35

atlantische oceaan, zaterdag 2 - dinsdag 12 september 2006

’s Nachts staat de poolster achter de boot aan stuurboord; de koers is zuidwest. Overdag heeft de bemanning een paar keer walvissen gespot. ’s Ochtends liggen er vliegende vissen op het dek. Het is rustig weer en na enkele etmalen verlegt Eric de koers naar pal west. Met de stabiele bakstagwind van de noordoostpassaat schuin in de rug is de Joyeuse onderweg naar de Cariben. De Atlantische oversteek verloopt probleemloos.

De routine aan boord is er als vanzelf weer ingesleten. Daarmee komen de spanningen tussen de bemanningsleden, die bij de nadering van La Gomera verdwenen leken, weer terug. Gebroken nachten, slapeloosheid, verveling, jaloezie, gebrek aan privacy en een sluipende irritatie over elkaars hebbelijkheden eisen hun tol.

Tessa observeert de onderlinge verhoudingen zoveel mogelijk van een afstand. Ze heeft de gewoonte van Bobby overgenomen om zich terug te trekken in de hangmat op het voordek. Eric praat nauwelijks met Bobby en Orville, alsof hij beiden niet langer vertrouwt. Orville communiceert niet met Bobby en ontwijkt Eric. Bobby doet zwijgend zijn werk en onttrekt zich compleet aan het sociale leven. Zelf probeert Tessa zo ontspannen mogelijk te blijven. Ze heeft het gevoel dat ze zich als therapeutisch begeleider in een inrichting bevindt.

In La Gomera had ze van boord gekund. Maar voor de tweede keer waren ze abrupt vertrokken. Haar aanwezigheid aan boord is zo vanzelfsprekend dat bij Eric de vraag zelfs niet is opgekomen of ze verder wilde. Er lijkt Eric alles aan gelegen om haar aan boord te houden. En volgens haar wil Orville haar aanwezigheid evenmin missen. Voor Bobby maakt het niet uit of ze wel of niet aan boord is. De Chileen draait zijn wachten, kookt de avondmaaltijden, drinkt zijn mate en herleest zijn Spaanse stripboeken.

Zelf is ze nog lang niet toe aan de terugkeer naar Amsterdam. Op dit laatste traject van de tocht moet ze haar slag slaan. Het is alles of niets.

In het internetcafé op La Gomera heeft ze ’s ochtends haar e-mail binnengehaald. Tussen de tientallen spamberichten en boodschappen van vrienden en familie was ook een mailtje van Broos. Het was zijn antwoord op haar laatste mail aan hem vanaf Guernsey. Hij wenste haar een gave trip en moedigde haar aan om verder te gaan. Eén opmerking van zijn antwoord is haar bijgebleven: ‘De tiende vrouw’.

Ze vermoedt dat ze begrijpt wat hij bedoelt. Daarmee moet ze aan de slag.

Het probleem is dat ze informatie van Eric en van Orville nodig heeft en dat ze niet weet hoe ze die van hen kan loskrijgen. Ze heeft een duivels plan in haar hoofd, waarbij Bobby onmisbaar is. Hij moet haar helpen. De vraag is of hij haar spel wil meespelen. En of Eric en Orville er in zullen trappen.

 

Twee keer per dag, ’s ochtends en ’s avonds, haalt Orville met gebruikmaking van de satelliettelefoon van Eric de weerkaarten en de stormwaarschuwingen van noaa, de National Oceanic and Atmospheric Administration van de Amerikaanse federale overheid, binnen op de computer. noaa geeft gedetailleerde informatie over actuele weersomstandigheden en verwachtingen op korte en lange termijn. Ze geeft ook vroegtijdige informatie over de ontwikkeling van tropische stormen en orkanen.

Geregeld kijkt Tessa met Orville mee. Ze heeft bewondering voor zijn deskundigheid: hij weet hoe hij de informatie moet interpreteren. Zijn kennis van weersystemen is fenomenaal.

Als Orville in de navigatiehoek voor de computer zit, staat ze vaak achter hem. Soms leunt ze tegen zijn rug of legt ze haar handen op zijn schouders, terwijl ze met hem naar het beeldscherm kijkt. De erotische hoogspanning die ze de eerste dagen in elkaars nabijheid voelden, is verdwenen. Ze gaan als scheepsmaten met elkaar om. Vertrouwd, maar niet intiem. Orville geeft technische uitleg: de isobaren van hoge- en lagedrukgebieden, windsnelheden en windrichtingen, de ontwikkeling van troggen, ruggen, warmte- en koudefronten.

Tessa leert dat tropische stormen zich in deze tijd van het jaar ontwikkelen bij de Afrikaanse kust en vervolgens naar het westen trekken, richting Cariben. Tijdens het oversteken van de Atlantische Oceaan nemen ze zo veel energie op dat ze uitgroeien tot de beruchte orkanen die de Caribische eilanden, Midden-Amerika en de zuidkust van de Verenigde Staten teisteren. Deze orkanen ontstaan halverwege de oceaan. Anticipatie hierop kan voor zeilers op een trans-Atlantische oversteek levensreddend zijn.

Maar vooralsnog staat er een stabiele noordoostpassaat en vaart de Joyeuse met volle zeilen over bakboord kalm in de richting van het Caribische eiland Antigua.

 

‘Ben je helemaal knetter geworden!’

De schreeuw van Orville klinkt schril door het donker van de nacht.

‘Eric, verdomme, doe dat bloody thing weg voordat je een ongeluk begaat!’

Tessa zit rechtop in haar kooi. Ze kan niet precies horen wat er gebeurt, maar ze hoort aan de toon van Orvilles stem dat hij in paniek is. Niet gespeeld, maar echt. Met een geroutineerde beweging trekt ze snel wat kleren aan en daarna haast ze zich naar buiten. Ook Bobby, in onderbroek, is uit zijn hut gekomen. Zijn zware lijf is vochtig van het zweet.

Op het achterdek speelt zich een absurdistische scène af. Orville staat bij de reling. Hij wordt onder schot gehouden door Eric, die het machinegeweer van Bobby in zijn handen heeft. Zodra Eric ziet dat Tessa en Bobby naar buiten komen, zwenkt hij even met het geweer. ‘Houden jullie je er buiten!’ roept hij. In het vale licht dat uit de kajuit schijnt, ziet Tessa dat Eric een verwilderde blik in zijn ogen heeft. Dronken, schiet het door haar hoofd. De schipper is lazarus.

‘Hij dreigt me te vermoorden!’ roept de Brit angstig. Hij lijkt er niet zeker van of het Eric ernst is of dat het alleen om een dreigement gaat. Maar dan wel een bloedserieus dreigement. De sfeer is geladen. Het geweer trouwens ook, vermoedt Tessa.

‘Ik heb je door, smeerlap! Je neukt met Tessa en in ruil voor je Chippendale-diensten spoor je haar aan om mij zo gek te krijgen informatie aan haar te geven die jij wilt gebruiken om mijn rekeningen te plunderen. Heel vernuftig en heel geraffineerd!’ zegt Eric. Hij zwaait weer vervaarlijk met het geweer. Zijn stem is opgewonden, net zoals bij de ruzie met Bobby over de dieselmotor. Hij is buiten zichzelf. Dit is de zwarte kant van zijn persoonlijkheid, denkt Tessa.

‘Tess, zeg hem dat het niet waar is!’ roept Orville angstig.

‘Gelul. Van wie moet ze het anders hebben? Jij zit achter mijn vermogen aan.’

‘Dat had ik toch al honderd keer van Guernsey kunnen laten verdwijnen? Dan was ik ’m gesmeerd met jouw rekeningen en al. Daar hoef ik deze tocht niet voor mee te maken.’

‘Geen betere plek om iemand te bestelen dan op volle zee!’ schreeuwt Eric. Hij houdt het geweer nog steeds op Orville gericht, alsof hij hem een bekentenis wil afdwingen. Eén beweging, vreest Tessa, en Eric is in staat om te schieten.

‘Zeg dat het onzin is!’ smeekt Orville haar.

‘Eric, het is onzin. Orville heeft helemaal niets met mij afgesproken. Je jaagt spoken na,’ zegt Tessa. Ze probeert overtuigend en weloverwogen te klinken, maar beseft dat haar woorden geen enkele indruk op de dronken schipper maken.

‘Hou jij je er buiten, slet!’ roept Eric in haar richting, zonder zijn ogen van de Brit af te wenden.

‘Hoe kom jij verdomme aan mijn geweer!’ mengt Bobby zich in het nachtelijke tumult. ‘Je weet niet eens hoe je dat ding moet bedienen. Geef mijn machinegeweer onmiddellijk terug!’

‘Kop dicht, Speedy Gonzáles!’ roept Eric met een beweging van zijn hoofd naar de Chileen.

‘Eric, doe normaal!’

‘Alsjeblieft, Eric, niet doen!’

Voordat Eric antwoord kan geven, stort Bobby zich op hem, als een roofdier op zijn prooi. De zwaarlijvige Chileen duwt Eric hardhandig tegen de kuiprand en maakt hem het geweer afhandig. Eric kermt van pijn. Beduusd loopt Orville weg van de reling. Tessa wil hem op zijn gemak stellen, maar ze bedenkt dat ze op dit moment beter geen troostende arm om zijn schouders kan slaan. Ze gaat naar binnen om een fles water te halen. Als ze weer buiten komt geeft ze Orville de fles. Hij neemt een paar slokken om bij te komen van de schrik.

‘Bedankt, Bobby. Dat was een perfecte scrum,’ zegt Orville.

Het is voor het eerst dat Tessa de Brit iets positiefs over de Chileen hoort zeggen.

‘Kleine moeite. Het geweer stond gelukkig nog op zijn veiligheidspal,’ zegt Bobby rustig. ‘Weet je hoeveel kogels per seconde je hiermee kunt afvuren, Eric? Je had verdomme je eigen boot in een vergiet veranderd. Dan waren we allemaal naar de kelder gejaagd door jouw dronkemansactie.’ Hij koestert zijn geweer. ‘Ik had het beter moeten opbergen,’ zegt hij – meer tegen zichzelf dan tegen de rest van de bemanning.

‘Het stond naast je bed. Voor iedereen grijpbaar,’ zegt Eric ter vergoelijking van zijn optreden. Zijn stem is weer normaal. Hij lijkt vergeten te zijn wat hij zojuist veroorzaakt heeft. Alsof het een andere persoon was, die met het geweer stond te zwaaien en Orville bedreigde.

 

‘Ik wil je een voorstel doen,’ zegt Eric tegen Tessa. Het is vroeg in de ochtend. Bobby en Orville liggen nog te slapen, ze hadden de twee laatste wachten van de afgelopen nacht. Tessa zit met Eric onder de zonnetent die over de kuip is gespannen. Eric is weer zichzelf en terwijl hij van zijn koffie slurpt rept hij met geen woord over zijn gewelddadige uitval van de vorige nacht. De confrontatie met Orville heeft hij ogenschijnlijk van zijn harde schijf gewist.

‘Als het maar geen bedreiging is,’ zegt Tessa afhoudend. Nu ze ervan overtuigd is dat Eric een dubbele of een gespleten persoonlijkheid heeft, is ze beducht voor nieuwe uitvallen.

‘Sorry dat ik Orville vannacht onder druk zette. Het was misschien wat overtrokken. Maar hij moet weten wie de baas is aan boord. Hij moet beseffen dat hij voor mij werkt, en niet andersom. Ik wilde hem waarschuwen. Hij kan zich niet alles permitteren, ook al is hij mijn bankier. Hij had met zijn poten van jou af moeten blijven. En hij moet niet proberen via jou financiële geheimen aan mij te ontfutselen. Is dat duidelijk?’

Tessa begrijpt niet waar Eric op doelt. Ze voelt zich als een leerling van de brugklas die ten onrechte een standje van de leraar krijgt. Je bent stikstapelgek, Pincoff, denkt ze. Afgemeten zegt ze: ‘En wat is je voorstel? Wil je Orville soms overboord zetten?’

‘Mijn voorstel gaat over onze bootsman Roberto Menéndez Ruiz.’

Voor het eerst hoort Tessa Eric de volledige naam van de Chileen gebruiken. Dat voorspelt geen goeds.

‘Jullie hebben ruzie, hè?’ zegt ze.

‘Ach, ruzie. We hebben onze meningsverschillen. Dat is altijd zo geweest. Maar er is iets bijgekomen. Ik vertrouw hem niet. Beter gezegd: niet meer,’ zegt Eric. ‘Ik wil van hem af. Op Sint Maarten ontsla ik hem.’

‘Hoezo? Je moet hem juist belonen! Hij heeft jouw en mijn leven gered bij Scheveningen.’

‘Hij moet mij beschermen, dat staat in zijn arbeidscontract. En dat doet hij uitstekend. Maar op deze reis…’ Eric aarzelt.

‘Je denkt dat hij verraden heeft in welke haven je bent.’

Verrast kijkt Eric haar aan. ‘Hoe weet je dat?’

Tessa haalt haar schouders op. ‘Ik ben niet achterlijk.’

‘Ik weet niet hoe je erbij komt, maar je hebt gelijk. Bobby is de enige die de route kende. En het is gebleken dat anderen er ook van weten.’

‘Vertel me eens wie die anderen zijn. Volgens Bobby zijn het ontevreden zakenpartners van je.’

‘De Chileen lult maar wat. Eens te meer een bewijs dat hij onbetrouwbaar is.’

Tessa gaat er niet op in. ‘Ik kan zelfstandig nadenken. Maar wat willen die zakenpartners van je? Ze hebben er toch niets aan om je over de oceaan te achtervolgen?’

‘Wat dacht je! Er staat nog een rekening open. Ze zitten achter mijn geld aan. Maar…’

‘Wacht even. Jouw geld ligt toch niet in het vooronder van de Joyeuse verstopt?’

Eric schiet in een nerveuze lach. ‘Nee, natuurlijk niet. Als dat zo zou zijn, dan was deze boot allang bezweken onder het gewicht en als een baksteen gezonken. Maar er zijn mensen aan boord met de kennis waar dat geld te vinden is. Die weten hoe je toegang tot mijn rekeningen krijgt.’

‘Orville en jij,’ zegt Tessa. Ze probeert zo neutraal mogelijk te klinken, maar vanbinnen voelt ze triomf. Eindelijk hoopt ze van Eric de dingen te horen waarin ze geïnteresseerd is. Dit gaat de goede kant op. Ze wil zeggen: Jullie twee weten hoe je de codes van de tien vrouwen van Karel de Grote moet gebruiken, maar dat houdt ze voor zich.

Eric ontwijkt een direct antwoord. Hij zegt: ‘Ooit wel eens gedacht aan een zakelijke carrière? Wij zouden uitstekend kunnen samenwerken. Ik bied je een partnerschap aan. Puur zakelijk, bedoel ik.’

‘Wat schuift het?’ vraagt Tessa. Ook zij vermijdt een direct antwoord.

‘Ha ha! Goede vraag. Maar die ga ik niet beantwoorden.’

‘Toch wil ik wel eens van je horen hoe jouw financiële constructies precies in elkaar steken. Puur zakelijk, uiteraard.’

‘Weet je, Tess, zodra we zakenpartners zijn, krijg je dat allemaal te horen. Inclusief wat het schuift. Maar nu even niet. Ik zal je vertellen wat mijn voorstel is. Jij moet er achter komen of Bobby inderdaad gegevens over de positie van de Joyeuse heeft doorgespeeld.’

‘Moet ik als spion optreden? Nee hoor, daar bedank ik voor. En waarom zou hij dat aan mij vertellen?’ vraagt Tessa.

‘Omdat jij hem iets in het vooruitzicht kunt stellen.’

‘Ik heb hem niets te bieden.’

‘Jawel, een flinke som geld.’

‘Dat kun jij hem toch echt beter zelf toezeggen.’

‘Jawel, maar mij vertrouwt hij niet. Daarom speel ik het via jou. Ik beloof je een interessante beloning zodra we op Sint Maarten zijn aangekomen.’

‘Daar moet ik over nadenken.’

Orville steekt zijn slaperige hoofd uit het luik van de kajuit. ‘Zit er nog wat in?’ zegt hij, wijzend naar de koffiekan.

Even later schuift de Brit aan bij Tessa en Eric in de kuip. Hij maakt geen woord vuil aan de bedreiging van afgelopen nacht.

‘Ik heb tijdens mijn wacht naar de laatste weerberichten gekeken,’ zegt Orville nadat hij een paar slokken koffie heeft gedronken. ‘Er bevalt me iets niet. Er is een depressie aan het ontstaan, 750 mijl ten oosten van ons. Het hoeft niets te betekenen, maar deze depressie diept snel uit. De Amerikaanse weerdienst is er ook alert op, zag ik.’

‘Welke kant beweegt ze op?’ vraagt Eric.

‘Als ik de beelden goed interpreteer, komt ze achter ons aan.’

‘Moeten we ons zorgen maken?’

‘Nee, nog niet. Maar we moeten het goed in de gaten houden. Ik zal de komende uren vaker op de weersite kijken.’

‘Laten we er het beste van hopen,’ zegt Eric.

‘Je mag blij zijn dat je me niet overhoop hebt geschoten, Mr Pincoff. Je zult me nog hard nodig hebben,’ zegt Orville hooghartig.

 

’s Middags zit Tessa met Bobby op het achterdek. De Chileen heeft zijn hengel weer eens uitgegooid, maar het schip maakt te veel snelheid om iets te vangen. De hengel is meer tijdverdrijf dan een instrument voor de voedselvoorziening aan boord.

Tessa is niet van plan Bobby op de hoogte te stellen van het voorstel dat Eric haar die ochtend gedaan heeft. Ze heeft een eigen plan in haar hoofd.

‘Weet je dat Orville weer achter me aan zit?’ vertrouwt ze de Chileen toe. ‘Vannacht klopte hij op de deur van mijn kooi na mijn wacht.’

Bobby bromt: ‘Verbaast me niets. Heb je geen zin meer in hem?’

‘Het gaat niet om zin. Het is een kwestie van privacy.’

‘Ik heb je gewaarschuwd, chica. Hij is een onbetrouwbare anglosajón.

‘Soms willen je hormonen ook wat. Daar weet jij toch alles van?’

‘Ja, maar ik doe het nooit aan boord. Gescharrel met vrouwen geeft altijd problemen op een schip. Ik verwen mijn vriendinnen op de vaste wal.’

‘Je zult je er dan wel op verheugen dat we straks op Sint Maarten zijn.’

‘Wat je zegt.’

‘Maar Orville… Hij blijft me lastigvallen.’

‘Wil je dat ik hem aan zijn verstand breng dat hij daarmee stopt? Ik weet wel een maniertje.’ Bobby lacht sardonisch.

‘Ik heb een beter idee.’ Tessa buigt zich dichter naar de Chileen. ‘Wat denk jij dat we op Sint Maarten gaan doen?’

‘Nou… Eric zal het schip wel willen onderhouden.’

‘En verder? We gaan toch niet toevallig naar Sint Maarten?’

‘Nee, natuurlijk niet. De Simpson Bay Marina is Erics eigendom. En hij gaat natuurlijk geld van zijn bankrekening halen. Of erop storten. Of weet ik veel. Dat doet hij altijd op Sint Maarten.’

‘Dat bedoel ik!’

‘Ja, maar daar heb ik niets mee te maken. Dat is het werk van Orville. Als Eric naar zijn bank gaat, doe ik het onderhoud van de boot.’

‘En als we het deze keer eens omdraaien?’

‘Hoe bedoel je? Orville de boot en ik de bank?’

‘Dat jij – dat wij voor de verandering delen in de opbrengst?’

‘Santa María, Tessa. Je wilt toch niet dat we de bank van Eric overvallen?’

