28
atlantische oceaan, dinsdag 29 augustus
Nog ziedend van ergernis over de aantasting van zijn gezag neemt Eric de wacht over van Bobby. Resoluut zet hij de motor uit. Orville gaat weer op de bank liggen en rolt zich zwijgend in zijn laken. Uit de hut van Bobby klinkt gerommel, alsof hij zijn spullen aan het verzamelen is. Of misschien zijn geweer inspecteert, denkt Tessa. Verder heerst er stilte alsof er niets gebeurd is.‘
Terug in haar kooi kan Tessa niet meer inslapen. Ze piekert over de opeenvolging van incidenten. De weerspannigheid van Bobby. De lichtgeraaktheid van Eric. Zijn verbetenheid over het gebruik van de dieselmotor, zijn terechtwijzing omdat zij en Orville het waagden zonder zijn toestemming te gaan zwemmen. Orvilles leedvermaak over de ondermijning van Erics gezag door de Chileen. De sfeer aan boord is danig verziekt, dat is duidelijk.
Wat is haar eigen rol hierin? Tessa beseft dat ze niet heeft voldaan aan de wens van Eric om als enige vrouw in deze mannengemeenschap het machogedrag te dempen. Toch maakt ze zichzelf geen verwijt. Zij is niet de bron van de opgelopen spanningen tussen de drie mannen. En ze vindt al helemaal niet dat het haar taak is om tussen hen te bemiddelen. Ze is niet het type pleegzuster-hulpverleenster.
Ze beseft dat ze haar bootsmaten nauwelijks kent. Wat weet ze van de achtergrond van Orville de Billières, Roberto Menéndez en Eric Pincoff? Aan boord heeft ze met hun gewoontes kennisgemaakt. Ze weet wat ze graag drinken – mate voor Bobby, koffie voor Eric, wijn voor Orville – en ze is op de hoogte van hun voorraadje T-shirts. Ze weet hoe ze reageren als zij een van hen in het holst van de nacht wakker maakt voor de hondenwacht. Maar verder? Als ze eerlijk is: vrijwel niets. Van Bobby weet ze dat hij is opgevoed door zijn grootmoeder in Valparaíso en dat hij bodyguard en scherpschutter is. Orville is een telg uit een oude Normandische familie, die werken beschouwt als tijdverspilling en bankieren als het rondpompen van geld. En, o ja, ze kent de indrukwekkende omvang van zijn stijve geslacht. En Eric? Hij is uitgeroepen tot Europees Ondernemer van het Jaar vanwege zijn plan voor een vliegveld in zee. Hij heeft een aan bezetenheid grenzende fascinatie voor Karel de Grote, waarvan haar de ware betekenis ontgaat. Hij beschikt over onwaarschijnlijk veel geld, dat door Orville wordt teruggesluisd in de economie en door Bobby met zijn machinegeweer wordt bewaakt.
En daar houdt het op. Ze kent oppervlakkigheden, maar ze weet niets van hun privé-levens en weinig over hun werkelijke activiteiten. Ze is er van overtuigd dat Eric en Orville voor haar een dubbelbestaan in stand houden. Maar ze weet niet welke kant ze ziet en welke voor haar verborgen blijft.
Bizar, denkt ze. De dagelijkse conversatie aan boord gaat over het weer, de wind en de stand van de zeilen, over de wacht en de koers, de maaltijden en de drank, de vraag wie de afwas doet of wie er koffie gaat zetten. Maar niet over Erics gestrande huwelijk, over de harde jeugd van Bobby of over de elitaire opvoeding van Orville. Het verbaast Tessa niet echt: mannen praten niet graag over emoties en zeilers al helemaal niet. Wat haar wél verbaast is dat ze evenmin erg loslippig zijn over hun zakelijke bezigheden. Over zakelijke successen praten mannen maar al te graag, zeker als ze tegen elkaar kunnen opscheppen.
Alleen als zij herhaaldelijk ernaar vraagt, laten Eric en Orville informatie los. Maar na drie weken heeft ze nog steeds geen helder beeld van de activiteiten van Durendal Beheer of van Bailiwick Bank.
