11

alderney, dinsdag 8 augustus 2006

Tessa heeft de hondenwacht, de wacht in het holst van de nacht. Ze kijkt naar de bleke lichtstrepen die in de verte te zien zijn en die zich met een regelmatig patroon herhalen.

Bobby staat naast haar. ‘Tel maar mee,’ zegt hij. ‘Vier keer in vijftien seconden. Dat is de vuurtoren van Alderney.’

‘Hoe weet je dat?’ vraagt Tessa. Ze krijgt steeds meer sympathie voor Bobby. De Chileen, in zijn afhangende spijkerbroek en een uitgelubberde trui, heeft een wollen muts opgezet, zodat hij eruitziet als een verlopen zeerover. In de uren dat Tessa de afgelopen nachten wacht had, kwam hij telkens naar buiten om haar gezelschap te houden. Hij is vriendelijk en behulpzaam.

‘Ervaring, chica, ervaring. Ik ben hier vaker geweest. De vuurtoren van Alderney is beroemd. Dit is het baken dat je moet volgen als je naar de Kanaaleilanden wilt varen.’

De Joyeuse is nu vier etmalen onderweg. Na de schietpartij bij Scheveningen en de enerverende oversteek bij Hoek van Holland is de tocht probleemloos verlopen. De wind is door het noorden naar het oosten gedraaid. Gunstiger is niet denkbaar. Behalve in het Nauw van Calais, waar het Europese continent en Albion elkaar tot 32 kilometer naderen, heeft Eric een koers ruim uit de kust aangehouden. Soms kwamen ze een vissersboot tegen of zagen ze een zeilschip in de verte, maar verder bleef het rustig. Het is zoals Eric voorspeld heeft: een aangename, ontspannen zomerse zeiltocht.

Tessa is verrast hoe snel ze aan het scheepsritme is gewend. Ze bevindt zich met twee mannen in een kleine ruimte waaruit geen ontsnappen mogelijk is, alsof ze deelneemt aan een experiment voor intermenselijke relaties in een laboratorium. Alles is gericht op één activiteit: de microkosmos aan boord gaande houden. Het bestaan op zee verloopt geordend, afgebakend en regelmatig. Dat bevalt haar. Al kunnen ze elkaar niet ontlopen, ieder koestert zijn eigen vrijheid. De mannen respecteren haar privacy. Ze had zich erop voorbereid dat ze Eric op afstand zou moeten houden, maar dat blijkt niet nodig. Hij gedraagt zich als de schipper: hij is verantwoordelijk voor de navigatie en houdt zich bezig met de stand van de zeilen. Voor andere activiteiten lijkt hij geen belangstelling te hebben. Tessa heeft een paar keer geprobeerd een gesprek met hem aan te knopen over zijn projecten, maar afgezien van opmerkingen over de koers van het schip toont hij zich weinig toeschietelijk. Het is alsof hij zich verschuilt. Later, zegt hij telkens.

Bobby trekt zich overdag meestal terug of luistert naar muziek. Hij praat weinig. ’s Avonds staat hij smartlappen neuriënd in de kombuis te koken. Tessa is opgelucht dat hij meer gerechten kent dan met rijst en bonen.

Zelf brengt ze de tijd afwisselend aan dek en in haar hut door. Voor haar gevoel heeft ze haar draai aan boord gevonden, maar ze weet niet goed wat ze verder moet. Het plan leek zo simpel toen ze bedacht dat ze mee wilde met de Joyeuse. Het was niet meer dan de eerste stap: enkele dagen aan boord om informatie te verzamelen over de zakelijke activiteiten van Eric Pincoff. Hoe dat precies zou uitpakken wist ze niet en daarna, na de zeiltocht, zou ze haar speurtocht met andere middelen voortzetten. Zo had ze het zich voorgesteld. Maar de situatie aan boord leent zich er niet voor. Er doet zich geen vanzelfsprekend moment voor om Eric te confronteren met haar vragen. En, als ze eerlijk is, ze weet niet precies welke informatie ze hem wil ontfutselen. Ze heeft vermoedens, vaag omlijnde gedachten, meer niet. Ze wacht op een gunstig moment om toe te slaan, maar dat heeft zich nog niet voorgedaan. Ze moet geduld hebben. Vertrouwen op haar geluksvogeltje.

 

Onafgebroken strooit de vuurtoren van Alderney zijn flarden licht over het water. Tessa krijgt het gevoel dat de lichtflitsen haar in trance brengen. Ze kan haar ogen er niet van afhouden. ‘Betoverend, hè,’ zegt ze.

‘Nou en of,’ beaamt Bobby. ‘Maar dit is moeilijk vaargebied. Er staat hier een sterke stroom. Alderney kun je alleen bereiken als je stroom mee hebt, anders wordt je achteruit gezet.’

‘Hoe komt dat?’

‘De Atlantische Oceaan perst zich tussen de eilanden en de Franse kust door. De vloed duwt het water naar binnen, de eb zuigt het weg. Je zult het wel merken. Dadelijk draait het tij en krijgen we stroom mee.’

‘Je bent een ervaren zeeman.’

‘Als die eikel dat nu eens tegen me zei…’ Bobby maakt een obsceen gebaar met zijn duim tussen zijn vingers.

‘Mag je Eric niet, of is dit voor Chilenen de gebruikelijke manier om over hun baas te praten?’

‘Ik kan niet zonder hem, want hij betaalt me. En hij kan niet zonder mij, want ik bescherm hem.’

‘Jullie zijn net een Siamese tweeling.’

‘Nou, gelukkig zit ik niet aan hem vast! Ik hou er niet van als mannen aan me zitten. Ik ben geen maricón.

‘Hoe lang werk je al voor hem?’

‘Ik denk zes of zeven jaar.’

‘Joh! Ik zou nooit zeven jaar kunnen omgaan met iemand aan wie ik eigenlijk de pest heb.’

‘Heb je wel eens een minnaar gehad?’

Tessa is overrompeld door de directheid van Bobby’s vraag. ‘Ja, natuurlijk, hoezo?’

‘Soms heb je een minnaar van wie je niet loskomt. Je ergert je aan hem, je hebt ruzie, je vindt dat hij met verkeerde dingen bezig is. Maar je gaat niet bij hem weg. Misschien omdat hij lekker kookt, of goed neukt, of een mooie sportauto heeft. Of domweg veel geld.’

‘Daar heb je gelijk in,’ zegt Tessa, starend over het donkere water. ‘Die situatie komt me bekend voor.’

‘Zie je wel!’

Ze hervindt zich. ‘Heb je trouwens door dat ik níet uit ben op een verhouding met Eric? En hij wil volgens mij ook niets met mij.’

‘Erics wegen met vrouwen zijn ondoorgrondelijk. Over die van jou met mannen moet ik nog het een en ander uitvinden. Maar daar kom ik snel genoeg achter.’ Bobby lacht en Tessa lacht braaf met hem mee.

De nacht loopt op zijn einde, het gordijn van de duisternis trekt langzaam weg. De lichtstrepen van de vuurtoren zijn minder scherp te zien.

‘Moet je opletten,’ zegt Bobby. ‘Dadelijk tover ik het mooiste moment van het zeezeilersbestaan tevoorschijn. De dageraad.’

Achter de Joyeuse begint de lucht te klaren. Het ochtendgloren tekent zich af met parelmoerkleurige strepen die uitwaaieren als veren. In het oosten kleurt de horizon geleidelijk violet, roze, oranje en geel. En dan komt de zon omhoog uit het water, als een godin die uit de zee oprijst. Eerst niet meer dan een flintertje, dan een streep en daarna een cirkel. Een bol van energie.

‘Prachtig, hè,’ zegt Bobby.

‘Wat ben je romantisch!’

‘Chilenen zijn in hun hart allemaal dichters.’

‘Dat meen je!’

‘We hebben de poëzie in ons binnenste. De kunst is om het naar buiten te laten komen.’

‘Als ik gedichten zou schrijven, duikt de zon van schrik onder.’

‘Je moet leren naar je gevoel te luisteren. Je bent toch journalist?’

‘Mijn gevoel zegt dat het dag wordt. Moeten we Eric niet wakker maken?’

‘Nee hoor. Hij is in staat dit goddelijke moment te verpesten met een of ander nieuw project dat hij tijdens zijn slaap bedacht heeft.’

‘Zie je ook al niets in zijn projecten?’

Bobby kijkt Tessa aan. Zijn lyriek van de zonsopgang maakt plaats voor ruwe zakelijkheid. ‘Kijk, hij verdient er zijn geld mee en daarmee kan hij mij betalen. Maar ik geloof er niets van dat hij met een soort middeleeuwse koning de toekomst van Europa kan redden.’

‘Karel de Grote.’

‘Precies. Carlos el Magnífico. Lui die zichzelf magnífico vinden, leiden aan zelfoverschatting. Volgens mij heeft Eric daar ook last van. Hij gaat met de verkeerde mensen om. Mensen die hem naar de mond praten, omdat ze wat gedaan willen krijgen van hem. Of hem geld afhandig willen maken.’

‘Gebeurt dat dan?’

‘Het zou me niets verbazen. Er zijn genoeg mensen in zijn omgeving die denken: die vent heeft geld te veel.’

‘Daar moet ik het met hem over hebben,’ zegt Tessa, meer tegen zichzelf dan tegen Bobby. ‘Hoe lang denk je dat we in Guernsey blijven?’

‘Bij Eric weet je het nooit. Misschien een week. Hoezo?’

‘Als we in de haven liggen, heb ik tijd om met hem te praten. Aan boord lukt dat niet goed. Het is of hij me ontwijkt.’

‘Hij houdt er niet van om met mensen die hij niet goed kent over zijn zakelijke bezigheden te praten.’

Voordat Tessa aan Bobby kan vragen wat hij bedoelt, zegt deze: ‘Kijk, we pakken de stroom op. We beginnen snelheid te maken. Nu moeten we opletten dat we niet te dicht langs het eiland gaan. Het stikt hier van de verraderlijke rotsen onder water.’ Hij pakt de kaart, controleert de positie en past de koers een paar graden aan. De vuurtoren van Alderney is helder zichtbaar in het ochtendlicht. Een hoge witte toren met een brede zwarte band in het midden. Het lichtsignaal is gedoofd.

 

Eric is voor het ontbijt naar buiten gekomen en nu ze zitten met z’n drieën in de kuip te genieten van een mok koffie. Het schip heeft door de stroom een flinke snelheid gekregen. Alderney hebben ze al weer achter zich gelaten en in de verte lonkt Guernsey.

‘Hoeveel tijd hebben we voordat het laag water wordt?’ vraagt Eric aan Bobby.

‘Genoeg om voor de haven van Guernsey te komen, maar te weinig om naar binnen te varen,’ zegt Bobby.

‘Dan stel ik voor dat we een rondje maken. Dat is leuk voor Tessa,’ zegt Eric. ‘Als we in een boog om het eilandje Sark gaan, tot de westelijke punt van Jersey, en dan naar Guernsey sturen, pikken we daar het opkomende tij weer mee om de haven in te varen.’

‘Oké,’ zegt Bobby.

‘Waarom doe je dat?’ vraagt Tessa.

‘Het verval tussen eb en vloed is bij Guernsey zo groot dat er onder water een drempel voor de ingang van de haven is gemaakt om te zorgen dat er altijd voldoende water in de jachthaven staat. De haven is een soort badkuip. Maar je kunt niet over die drempel met laag water, je kunt alleen naar binnen rond hoogwater,’ legt Eric uit.

‘Aha,’ zegt Tessa.

‘Het levert ons een prachtige zeildag op in de baai van Normandië. Je kunt rustig gaan zonnen op het voordek. Oké, Bobby, we passen de koers aan. We loeven op. Zet de zeilen maar door.’

Eric geeft een haal aan het stuurwiel en de boeg van de Joyeuse draait naar de wind. Bobby trekt met de lieren de schoten van het grootzeil en de genua aan. Onmiddellijk gaat het schip schuiner liggen.

‘Perfect,’ roept Eric. ‘Deze koers houden we aan.’

Hij zet het stuurwiel vast en loopt naar binnen om de koers op het navigatiesysteem te controleren. Tessa smeert haar gezicht en armen in met zonnebrandolie. Ze heeft haar T-shirt uitgetrokken en in bikini, met een badhanddoek en een boek, gaat ze naar het voordek.

‘Vergeet niet iets op je hoofd te zetten,’ roept Bobby als ze over het gangboord naar voren loopt. ‘Hier, neem deze pet.’ Hij geeft haar een vaalgroene zeilpet. ‘Die heb je nodig op een dag als vandaag.’ Durendal Beheer staat erop geborduurd, met een plaatje van een zwaard. ‘Dank je,’ zegt Tessa met een glimlach.

Het schip vaart een aandewindse koers dwars op de stroom en maakt daardoor rollende bewegingen. Als Tessa op het voordek ligt, luistert ze naar het geklots van de golfslag tegen de boeg. De deining maakt haar rozig. Ze is loom, ze voelt dat ze de afgelopen nachten kort geslapen heeft, hooguit een paar uurtjes voor of na haar wacht. Ze strekt zich uit op de handdoek, legt het boek onder haar hoofd, trekt de klep van de pet over haar ogen, zoekt steun met haar bootschoenen tegen een randje op het dek en dommelt zachtjes weg.

Tessa wordt wakker als ze het zeil van de genua hoort klapperen. Even kijkt ze verdwaasd om zich heen. Aan stuurboord ziet ze de kust van een eiland. Ze gaat rechtop zitten en kijkt naar achteren. Bobby en Eric staan in de kuip, bezig de stand van de zeilen aan te passen. Ze besluit dat ze lang genoeg op het dek heeft gelegen. Moeizaam staat ze op, verzamelt haar spulletjes en loopt naar achteren.

‘Zal ik in mijn artikel schrijven dat Eric Pincoff een jetsetleventje leidt met een vette boot, een privé-bemanning en…’

‘…en een aantrekkelijke vrouw op het voordek! Welja!’ schatert Eric. ‘Vergeet niet te vermelden dat de kogels om zijn oren floten toen moslimterroristen het op zijn leven gemunt hadden.’

‘Maak je geen zorgen, dat komt er allemaal in.’

‘Schrijf dan ook maar dat Eric Pincoff in Guernsey zijn bankrekening moet plunderen omdat hij zijn gewaardeerde bemanningslid Roberto Menéndez drie maanden achterstallige soldij moet betalen,’ zegt Bobby.

‘Hou jij je er buiten, Speedy Gonzales!’ zegt Eric met gespeelde verontwaardiging. ‘We hebben het over een artikel voor een gerespecteerd zakenblad, niet over een fooi voor een nietsnut.’

‘Maar het is wel waar,’ moppert Bobby.

‘Dat zien we dan wel weer.’ Eric draait zich naar Tessa en toont haar de kaart. ‘Kijk, hier zijn we. We varen om Sark heen. Dan pikken we de stroom op en draaien in de richting van Guernsey. Tegen de tijd dat we voor de haven zijn, staat er genoeg water om binnen te varen. Saint Peter Port is een aardig stadje. Je zult het leuk vinden daar te winkelen.’

Het valt Tessa op hoe goed Eric is gehumeurd nu ze dichter bij hun bestemming komen.

Na het rondje om Sark is het tij opnieuw gekeerd. Weer staat de stroom dwars, maar nu van de andere kant. Ze naderen Guernsey. Met een scherpe bocht stuurt Eric het schip om de vierkante stenen vuurtoren die op het havenhoofd van Saint Peter Port staat. Ondertussen laat Bobby het grootzeil uitlopen en viert Tessa de schoot van de genua. ‘Meer, meer, meer!’ roept Eric. Met ruime wind zeilt hij de havenkom in. Zodra de stroom wegvalt, loopt de snelheid uit het schip. Eric start de dieselmotor.

‘Klaar om de zeilen te strijken?’ roept hij. ‘Eerst rollen we de genua in. Laat de schoot helemaal gaan, Tessa.’

Tessa doet wat haar opgedragen wordt. De genua klappert als een laken aan de waslijn. Eric laat het schip een scherpe draai maken zodat het met de kop in de wind komt te liggen. Hij drukt op de elektrische bediening en de genua rolt zich netjes op om het ronddraaiende voorstag.

‘Oké, nu het grootzeil.’

Bobby staat weer bij de mast. Hij laat het immense zeil rustig zakken en bindt het vervolgens met zeilbanden op de giek. Eric zet de motor bij en draait het schip, zodat het op de smalle ingang van de jachthaven afstevent. ‘Hier ligt de drempel waar je overheen moet. Daarachter zijn we in de beschutting van de haven,’ zegt hij tegen Tessa.

Een halfuur later ligt de Joyeuse afgemeerd aan een steiger van de Victoria Marina in het centrum van Saint Peter Port.

‘Gefeliciteerd,’ zegt Eric als ze in de kuip uitrusten van de inspanningen. ‘Goed werk, bemanning. Ik stel voor dat we vanavond een captain’s dinner hebben in Christies Restaurant. De eigenaar is een kennis van me en hij serveert uitstekende visgerechten.’

12

brussel, dinsdag 8 augustus 2006

Sylvane Engelhard had nauwelijks geslapen. Halverwege de nacht was haar jongste kind de ouderlijke slaapkamer binnengestommeld omdat ze naar gedroomd had. Het was een enge droom over een reus die met een zwaard zwaaide. Sylvane had haar dochtertje getroost en haar vervolgens bij zich in bed genomen. Maar terwijl haar dochter snel weer in slaap viel, bleef ze zelf liggen piekeren.

Sylvane besloot op te staan en eerder dan gebruikelijk naar haar werk te gaan. In alle vroegte wilde ze op haar kantoor iets uitzoeken wat ze in haar doorwaakte uren had bedacht. Voorzichtig sloeg ze het laken van zich af, waarbij ze haar best deed om haar dochter en haar echtgenoot niet wakker te maken. Daarna sloop ze naar de badkamer.

Een halfuurtje later sloeg ze de nog verlaten weg richting Brussel in.

Behalve de nachtportier, die haar lusteloos groette toen ze met haar pasje door de toegangssluis ging, was het gebouw uitgestorven. Ze nam de lift, maar drukte niet op het knopje van de achtste verdieping. In plaats daarvan ging ze naar de twaalfde, waar het kantoor van eurocommissaris Lena Feldspath was. De deur van de kamer van het secretariaat stond open. Sylvane keek op haar horloge. Tien voor zeven. De komende anderhalf uur zou hier geen medewerker verschijnen, schatte ze in.

Ook de deur naar Feldspath’ kamer stond open. Aarzelend liep Sylvane naar binnen. Ze voelde zich een gluurder en overwoog snel terug te gaan naar haar eigen verdieping. Maar de drang om rond te neuzen was groter.

Het bureau van Feldspath was nauwgezet opgeruimd. De computer stond uit en Sylvane nam zelfs niet de moeite te proberen deze op te starten. Met een vluchtige handbeweging stelde ze vast dat de bureauladen op slot zaten. Op een salontafel lagen twee kunstboeken. In de kasten stonden naslagwerken die niet de indruk wekten ooit geraadpleegd te worden. Verder stonden er op de planken cadeaus, oorkondes, plaquettes, munten, snuisterijen en andere memorabilia. Plus een opmerkelijk aantal foto’s waarop Feldspath zelf prominent figureerde.

Sylvane Engelhard was slechts een enkele keer op de kamer van de eurocommissaris geweest. Nieuwsgierig keek ze naar de collectie van blijken van waardering die Feldspath had ontvangen. Op sommige foto’s hadden politici een opdracht voor haar geschreven. Op andere foto’s schudde ze de hand van lachende zakenlieden. De foto’s suggereerden dat de eurocommissaris voor Ondernemingen en Industrie een warme band onderhield met de top van het bedrijfsleven.

Hoorde ze een geluid op de gang? Sylvane Engelhard draaide zich met een schok om en verliet snel de kamer. Maar het geluid van voetstappen verwijderde zich, zonder dat ze iemand zag.

In de kamer van het secretariaat inspecteerde Sylvane de kasten en bureaulades. De lades waren op slot, evenals twee archiefkasten. Maar de deuren van een derde kast gingen open. Er zaten hangmappen in die alfabetisch gerangschikt waren. Een vluchtige inspectie leerde haar dat het materiaal was over ondernemingen. Ze keek of ze een map van de Industrie und Handelsbank kon vinden, maar dat was niet het geval. Ze zocht verder. Bij de letter C zat informatie over Charlemagne Airport, prospectussen met wervende teksten over het Europese project voor een luchthaven in zee. Ze pakte er eentje uit. Daarna zocht ze bij de letter D. Ze trof een informatiefolder aan over Durendal, Projectontwikkelingsbureau te IJmuiden. Ook die folder haalde ze er uit. Daarna bekeek ze de andere mappen. Ze bevatten allemaal onschuldig promotiemateriaal. Glanzende folders, die iedereen mocht inzien en desnoods meenemen. Ze was teleurgesteld dat ze niet vond wat ze gehoopt had. Alle correspondentie werd natuurlijk achter slot en grendel bewaard.

Opnieuw hoorde ze geluid op de gang en nu kwamen de voetstappen dichterbij. Haastig stopte ze de folders in haar tas en sloot de kast. Ze wilde de secretariaatskamer uit lopen, maar bedacht zich. Als iemand haar op dit vroege uur uit het kantoor van de eurocommissaris zou zien komen, zou dat verwondering wekken.

Een man liep langs over de gang. In het voorbijgaan wierp hij een terloopse blik door de geopende deur van het secretariaat en toen hij zag dat daar iemand aanwezig was, bleef hij staan. Hij deed een paar passen naar binnen.

‘Bent u de vakantiekracht die hier deze week komt werken?’ vroeg hij argwanend.

Sylvane Engelhard aarzelde. ‘Nee,’ zei ze. ‘Ik werk op een andere afdeling. Ik ben een vriendin van de invalkracht. Via mij heeft ze dit baantje gekregen en ik vroeg me af of ze al aanwezig was.’