‘Nee, nee. Maar we kunnen hem te slim af zijn.’

‘We? Ik weet niet hoe je de rekeningen van Eric moet aftappen. Dat weten alleen Eric en Orville.’

‘Precies! En als jij Orville er nou eens heel dringend aan herinnert dat hij met zijn vuile graaipoten van mijn tieten moet afblijven?’

Hierover moet Bobby even nadenken. ‘Hijo de madre,’ zegt hij na een tijdje. ‘Jij bent nog doortrapter dan ik dacht. Ja, dat is een veelbelovend plan.’ Hij schiet in een bulderende lach. ‘Ik ben benieuwd wat Orville te zeggen heeft als ik zijn ballen afknijp.’

36

atlantische oceaan, woensdag 13 september 2006

Iedere drie uur volgt Orville de positie van de depressie op de weerkaarten. Ze beweegt zich in hoog tempo naar het westen. De isobaren, de lijnen op de weerkaart die dezelfde luchtdruk aangeven, komen steeds dichter bij elkaar te liggen. Het is een zeker teken van een zich uitdiepende depressie en van toenemende wind. ’s Nachts ziet Orville dat de noaa de depressie begint aan te duiden als een ‘tropical storm west of the African coast’. Dat is het moment om alarm te slaan. Hij wekt Eric. Bobby heeft de hondenwacht en staat buiten bij het roer. Door het gestommel aan boord wordt ook Tessa wakker. Om drie uur ’s ochtends is de hele bemanning paraat.

Het ziet er slecht uit. Als de depressie niet drastisch van koers verandert, zal deze binnen vierentwintig uur over de Joyeuse trekken. Een drastische koersverandering is onwaarschijnlijk: tropische stormen trekken van oost naar west en buigen hooguit iets af naar het noorden. Het vooruitzicht dat ze zich in het pad van een aanwakkerende storm bevinden, is allesbehalve aanlokkelijk. Er kunnen zich windsnelheden voordoen vijftig knopen (negentig kilometer per uur), windkracht tien. Of meer. Naarmate tropische stormen verder naar het westen razen, kunnen ze zich tot orkanen ontwikkelen – waarbij windsnelheden van ten minste 115 kilometer per uur mogelijk zijn. Dat is windkracht twaalf. Hoger gaat de schaal van Beaufort niet. De wind wel.

Eric is zich er maar al te goed van bewust dat hij de verantwoordelijkheid draagt voor het schip en de veiligheid van de bemanning. Dit is geen moment voor ruzies, jaloezie, dreigementen of conflicten. Er moet gehandeld worden en hij moet een besluit nemen. Snel. Hij voelt drie paar vragende ogen op zich gericht.

‘We verleggen de koers,’ hakt Eric de knoop door.

‘Heel verstandig,’ valt Orville hem bij. ‘Ik stel voor dat we zo ver mogelijk weg draaien van het pad van de storm. We moeten zorgen dat we aan de zuidkant blijven. Daar heb je de beste kans om buiten het oog van de storm te blijven.’

‘Hoeveel tijd hebben we?’ vraagt Tessa gespannen. Ze hoeft niet naar de gezichten van de mannen te kijken om te beseffen dat het zwaar gaat worden.

‘Volgens de laatste peiling die ik heb gezien is de kern van de storm nog zo’n 250 mijl van ons vandaan. Over ruwweg tien uur komt die over ons heen. We hebben dus nog tien uur om van zijn route weg te varen. Dat zijn zo’n zestig, zeventig mijl. Niet veel, maar genoeg om buiten de kern te blijven.’

Cojones,’ vloekt Bobby.

‘Aan de slag, mannen,’ roept Eric.

Er staat een kalme wind, de zee is rustig en boven hun hoofd ontvouwt zich een schitterende sterrenhemel. Niets wijst erop dat zich binnen een half etmaal een drastische omslag in het weer zal voordoen.

De Joyeuse vaart sinds het vertrek uit La Gomera een westelijke koers met de noordoostelijke wind schuin van achteren en het zeil over bakboord. Daar komt nu verandering in. Eric haalt het roer van de stuurautomaat en geeft commando’s. Bobby, Orville en Tessa maken het schip klaar om te gijpen. Tessa haalt de schoot van de fok uit de lier, Bobby heeft de schoot van het grootzeil gepakt. Beiden hebben handschoenen aangetrokken. Orville is naar binnen gegaan om een nieuwe koers uit te zetten.

‘Oké, daar gaan we!’ roept Eric. Hij geeft een draai aan het stuurwiel, zodat de wind recht van achteren komt. De boot draait door, de wind valt in over de bakboordboeg. Met lange halen trekt Bobby de schoot van het grootzeil in. De giek klapt van bakboord naar stuurboord. Onmiddellijk laat Bobby de schoot vieren zodat het zeil weer helemaal uitstaat. Tessa haalt ondertussen de fok naar de andere kant. Eerst met de hand, daarna trekt ze met de elektrische bediening de schoot aan.

‘Koers 180 graden. Pal zuid,’ roept Orville vanuit de kajuit.

‘We laten zo veel mogelijk zeil staan om maximaal te kunnen weglopen van de storm,’ zegt Eric. Hij zet het stuurwiel vast. ‘Ziezo. De komende uren is er niets aan de hand.’

Niemand is in de stemming om te slapen. De vier bemanningsleden zijn te gespannen over de weersomslag die zo zeker als de dageraad komen gaat.

 

Acht uur later meldt Orville dat de barometer plotseling begint te dalen. Dit is het eerste teken van de naderende weersomslag. De zon staat op haar hoogste punt. Het is nog steeds mooi weer. Tessa heeft een maaltijdsalade voor de lunch gemaakt, maar niemand heeft trek. Bobby maakt een grap over het laatste middagmaal. Niemand lacht.

In de kajuit zetten ze alles zo goed mogelijk vast. Kastjes dicht, spullen opbergen, nergens slingert nog een boek, een zonnebril, een flacon zonnebrandcrème, cd-schijfje of een camera rond. Ook aan dek controleren ze of alles stormbestendig is vastgesjord. Wat niet nodig is, hebben ze weggestouwd. De bemanning heeft alvast zeilpakken aangetrokken – broeken en jassen en laarzen – die akelig warm zijn in de subtropische temperatuur, zodat ze onmiddellijk beginnen te transpireren. De zwemvesten met musketonhaken voor de veiligheidslijnen waarmee ze zich straks aan de boot kunnen vastklampen, liggen klaar voor gebruik.

Orville en Eric houden op de navigatiecomputer de positie van het schip en de route die de storm volgt nauwgezet bij. Het ziet ernaar uit dat ze tijdig hun manoeuvre hebben gemaakt. De kern is iets afgebogen naar het noorden en lijkt ruim boven hen langs te zullen gaan. Maar de omvang van de depressie is verder toegenomen en ze zullen een flink deel meepakken. Eric kondigt aan dat ze straks in ploegen van twee aan dek zullen blijven om het schip op koers te houden. Orville en Tessa, en Eric en Bobby.

In het oosten begint de lucht te betrekken. In de verte verschijnen wolken die zich opstapelen tot zilvergrijze bloemkolen. Even later nemen de wolken de vorm aan van aambeelden, angstaanjagende dreigingen in de lucht, met paarsblauwe randen. Dan verdwijnt de zon en wordt het onheilspellend donker. De wind, die nu nog uit het noordoosten komt en bescheiden van kracht is, zal met het naderen van de storm van het ene moment op het andere uit een andere richting gaan waaien en in kracht toenemen.

Eric en Orville weten wat hun te doen staat. Als de storm eenmaal losbarst, is het te laat om voorzorgsmaatregelen te nemen.

‘We gaan reven! Nu!’ roept Eric. Hij staat weer aan het roer en geeft orders alsof hij op een filmset staat.

Bobby en Orville laten het grootzeil zakken en halen de groene, blauwe en rode reeflijnen aan. Met het derde rif strak getrokken blijft er nog maar een puntje van het grootzeil over. Daarna rollen ze de fok naar binnen en rollen ze de kleine stormfok van het kotterstag. Als Tessa naar het resultaat van de handelingen kijkt, ziet ze dat er een armzalig beetje zeil is overgebleven.

Nog steeds is de zee kalm, terwijl aan alle kanten de lucht donkerpaars betrokken is. De regenbuien die als een breed gordijn van verticale strepen boven het water hangen, komen snel dichterbij. Het zeewater verandert van kleur en van compositie. Niet langer blauwgroen, maar grauwgrijs en donker. En ineens zijn er golven met schuimkoppen, die in snel tempo op hen afkomen.

De wind is weggevallen, dit is de onheilspellende stilte voor de storm. Dan steekt de wind op over de andere boeg. Plotseling, uit het niets begint het te waaien. Dit is het moment waarop Eric wachtte. ‘Schoten los! We maken een rondje!’ schreeuwt hij. Voordat de storm in alle hevigheid losbarst, draait Eric het schip door de wind, zodat de zeilen weer over bakboord staan. Het is geen moment te vroeg. Minuten later breekt de hel los. Wat Tessa eerst nog maar een miniem lapje zeil vond, lijkt haar nu te groot om de windkracht te kunnen weerstaan. De boot kraakt, het schip helt vervaarlijk, de golven slaan over het gangboord, de wind jammert in de zeilen. Maar de Joyeuse houdt zich fier.

Vol ontzag kijkt Tessa naar de ontketende natuurkrachten. Ze heeft zich aangelijnd, evenals de overige bemanningsleden. De zee is veranderd in een kolkende watermassa. De golven komen aangestormd, het lijkt alsof ze van alle kanten komen. Ze torenen metershoog uit boven het achterschip, tillen de boot op en smakken hem neer in een volgend golfdal. Eric houdt de zeegang zoveel mogelijk schuin van achteren, maar hij kan niet verhinderen dat het schip geregeld een schuiver maakt en dwars op de golven komt te liggen. De volle kracht van het water beukt dan op de romp. Maar schijnbaar moeiteloos richt het schip zich telkens op en keert terug naar zijn koers.

Het is zo donker dat het nacht lijkt. Dan begint het te stortregenen. Links en rechts schieten bliksemflitsen door de lucht, alsof ouderwetse flitslampen kortsluiting maken in een fotostudio. In het blauwachtige schijnsel ziet Tessa het schuim van het hoog opstuivende water. Donderslagen ver weg en dichtbij maken de storm nog angstaanjagender, maar ook surrealistischer. Het is niet echt, denkt Tessa. Ik ben in een filmstudio. Dit is een decor. We zijn in de Hollywoodstudio waar The Perfect Storm met George Clooney wordt opgenomen.

Tot haar eigen geruststelling merkt ze dat ze compleet kalm is, zelfverzekerd en geconcentreerd. Ze vertrouwt op de Joyeuse en op de bemanning. Op Eric, Bobby en Orville. En ook op zichzelf.

Tegelijk is ze hevig onder de indruk. Mocht ze ooit gedacht hebben dat een storm op zee wel mee zou vallen en dat al die stoere verhalen overdreven waren, dan weet ze nu beter. Het schip en zijn bemanning zijn de speelbal van ongetemde natuurkrachten.

Nog meer dan door de golven, het opspattende schuim, de stortregen en de bliksemflitsen die links en rechts in het water slaan, is ze geïmponeerd door het onvoorstelbare lawaai dat de storm veroorzaakt. Het kabaal is oorverdovend. De regen, de donderslagen, het gebeuk van de golven, het geraas van de wind in de zeilen, het gefluit van de wind in de verstaging – het is een verpletterend pandemonium van geluiden. Er valt absoluut niet meer met elkaar te praten, want hun stemmen komen niet uit boven het tumult van de natuur.

Binnen enkele tellen is de bemanning kletsnat. Is het niet van de striemende regen, dan wel van de golven die over het dek slaan en van het zeewater dat in striemende vlagen over het schip waait. Tessa moet moeite doen om zich niet te verslikken in het water dat ze onbedoeld naar binnen krijgt als ze ademhaalt.

Manmoedig houdt Eric stand achter het stuurwiel. Bobby houdt zich staande in de kuip, klaar om te kunnen ingrijpen als er iets gebeurt. Onder de capuchons van hun zeilpak zijn alleen hun ogen, neus en mond te onderscheiden. Ze communiceren met handgebaren, al bevinden ze zich niet meer dan een meter van elkaar af. Orville is terug naar binnen gegaan om op de computer het verloop van de storm te volgen. Tessa kijkt vanuit de kajuitopening naar het spektakel. Mijn god, denkt ze. Een ritje in de achtbaan op de kermis is leuk – maar hoe lang gaat dit duren? Ze probeert het te vragen aan Eric of Bobby, maar hoe ze ook schreeuwt, ze komt niet boven het geloei van de storm uit. Op de windmeter ziet ze dat er vijftig knopen wind staat. Windkracht tien.

Je kunt beter naar binnen gaan, gebaart Eric naar Tessa. Ze klikt haar veiligheidslijn los en tussen twee golven door werkt ze zich de kajuit in. Met twee handen moet ze zich vasthouden, anders wordt ze van de ene kant naar de andere geslingerd. Binnen smakt ze tegen de tafel en houdt ze zich met de grootste moeite overeind. Ze probeert Orville te bereiken, die zich met zijn voeten schrap heeft gezet in de navigatiehoek om niet op de grond te rollen. Hij laat haar op het beeldscherm zien dat ze nog maar het begin van de storm over zich heen hebben gehad. Weliswaar bevindt de Joyeuse zich niet in de route van de kern, maar ze zijn er evenmin in geslaagd om zich helemaal vrij te varen uit de randen van het stormgebied.

Ondanks het geraas buiten kunnen ze in de kajuit met elkaar praten. ‘Dit gaat een lange nacht worden,’ voorspelt Orville. Hij raadt Tessa aan op haar kooi te gaan liggen om krachten te sparen tot het haar beurt is voor de wacht. Buiten valt er voor haar toch niets te doen. Ze moet erop vertrouwen dat Eric en Bobby het schip overeind zullen houden.

Met de grootst mogelijke inspanning worstelt Tessa zich naar haar kooi. Het ene moment zweeft ze, het andere moment wordt ze tegen de betimmering gekwakt. Ze heeft het gevoel als een tennisbal heen en weer te worden gestuiterd. Kleren uittrekken is onmogelijk. Uitgeput laat ze zich in haar kletsnatte zeilpak op haar bed vallen. Het schip gaat zo tekeer dat ze geen moment rustig ligt. Ze wordt van de ene kant naar de andere geslingerd en tevergeefs probeert ze met haar voeten en handen tegen de wand steun te zoeken.

 

Vier uur na het moment waarop de Joyeuse werd overvallen door de storm, klopt Bobby op de deur van het vooronder. Tessa heeft geprobeerd te rusten, maar geen oog dichtgedaan. Het is haar beurt. Samen met Orville worstelt ze zich naar buiten. Ze klikken hun veiligheidslijnen vast en nemen de besturing van het schip over. Eric en Bobby tuimelen op de banken met de slingerzeilen in de kajuit. Klaar om naar buiten te komen mocht er iets misgaan.

De wind is doorgedraaid naar het westen en verder toegenomen: 59 knopen, windkracht elf. Orville zorgt ervoor dat de wind schuin van achteren blijf invallen. Dat is de beste manier om het schip door de storm te loodsen.

Na een halfuur gebaart hij naar Tessa: jij sturen? Ze knikt. Begrepen. Stapje voor stapje klautert ze naar hem toe, klikt zich vast en neemt het stuurwiel over. Het eerste wat haar opvalt, is dat het minder zwaar is om te sturen dan ze had gedacht. Het schip voelt goed. Met deze minimale zeilvoering kan het de storm aan.

Het tweede is dat ze niet kan anticiperen op de golven die schuin van achteren op het schip afkomen. Vier, vijf, zes meter hoog zijn de grootste rollers. De oceaan bepaalt de bewegingen van het schip. Hooguit kan ze achteraf wat bijsturen. Koers houden is er niet bij. Tessa let op de windmeter, niet op het kompas. En ze probeert de golfbewegingen in te schatten. Ze verkeert op de toppen van haar concentratievermogen. Haar vermoeidheid voelt ze niet. Het gaat goed en een gevoel van trots stroomt door haar heen. Ze heeft het schip in de hand.

Een paar keer worstelt Orville zich naar binnen om de stand van zaken op de computer te volgen. Na een uur neemt hij het roer weer van haar over. Ze wisselen geen woord. Tessa gaat aangelijnd op de bank bij de ingang van de kajuit zitten, waar ze min of meer beschut is tegen de golven die over het voordek slaan en naar achteren rollen langs het gangboord. Met handen en voeten houdt ze zich op haar plek. Ze kijkt naar de golven die achter de boot aankomen en probeert er een patroon in te ontdekken. Plotseling krijgt ze de schrik van haar leven. Een onwezenlijk grote golf komt op hen af. Heftig gebaart ze naar Orville dat hij achter zich moet kijken. De golf is een watermuur van tien, misschien wel twintig meter hoog. Ze kan het onmogelijk schatten. Zodra Orville het gevaar gezien heeft, probeert hij ervan weg te sturen. Maar er valt niet aan het aanstormende geweld te ontkomen. De monstergolf raakt de Joyeuse schuin van achteren en duwt het schip omver. Het zeil en de mast slaan in de watermassa. Het schip ligt op zijn kant. Tessa en Orville worden omvergekegeld en blijven alleen maar binnenboord omdat ze aan hun veiligheidslijnen hangen.

Dit was het dan, schiet door Tessa’s hoofd. Het einde van de film. Roemloos ten onder met drie krankzinnige kerels midden op de Atlantische Oceaan. Ze sluit haar ogen en wacht op het water dat haar zal verzwelgen.

Alsof er een mirakel plaatsvindt, richt de Joyeuse zich langzaam weer op. Het gewicht van de kiel zorgt ervoor dat de mast bij een volgende golf weer overeind komt. Als een hond die het water na een zwempartij van zich afschudt, hervat het schip na enige aarzeling zijn koers.

‘Mijn god!’ kreunt Tessa. Ze leeft. Het avontuur is niet abrupt geëindigd. De film draait door. Met de grootste moeite vinden haar voeten weer steun. Haar schouder en bovenarm doen pijnlijk en ze is met haar linkerbeen tegen de bank gesmakt. Ook Orville heeft een klap gemaakt. Maar hij heeft zich kunnen vastgrijpen aan de stuurkolom en daardoor is hij minder hard onderuitgegaan dan Tessa.

Verwilderd verschijnt Eric verschijnt in de kajuitopening. ‘Alles in orde?’ schreeuwt hij. Tessa en Orville verstaan hem niet, maar ze begrijpen wat hij bedoelt en knikken bevestigend.

‘We zijn plat gegaan! Een freak wave van wel twaalf meter heeft ons te pakken genomen,’ probeert Orville boven het geraas van de storm uit duidelijk te maken. Eric knikt, ook al heeft hij niets opgevangen van wat de Brit tegen hem riep.

37

atlantische oceaan, donderdag 14 september 2006

Rond middernacht begint de storm te luwen. De zee blijft wild, maar de regen en het onweer zijn verder getrokken naar het westen en de windsnelheid komt niet meer boven de 35 knopen per uur. Nog altijd windkracht acht, maar dat is hanteerbaar. Na de verschrikkingen van de voorafgaande uren is dit zelfs een opluchting. Het zwaarste deel van de storm hebben ze over zich heen gehad. Langzaam maar zeker normaliseert de situatie aan boord.

