ik,’ zei Elle, die niet bot wilde doen over haar gouden tijd in San Francisco, vooral niet in het licht van de aankondiging van afgelopen dinsdag in het Savoy. Ze bedacht hoe weinig ze er eigenlijk van afwist ondanks de neiging van haar moeder er erg overdreven over te doen, bijvoorbeeld door te zeggen dat ze lsd had gebruikt met Timothy Leary. Ze keek naar de foto van Mandana voor een klassiek gebouw. ‘Is die foto daar genomen?’ vroeg ze tot haar grote ergernis belangstellend.
‘Dat zou kunnen, volgens mij is dat het stadhuis. We protesteerden tegen de oorlog, mijn vriendin Kathy is daar gearresteerd.’
‘Hoe lang ben je daar eigenlijk geweest, voordat… voordat je moest vertrekken?’
Mandana zette haar handen in haar zij en keek naar het plafond. ‘Oooh, niet zo lang. Een maand of vier, vanaf oktober.’
‘Toen was de Summer of Love toch al voorbij?’
‘Eh… ja. Het was in zevenenzestig. Allang dus.’ Mandana zweeg even. ‘Eerlijk gezegd heb ik de beste tijd waarschijnlijk gemist. Er waren heel veel mensen die helemaal uit hun dak gingen, alles was tie-dye. En het was er ijskoud. Ik dacht dat in Californië het hele jaar door de zon scheen, maar niet in San Francisco. Daar sneeuwde het. Ik had alleen een regenjasje bij me. Dat is mijn voornaamste herinnering, de kou. Niet erg heftig, man.’ Ze glimlachte.
‘Je deed altijd net alsof je er middenin had gezeten, mam,’ zei Elle. ‘En nu zeg je dat je twee jaar te laat was en dat het geen zomer maar winter was. Wat een leugens heb je ons op de mouw gespeld.’
‘Dat weet ik,’ zei Mandana vrolijk. ‘Maar het voelde alsof er nog altijd iets bijzonders in de lucht hing, zelfs toen. Het was erg… bijzonder.’
‘Waar sliep je?’
Mandana ging op de bank zitten en trok haar voeten onder zich. ‘Nou, in Haight-Ashbury, samen met andere jongeren die waren weggelopen op zoek naar de hippiedroom,’ zei ze, en ze sloeg haar armen om zich heen. ‘Het huis was van een oude boeddhist. Hij hoefde geen huur, maar wilde alleen dat we kookten, schoonmaakten en van elkaars gezelschap genoten.’ Ze zuchtte. ‘Het was een geweldige plek met uitzicht over het Panhandle-park. Ik deelde een kamer met Jackie, uit Liverpool. Alle anderen waren Amerikanen en ze waren dol op Jackies accent vanwege The Beatles. Jackies zus had zelfs met Paul op school gezeten. De mensen kwamen gewoon langs om haar te ontmoeten.’ Haar ogen schoten vol bij de herinnering. ‘En ze waren ook dol op mijn accent, dat was in die tijd veel noordelijker. Daarna heb ik het weggepoetst. Later. Een jongen zei ooit tegen me dat ik op Jane Fonda leek. Uit Liverpool. Ik bedoel, ik kwam niet uit Liverpool, maar ik heb hem niet op zijn fout gewezen.’
Elle schoof wat heen en weer. ‘Maar wat deed je daar eigenlijk de hele dag? Ik bedoel, vonden je ouders het wel goed? Oma en…’
Ze had nooit echt een naam voor haar opa gehad. Hoewel ze hem eigenlijk opa hoorden te noemen, zagen ze hem bijna nooit en het leek een te gezellige benaming voor iemand die je niet kende.
‘Ik was weggelopen. Ze konden er niet veel aan doen,’ zei Mandana. Ze leek zich een beetje te schamen. ‘Ze dachten dat ik na de universiteit een secretaresseopleiding ging volgen en dat ik in Spanje Spaans ging leren, dus hadden ze een ticket naar Madrid voor me gekocht. Ik heb een cheque vervalst en het ticket veranderd in een vlucht naar New York en daarvandaan ben ik naar de andere kant van het land gelift. Ik wilde zo ver mogelijk weg.’
‘Was je vader niet woedend?’