‘We beginnen in de zomer pas om halftien,’ zei de man vermanend. Hij maakte aanstalten om zich om te draaien. ‘Welke afdeling?’ vroeg hij.

‘Boekhouding.’

‘Ik zal het aan haar doorgeven. Goedemorgen.’

De man sjokte verder. Sylvane Engelhard besloot dat ze lang genoeg op de twaalfde verdieping was geweest en ze wilde niet nog een ongewenste ontmoeting riskeren. Ze wachtte even, verliet de kamer en nam de lift naar beneden.

 

Toen Tariq een halfuur later de werkkamer binnenkwam, zag Sylvane in één oogopslag dat hij verliefd was. ‘Gezellige avond gehad?’ vroeg ze nieuwsgierig en onmiddellijk kon ze haar tong wel afbijten voor haar moederlijke belangstelling. Het privé-leven van haar stagiair ging haar niets aan. Maar het was raak. ‘Ja,’ zei Tariq, terwijl zijn wangen kleurden, ‘bijzonder gezellig.’

‘Het meisje van de persafdeling?’

Tariq knikte. ‘Ze is een heel goede woordvoerder.’

Sylvane schoot in de lach. ‘Ik neem aan dat ze meer voortreffelijke eigenschappen heeft.’

‘O, zeker.’ Hij kreeg weer een kleur. ‘Hoe dan ook, goedemorgen. Wat ben je vroeg!’

Sylvane vertelde dat ze vroeg wakker was geworden omdat ze gewekt was door haar dochter die gedroomd had over een reus in de tuin.

Nu schoot Tariq in de lach. ‘Je moet je dochtertje maar vertellen dat haar droom lijkt op een avontuur van Roeland. Roeland is nog een jongen, maar hij mag mee met de ridders die een reus in het donkere woud willen verslaan. Maar de ridders kunnen de reus niet vinden. Als ze onverrichter zake terugkomen in het paleis, moeten ze koning Karel bekennen dat de reus hen te slim af is geweest. Dan komt Roeland naar voren. Hij toont de kostbare smaragd die op het schild van de reus had gezeten. Zonder dat de ridders het hadden gemerkt, heeft Roeland de reus gedood. Onder indruk van de moed van zijn jonge neef slaat Karel hem tot ridder en neemt hem op in zijn gevolg.’

‘Hoe weet je dat allemaal?’

‘Ik heb in het weekeinde een boek met Roelandlegenden gelezen. Je moet ze voorlezen aan je dochter.’

‘Ja, en dan gaat ze zeker nog meer enge dingen dromen en mij weer midden in de nacht wakker maken. Nee hoor, daar is ze veel te klein voor!’

‘Die legenden zijn sprookjesachtig.’

‘Het zal wel. Maar geen sprookjes voor ons vandaag. We moeten aan de slag met de firma Durendal. Kijk eens wat ik boven’ – Sylvane maakt een gebaar met haar hoofd richting plafond – ‘heb gevonden? Informatiemateriaal.’ Ze gooit de twee folders op het bureau van Tariq. ‘Ik stel voor dat jij achter dat bedrijf Durendal aan gaat. Dan zal ik die bank in Frankfurt benaderen om ze uit te leggen dat in Brussel iedereen met vakantie is.’

Halverwege de ochtend zoemde de mobiele telefoon van Sylvane. Het was eurocommissaris Lena Feldspath. Haastig liep Sylvane naar de gang om rustig te kunnen praten. Na een paar minuten kwam ze terug, met een geërgerde blik in haar ogen. ‘Feldspath wil weten of er nieuwe ontwikkelingen zijn. Ze overweegt eerder naar Brussel terug te komen, ook al is er volgens haar niets aan de hand.’

‘Hoe kan ze dat nou weten terwijl ze op safari is?’

‘Misschien heeft ze een medicijnman geraadpleegd,’ zei Sylvane spottend. ‘Nee, ik heb geen idee. Ze klonk alsof ze zich toch behoorlijke zorgen maakt.’

‘Het is geen overbodige luxe als ze terugkomt. We kunnen de politieke dekking van onze baas wel eens hard nodig hebben.’

‘Dit wordt Chefsache,’ beaamde Sylvane. ‘Ik heb ondertussen iemand van de Industrie und Handelsbank gesproken en gezegd dat ze geduld moeten hebben. Daar had men begrip voor. In Duitsland is ook iedereen met vakantie.’

‘Wat vind je hiervan?’ zei Tariq. Hij liep naar de printer, pakte een stapeltje papier en legde dat op het bureau van Sylvane.

‘Wat is dit?’

‘Ik heb de financiële gegevens van de Kamer van Koophandel over Durendal gedownload. Op het eerste gezicht lijkt er niets bijzonders aan de hand. Maar als je goed naar de balans kijkt, zie je dat het bedrijf vrijwel niets waard is. Dat is vreemd. Het is bezig met een project van honderden miljoenen en Durendal heeft een balanstotaal van maar een half miljoen euro.’

‘Wat idioot.’

‘Het kan alleen maar als de activa ergens anders zijn ondergebracht. Maar waar? Dat haal ik hier niet uit.’

‘Je moet een keer naar… Waar zitten ze?’

‘IJmuiden. Vlak bij Amsterdam, in Nederland.’

‘Goed.’

‘Er is nog iets raars. De directie bestaat uit één persoon. Dat is óók vreemd voor een onderneming met ambitie.’

‘Hoe heet de directeur?’

Tariq bestudeerde de uitdraai. ‘Pincoff.’

‘Verder geen namen?’

‘Een advocaat die als commissaris optreedt. Sanders van kantoor Sanders & Sanders in Amsterdam.’

‘Saunders en Saunders,’ zei Sylvane. ‘Dat is toch een televisieserie?’

French and Saunders’, verbeterde Tariq haar.

‘Jij bent beter geïntegreerd dan ik!’ zei Sylvane.

Tariq glimlachte.

‘Heb je die advocaat geprobeerd te bereiken? Hij kan ons misschien op het spoor brengen van eh… meneer Pincoff.’

‘Nee, nog niet,’ zei Tariq. ‘Zal ik vanmiddag doen. Maar ik heb op internet wél gezocht naar informatie over Pincoff. En weet je wat? Hij is niet lang geleden uitgeroepen tot Europese Ondernemer van het Jaar.’

‘Die vent!’ riep Sylvane. ‘Natuurlijk! Zijn naam was me ontschoten. Nu ik eraan denk: de uitreiking van de prijs vond plaats in Aken. De stad van Karel de Grote.’

‘Wat een toeval,’ zei Tariq. ‘Durendal, Aken – zou meneer Pincoff wat hebben met Karel de Grote?’

‘Ik weet het weer. Er was wat gedoe in verband met de toekenning van de prijs. Niemand in het directoraat-generaal had ooit van deze ondernemer gehoord. Er waren andere kandidaten. De vraag was: waarom hij? Feldspath heeft dat toen doorgezet. Omdat het vliegveldproject haar aansprak.’

‘Maar dat nu een financiële strop oplevert.’

‘Die is gedekt met een kredietgarantie afgegeven door Feldspath.’

‘Met die garantie is ook iets merkwaardigs aan de hand. Ik heb de datum opgezocht zoals die in de brief van de Duitse bank stond. Ik hoopte Feldspath’ toezegging op die datum in het archief te vinden. Maar niets. En weet je wat? 26 september 2004 was een zondag. Begrijp je er iets van?’ zei Tariq.

Sylvane schudde ontkennend haar hoofd. ‘Volgens mij moeten we de juridische dienst inschakelen. Wij kunnen dit niet afhandelen.’ Ze pakte de papieren van het bureau.

‘Wacht even, we kunnen toch nog wat dingen uitzoeken? Bijvoorbeeld waarom Feldspath zo onder de indruk was van Pincoff,’ zei Tariq.

‘Onbegonnen werk. Ze zit nog steeds in haar safarihut.’

‘We kunnen de zakelijke contacten onderzoeken die er tussen Pincoff en Feldspath bestaan.’

Hoofdschuddend bladerde Sylvane door de paperassen. ‘Kijk! Durendal heeft een vestiging op Guernsey. Dat is een van de Kanaaleilanden. Met een fiscaal vriendelijk regime. Je wilde toch spannend werk! Nou, je wordt op je wenken bediend.’

‘Zou het vermogen van de onderneming daar zijn ondergebracht? En daarom niet zijn vermeld in het register van de Kamer van Koophandel in IJmuiden?’

‘Ik heb geen idee. Hier, er staat een bankrelatie bij. Bailiwick Bank in Saint Peter Port. Dat is een aanknopingspunt.’

‘Weet je wat? Ik ga met die bank bellen om informatie over hun Hollandse klant te vragen,’ zei Tariq strijdlustig. De gedachte dat hij aan de slag ging met een zaak die in zijn verbeelding al was uitgegroeid tot een financieel schandaal van Europees formaat, maakte hem nog vrolijker dan hij al was.

13

guernsey, woensdag 9 augustus 2006

Het is de ochtend na het captain’s dinner in Christies. Eric heeft aan Tessa voorgesteld samen aan de wal te ontbijten, terwijl Bobby het schip op orde zal maken. In een kakikleurige broek, een lichtblauw poloshirt en met een zwartleren attachékoffertje in zijn hand ziet Eric eruit als een zakenman in vrijetijdskleding. Tessa heeft haar haar gewassen en geföhnd, haar lippen van een kleurtje voorzien en haar ogen licht opgemaakt, zodat ze meer vrouwelijkheid uitstraalt dan ze de afgelopen dagen aan boord heeft getoond.

Samen zitten ze aan een tafeltje op het terras van Pelicans Café in The Old Quarter, de oude wijk van Saint Peter Port, de pittoreske hoofdstad van Guernsey. Al is de Franse kust vlakbij, het eiland valt net als de andere Kanaaleilanden onder de Britse kroon. Saint Peter Port dankt zijn populariteit niet in de laatste plaats aan de vrijstelling van accijnzen voor drank, sigaretten en elektronica. De ferry’s van en naar Engeland varen ’s zomers af en aan, vol koopjesbeluste Britten.

Victoria Marina is het middelpunt van The Old Quarter. Eeuwenlang was dit een vluchthaven voor zeilschepen om te schuilen voor stormen, en een uitvalsbasis voor kapers; nu is het een pleisterplaats voor plezierjachten die ’s zomers langs de Franse Kanaalkust zeilen. Er heerst een gemoedelijke sfeer, de zongebruinde yachties vermengen zich met de dagjesmensen in de winkels, restaurants en cafés langs de kade.

‘En, hoe is het je bevallen?’ vraagt Eric. Vertrouwelijk legt hij zijn hand op Tessa’s onderarm.

‘In één woord?’ zegt Tessa.

‘Twee mag ook.’

‘Supergaaf!’

‘Dat is er één.

‘Meer heb ik niet nodig. Ik heb genoten. Hoewel die schietpartij me niet in de kouwe kleren is gaan zitten. Maar het zeilen was tof. Ik heb het ritme aan boord helemaal te pakken en nu vind ik het jammer dat we weer in een haven zijn.’

‘Je hebt dus genoeg materiaal voor je reportage.’

‘Nou… Ik ben niet helemaal klaar. Ik weet nog te weinig van de zakelijke activiteiten áchter deze zeezeiler. Voordat ik terugga wil ik daar met je over praten.’

‘Dat is waar ook. Ik moet je inwijden in mijn Karel de Grote-project.’

‘O ja, je Karolingische stichting. Daar heb je nog niets over verteld!’

‘Laten we nu op Guernsey zijn omdat…’

‘…Karel de Grote hier is begraven?’

‘Was dat maar waar, dan zou ik hier morgen mijn monument voor Karel de Grote oprichten. Nee, omdat ik hier de zakelijke belangen van de stichting heb ondergebracht.’

‘Waarom hier?’

‘Dat zul je dadelijk wel merken. Je wou toch een ongebruikelijke invalshoek voor je reportage?’

‘Nou, vertel. Waarom hier?’ herhaalt Tessa haar vraag. Ze neemt een laatste slok van haar café au lait.

‘Omdat Guernsey een gunstig belastingklimaat heeft.’

‘Je bedoelt: het is een belastingparadijs?’ Tessa kijkt Eric provocerend aan over de rand van haar zonnebril.

‘Kort door de bocht, maar zo kun je het noemen.’ Eric neemt een hap van een croissant. ‘In ieder geval heb ik mijn zakelijke belangen hier ondergebracht. Guernsey is de juridische vestigingsplaats van mijn ondernemingen en van de Stichting Carlomagnus.’

‘Dus je bent een belastingontduiker,’ zegt Tessa. Ze bedoelt het half als een grap, maar ze klinkt serieus.

‘Nee, nee, nee! Alles is volkomen legaal. Ik ben een van de tienduizenden mensen die hier hun zaken fiscaal-vriendelijk hebben ondergebracht.’

‘Sorry, ik wilde je niet kwetsen. Maar fiscaal-vriendelijk betekent toch gewoon belastingvrij?’

Eric wenkt de serveerster en bestelt een tweede rondje koffie.

‘We gaan dadelijk naar de Bailiwick Bank om te praten met mijn adviseur, Orville de Billière. Je zult hem aantrekkelijk vinden.’

‘Een aantrekkelijke bankier? Daar kan ik me niets bij voorstellen.’

‘Hij is een eh… een man met uitstraling. En hij regelt mijn financiële zaken.’

Dit is het moment, hoopt Tessa, om meer te weten te komen van de dingen die haar gemotiveerd hebben om bij Eric aan boord te gaan. ‘Vertel eens wat over je zakelijke imperium,’ zegt ze uitnodigend.

Eric is gevleid door haar belangstelling voor zijn ondernemerschap. ‘Ik zal je uitleggen hoe ik mijn zaken georganiseerd heb. Kijk.’ Hij pakt de papieren placemat en draait die om. ‘Je weet dat ik actief ben in projectontwikkeling. Ik ga niet al mijn projecten opsommen, maar neem maar van mij aan dat het om groot geld gaat. Je weet, ik ben bezig met een project voor een vliegveld in zee. Charlemagne Airport. Dat is een kostbare zaak, ik heb het over honderden miljoenen. Hier op Guernsey heb ik een aantal juridische constructies opgezet om deze projecten te financieren. Die constructies zijn nodig om investeerders aan te trekken, want ik kan dit niet allemaal uit eigen zak voorschieten. Ik moet mijn kantoor in IJmuiden draaiende houden en mijn personeel betalen. Bobby Menéndez is een dure kracht.’ Eric schiet in een nerveuze lach.

Geïnteresseerd kijkt Tessa toe, terwijl Eric op de achterkant van de placemat een schema tekent.

‘De werkelijkheid is ingewikkelder, ik stel het simpel voor. Dan wordt het je duidelijk. Om te beginnen is er de Stichting Carlomagnus. Die hebben we juridisch ondergebracht in een trust op Guernsey. Weet je wat dat is?’

Tessa schudt ontkennend haar hoofd. Haar blonde haar golft mee.

‘Een trust is een rechtsvorm waarmee je op een discrete manier een vermogen kunt beheren. Er geldt een verregaande geheimhoudingsplicht voor. Als je een goed doel beoogt, ben je helemaal geen belastingen verschuldigd. Daarom is een stichting fiscaal interessant.’

Eric schrijft het woord ‘trust’ op het papier en zet er een cirkel omheen. Daarna tekent hij een vierkant.

‘Dit is de holding voor onze zakelijke activiteiten. Durendal Beheer.’

De naam op de pet die ik van Bobby kreeg, bedenkt Tessa. Dit is de informatie waarnaar ze op zoek is.

‘Durendal houdt kantoor in IJmuiden, maar is statutair gevestigd op Guernsey. Vandaar dat we hier zijn, ik moet wat zakelijke activiteiten afhandelen. Voor Durendal geldt hetzelfde verhaal: lage belastingen en een hoge mate van discretie. In Guernsey hoef je niet alles aan de belastinginspecteur te vertellen, zoals in Nederland – en zoals trouwens in steeds meer eu-landen. Godsamme, wat de fiscus tegenwoordig allemaal moet weten en mag uitzoeken! Daar heb je geen enkel verweer tegen als zelfstandig ondernemer. Ze ruïneren je. Gelukkig verdedigen de Kanaaleilanden hun fiscale onafhankelijkheid tegen de bemoeizuchtige bureaucraten uit Brussel. Dit is een belastingvrijplaats onder de kust van het Europese vasteland. Als de Kanaaleilanden niet zouden bestaan, zouden heel wat ondernemers uitwijken naar de Baltische staten, naar Cyprus, Gibraltar of de Caribische eilanden. Dat doen ze trouwens toch wel, maar daar zijn de faciliteiten voor het zakenleven niet zo goed als hier. En deze eilanden zijn een stuk dichterbij.’

Tessa onderbreekt Eric. ‘Dus je bent tóch een belastingontduiker,’ stelt ze nuchter vast.

‘Het is maar hoe je het bekijkt. Met mij zijn er miljoenen andere Europeanen die op deze manier hun vermogen buiten de grijpgrage handen van de nationale fiscus houden. Wat is daar mis mee? Ik ontduik niets, ik breng mijn geld hier naar toe. Er is vrij verkeer van kapitaal in de Europese Unie. We houden ons netjes aan de lokale regels. Daar helpt mijn fiscale adviseur bij. Orville de Billières kan trouwens ook uitstekend zeilen.’

‘Ik begin behoorlijk benieuwd te worden naar deze bankier.’ Tessa probeert de spot in haar stem te onderdrukken, maar ze is er niet zeker van of ze daarin slaagt.

‘Je zult hem zeker interessant vinden. Hoe dan ook. We hebben van Durendal een plc onder het recht van de Kanaaleilanden gemaakt. Durendal is een holding company, met daaronder een aantal financieringsmaatschappijen. Die heb ik de namen gegeven van de vrouwen van Karel de Grote.’ Eric kijkt Tessa triomfantelijk aan. ‘Ik zei je al: Karel de Grote is mijn voorbeeld.’

‘Wat betreft vrouwen?’

‘Zo bedoel ik het niet,’ zegt Eric lachend, ‘hij is mijn idool, zou jouw generatie zeggen. Mijn zakelijke activiteiten heb ik naar historische gegevens uit zijn leven genoemd. Zoals Durendal…’

‘…de naam is van het zwaard van ridder Roeland, de neef van Karel.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Ik heb huiswerk gedaan voordat ik aan boord stapte.’

Eric neemt Tessa kritisch op. Wat wil die vrouw? denkt hij en onmiddellijk vervalt hij in zijn gebruikelijke argwaan. Hij moet geen al te gedetailleerde informatie aan haar verstrekken.

‘Nou ja, nadat ik jou heb leren kennen heb ik op Google gezocht naar Karel de Grote,’ verklaart Tessa zich nader. Ze heeft gezien hoe Erics gezicht betrok. ‘Hoeveel vrouwen had keizer Karel eigenlijk?’

‘Voorzover men weet: tien. Vier wettige echtgenotes en zes concubines. Negen vrouwen zijn met naam en toenaam bekend. Van de tiende vrouw is de naam onbekend. Bij al die vrouwen samen had hij achttien kinderen.’

‘Je weet echt veel van de Karolingische geschiedenis,’ zegt Tessa bewonderend. Ze meent het. Eric oogt weer ontspannen nu hij over zijn favoriete onderwerp praat.

‘O, dit is nog maar het begin. Als je meer wilt weten…’

‘Laat maar. Voor een geschiedenisles is het nog te vroeg in de morgen. De rest komt later wel een keer,’ onderbreekt Tessa hem lachend. Ze heeft meer belangstelling voor Erics zakelijke verhaal. ‘Betekenen tien vrouwen dat Durendal tien dochtermaatschappijen heeft?’

Vanaf het vierkant waarin Durendel staat, tekent Eric tien strepen en aan het uiteinde van iedere streep een bolletje. ‘Jij snapt het. Dit zijn de tien vrouwen van keizer Karel. Ondergebracht op plaatsen in de wereld waar de zon schijnt, kokosnoten aan de bomen groeien en de fiscale regels gunstig zijn. Ze zijn, zoals ik al zei, financiële constructies.’

‘Joh,’ zegt Tessa. ‘Dat verzin je niet in je eentje.’

‘Nee, ik haal er juridische en fiscale adviseurs bij. Ik ben de bedenker, anderen werken het uit.’ Eric maakt een wijds gebaar met zijn armen. ‘En weer anderen zorgen voor de financiering.’

‘Welke investeerders willen nou geld steken in jouw droom van een hedendaagse rijk van Karel de Grote?’

Eric kijkt Tessa opnieuw argwanend aan. ‘Je bent wel nieuwsgierig, zeg!’

‘Journalist, hè,’ zegt Tessa met een bescheiden glimlach.

‘Natuurlijk.’ Eric drinkt zijn kop koffie leeg. ‘Ik kan geen namen noemen. Maar laat ik zeggen: investeerders die discretie koesteren. Zakenlieden die vertrouwen in mij hebben. De Europese Commissie neemt trouwens ook deel in mijn projecten.’

‘O, ja. Dat herinner ik me. Je verwees ernaar in je toespraak toen je die prijs ontving in Aken.’

‘Dat heb je goed onthouden. Zo zit het dus in elkaar.’ Eric vouwt de placemat op en stopt die nonchalant in zijn broekzak.

De serveerster vraagt of ze nog iets willen gebruiken. Eric bestelt een espresso, Tessa een glas mineraalwater met ijsblokjes. Ze beseft dat Eric niet meer informatie kwijt wil. Ze is iets wijzer geworden. Niet veel, maar het is een eerste stap.

‘Weet je, Tess, dit is mijn werk, hier ben ik trots op. Dat mag je wel opschrijven in je artikel. Dadelijk gaan we met Orville praten om wat verschuivingen in de financiële balans aan te brengen. Begrijp je?’