Ze wil weten hóé Durendal opereert, hóé Bailiwick geld wegzet. Wat genereert de inkomsten en waar gaat het geld naartoe? Eric en Orville gebruiken de tien vrouwen van Karel de Grote als codes. Ze heeft negen namen – maar wáár zijn de rekeningen?
Na drie weken is ze toch minder ver gekomen met het verzamelen van informatie dan ze stiekem gehoopt had. En ze moet opschieten, want in La Gomera zal Eric haar wel van boord zetten. Ze neemt zich voor actiever vragen te stellen. Al zal het lastig worden nu de stemming aan boord zo verziekt is.
Tessa draait zich om, maar het gepieker laat haar niet los. Wat weten de drie scheepsmaten eigenlijk van haar? Die vraag had ze zichzelf wel eens eerder mogen stellen. Bobby denkt dat ze een golddigger is, een vrouw die uit is op het vermogen van zijn baas. Eric gelooft dat ze bezig is met een reportage voor het tijdschrift met. Orville beschouwt haar als een kut waar toevallig een persoon bij hoort. Ze weten van haar dat haar vriend is overleden. Maar wat weten ze verder van haar beweegredenen, van haar emoties? Minder dan niets. Zo langzamerhand weet ze zelf niet meer precies wat ze eigenlijk nog aan boord doet. Het doelgerichte avontuur is een doelloze routine geworden op een schip dat dobbert in de windstilte op de oceaan en waar ze niet van af kan als ze zou willen.
Plotseling voelt ze zich hopeloos alleen. Hier ligt ze dan, Tessaloniki Insinger. Een immens gevoel van beklemming bevangt haar. Ze is aangewezen op drie mannen die het haar ieder op hun eigen manier knap onplezierig kunnen maken. Vrouwenmacht? Was het maar waar. Ze is overgeleverd aan de grillen van Eric, Roberto en Orville. Onwillekeurig bekruipt haar het gevoel dat ze te maken heeft met drie compleet gestoorde types – vriendelijk, behulpzaam en charmant op het eerste gezicht, maar hard, meedogenloos en onberekenbaar als het erop aankomt. Ze moet op haar qui-vive zijn, meer dan ze tot nu toe geweest is.
Kon ze maar even praten met Broos. Hij zou haar helpen. Hij zou een arm om haar heen slaan en iets in haar oor fluisteren om haar energie te geven en haar emotionele balans te herstellen.
Onverwacht komen flarden herinneringen aan Paul boven. Haar verliefdheid, het gevoel van geborgenheid dat hij haar gaf. Hun plannen, haar dromen voor later. Samen zouden ze een nieuw en zorgeloos leven beginnen. Een ander bestaan, weg van de werkdruk en bedreigingen.
Natuurlijk wist ze van Pauls klantenkring, al liet ze dat niet merken. Hij praatte er nooit openlijk over met haar, maar ze wist wie zijn klanten waren en wat hij voor ze deed. Hij hielp met hun financiële planning. Maar het liet haar onverschillig, zolang ze samen gelukkig waren.
De brute moord op de stoep voor zijn kantoor had alles op zijn kop gezet. De rauwe werkelijkheid was op dat moment onbarmhartig hard tot haar doorgedrongen. Haar beschermde wereld stortte in. Niets was meer zoals het voor die fatale middag in oktober was geweest. Vanaf die dag was ze de dingen anders gaan zien: Paul, zijn werk, zijn klanten. De klanten voor wie hij il consigliere was geweest.
Het verdriet was immens en is nog steeds aanwezig diep in haar binnenste. Het voelt als een onherstelbare wond, als een breukvlak in haar leven. Met hulp van die maffe Broos heeft ze geprobeerd haar verdriet om te zetten in daden. In actie. In wraaklust.
Op een dag had Paul een doos met documenten in haar appartement neergezet. Archiefstukken waarvoor geen ruimte was op kantoor, had hij luchtig gezegd toen ze naar de reden ervan gevraagd had. De doos was in een kast beland, achter zijn indrukwekkende collectie pakken en overhemden die bij haar in de kast hingen sinds hij in haar appartement was ingetrokken.
Weken na de begrafenis was Tessa begonnen Pauls kleren op te ruimen en was ze gestuit op de archiefdoos. In een opwelling had ze hem tevoorschijn gehaald. Ze was nieuwsgierig, ze wilde weten wat er in zat. Het bleken juridische documenten: aktes en statuten die betrekking hadden op Durendal Beheer, het bedrijf van Eric Pincoff.