‘Het kon me niet schelen,’ zei ze eenvoudigweg. ‘Ik haatte hem en ik haatte mijn moeder ook, maar vooral hem. Hij was een afschuwelijke man.’
‘Hoezo?’
‘Hij dronk.’
‘Dronk hij? Was hij…’ Elle wist niet hoe ze het moest omschrijven. ‘Erg?’
‘Ja, erg.’ Mandana glimlachte flauwtjes en ging vlug verder voordat Elle haar kon onderbreken. ‘Waar was ik gebleven? San Francisco. O, ja. Ik was thuis in Nottingham en dacht dat ik daar nooit weg zou komen. Al mijn vrienden studeerden en leerden hoe ze dingen moesten doen. Mijn vader wilde me niet laten gaan, dus werkte ik bij Boots. Elke avond kwam ik thuis, at het smakeloze eten, zat in het donker naar hem te luisteren en wilde dat hij dood was. Ik kon er gewoon niet meer tegen, dus verzon ik een secretaressecursus in Spanje en bleef liegen.’ Haar accent was sterker, alsof ze weer negentien was. ‘Ik mocht van mijn vader het huis niet uit als ik mijn haar niet netjes in een staart had, ik droeg het getoupeerd met een strik, weet je. En altijd die verschrikkelijke platte schoenen, ik had er zo’n hekel aan. Echt zo’n hekel. Geen zon, niemand die glimlachte, overal scheuren in het wegdek en onkruid. En een maand later zat ik nog geen twee straten bij de Grateful Dead vandaan, vlak bij de oceaan, waar het niemand iets kon schelen of je je haar waste, een beha droeg of wat dan ook. Je kon er gewoon jezelf zijn. Geen leugens, geen nepgedoe, geen maatschappij. Iedereen voelde zich op zijn gemak.’ Haar ogen stonden glazig. Elle keek haar gebiologeerd aan. ‘Ik heb Ken Kesey ontmoet, wist je dat? En ik ben in Altamont geweest, dat was mijn mijlpaal.’
‘Wat was Altamont?’
Mandana knipperde met haar ogen, alsof ze even vergeten was dat Elle er was. ‘O,’ zei ze. ‘Eh… het was een gratis Stones-concert even voorbij Oakland. Uitgelopen op een grote ramp. Een paar Hells Angels hebben een aantal jongens doodgeslagen. Er werd gezegd dat er op dat moment een einde aan het hele love-en-peace-gebeuren kwam. Dat was in december. En in januari was het zo koud en ik werkte als serveerster, maar toen werd ik betrapt…’ Ze pauzeerde even. ‘En naar huis gestuurd. Nu weet je alles. Het spijt me dat ik het je niet eerder heb verteld. Dat ik ben gearresteerd.’
‘Het geeft niet, mam,’ zei Elle ongemakkelijk. ‘Het is niet erg, maar je had het ons heus wel kunnen vertellen. Het was toch geen heroïne of zo. Zo erg was het nu ook weer niet.’
Mandana schoof dichter naar Elle toe. Ze pakte haar hand. ‘Voor mij wel. Voor mijn gevoel was het: dit was je fantastische leven, je hebt ervan kunnen proeven en nu zul je er nooit naar teruggaan, je gaat terug naar dat rotleventje in Nottingham waar je vader nog altijd zit te drinken en je moeder nog altijd liegt en doet alsof er niets aan de hand is en dat is je straf, meer nog dan hoe boos ze op je zijn. En het spijt me. Soms denk ik… Nou ja. Maar ik heb in het Savoy toch niet de hele avond gedronken?’ Ze knielde neer en klopte Elle op haar knieën, haar bruine ogen stonden bezorgd. ‘Het is in orde, Ellie. Ik ben niet zoals vader.’
‘Mijn vader drinkt bijna nooit.’
‘Mijn vader, niet die van jou.’
Elle kon zich haar grootvader nauwelijks herinneren. Ze kende haar grootmoeder, die stil en volgzaam was, en bang voor schaduwen, slaande deuren en rennende kinderen. Ze woonde in een miezerig huisje in een donker zijstraatje in Notthingham. Elle was er zelden geweest. Ze ging veel liever naar oma Bee, dicht bij de Theems in de buurt van Marlow, in het land van De wind in de wilgen. Ze wist dat haar moeder er ook zo over dacht.