‘Uiteraard,’ zegt Tessa. ‘Ik heb economie gestudeerd.’

‘Ik dacht dat je kunstgeschiedenis…’

‘Ook,’ zegt Tessa haastig. ‘Maar dat vond ik zo’n nichtenstudie. Bij economie zitten studenten met verstand van geld.’

‘Ging het je om het geld of om de studenten?’

Tessa glimlacht. Ze leunt achterover in haar stoel. ‘Allebei. Ik moest zelf mijn studie bekostigen. Mijn ouders… nou ja, dat hou ik liever voor mezelf.’

Eric gaat er niet op in. ‘Kom, laten we gaan. Orville zit op ons te wachten.’ Hij legt een briefje van twintig pond onder het koffiekopje en pakt het zwarte koffertje op dat al die tijd tussen zijn voeten heeft gestaan.

 

Het gebouwtje van grijze natuursteen staat op het hoogste punt van een smalle straat met kasseien. Het is een stevige klim om er te komen. Tessa en Eric hebben zweetdruppels op hun voorhoofd als ze boven zijn. Wanneer ze zich omdraaien, hebben ze een schitterend uitzicht over het stadje en de baai: de jachthaven vol schepen, Cornet Castle dat de haveningang bewaakt, de vuurtoren en daarachter de kalme zee.

Op de koperen naamplaat staat in ouderwetse Engelse sierletters: Bailiwick Bank Plc en daaronder London & Guernsey.

Orville de Billières verschijnt in de deuropening om zijn gasten welkom te heten. Eric geeft de bankier een hand en slaat hem vriendschappelijk op de schouder. Hij stelt Tessa aan hem voor als Mrs Insinger. Tessa schat de bankier op een jaar of dertig. Hij heeft een gespierd, sportief lichaam. Zijn gezicht is gebruind, zijn vlassige haar is gebleekt van het zeezout. Hij heeft een brede mond, een aristocratische neus en blauwgroene ogen die Tessa schaamteloos van beneden naar boven opnemen. Heel even is Tessa compleet van haar stuk. Onmiddellijk begrijpt ze waarom Eric zo veelbetekenend over zijn bankier praatte. Ze heeft het gevoel dat ze zojuist is voorgesteld aan Orlando Bloom.

My pleasure,’ zegt De Billières met een warme stem en hij houdt haar hand nadrukkelijk vast. ‘Do call me Orville. Orv for friends.

‘Tessa,’ stamelt Tessa als een puber van zestien die zich geen raad weet met haar figuur.

‘Dit is onze financiële Wizard of Orv,’ zegt Eric. De grap is bedoeld om de vonk die hij ziet overspringen tussen Tessa en Orville te neutraliseren. Hij voelt een acute jaloezie opsteken. ‘Orville ziet eruit als een boekanier. Dat komt omdat hij de hele dag met zijn zeilboot rond de eilanden koerst. Hij is zelden in dit kantoor te vinden.’

‘Besteed geen aandacht aan hem, ik ben verslaafd aan mijn werk,’ zegt Orville met een overrompelende glimlach naar Tessa. ‘Maar kom binnen, dan kunnen jullie vertellen hoe de oversteek uit Holland was.’

‘Zie je wel, het enige wat hem interesseert is onze zeiltocht. Terwijl ik hem overvloedig betaal voor de zaken die hij voor mij doet,’ zegt Eric. ‘Hier, dit heb ik meegenomen voor de kleine kas.’ Hij geeft Orville het zwartleren koffertje. Zonder plichtplegingen zet de bankier het koffertje in een kast die hij sluit door een sleutel drie keer om te draaien.

Dan stappen ze Orvilles werkkamer binnen. Aan de muur hangt een imposant schilderij van een achttiende-eeuwse zeeslag waarin de vloot van lord Nelson de Franse corsaires verslaat. Het bureau heeft een rookglazen blad dat opmerkelijk leeg is. Tot Tessa’s verbazing zijn er geen brieven, geen mappen, geen ordners, geen post-it’s, zelfs geen pennen of paperclips te bekennen. Op een bijzettafeltje staat een computer. Tropische vissen bewegen over het platte beeldscherm. Eric trekt een stoel bij het bureau. Orville gebaart Tessa op de okergele loungebank te gaan zitten.

‘Het financiële netwerk van tegenwoordig laat geen papieren sporen achter,’ zegt Orville tegen Tessa. Hij heeft de verwondering in haar blik over het lege bureau opgemerkt.

Uit een kluisje dat Orville opent met een cijfercode, pakt hij een mapje documenten. ‘Als meneer op de stippellijntjes wil tekenen,’ zegt hij tegen Eric, ‘dan haal ik een drankje. Het zomerse recept? Of is je voorkeur veranderd?’ Zonder een antwoord af te wachten loopt hij de kamer uit. Even later komt hij terug met een zilveren blad waarop drie ranke fluitglazen gevuld met bruisende champagne staan. ‘De Kanaaleilanden zijn dicht bij Frankrijk en ver van God. Dat is onze redding. Welkom op Guernsey!’ zegt hij tegen Tessa. Ongegeneerd laat hij zijn blik over haar borsten gaan.

Eric schuift de getekende papieren terug over het bureaublad. ‘Alsjeblieft. Dat heb je weer snel verdiend, ouwe vrijbuiter.’

Orville buigt zich vertrouwelijk naar Tessa. ‘Meer dan de helft van de economie van Guernsey draait op financiële dienstverlening. Weet je wat dat betekent? Andere mensen handtekeningen laten zetten! En die mensen zijn bereid ons daarvoor te betalen, ha ha!’

‘Zo gemakkelijk kom je er vandaag niet van af,’ onderbreekt Eric de bankier. Hij is onverwacht gedecideerd. ‘Ik wil dat je Durendal plc leegmaakt. Er mag hier op Guernsey alleen een lege huls overblijven.’

‘Geen probleem, chef,’ zegt Orville. ‘Moet het saldo naar de gebruikelijke vrouwen? Of mag ik daar in aanwezigheid van jouw scheepsmaat’ – Orville maakt opnieuw een knipoog naar Tessa – ‘niet over praten?’

‘Wat dacht je? Anders zou ik haar niet hebben meegenomen. Ik heb haar vanochtend ingewijd in het geheim van mijn dochterondernemingen.’

‘Ah, excellent. Dan weet ik wat me te doen staat. Ik zal zorgen voor an empty shell,’ zegt Orville monter. ‘Dan hebben we verder geen zaken te bespreken. Dus vertel, hoe was jullie tocht?’

 

Aan het begin van de avond zitten Eric, Bobby en Tessa in de kuip van de Joyeuse te genieten van de laatste zonnestralen. Het strijklicht geeft de haven een weemoedige gloed. Dadelijk zal de zon achter de heuvels van Guernsey verdwijnen. Op de uitgeklapte tafel staan een koeler met witte wijn en een bak met kreeftenpootjes. ‘Wat een leven. Als God op Guernsey,’ zegt Eric. Hij strekt zich behaaglijk uit.

Bobby zit een stripverhaal te lezen en hinnikt geregeld van het lachen.

‘Heerlijk,’ zegt Tessa. Ze pakt de chablis uit de koeler en schenkt de glazen nog eens vol.

‘De perfecte afsluiting van een aangename tocht in goed gezelschap. Jammer dat we binnenkort afscheid van je moeten nemen. Ik had je graag nog een tijdje aan boord gehouden.’

‘Ik ben nog niet weg. Maar weet je wat me vanmiddag opviel toen we bij Orville waren?’ zegt Tessa.

‘Dat bankiers zo aantrekkelijk kunnen zijn,’ vult Eric aan.

‘Nee. Nou ja, dat ook.’ Ze heeft het gevoel dat ze kleurt. ‘Het verbaasde me dat er geen loket was, geen balie, geen geldautomaat. Er was helemaal niets wat de indruk van een bank wekt. En als Orville bankier is, dan heeft hij uitzonderlijk veel vrije tijd.’

‘Ik zei al: hij is een boekanier. Maar je hebt gelijk. Bailiwick Bank is niet de gebruikelijke bank op de hoek waar je bonuspunten ontvangt als je een spaarrekening opent.’

‘Hoe zit het dan?’ Tessa hoopt een stap verder te komen met haar inzicht in de zakelijke constructies van Eric Pincoff.

‘Bailiwick is een private bank. Een privé-bank. Ik heb hem zelf opgericht. Van alle vergunningen voorzien, uiteraard, daarvoor heb ik Mr Billières aangetrokken. Hij is in de City geregistreerd als bankier, Bailiwick heeft een officiële status. De bank heeft trouwens twee vestigingen, eentje in Londen en een op Guernsey.’

‘Dat zag ik op de naamplaat.’

‘In Londen is er alleen een brievenbus voor post van banken waarmee we zakendoen. Hier op Guernsey vormt Orville het voltallige personeel. Hij houdt zich bezig met de financiële transacties van mijn ondernemingen. Dat is niet veel werk. Daarom kan hij de hele dag op zijn zeilboot doorbrengen. Hij ziet er goed uit, vind je niet?’

‘O, zeker. Maar Bailiwick is dus jouw… eh, privé-bank?’

‘Zo zou je het kunnen zeggen.’

Bobby schiet in een schaterlach. ‘Pucha! Dit is de waanzinnigste strip die ik ooit gelezen heb!’ roept hij.

‘Maar waarom éigen bank?’ vervolgt Tessa als Bobby tot bedaren is gekomen. ‘Ik heb hier filialen van alle bekende Europese banken gezien. Dus als je je zaken op Guernsey wilt afwikkelen…’

‘Alle banken maken gebruik van het gunstige belastingklimaat. Ik zei je al, belastingontwijking is een populaire bezigheid in Europa. Ik ben niet de enige, daarom hebben de banken het hier druk. Dus als je hun klant bent, ben je een van de velen en moet je achter aansluiten. Vandaar dat ik liever mijn eigen bank heb. Dan doe je zaken met jezelf, hoef je nooit in de rij te staan en ben je aan niemand verantwoording verschuldigd. Dat kan nuttig zijn. Bovendien kun je nooit problemen krijgen met banken die plotseling besluiten de kredietkraan dicht te draaien omdat ze je als klant niet meer fatsoenlijk vinden. Daar heb ik geen zin in.’

Tessa wil een tegenwerping maken, maar daar krijgt ze geen kans voor. Op de steiger komt Orville de Billières nonchalant aanlopen. Ze kan niet nalaten bewonderend naar zijn lijf te kijken. Even later springt hij aan boord van de Joyeuse.

‘Genieten jullie van het paradijselijke klimaat van Guernsey?’ zegt hij, wijzend op de wijnglazen. Hij blijft in de kuip staan.

‘Bobby, schenk jij Mister Orville eens een glas in,’ gelast Eric.

Hello, Bobby, we hebben elkaar nog niet gezien,’ zegt Orville.

‘Ik ben je bediende niet, maar oké,’ zegt Bobby nors. Met tegenzin legt hij zijn stripboek weg en duikt in de kajuit om een glas te pakken.

‘Kunnen we elkaar even onder vier ogen spreken?’ zegt Orville tegen Eric. Zijn stem is kalm, weloverwogen, zoals zijn houding.

‘Uiteraard. Zelfs deze heerlijke hapjes laat ik voor jou wel even staan.’

De twee mannen stappen van boord en lopen een eindje de steiger op. Tessa ziet ze gebarend met elkaar praten. Na enkele minuten komen ze terug.

‘Hier is je glas, Mister Orville. Welkom aan boord,’ zegt Bobby nonchalant. Het is Tessa duidelijk dat hij de Britse bankier niet bepaald mag.

‘Dank je. Cheers.’

‘Orville heeft vervelend nieuws,’ zegt Eric. Hij kijkt ernstig. ‘Mijn vijanden zitten weer achter me aan. Ze zijn me tóch op het spoor. Ik heb een besluit genomen: we vertrekken zo snel mogelijk uit deze haven.’ Even laat hij een stilte vallen. ‘Wanneer is het eerstvolgende hoogwater?’

‘Vannacht om vier uur,’ zegt Orville.

‘Dan vertrekken we vannacht om vier uur.’

14

het kanaal, donderdag 10 augustus 2006

De wekker wijst halfvier aan. Tessa heeft een paar uur in haar kooi gelegen, maar geen oog dichtgedaan. Het liefst zou ze zich weer omdraaien – in haar eigen bed. Maar ze moet aan de slag. Met frisse tegenzin hijst ze zich in haar kleren. Ze trekt een fleecejack aan tegen de ochtendkou.

Buiten zijn Eric en Bobby al aan het werk om het schip los te gooien van de kade. Tessa voelt zich een stuk zekerder dan de eerste ochtend toen ze onwennig aan boord stapte in IJmuiden. Eenmaal aan dek gaat ze aan de slag alsof ze niet anders gewend is. Als ze even later uit de haven varen, weerspiegelt het fletse schijnsel van de slapende stad in het zwarte water. Onuitgeslapen staart Tessa naar de huizen die langzaam kleiner worden.

Nadat ze de lijnen en stootwillen binnen heeft gehaald, loopt Tessa naar achteren. Eric staat aan het stuurwiel. Bobby maakt bij de mast het val klaar om het grootzeil te hijsen zodra ze buitengaats zijn. Nonchalant, met zijn handen in de zakken van zijn vuilgele zeiljack, staat Orville de Billières in de kuip.

 

Alles was razendsnel gegaan. Nadat Eric de bemanning aan het begin van de avond had overrompeld met de aankondiging dat hij met het eerstvolgende hoogwater de haven van Saint Peter Port wilde verlaten, waren ze onmiddellijk in actie gekomen. Tessa vertrok met Bobby naar de supermarkt om vóór sluitingstijd royale voorraden eten en drinken in te slaan. Toen ze met twee overvolle boodschappenkarren terugkwamen, nam Eric Tessa apart in de kajuit. Zonder omhaal vroeg hij of ze van boord wilde. ‘De afspraak was dat je een paar dagen zou meevaren, dus voel je vrij om naar huis te gaan. Ik heb er alle begrip voor als je terug wilt, je hebt het nodige meegemaakt. En ik kan je niet garanderen dat ons geen nieuwe verrassingen te wachten staan. Er kunnen onverwachte obstakels opduiken. Het weer kan omslaan, we kunnen averij aan het schip krijgen. Niets is uitgesloten. Dus voel je vrij. Wat mij betreft kun je nog een paar dagen op Guernsey blijven, ik betaal je hotel en natuurlijk ook je vlucht naar Amsterdam,’ zei hij.

In de supermarkt had Tessa over deze onafwendbare vraag nagedacht. Als ze eerlijk was: het beviel haar aan boord. Met het ongemak van de beperkte privacy kon ze prima leven. Ze zag er niet tegen op om langere tijd met Bobby en Eric op het schip door te brengen. Bovendien was ze niet klaar met haar zelfgestelde opdracht. Ze was nauwelijks begonnen. Er was veel, heel veel meer, dat ze te weten wilde komen en Eric was daarbij onmisbaar. Ze kon hem niet door haar vingers laten glippen. Als ze nu terugging, zou haar hele project op een flop uitlopen. Daar kwam bij dat ze geen dwingende reden had om terug te gaan. Er wachtte thuis geen minnaar, kat of goudvis op haar. Ze was vrij. Vrij om te doen wat ze wilde. En wat ze wilde was het spoor van de tien vrouwen van Karel de Grote volgen. Tot het eind.

Daarom had ze op Erics vraag zonder een spoor van aarzeling geantwoord: ‘Als jij me langer aan boord wil hebben: ik ga graag mee. Al heb ik geen idee waar we zullen aanspoelen, ik ben er helemaal klaar voor.’

Hoewel Eric de motivatie van Tessa niet kon volgen, reageerde hij verheugd. ‘Daar ben ik blij om. Wat mij betreft: welkom op de volgende etappe. Die zal wat het zeilen betreft spannender worden dan onze tocht van de afgelopen dagen, maar ik heb gemerkt dat je daar niet voor terugdeinst. En nu je bij ons aan boord blijft, heb ik nieuws voor je: ik heb Orville gevraagd om als vierde bemanningslid mee te varen. Ik geef de voorkeur aan vier mensen. Dat is veiliger. En makkelijker bij de indeling van de wachten.’

‘O, daar heb ik geen enkel bezwaar tegen,’ zei Tessa. Ze voelde dat ze bloosde. Vertwijfeld probeerde ze aan iets anders te denken, maar er ging slechts één gedachte door haar hoofd.

 

Als de Joyeuse uit de luwte van het eiland komt, blijkt de wind te zijn aangetrokken. Er staat een vrij krachtige noordwester. Het schip helt over en de boeggolven slaan zo nu en dan over het voordek. Eric besluit een rif in het grootzeil te leggen. De avond voor vertrek had hij Bobby opdracht gegeven de grote genua te vervangen door de kleinere fok. Het was een hele klus om de voorzeilen te verwisselen, maar nu al hebben ze profijt van deze beslissing. Op deze aandewindse koers ligt het schip stabieler met de fok.

Eenmaal op ruim water zet Eric het stuurwiel op de automaat. Zwijgend past Bobby de stand van de zeilen aan. Tessa is naar beneden om koffie te zetten en het ontbijt te maken. Ze moet zich vasthouden aan een handgreep in de kombuis. Er staat meer deining dan de voorgaande dagen en daar moet ze aan wennen. Het is zes uur in de ochtend.

Een halfuur later zit de voltallige bemanning in het eerste zonlicht buiten met een mok dampende koffie aan het ontbijt. Witte vogels met zwarte mutsjes, kokmeeuwen, vliegen in het kielzog mee in afwachting van het afval dat overboord gaat. Een enkele keer komen de meeuwen in een duikvlucht vervaarlijk dichtbij. Maar ze deinzen ervoor terug om een smakelijk hapje van de borden te snaaien en op enkele meters afstand blijven ze bij de boot zweven.

Tessa kijkt de kring rond. Dit is het gezelschap waarmee ik mezelf heb opgescheept, beseft ze. Letterlijk. Ze voelt zich onwennig, maar niet ongemakkelijk. Drie mannen, een vrouw en een schip.

De stemming aan boord is vastberaden. Eric is zichtbaar opgelucht om weer los van de wal te zijn. Hij heeft zijn vrijheidsgevoel terug. ‘Kijk,’ zegt hij zelfverzekerd om zich heen kijkend, ‘overal horizon. Dat vind je alleen maar op open zee.’

Orville straalt ongebondenheid uit. Hij is de meest professionele zeiler aan boord, vermoedt Tessa. In ieder geval doet hij er alles aan om die indruk te wekken. Hij gedraagt zich als iemand die zich meer op zijn gemak voelt op een boot in het water dan tussen de muren van een kantoor in de bewoonde wereld. Alleen Bobby Menéndez zit onverschillig op het gangboord. Hem maakt het niet uit waar hij zijn werk doet.

Tessa bemerkt bij zichzelf een verhoogde alertheid. Ze is zich scherp bewust van de onzekerheid van de tocht. Niet alleen de onvoorspelbaarheid van het water en de wind, ook van de bemanning. Zeilen is een ongewis avontuur, een reis naar een onbekende bestemming. Voor haar is het ook een innerlijke reis om de lijnen van haar leven weer aan elkaar te knopen.

‘Nu we met zijn allen bij elkaar zitten, wil ik jullie aandacht. Ik ben jullie een dubbele uitleg verschuldigd,’ zegt Eric als de kuiptafel is opgeruimd. Hij vervolgt: ‘Ten eerste waarom we zo haastig zijn vertrokken en ten tweede waar we heen gaan. De aanleiding voor ons overhaaste vertrek kun jij het beste vertellen, Orville.’

‘Ik ontving gistermiddag een telefoontje op de bank,’ zegt de Brit, alsof hij de tekst samen met Eric heeft ingestudeerd. ‘Iemand informeerde naar Mr Pincoff. Dat was vreemd. Er wordt niet veel getelefoneerd naar de Bailiwick Bank, laat staan dat er geïnformeerd wordt naar onze klanten. En al helemaal niet naar Mr Pincoff. Wie kon trouwens weten dat hij gisteren in Saint Peter Port was?’

Dat was dus de reden voor de plotselinge paniek, beseft Tessa.

‘Noem de naam van de man die belde,’ moedigt Eric zijn bankier aan.

‘O, ja. Deze persoon maakte zich bekend als Tariq en nog iets wat ik niet heb verstaan.’

‘Weet je wat dat betekent, Tessa?’

Tessa schudt onzeker haar hoofd. Ze heeft geen flauw idee.

‘Tariq is een Arabische naam. Syrië, Iran, Irak, weet ik veel. Maar ik besefte onmiddellijk dat de moslimsamenzweerders nog steeds achter me aan zitten. Eerst Aken, toen Scheveningen, nu Guernsey. Er zit een patroon in.’

Eric doet moeite om zijn stem gealarmeerd te laten klinken. Tessa vermoedt dat hij veinst, maar ze speelt mee. ‘Waarom bellen ze dan naar je bank?’ vraagt ze onnozel.

‘Dat heb ik je toch uitgelegd? Daar beheer ik het geld van mijn stichting. Ze willen de Karolingische beweging uitschakelen. Heel slim om dan bij de financiën te beginnen. Gelukkig reageerde Orville voorbeeldig. Hij heeft een speciale antenne voor dit soort ongewenste telefoontjes.’

‘Ik heb onze vriend Tariq verteld dat Mr. Pincoff none of his bloody business was,’ vult de bankier aan. ‘We houden niet van belangstelling voor onze klanten. Guernsey is trots op de privacy die het biedt.’ Zijn mondhoeken krullen zich tot de superieure glimlach van een Britse bankier.