Dat was in de tijd dat ze met Broos in contact kwam. Die mafketel had haar aangespoord er werk van te maken. Met een vastberadenheid die haar zelf verbaasd had, was ze aan de slag gegaan. De eerste stap had ze gezet door op de receptie in Aken contact met Pincoff te leggen. Daarna wilde ze doorgaan, tot het eind. Tot Guernsey, tot La Gomera, tot Sint Maarten, of tot God weet waar deze tocht haar zal brengen. Desnoods tot het einde van de wereld.
Opnieuw draait ze zich om. Ze denkt aan het machteloze verdriet dat haar beving toen ze hoorde dat Paul vermoord was, aan de verweesdheid toen ze ’s nachts alleen in het tweepersoonsbed lag, aan de begrafenis en aan alle trieste dagen en nachten daarna. Paul had zich met de verkeerde mensen omringd, had Broos tegen haar gezegd, en hij had gelijk. Paul wist het, zij wist het. Hij was bezig geweest de vicieuze cirkel van verkeerde mensen te doorbreken en een nieuwe clientèle op te bouwen.
Zover is het nooit gekomen. Hij is dood, zij is alleen achtergebleven. En ze gaat alleen verder.
De herinnering aan Paul maakt Tessa sentimenteel. Ze denkt aan zijn strelingen, aan de tederheid waarmee hij haar zoende, aan de manier waarop hij haar aanspoorde in haar activiteiten. Aan zijn dwaze plannen, zijn dwarse opmerkingen en spontane vrijgevigheid. Zijn stevige lijf, zijn grijsblauwe ogen en zijn open gezicht.
Plotseling voelt Tessa tranen langs haar wangen biggelen en kan ze niet verhinderen dat ze in een onbedaarlijk gesnik uitbarst. Haastig duwt ze haar hoofd in het kussen om de uithalen te smoren.
29
brussel, vrijdag 25 augustus 2006
In het eerste jaar van zijn economiestudie had Tariq Mobasheri geleerd dat markten efficiënt zijn en dat overheden als onpartijdige scheidsrechters zorgen voor een eerlijk speelveld. Na zeven maanden stage bij de Europese Commissie had hij ontdekt dat de wereld heel wat tegenstrijdiger in elkaar zat. Er bestond niet zoiets als een gelijk speelveld. Er waren krachten aan het werk, er waren conflicten, er bestonden machtsverhoudingen en onzichtbare netwerken die de primitieve idylle van het marktevenwicht en de onpartijdige overheid op zijn kop zetten.
Zo ook met de kwestie van de bankgarantie.
Vanaf het moment dat eurocommissaris Lena Feldspath terug was, kwam er beweging in de zaak. Tariq wist niet wat het was – haar persoon of haar positie – maar hij merkte dat de Europese commissaris in staat was achter de schermen invloed uit te oefenen om dingen voor elkaar te krijgen die hem nooit zouden lukken.
De eerste aanwijzing dat er aan onzichtbare draden werd getrokken, was een telefoontje daags na het gesprek van Sylvane en hem met Feldspath. De rechercheur van de politie in IJmuiden belde hem op. Tariq kon zich niet eens herinneren of hij de politieman een kaartje met zijn telefoonnummer had gegeven. De agent, die hem in IJmuiden koel te woord had gestaan en over wiens onbeschaamde gelach Tariq zich naderhand verbaasd had, was plotseling een en al gedienstigheid. Hij had informatie die meneer Tariq zou interesseren, zei hij.
Tariq griste een pen van zijn bureau en pakte een blocnote, terwijl hij de telefoonhoorn stevig onder zijn kin geklemd hield.
In de visserijhaven, vertelde de rechercheur, was bij toeval een obstakel ontdekt. Een vissersboot was bij het afmeren ergens tegenaan gevaren en had lichte averij opgelopen. Het obstakel was uit het water getakeld. Het bleek een auto te zijn waarvan de nummerplaten waren afgeschroefd. Maar het model en de kleur waren herkenbaar: een zilvergrijze Jaguar S-Type. Aan de hand van het chassisnummer had de recherche de auto geïdentificeerd en vervolgens de identiteit van de eigenaar van de auto achterhaal. Er was geen twijfel mogelijk: de Jaguar stond op naam van K.E. Pincoff, woonachtig te IJmuiden.