Een uur nadat de monstergolf de Joyeuse heeft platgegooid, zijn Tessa en Orville naar hun kooi gegaan en hebben Eric en Bobby de wacht weer overgenomen. In haar hut heeft Tessa tijd nodig om bij te komen. Ze is niet angstig geweest, ze bleef rustig en raakte geen moment in paniek. Maar voor haar gevoel is ze nooit eerder in haar leven zo dicht bij de dood geweest – zelfs niet tijdens de schietpartij bij Scheveningen. Toen had ze het gevoel dat ze nog in de buurt van de bewoonde wereld was, ook al had dat voor de afloop niets uitgemaakt. Nu is ze van god en iedereen verlaten, midden op de Atlantische Oceaan, overgeleverd aan het onvoorstelbare geweld van de natuur. Nooit had ze zich gerealiseerd hoeveel energie er in een storm vrij komt. En dit was nog maar een aanwakkerende tropische storm. Ze moet er niet aan denken wat er gebeurt in een orkaan.

Geleidelijk merkt Tessa dat het schip minder tekeergaat. Ze wordt niet meer zo onbarmhartig heen en weer geslingerd in haar kooi. Ongemerkt dommelt ze zelfs in slaap en als Bobby haar tegen middernacht wekt voor haar volgende wacht, voelt ze zich enigszins verkwikt. Opnieuw deelt ze de wacht met Orville. Om beurten staan ze achter het roer, nog altijd aangelijnd. Er kan onverhoeds weer een geweldige golf uit het donker opduiken. Golven bouwen zich op over afstanden van honderden kilometers en kunnen door de samenspanning van wind en stroom de meest onwaarschijnlijke proporties aannemen.

‘Gefeliciteerd, Tessa. Dit was je stormdoop. Je hebt je fantastisch gehouden,’ zegt Orville na een tijd. Nu het kabaal van de wind een stuk minder is geworden kunnen ze elkaar weer verstaan.

Tessa aanvaardt zwijgend zijn compliment. Orville zal niet van haar verwacht hebben dat ze met haar hoofd onder een kussen in haar kooi was gaan liggen janken. De storm was bloedstollend spannend geweest om mee te maken. Ze voelt zich gelouterd dat ze het natuurgeweld heeft doorstaan, maar wat had ze anders moeten doen? Het is een prestatie, maar ze voelt zich er niet heldhaftiger door. Wel heeft ze overal op haar lichaam blauwe plekken opgelopen en misschien een paar kneuzingen.

‘Het schip heeft zich fantastisch gehouden,’ zegt ze.

‘Daar heb je gelijk in. We mogen van geluk spreken dat deze tropische stormen binnen een aantal uren voorbijtrekken. In het noorden van de Atlantische Oceaan kunnen stormen etmalen aanhouden. Dat hou je fysiek niet vol. Als het misgaat, is het meestal niet omdat het schip het begeeft, maar omdat de bemanning oververmoeid is geraakt en een stommiteit begaat.’

‘Ik vond dit meer dan genoeg,’ zegt Tessa. ‘En als ik eerlijk ben: ik hoop dat een herhaling ons bespaard blijft.’

 

Als de zon ’s ochtends gewoon weer in het oosten opkomt, is het alsof er de afgelopen vierentwintig uur niets bijzonders is gebeurd. De wind is teruggezakt naar normale proporties, de wervelende bewegingen van het water zijn geen vergelijk met de wildwaterbaan van de vorige middag. Tessa is verbluft hoe snel de zee van karakter kan veranderen. Het ene moment vriendelijk en zacht, aaibaar en uitnodigend om in te zwemmen – het andere moment een gevaarlijke, dreigende, kolkende massa. Onvoorspelbaar. Onstuimig. Onweerstaanbaar. Ongenaakbaar. Ze denkt terug aan die keer dat ze met Orville ter afkoeling in de oceaan dook en ze heeft nu meer begrip voor Erics onvermurwbare zwemverbod.

De kajuit moet worden opgeruimd. Hoewel ze voorafgaand aan de storm zo veel mogelijk spullen hadden opgeborgen en vastgesjord, heeft het moment waarop de boot plat ging een chaos veroorzaakt. Borden, bestek, potten en pannen zijn door de kastjes heen gevlogen; boeken zijn van de plank gevallen, sinaasappels zijn als projectielen door de kajuit gelanceerd. Ook in de voorraadruimtes onder de banken is het een puinhoop.

Tessa gaat samen met Bobby opruimen, terwijl Eric en Orville aan dek de schade in ogenschouw nemen. Ze begint de blikken bruine bonen, pakken spaghetti, potten met gepelde tomaten en dozen met uien en aardappels te ordenen in de bergruimtes onder de bank. Onverwacht hoort ze Bobby, die bezig is de omgevallen flessen van de drankvoorraad overeind te zetten, tegen haar zeggen: ‘Dat plan van jou. Ik heb erover nagedacht, maar ik doe het niet. Ik zit ermee. Ik grijp met alle plezier die arrogante bankier bij zijn kloten, maar niet nu we samen deze storm hebben doorgemaakt. En ik ga evenmin mijn baas bestelen.’

Tessa richt haar hoofd op uit de ruimte onder de bank. ‘Bestelen… Zo bedoel ik het niet. Ik bedoel dat jij je deel pakt. Je hebt het me zelf verteld: Eric heeft geld zat.’

‘Je begrijpt het niet. Eric is mijn baas. Ik werk voor hem, ik bescherm hem. Misschien is hij een klootzak, maar hij is wel míjn klootzak.’

De Chileen kijkt Tessa aan. ‘Niet nadat we met z’n vieren een stormnacht hebben doorgemaakt,’ herhaalt hij.

Tessa is verrast door Bobby’s opmerking. Misschien, denkt ze, is het zijn professionele loyaliteit als bodyguard, misschien is het zijn Zuid-Amerikaanse gevoel voor solidariteit. In ieder geval gaat ze er niet verder op in. Haar voorstel was ook niet serieus bedoeld, ze wilde alleen Bobby’s bereidheid testen iets voor haar te doen.

‘Toch zou ik het op prijs stellen als je Orville een keer apart kunt nemen. Weet je,’ Tessa buigt zich naar Bobby toe, ‘ik wil informatie van hem die hij mij niet wil geven. Als je hem onder vier ogen spreekt, moet je vragen naar de concubines.’

‘Concubines? Je bedoelt hoeren?’

‘De vrouwen van Karel. De bankcodes,’ verduidelijkt Tessa.

‘Waar héb je het over?’ vraagt Bobby.

Tessa beseft dat de Chileen werkelijk geen flauw benul heeft van het financiële netwerk dat Orville voor Eric beheert. ‘Nou ja, laat ook maar,’ zegt ze berustend. Ze duikt weer met haar hoofd in de bergruimte onder de bank en gaat verder met het opruimen van de etensvoorraden.

Plotseling maakt de boot een schuiver. Het schip helt over, alsof het opnieuw plat gaat. Tessa duikelt omver en grijpt zich in het wilde weg vast aan het lijf van Bobby. Samen rollen ze over de vloer. Als ze verbouwereerd opkrabbelen, horen ze Orville schreeuwen: ‘Man overboord!’ En meteen daarna: ‘All hands on deck!

Bobby struikelt naar buiten, op de voet gevolgd door Tessa. Orville staat bij de bakboordreling en wijst onthutst naar het water. Tessa ziet achter de boot een opgeblazen oranjerood zwemvest, dat telkens aan het zicht wordt onttrokken door de zeegang. De afstand tussen de boot en het zwemvest neemt snel toe.

‘Eric….’ stamelt Orville, verlamd van paniek. ‘Eric is overboord gegaan!’

‘Sta daar niet als een versteende zoutpilaar te niksen!’ roept Bobby. ‘Aan de slag, verdomme!’ Hij neemt het initiatief, start de dieselmotor en gooit een reddingsboei zo ver mogelijk in de richting van de drenkeling. ‘Zwemmen, Eric! We komen er aan,’ schreeuwt hij naar de plek waar het zwemvest tussen de golven in zichtbaar is.

Orville komt weer bij zinnen na de shock die de val van Eric bij hem teweeg heeft gebracht. Met grote passen beent hij naar de mast. Bobby draait het schip in de wind. In een mum van tijd hebben ze met z’n drieën het zeil naar beneden gehaald en de stormfok ingerold. Tessa is op alle plekken tegelijk. Na zoveel dagen op zee weet ze precies wat er moet gebeuren. Ze is verrast dat Bobby, en niet Orville, de leiding van de reddingsoperatie op zich neemt.

Eric overboord geslagen! Ze moet er niet aan denken wat dat betekent.

Zodra de zeilen zijn gestreken, draait Bobby het schip bij om Eric te zoeken. De zee is nog ruw en ondanks het felgekleurde zwemvest is hij niet eenvoudig traceerbaar. Telkens verdwijnt hij achter een golf en dan duurt het een tijd voor hij weer opduikt. Gespannen tuurt Tessa naar het water om Erics positie in de gaten te houden. Ze roept commando’s naar Bobby zodat hij de juiste richting op stuurt.

‘Wat is er gebeurd?’ vraagt Tessa tussen twee aanwijzingen door aan Orville.

‘Ik weet het niet, we waren bezig op het voordek om de schade van de storm te herstellen. Er kwam een onverwachte roller en ik hoorde een kreet achter me. Toen lag Eric al in het water.’

‘Waren jullie niet aangelijnd?’

‘Ik wel. Eric blijkbaar niet. Gelukkig heeft hij zijn zwemvest aan.’

Hun gesprek valt stil, want Bobby is erin geslaagd de Joyeuse tot vlak bij de drenkeling te manoeuvreren.

‘Zorg voor een lijn om Eric naar binnen te hijsen,’ commandeert Bobby.

Met de grootste moeite slagen Orville en Tessa erin Eric binnenboord te halen. Ze lieren hem omhoog aan een val. Door het water is Eric veel zwaarder dan zijn normale gewicht. Hij is volkomen uitgeput en als hij eindelijk aan boord is, ziet Tessa dat hij onregelmatig ademt. Hoewel het reddingsvest er voor zorgde dat hij op zijn rug bleef drijven, moet hij veel zeewater binnen hebben gekregen. Nog een geluk dat de watertemperatuur zo hoog is. Bij kouder water was Eric, na amper een halfuur in het water te hebben gelegen, onderkoeld geraakt en een zeemansdood gestorven.

Ze leggen Eric op zijn bed. Hij rilt en ligt te ijlen. Tessa helpt hem uit zijn kleren, droogt hem behoedzaam af en wikkelt hem in een slaapzak. Ze geeft hem een glas whisky te drinken. Eric zakt weg in een onrustige slaap. Voor de zekerheid blijft Tessa bij hem zitten in zijn kooi. Ze houdt zijn ademhaling in de gaten en controleert zo nu en dan zijn pols.

Als Eric even bijkomt uit zijn halve bewusteloosheid, is het eerste wat Tessa opvangt: ‘Geduwd. De klootzak heeft me geduwd.’ Daarna zakt hij weer weg en blijft opnieuw urenlang slapen, maar hij ademt regelmatiger en zijn hartslag is tot rust gekomen. Tessa, die al die tijd niet van zijn zijde is geweken, besluit dat ze hem alleen kan laten. Stilletjes verlaat ze de captain’s cabin om zich bij de rest van de bemanning te voegen.

 

Aan boord is alles is weer onder controle. De koers naar Sint Maarten is hervat, de riffen zijn uit het grootzeil, de stormfok is weggedraaid en de gewone fok uitgerold. De bemanning is uitgeput, er heerst een verslagen stemming – ook al hebben ze de storm met beperkte schade overleefd en is de schipper na zijn onfortuinlijke val in het water gered.

Eric blijft de hele dag in zijn kooi liggen; geregeld loopt Tessa bij hem binnen om te controleren hoe het met hem gaat. Tot haar opluchting herstelt hij goed. Ze wil niet dat Eric iets overkomt. Hij is nodig aan boord, zijn ervaring als schipper is onmisbaar. Bovendien heeft ze nog een rekening met hem te vereffenen.

’s Avonds zitten Tessa en Orville tegenover elkaar op de bank in de kuip. Bobby ligt te slapen, evenals Eric. De oceaan is eindelijk tot bedaren gekomen. De storm is verder naar het westen geraasd. Boven hun hoofd is de sterrenhemel van september te zien met in het zuiden een breed stuk van de melkweg.

‘Jou wordt werkelijk niets bespaard op je maiden voyage,’ zegt Orville tegen Tessa.

‘Mag je wel zeggen. Een aanslag, een storm en een drenkeling. Wat kan me nog meer overkomen?’

‘Behalve een botsing met een walvis? Niets meer, denk ik.’ Orville glimlacht. Je blijft een onweerstaanbare prince charming, denkt Tessa. Maar ze heeft iets anders voor hem in petto. In de uren dat ze bij Eric aan het bed zat, heeft ze een voorstel bedacht om Orville voor haar plannen in te zetten.

‘Weet je,’ zegt ze bedachtzaam, ‘toen Eric vanmiddag in het water lag, speelde er een bizarre gedachte door mijn hoofd: als we hem nou eens laten drijven? Net als die jongens in de speedboot bij Scheveningen die Bobby lekgeschoten heeft.’

‘Jezus christus, Tess, je wilde Eric toch niet aan zijn lot overlaten?’

‘Hij had een zwemvest om. Misschien zou hij worden opgepikt door een andere boot.’

Ze weet dat het een belachelijke redenering is, maar ze wil de reactie van Orville peilen. Hij bijt.

‘En wat zou daarvan je bedoeling zijn?’ vraagt hij, onnozelheid veinzend.

Tessa staat op en gaat naast Orville zitten. Ze legt haar hand op zijn bovenbeen. ‘Tsja. Als Eric er niet meer is, wie heeft er dan toegang tot zijn rekeningen?’ Met de deining van een golf laat ze zich even tegen zijn bruine schouder vallen.

‘Dat is een interessante vraag. Maar wel een heel theoretische vraag. Want Eric heeft zijn avontuur in het water overleefd,’ zegt Orville neutraal.

‘O ja, uiteraard. De gedachte was ook meteen weer verdwenen. Ik weet werkelijk niet hoe ik zo harteloos kan zijn.’

‘Maar zonder Eric…’

Tessa beweegt haar hoofd tot vlak bij dat van Orville. ‘Weet je,’ fluistert ze, ‘ik droom wel eens van een onbezorgd leven. Met genoeg geld om me nergens meer om te hoeven bekommeren. In die dromen speel jij de rol van de prins op het witte paard.’

‘Dat is een prachtige rol. Ik ben gevleid,’ zegt Orville. Hij wil haar zoenen.

Tessa draait zich snel van hem af. ‘Weet je, Eric heeft me indertijd overgehaald om aan boord te komen met de belofte van geld. Hij zei dat hij me royaal zou belonen als ik zou meevaren. Maar na ons vertrek uit La Gomera is hij daarop teruggekomen. Hij zei een paar dagen geleden tegen me dat ik niet moest denken ook maar een cent van hem te krijgen als we in Sint Maarten aankomen. Hij gaf geen reden, maar ik weet zeker dat het hem om jou te doen is. Ook al gedragen we ons nog zo kuis, hij is gewoon jaloers.’

Orville geeft geen krimp. ‘Zie je die vallende ster daar?’ zegt hij na een tijdje. Hij wijst naar de sterrenhemel. ‘Die brengt geluk. Je mag een wens doen.’

Tessa laat zich weer tegen Orvilles gespierde schouder glijden. ‘Dit is geluk,’ zegt ze aanminnig. ‘Nou ja, snap je nu waarom ik heel even dacht, toen hij in het water lag: blijf jij daar maar mooi drijven op de oceaan?’

‘Ja, maar ik ben blij dat we hem gered hebben.’

‘Waarom?’

‘Omdat Eric de enige is die weet hoe je bij zijn rekeningen kunt komen.’ Plotseling klinkt Orville samenzweerderig. Hij draait zich naar Tessa toe en neemt haar gezicht in zijn handen. ‘Je bent een verleidelijke vrouw en je hebt een levenslustig karakter. Ik hou van je creativiteit. Maar als je wilt bereiken wat je wilt, kan ik je niet helpen met de laatste stap. Je kunt niet zonder Eric. Je moet hem de sleutel van zijn Karolingische geheim afhandig maken.’

Daarna geeft Orville haar een zoen op haar mond, die Tessa half tegen haar zin beantwoordt.

38

atlantische oceaan, vrijdag 22 september 2006

Een stel fregatvogels scheert langs de Joyeuse, alsof ze het schip welkom heten in de nabijheid van land. De navigatiecomputer geeft aan dat er nog driehonderd mijl te gaan is tot het meest oostelijk gelegen Caribische eiland, Antigua. Vandaar is het nog een klein stuk naar Sint Maarten. Net als bij de nadering van La Gomera knapt de stemming aan boord op nu de bestemming dichterbij komt. Tessa kijkt geregeld op de instrumenten om te zien hoe ver het nog is. Ze merkt dat ze niet de enige is die de mijlen aftelt.

Na de storm en de man overboordmanoeuvre zijn er geen opmerkelijke gebeurtenissen meer geweest. Eric is geen enkele keer teruggekomen op de omstandigheden van zijn onfortuinlijke val in het schuimende water. Vanaf het moment dat hij hersteld is, gedraagt hij zich weer als de schipper. De doodschrik die hij gehad moet hebben, is van hem afgegleden als water van het gangboord. Het hoort bij de andere kant van zijn bestaan. Zijn dubbele persoonlijkheid, denkt Tessa.

Op rustige momenten denkt Tessa dat ze dit vrijbuitersbestaan de rest van haar leven moeiteloos zou kunnen volhouden. Ze heeft niet meer met Bobby of Orville gesproken over de plannen waarmee ze hun doortraptheid heeft willen testen. Met Eric heeft ze geen gesprek meer gevoerd, maar ze wacht haar kans af.

Er doet zich een gelegenheid voor als ze ’s ochtends met hem bij de tafel in de kajuit staat. Eric heeft de overzichtskaart van het Caribisch gebied tevoorschijn gehaald en bestudeert de route voor het laatste stuk van de tocht. Orville houdt buiten wacht en Bobby is bezig met zijn vistuig, waarmee hij nog steeds geen succes heeft geboekt. Met een potlood geeft Eric de route aan die hij wil volgen. Tussen Antigua en Barbuda, langs Saint Barth en dan naar Sint Maarten. ‘Nog drie etmalen. Daar is onze bestemming,’ zegt hij, wijzend met de punt van het potlood.

‘Ik ben opgelucht dat we er bijna zijn,’ zegt Tessa.

‘Je hebt je bewonderenswaardig goed aangepast aan het leven aan boord. Dat zal niet altijd even gemakkelijk zijn geweest.’

‘Nee… Niet altijd.’

‘Ik denk niet dat je ooit gedacht had dit avontuur te zullen meemaken. Ik zelf trouwens ook niet. Een tochtje van een paar dagen voor een reportage is uitgelopen op een halve wereldreis. Ik neem aan dat je tijd genoeg hebt gehad om je artikel te schrijven. Daar ben ik zo langzamerhand razend benieuwd naar.’

Tessa heeft al tijden niet meer aan haar artikel gedacht. Nu moet ze een antwoord geven dat geloofwaardig klinkt.

‘Nee, dat ga ik in alle rust op Sint Maarten doen. Ik heb inderdaad heel veel materiaal verzameld. Meer dan ik in mijn stoutste dromen had durven hopen. Begrijp je nu waarom ik zei dat het interessant is iemand buiten zijn dagelijkse bestaan mee te maken?’ Tessa glimlacht.

‘Zeker. Dan heeft deze reis toch wat voor je opgeleverd.’

‘Ja, absoluut. Maar… er zit me iets dwars. Kan ik je iets vertellen? In vertrouwen?’

‘Uiteraard. Ik ben de schipper. De vertrouwenspersoon aan boord,’ zegt Eric met de gewichtigheid in zijn stem die bij zijn positie hoort.