‘Orville is direct naar de haven gekomen om mij te waarschuwen. We hebben de situatie besproken en het was me duidelijk dat we moesten vertrekken. Zo snel mogelijk. Ik heb geen zin in een tweede hinderlaag. Het is die lui menens. Eén ding is zeker: ze hebben het op mij gemunt.’ Eric kijkt Tessa bezwerend aan, alsof hij haar wil overtuigen hem en Orville op hun woord te geloven.

Tessa slurpt met kleine slokjes haar koffiemok leeg. ‘Als je gevaar loopt lijkt het me beter dat je de politie waarschuwt. Je hebt toch niets te verbergen? Trouwens, er zijn volgens mij snellere methoden om te ontsnappen dan per zeilschip.’

‘Ja, maar op zee ben ik veilig. Ze zullen het niet in hun hoofd halen me in een speedboot te achtervolgen op Het Kanaal. Hier staat veel stroming. En je kunt wel op een andere manier van het eiland vertrekken, maar als je gebruikmaakt van vliegvelden, zit je in computersystemen. Dan hebben ze je binnen de kortste keren opgespoord.’

‘Kom nou! Die islamitische terroristen?’ zegt Tessa ongelovig.

‘Ja, zeker!’ valt Orville Eric bij. ‘Die hebben in Europa overal hun tentakels.’

‘Hoe dan ook, stel dat ik de ferry naar Frankrijk had genomen en daarna de trein naar Parijs. Wat dan? Dan had ik de Joyeuse onbeheerd in de Victoria Marina moeten laten liggen. Dat vond ik te gevaarlijk. Te veel risico. En…’ Eric zoekt even naar woorden ‘…en er is nog een reden. Die is doorslaggevend. Ik heb in overleg met Orville besloten mijn zakelijke belangen van Guernsey naar de Cariben te verleggen. Daar wil ik de Joyeuse ook hebben. In mijn jachthaven op Sint Maarten. Dan weet ik zeker dat ik veilig ben.’

‘Wát?’ zegt Tessa. Ze heeft het gevoel de woorden van Eric niet goed te hebben begrepen.

‘We zijn op weg naar Sint Maarten.’

‘Jeez… Maar dat is aan de andere kant van de Atlantische Oceaan!’

‘Jij hebt goed opgelet bij aardrijkskunde,’ zegt Orville parmantig.

‘Maar… dat kost weken!’

‘Opnieuw het goede antwoord,’ zegt Orville alsof Tessa deelneemt aan een tv-quiz en door mag naar de volgende ronde.

‘O, kom op. Ik geloof er niets van. Je gaat toch niet van hier naar de Cariben oversteken?’

‘Nee,’ zegt Eric geruststellend. ‘Niet direct. Het is te vroeg in het seizoen. Als we nu zouden oversteken, bestaat de kans dat we halverwege de oceaan in een orkaan terechtkomen. Dat is geen prettig vooruitzicht. Bovendien hebben we niet genoeg voedsel aan boord. Daarom gaan we in etappes. Eerst zetten we koers naar de Canarische Eilanden. La Gomera. Daar blijven we tot het orkaanseizoen voorbij is. Daar kun jij natuurlijk van boord, Tessa. Desnoods zetten we je eerder af, langs de Noord-Spaanse of Portugese kust. Geen probleem. Je hoeft niet de hele oversteek mee te maken als je andere verplichtingen hebt. Begrijp je nu waarom ik Orville heb gevraagd mee te gaan? Als jij afstapt, blijft er een bemanning van drie aan boord. Met minder wil ik de oceaan niet over.’

‘Ik ben totaal verbluft,’ zegt Tessa. Ze meent het. Met het vooruitzicht om weken, misschien maanden over de oceaan te zwerven heeft ze geen moment rekening gehouden. Een paar dagen, hooguit een of twee weken dacht ze aan boord te zullen blijven. Een oceaanoversteek is een totaal ander verhaal. Ze heeft geen idee wat haar te wachten staat. Dit geeft een onverwachte wending aan haar avontuur. ‘Hier moet ik grondig over nadenken,’ zegt ze ten slotte. Aan haar gezicht valt af te lezen dat ze in tweestrijd verkeert.

‘Uiteraard,’ zegt Eric toeschietelijk. Hij beseft dat hij haar heeft overvallen met de nieuwe bestemming.

Tessa kijkt de kring rond. Eric, Bobby, Orville. Wil ze de uitdaging aan om deze drie mannen wekenlang om zich heen te hebben zonder dat ze alleen kan zijn of met haar vrienden contact kan hebben? Wil ze eigenlijk wel de oceaan over? Ze denkt aan haar privacy. Dan denkt ze aan haar zelfgestelde opdracht. Aan haar verdriet. Aan haar voornemens tot wraak. Met Eric is ze nog lang niet klaar. Aan boord kan hij haar niet ontsnappen. Aan boord heeft ze de gelegenheid hem de informatie te ontfutselen die ze wil verzamelen. Ze moet een afweging maken tussen de behoefte aan haar privacy en eigen leven, haar gedrevenheid en hang naar avontuur. En dan is er de aanwezigheid van Orville. Het vooruitzicht om met de Britse bankier aan boord te zijn geeft een heel nieuw perspectief aan haar plannen.

Onverwacht mengt Bobby zich in de discussie. ‘Hoor ik soms bij het dekbeslag? Of heb ik ook nog wat in te brengen?’

‘Wat wil je, ouwe rukker? Dat we Kaap Hoorn ronden zodat je naar je Chileense liefjes kunt?’ zegt Orville minachtend.

‘Ik ken meer vrouwen in de Cariben om me mee te amuseren dan jij, droogneuker,’ zegt Bobby grimmig. ‘Maar de verlenging van deze trip is buiten de afspraak die ik met jou heb gemaakt, Eric.’

‘Je bent nog altijd in dienst van mij, Bobby,’ zegt de schipper.

‘Kan wel zijn, maar niet om permanent als bootsman te fungeren. Dit zijn overuren. Ik bedoel: dit gaat je een paar centen extra kosten.’

‘Heb je me er ooit op betrapt dat ik je niet goed betaal? Kom op, zeg. Waar maak je je druk om!’

‘Ik waarschuw alleen maar,’ bindt Bobby in. ‘Het is maar dat je weet dat ik aan boord ben en beloond wil worden voor mijn diensten. Bovendien ben ik de enige met schiettuig om mijn wensen kracht bij te zetten.’

‘Gaan we muiten?’ zegt Orville sarcastisch.

‘Pas op jij, Engelse eikel. Denk aan kapitein Bligh van de Bounty. Er zijn hier genoeg onbewoonde rotseilandjes om je op af te zetten.’

‘Zo is het genoeg, jongens!’ komt Eric tussenbeide. ‘We gaan niet bekvechten aan boord. Blijven jullie maar een beetje bij elkaar uit de buurt. Ik ben blij dat Tessa er is om jullie haantjesgedrag in toom te houden.’

‘Haantjesgedrag!’ kraait Orville. ‘Volgens mij weet Tessa wel hoe ze een haantje moet temmen.’

Tessa ergert zich aan zijn seksistische toespeling, maar ze beseft dat Orville weet wat ze voelt. Sukkel, laat je niet zo snel verleiden, denkt ze.

‘Hoe dan ook,’ doorbreekt Eric de plotseling geladen sfeer. ‘Dit is het plan: we varen een westelijke koers totdat we voorbij de uiterste kaap van Bretagne zijn. Als we dat waypoint hebben bereikt, verleggen we de koers naar het zuidwesten. Op ruime afstand langs Galicië en Portugal en dan richting Canarische Eilanden. Mocht het tegenzitten, dan zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden. Maar als de wind ons gunstig gezind is, kunnen we met een dag of veertien in La Gomera zijn. Daar blijven we liggen totdat we de oversteek kunnen maken. Allemaal akkoord?’

De overige drie knikken bevestigend.

Eric richt zich tot Tessa. ‘Kan ik uit jouw stilzwijgen concluderen dat we je niet in de haven van Brest van boord hoeven zetten?’

‘Ik zie wel naar welke kust de wind ons brengt,’ antwoordt ze praktisch. De teerling is geworpen, beseft ze.

‘Mooi. Dan heb ik nog wat gedragsregels voor aan boord. Regels die gelden voor ons allemaal. Orville en Bobby kennen ze en Tessa deels, maar ik herhaal ze om jullie geheugen op te frissen. Regel één: er is altijd iemand aan dek. Als je wacht hebt kun je rustig naar binnen om iets uit de kombuis te halen, een kop koffie, een boek of kleren te pakken of het navigatiescherm te bekijken, maar het schip vaart nooit zonder één van ons buiten. Regel twee: het kan me niet schelen wat jullie aanhebben. Je mag in je oudste kleren rondlopen, in je onderbroek, tanga, slip of voor mijn part naakt. Ik heb geen vooroordelen. Voor het oog van God en de storm zijn we allemaal gelijk. Maar je bent verplicht iets aan je voeten te hebben. Geen blote voeten, geen teenslippers, maar bootschoenen, gympen of laarzen. Zodat je voeten beschermd zijn en je niet uitglijdt op het dek.’

Orville luistert verveeld, Tessa knikt, Bobby gaapt. Eric vervolgt: ‘Regel drie is dat er geen ongewenste intimiteiten plaatsvinden. En ook geen gewenste intimiteiten.’ Hij kijkt naar Orville. ‘Niet met onze enige vrouw aan boord – en niet tussen de mannen onderling. Ben ik duidelijk?’

Opnieuw volgt instemmend geknik. ‘Oké,’ vervolgt Eric. ‘Tot slot. Het is een afwijking van me, maar ik hou niet van varen op de motor. De motor gebruiken we alleen om een haven binnen te komen en weer uit te varen. Niet als er weinig wind staat, zelfs niet als het windstil is. Dit is een zeilboot, geen motorjacht.’

Bobby sputtert tegen.

‘Ik weet dat je daar de pest aan hebt, Bobby, maar zo wil de schipper het. En zijn wil is wet aan boord. Alles duidelijk? Dan wens ik jullie allen een behouden vaart.’

Elk van de bemanningsleden laat de woorden van de schipper op zich inwerken en koestert zijn eigen gedachten. Tessa denkt aan wat ze meegemaakt heeft in het afgelopen jaar. Flarden herinneringen vliegen voorbij.

‘Mag ik een opmerking maken?’ verbreekt Orville de stilte.

‘Ga je gang,’ zegt Eric.

‘Ik ken jou, Eric, en ik ken de Chileen,’ vervolgt Orville. Hij kijkt hen beiden aan. Bobby kijkt stuurs een andere kant op. ‘Maar Tessa…. Ze is nieuw voor mij. Ik stel het op prijs als ze iets over zichzelf wil vertellen.’

‘Dat is een prima voorstel. Als Tessa dat wil, natuurlijk,’ zegt Eric. Haastig laat hij erop volgen: ‘Je hoeft geen ontboezemingen te doen waar je geen zin in hebt. We zitten hier niet in een kringgesprek om over je zielige jeugd te praten.’

‘Als je maar weet dat ik het niet hoef te horen. Het interesseert me geen bal en het gaat me geen moer aan,’ mokt Bobby. Hij gaat naar binnen om voor zichzelf een kalebas met mate te maken.

Tessa aarzelt. Ze weet zich zo gauw geen raad met de situatie. Ze zit op een zeiljacht met een Chileense beroepsmoordenaar, een Britse bankier en een Nederlandse projectontwikkelaar. Ze had de samenstelling van deze groep niet kunnen verzinnen. Maar ze kan zich wel iets bij de vraag van Orville voorstellen. Zij is de nieuwkomer in de groep.

‘Ik heb geen zielige jeugd gehad, hoor,’ zegt ze geruststellend.

‘Vertel Orville hoe we kennis hebben gemaakt,’ moedigt Eric haar aan.

‘O, ja. Ik heb Eric ontmoet toen hij tot Europees Ondernemer van het Jaar werd uitgeroepen. Ik werk freelance voor een tijdschrift en wil een artikel over hem schrijven. Daarom heb ik gevraagd of ik een keer mee mocht op zijn schip voor de reportage.’

‘Ben je journalist?’ vraagt Orville met geveinsde belangstelling.

‘Ja, tegenwoordig wel. Na mijn studie heb ik een tijdje bij een bank gewerkt. Afdeling economisch onderzoek, statistieken verzamelen. Maar dat vond ik saai. Wat verder…’ Ze zoekt naar andere aspecten van haar leven die ze kwijt wil. ‘Ik weet niet of ik het een hobby moet noemen, maar ik heb belangstelling voor jonge talentvolle kunstenaars. En ik heb met een paar vrienden een netwerk opgezet om nabestaanden van slachtoffers van crimineel geweld bij te staan.’

‘Wat bloody interessant!’ roept Orville.

Tessa glimlacht. Nu ze eenmaal begonnen is iets van zichzelf prijs te geven, merkt ze dat ze graag meer wil vertellen. ‘Ja, zeker. Interessant én triest. Er bestaat hulp voor mensen die het slachtoffer van een misdaad zijn geweest. Maar voor de nabestaanden, de kinderen of de partner van iemand die om wat voor reden ook vermoord is, bestaat niets. Terwijl je denkt: die mensen moeten dubbel geholpen worden. Ze hebben hun verdriet te verwerken én ze moeten tevredengesteld worden in hun rechtsgevoel.’

‘Dan zul je het in Amsterdam wel druk hebben, met al die criminele afrekeningen,’ zegt Orville spottend.

‘Een vriendin van me heeft met deze situatie te maken gehad. Zo ben ik erbij betrokken geraakt. We zijn nog maar kortgeleden begonnen, maar ik ben erg gemotiveerd. Verder ben ik in 1975 geboren, dus jullie mogen zelf uitrekenen hoe oud ik ben.’

‘Heb je ook een vriend? Een minnaar, bedoel ik?’ vraagt Orville en Tessa proeft onmiddellijk de bijbedoeling in zijn vraag.

‘Eh, nee. Op het ogenblik niet.’ Ze zwijgt, aarzelt, zoekt naar woorden. ‘Dat wil zeggen…’ In een opwelling van openhartigheid besluit ze verder te praten. Zachtjes zegt ze: ‘Ik had een vriend. Vorig jaar is hij overleden.’

Er valt een plotselinge stilte. Alleen uit de kajuit klinkt geluid, het gerammel in de keuken van Bobby die bezig is een keteltje water te koken.

‘Wat tragisch!’ zegt Eric geschokt. Hij wil zijn arm om Tessa’s schouder leggen, maar ze weert hem af. Ook Orville is geraakt door haar onverwachte ontboezeming.

Sorry to hear that,’ mompelt hij.

‘Ik praat er zelden over. Het was zo’n schok. Maar nu begrijpen jullie beter waarom ik meevaar. Ik wil afstand nemen van mijn verleden. Ik heb zo veel verdriet gehad…’

Tessa doet moeite om haar emotie te bedwingen, maar ze kan niet verhinderen dat ze moet huilen. Hulpeloos kijkt ze de drie mannen met haar betraande ogen aan.

‘Sorry,’ zegt ze, terwijl ze de druppels wegveegt met de rug van haar hand. Het verdriet zit diep. Ze heeft haar zoutlaag met tranen aangeboord. Kom op, houdt ze zich voor, genoeg gehuild. Ze vermant zich. ‘Ik kwam er niet van los. Daarom ben ik zo blij dat ik deze tocht kan meemaken. Het helpt me om een moeilijke periode achter me te laten. Ik vind het fantastisch dat jullie me aan boord willen hebben.’ Ze glimlacht door haar tranen.

‘Ik leef met je mee,’ zegt Orville. Heel even raakt hij met zijn vingertoppen Tessa’s gezicht aan. De streling doet haar goed.

‘Ik waardeer je openhartigheid. En we zullen je steunen,’ zegt Eric plechtig. Hij gedraagt zich als de schipper die verantwoordelijk is voor het wel en wee van zijn bemanning. ‘Ik ben blij dat ik je deze reis kan aanbieden. We zullen je erdoorheen helpen.’

‘Dank jullie wel. Ik voel me al een stuk beter nu ik dit deel van mijn privé-leven met jullie kan delen. Het voelde alsof ik met een geheim rondliep. Dat is nu gelukkig naar buiten gekomen. Nu weten jullie wat mij soms bezighoudt.’

‘Ik wil jullie indringende gesprek niet verstoren,’ onderbreekt Bobby hen. Hij is met een kalebas in zijn hand naar buiten gekomen en staart over het water. ‘Maar er komt een vrachtschip op ons af. En als ik het zo inschat, liggen we op ramkoers.’

Bobby wijst over stuurboord. Abrupt draait Eric zich om.

‘Verdorie, je hebt gelijk! Genoeg gepraat! Alle hens en aan de slag!’

15

golf van biskaje, zondag 13 augustus 2006

Een zeilboot is een vaartuig, een caravan, een recreatieplek, en een elektronisch zenuwcentrum in één. Het is een wonder van technisch en mechanisch vernuft, van eeuwenoude hulpmiddelen en de modernste communicatieapparatuur.

Dit is de biotoop van de vierkoppige bemanning aan boord van de Joyeuse op weg van Guernsey naar La Gomera.

De Joyeuse biedt slaapplaatsen voor acht opvarenden – twee in de kapiteinshut, twee in het vooronder, twee in het stapelbed van de ganghut en twee op de banken in de kajuit. Privacy is er nauwelijks in een ruimte die is volgestouwd met alle mogelijke spullen om een langdurig verblijf op zee onder de meest uiteenlopende en extreme omstandigheden mogelijk te maken. Inschikkelijkheid om met elkaars aanwezigheid om te gaan is essentieel. Zeilers op een lange tocht moeten hun scheepsmaten zonder gêne voor lief kunnen nemen.

Toen Eric en Tessa in IJmuiden aan boord gingen, verbleef Bobby in het vooronder. Hij had er zijn privé-domein van gemaakt, een hok vol onbeschrijfelijke rommel. Tessa had haar intrek in de smalle ganghut met het stapelbed genomen en benutte het ongebruikte bovenbed voor haar toiletspullen. Ze deelde het smalle badkamertje met Bobby.

Met de komst van Orville moesten ze van slaapplek wisselen. Hoewel Bobby zich er heftig tegen verzette, gelastte Eric dat hij verhuisde naar de ganghut met het stapelbed. De Brit nam vanzelfsprekend het andere bed in die hut. Met veel misbaar ontruimde Bobby zijn domein in het vooronder. Nadat het luik een halve dag had opengestaan om te luchten, nam Tessa daar haar intrek. Het was comfortabeler, want nu beschikte ze over een breder bed en veel meer kastruimte.

Orville had er geen bezwaar tegen om een hut met de Chileen te delen. Hij zei dat hij toch op de bank in de kajuit zou slapen. Dan was hij sneller buiten als er onverwacht iets met de zeilvoering of de navigatie te doen viel. Van het nachtelijke gestommel in de kajuit had hij geen last. De hut gebruikte hij alleen om zijn spullen in op te bergen.

Eric hield de captain’s cabin met eigen douche en toilet voor zich alleen. Aanvankelijk hoopte hij nog dat Tessa zich op een nacht bij hem zou voegen, maar die gedachte heeft hij van zich afgezet.

De bemanningsleden hebben de vaste taken aan boord min of meer spontaan verdeeld. Eric houdt de staat van het schip in de gaten en voert geregeld kleine onderhoudsreparaties uit. Orville doet de elektronische navigatie. Bobby beheert de kombuis. En Tessa Insinger verricht waar nodig hand- en spandiensten.

 

Door de invloed van het hogedrukgebied dat zich nu al dagen uitstrekt vanaf de Azoren blijft het stralend weer. De wind is constant, de zeilen staan vast en met het stuurwiel op de automaat vaart de Joyeuse een gestage koers naar het westen.

’s Middags zitten Tessa en Orville in de kuip te praten. Ze heeft hem net uitgelegd dat ze Tessaloniki heet omdat haar ouders haar tijdens een vakantie in die Griekse stad verwekt hadden en ze die naam een mooie herinnering vonden. ‘Hoe kom jij trouwens als onvervalste Brit aan een Franse naam?’ vraagt ze.

‘Lage Franse adel,’ antwoordt Orville alsof het een vanzelfsprekendheid is. ‘Ik ben een eenvoudige telg uit een verpauperd Guernsey-geslacht. Volgens de overlevering maakte een verre voorvader van mij deel uit van het legertje waarmee Willem de Veroveraar in 1066 overstak naar Engeland. Mijn familie bezat nog eeuwenlang landgoederen in Normandië, mijn vader heeft de laatste boerderij verkocht. Tegenwoordig is het een nudistencamping waar intellectuelen uit Parijs zich ’s zomers vermaken in de appelboomgaard.’

‘Wat heb je dan nog op Guernsey te zoeken?’

‘Ik heb in de City gewerkt om het bankiersvak onder de knie te krijgen. Maar ik wilde terug naar Guernsey om te ontsnappen aan de hectiek van Londen. Ik had geen zin in de werkdruk van de City. Toen Eric me vroeg om de Bailiwick Bank op te zetten, heb ik die kans met beide handen aangegrepen.’

‘En verder?’ vraagt Tessa zonder precies te weten wat ze van Orville wil horen.

‘Verder hou ik van malt whisky, ben ik vrijgezel en is zeezeilen mijn hobby.’

‘Verveel je je nooit aan boord? Ik bedoel: we zitten maar wat te kletsen en te luieren en we hoeven niets te doen. Het schip vaart vanzelf en de automaat houdt de koers aan.’

‘Wees blij dat je niet vierentwintig uur achter elkaar aan het roer hoeft te staan,’ zegt Orville. ‘Daar hadden ze vroeger scheepsjongens voor aan boord. Gelukkig hebben zeiljachten tegenwoordig een betrouwbare stuurautomaat. Ik stuur nooit. Het is zonde van m’n tijd.’

‘Ik wil wel eens een tijdje aan het roer staan. Om het gevoel te hebben dat ik écht de baas ben over een schip van zeventien meter,’ zegt Tessa.