Razendsnel maakte Tariq aantekeningen.
‘Over de omstandigheden waaronder de auto te water is geraakt, tasten we in het duister, maar we zijn bezig met nader onderzoek,’ zei de rechercheur.
‘Enig spoor van meneer Pincoff?’
‘Nee. De auto was leeg. Maar wel stond het linker portier open. Het is mogelijk dat de bestuurder zich uit de auto heeft weten te bevrijden nadat deze om onopgehelderde redenen te water is geraakt.’
‘Ik neem aan dat u verder zoekt naar een lichaam?’ vroeg Tariq.
‘Uiteraard. We zijn gisteren al begonnen met dreggen, tot nu toe zonder resultaat. Er staat stroming in de haven, weet u.’
Nadat Tariq de rechercheur bedankt had voor zijn informatie, deed hij verslag aan Sylvane Engelhard. ‘Zie je nou,’ concludeerde hij, ‘alles wijst op zelfmoord. Eric Pincoff is met zijn auto het water in gereden. Hij heeft zijn veiligheidsriem losgemaakt en het portier van zijn auto geopend, daarna is hij door de stroom meegevoerd en verdronken. De druk van de niet-betaalde kredieten was hem te veel geworden. Herinner je je nog het verhaal van die Britse mediamagnaat die gebukt ging onder schulden en midden op zee ’s nachts van zijn boot is gesprongen?’
‘Murdoch. Of Maxwell,’ zei Sylvane.
‘Een van de twee. Wie dan ook, Pincoff heeft zijn voorbeeld gevolgd in de haven van IJmuiden.’ Hij keek triomfantelijk om zich heen. Als een privé-detective die een duistere zaak tot een goed einde had gebracht.
‘Ik weet het niet zo zeker,’ zei Sylvane peinzend. Ze wilde het enthousiasme van haar stagiair niet verpesten, maar ze dacht aan de verbetenheid waarmee Feldspath de jacht op Pincoff had verordonneerd. Het betekende dat de eurocommissaris geen enkele reden had om aan te nemen dat Pincoff zelfmoord had gepleegd. En ook niet dat hij vermoord was. Als dat wel het geval zou zijn, was ze daar via haar netwerk zonder twijfel onmiddellijk van op de hoogte gesteld.
‘Weet je, Tariq, vergeet Pincoff. Je moet uitzoeken wat er met zijn boot is gebeurd. Hij had toch een zeilschip in de jachthaven van IJmuiden liggen? Waar is dat ding gebleven?’ zei ze.
Tariq zweeg. Dat was waar. Daar had de booteigenaar iets over gezegd toen hij bij hem aan boord was. Nog zo’n rare Hollander die in schaterlachen was uitgebarsten.
’s Middags belde Tariq naar het kantoor van de Seaport Marina IJmuiden. De receptioniste zei dat ze zijn vragen niet kon beantwoorden, maar dat ze het zou uitzoeken. Drie kwartier later belde ze terug. Inderdaad, het schip van meneer Pincoff lag niet op zijn vaste plaats. Het was twee weken geleden uitgevaren. Het vertrek was niet aangemeld, het was op een ochtend verdwenen. Volgens een collega van haar was dat op 5 augustus geweest.
Nee, er was geen navraag naar gedaan. Het gebeurde vaker dat een schip voor dag en dauw de haven verliet. Dan was het havenkantoor nog niet geopend. De medewerkster wist evenmin of meneer Pincoff aan boord was geweest. Ja, iemand anders had de boot ook kunnen wegvaren. Dat gebeurde soms, als de eigenaar een schipper inhuurde om zijn boot naar een verre bestemming te varen omdat hij zelf geen tijd had. Gestolen? Of de boot gestolen was, kon ze niet zeggen. Er was in ieder geval geen aangifte gedaan, al was er de afgelopen week wel een keer politie in het havenkantoor geweest. Ze wist niet waar die naar had geïnformeerd, ze had die dag geen dienst gehad. Er kwam trouwens wel vaker politie langs om te vragen naar gegevens van zeilboten of naar de identiteit van schippers – er waren wel eens kwesties geweest met drugs en zo. Maar daar mocht ze verder niets over vertellen. Nee, ze wist ook niet hoe de bestemming van de boot van meneer Pincoff te achterhalen viel. Of wacht eens, misschien kon de verkeerscentrale van de haven informatie geven. Ze dacht dat die alle inkomende en uitgaande schepen registreerde.