Tessa aarzelt. ‘Oké. Weet je, Bobby is al een tijdje behoorlijk opdringerig. Hij valt me lastig.’

Verrast kijkt Eric op van de kaart. ‘Bobby? Ik dacht dat alleen Orville met jou…’

Tessa breekt Eric af. ‘Met Orville was anders, dat wilde ik zelf. En ik ben er ook zelf mee gestopt. Sindsdien heb ik van Orville geen last. Maar de Chileen…’

‘Ik heb je al verteld dat ik hem niet meer vertrouw. Ik wil van hem af. In Sint Maarten zet ik hem van boord. Maar ik zal hem er meteen op aanspreken. Is hij erg handtastelijk?’

‘Sorry, je begrijpt me verkeerd. Ik bedoel geen ongewenste intimiteiten. Hij bedreigt me fysiek. En je weet uit ervaring hoe sterk hij is.’

‘Huh? Hoezo?’ Eric is even van zijn stuk gebracht.

Tessa buigt zich vertrouwelijk naar Eric toe, alsof ze bij hem te biecht gaat. ‘Roberto Menéndez verdenkt mij ervan dat ik achter jouw geld aanzit.’ Ze weet niet waarom ze plotseling zijn volledige naam gebruikt, maar wat ze zegt is in zekere zin nog waar ook, denkt Tessa. Ze herinnert zich wat Bobby tegen haar zei in het prille begin van de reis.

‘Ha ha. Wat een grap! Die Bobby is echt een fantast. Zoiets zou ik zelf toch als eerste wel doorhebben? Nou dan. Maak je niet bezorgd. Ik pak hem wel aan.’

‘Hij meent het. Bobby wil jou tegen mijn slechte bedoelingen beschermen.’

‘Dat moet je niet serieus nemen.’

‘Toch wel,’ zegt Tessa samenzweerderig. ‘Hij heeft me een paar keer in een hoek gedrukt en door elkaar geschud. Zie je deze blauwe plekken?’ Ze toont hem de butsen die ze heeft opgelopen toen het schip plat ging tijdens de storm.

‘Is die Chileen helemaal gek geworden!’

‘Ik weet het, het is onzinnig. Maar hij is ervan overtuigd dat ik eropuit ben om jou te versieren. Hij denkt dat ik met je wil trouwen om vervolgens je vermogen van je af te troggelen en je daarna te vermoorden. En om mijn doel te bereiken chanteer ik jou. Volgens Bobby, dan.’

‘Wat een idioot! Je moet wel een Zuid-Amerikaan zijn om zo’n samenzwering te verzinnen. En waarmee chanteer jij mij dan volgens hem?’

‘Dat zal ik je vertellen,’ zegt Tessa. Haar hart klopt in haar keel. Haar handen zijn vochtig van het zweet en ze klemt zich vast aan de tafel. Dit, weet ze, is het moment.

’s Nachts, als ze in haar kooi lag en heen en weer rolde met de deining, had ze liggen piekeren hoe ze het onder woorden zou brengen. Tientallen keer had ze geoefend. Nu zal het gebeuren, in het zicht van de bestemming. Het moment waarop ze bijna een jaar gewacht heeft en bijna twee maanden aan boord is van de Joyeuse.

‘Herinner je je Paul Sanders nog?’ zegt Tessa. Ze moet moeite doen om haar stem niet afgeknepen van emotie te laten klinken.

‘Paul Sanders? Natuurlijk herinner ik me hem. Sanders was mijn advocaat. Hoezo?’ Eric begrijpt niet waarom Tessa plotseling zijn advocaat ter sprake brengt.

‘Precies. De bedenker van jouw juridische constructies.’

‘Maar wat heeft hij hiermee te maken? Paul is overleden …’

‘Je bedoelt vermoord,’ onderbreekt Tessa hem. Ze weet dat ze hoog spel speelt. Bluf heet dat bij pokeren. Maar het is geen bluf, want ze heeft zelf de kaarten gedeeld en ze weet dat ze alle azen in de hand heeft. Ze weet ook dat het waar is. En dat ze Eric eindelijk klem heeft. Nu moet ze doorzetten. ‘Weet je, Bobby verdenkt mij ervan dat ik jou chanteer omdat ik weet dat jij bij die moord betrokken was.’

Eric laat zich languit op de bank vallen en kijkt Tessa verbijsterd aan. Zijn gezicht trekt bleek weg. Secondelang is hij stil. Dan roept hij buiten zichzelf van woede: ‘Wat ís dit godverdomme voor waanzin! Hoe kóm je bij die onzin!’

39

amsterdam, maandag 10 oktober 2005

Het was een regenachtige herfstdag. Eric Pincoff had ’s ochtends een afspraak met de tandarts, en daar was hij behoorlijk chagrijnig van. Hij hield er niet van als iemand in zijn lijf zat te peuren en al helemaal niet in zijn mond. Met opengesperde kaken in een stoel liggen en in een halogeenlamp kijken die hij associeerde met een kruisverhoor bij de politie – het werkte hem op de zenuwen.

De linkerkant van zijn kaak was nog verdoofd toen hij van de tandarts naar het kantoor van zijn advocaat aan de Apollolaan in Amsterdam-Zuid reed. Het voelde alsof zijn mond aan één kant slap naar beneden hing. Pincoff parkeerde zijn zilvergrijze Jaguar bij de hoek met de Beethovenstraat en zocht tevergeefs in zijn zakken naar kleingeld voor de parkeerautomaat. Ze moesten dat onzinnige parkeergeld afschaffen, vond hij. Hij betaalde toch al belastingen? Nou dan. Balorig stopte hij een oude parkeerbon onder de ruitenwisser. Vervolgens liep hij naar het kantoor op de Apollolaan 109. Sanders & Sanders stond er in koperen letters op de gevel. Hij moest Paul toch eens vragen waar dat ‘& Sanders’ op sloeg. Op Pauls vader of broer, misschien? Hij belde aan en werd vrijwel onmiddellijk binnengelaten. Net als het betere bordeel was dit geen kantoor waar cliënten graag minutenlang buiten op de stoep stonden te wachten.

De secretaresse begeleidde Pincoff naar de werkkamer van de advocaat.

‘Goedemiddag, consigliere,’ zei Pincoff op vriendschappelijke toon. Sanders kwam hem met uitgestoken hand tegemoet. ‘Goed je te zien, Eric,’ zei de advocaat. Pincoff trok met zijn mond. Hij had nog steeds last van die ellendige verdoving.

Tot zijn stomme verbazing waren Muizenman en Lodderer ook in de kamer aanwezig. Hij had ze nooit eerder aangetroffen in het kantoor van Sanders. De enige keer dat hij met zijn advocaat en deze twee zakenpartners samen was geweest, was bij de voetbalwedstrijd in het ArenA-stadion. Nu stonden ze oog in oog met elkaar in Sanders’ kantoor. Wat verbeelden die twee gasten zich wel, dit was verdomme zíjn advocaat, dacht Pincoff. Maar hij hield zich in.

De advocaat bespeurde het ongemak bij zijn cliënt. ‘Ik heb Sjon en Willem gevraagd aanwezig te zijn omdat ze zich ernstige zorgen maken,’ zei Sanders ter verduidelijking.

‘Ik ben hun psychiater niet,’ zei Eric narrig. ‘Ik dacht dat wij samen de dossiers van mijn stichting zouden doornemen.’

‘Gaan we ook doen. Maar jullie zijn toch zakenpartners?’

‘Ja, maar dat wil niet zeggen dat ik mijn vertrouwelijke zakelijke gegevens met deze twee eikels wil delen. Ze bezorgen me toch al veel te veel last.’

‘Ho, ho, effe dimmen, Eric,’ zei Lodderer.

‘Heren, heren,’ probeerde Sanders de grimmige stemming die dreigde te ontstaan te dempen.

Pincoff ging op de rand van een leren fauteuil zitten. De verdoving in zijn kaak begon uitgewerkt te raken en hij voelde weer kiespijn opkomen. Misschien moest hij de secretaresse om een saridonnetje vragen. ‘Het zal mij benieuwen. Wat willen jullie nu weer van me? Jullie hebben me al uitgekleed,’ zei hij kribbig.

‘Ik werp me op als mediator,’ zei Sanders. ‘Als bemiddelaar,’ verduidelijkte hij naar Lodderer en Muizenman, die het begrip mediator niet leken te kennen.

‘Dat is je geraden ook. Daar betalen we je voor, advocaatje,’ zei Muizenman.

Sanders probeerde de situatie uit te leggen. De investeringen van Muizenman en Lodderer zaten in de projecten van Pincoff. Maar wat voor zekerheid hadden ze dat hun geld wérkelijk in die projecten zat? Bovendien, zei Sanders, wilden ze hun investeringen ook weer te gelde kunnen maken. Muizenman en Lodderer waren financieel aan Pincoff overgeleverd en dat zat ze niet lekker. Ze wilden hun geld uit de projecten kunnen halen als ze dat nodig vonden.

‘Weet je wat mij niet lekker zit?’ zei Pincoff toen de advocaat was uitgepraat. ‘Dat ze mij met hun linkerhand miljoenen geven om te investeren en mij met hun rechterhand miljoenen afhandig maken.’

‘Eric, je overdrijft. En het is voor je eigen bescherming,’ zei Lodderer.

‘Ik heb het eens opgeteld en kom tot dertig, vijfendertig miljoen. Ik zal er geen boterham minder om eten, maar ik noem dat toevallig wel veel geld.’

‘Nou, dan,’ zei Muizenman.

‘Beschouw die betalingen als een vrijwillige terugstort,’ zei Sanders.

Krijg nou wat! dacht Pincoff. Gaat mijn advocaat die schurken verdedigen en recht praten dat ze mij smakken geld afhandig maken? Hij voelde een pijnscheut bij zijn slaap.

‘Bestaat er geen artikel in het burgerlijk wetboek tegen afpersing, Paul?’ zei Pincoff venijnig. ‘Dan kunnen we nu een zaak tegen deze twee heren beginnen.’

‘Heb jij soms ook voor meester in de lik-mijn-rechten geleerd?’ zei Lodderer dreigend.

In hoog tempo liep de spanning verder op. Het ene moment praatten ze alle vier door elkaar heen, het volgende moment hing er een dreigende stilte. Lodderer haalde een paar keer uit met zijn vuisten in de lucht. Sanders maakte verzoenende gebaren, maar die hadden geen enkel effect. Muizenman stak een dun sigaartje op, tot ergernis van Pincoff. Hij kreeg hoofdpijn van de sigarenrook. Ook dat nog. Hij moest echt om een paar tabletjes paracetamol vragen.

Het werd nog veel erger. Plotseling trok Lodderer een pistool en liet het achteloos om zijn wijsvinger draaien. Tot Pincoffs verbijstering deed Sanders helemaal niets. Schaapachtig bleef hij in de stoel achter zijn bureau zitten. Lodderer zette het pistool tegen zijn eigen hoofd en haalde de trekker over. Er klonk een klikkend metalen geluid. ‘Russische roulette!’ zei Lodderer. ‘Jij ook een keer?’ Lachend bood hij het pistool aan Pincoff aan.

‘Ben je helemaal belazerd! Ik denk er niet over,’ zei Pincoff. ‘Wat wil je nou eigenlijk? Laten zien dat je ballen hebt?’

‘Pas op of ik prak dat zwikkie van jou tot appelmoes,’ dreigde Lodderer.

‘Rustig, Willem, rustig. Ik zal het nog één keer uitleggen aan Eric, want hij begrijpt jou niet. Wij willen toegang tot onze investeringen. We willen weten waar onze centen gebleven zijn,’ zei Muizenman.

‘Stop eerst dat speelgoed weg. Jullie zijn net twee kleine kinderen die zeuren om een koekje. Jullie weten trouwens heel goed waar ik jullie centen heb gelaten. Ik heb ze met jullie hartelijke instemming weggezet in een investeringsproject, Charlemagne Airport. Een fantastisch project, al zeg ik het zelf – en jullie weten daar alles van. Ik heb altijd open kaart gespeeld, verdomme. Hoe vaak heb ik het niet uitgelegd? Maar jullie zijn te stom om het te snappen. Dat is jullie probleem, maar dat kan ik niet oplossen. Weet je wat? Ik beloof dat als het over een jaar of wat klaar is, er een plaquette komt met jullie namen erin gegraveerd. “Dit project is tot stand gekomen met de financiële steun van Willem Lodderer en Sjon Muizenman”. Voor mijn part doen we het in lichtletters zodat iedereen het van verre kan zien. Maar vooralsnog liggen de plannen op de tekentafel. Een project ontwikkelen is niet één, twee, drie bekeken.’

Pincoff klaarde op van zijn eigen voorstel. Hij vond het briljant gevonden en zag het helemaal voor zich.

‘Wij hebben dringend geld nodig,’ zei Muizenman koel.

‘We zijn weer in de import-exporthandel gedoken. Tropisch fruit, weet je wel. En de contanten die je daarvoor nodig hebt! Dat wil je niet weten.’

‘Sorry, jongens. Het gaat niet lukken.’

‘Precies. En daarom zijn we hier. Onze juridische adviseur’ – Muizenman knikte met zijn hoofd in de richting van Sanders – ‘heeft een oplossing bedacht.’

Overrompeld keek Pincoff zijn advocaat aan. Is zijn consigliere helemaal gek geworden om deze twee blufgozers te adviseren? Hij is Sanders’ beste cliënt en betaalt hem absurd hoge vergoedingen voor zijn juridische dienstverlening. En nu laat Sanders hem vallen als een baksteen! Zoveel was Pincoff duidelijk: er was een smerig verbond gesloten tussen de advocaat en de twee mannen.

Sanders ontweek zijn verwijtende blik. Hij staarde naar het plafond, alsof hij schaapjes aan het tellen was. Wat ben jij een hypocriete klootzak, dacht Pincoff.

‘En wat mag de oplossing van meester Sanders dan wel zijn?’ zei hij sarcastisch.

‘Volgens Paul heb jij een heel simpel systeem bedacht. Bankcodes die zelfs Willem met zijn beperkte hersens kan begrijpen,’ zei Muizenman.

Pincoff voelde zich draaierig worden. Het is de combinatie van de verdoving en de sigarenrook, dacht hij. Maar hij wist wel beter. Hoe had Sanders het in zijn hoofd gehaald om tegen deze criminelen over de bankcodes te beginnen. Zijn advocaat verneukte hem waar hij bij zat!

‘Om mijn bankcodes te kunnen begrijpen moet je hogere wiskunde hebben gehad op de middelbare school. Jullie zijn daar te dom voor. Volgens mij zijn jullie nooit verder dan de brugklas gekomen,’ zei hij.

‘Paul vertelde ons dat je een garantie hebt geregeld. Daar kun je een beroep op doen,’ zei Muizenman.

‘Weet je, Sjon, je krijgt garantie als je een wasmachine koopt. Of voor mijn part zo’n stuk speelgoed als Willem in zijn broekzak heeft. Op een investeringsproject zitten geen garanties,’ zei Pincoff. Misprijzend keek hij naar de bobbel in de broek van Lodderer.

‘Geen geintjes over mijn potentie,’ zei Lodderer.

‘Dan zorgen wij er zelf voor dat we het garantiebewijs in handen krijgen,’ zei Muizenman. Hij keek zijn kompaan aan. ‘Kom, Willem, hier valt niets meer te doen voor ons. Het is tijd voor onze dagelijkse ronde. Mijn Thaise kippetjes moeten verzorgd worden.’

De twee mannen maakten aanstalten te vertrekken. Bij de deur draaide Muizenman zich om. ‘Dat is waar ook. Je moet ons toch eens vertellen op welke bank je ons geld gezet hebt. Dan plegen we een overval en halen we onze centen zelf wel op, ha ha!’

Met een klap viel de deur achter de twee dicht. Pincoff en Sanders bleven samen achter in het kantoor. De secretaresse kwam binnen en vroeg of de heren koffie wilden. Eric vroeg om een paar pijnstillers.

Zodra de secretaresse zich had verwijderd, barstte Pincoff los. ‘Ben je helemaal gek geworden! Hoe haal je het in je hoofd om zulke strategische informatie aan die twee neanderthalers te geven?’

‘Sorry, Eric, ik had je van tevoren willen inlichten,’ zei Sanders zwakjes.

‘Ik wist niet eens dat die twee driftkikkers hier zouden zijn.’

‘Het spijt me. Ik kon niet anders. Ze hebben me onder druk gezet. Ik moest vanmorgen meedoen met hun spelletje Russische roulette.’

‘Kan wel wezen. Maar je gaat ze toch niet vertellen hoe ik mijn zaakjes regel. Jij bent mijn consigliere en daar betaal ik je verdomme heel goed voor.’

‘Weet ik, Eric, weet ik. Maar ze dreigden mijn nieuwe vriendin te ontvoeren.’

‘Al ontvoeren ze je ouwe moeder. Weet je hoeveel geld ze mij al afhandig hebben gemaakt? Het zijn criminelen. Ik doe er zaken mee, maar ze zijn zo onbetrouwbaar als de pestpokken.’

‘Precies, daarom neem ik ze ook serieus. Ik heb tegen ze gezegd dat ze moeten ophouden jou af te persen. Maar ze zijn wél jouw zakenpartners. Jij hebt een deal met ze gesloten.’

‘Omdat ze zonodig hun overtollige centen wilden wassen. Nou ja, goed, ik heb een pesthumeur vanochtend.’

Eric wenste dat hij een pistool op zak had, net als Lodderer. Dolgraag had hij nu de loop van een revolver tegen dat glamourhoofd van zijn advocaat gezet. Misschien moest hij daar toch eens werk van maken, en er een aanschaffen.

‘Ik heb ze voorgesteld dat ik als vertrouwenspersoon optreed,’ zei Sanders.

‘Ja, en dan schudden ze eerst jou leeg om informatie los te krijgen en daarna schudden ze mijn bankrekeningen leeg!’

‘Ik ben als advocaat gehouden aan mijn geheimhoudingsplicht, dat weet je toch.’

Pincoff keek zijn advocaat ontgoocheld aan. Zou hij het werkelijk niet begrijpen? ‘Beste Paul, als het om geheimhoudingsplicht gaat, vertrouw ik niemand. Ook jou niet. En al helemaal niet over mijn bankgeheimen. Advocaten zijn zo lek als een mandje als het ze uit komt. Zeker als hij vriendschappelijk omgaat met twee gangsters die er een sport van maken de loop van een pistool tegen je kop te zetten. Ik hoop dat je dit snapt.’

Sanders beheerste zich niet langer. Hij sprong nijdig op. ‘Ik heb voor jou de juridische constructies bedacht, Eric. Ik heb alle stukken voor je opgesteld, alle contracten en alle machtigingen.’

‘Precies!’ kaatste Eric terug. ‘En daarom is het enige wat je niet krijgt de bankcodes. Die neem ik mee mijn graf in.’

‘Dan moet ik je toch teleurstellen, Eric. We hebben samen de statuten voor jouw Stichting Carlomagnus opgesteld. Als bijlage zit daar de constructie bij met de tien concubines van Karel de Grote. Kopieën van de stichtingsakte én van de bijlage bevinden zich in de kluis achter me.’

 

’s Middags zat Eric Pincoff in de Dutch Admirals Club in IJmuiden. De barman kende de vaste bestelling van de eigenaar van de Marina. Hij zette een glas Glenfiddich voor Pincoff neer. En daarna een tweede, want Pincoff had gezegd dat hij naar de tandarts was geweest. Hij zag eruit of hij kiespijn had.