‘Ga je gang.’ Orville staat op, schakelt de automaat uit en maakt een uitnodigend gebaar naar Tessa. Onwennig gaat ze achter het grote spaakwiel staan. Tot nu toe heeft ze alleen Eric en Orville zien sturen bij het uit- en invaren van de havens.

‘Let op, je moet goed koers houden. Op zee, waar je geen oriëntatiepunten hebt, kun je dat op twee manieren doen. Je kunt op de windmeter varen en erop letten dat de wind onder dezelfde hoek invalt. Of je kunt op het kompas varen en een vaste kompaskoers aanhouden.’

Tessa houdt nauwlettend het kompas in de gaten. Hoewel er geen harde wind staat en de deining beperkt is, merkt ze dat ze voortdurend iets moet bijsturen. Een slagje naar links, een slagje naar rechts.

‘Het is wennen,’ zegt ze.

‘Na een tijdje voel je het vanzelf aan en kun je het urenlang gedachteloos volhouden. Net als de ketelbinkies van vroeger,’ zegt Orville. Hij staat schuin achter Tessa. Ze voelt de uitstraling van zijn lichaam. ‘Weet je waar ik het altijd mee vergelijk?’

Tessa draait zich een kwartslag om. ‘Geen idee.’

‘Masturbeer je wel eens?’

‘Jezus, Orville, wat een vraag!’ Ze kijkt strak voor zich uit, alsof ze betrapt is. Ze heeft het gevoel dat ze uit elkaar spat van erotisch verlangen.

‘Het is niet ongebruikelijk, hoor. Als het je geruststelt: ik doe het geregeld.’

‘Ik probeer te sturen’, zegt Tessa kortaf.

‘Precies. Wat je doet als je stuurt is hetzelfde als wat je doet met masturbatie. Het juiste plekje zoeken en dan rustig en ritmisch bewegen.’

‘Godallemachtig, wat ben jij een pervers type.’

‘Valt best mee. Het is allebei een kwestie van handvaardigheid. Bij vrouwen nog meer dan bij mannen, heb ik begrepen.’

Orville staat nu heel dicht bij haar. Als ze zich iets naar achteren zou bewegen, verwacht ze een erectie tegen haar rug te voelen. Ter voorkoming van lichamelijk contact klemt Tessa zich steviger vast aan het stuurrad en doet ze een stapje naar voren. Ze moet erkennen dat Orville gelijk heeft. Sturen ís een kwestie van subtiel bewegen en het geeft haar een bevredigend gevoel als ze merkt dat de boot gewillig op haar aanwijzingen reageert.

‘Voel je wel?’ zegt Orv. Hij is naast haar gaan staan.

‘Als sturen volgens jou zo’n erotische ervaring is en jij zo van masturbatie houdt, waarom vind je het dan zonde van je tijd?’ zegt Tessa. Orville is even uit het veld geslagen door haar opmerking en dat doet haar goed. Ze kijkt vrijpostig naar zijn kruis en ziet dat zijn opwinding wegkwijnt.

Even zoekt hij naar woorden. Dan zegt hij: ‘Het antwoord is dat ik het nog liever met een ander doe.’

Tessa reageert niet.

‘En jij volgens mij ook,’ laat Orv er zachtjes op volgen.

‘Als je je poten maar thuishoudt,’ zegt Tessa net iets te snel om geloofwaardig te klinken. Ze kijkt op het kompas en draait als een ervaren roerganger aan het stuurwiel. Naar links, terug, naar rechts, terug. Ze voelt een samentrekking in haar onderbuik.

 

Op de avond voor hun vertrek uit Guernsey had Tessa in een internetcafé bij de haven snel nog wat mailtjes verstuurd. Eén aan haar ouders om te laten weten dat ze op wereldreis is en van ze houdt. Eén aan de broer van haar overleden geliefde, met de boodschap dat ze in goede gezondheid verkeert. En eentje aan haar makker Broos. Tot haar verrassing kreeg ze meteen antwoord van hem: hij zat toevallig achter een computer in een coffeeshop. ‘Santeflikken, een wereldtrip! Waarnaartoe?’ mailde hij terug. ‘Onbekende bestemming,’ had ze geantwoord. ‘Hoe heet Keizer Karels vrouw’ had Broos teruggestuurd. Tessa wist niet wat ze met die cryptische mededeling moest en toen ze Broos om nadere uitleg vroeg, kreeg ze als antwoord dat zijn joint op was en hij nieuwe stuff ging scoren.

In Saint Peter Port had ze in de gauwigheid ook een stapeltje tijdschriften en boeken, wat makkelijk zittende kleren, slipjes, tampons, shampoo, tandpasta en gezichtscrème gekocht voor een tocht van ongewisse duur.

Nu ligt ze in haar kooi een boek te lezen. Ze kijkt op het horloge dat ze aan een haakje in de wand heeft gehangen. Het is tegen één uur ’s middags. Thuis zou ze er niet over denken om op deze tijd van de dag op haar bed te liggen. Maar aan boord is alles anders. De uren vloeien in elkaar over: ’s nachts is ze wakker voor haar wacht, overdag ligt ze te lezen of dommelt ze weg. Haar biologische klok correspondeert niet meer met de ware tijd, wat haar een prettig, onthecht gevoel geeft, alsof ze in een ander universum is beland.

Vaag hoort ze het constante geluid van de golven die tegen de boeg klotsen. Het gepiep en gekraak van de mast, de giek en de verstaging, het gerammel van potten en pannen in de kastjes; geluiden waarnaar ze aanvankelijk nieuwsgierig luisterde, heeft ze zich eigen gemaakt. Er zit leven in het schip. Het kreunt en kermt terwijl het wordt voortgestuwd door de wind. De zeegang merkt ze niet meer. Eerder is het een aangename golfbeweging, die haar in slaap schommelt zodra ze op haar bed ligt. Soms rolt ze onverwacht tegen de zijwand van het schip. Tussen haar en het zeewater bevindt zich een laagje fineerhout en twee centimeter polyester. Onder haar, heeft ze op de kaart gezien, is vierduizend meter water.

Ze kijkt uit de patrijspoort. Schitterend weer. Dadelijk, neemt ze zich voor, gaat ze genieten op het voordek.

Toch bizar, beseft Tessa, hoe gemakkelijk ze aan boord is gekomen. Journalist van het tijdschrift met. Zou Pincoff de moeite hebben genomen om te checken of het tijdschrift bestaat? Ze betwijfelt het. Alle mannen zijn ijdel en laten zich leiden door hun hormonen, weet ze, en zakenlieden en politici spannen wat dat betreft de kroon. Die gedragen zich in de nabijheid van een vrouw alsof hun pik hun emotionele stuurknuppel is. Ze doen alles voor publiciteit. Tessa glimlacht tevreden. Ze is trots op zichzelf, al beseft ze dat ze onvoorstelbaar veel geluk heeft gehad. Toch een geluksvogeltje, denkt ze. Toen ze aan boord stapte, had ze niet verwacht dat de tocht langer dan enkele dagen zou duren. Aan de vraag wat ze dan bereikt zou hebben, wil ze niet denken. Waarschijnlijk niets, afgezien van een paar mooie zeildagen op zee. Nu is het anders. Ze maakt deel uit van de scheepsroutine, de regelmaat van de zandloper bepaalt haar dag- en nachtritme. Ze is aan boord met drie ervaren zeilers, de Joyeuse is een oerdegelijk schip dat het zwaarste weer kan doorstaan.

Toen ze in Aken met Eric kennismaakte en hem voorstelde een keer met hem mee te varen voor haar reportage, had ze er niet bij stilgestaan dat er natuurlijk meer mensen aan boord zouden zijn. Nu leeft ze samen met de bemanning van de Joyeuse. Bobby is, ondanks zijn onbehouwen manier van doen, eigenlijk een zachtaardig type. Ook al is de Chileen een professionele moordenaar, ze mag hem wel. Orville de Billières is een ander verhaal. Hij ziet er akelig aantrekkelijk uit en hij is zich daar scherp van bewust. Als hij met zijn blauwgroene ogen naar haar kijkt, voelt ze een rilling over haar rug lopen. Ze voelt een onbedwingbare behoefte om met hem te neuken. Maar hij gedraagt zich als een arrogante lul. Toch vraagt ze zich af of ze zich zal kunnen inhouden met hem permanent in haar nabijheid.

Eric valt haar in alle opzichten mee. Hij vertoont niet het bazige gedrag dat ze van hem verwacht had. Bovendien is hij een stuk rustiger geworden, minder gespannen dan bij hun vertrek uit IJmuiden. Alsof hij van een enorme last bevrijd is. Iets anders is de verstandhouding tussen Eric en Orville. Die intrigeert haar. Ze bedenkt dat ze de twee tegen elkaar kan uitspelen.

Dat doet haar denken: ze moet Eric interviewen. Gisteren heeft ze tegen hem gezegd dat ze met hem wil praten. Nu is er alle tijd en het is rustig aan dek. Tessa staat op van haar kooi. Ze trekt haar T-shirt recht, pakt een handdoek, een zonnebril, een pet, een blocnote en een pen en loopt naar buiten.

Eric zit in een donkerblauwe zwembroek op de rand van het achterdek. Om zijn nek hangt een zilveren kettinkje. Terwijl hij met één oog de koers in de gaten houdt, bladert hij gedachteloos door een nautisch tijdschrift.

‘Zie je dat het water hier een diepere kleur heeft dan op de Noordzee?’ zegt Eric.

Tessa kijkt over de reling. Rondom is water – veelkleurig en permanent in beweging. De uitgestrektheid is overweldigend. De Joyeuse, aan de steiger een indrukwekkend schip van zeventien meter, is op deze oneindige wateroppervlakte niet meer dan de spreekwoordelijke notendop. Iets anders kan ze niet verzinnen.

‘Wat vind je ervan als we aan het werk gaan voor mijn reportage over jou en je projecten,’ zegt Tessa. Ze gaat zitten, legt het blocnote en de pen naast zich neer en zet de verkleurde pet met het embleem van Durendal op. ‘Ik ben er klaar voor. Vertel maar hoe het allemaal in elkaar zit,’ zegt ze.

‘Waar wil je dat ik begin?’

‘Begin maar bij jezelf. Je gezin…’

‘Daar is niet veel opwindends aan,’ onderbreekt Eric haar. ‘Ik ben gescheiden. Met mijn ex heb ik geen contact en met de kinderen ook niet. Mijn ex-vrouw kon er niet tegen dat ik altijd aan het werk was. Ze was jaloers op mijn zakelijke succes. Verder kom ik uit een eenvoudige familie, mijn vader was bouwvakker. Ik heb nooit de kans gekregen om te studeren, zoals jij en je vrienden. Maar ook zonder diploma kun je succes hebben in zaken. De drie O’s – dat was mijn businessstrategie. Opkopen, opknappen en opwaarderen. Mijn zakelijke carrière is een lang verhaal, maar de kern is simpel. Het is als opstekende wind: als het eenmaal waait, gaat het steeds harder. Durf, visie en toekomstgericht denken, daar draait het om. Ik heb nieuwe manieren gevonden om geld aan te trekken voor investeringen. Onroerend goed is een geldmachine als je over de juiste financieringsbronnen beschikt. Dat is het tweede geheim. Het derde geheim is het netwerk. Ook dat bouwt zich vanzelf op als je eenmaal je naam hebt gevestigd. Zo ging ik met steeds grotere projecten aan de gang. Groter en hoger. Ik wilde laten zien dat ik geen kleine jongen ben. Geen eenvoudige bouwvakkerszoon, maar de Europese Ondernemer van het Jaar. Begrijp je?’ Eric kijkt Tessa aan alsof ze zijn psychotherapeut is.

‘O, absoluut,’ zegt Tessa neutraal.

‘Verder heb ik mijn ideaal. Het Karel de Grote-project. Daar steek ik veel geld in. Dat is mijn persoonlijke en zakelijke levensvervulling.’

‘Waarom ben je daar eigenlijk mee begonnen?’

‘Wil je dat écht allemaal weten? Dat is een verhaal apart. Maar oké, we hebben alle tijd, het is rustig weer en het schip ligt op koers. Ik zal het je vertellen.’

16

neerpelt, zaterdag 17 april 2004

Op zijn scootertje kwam Willem Lodderer om de bocht van de Wildlaan gescheurd. Hij slingerde over het fietspad, reed rakelings langs een vrouw met een Burberryhoedje op die haar ruwharige terriër uitliet, slaakte een vloek en stopte met piepende remmen bij een smeedijzeren hek waarachter een imposante villa te zien was. Er zat geen naambordje op het hek, alleen maar de waarschuwing: ‘Dit eigendom wordt permanent bewaakt’.

Lodderer drukte langdurig op de bel. Zodra er via de intercom gereageerd werd, maakte hij een grimas naar het camera-oog in de pilaar naast het hek. Zonder dat hij zich kenbaar hoefde te maken, schoof het toegangshek open. Lodderer gaf een dot gas, reed met opspattend grint de oprijlaan op en parkeerde zijn scooter naast de voordeur.

De Wildlaan ligt in Grote Heide, een lommerrijke wijk met villa’s, bungalows en huizen van kasteelformaat in Neerpelt, een gemeente in de Belgische provincie Limburg, vlak over de Nederlandse grens. Veel Nederlandse belastingvluchtelingen zijn hier neergestreken, directeuren-grootaandeelhouders die hun zaak hebben verkocht en de afrekening met de fiscus vermeden hebben door zich aan de andere kant van de grens te vestigen. De lucht is er schoon, de bossen zijn groen, de bouwvergunningen zijn probleemloos te verkrijgen en de prijzen van het onroerend goed zijn stukken lager dan in Nederland.

Ook zakenlieden die buiten de wet opereren hebben Neerpelt de afgelopen jaren ontdekt. In clusters zijn ze hier neergestreken. En vervolgens hebben huurmoordenaars de criminele ondernemers opgespoord. Diverse villa’s in Grote Heide zijn van de ene dag op de andere op de markt gekomen omdat de eigenaars in koelen bloede zijn vermoord. Die afrekeningen hebben voor de nodige onrust gezorgd onder de lokale bevolking in het eertijds zo stille Belgisch-Limburgse dorp.

Maar op deze zonnige zaterdag in de vroege lente van 2004 was alles rustig.

‘Ha Willem, kom binnen,’ verwelkomde Sjon Muizenman de bezoeker met de scooter. Muizenman was de eigenaar van de villa. Hij was een kleine vent met een schriel lichaam, krullend haar en een John Lennon-brilletje. Willem was anderhalve kop groter en een stuk gespierder. Hij gaf Muizenman een mep op zijn schouder.

‘Met de brommer?’ zei Muizenman, misprijzend op de scooter wijzend.

‘Uit Amsterdam? Laat me niet lachen. Ik ben met mijn zwarte Hummer. Die heb ik buiten het dorp geparkeerd. Dit scootertje past achterin. Ik neem hem altijd mee voor het lokale vervoer. Weet je, Sjon, ik denk tegenwoordig aan het milieu.’

Sjon ging Willem voor naar de salon. De kamer was volgestouwd met snuisterijen. Bij de open haard lag een tijgerkleed op de vloer. Eén wand werd in beslag genomen door een lcd-scherm van bioscoopformaat. Er stond een dvd met Tom and Jerry op. Met de afstandsbediening klikte Sjon het geluid uit. Op het beeldscherm bleven de kat en de muis doorgaan elkaar het leven zuur te maken, als in een stomme film. Zonder daar acht op te slaan leidde Sjon zijn gast naar de serre die uitzicht bood op de tuin met een grasveld en een grote ronde vijver waarin vier opgezette reigers stonden.

‘Zijn dat je nieuwe schietschijven?’ vroeg Willem, staande voor de schuifpui.

‘Nee, maar in de vijver zitten Chinese karpers. Kois. Die vissen kosten toch gauw een paar ruggen per stuk, dus ik probeer de echte reigers op afstand te houden. Deze nepvogels schrikken die vraatzuchtige reigers af. Het zijn echte vogelverschrikkers, effectief en natuurvriendelijk. Zo lever ik ook mijn bijdrage aan het milieu,’ zei Sjon.

‘Het enige milieu dat jij kent is dat van de hoerenkasten, ha ha.’

‘Serieus, ik hou me tegenwoordig bezig met milieu en toerisme. Palmbomen en stranden. Weet je, Willem, ik heb het gehad met de drugshandel. Te veel risico, te veel stress. Voor mij is de tijd aangebroken om het rustiger aan te doen. Beetje genieten van het leven, we worden toch een dagje ouder. Ik ben toe aan m’n vut. Weet je wat die afkorting betekent?’

Willem haalde zijn schouders op. ‘Als sla je me dood. Iets voor ouwe lullen, geloof ik.’

‘Vagina’s uit Thailand. Thaise kutjes. Maar vertel, waarom ben je langs gekomen?’

‘Ik wil weer zakendoen. Een partnerschap,’ zei Willem.

‘Dat klinkt ernstig. Laten we eerst iets drinken. Belgisch biertje?’

‘Ik drink alleen maar Heineken, ha ha.’

Sjon ging er niet op in. ‘Hoe is het met je vrouw? Of ben je tegenwoordig fulltime bezig je vriendinnen in plaats van je vrouwtje te naaien?’

Whamm! Met zijn rechtervuist haalde Willem uit en trof Sjonnie tegen zijn schouder. ‘Geen beledigingen over mijn vrouw,’ zei hij dreigend. ‘Die houden we er buiten.’

‘Oké, oké. Geintje. Je hebt trouwens niets van je bokstechniek verloren.’

‘Fitness, hè. Ik sta iedere dag een paar uur in de sportschool. Je moet in vorm blijven. Je weet nooit wie je tegenkomt.’

‘Ik doe ook aan lichamelijke oefening. Muai Thai. Ik ben tegenwoordig vaak in Thailand, weet je.’

‘Fitness van wiplala, bedoel je.’

‘Nee, puur zakelijk.’

‘Waar ben je dan mee bezig?’

‘Vakantiepark aan de kust. Je bent welkom. Er komen een zwembad en een fitnesscentrum bij, dus je hoeft je training geen dag te onderbreken. Ter afwisseling kun je een ontspannende massage nemen.’

‘Waarom zo ver weg? In Amsterdam kan ik ook naar een Thaise massagesalon. Ik geloof dat ik er nog een paar bezit,’ zei Willem.

‘Jij hebt toch ook eens een tijd in de tropen gezeten? Goed klimaat, palmbomen en iedere dag verse papaja. Zo noem ik die kutjes daar. Zacht en sappig.’ Sjon haalde een zilveren koker uit zijn binnenzak en stak een dun sigaartje op. Hij hield Willem de koker voor, maar die gebaarde afwerend met zijn hand. Sjon vervolgde: ‘De huisjes vliegen weg. Je staat er versteld van hoeveel mensen geld te veel hebben. Allemaal cash, hè. En die cash pomp ik dan weer in de lokale vrouwen. Ja, ja, Mister Johnny is tegenwoordig een graag geziene gast in Pattaya.’

‘Luister, Sjon. Effe serieus. Ik wil je een voorstel doen.’

‘Ik ga toch eerst wat inschenken. En ik zal wat te eten bestellen in het dorp. We zijn in België en ze hebben hier vette frieten.’ Sjon pakte een mobieltje en gaf de plaatselijke cafetariahouder opdracht vier porties friet en zes kroketten te bezorgen.

In het volgende halfuur zette Willem Lodderer zijn zakelijke project uiteen. Sjonnie Muizenman zette intussen een cd van Marco Borsato op en luisterde naar het voorstel van zijn kompaan. Ondertussen verorberden ze met zichtbaar genoegen de afgeleverde frituurwaren.

‘Van Dobben,’ zei Sjon tussen twee happen van een kroket. ‘Ik heb de frietboer in het dorp opdracht gegeven kroketten bij Van Dobben in Amsterdam te bestellen. Iedere week rijdt die gozer met een bestelbusje heen en weer naar Amsterdam. Kan hij meteen wat shit inkopen voor de dorpsjeugd. Zo maak ik me hier populair. En weet je wat het mooiste is? De kroketten zijn een dijk van een succes met al die Hollandse vluchtelingen in het dorp. Ik had er commissie voor moeten vragen. Straks ga ik ook kroketten importeren in Thailand, voor mijn vakantiekolonie. Weer eens wat anders dan loempia’s.’

‘Kijk, dat noem ik nou ontwikkelingshulp,’ zei Lodderer.

‘Dat is precies wat ik wil. Beschaving brengen.’

‘Makkelijk zat. Je kunt Oost-Europese vrouwen importeren of een voetbalclub kopen. Als andere mensen lol van je geld hebben, dan doe je zegenend werk.’

‘Jouw probleem is dat je niet met geld kunt omgaan.’

‘Mijn probleem is dat ik te veel geld heb. Toen ik in de bajes zat, heb ik economieboekjes bestudeerd. Weet je wat economie is?’

‘Neem nog een pilsje,’ zei Sjon.

‘Economen zijn mensen die denken dat als ze een geeltje op straat zien liggen: dat kan niet waar zijn, want als daar een geeltje zou liggen, dan had iemand het al opgeraapt.’

‘Wat een wijsheid. Volgens mij betekent economie: jij hebt een miljoen en ik pak het van je af zonder dat jij me daarna overhoopschiet.’

‘Nee, dat is psychologie. Toen ik vastzat heb ik ook een paar boeken van psychologen gelezen.’

‘Psychologen? Dat zijn toch lui die je ziel uitknijpen? Ik heb liever dat ze mijn snikkel uitknijpen. Daarom ben ik zo graag tussen de kokospalmen in Thailand, begrijp je.’

‘Sjon, wees verdomme even serieus. Ik doe je een voorstel. We moeten samen iets opzetten. Wij kunnen veel voor elkaar betekenen.’