De naam van het schip? Natuurlijk kon ze die geven, ze moest het alleen even opzoeken, ze kende niet alle scheepsnamen uit haar hoofd. Wat bent u trouwens vasthoudend, zei het meisje, en schertsend had ze gevraagd of meneer soms van een incassobureau was. Maar als hij een momentje had, dan zocht ze het op.
‘Joyeuse,’ zei de medewerkster even later.
Tariq bedankte het behulpzame meisje voor haar informatie en wenste haar een heel prettige middag.
‘Verdwenen. De boot van Eric Pincoff is op 5 augustus uit de jachthaven verdwenen,’ zei hij tegen Sylvane.
‘Met Pincoff aan boord?’
‘Weten ze niet. Misschien heeft iemand anders de boot weggevaren. Of is de boot gestolen. Ik denk dat Pincoff is vermoord en dat zijn auto in het water is gedumpt. Daarna zijn de moordenaars er met zijn boot vandoor gegaan.’
‘Maar voorzover we weten is er geen lijk gevonden dat geïdentificeerd is als het lichaam van Pincoff.’
‘Tsja. Dat is waar,’ zei Tariq peinzend.
‘Dus?’ daagde Sylvane haar stagiair uit.
‘Dus ga ik de, eh….’ Tariq keek in zijn aantekeningen, ‘de verkeerscentrale van de haven bellen.’
‘Heeft iemand al eens tegen je gezegd dat je geen slechte rechercheur zou zijn?’ zei Sylvane. Haar toon was schertsend, maar ze meende het. Tariq wist de opmerking op waarde te schatten. Al had hij een voorgevoel dat zijn theorie over de dood van Pincoff niet lang meer stand zou houden, hij glom van trots.
Even later had Tariq een medewerker van Traffic Control IJmuiden aan de lijn. Hij vroeg of hij kon bevestigen dat het zeilschip Joyeuse op zaterdag 5 augustus de jachthaven had verlaten.
‘Nee meneer, daar is geen beginnen aan. Die gegevens houden we niet bij, daarvoor moet u bij de Havenmeester zijn,’ zei de man van Traffic Control. ‘Maar we registreren wel de schepen die zich bij ons melden. Dat kan ik op een rustig moment wel voor u uitzoeken. Ik bel u terug,’ vervolgde de man die zei dat hij Jochen heette. Jochen met een N aan het eind.
Aan het eind van de middag belde Jochen terug. ‘Er is op 5 augustus een schip genoteerd aan de hand van het marifoonsignaal. Heel ongebruikelijk.’
‘Ik begrijp niet wat u bedoelt,’ zei Tariq.
‘Dat zal ik u uitleggen. De verkeerscentrale heeft die dag via het marifoonkanaal contact gehad met een schip. Er staan verder geen bijzonderheden vermeld. Maar als een schip via de marifoon verbinding met ons heeft, dan registreert onze computer de identificatiecode die de marifoon uitzendt.’
‘En?’ vroeg Tariq, zonder dat hij precies begreep wat Jochen bedoelde.
‘Ik heb het opgezocht. De code die op 5 augustus om 04.43 uur werd geregistreerd, hoort bij de marifoon van een zeilschip met de naam Joyeuse. U kunt er dus van uitgaan dat het zeilschip waarnaar u op zoek bent, op dat moment de haven van IJmuiden heeft verlaten.’
‘En wat doen we nu?’ zei Sylvane nadat Tariq haar het verhaal van de marifooncode had verteld.
‘Ik heb in een atlas gekeken en vanuit IJmuiden kun je drie kanten op. Afgezien van een kanaal naar Amsterdam. Maar dat lijkt me onwaarschijnlijk, want dan was het schip vast allang ergens opgedoken.’
‘Dus wat zijn de opties, stuurman?’