‘Dus… hij was… alcoholist?’
‘Ik vermoed van wel. Hij was absoluut een dronkaard. We hadden het er nooit echt over. Hij zat in de woonkamer de Express te lezen en whisky te drinken, of in de pub. Hij was een rotzak, je bleef wel uit zijn buurt. Ik haatte hem.’
Elle legde een arm om haar heen. ‘Mam, dat heb ik nooit geweten. Waarom heb je het nooit verteld?’
Mandana haalde haar schouders op. ‘Ik vond het niet prettig om eraan herinnerd te worden. Ik was niet de enige, weet je. In de jaren na de oorlog was er niet veel geld, er was geen werk. Hij was gewond geraakt in Frankrijk. Toen hij terugkwam was iedereen doodmoe, alles was veranderd. Hij wilde graag een filmtheater, iets met veel glitter en glamour waar de sterren op af zouden komen. Hij wilde niet in een winkel werken. Volgens mij was hij een teleurgesteld man, maar toch hield ik niet van hem. Ik kon het niet. Hij was niet aardig. Zo is het gewoon en niet anders.’
Elle wist niet wat ze zeggen moest. ‘Jeetje, wat erg. Heb je je nooit afgevraagd of het invloed heeft gehad… ik weet het niet, op jouw leven?’
‘Hoe dan?’ Mandana trok zich iets terug.
‘Nou…’ Elle hield haar adem in en zei: ‘Waarom je zoveel drinkt of waarom je dat deed. De rottijd toen papa is wegging, dat allemaal.’
Mandana klopte op haar knie. ‘Ik weet hoe je in elkaar zit en je hoeft je geen zorgen te maken. Die rottijd, dat is heel lang geleden.’
Elle slikte. ‘Ik weet het met jou gewoon nooit,’ zei ze.
‘Ik weet dat ik destijds te veel dronk en er zijn heel veel dingen die ik heb verprutst. Maar het is nu meer dan tien jaar geleden dat hij weg is gegaan en ik heb alles weer onder controle.’ Haar moeders bruine ogen waren strak op haar gezicht gericht.
‘Echt?’
Mandana zei: ‘Ik beloof het je.’ Ze knikte.
Elle besefte niet dat ze haar adem had ingehouden. Ze ademde uit en probeerde haar schouders van opluchting niet te laten hangen. ‘Oké.’
‘Ik drink niet meer, er is heel veel om naar uit te kijken en alles komt goed. Je hoeft je over mij geen zorgen te maken. Ik kan heel goed voor mezelf zorgen.’
‘Ik maak…’
‘Jawel, jij maakt je overal zorgen over, Ellie. En ik vind het verschrikkelijk als je over mij inzit. Ik ben je moeder en met mij gaat het goed.’
Elle knuffelde haar en glimlachte tegen haar schouder. ‘Het spijt me. Ik zal het niet meer doen. Je hebt gelijk.’
‘Eerlijk gezegd,’ zei Mandana, ‘wilde ik iets met je bespreken.’ Ze sprong op, liep naar de keuken, pakte een doek en begon het aanrecht te poetsen. ‘Ik zou graag willen dat je iets voor me deed.’
‘Natuurlijk, wat dan?’ Elle stond op en liep naar haar toe.
Mandana streek over haar platte korte haar met de hand waarmee ze de doek vasthad, ze was slecht op haar gemak. ‘Eh… ik wil graag dat je je vader een e-mail stuurt om hem te laten weten dat ik zijn geld niet langer wil.’
‘Wat?’
‘Hij stuurt me elke maand geld.’ Ze hield haar kaken stijf op elkaar. ‘Ik wil het geld waarmee hij zijn schuld afkoopt niet meer.’
‘Maar, mam, dat is je alimentatie,’ zei Elle. ‘Hij heeft toegestemd dat tot je zestigste te betalen. Het is erg gul van hem. Je moet het niet teruggeven.’
‘Dat wil ik!’ riep haar moeder plots. Ze liet de doek in de gootsteen vallen en veegde haar handen aan haar ribbroek af. ‘Het gaat goed met me! Ik wil verdorie geen geld meer van hem! Ik wil dat hij me met rust laat. Met rust!’