‘Oké. Zeg op.’

‘Mijn vriendin zit in het vastgoed…’

‘Altijd beter dan dat het vast goed in je vriendin zit.’

‘Fuck you, man!’ Lodderer dreigde weer uit te halen, maar hij beheerste zich. Deze keer liet hij zijn vuisten in de lucht zweven.

‘Ik bedoel maar. Het is beter dat er geen reet aan de hand is dan omgekeerd. Hier, neem de laatste patat.’ Muizenman schoof de papieren puntzak over de tafel. ‘Je kunt beter friet eten dan gefrituurd worden. Sorry. Ik ben in een uitgelaten stemming. Oppeppertje gehad, vanmorgen. Maar ga door.’

‘Mijn vriendin heeft dus contacten in het vastgoed. En in het vastgoed zoeken ze altijd naar investeerders om projecten te financieren. Wij hebben geld, maar geen projecten.’

‘Ik wel. Mijn vakantiedorp in Thailand.’

‘Jawel, maar jij hebt meer cash dan je van je lang zal ze leven in Thailand in een leeg zwembad kunt gooien.’

‘Dat is waar. Dus?’

‘Dus gaan wij investeren in projectontwikkeling.’

‘Dan zie je je geld nooit meer terug,’ wierp Sjon tegen. ‘Ik ken de onroerendgoedmarkt. Je investering zit jarenlang vast en je kunt naar je centen fluiten.’

‘Daarom heb ik ook deel twee van de strategie uitgedacht,’ zei Willem met een triomfantelijke glimlach. Hij boog zich voorover. ‘En die gaan we samen uitvoeren.’

 

‘Weet je,’ zei Sjon vier biertjes later, ‘het klinkt goed. Heel goed, zelfs. De vraag is alleen: hoe pakken we het aan?’

‘De man die we gaan leegtrekken, heeft ambities.’

‘We kunnen hem hier bij mij thuis uitnodigen. Kan hij van de Belgische bossen genieten.’

‘Die interesseren hem niet. Hij is geen bosliefhebber.’

‘Ben jij nog altijd een voetbalfan?’

‘Wat dacht je! Als ik kan zit ik bij iedere thuiswedstrijd van Ajax.’

‘Nodig hem uit in je box! Dan stellen we hem samen onze aanpak voor. Daar kan hij niet ongevoelig voor zijn. Speelt Ajax nog wel eens een leuke wedstrijd? Dan kom ik naar Amsterdam.’

‘Ze moeten een van de komende wedstrijden kampioen worden.’

‘Weet je, dat doet me goed. Ik mag dan wel in Neerpelt mijn kroketten eten en in Pattaya mijn overtollige zaad dumpen, in mijn hart blijf ik een Mokummer. Hoe heet die gozer trouwens, die je wilt uitnodigen?’

‘Pincoff. Eric Pincoff.’

‘Ik stel voor dat we er een gezellige middag van maken. Met hapjes en drankjes en zo.’

‘Het wordt een kwestie van inpalmen, vastbijten en uitknijpen. Ik verheug me er nu al op.’ Lodderer maakte een draaiende beweging met zijn vuisten, alsof hij een lap textiel uitwrong.

‘Weet je Willem, ik ben van de partij. Toch jofel van je dat je aan je ouwe maat hebt gedacht.’ Sjonnie stond op. ‘Zal ik je eens wat anders laten zien? Kom mee naar buiten. Mijn nieuwste hobby.’

Hij deed de schuifdeuren open en samen liepen ze de tuin in. Daar toonde Sjonny Muizenman aan zijn zakenpartner een enorme volière met tientallen soorten papegaaien. Rode, gele, groene en blauwe papegaaien. Het was een gekrijs en geschreeuw van jewelste en even dacht Willem Lodderer dat hij in de tropische jungle was beland.

17

arena stadion, zondag 9 mei 2004

Bij de ingang van het stadion stopte een zilvergrijze Jaguar. Een jongen in een blauw pak van de parkeerservice opende galant het portier. ‘Welkom in de Amsterdam ArenA. Ik hoop dat u een plezierige dag zult hebben,’ zei de jongen. Uit de auto stapten twee mannen. De bestuurder overhandigde de sleuteltjes aan de jongen. Vervolgens liepen de mannen achter een gastvrouw in een strak rood pakje het stadion binnen. Via een doolhof van trappen en gangen kwamen ze bij een lounge. De vrouw klopte op de deur en hield die open. ‘En nog een fijne middag gewenst,’ zei ze.

In de lounge stonden drie mannen. De langste van hen kwam met uitgestoken hand op de twee nieuwe gasten af. ‘Jij moet Eric Pincoff zijn. We zijn blij dat je gekomen bent,’ zei hij ter verwelkoming.

Ze gaven elkaar een hand. ‘Willem Lodderer,’ zei de gastheer. ‘Dit is mijn zakenpartner Muizenman.’ Hij draaide zich naar de andere man. ‘En hier hebben we de heer Steven Huybrechts.’

Eric Pincoff stelde zichzelf en zijn metgezel voor. ‘Paul Sanders. Mijn advocaat.’

‘Altijd handig om een wetboek van vlees en bloed bij de hand te hebben,’ zei Lodderer.

‘Paul is een Ajax-fan en ik wilde hem deze wedstrijd niet onthouden,’ zei Pincoff.

Nadat iedereen kennis had gemaakt, zei Lodderer: ‘Steven is ambtenaar bij de gemeente. Sjon en ik zijn compagnons in een handelshuis.’

Alle vijf grinnikten om die laatste opmerking.

Gemeenteambtenaar Huybrechts nam als eerste het woord. ‘Ik heb uw naam vaak gehoord, meneer Pincoff. Er gaat een golf van ontzag door het stadhuis als men weet dat u betrokken bent bij een project. U bent een succesformule. Het is een genoegen u in levenden lijve te ontmoeten.’

‘Maak het je gemakkelijk, Eric,’ zei Lodderer zonder acht te slaan op het geslijm van de ambtenaar. ‘De wedstrijd begint pas over twee uur.’

Een ebbenhoutkleurige serveerster kwam uit het keukentje met een blad waarop vijf champagneflûtes stonden. Eric en Paul pakten een glas. De andere drie verwisselden hun lege glazen voor volle. Daarna brachten ze een toast uit op Ajax. ‘Weet je dat we vanmiddag kampioen worden als we winnen?’ zei Willem Lodderer. Hij was de gangmaker van het groepje. Sjon Muizenman stond zwijgend op enige afstand. Steven Huybrechts en Paul Sanders keken naar buiten, waar het stadion geleidelijk aan begon vol te lopen.

De lounge was ingericht als een modern vormgegeven ontvangstruimte. Er stond een tafel waarop voor vijf personen een lunchcouvert was gedekt. Bij het schuifraam was een zithoek met banken en langs een wand stond een kast met foto’s van bekende voetballers. Halverwege de ruimte bevond zich een bar. Achter in de lounge stond een vergadertafel met aan iedere kant zes stoelen. Er was zelfs een werkhoek ingericht met een computer, een printer en een faxapparaat. Aan de muur hingen voetbalfoto’s en een dartbord waarin pijltjes waren geprikt. Uit de geluidsinstallatie klonk muzak.

Eric Pincoff was wel eens vaker in een skybox van het stadion geweest, maar nooit eerder in een businesslounge. Er was ruimte voor wel veertig mensen – en hier stonden ze met z’n vijven. Pincoff vermoedde dat Lodderer de lounge speciaal voor deze ontmoeting gereserveerd had. Het moest een vermogen kosten. Ook al maakte smijten met geld op hem geen enkele indruk, hij besefte dat deze locatie een bijzondere bedoeling moest hebben. Hij voelde zich niet helemaal op zijn gemak en was blij dat hij zijn advocaat had meegenomen.

Twee weken eerder had Eric Pincoff een telefoontje gekregen van Willem Lodderer. Direct, zonder omtrekkende bewegingen en zonder nadere toelichting had Lodderer hem uitgenodigd om naar de ArenA te komen voor een wedstrijd van Ajax en een zakelijk voorstel. Het was duidelijk dat Lodderer geen afwijzing accepteerde. Gedreven door zijn onbedwingbare commerciële instinct was Pincoff op de uitnodiging ingegaan. Voor de zekerheid had hij Paul Sanders, zijn advocaat, meegevraagd. Je wist maar nooit of het tot een zakelijke deal zou komen.

Pincoff had Lodderer of Muizenman nooit persoonlijk ontmoet, maar hij kende hen van naam en hij wist wat hun reputatie was. Nu stond hij oog in oog met hen. Even voelde hij met zijn vingers aan het medaillon dat onder een poloshirt op zijn borst hing. Dat gaf hem vertrouwen.

‘Ze hebben de afgelopen weken punten laten liggen,’ zei Pincoff quasi-deskundig. Als jongetje was hij vroeger vaak met zijn vader naar de statribune in De Meer geweest en gewoontegetrouw volgde hij tegenwoordig nog altijd de verrichtingen van Ajax in het sportkatern van De Telegraaf.

‘Vandaag gaan we onze tegenstanders inpakken,’ zei Lodderer met een triomfantelijk glimlachje.

‘Zullen we een poeltje maken?’ mengde Sjon Muizenman zich in het gesprek. Hij pakte een rode viltstift en schreef de namen van de vijf mannen op de smetteloos witte muur. ‘Zeg maar wat de uitslag wordt.’

‘Wat is de inzet?’ vroeg Steven Huybrechts, die genoeg had gekregen van het kijken naar een lege grasmat.

‘Een meier?’ stelde Sjon voor.

‘Kom op, slaplul. Een rug,’ zei Willem.

‘Maak er dan twee van. Je hebt ook twee ballen,’ zei Sjon.

‘Oké, twee ruggen.’

‘Jezus christus, tweeduizend euro,’ sputterde Huybrechts.

‘Wat nou, Steven, die centen verdien je in een week terug.’

Even later stonden er vijf scores met een viltstift op de muur geschreven. Allemaal hadden ze een klinkende overwinning van de thuisclub voorspeld. Dat was wel het minste wat ze konden doen om hun clubtrouw te tonen.

 

Ze gingen aan tafel zitten. De serveerster schonk de wijnglazen vol en zette vervolgens vijf borden met eendenleversalade op tafel.

‘Eet smakelijk. Dit is haute cuisine,’ zei Willem. Hij sprak het uit als ‘houtkwiezien’.

Het gesprek vlotte niet erg. Willem vroeg zich af welke spelers de trainer het veld op zou sturen en Sjon maakte grappen over Thaise vrouwtjes. Paul Sanders vorkte zwijgend de salade naar binnen. Steven Huybrechts maakte een paar opmerkingen over de corruptie onder ambtenaren op het stadhuis, waar niemand op inging. Eric Pincoff hield zich op de vlakte. Hij wachtte tot Lodderer de reden voor de ontmoeting ter sprake zou brengen.

Dat gebeurde nadat de serveerster de borden had weggehaald en de glazen nog eens had gevuld.

‘Weet je, Eric,’ zei Willem, terwijl hij zijn mond afveegde met de mouw van zijn overhemd, ‘we willen je een zakelijk voorstel doen. Je kunt er rustig over nadenken. Straks, als de wedstrijd is afgelopen, horen we wel wat je ervan vindt.’

Pincoff keek op zijn horloge. ‘Als het over interessante voorstellen gaat, ben ik een snelle beslisser. En voor interessante zaken ben ik altijd te vinden.’

‘Precies wat we zoeken,’ zei Sjon prijzend.

‘Sjon heeft deze lounge vorige week in een opwelling gekocht. Is het niets voor jou om een voetbalclub te bezitten?’ vroeg Willem achteloos.

‘Nee, dank je. Te veel gedoe met al die spelers. Trouwens, ik bezit al een jachthaven.’

‘Dat is waar ook,’ zei Willem.

‘Na de aankoop van deze lounge ben ik door mijn projecten heen,’ zei Sjon.

‘En daarom zijn we bij jou aangekomen,’ vulde Willem aan.

‘Want we hebben nog wat contanten weg te zetten,’ zei Sjon.

‘We hebben de afgelopen jaren goede zaken gedaan. Meevallertje hier, winstje daar, dat loopt algauw in de papieren.’

‘Zal ik eens kijken of de spelers het veld al op komen?’ bood Steven Huybrechts aan.

‘Goed idee, dan loop ik met je mee,’ viel Paul Sanders hem bij. Hij was blij dat hij zich aan het gesprek kon onttrekken. De advocaat en de ambtenaar legden hun servet weg en liepen naar de schuifpui. Toen ze de deuren openden, waaide er een golf van geloei van het publiek naar binnen. Ze stapten het terras op en deden de deuren snel achter zich dicht.

Eric, Sjon en Willem bleven achter aan tafel. Willem sommeerde de zwarte serveerster om de glazen bij te schenken. Toen zei hij tegen Eric: ‘Jij was toch laatst betrokken bij de aankoop van dat pandje… Kom, waar was het ook alweer, Sjon?’

‘Bedoel je in Tervuren?’ zei Sjon lijzig.

‘Verdomd, ja. Een landhuis in Tervuren. Hoe kon ik het vergeten. Leuk optrekje.’

‘Bij ons in België!’ riep Sjon.

Eric schoof onzeker heen en weer op zijn stoel. Hij begreep niet waar dit gesprek toe leidde, maar hij had er geen goed gevoel over. ‘Maar ik…’

‘Er staat me niet bij voor wie je het gekocht hebt,’ zei Willem.

‘Waar hebben jullie het over?,’ zei Eric argwanend. Hij overwoog om Paul naar binnen te roepen. Misschien had hij zijn advocaat nodig.

‘Weet jij nog wie het was, Sjon? Jij woont in België.’

‘Bedoel je dat Europese vrouwtje uit Brussel?’ zei Sjon leep.

‘Ja, natuurlijk! Die was het. Een belangrijk vrouwtje. Haar naam is me ontschoten.’

‘Volgens mij heet ze Lena Feldspath.’

‘Hoe kon ik het vergeten!’ zei Willem. ‘Dat klopt toch, Eric?’

Eric was compleet overrompeld. Het klopte. Hij had bemiddeld bij de aankoop van een landhuis in de buurt van Brussel voor eurocommissaris Feldspath. Het was een verkoop-terughuur-constructie, waaraan voor hem een interessante financiële kant zat door de aftrek van compensabele verliezen en het gebruik van geld dat niet bij de Belastingdienst bekend was. Maar het was absoluut niet de bedoeling dat deze aankoop in de openbaarheid zou komen. Hij had zelfs met brievenbusfirma’s gewerkt om de betrokkenheid van hem en van Feldspath te verdoezelen. Hoe wisten deze twee mannen van die deal?

Eric wilde wat zeggen, maar Sjon was hem voor. ‘Laten we het Eric niet moeilijk maken. Hij is onze gast vandaag en de wedstrijd gaat zo beginnen.’

‘Je hebt gelijk,’ zei Willem verzoenend. ‘Toch was het een mooie transactie voor die mevrouw Veldboeket.’

‘Kappen, Willem,’ zei Sjon streng.

‘Weet je waarom we in deze ruimte hebben afgesproken, Eric?’ zei Willem, van onderwerp en van toon veranderend.

‘Hier kan niemand ons afluisteren,’ fluisterde Sjon.

‘Precies. Hier zijn we onder elkaar. En we hebben een voorstel voor je,’ zei Willem. ‘Vergeet het verhaal van de villa voor die minnares van je…’

Eric slikte. Het werd steeds heftiger.

‘…daar zullen we het niet meer over hebben. Ons plan is dit,’ zei Sjon.

‘Zoals ik al zei: we hebben de afgelopen jaren een flinke cent verdiend. Daar zijn we niet kinderachtig over. En ook niet krenterig. Maar dat geld staat te roesten in de kelder. Wij willen het beleggen.’

‘Investeren,’ verbeterde Sjon.

‘Je merkt, Sjon is de zakenman,’ grapte Willem. ‘Dat geld willen we dus investeren. In onroerend goed.’

‘En omdat jij zo ontroerend goed bent in onroerend goed…’

‘…dachten we: we bieden je een partnerschap aan.’

‘Daar moet ik over nadenken,’ onderbrak Eric zijn gesprekspartners.

‘Nadenken kan nooit kwaad,’ zei Willem.

‘Ach, lul niet. Jij weet niet eens hoe dat moet, nadenken,’ zei Sjon. ‘Mijn compagnon is beter met zijn handen dan met zijn hoofd.’

‘Ik gebruik mijn handen voor nuttige dingen,’ zei Willem. Hij zwaaide met zijn vuisten in de lucht, alsof hij een bokspartij aanging met een geest. ‘Sjon gebruikt ze alleen maar om zich af te rukken.’

Eric wilde bij Muizenman en Lodderer niet de indruk wekken dat hij geïntimideerd was door hun opmerkingen. Dit was per slot van rekening bedoeld als een zakelijke bijeenkomst. ‘Waar praten we over?’ vroeg hij neutraal.

‘Honderdvijftig miljoen,’ zei Willem.

‘Godallemachtig. Dat is veel geld.’

‘Hij kan alleen maar in ronde getallen praten,’ zei Sjon, wijzend op zijn kompaan. ‘Willem is een beetje analfabeet.’

‘Beetje Alfa? Je weet niet waar je het over hebt, Sjon. Ik rij in een gepantserde bmw. Die is nog van een nationale politicus geweest.’

‘Godallemachtig,’ zei Eric opnieuw.

‘Laten we het zo zeggen. Honderdvijftig is een begin. Daarna nog eens honderd en dan nog eens. We willen een portefeuille opbouwen. Begrijp je?’ zei Sjon.

‘En jullie zoeken projecten waarin je zo veel geld kunt storten.’

‘Storten… Beleggen.’

‘Investeren.’

‘We willen je helpen, Eric,’ zei Sjon. Vertrouwelijk boog hij naar voren over de tafel. ‘Iedere projectontwikkelaar droomt van het grootste, mooiste, duurste, geilste project dat ooit is ontworpen. De toren van Babel, de Twin Towers, de Petronas Towers, ga zo maar door. Laten we er niet omheen lullen, dat willen jullie allemaal. Jullie lopen allemaal achter je pik aan. Wie heeft de grootste, de dikste, de hoogste. Jij ook. Ja toch?’

Opnieuw wilde Eric een tegenwerping maken, maar hij kreeg de kans niet.

‘En wij bieden de financiering! Zeg nou zelf, dat is toch een natte jongensdroom die uitkomt!’ riep Willem triomfantelijk.

‘Ik moet erover nadenken,’ zei Eric afwerend. Zijn stem klonk zwak.

‘Laat het op je inwerken. En die villa…’

Ze chanteren me! besefte Eric. Hij wilde Paul van de tribune roepen om hem terzijde te staan.

‘Vergeet die villa voor zijn Europa-liefje. Dat hadden we toch afgesproken,’ zei Sjon vermanend tegen zijn kompaan.

‘O ja. Sorry,’ zei Willem schuldbewust.

‘Ik zal erover nadenken,’ herhaalde Eric.

De schuifdeuren gingen open. Het geloei van het stadion golfde naar binnen, luider dan een halfuur eerder. Onafgebroken werd er gescandeerd.

‘De ploegen komen het veld op. De wedstrijd gaat beginnen!’ riep Steven Huybrechts enthousiast.

Willem, Sjon en Eric stonden op. Ze liepen naar het balkon en installeerden zich om de voetbalwedstrijd te volgen.

 

Voetbal is een spel van twee keer elf overbetaalde kampvechters met de naam van hun sponsor op hun shirt, drie ordebewaarders en een bal die met kinderarbeid in Pakistan in elkaar is genaaid. Na twee keer vijfenveertig minuten stond de score 2-0 op het bord. Ajax had nac verslagen en Ajax was landskampioen. De ArenA barstte bijkans uit elkaar van de emotie. Het publiek schreeuwde, zong, joelde, juichte, feestte. De massa deinde en hoste, het hele stadion leek in beweging.

De vijf mannen op het balkon van de skylounge hielden het volksvermaak na een kwartiertje voor gezien. Ze waren weliswaar fans van Ajax, maar ze waren voor zaken gekomen – niet om hun kelen kapot te schreeuwen.

‘Willen jullie een analyse van een sportcommentator van de televisie?’ vroeg Willem toen ze weer in de luxueuze ruimte van de skylounge stonden. ‘Dan halen we zo’n lulhannes hiernaartoe.’

‘Van mij hoeft het niet,’ zei Steven Huybrechts.

‘Jij hebt zeker liever een deskundige massage,’ zei Sjon. ‘Daar kunnen we ook voor zorgen, ik heb wat Thaise meisjes ingevlogen die beneden zitten te wachten. Maar daar moet je toch eerst wat voor presteren, Steven. Je hebt tot nu toe alleen maar op je luie reet gezeten.’

‘Alles bij de prijs inbegrepen,’ vulde Willem aan. Hij klapte in zijn handen en de zwarte serveerster kwam opnieuw met gevulde glazen champagne aanlopen.

‘Wat een enerverende wedstrijd,’ zei Eric. Tijdens de wedstrijd was het voorstel dat Willem en Sjon hem hadden gedaan, geen moment uit zijn gedachten geweest. Hij wist dat ze er dadelijk over zouden beginnen. En dan moest hij wat antwoorden. Een gevoel van angst en opwinding bekroop hem.

‘Dat is ook wat,’ zei Sjon. Hij wees op de scores die hij vóór de wedstrijd op de muur had geschreven. ‘Niemand heeft gewonnen!’ Inderdaad had geen van de vijf mannen de einduitslag goed voorspeld. Er stond 1-0, 2-1, 3-0, 4-2 en 5-1. Niemand had 2-0 genoemd.