Maar Pincoff werd gepijnigd door een veel groter probleem. Zijn advocaat Paul Sanders was meer niet te vertrouwen. Toen Pincoff piekerend van Amsterdam naar IJmuiden reed, waren de puzzelstukken plotseling op hun plaats gevallen. Wie had de constructie met Lodderer en Muizenman die middag in de ArenA op papier gezet? Wie had daarna het contract opgesteld? Sanders, natuurlijk. Hoe was de afpersing begonnen? Op de middag dat Sanders hem opbelde met de mededeling dat Muizenman hem bedreigde met een revolver. Hoe waren Muizenman en Lodderer achter de bankgarantie gekomen? Via Sanders. Hoe hadden ze lucht gekregen van zijn bankcodes? Precies.

De conclusie was even pijnlijk als onontkoombaar. Paul Sanders speelde achter zijn rug onder één hoedje met zijn zakenpartners, het criminele duo Sjon Muizenman en Willem Lodderer.

Dan kon de advocaat nog zo zielig vertellen dat zijn vriendin werd bedreigd, hij vormde zelf een bedreiging. Straks verkwanselde hij het hele project, of gaf hij de bankcodes weg. Hoe kon die vent zo naïef zijn te denken dat hij, Eric Pincoff, de codes ooit zou delen met Muizenman en Lodderer. Godzijdank was hij zo verstandig geweest de belangrijkste code te anonimiseren. De tiende vrouw. N.N. Nomen Nescio. Daar zou nooit iemand achter komen. Zelfs meester Paul Sanders niet. Ook al lagen de stukken bij hem op het kantoor in de kluis.

Ongevraagd schonk de barman een derde glas malt voor Pincoff in. Er was maar één uitweg, bedacht Pincoff terwijl hij een slok nam. Eén oplossing: Sanders moest weg. En wel zo snel mogelijk, voordat hij werkelijk zou doorslaan. Het was hard. Maar de zakenwereld was hard en hij was een zakenman. Een projectontwikkelaar. De bankier van de onderwereld. Daar kon hij geen doetje van een consigliere bij gebruiken.

Eric Pincoff zocht zijn mobieltje en belde een voorgeprogrammeerd nummer. Roberto Menéndez was aan het werk op Pincoffs zeilschip in de jachthaven.

‘Ik ben zo terug,’ zei Pincoff tegen de barman. Hij liet het halfvolle glas staan.

Vastberaden beende hij naar de steiger van de jachthaven en ging aan boord van de Joyeuse. In de beslotenheid van de kajuit, waar niemand hen kon afluisteren, gaf hij Bobby opdracht twee Zuid-Amerikaanse vriendjes van hem in te huren voor een klusje.

40

atlantische oceaan, vrijdag 22 september 2006

‘Wat praat je godverdomme voor onzin!’ herhaalt Eric. Hij kijkt de vrouw die tegenover hem staat, woedend aan.

Tessa zwijgt. Inwendig gloeit ze van trots omdat ze het geheim dat ze de hele reis op de Joyeuse met zich mee heeft gedragen, tot dit moment heeft weten te bewaren. De vulkaan van wraak, diep in haar binnenste, begint te rommelen. Ze trilt van emotie nu ze het naar buiten heeft gebracht. Recht in het gezicht van Eric.

‘Hoe kom je hierbij?’ zegt Eric na lange tijd. Hij lijkt bekomen van de schrik. Zijn woede is opgelost, hij is weer kalm als gewoonlijk. Teflon, denkt Tessa.

Eric vervolgt: ‘Heeft Bobby je deze onzin wijsgemaakt? Nou, dan weet ik ook nog wel wat. Bobby heeft zoveel op zijn kerfstok dat hij voor de rest van zijn leven in de cel verdwijnt als ik me morgen als kroongetuige bij de politie meld. Als hij zijn stinkende Zuid-Amerikaanse bek nog een keer opendoet, verlink ik hem bij Justitie.’

Tessa beschouwt Erics uitval als een bevestiging van haar beschuldiging. Ze probeert rustig te blijven, ook al voelt ze de zenuwen gieren door haar lijf. ‘Nee, Bobby heeft me helemaal niets verteld. Ik ben er zelf achter gekomen.’ Ze weet dat ze nu haar tweede troef in het pokerspel op tafel moet leggen.

‘Hoezo? Wat bazel je nou? Was jij er soms bij? Welnee! Je hebt je door de pseudologia fantastica van onze Chileense vriend iets op de mouw laten spelden. Heel listig van hem. Wist je dat Bobby zichzelf als een dichter beschouwt? Een gemankeerde romantische fantast, dat is hij.’

Tessa zwijgt. Laat Eric maar verder praten, denkt ze. Laat hem maar komen. Ze bidt in stilte dat Orville en Bobby nog tien minuten boven aan dek blijven.

‘Je weet toch dat Zuid-Amerikanen samenzweerders zijn? Bobby is een pathologisch geval. En wat wilde señor Menéndez van jou in ruil voor zijn absurde verzinsels? Heeft hij soms met je afgesproken dat hij je met rust zal laten als je mij met deze waanzin zou lastigvallen? Is dat soms de deal? Krankzinnig! Mannen doen ook alles voor een vrouw. Zelfs hun baas met valse beschuldigingen verlinken.’

Eric neemt mismoedig zijn hoofd in zijn handen. Hij maakt een verslagen indruk. Dan kijkt hij Tessa weer aan. ‘Ik had je nooit moeten meenemen aan boord. Een vrouw tussen drie mannen, dat is vragen om problemen. Eerst flirten met Orville, nu een opzetje met Bobby. Wat willen ze van jou? En wat wil jij van hen dat je je als slet laat gebruiken?’

‘Ik ben geen slet,’ onderbreekt Tessa hem. ‘En Bobby heeft mij niets verteld. Ik heb de informatie uit eerste hand.’

‘Oké, dat neem ik terug. Maar wie mag jouw exclusieve informatiebron dan wel zijn geweest?’

‘Paul Sanders heeft me over jullie ruzie op zijn kantoor verteld.’

Overrompeld kijkt Eric Tessa aan. Ze zwijgt. Dan zegt ze zo zachtjes dat ze even bang is dat Eric haar niet kan verstaan: ‘Paul was mijn vriend. Jij hebt me van mijn geliefde beroofd.’

Na seconden die een eeuwigheid lijken zegt Eric: ‘Jezus christus… De vrouw naast de broer van Paul op de begrafenis. Achter de kist naar het graf. Het gezicht verborgen onder een hoed met zwarte voile. Was jíj die vrouw?’

Voor de tweede keer laat Eric Pincoff zich achterover op de bank van de kajuit vallen. Hij kreunt van wanhoop.

 

Aan het begin van de avond ligt Tessa op haar bed in het vooronder. Ze heeft de deur van de hut op slot gedaan. Over zes uur begint haar wacht. Ze wil slapen, maar ze is onrustig en haar gedachten vliegen alle kanten op. Er heerst een beklemmende sfeer aan boord, als in een Griekse tragedie waarvan de ontknoping nadert. Het noodlot is onvermijdelijk. Niemand praat meer met elkaar. De onderlinge spanning is net zo tastbaar als toen ze vroeger als kind met haar tong de twee polen van een plaatbatterij aanraakte en de tinteling van de stroom op haar tong proefde.

Tessa kan haar gevoel van tevredenheid niet onderdrukken als ze de uitwerking van haar intriges overziet. Bobby tegen Orville. Orville tegen Eric. Eric tegen Bobby. En zij tegen hen allemaal. De driehoek van verdachtmakingen is een cirkel van achterdocht geworden.

Haar belangrijkste troef is de houdgreep waarin ze Eric heeft. Ze weet dat ze hem te pakken heeft. Bij zijn ballen, zou Bobby zeggen. Ze kan hem laten kermen en op zijn knieën dwingen om vergiffenis te vragen, als in een Karel de Grote-legende. Maar daar is ze niet opuit. Ze wil geen spijt, ze wil geen troost, ze wil geen compensatie. Ze wil wraak.

In minder dan drie etmalen zijn ze op Sint Maarten. Maar dan is ze nog niet klaar. Het eindspel moet nog beginnen.

Aan de rustige deining van het schip voelt Tessa dat het kalm weer is. Wonderbaarlijk, hoeveel ze over oceaanzeilen heeft geleerd in deze weken. En hoe ze gewend is geraakt aan het verslavende ritme van het leven aan boord. Ook al zou er geen enkel ander doel voor haar hebben meegespeeld om deze reis te maken, dan heeft ze dít in ieder geval bereikt. Haar fysieke conditie is beter dan ooit. Ze voelt zich sterk en ze is vastberaden.

Door een plotselinge beweging van de boot rolt Tessa tegen de linkerwand van haar kooi. Ze hoort een harde klap en daarna rolt ze tegen de rechterwand. Het schip maakt slagzij. Godallemachtig! Wat gebeurt er? Ze moeten ergens tegenaan gevaren zijn. Een walvis? Een container die van een vrachtschip is gevallen tijdens de storm? Onmiddellijk is ze klaarwakker. Ze hoort de stemmen van Eric en Orville, die opgewonden schreeuwen. Haastig schiet Tessa een short aan. Ze stapt in haar bootschoenen en rent naar buiten.

In de kajuit is niemand. Als ze haar hoofd uit het luik steekt, ziet ze Eric en Orville. Ze staan gebogen over Bobby. De Chileen ligt half over de bank en half over het gangboord. Er zit een bloedvlek op zijn linkerslaap.

‘Wat is hier aan de hand?’ roept Tessa gealarmeerd. Duizend gedachten vliegen door haar hoofd. Onmiddellijk vraagt ze zich af wat ze moet doen. De wond op Bobby’s hoofd stelpen. Zijn pols voelen. Een deken over hem heen leggen. Mond-op-mondbeademing toepassen. Een glas water halen om zijn lippen te bevochtigen. Bidden tot de heilige Sebastián.

‘Een ongeluk,’ zegt Orville vlak. ‘Het was een ongeluk.’

‘Wat is er gebeurd?’ vraagt Tessa, maar in haar hart weet ze het antwoord.

Eric is de eerste die een uitleg probeert te geven. Hij is verward, zijn zinnen klinken staccato. ‘Bobby was alleen aan dek. Het was het moment van wisseling van de wacht. Ik was binnen bezig met de navigatie. Plotseling was er een verandering van de wind. De wind draaide van noordoost naar zuidoost. Daardoor maakte de boot een onverwachte klapgijp.’

‘We naderen Antigua. Bobby wilde waarschijnlijk kijken of hij al lichten zag. Hoe dan ook, hij stond op de bank en heeft de giek tegen zijn hoofd gekregen,’ vult Orville aan. ‘The poor bastard had geen schijn van kans.’

Het duurt een paar tellen totdat tot Tessa werkelijk doordringt wat die laatste woorden betekenen. Dan stort ze zich op het levenloze lichaam van Roberto Menéndez en begint hartverscheurend te huilen.

Na een paar minuten trekt Eric haar weg. ‘Een ongeluk. Wij vinden het ook vreselijk. Net zo vreselijk als jij,’ zegt hij verslagen. ‘Het is het ergste wat ons kan overkomen. Een bemanningslid verliezen. Maar er moet wel het een en ander gedaan worden.’

Door de klapgijp is de Joyeuse uit koers geraakt. Het zeil staat over stuurboord en staat veel te strak. Tessa begrijpt nu waarom ze van de ene naar de andere kant in haar hut werd geslingerd.

De bemanning moet de zeilvoering aanpassen. Zwijgend neemt Orville het roer, terwijl Tessa en Eric de schoten bedienen. Ze maken een gecontroleerde gijp, zodat het grootzeil en de fok weer over bakboord staan. Even later ligt het schip op zijn oorspronkelijke koers. Dan gaat de bemanning aan de slag met het lichaam van Bobby. Eric haalt een wit laken, waarin hij de Chileen wikkelt. Vragend kijkt hij naar Orville en naar Tessa. ‘Wat doen we? Een zeemansgraf?’

‘Hoe kóm je daarbij?’ reageert Tessa emotioneel. Ze is van de drie zichtbaar het meest aangeslagen door Bobby’s dood. ‘Geen sprake van. Bobby blijft aan boord tot we onze bestemming hebben bereikt.’ Ze legt haar handen op het laken. ‘We gooien hem niet als een zak vuilnis overboord.’

Eric en Orville staan er ongemakkelijk naast. Geen van beiden weet zich raad met de situatie. Het lijkt of Tessa de leiding aan boord op zich heeft genomen. Zij bepaalt wat er gebeurt.

‘Nou ja,’ stamelt Eric, ‘we kunnen toch niet drie etmalen een lijk aan boord houden. Met deze tropische temperatuur gaat dat verschrikkelijk stinken. Het is ook niet hygiënisch.’

‘Bobby blijft aan boord. We gooien hem niet voor de haaien,’ herhaalt Tessa resoluut.

‘Tessa heeft wel een beetje gelijk,’ zegt Orville. ‘Ik was niet de grootste vriend van onze Chileen, maar ik vind wel dat we fatsoenlijk afscheid van hem moeten nemen. Maar Eric heeft ook gelijk. We kunnen hem niet tot Sint Maarten aan boord houden. Ik stel voor dat we hem vannacht op het achterdek leggen en hem morgenochtend bij het eerste zonlicht een begrafenis op zee geven,’ stelt Orville voor.

Tessa is onverbiddelijk. ‘Bobby gaat met ons mee naar Sint Maarten. Dat is zijn eindbestemming, daar keek hij naar uit. Daarna dragen we zijn lichaam over, zodat het naar zijn familie in Chili gestuurd kan worden. En…’ ze aarzelt over haar woordkeus ‘… en dan kan ook onderzocht worden of hij werkelijk door een klap van de giek om het leven is gekomen.’

‘Godallemachtig, Tessa. Je gelooft toch niet…’ zegt Eric geschrokken.

‘Ik geloof helemaal niets. Ik zeg alleen dat we dit tragische ongeluk fatsoenlijk afhandelen.’

Terneergeslagen gaan ze aan de slag. Orville haalt een oude zeilzak uit een bakskist en met een gezamenlijke inspanning slagen ze er in het zware, al verstijvende lichaam van de Chileen in de zak te tillen.

41

brussel/neerpelt, woensdag 20 september 2006

Ruim twee weken zijn er verstreken sinds Tariq de financiële constructie van Durendal had ontrafeld. Sindsdien had hij er niets meer aan gedaan. Met Sylvane praatte hij er dagelijks over, maar ook zij was niet van plan zich er nog langer mee bezig te houden.

‘Weet je waar we het nooit meer over gehad hebben?’ zei Tariq tegen Sylvane.

‘Ik weet wat je gaat zeggen,’ antwoordde Sylvane. ‘Waarom je nog geen vast contract heb gekregen.’

Tariq glunderde. ‘Ja, dat ook, natuurlijk. Maar ik bedoel iets anders. Herinner je je nog dat ik in IJmuiden ben geweest?’

‘Natuurlijk herinner ik me dat,’ zei ze.

‘De eigenaar van de zeilboot bij wie ik aan boord was, vertelde dat Pincoff de aanleg van de jachthaven gefinancierd had met drugsgeld en Europese subsidies. Dat is toch vreemd? Subsidies vallen onder onze competentie. Volgens mij moeten we daar toch nog eens naspeuringen naar doen.’

‘Het is zeker vreemd, maar we houden ons niet meer bezig met Pincoff,’ kapte Sylvane haar stagiair af.

‘Maar als we kunnen bewijzen dat Pincoff projecten waarvoor hij Europese subsidies ontvangt, met drugsgeld financiert….’

‘Nee, Tariq, we blijven er buiten. Pincoff heeft een speciale band met onze baas. Dat is jou ondertussen toch ook wel duidelijk geworden?’

Tariq keek Sylvane teleurgesteld aan. Hij besefte dat ze gelijk had. Het was kansloos.

‘Koffie?’ zei Sylvane om haar stagiair op te monteren. Zonder een antwoord af te wachten liep ze naar de gang om twee bekertjes slappe automatenkoffie te halen.

‘Ik heb een theorie,’ zei Sylvane toen ze weer binnenkwam. ‘En die wil ik je wel verklappen. Maar je moet me beloven dat je er verder niets mee doet.’

‘Wat zou ik kunnen doen?’ vroeg Tariq onschuldig.

‘Dat weet je best. Naar de schandaalpers gaan.’

‘Maak je geen zorgen. Mijn mediacontacten beperken zich tot Nataša en die zijn van heel andere aard.’

Sylvane schoot in de lach. Daarna legde ze hem haar theorie voor.

Eurocommissaris Feldspath was een formidabele vrouw, die carrière had gemaakt in het bedrijfsleven en de politiek. Ze was in alle opzichten een self made woman. Maar ze had twee gebreken. Ze was verslaafd aan mannen en ze had een zoon die verslaafd was aan cocaïne. Eric Pincoff was een aantrekkelijke zakenman, een hoogstapelaar van megalomane plannen. Daar hield Feldspath van. Ze was onder de indruk van zijn project voor een vliegveld in zee. Bovendien had Pincoff contacten met drugshandelaren, die hem konden voorzien van cocaïne voor de zoon van Feldspath. Door zijn bemiddelaarsrol had Pincoff greep op Feldspath. Misschien chanteerde hij haar. In ieder geval had hij haar zo ver gekregen een garantie voor een banklening van zijn bedrijf af te geven. Dat deed Feldspath, zonder haar naaste medewerkers te raadplegen. Aangezien ze ondertussen een verhouding met hem begonnen was, beloonde ze haar liefje met de uitverkiezing van Europese Ondernemer van het Jaar.

Ze was alleen vergeten dat er iets tussen kon komen. Misschien was de moord op zijn advocaat een reden geweest voor Pincoff om voorzichtiger te opereren. Er vonden veel afrekeningen plaats in het Amsterdamse criminele circuit, hij was misschien bang dat hij de volgende zou zijn. In ieder geval was Pincoff ’m gesmeerd. En hij had Feldspath laten zitten met de bankgarantie. Politiek kwam het schandaal haar heel slecht uit. Dus had Feldspath besloten het dossier naar zich toe te trekken, het niet verder te laten uitzoeken en er vooral geen ruchtbaarheid aan te geven.

Sylvane keek Tariq aan. ‘Dit is mijn vermoeden. En ik denk dat ik er niet heel ver naast zit.’

‘In ieder geval vallen allerlei stukken op hun plaats,’ zei Tariq. ‘En is hiermee het doek definitief gevallen? Pincoff is foetsie, Feldspath dekt zich in en de burgers van de Europese Unie zitten met de strop. Zij draaien op voor de 183,5 miljoen euro belastinggeld die Feldspath erdoorheen heeft gejaagd. Verblind door liefde en ambitie.’

‘Weet je,’ zei Sylvane op samenzweerderige toon, ‘vroeg of laat krijgen de media er vast wel lucht van. Zoiets lekt toch altijd uit.’

‘Denk je?’

‘Ik weet het wel zeker.’

‘Het zou mij niets verbazen,’ zei Tariq.

Sylvane zweeg. Ze glimlachte alleen maar en ze besefte voor de zoveelste keer hoeveel geluk ze had met deze stagiair, die aan een half woord voldoende had.

 

Met gierende banden kwam de scooter van Willem Lodderer tot stilstand voor het hek van de villa in Neerpelt. Zonder af te stappen drukte hij op de bel. Iemand vroeg naar zijn identiteit. Lodderer maakte een venijnige opmerking in de microfoon van de beveiligingsinstallatie. Zodra het hek op een kier geopend was gaf hij gas en scheurde naar binnen.

‘Sorry dat mijn nieuwe butler je niet onmiddellijk herkende,’ zei Sjon Muizenman ter verwelkoming.

‘Butler? Wat is dat nou weer voor gelul. Je kunt beter een portier in dienst nemen.’