‘Mam,’ zei Elle standvastig. ‘Ik wilde alleen maar…’
‘Ik heb een nieuw leven. Ik wil het huwelijk achter me laten. Het gaat goed tussen Bryan en mij en…’
‘O,’ zei Elle. ‘Nou, eh… wauw, dat is…’
‘Het is geen grote romantische toestand op dit moment, schat.’ Mandana stak haar hand op. ‘Ik wil je alleen maar laten weten dat ik andere dingen heb lopen. Ik draai meer uren in de bibliotheek en krijg dus meer geld. Anita uit het dorp en ik beginnen ons eigen bedrijfje, Ellie. Je weet er nog helemaal niets van. We zijn een importbedrijfje aan het opzetten.’
‘Oké,’ zei Elle langzaam. ‘Dat klinkt interessant. Wat voor bedrijfje?’ Ze riep zichzelf een halt toe, want ze klonk als een afkeurende leraar.
Mandana zei trots: ‘In Indiaas textiel. Vooral spreien. Anita gaat constant heen en weer naar Rajasthan. Ze koopt daar spullen, brengt ze mee terug, en we verkopen ze hier. We hebben open dagen, een soort… exotisch magazijn. We hebben er al drie verkocht.’ Ze ging verder met schoonmaken, terwijl Elle naar haar stond te kijken. ‘Ik zou het dus heel fijn vinden als je je vader zou kunnen mailen. Ik vind het niet prettig om op zijn zak te teren, Ellie. Ik wil me niet laten onderhouden, ik moet het zelf doen.’ Ze haalde diep adem. ‘Het is tijd dat ik opnieuw begin. Stop met het slechte gedrag. Het verleden vergeet.’ Ze tilde haar hoofd op. ‘Hij is duidelijk bezig geweest Rhodes tegen me op te zetten en dat Amerikaanse meisje. Dus ik wil graag dat jij met hem praat.’
‘Vond je het vervelend afgelopen dinsdag?’ vroeg Elle.
Mandana lachte zachtjes. ‘Het is mijn schuld, alles. Ik schaam me zo voor alles wat er is gebeurd. Maar ik vond het niet prettig hoe ze naar me keek.’
‘Melissa? O, ik denk dat ze best oké is,’ zei Elle, vooral omdat ze dat hoopte, niet zozeer omdat ze het zelf geloofde.
Mandana schudde haar hoofd. ‘Ik hoop dat ik het bij het verkeerde einde heb. Ze kijkt je aan en je ziet gewoon dat ze vindt dat ze beter is. Ze lijkt mij een onrustzaaier.’ Ze kneep haar ogen tot spleetjes. ‘En ik weet dat het belachelijk is, maar ik heb geen zin om met je vader te communiceren, vooral niet na de dingen die hij in het Savoy tegen me heeft gezegd. Ik weet dat we ons op de bruiloft allemaal moeten gedragen, als die hier wordt gehouden, maar in de tussentijd… nou… zou ik je erg dankbaar zijn. Je begrijpt het toch wel?’
‘Jazeker,’ zei Elle, en ze schudde haar hoofd. ‘Natuurlijk begrijp ik het, mam.’
Ze pakte haar theekopje en vroeg zich af wat Rory aan het doen was. Hij had haar sms’jes niet beantwoord en daar was ze eigenlijk wel blij om. Terwijl ze om zich heen keek, probeerde ze zich voor te stellen dat hij hier was, met haar moeder bij de open haard zat te kletsen. Het lukte haar niet.
‘Ik vind het fijn dat je er bent, Ellie,’ zei haar moeder, haar gedachtegang onderbrekend. ‘Bedankt dat je bent gekomen. Bedankt dat je het met me uithoudt.’
‘Jij ook met mij,’ zei Elle. ‘Ik ben degene die zich zou moeten verontschuldigen.’
‘Nee, schat, dat ben ik,’ zei Mandana. ‘Maar zoals ik al zei, alles is nu in orde.’ Ze keek uit het raam en lachte. ‘De toekomst ziet er stralend uit. Ik wil graag dat je me gelooft, Ellie, schat.’
Ze hieven de mokken thee in een stille toost naar elkaar op. Buiten klonk het aanhoudende geraas van nog meer regen, kletterend op het dak, het pad en in de plassen.