‘Even kijken wat het reglement zegt,’ zei Sjon. Hij griste een papieren servetje van de bar, vouwde het plechtig open en zei: ‘Pech, jongens. Het reglement bepaalt dat wanneer niemand het juiste antwoord heeft, de inleg toevalt aan het organisatiecomité. Toevallig ben ik dat. Dat is dan twee ruggen de man, graag.’

Sjon hield zijn hand op. Er was geen ontkomen aan, iedereen moest betalen. Als eerste haalde Willem uit de achterzak van zijn broek een dik pak bankbiljetten en telde met zijn duim vier briefjes van vijfhonderd euro af. Paul Sanders begreep dat hij het spel moest meespelen en greep zwijgend in zijn binnenzak naar zijn portefeuille. Steven Huybrechts stond onhandig te dralen.

‘Dokken, jongen!’ moedigde Sjon hem aan.

‘Ik heb alleen maar klein geld bij me. Voor de sigarettenautomaat. Hier had ik niet op gerekend,’ zei de ambtenaar, alsof hij zich ervoor moest verontschuldigen zonder een maandsalaris aan contant geld naar de skylounge te zijn gekomen.

‘Hoe kun je zo stom zijn. Zullen we hem uitschudden, Sjon?’ zei Willem. Met zijn grote lijf liep hij op Huybrechts af, die achteruitdeinsde.

‘Nee, we houden het in op onze volgende betaling,’ zei Sjon gedecideerd. ‘Met boete, natuurlijk. Even kijken’ – hij wapperde met het witte servetje – ‘bij wanbetaling verdubbelt het bedrag.’

‘Jezus christus,’ zei Steven. Hij besefte dat hij geen kant op kon.

Eric begreep dat hij evenmin aan betalen ontkwam, maar ook hij had geen contant geld bij zich. Hij haalde een chequeboek en een vulpen uit het leren tasje waarin zijn papieren zaten. Daarmee ging hij aan de vergadertafel zitten en schreef een cheque aan toonder uit. Die gaf hij aan Sjon. Sjon prikte de cheque met een pijltje op het dartbord.

‘Dat is waar ook! Je moet nog reageren op ons businessplan,’ zei Sjon terwijl hij zich omdraaide. Hij keek Eric bemoedigend aan.

‘Gaan we voor goud of laten we de winst lopen, meneer Pincoff?’ zei Willem.

Eric aarzelde. Hij keek naar de cheque die op het dartbord geprikt zat. Hij hoorde in zijn hoofd de woorden resoneren over de aankoop van het landhuis voor Lena Feldspath. Hij zag de nullen van honderd miljoen voor zijn ogen dansen. Hij dacht aan zijn droomproject. Hij dacht aan de reputatie van Sjon Muizenman en Willem Lodderer. Als hij niet mee had willen doen, had hij niet op hun uitnodiging in moeten gaan. Dan had hij thuis moeten blijven, of naar zijn boot in IJmuiden moeten gaan in plaats van naar de skylounge van de ArenA.

‘Er zijn nog wat details waar ik met mijn advocaat naar wil kijken, maar ik zie wel mogelijkheden voor samenwerking,’ zei Eric Pincoff. Hij voelde zich duizelig worden. Hij liet zich op de bank vallen. Paul Sanders keek hem verwonderd aan. De advocaat had geen idee waar Eric het over had.

‘Dit is meer waard dan het landskampioenschap van Ajax!’ riep Willem enthousiast. ‘Mannen, toasten!’

Glimlachend vulde de serveerster de champagneglazen opnieuw bij en even later kwam ze met een schaal hapjes langs. Kwarteleitjes met kaviaar en stukjes kreeft met een dipsausje.

Een uur later waren de aanwezigen behoorlijk dronken en gingen de gesprekken allang niet meer over voetbal. Willem stelde voor dat het tijd was om de bijeenkomst op te breken. Hij zei dat er voor iedereen een chauffeur was geregeld die de gasten in hun eigen auto naar huis zou rijden.

‘Wacht even. Voordat we naar huis gaan, moeten we nog een paar dingen vastleggen,’ zei Sjon. Hij wendde zich tot Sanders. ‘Je hebt hier de hele middag maar wat lopen uitvreten, advocaatje, maar je bent natuurlijk niet voor niets onze gast geweest,’ zei hij. ‘Als jij nu snel een voorlopig contractje opstelt, dan leggen we de zakelijke afspraken van vanmiddag vast en werken we het later uit. Verdien jij er ook nog iets aan.’

‘Wat staat er in het poolreglement voor businesspartners?’ zei Willem.

‘Goed dat je het zegt,’ antwoordde Sjon. Hij pakte een schoon servetje van de bar. ‘Ah! Hebben jullie even geluk, Eric en Paul! Deelnemers aan de voetbalpool zijn ontheven van betaling als ze meedoen aan onze investeringsprojecten.’

Sjon haalde tweeduizend euro uit zijn achterzak en gaf die terug aan Paul. Daarna liep hij naar het dartbord, trok de cheque van het bord en scheurde die in stukken. Achteloos liet hij de snippers op de grond dwarrelen.

18

tervuren, zaterdag 15 mei 2004

Het was gezellig druk in de tuin van het landhuis van eurocommissaris Lena Feldspath. Meer dan honderd gasten, afkomstig uit de politieke en bestuurlijke elite van de Europese Unie, hadden zich op het grasveld verzameld. Ze voerden geanimeerde gesprekken, becommentarieerden luidruchtig de politieke toestand in Europa en lachten besmuikt om de laatste nieuwtjes uit het Brusselse roddelcircuit. Op het gazon stonden kraampjes met Belgische lekkernijen. Koks in geruite schorten schepten de heerlijkste gerechten op en er ging bediening rond met bladen vol drank. In een partytent stond een dixielandbandje ouderwetse swing te spelen. Het was de perfecte tuinlunch.

Een leven lang netwerken had Lena Feldspath aan de top van het Europese bestuur gebracht. Het commissariaat Ondernemingen en Industrie was een belangrijke portefeuille en dat gaf haar een gevoel van macht. Ze koesterde zich in de aanwezigheid van zo veel gasten, met wie ze ongedwongen gesprekken aanknoopte, en ze genoot van de complimenten voor haar nieuwe onderkomen, een kapitale villa in de Brusselse voorstad Tervuren.

Tegen halfvijf liep het tuinfeest af. De medewerkers van de catering begonnen de kraampjes af te breken en de glazen, de borden en het bestek in kratten af te voeren. De band zette het slotnummer in en nadat om zeven uur de laatste gasten waren vertrokken, bleven er uiteindelijk drie mensen over. Lena Feldspath, haar volwassen zoon Bodo, en Eric Pincoff.

Ze gingen zitten op het terras. Lena schonk een glas wijn in. Eric hield het bij een glas verkwikkend sap. Bodo hing met een joint op de schommelbank.

‘Wat een geslaagde middag. Ik heb genoten,’ zei Eric.

‘Ik ben zo blij dat je er bent. Jouw aanwezigheid in het Brusselse maakte de house-warming compleet,’ zei Lena.

Haar zoon zei niets. Hij schommelde traag heen en weer.

‘Natuurlijk ben ik erbij,’ zei Eric.

‘Vanzelfsprekend, het is toch ook een beetje jóuw huis.’

‘Nou, nou…’ zocht Eric naar woorden. ‘Ik heb alleen maar bemiddeld.’

‘Je bent een schat.’ Lena stond op en gaf Eric een zoen op zijn voorhoofd.

‘Dank je. Ik ben blij dat er ten minste iemand is die dat vindt,’ lachte Eric. Hij pakte het hoofd van Lena, trok haar naar zich toe en gaf haar een zoen op de mond.

‘Mmmm,’ kreunde Lena.

Wow! Es geht wieder los!’ riep Bodo stoned vanaf de schommelbank.

‘Als jij nu eens je tentamens gaat voorbereiden,’ zei Lena vermanend tegen haar zoon. Ze was verrast dat hij reageerde. Traag stond hij op. Hij pakte twee flesjes bier uit een krat en liep in de richting van het huis. Toen hij bij de deur was, draaide hij zich om en riep: ‘Maak geen vlekken op de kussens van het tuinmeubilair!’

‘Ik heb voortdurend problemen met hem,’ verzuchtte Lena toen Bodo naar binnen was.

Eric zweeg. Van opvoeding had hij geen verstand. Toen hij nog getrouwd was, deed zijn vrouw de kinderen en hij de hond.

‘Hij studeert nauwelijks en hij heeft vrienden die hem in verkeerde kringen hebben gebracht. Drugs,’ vervolgde Lena.

‘Drugs maken veel kapot,’ zei Eric begripvol. ‘Ze moesten drugsdealers in Europa de doodstraf geven. Dan zul je zien hoe snel we van dat probleem af zijn.’

‘O, ja,’ zei Lena. Ze keek Eric aan. ‘Dat vind ik ook. Ze ruïneren de Europese economie. Het kapitaal dat in die sector omgaat, zou heel wat productiever aangewend kunnen worden. Ik mag het in mijn functie natuurlijk niet hardop zeggen, maar het is een schande dat de eu de doodstraf voor dit soort delicten heeft verboden. Maar de gebruikers… Dat is een ander verhaal. Zij zijn de slachtoffers van hun verslaving. Daar weet ik geen oplossing voor. Misschien kun jij me helpen met Bodo.’

‘Natuurlijk,’ zei Eric.

‘Ik probeer hem uit de buurt van zijn slechte vrienden te houden. Hij heeft iedere dag zijn dope nodig. Maar hier in Brussel weet hij de weg niet. Snap je?’

‘Ik begrijp wat je bedoelt,’ zei Eric. Hij trok Lena naar zich toe en zoende haar opnieuw. Langer en intenser dan de eerste keer.

‘Je blijft toch wel slapen,’ zei Lena, nadat ze zich uit de omhelzing had losgemaakt. Het was een opdracht, geen vraag. Ze trok haar gedecolleteerde blouse recht.

‘Als je aandringt…’

Beiden schoten in de lach.

‘Dan kun je ook nog wel wat drinken. Hier.’ Lena schonk een glas wijn voor Eric in en zette dat voor hem neer op tafel.

 

Eric Pincoff en Lena Feldspath hadden elkaar een halfjaar eerder ontmoet op een congres over de toekomst van de Europese infrastructuur. Het ging om de besteding van Europese fondsen voor grootschalige projecten. Dat had Pincoffs aandacht getrokken, misschien zaten er interessante investeringsmogelijkheden voor hem bij. Na afloop van de bijeenkomst was hij aan de bar van het hotel in gesprek geraakt met een vrouw die zich voorstelde als Lena Feldspath.

De naam zei Pincoff niets. Hij was niet zo thuis in de Europese politiek. Pas na een paar glazen whisky besefte hij dat zijn gesprekspartner de pas benoemde eurocommissaris voor Ondernemingen en Industrie was. Hij wist ook niets van de reputatie van Feldspath als mannenverslinder. Dat zou hem er trouwens niet van hebben weerhouden om met haar het bed op zijn hotelkamer te delen. Hij had daar twee goede redenen voor. Ten eerste had hij na een dag van Powerpoint-presentaties een onbedwingbare behoefte aan ontspannende seks. Ten tweede kon het altijd van pas komen om intieme contacten te onderhouden met een eurocommissaris.

Voor Feldspath was de afweging eveneens snel gemaakt. Ze bezat nog geen huis in Brussel en ze had tijdelijk haar intrek genomen in een suite van hetzelfde hotel. Of ze nu in de ene of de andere kamer sliep, maakte haar weinig uit. Bovendien vond ze Eric Pincoff met zijn jongensachtige uitstraling een aantrekkelijke vent. En ook voor haar gold dat ze een persoonlijke band met een projectontwikkelaar als een uitstekende vorm van human relations-management beschouwde.

Ze raakten verliefd. Sindsdien zagen ze elkaar zo vaak als maar mogelijk was. Na drie maanden had Eric tegen Lena gezegd dat hij genoeg had van haar hotelsuite. Met gebruikmaking van een Luxemburgse bv had hij een landhuis in Tervuren gekocht en het economisch eigendom aan haar overgedragen, zodat het juridisch niet op haar naam stond en het niet zou opvallen bij de aasgieren van het Europese Bureau Integriteit en Toezicht. Lena was gelukkig, ondanks de verslavingsproblemen van haar zoon. Ze dacht, voor het eerst sinds haar derde scheiding, zelfs weer aan een nieuw huwelijk.

 

‘Ik wil iets met je bespreken. Ik heb je hulp nodig,’ zei Eric ’s avonds tegen Lena. Buiten was het kil geworden en ze zaten in de bibliotheek van het landhuis. Op een bijzettafeltje stond een koeler met een fles Sancerre die ongemerkt leeg begon te raken. Lena rookte een dun sigaartje. Met getuite mond blies ze kringelende rookwolkjes.

‘Alles is best, zolang het maar niet over de verslaving van Bodo gaat,’ zei Lena.

‘O nee, het is veel eenvoudiger. Ik ben bezig een zakelijk plan uit te werken.’

‘Op zaterdagavond na een tuinfeest? Ik voel me niet meer helemaal nuchter. Kan het wachten tot volgende week? Dan maken we een afspraak na werktijd op mijn kantoor.’

‘Ik bespreek het liever in de beslotenheid van dit huis. We hebben deze villa niet voor niets een zakelijke bestemming gegeven. Dan kan ik dat tegenover mijn belastingadviseur ook rechtvaardigen.’

Lena schonk de glazen bij.

‘Het is een investeringsproject. Misschien een utopie,’ vervolgde Eric. Hij leunde voorover.

‘Je maakt me nieuwsgierig.’

‘Ik wil een vliegveld bouwen op een kunstmatig eiland in de Noordzee.’

Lena Feldspath hapte naar adem. ‘Sorry…’ zei ze na een lange stilte. Met haar hand streek ze een verdwaalde haarlok uit haar gezicht.

‘Een vliegveld voor de intercontinentale vluchten uit Azië en Amerika. Het verdeelpunt voor passagiers en luchtvracht uit China, India en de Verenigde Staten in Noordwest-Europa.’

Eric legde de voordelen uit, de mogelijkheden, de technische haalbaarheid. Zijn visie op de toekomst van de luchtvaart, de komst van de superjumbo’s, de congestie in de lucht, de protesten van de bevolking tegen uitdijende luchthavens in dichtbevolkte gebieden, het antwoord op infrastructurele knelpunten. Terwijl hij praatte, werd hij steeds enthousiaster. Hij stond op, liep heen en weer door de bibliotheek, bewoog zijn armen, verhief zijn stem, schetste vergezichten, kansen en uitdagingen.

Lena luisterde. Ze hield van mannen met gedurfde plannen. Daarom voelde ze zich aangetrokken tot Eric Pincoff. Hij was een man met visie, een ondernemer die zijn nek durfde uitsteken. Het type zakenman dat Europa nodig had. Een vent naar haar hart. En hij had die uitstraling waar ze op viel. Ze glimlachte. Ich woll dich ficken, Erich, dacht ze. Ze moest zich niet laten meeslepen door haar primaire gevoelens. Dit was een zakelijk voorstel. Maar wel een onhaalbaar voorstel. Een vliegveld in de Noordzee was absurd. Het was te hoog gegrepen. En ‘te’ was nooit goed, had ze vroeger als kind van haar moeder geleerd, behalve een boterham met tevredenheid.

‘Ik ben geroerd door je enthousiasme en het is een fascinerend vergezicht, maar het blijft een vergezicht. Dat lukt nooit,’ zei Lena.

Eric was niet uit het veld geslagen. Tegenspraak was het minste dat hij van Lena had verwacht.

‘Natuurlijk is het een vergezicht. Maar ik denk dat ik het kan verwezenlijken…’ En opnieuw begon hij de voordelen uiteen te zetten. De toekomst van Europa. De mondialisering. Een logistieke uitdaging die om een radicale aanpak vroeg.

‘Je bent onverbeterlijk!’ zei Lena vertederd. Ze voelde dat ze dronken was. Wankelend stond ze op en gaf Eric een zoen. ‘Je argumenten zijn sterk. Maar wat gaat het kosten? De aanleg van een kunstmatig eiland met een vliegveld is onbetaalbaar.’

‘Kostbaar: ja. Maar onbetaalbaar: nee.’

‘Alleen overheden kunnen zich zo’n project veroorloven. En die hebben geen geld voor visionaire plannen. Dat weet je toch.’

‘Er zijn ook particuliere investeerders.’

‘Hiervoor krijg je nóóit investeerders. De risico’s zijn veel te groot.’

Eric liep naar de schouw. Hij legde een elleboog op de schoorsteenmantel, draaide zich half om, gooide uitdagend zijn hoofd in zijn nek zodat zijn iets te lange haar naar achteren sloeg. Met een superieure glimlach om zijn mond zei hij: ‘Dacht je dat ik jou met zakelijke luchtspiegelingen zou lastigvallen?’

Lena ging zitten en sloeg haar benen over elkaar zodat de stof van haar mousseline jurk omhoogkroop langs haar dijen. Ze keek hem schuin van onder haar lokken aan. ‘Misschien wil je indruk op me maken?’

‘Ik ben een visionair, dat geef ik toe,’ zei Eric met gespeelde bescheidenheid. Hij haalde zijn hand door zijn haar. ‘Maar mijn vergezichten zijn geen fata morgana’s. Dit is een haalbaar project. Je kent mijn zakelijke motto: ik doe wat ik wil en ik wil wat ik doe.’

‘En hoe denk je te gaan doen wat je wilt?’ Lena’s stem klonk licht spottend. Ze zakte onderuit. Ze was behoorlijk dronken, besefte ze.

‘Het moet een Europees project worden. Daarom bespreek ik het met jou. Jij bent eurocommissaris…’

‘Ik hoor het al. Je wilt zeker dat wij het gaan betalen. Vergeet het.’

‘Nee, nee. Ik heb investeerders die belangstelling tonen. Privé-personen.’

‘Kom op! Die moeten wel héél diepe zakken hebben. Een project van deze omvang wordt nooit door particulieren gefinancierd.’

‘Dat hoeft ook niet. Het moet een public private partnership worden. Ik zorg voor de private kant. Jij doet mee voor het publieke deel.’

‘Ik?’ zei Lena verbaasd.

‘De Europese Commissie. Je bent toch belast met Ondernemingen en Industrie?’

Lena maakte tegenwerpingen. Dat kon zo maar niet. Dit ging over een financieel risico dat haar bevoegdheden ver oversteeg. Hier kon ze niet over beslissen. Eric suste haar. Charlemagne Airport was een project waarvan het begin nog niet in zicht was. Het was een kwestie van lange adem.

‘Waar denk je aan?’ vroeg Lena.

‘We praten over miljarden. Je moet aan ten minste twintig miljard denken.’

‘Onmogelijk,’ zei Lena resoluut.

‘En uiteindelijk wordt het meer. Zeg maar het dubbele, dat is de vuistregel bij grootschalige infrastructurele projecten. Ze pakken altijd twee keer zo duur uit als oorspronkelijk geraamd. Maar om te beginnen is het best te overzien. Ik denk dat je met een startkapitaal van vijfhonderd miljoen euro een aardig eind kunt komen,’ zei Eric zonder een spier te vertrekken.

‘Een half miljard. Onmogelijk,’ herhaalde Lena.

‘Aan het onmogelijke is niemand gehouden.’ Eric liet zich in een fauteuil vallen.

‘Je moet er later maar eens op terugkomen. Ik ben niet meer helemaal nuchter.’

Onaangekondigd kwam Bodo de bibliotheek binnen. Hij had een zwartleren motorjas met roodgekleurde schouderstukken aan. ‘Ik ga,’ zei hij kortaf. Bij de deur draaide hij zich even om. ‘Je hoeft er niet op te rekenen dat ik vannacht nog thuiskom.’

Even later klonk het rauwe geluid van een accelererende motor dat wegstierf in de nacht.

‘Dat bedoel ik nou. Hij leeft aan de zelfkant. Ik ben bang dat hij steeds verder afglijdt op zoek naar zijn kicks. Hij kan niet meer zonder,’ zei Lena. Ze klonk verdrietig, berustend en verontrust tegelijk. Een eenzame, bezorgde, machteloze moeder, besefte Eric.

‘Misschien kan ik je helpen om in zijn verslavingsbehoefte te voorzien,’ bood Eric aan. Hij stond op, ging achter Lena staan en streelde haar hals.

‘Hoe wil je dat doen?’ vroeg ze.

‘Zal ik dat maar voor me houden?’ Hij zoende Lena bij haar oor. Zijn hand masseerde haar nek en gleed langs haar jurk naar beneden. Lena leunde achterover, zodat ze met haar hoofd tegen Erics onderbuik rustte. Ze voelde een beginnende erectie. ‘Wat heerlijk is dit,’ fluisterde ze. Ze was werkelijk dronken.

Eric stopte met zijn massage. ‘Er is een voorwaarde. Jij helpt mij met de financiering van het vliegveld op zee.’

‘Waar denk je aan?’

‘Er zijn bankkredieten nodig om het project voor te bereiden. Met de toezeggingen van mijn investeerders kan ik bankkredieten krijgen als de Europese Commissie een garantie voor de aflossing afgeeft. Dat kost je geen cent en het is zonder risico.’

Lena draaide zich om en sloeg haar armen om Eric heen. Ze hees zich overeind en zoende hem. ‘Wat heb je toch een zakelijk vernuft. Maar ik voel iets anders dan bankkredieten en garanties,’ zei ze tussen twee zoenen door. Ze liet haar hand naar beneden zakken. ‘Zit er een mobieltje in je broekzak of raak je opgewonden van mijn nabijheid?’

Eric maakte geen bezwaar toen Lena langzaam de rits van zijn broek open trok en zich door haar knieën liet zakken.

19

kurhaus, zondag 13 juni 2004

‘Is deze tent van jou, Eric?’ vroeg Willem Lodderer.

‘Als het van baksteen is en uitzicht heeft op de Noordzee, is het van Eric. Dat weet je toch wel,’ zei Sjon Muizenman tegen zijn kompaan.