‘Jij hebt geen gevoel voor klasse. James…. Dit is Mr Lodderer.’

Een lange magere man in een palfrenierskostuum maakte een lichte knik met zijn hoofd. ‘Sir…’ zei hij.

‘Mr Lodderer houdt van een koud biertje na zijn scooterrit,’ verordonneerde Sjon. ‘Heineken, geen Thaise Singha. En breng ook wat kroepoek.’

De butler verdween naar de keuken en Sjon leidde zijn partner naar de ontvangstkamer. ‘Je bent hier lang niet geweest. Ik heb een nieuwe hobby,’ zei Sjon terwijl ze bij de grote glaswand stonden en naar de tuin keken. ‘Een tropisch moeras. Ik zal het je straks laten zien.’

‘Zeker met piranha’s en krokodillen!’

‘Wat ben jij toch een natuurkenner, Willem. Hebben ze jou ooit gevraagd aan een tv-quiz mee te doen?’

‘Nee, maar ik weet wel wie we in die Amazonerivier van jou gaan kieperen als we hem te pakken krijgen. Pinkeltje Pincoff.’

De butler kwam binnen met een koelbox gevuld met biertjes en met een schaal vol Thaise versnaperingen. Na vijf minuten zag de schaal eruit alsof er een zwerm sprinkhanen overheen was getrokken. De koelbox raakte in snel tempo leeg. Beide mannen begonnen licht aangeschoten te raken.

‘Wat brengt je eigenlijk hier?’ vroeg Sjon na een tijdje.

‘Onze investeringen. Het gaat niet lukken om die terug te pakken. We zijn Pincoff definitief kwijt.’

‘Dat had ik toch nooit gedacht van die cementboer. Wat wil je daaraan doen?’

‘Dat kom ik jou vragen.’

‘Niet lullen, Willem. Het was jouw plan. Jij kwam met het idee om in die projectontwikkeling te investeren. Die wijsheid had je opgedoken uit de economieboekjes die je in de bajes had gelezen. Heb je me hier zitten vertellen. Weet je nog?’

‘Er is iets misgegaan, dat geef ik toe.’

‘Misgegaan? Ik ben verdomme tachtig miljoen kwijt. Of negentig miljoen. Het wisselgeld mag je houden, maar ik wil mijn centen terug.’

Sjon stond plotseling op en ging dreigend voor zijn zakenpartner staan, die languit op de loungebank bleef hangen.

‘Snap ik, Sjon, snap ik. Ik ben net zoveel kwijt.’

‘Het enige wat jij snapt is een klapperpistool tegen je kop.’

De butler zette zwijgend een nieuwe voorraad bier en hapjes neer. Sjon liet zich in zijn stoel vallen. Hij pakte een pilsje en dronk het flesje in één keer leeg.

‘Ter zake,’ zei Sjon. ‘We zijn bezig met een nieuw transport. Dat moet gefinancierd worden. Rara, hoe gaan we dat regelen als we niet bij het geld van Pincoff kunnen komen?’

‘Ik denk dat we ons verlies moeten nemen.’

‘Dat heb je zeker op je cursus beleggen voor beginners geleerd. Ik neem nooit genoegen met verlies. Jij wel?’

‘Niet in het casino.’

‘Weet je wat het is met jou, Willem? We zijn een partnerschap begonnen, je hebt mij erin geluisd en nu probeer je jezelf eruit te lullen.’

‘Dat is het risico van het vak. Als investeerder moet je geduld hebben. De markt kan tegenzitten. Beleggingen zijn voor de lange termijn.’

‘Lul jij maar raak. Het risico van het vak is dat je overhoopgeschoten wordt. Zoals Paul Sanders, weet je nog. Ik zit in zaken. Ik heb onkosten. Ik moet mijn bouwvakkers in Phuket betalen en mijn Thaise meisjes onderhouden.’

‘Sjon, rustig. Vroeg of laat duikt Pincoff op. En dan plukken we hem zo kaal als de poesjes van jouw Thaise meisjes.’

‘Man, ik zei je al, jij hebt geen smaak als het op kutjes aankomt. Maar zo eenvoudig kom je er niet van af. Jij hebt me erin geluisd met je partnerschap en nu zit ik krap bij kas. Kun je me niet wat voorschieten? Een tijdelijk krediet of zo.’

‘Als je echt omhoog zit kan ik je wel een lening geven. Ik heb nog wat in de reserve staan. Wat goktenten in Amsterdam waar de bank wel een krediet op verleent.’

‘Dat is een geweldig gebaar! Je bent een echte vriend.’

Sjon sprong op, greep het koperen belletje en riep de butler. Hij bestelde een pen, een vel papier en een fles champagne met twee glazen.

‘Dit gaan we vieren, ouwe rukker. Je hebt me op een briljant idee gebracht.’

Even later stonden Willem en Sjon met een glas bruisende champagne te toasten op het overdekte terras. Op tafel lag een vel papier waarop met hanenpoten geschreven stond dat Willem Lodderer aan Sjon Muizenman een bedrag van vijftien miljoen euro leende en dat Sjon Muizenman aan Willem Lodderer bij leven een bedrag van vijftien miljoen euro verschuldigd was. Onder de overeenkomst stonden de handtekeningen van Lodderer, Muizenman en van butler James als getuige.

‘Kom, Willem, dan laat ik je nu mijn nieuwste aanwinst zien,’ zei Sjon. Met een bijgevuld glas champagne in de hand liepen ze naar de rand van het grasveld. Daar was onder een overkapping een natuurgebied zo groot als een voetbalveld aangelegd dat was afgezet met een hoog metalen hek. Sjon opende een deurtje en samen liepen ze naar binnen. Een paadje leidde door de kunstmatige tropische biotoop, waar het vochtig warm was. Er stonden bomen met lianen, orchideeën en bromelia’s. Er hing een geur van tropische natuur. Midden in het complex was een waterpartij aangelegd. Het paadje liep er met een houten bruggetje overheen. Sjon en Willem bleven op het bruggetje staan.

‘Kijk, mijn nieuwe knuffeldieren,’ zei Sjon. Hij wees op de alligators die nauwelijks zichtbaar in het modderige water lagen. Alleen hun neusgaten en oogkassen kwamen boven het water uit. Uit de bomen boven hun hoofd klonk het gekrijs van papegaaien en parkieten.

‘Jij bent echt niet goed snik. Wie legt er nou een tropisch oerwoud aan in zijn tuin?’ zei Willem. Met een mengeling van bewondering en huivering keek hij naar de reptielen onder hem.

‘Liefhebberij, hè. Ik ga binnenkort ook flamingo’s houden.’

‘Wat kost dat nou, zo’n tropische dierentuin?’

‘Valt reuze mee. Ze houden elkaar in leven, hè. De een eet de ander. Dat heet een ecosysteem. Maar er zwemmen hier ook Chinese koikarpers rond en die kosten vijfduizend euri per stuk. Dus als een alligator voor z’n ontbijt een karpertje opslikt, ben ik vijf ruggen kwijt.’

‘Nou snap ik waarom je zo krap bij kas zit, ha ha!’ Willem Lodderer slaat zijn zakenvriend joviaal op de schouder.

‘Daarom voer ik ze zo nu en dan bij. Dan zijn ze weer weken rustig,’ zei Sjon.

Met een onverwachte beweging van de vechtsport Muay Thai waarin hij in Phuket trainde, zette Sjon zijn partner Willem op het verkeerde been en duwde hem vervolgens over de rand van het houten bruggetje.

Willem was zo verbaasd dat hij met vertraging reageerde. ‘Hé, Sjon!’ riep hij uit, ‘Kijk uit wat je doet!’

De beweging was niet meer terug te draaien. Spartelend viel Willem Lodderer in het modderige water. De alligators, die tot dan toe veinsden dat ze lagen te slapen, kwamen razendsnel in beweging en sperden hun kaken. Onder gespetter van water en het wanhopige geschreeuw van een man in doodsnood werd Willem Lodderer aan stukken gereten.

Met de leningovereenkomst in zijn hand slenterde Sjon Muizenman tevreden terug naar zijn villa, waar de butler voor hem klaarstond met een nieuw glas champagne.

42

simpson bay, maandag 25 september 2006

Tessa doet verwoede pogingen om wakker te worden met een kop sterke koffie. Ze moet wennen aan de nieuwe dag. Er klinkt geen geklapper van de zeilen, geen wind die jammert in de verstaging, er is geen golfslag tegen de boeg, er staat geen zeegang. Om haar heen ziet ze zeiljachten voor anker, rondvarende motorbootjes, auto’s in de verte op het eiland. Tessa vangt geluiden op die ze lang niet gehoord heeft: gelach, geschreeuw, gepraat, getoeter, muziek. Dat is waar ook: mensen zijn luidruchtig.

Ze is weer in de bewoonde wereld.

 

De avond tevoren is de Joyeuse voor anker gegaan. Het laatste deel van de tocht is probleemloos verlopen: met de passaatwind zijn ze door de engte tussen Antigua en Barbuda gevaren, vervolgens langs het Franse jetset-eilandje Saint Barth. Tegen de avond kwam Sint Maarten in zicht. Het was al donker toen ze Philipsburg passeerden, de hoofdstad van het Nederlandse deel van het eiland. Er lag een cruiseschip voor de kust, een lichtgevende schoenendoos vol toeristen. Eric besloot door te varen naar de volgende baai. Om halfelf ’s avonds lieten ze het anker vallen in Simpson Bay.

Het was een sprookjesachtige tropische nacht. In de verte glinsterden de lichtjes van het eiland, ergens ver weg speelde een steelband waarvan de ritmische klanken over het water werden gedragen.

Eric haalde een fles champagne te voorschijn om de geslaagde oceaanoversteek te vieren, maar de stemming aan boord was veel te bedrukt voor een toast op de behouden aankomst. Over de Joyeuse lag een deken van rouw.

In een versleten zeilzak lag het levenloze lichaam van Bobby. Tessa had haar zin gekregen: het lijk van de Chileen was aan boord gebleven. Eric had beloofd dat hij het na aankomst zou overdragen aan de autoriteiten om het naar zijn familie te repatriëren. Deels uit piëteit, deels om praktische redenen hadden ze de lijkzak in zijn kooi gelegd. Ook al hielden ze de deur van Bobby’s hut gesloten, na ruim twee etmalen in de tropische warmte begon zich een weeë geur van bederf in de boot te verspreiden.

Tessa had het gevoel dat zij als enige werkelijk rouwde over de dood van de Chileen. Ze was gesteld op hem geraakt, hij was de enige man aan boord geweest die geen bijbedoelingen had en die zij vertrouwde. Dat Bobby het slachtoffer was geworden van de overzwiepende giek was voor haar niet te bevatten. Ze geloofde niets van de plotselinge windverandering en de klapgijp die de Chileen volgens Eric en Orville fataal was geworden. Ze miste Bobby, ook omdat ze hem in haar plannen nog hard nodig had gehad.

Orville zat zwijgend met een glas champagne in zijn hand op de rand van de boot. Plichtmatig dronk Tessa haar glas leeg en daarna kondigde ze aan te gaan slapen. Ze zag dat Eric in snel tempo de fles leeg dronk. Toen ze naar binnen ging, liep hij wankelend achter haar aan. Bij de deur naar haar hut blokkeerde hij haar pad. ‘Nu we op Sint Maarten zijn, moeten we praten. Met z’n tweeën, zonder die Britse klootzak erbij,’ zei hij met een dubbele tong. Tessa besefte dat hij weer dronken was. Narrig beloofde ze met hem te zullen praten. Morgen. Niet nu. Ze was moe. Daarna wenste ze hem goedenacht en trok het deurtje van het vooronder achter zich dicht.

 

Orville en Eric hebben ’s ochtends vroeg de rubberboot uit de davits op het achterdek te water gelaten. Daarna is Orville met de dinghy naar de wal vertrokken om brood en andere etenswaren te halen. Hij zal zeker twee uur wegblijven.

Als Tessa naar buiten komt, zit Eric alleen in de kuip. Met een duf hoofd gaat ze bij hem zitten. Ze heeft als een blok geslapen. Terwijl ze in haar koffie roert en de geluiden van het eiland op zich laat inwerken, vraagt ze afwezig: ‘Hoe laat is het eigenlijk?’

‘Negen uur en er is veel te doen vandaag. Orville is al op pad.’

Dan vraagt Eric of ze nu eindelijk gaat beginnen aan haar artikel.

Tessa geeuwt. ‘Eh… Ja, zeker.’

‘Je gaat helemaal geen artikel schrijven, hè?’ zegt Eric plotseling, zonder op een antwoord te rekenen. ‘Je bent geen journalist en je werkt niet voor een tijdschrift. Management Europe Team. Goed gevonden, die titel. Maar dacht je echt dat ik achterlijk ben? Ik heb allang op internet gecheckt of dat blad bestaat. En misschien bestaat het ook wel, maar Google heeft er nog nooit van gehoord.’

Met een schok is Tessa wakker. ‘Maakt het wat uit?’ zegt ze vlak.

‘Dat vraag ik me ook af. Als je niet voor een artikel aan boord bent, waarom dan wel?’

‘Bedenk zelf maar een reden.’

‘Je zit achter mijn geld aan.’

‘Ha ha, ja, dat beweerde Bobby ook al. En kijk eens wat er met hem is gebeurd?’

Eric gaat niet op haar sarcasme in. ‘Maar wat wil je dan wel? Mijn zakelijke geheimen ontrafelen? Oké, dat is je gegund. Je hebt ons allemaal om de tuin geleid. Althans, dat dacht je. Ik heb je spel meegespeeld. Maar nog steeds begrijp ik het niet. En dat na al die weken samen aan boord.’ Eric laat zijn stem sentimenteel klinken. Het zal de nawerking van de champagne wel zijn, denkt Tessa.

Weloverwogen zegt ze: ‘Wat ik wil is genoegdoening.’

Eric kijkt haar ongelovig aan. ‘Wat is dat nou voor flauwekul? Wie gaat er voor genoegdoening twee maanden mee op een oceaantocht? Nee, dat vind ik een slappe smoes.’

‘Je hebt alle tijd gehad om erover na te denken.’

‘Dit wordt een belachelijk gesprek, Tess. We zijn aangekomen op Sint Maarten, we hebben een zeilprestatie van formaat geleverd en jij begint over genoegdoening. Genoegdoening voor wat? Wat wil je eigenlijk? Geld? Moet ik je soms betalen?’ vraagt Eric.

‘De dood van Paul. Weet je nog? Die rekening moet worden vereffend.’

‘Wie beweert dat ik achter zijn dood zit? Dat heeft Bobby je zeker wijs gemaakt.’

Tessa schudt haar hoofd. ‘Bobby heeft mij helemaal niets wijs gemaakt. Paul heeft het me zelf verteld. Jullie hadden ruzie. Hij kwam op een avond bij mij thuis en zei: “Ik ga eraan”. Hij wist dat het ging gebeuren. Ik raadde hem aan andere klanten te zoeken. Daar was hij mee bezig. Maar het was te laat.’

‘Zal ik je vertellen wat er is gebeurd? Ik heb Paul niet vermoord. En ik heb hem ook niet láten vermoorden.’

‘Hij is zeker gestruikeld op de stoep voor zijn kantoor en zat opeens vol gaten. Nee, Eric, ik ken jouw verzinsels. Jij verzint je eigen werkelijkheid.’

‘Ik zal heel eerlijk tegen je zijn. Lodderer en Muizenman hebben hem laten ombrengen. Plat gezegd: ze waren me voor.’

Tessa kijkt Eric ongelovig aan. Dan zegt ze ijzig: ‘Weet je, Eric, het maakt me geen fuck uit wie hem vermoord heeft. Jij was erbij betrokken. En Paul is dood. Ik ben mijn vriend kwijt. Dat is voor mij het enige wat telt.’

‘Ik heb mijn deelneming betuigd. Bij zijn begrafenis heb ik het condoleanceregister getekend. En als het je troost biedt: bij dezen, nogmaals gecondoleerd. Maar wat wíl je van me?’

Tessa kijkt Eric langdurig in de ogen. Dan zegt ze kalm: ‘Herinner je je nog het Roelandlied?’

‘Natuurlijk!’ zegt Eric. ‘Roeland wordt in de val gelokt in de Vallei van Ronceval. Als Keizer Karel over de bergen het noodsignaal van de hoorn Olifant hoort, is het te laat. De troepen van Roeland zijn verslagen en Roeland is gedood.’

‘Precies,’ zegt Tessa. Ze staat op. ‘En zoals Roeland met zijn zwaard Durendal ten onder ging in de legende, ga jij met je bedrijf Durendal ten onder. Dat zal mijn genoegdoening zijn.’

Zonder een reactie af te wachten duikt ze abrupt van de boot in het kalme blauwgroene Caribische water. Met een stevige slag zwemt ze een eind weg van de Joyeuse. Ze draait zich op haar rug en denkt na over de volgende stap die ze gaat zetten. Ze weet dat ze dicht bij haar doel is. Maar de hoofdprijs is nog altijd buiten haar bereik. De tiende vrouw, daar draait het om. Ze moet vertrouwen op haar slimmigheid en hopen op een beetje geluk. Geluksvogeltje, zei haar moeder vroeger al.

 

Een kwartier later klautert Tessa langs het zwemtrapje aan boord. Op het achterdek spoelt ze met de handdouche het zoute water van zich af. Het T-shirt kleeft aan haar lijf, zodat ieder detail van haar lichaam zichtbaar is. Ze ziet dat Eric naar haar borsten kijkt. Het deert haar niet. Met één hand wringt ze haar haar uit. Ze gaat naar binnen om een handdoek te pakken en komt weer naar buiten.

‘Terwijl je aan het zwemmen was heb ik nagedacht,’ zegt Eric. ‘Ik ben bij mezelf te rade gegaan en wil je een voorstel doen. Ik neem je in vertrouwen.’

‘Jij vertrouwt niemand.’

‘Dat klopt. Ik vertrouw je ook niet, ik neem je in vertrouwen.’

‘Oké, vertel op.’

‘Ik heb je op het terras van het Pelicans Café in Guernsey verteld hoe de zaken van Durendal en mijn Stichting Carlomagnus zijn georganiseerd. Herinner je je dat?’

Tessa knikt. Tien werkmaatschappijen, tien vrouwen van Karel de Grote. Natuurlijk weet ze dat.

‘Ik heb je toen niet verteld dat bij de namen van die tien vrouwen bankrekeningen horen. En neem maar van mij aan dat Orville het saldo van de Bailiwick Bank naar een bank op Sint Maarten heeft overgeboekt. Hij kent de codes, maar hij kent niet álle banken die daar bijhoren.’

Klopt, weet Tessa. Ze denkt aan het briefje met namen dat Orville haar gegeven heeft en dat ze sindsdien zorgvuldig heeft bewaard.

‘Luister. Ik wil dat geld van de rekening halen. Contant. Cash. Harde dollars. Maar ik kan hier onmogelijk aan land gaan. Men kent me op dit eiland. We hebben een lijk aan boord en ik ben de schipper. De kans dat er ophef ontstaat, of dat ik gezocht wordt, is groot. Je weet wat er gebeurd is bij Scheveningen, op Guernsey en La Gomera. Ik blijf zo veel mogelijk anoniem aan boord. Begrijp je?’

‘Uiteraard,’ zegt Tessa. Ze vraagt zich af waar Eric opuit is.

‘Orville zou ik op pad kunnen sturen, maar ik vertrouw hem niet. Bovendien kent hij de bank niet. Hij kent alleen de code. Maar jij kunt me helpen,’ zegt hij.

‘Je vertrouwt me toch niet?’ zegt Tessa nuchter. ‘Ik weet trouwens nog minder van jouw codes dan je bankier.’