‘Naar het noorden richting Scandinavië. Naar het zuiden richting Nauw van Calais. En naar het westen richting Engeland. Maar het is ondoenlijk om alle havens langs de Europese kust af te bellen om te informeren naar de Joyeuse.’
‘Kom op, Sherlock Holmes, niet zo snel opgeven,’ zei Sylvane plagerig.
‘O, nee, dat doe ik ook niet. Het zal alleen tijd kosten.’ Tariq dacht aan de opmerking die de agent in IJmuiden had gemaakt. Zoeken naar een lul in een nonnenklooster. Daar kwam de speurtocht naar een schip op zee inderdaad op neer.
‘En als we de eurocommissaris mobiliseren?’ suggereerde Sylvane. ‘Feldspath kan haar collega van transport inschakelen. Die kan via de Kustwacht van de landen langs de Noordzee en het Kanaal misschien aan informatie komen.’
‘Denk je dat Feldspath daartoe bereid is?’ vroeg Tariq.
‘Weet je nog hoe grimmig ze werd toen we haar vertelden dat Pincoff zoek was?’
‘Maar is ze er toe in staat?’
‘O zeker. Als zij aan een touwtje trekt, krijg ze de hele poppenkast aan het dansen.’
Er gingen twee dagen voorbij en toen belde de invalsecretaresse van eurocommissaris Feldspath naar Tariq met de mededeling dat ze hem ging doorschakelen in verband met zijn onderzoek. Gespannen wachtte Tariq af wie hij deze keer te spreken zou krijgen.
‘Verkeerscentrale Maasmond, goedemorgen,’ hoorde hij een montere stem zeggen.
Tariq stelde zich voor als medewerker van eurocommissaris Feldspath. Hij probeerde zijn verbazing te onderdrukken en deed alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat hij ongevraagd door de verkeerscentrale gebeld werd. Het informele netwerk van de macht, besefte hij.
‘Ik heb begrepen dat u informatie zoekt over het zeilschip Joyeuse,’ zei de man.
‘Klopt,’ antwoordde Tariq.
‘Nou, die kan ik u zo geven. De Joyeuse heeft zich op zaterdag 5 augustus om 11.57 gemeld bij onze verkeerscentrale voor toestemming om de Maasmond over te steken.’
‘Juist, ja. Weet u wie de schipper was?’
‘Nee, meneer, dat houden we niet bij. Alleen de scheepsnaam.’
‘Welke kant ging het schip op?’
‘Het ging van noord naar zuid.’
‘Hartelijk dank,’ zei Tariq. Hij kon een juichkreet met moeite onderdrukken.
En nu was het vrijdagavond, het einde van een enerverende week. Tariq zat met Nataša in @7, de hipste danceclub van de Europese hoofdstad. Zijn lippen brandden om haar te vertellen waarmee hij zich de afgelopen dagen had beziggehouden. Maar hij beheerste zich. Hij had Sylvane beloofd zijn mond dicht te houden. Ter afleiding gebruikte hij zijn lippen om Nataša in het halfdonker van de club intens te zoenen.
Ondanks haar begeerlijkheid was Tariq er met zijn gedachten niet bij. Hij moest telkens denken aan alles wat hij te weten was gekomen. Weliswaar was Eric Pincoff nog steeds spoorloos, maar hij had belangrijke gegevens verzameld. Zijn auto was opgetakeld uit het water van de haven van IJmuiden en zijn zeilschip hadden ze tot Hoek van Holland weten te traceren. Nog steeds vermoedde Tariq dat Pincoff dood was. Al moest hij toegeven dat hij ernstig aan het twijfelen was gebracht nu niet alleen Pincoff, maar ook zijn schip was verdwenen. Joyeuse – grappige naam trouwens voor een boot.
Nieuwe vragen spookten door zijn hoofd. Waar was Eric Pincoff? Waarom was zijn boot onaangekondigd vertrokken? Was Pincoff aan boord? Waar was de Joyeuse heengevaren? En vooral: waarom was Feldspath er zo op gebrand om Pincoff op te sporen?
Er zat Tariq nog iets dwars. Hij had zich gestort op de opdracht van Feldspath om Pincoff te achterhalen. Maar hij was er niet aan toegekomen om uit te zoeken hoe het met de bankgarantie zat. Of hoe de relatie tussen Pincoff en Feldspath in elkaar stak. Sylvane was van mening dat Feldspath overhaast was teruggekomen omdat er iets goed mis zat. Ze had gelijk: boven Feldspath’ hoofd bungelde een claim van 183,5 miljoen euro.