‘Vroeg ik wat aan jou, Sjon,’ beet Willem van zich af. ‘Maar dit is geen verkeerd stekkie.’

Eric Pincoff zat met de twee mannen in de grote zaal van het Kurhaus Hotel in Scheveningen. In de carré-vormige ruimte hingen imposante kroonluchters. De glazen overkapping hoog boven hen zorgde voor een subtiel strijklicht op de muren die in neoclassisistische stijl waren versierd. Rondom waren pilaren en gedrapeerde gordijnen. Midden in de zaal stond een buffet voorzien van tientallen soorten taarten, vruchten en zoetigheden.

Er klonk beschaafd geroezemoes van hotelgasten en zondagmiddagpubliek. In een hoek, bij een paar palmen, stond een strijkje walsjes en foxtrots te spelen.

‘Om je vraag te beantwoorden: ja, deze tent is van mij,’ zei Eric. ‘De vorige eigenaar had nogal wat speelschulden. Daar heb ik hem mee geholpen, als je begrijpt wat ik bedoel. Een paar jaar geleden had ik het voornemen om in alle badplaatsen langs de Noordzee het duurste hotel te kopen. Op stand langs het strand. Ik ben begonnen in IJmuiden. Daarna Scheveningen en Noordwijk. Toen Vlissingen, Knokke en Oostende. Maar de aardigheid ging er van af.’

‘Zeker door je geld heen.’

‘Nee. Mijn prioriteiten verlegd.’

‘Voordat we het over jouw prioriteiten hebben: zullen we toeslaan?’ stelde Willem voor. Hij stond op en liep naar het buffet. Even later kwam hij terug met vier vette stukken slagroomtaart op een bord. Eric en Sjon hielden het ieder bij een punt vruchtengebak.

‘Rekening eigenaar,’ zei Willem tussen twee happen door. Hij veegde een lik room bij zijn mondhoek weg. ‘Jij eet hier natuurlijk iedere dag voor nop.’

‘Nee, hoor. Niemand kent me hier. Ik ben voor het personeel net zo anoniem als alle andere gasten,’ zei Eric.

‘Je brengt hier toch wel eens de nacht door met dat Brusselse vrouwtje?’ zei Sjon. ‘En dan trek je vast niet je creditcard. Dan heb je wel wat anders in je hand om af te trekken.’

Hoe wéét hij dat, schoot door Erics hoofd.

‘Wij betalen nooit,’ zei Willem. ‘Ik bedoel: wij staan altijd aan de ontvangende kant van de streep. Kwestie van principe.’

‘Weet je nog die skylounge in de ArenA?’ Zonder een antwoord van Eric af te wachten vervolgde Sjon: ‘Die is ons in de schoot gevallen. De eigenaar wilde er van af en hij dacht spontaan aan ons.’

‘Toffe gozer,’ beaamde Willem.

‘Nu ik erover nadenk, het heeft ons tóch wat gekost.’

‘Hoezo?’

‘Overredingskracht!’ Sjon schoot in een schaterende lach.

‘Dat is waar ook. Ik zou mijn overredingskracht haast vergeten,’ viel Willem zijn maat bij. Hij maakte een paar boksbewegingen door de lucht, zodat een bejaard echtpaar aan het tafeltje naast hen verschrikt opkeek.

‘Zullen we terzake komen, heren?’ onderbrak Eric de twee gabbers.

Een medewerker van het hotel kwam naar het tafeltje en boog zich naar Eric Pincoff. De man fluisterde iets in zijn oor. Pincoff keek op naar de medewerker. ‘Is goed,’ zei hij. ‘Ik ben nog even in bespreking. Zeg maar dat ik haar over een uur hier verwacht.’

‘Sorry, jongens. Een volgende zakelijke afspraak.’ Pincoff ging staan. ‘Loop even mee,’ zei hij tegen zijn gesprekspartners. Ze liepen naar het terras met uitzicht op de Noordzee. Het was stralend weer. De boulevard en het strand waren vol mensen. In de verte voeren wat zeilboten. Eric maakte een wijds gebaar met zijn armen. ‘We gaan iets nieuws doen. We gaan een vliegveld in zee bouwen.’

Willem Lodderer en Sjon Muizenman keken Eric Pincoff vol ongeloof aan.

‘Wacht effe,’ zei Lodderer ten slotte. ‘Je zit ons in de zeik te nemen. Daar houden wij niet van.’

‘Nee,’ zei Eric. ‘Ik neem jullie helemaal niet in de zeik. Het is een bloedserieus plan. En ik heb er een bijzondere constructie voor uitgewerkt, samen met mijn juridische adviseur. Paul Sanders. Jullie kennen hem. Ik had hem meegenomen naar Ajax.’

‘Ja, Paultje kun je wel om een boodschap sturen,’ zei Sjon. ‘Wij doen tegenwoordig onze juridische zaken ook bij hem.’

‘Laten we nog iets drinken,’ stelde Eric voor. Ze liepen terug naar hun tafeltje in de Kurzaal. Eric wenkte een serveerster en bestelde een fles champagne. Het daaropvolgende halfuur legde hij zijn gesprekspartners uit wat zijn bedoeling was. In de bouw van een kunstmatig eiland waren ze niet geïnteresseerd, des te meer in de toekomstige vliegbewegingen. Toen Eric vertelde dat er vluchten uit Thailand en Zuid-Amerika zouden landen, waren Sjon Muizenman en Willem Lodderer een en al oor. Eric zag hoe de twee elkaar veelbetekenend aankeken. Ze hadden de voordelen van een Europees vliegveld voor hun zakelijke activiteiten onmiddellijk in de smiezen.

Daarna begon Eric de financiële constructie uiteen te zetten. Het was een drietrapsraket, legde hij uit. Hijzelf, Sjon, Willem en eventueel andere geïnteresseerden zouden contant geld beschikbaar stellen. Via een omweg langs een bank op Guernsey zou het geïnvesteerd worden in een bv die speciaal voor dit doel was opgericht. Met het geïnvesteerde kapitaal van de bv als onderpand zouden leningen worden afgesloten bij vooraanstaande Europese banken. Daarmee konden de voorbereidende werkzaamheden gefinancierd worden. Een garantie van de Europese Commissie zou de kredietrisico’s voor de banken afdekken. De grap was dat het oorspronkelijk beschikbaar gestelde geld niet gebruikt werd en dus ook geen risico liep. Via de bv kreeg het geld wel een officiële status en vanuit Guernsey kon het naar andere bestemmingen worden gesluisd. Aangezien voor het vliegveld extreem grote bedragen nodig waren, was het een constructie waarin ze jarenlang enorme sommen geld konden storten.

Eric glom van trots toen hij zijn betoog had afgerond. Hij besefte dat Sjon en Willem niet geïnteresseerd waren in de details van het financiële plan. Maar ze begrepen haarfijn wat de kern van de constructie was. Hun overtollige geld werd omgezet in een grandioos Europees investeringsproject. Een project waarbij ze geen risico’s liepen, want die werden gedragen door de banken die de kredieten verstrekten en uiteindelijk door de Europese Commissie die de kredieten garandeerde. Het zat geniaal in elkaar en het was precies wat ze zochten.

20

amsterdamse bos, dinsdag 26 oktober 2004

De lucht was grauw en uit de laaghangende bewolking viel een miezerig regentje. Zwijgend slenterden twee rijzige mannen door het Amsterdamse Bos. Als sponzen zogen hun kleren het water op. Langzaam maar zeker raakten ze doorweekt.

‘Hoe is het met je kinderen?’ doorbrak de langste van de twee de stilte. ‘Je hebt toch kinderen, Eric?’

Eric Pincoff zweeg. Willem Lodderer, de man die naast hem liep, hield vriendschappelijk zijn arm over Erics schouder.

Pincoff wilde de kraag van zijn Burberry opzetten, maar de sterke arm op zijn schouder belemmerde dat. Hij probeerde zich aan de greep van zijn begeleider te onttrekken, maar die hield hem stevig vast. Pincoff voelde het water langs zijn nek en over zijn rug sijpelen. Lodderer leek geen last van het motregentje te hebben, al was hij kletsnat. Met zijn gymschoenen, zijn trainingspak en sweatshirt zag hij eruit alsof hij net van de sportschool kwam of daar dadelijk naartoe ging.

Vertrouwelijk boog Lodderer zich naar Pincoff toe. ‘Twee kinderen, als ik me niet vergis. Een jongen en een meisje.’

‘Hoor eens, Willem, ik heb sinds mijn scheiding geen contact met ze,’ zei Pincoff afwerend. Hij had geen enkele behoefte om aan zijn kinderen herinnerd te worden. En al helemaal niet door Willem Lodderer. ‘Vóór de scheiding trouwens ook niet. Kinderen opvoeden is een taak voor vrouwen. Heb ik altijd gevonden.’

‘Jaha!’ zei Lodderer. ‘Maar kinderen zijn… hoe zal ik het zeggen. Ze zijn toch een stukje van jou. Jij hebt ze verwekt. Ja toch? Ze zijn je pikverwanten, ha ha!’

Joviaal sloeg hij Pincoff op zijn schouders en trok daarna zijn arm weg. ‘Stukje joggen?’ zei hij en meteen begon hij te rennen. Eric Pincoff was niet op hardlopen gekleed en had er al helemaal geen zin in. Hij bleef in hetzelfde slentertempo doorlopen. Lodderer draaide zich na een aantal meters om. ‘Kom op, Eric! Of heb je geen fut in je lijf?’ riep hij uitdagend.

‘Waarom begon je over mijn kinderen?’ vroeg Pincoff argwanend toen hij Lodderer weer had ingehaald en ze in rustig tempo verder liepen.

‘Pure belangstelling. Van vader tot vader. Ik heb ook kinderen, weet je. Kinderen zijn het kostbaarste wat je bezit. Je wilt niet dat ze wat overkomt.’

Pincoff bleef abrupt staan. ‘Nee, natuurlijk niet.’

‘Dat bedoel ik.’

‘Jezus christus, Willem. Je gaat mijn kinderen toch niet bedreigen…’

‘Hoe kóm je erbij. Wij zijn toch vrienden, Eric! Zakenpartners!’

De motregen begon over te gaan in een stevige bui. ‘Laten we in het café bij de Bosbaan schuilen,’ stelde Eric voor.

‘Watje! Je bent niet van suiker, zei mijn moeder zaliger altijd.’

Zwijgend sjokten ze verder. Eric voelde zich als een kat die in het water was gevallen. Zijn broek kleefde aan zijn benen, het water dat langs de kraag van zijn jas naar beneden sijpelde, was toegenomen tot een wassend beekje langs zijn rug. Misnoegd trapte hij tegen een dode tak die op het bospad lag. Hij zocht naar woorden, wilde een zin beginnen, maar het gierende geluid van een vliegtuig dat laag overscheerde om te landen op Schiphol maakte een gesprek onmogelijk.

‘Hoe is het met die hobby van je?’ vroeg Lodderer toen de decibellen waren weggeëbd. ‘Je stichting,’ verduidelijkte hij, weer een en al vriendschappelijkheid. ‘Die stichting voor Karel dinges.’

‘Uitstekend,’ zei Eric kortaf. Na Lodderers onheilspellende belangstelling voor zijn kinderen had hij geen animo om over iets anders te praten.

‘Je moet toch eens uitleggen wat je daarmee wilt bereiken.’

‘Het is voor een goed doel.’

‘Wat lul je nou, Eric. Je bent toch geen weldoener?’

‘Nee, maar het is wel een goede-doelenstichting.’ Hij voelde een opwelling om Lodderer voor eens en altijd duidelijk te maken dat hij heel goed wist wat hij deed. Dat zijn stichting geen hobby was, maar een weloverwogen zakelijk project. Daar zou die gemankeerde gewichtheffer met zijn garnalenhersenen niet van terughebben. Hij bleef staan en draaide zich een kwart slag om. ‘Ik zal het je één keer uitleggen, Willem. Jouw geld zit er tenslotte ook in. Stichtingen zijn voor weduwes en kerken, weet je. Ze zijn saai en belegen, maar ze bieden twee voordelen. De inkomens van stichtingen worden zelden gecontroleerd door de fiscus. Je kunt dus schuiven met geld, zeg maar doen en laten wat je wilt. En ten tweede zijn schenkingen voor een goed doel vrijgesteld van belastingen. Dus je kunt…’

‘Die is goed! Ik betaal nooit belastingen. Uit principe niet,’ onderbrak Lodderer hem. Hij sloeg Eric opnieuw op de schouder.

‘Nee, omdat jij zo verstandig bent je geld aan mij toe te vertrouwen. Ik zorg dat ik jouw centen strategisch investeer, zodat je er later, als je oud en behoeftig bent, eerlijk over kunt beschikken.’

‘En als ik mijn centen nou eens niet later maar eerder terug wil hebben?’

‘Ja, dat wordt lastig.’ Eric lachte minzaam. ‘Je moet me wel de tijd geven voor mijn financiële operaties. Via de stichting heb ik geïnvesteerd in onroerend goed. Je centen zijn in cement gegoten. Daar krijg je ze niet zo snel uit.’

‘Cement…’ mijmerde Lodderer. Hij dacht aan een criminele rivaal die hij eens had laten afzinken in een bak vol cement in het Noordhollands Kanaal. Dat kon hij met Pincoff ook doen als die lastig werd.

‘Je wilde toch dat we samen in zaken gingen. Je bent van mij afhankelijk, vriend.’ Eric klonk triomfantelijk. Hij had Lodderer klemgezet. Van zaken had hij meer verstand dan zijn zogenaamde zakenpartner. Hij wilde verder lopen. Maar Lodderer bleef staan. Hij trok Eric naar zich toe en keek hem dreigend aan.

‘Weet je, vriend, ik ben nog nooit van iemand afhankelijk geweest. Nog nóóit. En nu zou ik zomaar afhankelijk zijn van jou? Dat is ook een goeie grap!’ Hij zwaaide met zijn armen, zijn vuisten gebald.

Instinctief deinsde Eric achteruit. ‘Nou ja, ik bedoel: afhankelijk omdat je geld voor de lange termijn in mijn projecten zit. Ik ben projectontwikkelaar, weet je wel. Onroerend goed is geen flappentap. Als je iedere dag over cash wilt beschikken, kun je je centen beter investeren in speelautomaten. Dat doe je toch ook?’

‘Jij bent projectontwikkelaar en ik ben kruidenier. Handelaar in tropische specerijen. En neem maar van mij aan dat ik nog nooit in mijn leven van iemand afhankelijk ben geweest.’

Eric voelde zijn mobieltje trillen. Met zijn hand graaide hij in de binnenzak van zijn jas. ‘Moment,’ zei hij tegen Lodderer. Hij draaide zich half om, zodat de regen in zijn gezicht striemde. Met zijn mobiel stevig tegen zijn oor gedrukt bleef hij een minuut of wat staan, zijn hoofd afgewend. Behalve wat gemompel ter bevestiging dat hij begrepen had wat er gezegd werd, zei hij niets. Toen het gesprek was afgelopen, liet hij zijn mobiel weer in zijn jas glijden.

‘Jezus christus,’ zei Eric. Hij keek verwilderd om zich heen. Zijn gezicht was bleek.

‘Problemen, maat?’ zei Lodderer.

‘Dat was Paul Sanders. Mijn advocaat. Sjon Muizenman is bij hem op bezoek. Hij hield een pistool tegen Pauls hoofd.’

‘Je lult!’ zei Lodderer.

‘Nee, ik lul helemaal niet. Sjonnie Muizenman hield een geladen pistool tegen de kop van Paul Sanders en dwong hem om mij te bellen. Paul moest precies zeggen wat Muizenman hem opdroeg.’

‘Die Sjon! Altijd in voor een geintje,’ zei Lodderer nonchalant.

‘Geintje? Ben je helemaal gek geworden, Willem? Jouw vriend stond godverdomme mijn advocaat met een pistool te bedreigen! Sanders was volkomen in paniek. Hij jankte van angst.’

‘Je moet Sjonnie kennen, hij doet geen vlieg kwaad.’

‘Hij is al eens eerder bij Sanders op kantoor geweest en heeft toen het meubilair kort en klein geslagen.’

‘Dan had hij zijn ritalin waarschijnlijk vergeten te nemen bij het ontbijt. Soms is hij een beetje adhd.’

‘Nou moet jij niet lullen. Sjon is onaangekondigd het kantoor van mijn advocaat binnengedrongen en dwong Paul met een pistool tegen zijn hoofd om tegen mij te zeggen dat hij dringend geld nodig heeft. Wat noem je dat? Chantage? Bedreiging? Geweld? Huisvredebreuk? Weet ik veel! Maar ik weet wel dat Paul in zijn broek stond te schijten en dat ik de volgende ben, als ik niet op de wensen van meneer Muizenman inga.’

‘Weet je zeker dat Sjon naast je advocaat stond?’

‘Wat dacht je! Ik hoorde zijn dreigementen op de achtergrond. Mijn god.’ Eric greep vertwijfeld in zijn natte haar.

‘Kom, kom, Eric, niet zo somber. Sjon zit in geldnood, maar hij zingt het nog wel een paar dagen uit.’

‘Hij wilde dertig miljoen hebben!’

‘Een fóói!’

‘En als ik er niet heel snel voor zorg dat hij dat geld in handen heeft, rekent hij met mij af!’

‘Dat moet je niet zo nauw nemen.’

‘Natuurlijk neem ik dat nauw.’

‘Ach kom, Sjon heeft wat tijdelijke financiële problemen. De fiscus zit achter hem aan. De jaarrekeningen zijn opgemaakt, weet je. Ze willen hem aanslaan voor de winst op zijn handel. Dat kan aardig oplopen. Daarom moet hij cashen. Geld is money, weet je wel?’

‘Kan me niet schelen wie er achter hem aan zit, hij bedreigt mijn advocaat en via mijn advocaat bedreigt hij mij. Ik ben vogelvrij!’

‘Weet je wat jij moet doen, Eric?’ Lodderer ging recht voor Pincoff staan en keek hem indringend aan. ‘Je moet je niet zo opwinden, maar je hersens gebruiken. Als je niet wilt betalen, heb je bescherming nodig. Iemand die het voor je opneemt. Bescherming tegen louche types zoals Sjonnie Muizenman.’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Eric. Hij was compleet in verwarring. ‘Wacht even. Jij en Sjon, jullie zijn toch maten van elkaar? Dus wat lul je nou over bescherming.’

‘Rustig, rustig. Natuurlijk, Sjon en ik zijn vrienden. Gabbers. We zijn opgegroeid in dezelfde buurt. We gaan samen met vakantie. Onze vrouwtjes gingen vroeger naar dezelfde schoonheidssalon. Maar soms moet Sjon tegen zichzelf in bescherming worden genomen en moeten mensen tegen Sjon beschermd worden.’

‘Ik begrijp je niet.’

‘Je hebt gelijk, Eric. Sjon kan door het lint gaan. Hij is onberekenbaar. Ik heb in de bajes psychologie gestudeerd. Sjon is borderliner. Maar ik weet hoe ik hem moet hanteren. Hoe ik hem in de tang moet houden. Snap je?’

Eric schudde ontkennend zijn hoofd. Hij was totaal van de kaart. Dertig miljoen en een pistool tegen Sanders’ hoofd!

‘Simpel, Eric,’ vervolgde Lodderer. ‘Ik bied aan om je tegen de dreigementen van Sjonnie te beschermen. Ik zorg dat hij je geen haar krenkt.’

‘En hoe denk je dat te doen?’

‘Gewoon. Door hem zo nu en dan op zijn bek te timmeren.’ Lodderer zwaaide vervaarlijk met zijn gebalde vuisten. ‘Hiermee herinner ik hem eraan dat we betrouwbare zakenpartners zijn.’

‘Hij dreigde om mijn kinderen van kant te maken!’

‘Als hij dat via zijn mobieltje beweert, doet hij het niet. De kans is groot dat hij wordt afgeluisterd – en dan hangt hij.’

‘Hij gebruikte de telefoonlijn van Sanders. Advocaten mogen niet afgeluisterd worden.’

‘Maakt niet uit. Je moet dreigementen pas serieus nemen als iemand ze persoonlijk bij jou aan de deur komt afleveren.’

‘Dus die dertig miljoen?’

‘Vergeet het. Hoe zou jij zo gauw aan dertig miljoen kunnen komen? Je centen zitten toch in het cement?’

Eric kon een glimlach niet onderdrukken. Lodderer had zijn woorden gekopieerd. ‘Je bent volkomen geschift, Willem, maar ik mag je wel.’

‘Dit is de deal,’ zei Lodderer onverstoorbaar. ‘Ik bescherm jou tegen opdringerige types zoals Sjonnie Muizenman. En jij betaalt mij voor de verleende diensten.’

‘Dat heb je er net niet bijgezegd,’ zei Eric verongelijkt.

‘Nee, maar dat hoort wel bij de afspraak. Jij doet me vanmiddag een aanbetaling van vijftigduizend euro.’

‘Jezus, Willem! Begin jij ook al! Ben je helemaal gek geworden? Zoveel geld heb ik helemaal niet bij me!’

‘Dan zorg je maar dat je het van iemand leent. Wat wil je anders? Een pistool tegen je kop en dertig miljoen aan Sjonnie M. betalen?’

‘Sodemieter toch op! Moet ik mijn oude moeder soms beroven?’

‘Dat is jouw zaak. Weet je wat?’ zei Lodderer. ‘Ik ben in een grootmoedige bui en trakteer op een pilsje. Laten we naar het café gaan.’

Van de boombladeren kwamen nog enkele druppels naar beneden, maar het was eindelijk opgehouden met regenen. Zwijgend liepen de twee mannen, de één in een Burberry en de ander in een trainingspak, over het wandelpad in de richting van het café bij de Bosbaan.