‘Dat is waar. Daarom bied ik je ook iets aan. In ruil voor je hulp, en ter compensatie voor het verlies van je vriend. Paul was ook mijn vriend, weet je, ik was bijzonder op hem gesteld. Heeft hij je trouwens niets nagelaten?’

‘Nee, Paul was van plan zijn testament te herzien, dat stond nog op naam van zijn ex-vrouw. Maar daar was hem de tijd niet voor gegund. Net zomin als voor de afstoting van zijn oude klantenkring.’

‘Soms, Tessa, neemt het leven bizarre wendingen. Ik werd bedreigd. Er zaten criminelen achter me aan. Afpersers. Onderwereldfiguren. Drugshandelaren. Hoe je ze ook maar wilt noemen. En Paul was hun advocaat en handlanger geworden. Ze hadden hem in hun macht, hij heeft mij aan hen uitgeleverd. Ik neem het hem niet kwalijk, maar dat was de werkelijkheid.’

‘Paul kon niet anders. Hij werd gechanteerd. Ze dreigden mij te vermoorden als hij niet meewerkte,’ zegt Tessa. Ze voelt de tranen in haar ogen springen.

‘Hoe weet je dat?’ vraagt Eric verbaasd.

‘Wat denk je? Hij vertelde het aan mij. Hij was in paniek. Ik zei je al: hij wilde een andere klantenkring.’

‘Oké,’ zegt Eric na lang zwijgen. ‘Dan weet je ook dat het die gangsters ernst was en dat ze nergens voor terugdeinzen.’

‘Precies. Daarom was Paul zo bang. Hij kon jou niet terzijde staan toen ze jou bedreigden, want ze bedreigden hem net zo heftig.’

‘Ik beloof je dat ik het goed maak.’

Nu opletten, Insinger, houdt Tessa zich voor. Dit is je enige en laatste kans. Scherp blijven. Messcherp. Ze gaat naar binnen en schenkt zich een mok koffie in.

Eric kijkt haar indringend aan als ze weer naar buiten komt. ‘Je moet heel goed luisteren, want ik vertel het maar één keer. Bovendien zie ik daar’ – Eric wijst in de richting van de kust – ‘de dinghy aankomen met Mister Charming. We hebben maar een paar minuten.’

Tessa gaat tegenover Eric zitten. ‘Je kunt op me vertrouwen,’ zegt ze ter aanmoediging.

‘Oké, luister. Orville krijgt dadelijk van mij de opdracht naar een bank te gaan. Jij gaat met hem mee en zorgt dat je hem kwijtraakt. Dat lukt je wel. Dan ga je naar een reisbureau en koopt twee vliegtickets naar Curaçao. Vanavond om kwart over acht vertrekt er een vlucht van CuraçaoExpress. Dat heb ik net opgezocht. Daarna kom je niet terug naar de boot, je blijft op Sint Maarten. Ga naar Marigot op het Franse deel, dat is een aardiger stadje dan Philipsburg aan de Nederlandse kant. Ik zorg ondertussen voor Orville. Vanavond om zeven uur treffen we elkaar op het vliegveld. Van Curaçao vliegen we naar Panama. Terwijl jullie weg zijn, bel ik mijn bank op Sint Maarten en regel dat het saldo wordt overgeboekt naar een rekening in Panama. Een rekening die Orville niet kent. In Panama ben ik veilig. Begrepen?’

‘Maar…’

‘Nu geen vragen, doe precies wat ik zeg. In het vliegtuig naar Curaçao leg ik je alles uit. Jij krijgt in Panama de helft van het geld. Noem het de verzekeringsuitkering. Of de schadevergoeding.’

‘En de boot? Laat je die hier voor anker liggen?’

‘Daar zorg ik voor. Ik breng hem vanmiddag naar de jachthaven van Simpson Bay. Die is mijn eigendom. Daar kan het schip rustig een tijdje blijven liggen.’

‘Ik kan niet van boord gaan met mijn privé-spullen. Dan moet ik de hele dag met mijn rugzak rondlopen. Dat zal Orvilles argwaan opwekken.’

‘Komt goed. Voordat je straks met Orv in de dinghy naar de wal gaat, zet je een tas met je paspoort en de allernoodzakelijkste spullen klaar. Ik zal die tas vanmiddag voor je meenemen naar het vliegveld. Alles wat je verder nodig hebt kun je kopen in Panama City.’

‘Eric…’

‘Geloof me, dit had ik je van het begin van de reis willen aanbieden, Tessa. Er is alleen zoveel gebeurd. Maar ik beloof je: zo delen we het Karolingische geheim. De schat van Karel de Grote.’

De gele dinghy mindert vaart en Orville maakt het bootje met een lijn vast aan de achtersteven van de Joyeuse. Daarna stapt hij aan boord met twee volle boodschappentassen.

‘Kijk wat ik in deze uithoek van de beschaafde wereld gevonden heb! Frans stokbrood, tropisch fruit en Hollandse kaas!’ roept hij. Hij gooit een stel kranten op de kuiptafel en sleept de tassen met levensmiddelen naar de kombuis.

Tessa trekt zich terug in haar hut om zich te verkleden. Een kwartier later komt ze naar buiten in een nieuwe short en een smetteloos shirt met de tekst Squeezers over haar borsten. Ze heeft zich licht opgemaakt en haar haar opgestoken. De begerige blik van Orville neemt ze voor lief.

Bij het ontbijt van versgeperste sinaasappelsap, papaja, ananas en mango zegt Eric: ‘Ik heb met Orville de plannen voor vandaag doorgesproken. We gaan dadelijk alle drie met de dinghy naar het eiland. Ik moet wat zaken bespreken met de havenmeester en Orville zal wat financiële zaken voor me regelen in Philipsburg. Als jij met hem meegaat’ – Eric kijkt Tessa veelbetekenend aan – ‘dan kun je het eiland verkennen. Huur een autootje in Simpson Bay, dat is handig.’

‘Ik stel voor dat ik met Tessa het toeristische circuit doe. Nadat ik jouw bankzaken heb afgehandeld, natuurlijk,’ zegt Orv monter. Hij legt zijn hand op Tessa’ bovenbeen. ‘Je ziet er geweldig uit. Klaar voor de opnames van een James Bond-film.’

‘Afgesproken. En terwijl jullie gezellig shoppen zal ik met de havenmeester regelen dat het lichaam van Bobby van boord wordt gehaald,’ zegt Eric.

‘Arme Bobby. Ik zal hem missen, maar ik hoop wel dat zijn lichaam straks is weggehaald. De stank in het vooronder is zo langzamerhand niet te harden. En ik neem aan dat ik nog wel wat dagen aan boord zal slapen voordat ik terugvlieg naar Amsterdam,’ zegt Tessa.

‘Ja, dat kan nog wel een paar dagen duren. Weet je wat, ik zal een kennis bellen bij het eilandbestuur. Met hem heb ik goede zaken gedaan toen ik hier een paar jaar geleden een casino heb gekocht,’ zegt Eric en daarmee is het onderwerp afgedaan.

43

philipsburg, maandag 25 september 2006

‘Gaan we?’ stelt Orville voor.

‘Klaar om het piratennest te enteren,’ grapt Tessa. Ze voelt zich een kaper die aan land gaat op een schateiland. Ze heeft haar zonnebril en de pet met het Durendal-embleem opgezet.

Tessa en Orville stappen in de wiebelende dinghy, Eric maakt de lijn los en springt ook aan boord. Orville start de motor en dan zetten ze koers naar de kust. Ze verwijderen zich snel van de Joyeuse, gaan onder een brug door en komen in de Simpson Laguna. Bij de Marina stuurt Orville de dinghy behendig naar de steiger. Behulpzaam vangt een zwarte man de landvast op. Even later stappen ze aan wal. Het voelt onwennig. De deining van de afgelopen weken heeft zich tussen haar oren genesteld, merkt Tessa. Ze beweegt zich alsof ze op een verende trampoline loopt.

‘Verdorie! Dat is ook stom! Ik ben mijn papieren vergeten,’ zegt Eric als ze bij het kantoor van de havenmeester van de Simpson Bay Marina staan. ‘Ik moet terug naar de boot, anders kan ik niets beginnen.’

Hij verontschuldigt zich voor zijn vergeetachtigheid. ‘Weet je wat? Gaan jullie alvast je gang. Ik kom jullie straks wel halen als jullie genoeg hebben van je toeristische uitstapje.’

Eric stapt weer in het rubberbootje, duwt af en vaart terug door de lagune naar de Joyeuse. Orville en Tessa gaan op zoek naar een autoverhuurder. Een halfuur later rijden ze in een kleine rode Toyota richting Philipsburg.

‘Welkom op Sint Maarten. Zeg maar wat je wensen zijn,’ zegt Orville.

‘Shoppen?’ stelt Tessa voor, terwijl Orville behendig tussen het drukke verkeer over de smalle weg manoeuvreert.

‘Dat is het eerste waar vrouwen aan denken als ze vrije tijd hebben,’ zegt Orville.

‘En een creditcard,’ vult Tessa aan.

‘Ik heb een voorstel. Laten we dadelijk een hapje eten en wat drinken. Een vroege lunch. Ik ken een aardig restaurant bij Philipsburg, Chesterfields. Dan zal ik je mijn bedoeling met deze dag voorleggen.’

En ik jou de mijne, denkt Tessa.

Orville haalt een stokoude Amerikaanse auto met neergeklapt dak in. Tessa kijkt naar de twee zwarte mannen met rastamutsen die swingend op reggaemuziek naar haar zwaaien. Ze zwaait terug. Dit is haar dag. Ze voelt het.

Chesterfields bestaat uit een houten gebouw met open wanden, zodat de wind voor natuurlijke koelte zorgt. Ze nemen een tafel op de veranda en bestellen de vis van de dag, mahimahi met verse koriander en kokos, en een fles chardonnay.

Als het voorgerecht is geserveerd en ze hebben geklonken op de behouden vaart, vraagt Tessa: ‘Geloof jij dat Bobby een klap van de giek heeft gekregen?’

‘Nee, natuurlijk niet. Daar was Bobby een veel te ervaren zeiler voor.’

‘Wat is er dan gebeurd?’

‘Heb ik je al eens gezegd dat je prachtige ogen hebt?’

Tessa gaat niet op Orvilles flirt in. Koel kijkt ze hem aan. ‘Zeg jij het maar. Ik lag te slapen.’

‘Eric was buiten, samen met Bobby. Ze kregen ruzie, zoals zo vaak. Ik lag op de bank in de kajuit en hoorde het aan. Niet letterlijk, maar genoeg om te beseffen dat de ruzie behoorlijk uit de hand liep. Ik kreeg de indruk dat Eric het uitlokte. Op een gegeven moment hoorde ik een klap en een schreeuw. Daarna viel er iets in het water. Ik denk dat het de brandblusser uit de bakskist was, want later ontdekte ik dat die ontbrak. Volgens mij heeft Eric Bobby daarmee op zijn hoofd geslagen.’

‘Hoe krijgt hij dat voor elkaar… Bobby is toch veel sterker?’

‘Als je op het juiste moment toeslaat, krijg je iedereen tegen de vlakte. Hoe dan ook, Bobby was geveld. Daarna verlegde Eric de koers, maakte een gijp en alarmeerde jou en mij. Ik denk dat hij ervan uitging dat ik mee zou spelen. Hij wist dat ik de pest had aan die Chileense speklap. Hij wilde Bobby daarna meteen overboord zetten, maar dat heb jij verhinderd.’

‘Arme Bobby,’ zegt Tessa.

‘Ik koester geen medelijden met hem. Hij was een huurmoordenaar. Ik denk niet dat hij er zelf erg sentimenteel over zou zijn.’

‘Ik vond hem aardig,’ zegt Tessa geëmotioneerd.

‘Eric gaat Bobby’s dood niet aangeven bij de autoriteiten. Hij heeft geen zin in gedonder en gooit hem straks gewoon overboord,’ gaat Orville verder. ‘Daarom wilde hij jou zo graag van boord hebben en stelde hij voor dat je met mij meeging. Snap je?’

Tessa heeft geen zin meer in het voorgerecht en schuift het bord van zich af.

‘Waarom?’ zegt ze na een tijdje.

‘Eric was ervan overtuigd dat Bobby vertrouwelijke informatie had doorgespeeld aan zijn vijanden. De lui die achter hem aan zitten.’

‘Geloof jij het?’ Ze neemt een slok wijn om haar emotie weg te drinken.

‘Nee, natuurlijk niet. Aan de andere kant: het wás vreemd dat zowel op Guernsey als op La Gomera naar Eric Pincoff en de Joyeuse geïnformeerd werd. Ik heb daar in ieder geval geen verklaring voor. En daarvóór hadden die lui met hun speedboot een aanslag proberen te plegen. Bobby wist als enige dat jullie die dag uit IJmuiden zouden vertrekken. Afgezien van Eric natuurlijk.’

‘Maar Bobby heeft toen ons leven gered. En dat moest hij later met zijn leven bekopen? Ik kan het niet geloven.’

‘Eric is een onbetrouwbare klootzak. Een man voor wie maar één ding telt: zijn zakelijke belangen. Die gaan voor alles. Daar zet hij alle gevoelens voor opzij, ook die voor Bobby, voor mij of voor jou.’

‘Ik weet het,’ mijmert Tessa. Ze denkt aan Paul. Dan zegt ze: ‘Waarom bedreigde hij jou aan boord?’

Orville haalt zijn schouders op. Hij neemt een laatste hap van zijn voorgerecht. ‘Machogedrag,’ zegt hij met volle mond. ‘Hij was jaloers op ons. Ik denk dat hij me wilde duidelijk maken dat hij de baas is. Weet je nog dat hij een keer over haantjesgedrag begon? Dat sloeg op hemzelf.’

‘Ik denk dat er meer achter zit. Hij verdenkt jou ervan dat je er met zijn geld vandoor wilt gaan.’

‘Zou kunnen.’

‘Heb je hem daarom overboord geduwd?’ vraagt Tessa onverwacht.

Orville kijkt Tessa verrast aan. ‘Hoe kom je daarbij?’

Tessa geeft geen direct antwoord. ‘Ironisch genoeg had Eric het aan Bobby te danken dat hij uit het water gered werd. Wij zouden het samen niet geklaard hebben.’

‘Bobby had ervaring met man-over-boordmanoeuvres.’

‘Ik zal het nooit onder ede verklaren in de rechtzaal, maar jij wilde van Eric af. Om daarna je gang te gaan en zijn rekeningen te plunderen. Zit ik er ver naast?’

‘Had jij zelf ook niet heel even bedacht dat het je niet slecht zou uitkomen als Eric zou verdrinken? Ik herinner me zoiets,’ zegt Orville met een valse grijns.

‘Er zit een verschil tussen denken en doen. Ik zou er trouwens niets mee zijn opgeschoten, want ik beschik niet over de lijst van codes en bijbehorende banken. En jij wel.’

‘Ik zou het geheim met je hebben gedeeld. Dat wilde je toch?’

‘Had Eric toch gelijk toen hij jou onder schot hield. Jij bent een onbetrouwbare bankier. Een dirty banker!’ Tessa schiet in de lach. Ze streelt Orvilles hand. ‘We zouden een goed team vormen. Gespecialiseerd in rijke zakenlieden hun vermogen afhandig maken.’

‘Ha ha! Zie je wel. Daarom wil Eric van ons af. Ik denk dat hij ons snel van dit eiland wil laten vertrekken. Maar eerst moet ik nog wat zaken voor hem afhandelen. Hij durft zich hier niet te vertonen, omdat hij bang is dat hij wordt opgewacht en neergeschoten.’ Orville glimlacht. ‘En dat brengt ons hier samen in dit aangename restaurant.’

De serveerster zet de borden met het hoofdgerecht neer en vraagt of alles naar wens is. Tessa bestelt een glas mineraalwater. Orville ontfermt zich over de chardonnay.

Eric, vervolgt Orville als de serveerster buiten gehoorafstand is, heeft hem opdracht gegeven naar zijn bank in Philipsburg te gaan. Hij moet een bedrag aan contant geld opnemen. En de rest overboeken naar een andere rekening.

‘Zijn er nog vrouwen van Karel de Grote over?’ vraagt Tessa.

‘O, ja. Nog steeds.’ Hij haalt een papiertje uit de zak van zijn broek. Het papiertje bevat dit keer niet alleen de namen van de vrouwen van Karel de Grote, maar ook plaatsnamen.

 

1 Himeltrude - Amsterdam

2 Desiderata - New York

3 Hildegard - Curaçao

4 Fastrada - Luxemburg

5 Liutgarde - Orlando

6 Madelgarde - Maarten, Sint

7 Gerswinde - Odessa

8 Regina - Riohacha

9 Ethelinde - Guernsey

10 N.N. - ??

 

‘Zie je het?’ vraagt Orville nadat Tessa het blaadje heeft bestudeerd en Orville het weer in zijn zak heeft gestoken.

‘Madelgarde. De code voor Sint Maarten,’ zegt ze.

‘Precies. Daarmee kan ik bij zijn bankrekening in Philipsburg.’

‘Hij is écht knettergek.’

‘Ik noem het een bezeten afwijking.’

‘Nee, Eric Pincoff is een fantast. En fantasten zijn gevaarlijk, want ze zien hun hersenschimmen aan voor de werkelijkheid. Hij leeft in een droomwereld van Karel de Grote, megalomane projecten en bankrekeningen met de namen van Karels vrouwen. Die droomwereld houdt hij in stand ten koste van zijn getrouwen. Hij brengt ze desnoods om het leven. En hij is verblind door geld. Daardoor is hij steeds dieper de onderwereld ingezogen. Dat geeft hem een verslavende kick.’

Orville kijkt haar met een mengeling van bewondering en verbazing aan. Tessa laat zich niet onderbreken. Ze is zich ervan bewust dat ze tegenover Orville voor het eerst haar werkelijke oordeel over Eric uitspreekt.

‘Hij is een man met een dubbele persoonlijkheid. Dat geldt ook voor zijn projecten. Hij praat erover alsof ze echt zijn, terwijl ze alleen maar in zijn fantasie bestaan. Hij heeft een minderwaardigheidscomplex van hier tot Tokio. Daarom is hij zo’n hoogstapelaar. Eric de Grote – ontwikkelaar van megalomane projecten. Zijn hotels langs de kust, zijn jachthavens, het vliegveld in zee, het project voor een herdenkingsmonument op de plek waar Karel de Grote begraven is. Zou Eric werkelijk niet weten dat het onbekend is waar zich het graf van Karel de Grote bevindt? Waarschijnlijk kan hem dat niets schelen. Hij verzint zelf wel een plek en zet er een monument neer.’

‘Misschien heb je gelijk,’ zegt Orville peinzend.

‘Ik weet dat ik gelijk heb. Hij offert iedereen op die zijn ambities in de weg staan. Ik heb twee stille getuigen: Paul en Bobby. En jij was bijna de derde stille getuige geweest. Gelukkig wist Bobby Eric te overmeesteren en hem het geweer dat hij op je gericht hield, afhandig te maken.’

Orville prikt een stukje mahimahi. ‘Uitstekende vis,’ zegt hij. Hij drinkt zijn glas leeg. ‘En uitstekende wijn. Ik geloof niet dat Eric met wapens kan omgaan. Daar had hij Bobby voor.’

‘Jij bent ook niet erg bedreven in het uitschakelen van iemand. Je vergat dat een drenkeling uit het water gehaald kan worden. En als je wilt weten waarom ik vermoed dat jij daar iets mee te maken had: ik heb het uit de eerste hand. Toen ik ’s nachts bij Erics bed zat nadat we hem gered hadden, zei hij in zijn schemertoestand dat jij hem overboord had geduwd.’

