APPENDIX 1

•••

SCHUURMAN ALS COMPONIST

•••

Als historicus is het voor mij onmogelijk om een oordeel te geven over de compositorische kwaliteiten van Melchert Schuurman. Twee musici, dr. G.N.M. (Jurjen) Vis – tevens historicus – en de klarinettist en muziekjournalist Jos Ruiters, zijn zo vriendelijk geweest om zijn composities tegen het licht te houden en te beoordelen.

Jurjen Vis is matig te spreken over de composities van Schuurman. Als de vooroorlogse composities worden vergeleken met de school- en gezinsliederenbundel Kun je nog zingen, zing dan mee! dan halen die in zijn ogen niet dat niveau. Zijn vooroorlogse liederen zijn sentimenteel, vaak simpel van melodie en veelal van hetzelfde laken een pak. Wel liggen de melodieën gemakkelijk in het gehoor.

De politieke liederen zijn ritmisch sterk en zijn vlot eigen te maken. In die zin voldeden ze ruimschoots aan waarvoor ze bedoeld waren: er kon goed op worden gemarcheerd en binnen de kortste keren konden ze worden meegezongen. Wel was Schuurman niet te beroerd om thema’s uit andere liederen hiervoor te gebruiken. Zijn lied ‘Vrijheid en Recht’ heeft een letterlijke wending uit het onofficiële Britse volkslied ‘Rule, Britannia!’ Het was een repertoire waar je niet langdurig naar kon luisteren, maar waar wel lange tijd op kon worden gemarcheerd en dat nog lang nagalmde.

In zijn naoorlogse composities had hij de neiging om nodeloos ingewikkeld te doen. Wilde hij wellicht indruk maken? Harmonisch gezien zijn zij vaak gebrekkig en missen oorspronkelijkheid en iets wat je een eigen handtekening zou kunnen noemen. Dat geldt overigens niet voor alle composities. De ‘Pendule-Serenade’ kenmerkt zich door een goed begin, terwijl ook ‘Sehnsucht’ en de ‘Kaasdragersmars’ niveau hebben. Ook de Franse toets die hij wist aan te brengen in ‘Le Prisonnier’ mag er wel zijn. Daar staat tegenover dat andere naoorlogse composities duidelijk tekortschieten. ‘Einsamkeit’ is gewoonweg goedkoop van melodie en dat geldt ook voor ‘Cheese Town Serenade’. Dat hij niet helemaal los was van zijn politieke liederen bleek uit het ‘Egmondlied’ waarvan de melodie erg doet denken aan ‘Vrijheid en Recht’. Vaak bleven zijn naoorlogse composities traditioneel van opzet.

Kortom, Schuurman had ontegenzeglijk gevoel voor melodie en kon hier en daar verrassend uit de hoek komen, maar een groot componist was hij bepaald niet.

Jos Ruiters, de tweede musicus die zich over de composities van Schuurman heeft gebogen, constateert dat zijn vooroorlogse liedjes vooral braaf en lieflijk van karakter zijn. De opzet kenmerkt zich door eenvoud en die eenvoud zet zich ook door in zijn politieke liederen. Sommige liederen springen eruit, zoals ‘Wiegeliedje’, dat mooi is geharmoniseerd. Toch beheerste Schuurman de harmonieleer niet en ook Jos Ruiters constateert dat er in sommige liederen muziektheoretische fouten in de harmonie zitten.

Het ‘Poppendansje’ typeert Jos Ruiters als fris en vindingrijk. Uit de harmonie van ‘Popke’ maakt hij op dat Melchert Schuurman een fan was van Richard Wagner. Schuurmans trots, namelijk ‘Vision’, lijkt op de romances van Robert Schumann. Dit waren niet de enige Duitse componisten door wie Schuurman zich liet inspireren. In het ‘Weihnachts-Wiegenlied’ valt duidelijk de invloed van Brahms te constateren.

Zijn politieke liederen blinken, zoals al eerder gezegd, uit door eenvoud, maar waren mede daarom heel trefzeker. Ze waren immers heel goed meezingbaar en ook iemand die niet kon zingen, zong ze binnen de kortste keren mee. Misschien was deze simpelheid, die zich ondermeer uitte in het componeren van logge marsmuziek, wel typerend voor het Nederlandse strijdlied en wijkt het daarin af van de Duitse nationaalsocialistische liederen. Het ‘Lied der Legioensoldaten’ bevat een thema uit de ‘Grenadiersmars’ dat beter bekendstaat onder de naam ‘Turf in je ransel’ dat overigens ook op NSB-bijeenkomsten werd gespeeld. Jos Ruiters noemt dit nadrukkelijk niet plagiëren, maar gebruikt hier liever de term ‘citeren’ voor.

Na de oorlog greep Schuurman soms terug op vroegere thema’s, zoals in de ‘Kinheim-suite’. Die bevat opmerkelijk veel marsthema’s waar hij ook in zijn politieke muziek kwistig mee strooide. Overigens gebruikte hij in het derde deel een stukje uit het ‘Alkmaars Stedenlied’, het onofficiële volkslied van de kaasstad. Schuurman kon zeker variëren in zijn composities, zoals het geval was met zijn compositie ‘Sehnsucht’. Het is Franse salonmuziek, lichtvoetig van toon en zeker bijzonder. Ook andere naoorlogse composities springen eruit, zoals de ‘Kaasdragersmars’, die betiteld kan worden als verfrissende muziek. ‘Le Prisonnier’ en de ‘Pendule-Serenade’ kenmerkt Jos Ruiters als interessante composities. Dat geldt ook voor de ‘Cheese Town Serenade’: je hoort daarin het centenbakje van de orgeldraaier als het ware rammelen!

Bijzonder mag de ontdekking van Jos Ruiters genoemd worden dat de opmaat van ‘Le Prisonnier’ begint met een octaaf in de bas op Es, ofwel een verwijzing naar de letters SS!

Al met al constateert ook Jos Ruiters dat Melchert Schuurman er weliswaar als componist niet met kop en schouders boven uitstak, maar wel moet worden vastgesteld dat zijn composities voldeden aan het doel waarvoor ze bedoeld waren: als vermaak, als lesmateriaal of als opbeurende mars- en strijdmuziek.