Tariq merkte hoe Nataša met haar tong de gewelven van zijn mond exploreerde. Zij had heel andere voornemens voor deze avond dan piekeren over een kredietgarantie. Hij moest stoppen zich het hoofd te blijven breken over Pincoff en Feldspath. Weg met al die zorgen, er waren aangenamer dingen te doen. Gretig beantwoordde hij Nataša’s diepe tongzoen. Zijn hand gleed langs haar rug naar beneden tot onder haar taille.
De dj begon slow music te draaien. Nataša stond op en trok Tariq omhoog uit de loungebank. ‘Kom, we gaan dansen!’ moedigde ze hem aan. Ze had een strakke zwarte merkspijkerbroek aan en een laag uitgesneden glittertruitje. Even later waren ze, innig verstrengeld, in trance op de bedwelmende muziek van The Gotan Project.
Nadat ze zich hadden uitgeleefd op een paar snelle dancenummers, werkten ze zich bezweet door de menigte terug naar de loungebank. Zodra ze neerploften, begonnen ze opnieuw te zoenen.
Tariq kreeg ineens een stevige por in zijn ribben van een hand die onmogelijk kon toebehoren aan Nataša. ‘Heb je even?’ hoorde hij vagelijk. De muziek was overweldigend en de zintuiglijke ervaring van de omhelzing was zo intens dat het een tijdje duurde voordat hij besefte dat iemand iets tegen hem probeerde te zeggen. Hij keek op en zag twee mannen die achter de bank stonden. Een grote, magere vent met een geprononceerde neus, en een kleine kerel met krulletjeshaar.
De kleine man boog zich over de bank heen, zodat zijn mond bijna het oor van Tariq raakte. ‘Zullen we even praten?’ zei hij met een lijzige stem.
Met tegenzin maakte Tariq zich los uit zijn omhelzing van Nataša. Hij stond aarzelend op, Nataša trok zedig haar glittertruitje recht. De lange man maakte een gebaar met zijn vingers langs zijn mond en zijn oor. En daarna wees hij naar de uitgang.
Even later stond Tariq met de twee onbekende types in de gang bij de toiletten, waar de decibellen van de muziek minder heftig doordrongen en het mogelijk was een gesprek te voeren.
‘We zullen je niet lang van je vriendin afhouden. Lekker stuk, trouwens,’ zei de kleinste van de twee.
‘We willen een paar dingen checken,’ vulde de lange aan. Het laatste woord sprak hij uit als ‘sjekken’. Dreigend ging hij voor Tariq staan, zodat deze met zijn rug tegen de deur waarop Dames stond, werd geduwd. Als er maar niemand onverwacht die deur opentrok, ging door zijn hoofd, want dan zou hij onherroepelijk achterovervallen.
‘Wie zijn jullie eigenlijk?’ stamelde hij.
‘Zullen we dat in het midden houden?’ zei de lange.
‘Laten we zeggen: we hebben hetzelfde doel,’ vulde de korte aan.
‘We zijn naar dezelfde vriend op zoek. Snap je wat ik bedoel?’
Tariq schudde ontkennend zijn hoofd. Wat wilden deze twee idioten van hem? Achter zich voelde hij de deur bewegen. Snel schoof hij een eindje in de richting van de muur. Spontaan veranderden de twee mannen hun intimiderende gedrag in een vriendschappelijke houding.
‘Sigaretje,’ bood de kleine aan en hij duwde een sigaret in Tariqs mond.
Zodra de vrouw die uit de wc kwam in de menigte verdwenen was, hervatten de mannen hun agressieve toon.
‘Jij hebt belangstelling voor een zakenpartner van ons.’
‘Eric Pincoff. Zegt die naam je iets?’ De kleine porde met zijn vinger tussen Tariqs ribben.
Tariq knikte verbluft. Hoe wisten deze twee types dat hij onderzoek deed naar Pincoff? En hoe hadden ze hem hier in deze club gevonden? Hij wilde ernaar vragen, maar daar kreeg hij de kans niet voor.