‘Laten we het erop houden dat hij maar wat ijlde,’ zegt Orville. Hij buigt zich voorover. ‘Ik wil je een voorstel doen, Tess. We gaan dadelijk naar Philipsburg en daar zet je me af bij de bank waar ik voor Eric naartoe moet. Maar de opdracht van Eric voer ik niet uit. Ik heb een privé-rekening op Tortola, op de Britse Maagdeneilanden. Er is vanmiddag om kwart over vijf een vlucht naar Tortola. Flight WM 49. Toen ik vanochtend brood en kranten heb gekocht, heb ik twee tickets gereserveerd. Voor jou en voor mij. Je gaat naar het vliegveld en daar geef je de huurauto af. We zien elkaar in de vertrekhal bij de WinAir-balie. Afgesproken?’

Tessa knikt langzaam.

‘Op Tortola kunnen we inhalen wat we op de boot gemist hebben,’ zegt Orville. Hij pakt Tessa’ hand vast en knijpt er zachtjes in. De geilheid spettert uit zijn ogen. Tessa voelt zich smelten als ze naar hem kijkt.

‘Jij en ik samen,’ fluistert Orville. ‘Verlost van de jaloerse Eric en de norse Bobby.’

‘Oké,’ zegt ze. ‘Ik zorg dat ik om vier uur op het vliegveld ben. Hoe laat is het nu?’

‘Kwart over twaalf.’

‘Geen tijd te verliezen!’

 

Als Tessa Orville in het centrum van Philipsburg afzet, herhaalt ze de details van hun afspraak. Orville zwaait naar haar en loopt dan zelfverzekerd in de richting van de Caribbean Bank. In plaats van de auto te parkeren om te gaan winkelen, rijdt Tessa zo snel mogelijk terug naar de Marina aan de Simpson Laguna. De dinghy van de Joyeuse is nergens te bekennen. Tessa vraagt de zwarte man aan de steiger om haar een uurtje een motorboot uit te lenen en nadat ze hem honderd dollar in de hand heeft gedrukt, wijst hij haar een felgekleurd houten bootje aan. Ze start de buitenboordmotor en vaart met hoge snelheid naar de Joyeuse.

Wanneer ze het schip nadert, ziet ze dat Eric bezig is in de dinghy te stappen. Ze mindert vaart en blijft op enige afstand liggen om te zien wat er gebeurt. Eric gooit los en vaart weg. maar niet in de richting van de Laguna om bij de Marina Tessa en Orville op te wachten, zoals hij had beloofd.

In plaats daarvan wendt hij de steven naar open zee. Hij lijkt Tessa toch gezien te hebben, want hij maakt een zwaaiende beweging met zijn arm. Dan voert hij de snelheid van de dinghy op en verdwijnt naar het noorden achter de kaap van Beacon Hill.

Met haar gammele bootje vaart Tessa naar de Joyeuse. Het schip is verlaten. Op de tafel in de kajuit ziet ze een handgeschreven briefje liggen.

 

Tessa,

Er ligt een ticket naar Amsterdam voor je klaar op het vliegveld.

Het was goed om je aan boord te hebben gehad. Ik dank je voor je gezelschap. Maar je hebt me misleid en nu heb ik jou misleid. Onze levens gaan gescheiden verder. Het ga je goed.

Eric

 

Tessa is niet geschokt en zelfs niet verbaasd. Rustig vouwt ze het briefje op en stopt het in de zak van haar short. Ze gaat naar haar hut om de tas met spullen te pakken die ze had klaargezet voor Eric om mee te nemen naar het vliegveld. Als ze langs de hut van Bobby loopt, opent ze de deur om afscheid van de Chileen te nemen. De stank is onverdraaglijk. Ze legt haar hand op de zeilzak en prevelt een gebedje. Eric heeft hem niet overboord gegooid. Orville zal het nog lastig krijgen, grinnikt ze, als hij straks de aanwezigheid van een lijk aan boord moet verklaren.

Ze kijkt op de scheepsklok. Halftwee. Ze moet haast maken. Ze kijkt of Eric zijn satelliettelefoon aan boord heeft laten liggen, waarmee ze een internetverbinding kan maken. Maar die heeft hij natuurlijk meegenomen.

Naast het havenkantoor van de Simpson Bay Marina heeft ze een internetcafé gezien voor de yachties. Daar moet ze naartoe. Ze kijkt nog een laatste keer rond in de boot die zo lang haar vertrouwde omgeving is geweest. Daarna springt ze in de geleende boot en vaart zo hard als die kan terug naar de jachthaven. Ondertussen overdenkt ze de situatie. Orville zal inmiddels wel ontdekt hebben dat Eric hem naar de verkeerde bank heeft gestuurd. De Caribbean Bank die Eric gebruikt, bevindt zich niet in Philipsburg, maar in Marigot, op het Franse deel van Sint Maarten. Orvilles voorgenomen geldtransactie moet dus zijn mislukt. Nijdig zal hij op zoek naar haar gaan in het winkelcentrum. Als hij haar niet kan vinden en vervolgens een taxi neemt naar de Marina, zal hij ontdekken dat er geen dinghy op hem ligt te wachten. Misschien gaat hij daarna naar het vliegveld in de verwachting haar aan te treffen bij de balie van WinAir voor de vlucht naar Tortola.

En dan Eric. Hij is met de dinghy vertrokken en Tessa weet waar naartoe. Ze heeft het lijstje dat Orville in het restaurant aan haar toonde, in haar geheugen opgeslagen. De beginletters van de plaatsnamen lazen van boven naar beneden als anclomorg??.

De tiende plaats is een vraagteken.

Tessa heeft niet veel scrabble-ervaring nodig om de letters om te gooien en er een toepasselijk woord van te maken. Dan staat er carlomagno. Karel de Grote. Het vraagteken moet dan een A zijn. En omdat ze, met Eric en Orville, veelvuldig de kaart heeft bestudeerd, weet ze dat er maar één eiland dicht genoeg in de buurt van Sint Maarten ligt om in een dinghy voorzien van een volle dieseltank te bereiken: Anguilla.

Dat Eric op Anguilla een bankrekening heeft, verbaast haar niet. Dit eiland staat bekend als het corruptste eiland in het hele Caribische gebied. Het is een eiland zonder enige regulering van de financiële sector. Anguilla is het droomeiland voor witwassers. Het is dé plek voor mensen die hun geld écht willen laten verdwijnen.

De code van Anguilla is de tiende vrouw: N.N.

Tijdens de Atlantische oversteek, in de uren dat Tessa ’s nachts wacht had en er aan dek niets te doen viel, heeft ze met behulp van Erics sateliettelefoon het internet afgezocht naar de naam van de onbekende concubine van Karel de Grote. Ze heeft zich door heel het leven van Karel de Grote heen gewerkt. Op zoek naar de identiteit van de tiende vrouw trof ze telkens dezelfde tekst: ‘de concubine van wie de biograaf van Karel, zijn trouwe paladijn Eginhart, schreef dat hij zich haar naam niet kon herinneren’.

Na lang speuren had ze toch een verwijzing gevonden in een Karellegende. Tijdens een van zijn veroveringstochten in Spanje had Karel vriendschap gesloten met een overwonnen Saraceense koning, Galifier. Uit dank dat Karel zijn leven had gespaard, had Galifier zijn dochter Galiene aan Karel aangeboden. Galiene had met hem het bed gedeeld en ze had hem een dochter gebaard, Ruadhaid. Het was misschien een apocrief verhaal, maar er waren zoveel apocriefe verhalen over Karel de Grote in omloop. Galiene was in ieder geval een kandidaat voor de code van de tiende vrouw. Het was ook de enige onbekende naam die Tessa in al haar naspeuringen had weten te vinden. Het was Galiene of niets.

Nadat ze de sleutel van het motorbootje heeft teruggegeven aan de klusjesman van de Marina, haast ze zich naar het internetcafé. Bij een swingende zwarte jongen bestelt ze een glas mangosap. Vervolgens installeert ze zich achter een computer en zoekt op internet naar financiële dienstverleners op Anguilla.

The Valley, de hoofdstad van het ministaatje Anguilla, telt vijf banken en negen trust companies. Tessa schrijft de nummers op en belt ze een voor een af met het versleten mobieltje dat ze van de barjongen heeft geleend. Ze introduceert zich als de rekeningbeheerder van de Stichting Carlomagnus. Als dat geen reactie oplevert, zegt ze dat ze zich vergist heeft. Bij de First Anguilla Trust Ltd. heeft ze beet. Ze wordt doorverbonden met een accountmanager.

‘Ik wil het saldo overboeken,’ zegt Tessa. Ze voelt haar hart kloppen in haar keel. Haar handen zijn klam van het zweet, ondanks de airco in het café.

‘Ik zie dat u vanmorgen een substantieel bedrag heeft gestort,’ zegt de man van de Anguilla Trust. Hij heeft een zangerig Caraïbisch accent.

‘Dat klopt, maar ik heb me vergist. Het moet naar een andere rekening.’

‘Geen probleem. Mag ik ter verificatie vragen waar het saldo vandaan is gekomen?’

‘Caribbean Bank, Marigot Branche,’ zegt Tessa.

‘En de code?’

‘Madelgarde.’

‘Juist. En wat is uw code voor het saldo bij onze bank?’

Dit is het moment. Quitte of dubbel. Alles of niets. Als het mislukt, heeft ze niets bereikt en kan ze met Orville mee op de vlucht naar de Britse Maagdeneilanden.

‘Galiene,’ zegt Tessa. Het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen.

‘Een moment, graag.’

Het lijkt een eeuwigheid. Alle scenario’s gaan door Tessa’s hoofd. Het nummer van de telefoon waarmee ze belt, wordt nagetrokken. De politie op Sint Maarten wordt gealarmeerd, en dadelijk wordt ze in de boeien geslagen. De verbinding wordt doorgeschakeld naar de mobiel van Eric om te verifiëren of de opdracht in orde is. Eric is al bij de bank aangekomen en zit in een kamertje met een andere manager het geld te tellen. De bank doet aan stemherkenning en alleen de stem van Eric is geregistreerd.

Het angstzweet breekt haar uit.

Yes, Ma’am. Het is in orde. Waar moet het saldo naartoe?’

N.N. De tiende vrouw. Galiene. De dochter van Galifier. De moeder van Ruadhaid. Tessa zou haar wel willen omhelzen. Ze kijkt op het papiertje dat ze naast zich heeft liggen.

‘Bahama Bank in Nassau. Rekeningnummer…’

Ze leest het getal voor van de bankrekening die ze nachten geleden via internet vanaf de Joyeuse heeft geopend met haar creditcard.

Nadat de bankemployé van de First Anguilla Trust de gegevens herhaald heeft, beëindigt ze het gesprek. Daarna verstuurt ze haastig een e-mailtje.

De swingende medewerker van het internetcafé zet een nieuw glas mangosap voor haar neer. ‘Ik dacht: dat heeft u wel nodig, Miss. Ik zag u rood aanlopen. Moest u een examen doen of zo?’ vraagt de jongen.

‘Zoiets, ja. Een examen middeleeuwse geschiedenis.’

De jongen lacht zijn witte tanden bloot en Tessa lacht terug. Ze vraagt de rekening en als ze betaald heeft vraagt ze de jongen of hij wat wil bijverdienen door haar zo snel mogelijk naar het vliegveld te brengen.

44

epiloog

De zwarte jongen scheurt met zijn versleten cabrio naar Juliana’s Airport van Sint Maarten. Om vijf voor halfdrie zet hij Tessa af voor de vertrekhal. Ze bedankt hem met een haastige zoen en nog eens honderd dollar.

American Airlines vlucht AA 207 met bestemming Miami vertrekt om kwart over drie. Met haar creditcard koopt Tessa een ticket en aangezien ze alleen handbagage heeft is ze net op tijd om de vlucht te halen.

Als ze het eiland onder zich ziet verdwijnen, haalt ze een paar keer heel diep adem. Eindelijk kan ze ontspannen.

Triomfantelijke gedachten schieten door haar hoofd.

Op dit moment moet Orville ongeduldig op haar staan te wachten in de vertrekhal van het vliegveld voor de vlucht naar Tortola. Hoe lang zal hij bij de balie van WinAir wachten? Zal hij daarna alleen naar Tortola vliegen? Het laat Tessa koud. De hengst van Guernsey zoekt het maar uit.

Eric komt dadelijk aan bij het kantoor van First Anguilla Trust in The Valley, nadat hij met de dinghy Anguilla heeft bereikt. Zal hij er voor sluitingstijd zijn? Het kan Tessa niet schelen, ze verkneukelt zich bij de gedachte wat Erics reactie zal zijn als hij ontdekt dat zijn rekening is geplunderd. Wat zal hij verbaasd zijn. Hij zal vragen hoe het mogelijk is dat de code van de tiende vrouw is gebruikt! N.N. Nomen Nescio Ik weet de naam niet.

Zonder twijfel zal Eric de verdenking koesteren dat Orville hem tóch belazerd heeft. Hij zal zijn maatregelen tegen de bankier nemen. Eric, weet ze, is volslagen amoreel. Er zal binnenkort wel een berichtje in een regionale krant verschijnen dat ergens het lijk van een Britse bankier is gevonden. Ook dat laat haar koud.

Waar ze zich werkelijk op kan verheugen is de wanhoop van Eric Pincoff. Zonder geld in The Valley. Misschien heeft hij niet eens genoeg geld om diesel te kopen, zodat hij niet terug kan varen van Anguilla naar zijn schip dat voor anker ligt in Simpson Bay.

Ze heeft Eric Pincoff geruïneerd. Zijn vermogen is verdampt, overgeboekt naar een rekening op de Bahama’s.

Het is haar wraak voor zijn betrokkenheid bij de moord op Paul. Haar geliefde Paul.

Het was het idee van Broos. Hij heeft haar geholpen en tips aan haar gestuurd. Ze had Broos het archief van Paul gegeven, dat ze in de kast achter zijn kleren had gevonden. Broos heeft het helemaal doorgespit. Tessa glimlacht vertederd als ze aan hem denkt, terwijl ze naar beneden kijkt en het azuurblauw van de oceaan diep onder zich ziet. Broos had haar overtuigd: tref Eric Pincoff waar het hem het hardste raakt. Op zijn bankrekeningen. Zorg dat je hem zijn saldo afhandig maakt. Zijn geld. Tot de laatste cent.

Uit het internetcafé heeft ze haastig een mailtje gestuurd naar Broos: ‘De tiende vrouw heeft haar werk gedaan. Bestel een ticket naar Nassau, Bahama’s. Ik betaal. Liefs, T.’

Ze hoopt dat hij zo verstandig is om geen joints in zijn bagage mee te nemen.

 

Enkele weken later duiken er berichten op in de Europese pers over mogelijke fraude bij de Europese Commissie. Eurocommissaris Ondernemingen en Industrie Helena Feldspath zou op persoonlijke titel een bankgarantie hebben afgegeven voor 183,5 miljoen euro. De garantie zou betrekking hebben op een visionair project voor een vliegveld in zee, Charlemagne Airport, waarvan de initiatiefnemer, een projectontwikkelaar uit IJmuiden, al maanden spoorloos is.

Na aanvankelijke ontkenningen is er geen ontkomen aan. Helena Feldspath, die ook een villa blijkt te bezitten waarvan het eigendom via een dubieuze Luxemburgse bv is geregeld om de belastingen te ontduiken, wordt gedwongen terug te treden als eurocommissaris. Ze geeft een verklaring uit waarin ze beweert het slachtoffer te zijn van de afpersingspraktijk van Eric Pincoff, de Europese Ondernemer van het Jaar. Maar de bankgarantie is juridisch waterdicht, zodat de Europese Unie voor de miljoenenstrop moet opdraaien. Tegen Feldspath begint een proces om het geld terug te vorderen, dat zich jaren kan voortslepen.

Sylvane Engelhard maakt promotie en gaat werken voor de nieuwe eurocommissaris. Haar eerste daad is een vaste aanstelling regelen voor Tariq Mobasheri.

Hoe de Europese pers lucht heeft gekregen van het schandaal, blijft een goed bewaard geheim tussen Sylvane, Tariq en Nataša.

Korte tijd later maken kranten met vette koppen melding van een spectaculaire gebeurtenis in Pattaya. Sjon Muizenman is op klaarlichte dag vermoord in het kantoor van zijn vakantieproject aan de Thaise kust.

Tezelfdertijd staat er een klein bericht in de The Daily Herald, de lokale krant van Sint Maarten. Een Britse bankier, Orville de Billières, is dood aangetroffen in een nachtclub in Marigot op het Franse deel van het eiland. Volgens de politie heeft zijn dood te maken met de vondst van een canvas zak waarin zich een lijk in verregaande staat van ontbinding bleek te bevinden. Naar de identiteit van het lijk wordt nog onderzoek gedaan.

Eric Pincoff is gedwongen zijn zeilschip Joyeuse te verkopen om aan geld te komen. Zwaar onder de prijs verkoopt hij het schip aan een man met gemillimeterd haar en een zonnebril op, die hem vagelijk bekend voorkomt en die contant afrekent. Daarna duikt Pincoff onder op het Zuid-Amerikaanse vasteland, waar hij na enige tijd wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting omdat hij in zakelijke kringen beweert dat hij Karel de Grote is.

 

Tessa Insinger verwelkomt Broos op het internationale vliegveld van Nassau. Een deel van het geld dat op de rekening van de Bahama Bank is gezet, spreidt ze over een aantal degelijke beleggingsfondsen als pensioenvoorziening. Ze doet een schenking aan een fonds voor de ondersteuning van jonge, veelbelovende beeldend kunstenaars. En een deel maakt ze over naar het netwerk voor de ondersteuning van familieleden van slachtoffers van crimineel geweld.

Dan nog houdt ze meer dan genoeg over voor een welverdiende vakantie. Maar het zorgeloze leven begint haar na een paar weken te vervelen.

‘Weet je,’ zegt Tessa op een ochtend tegen Broos, ‘ik geloof dat ik verslingerd ben geraakt aan een leven met meer spanning dan op het strand liggen of in het zwembad duiken.’

‘En ik verlang naar mijn jointjes,’ zegt Broos.

‘Ik denk dat ik een zeegaand zeiljacht ga kopen. Ik weet er eentje te koop. Als jij nu eens als tussenpersoon optreedt, dan komt de eigenaar er niet achter wie de koper is.’

Tessa omhelst Broos. ‘Joyeuse,’ zegt ze lachend. ‘Ik ben joyeuse. Een geluksvogel.’

Dankbetuiging

Dit boek is fictie en de personages in De tiende vrouw bestaan niet in de werkelijkheid. Het is evenwel geen toeval dat er parallellen zijn met de Nederlandse actualiteit, waarin makelaars als de bankiers van de onderwereld fungeren, advocaten bedreigd worden, afpersingen en criminele liquidaties aan de orde van de dag zijn. Wie is geïnteresseerd in de werkelijkheid van Willem Endstra en zijn betrekkingen met Willem Holleeder en John Mieremet, raad ik aan De Endstra-tapes en het uitmuntende boek van Harry Lensink, Stille Willem, te lezen.

Ik dank Dorine Plantenga voor haar kritische en praktische steun bij het schrijven van alweer een boek, en schrijfvriend Charles den Tex voor zijn commentaar op delen van de tekst. Tot slot dank ik mijn zeilvrienden Hans Jongsma en schipper Dick van Dijk voor de zeilervaringen die ik met hen heb opgedaan. Elementen hiervan zijn terug te vinden in de oceaantocht van de Joyeuse.

 

 

Bezoek mijn website: www.roeljanssen.nl

Roel Janssen bij De Bezige Bij

 

Karaktermoord