‘Kijk. Wij zoeken hem namelijk ook. Pincoff is een dag of wat geleden naar de noorderzon vertrokken. Maar hij is ons nog wat verschuldigd,’ vervolgde de lange.
‘Er staat nog een rekeningetje open, snap je wel.’
‘En die willen we gladstrijken.’
‘Vereffenen, Willem. Hoe dan ook. Wij zijn geïnteresseerd in onze zakenpartner. We maken ons zorgen om hem. En volgens onze gegevens ben jij ook op zoek naar hem. Dus als we nu eens onze krachten bundelen?’
Tariq kreeg de kans niet om te reageren. De lange haalde uit en gaf hem een stomp in zijn middenrif, zodat hij naar adem snakkend dubbelklapte. ‘Dit blijft onder ons,’ zei de lange.
‘Anders nemen we je vriendin te pakken. Lekker stuk. Of had ik dat al gezegd?’ fluisterde de kleine.
‘Wij willen dus twee dingen weten, hang dat maar aan je oor,’ zei de lange.
‘Ten eerste waar Pincoff is en ten tweede wat jij van hem moet,’ vulde de kleine aan.
Tariq hoopte dat hij zich uit zijn benarde situatie kon redden door tijd te rekken. Hij wilde alarm slaan en wenste dat er een vrouw naar de wc zou gaan, maar er kwam niemand aan. Waarom moest er op dit moment geen enkele vrouw haar make-up bijwerken? Toen het stil bleef, zei hij aarzelend: ‘Ik weet alleen maar dat zijn schip uit IJmuiden is vertrokken en langs Hoek van Holland is gevaren.’
‘Nou, dan staan we kiet, want dat weten wij ook,’ zei de lange. ‘Maar waar is hij gebleven?’ Opnieuw haalde hij kort maar krachtig uit, zodat Tariq in elkaar kromp.
‘Geen idee,’ zei hij, met een van pijn vertrokken gezicht.
‘Oké. Laat maar, Willem. We weten genoeg,’ onderbrak de kleine. Hij maakte een sussend gebaar. ‘Mijn compagnon is soms wat onbesuisd. Trek het je niet aan. Hij is erg goed met dieren. Je hebt nu met ons kennisgemaakt en we weten je te vinden als het nodig is.’
Zonder verder iets te zeggen liepen ze in de richting van de uitgang van de discotheek. Op dat moment ging de deur van de wc open en kwamen er twee giechelende meiden in sexy topjes naar buiten. ‘Heb je een sigaretje voor ons?’ vroeg de magerste van de twee.
Tariq gaf de sigaret die hij tussen zijn trillende vingers hield aan het meisje. Daarna draaide hij zich om en liep met een vertrokken gezicht naar de loungebank, waar Nataša nerveus op hem zat te wachten. Zorgzaam sloeg ze haar armen om hem heen en zodra Tariq haar verteld had wat er gebeurd was, begon ze hem te overstelpen met pijnverzachtende knuffels.
30
hoeilaart, maandag 28 augustus 2006
‘Je moet onmiddellijk aangifte doen, Tariq. Dit is je reinste intimidatie’, zei Sylvane met een toon van moederlijke verontrusting in haar stem.
‘Wat als ze hun dreigement uitvoeren? En mij te pakken nemen? Of Nataša iets aandoen? Kidnappen, verkrachten of weet ik veel? Ik moet er niet aan denken. Nee, hoor, ik hou me gedeisd.’
Tariq keek zijn chef vertwijfeld aan. Het was het einde van de middag. Na hun werk was hij met Sylvane meegegaan naar haar villa om te bespreken wat hun te doen stond na de confrontatie in de danceclub met de twee mannen die zich als zakenvrienden van Pincoff hadden voorgesteld. Sylvane volstond met begripvol luisteren en stelde zo nu en dan een vraag. Ze vond het afschuwelijk voor haar stagiair. Ze voelde zich verantwoordelijk voor hem en het laatste wat ze wenste was dat hij in moeilijkheden zou raken als gevolg van haar toestemming om de kwestie-Pincoff te onderzoeken. Maar ze besefte ook dat aangifte doen makkelijker was gezegd dan gedaan. Tariq had geen namen van zijn bedreigers, er waren geen directe getuigen van de uitgedeelde klappen en hij had geen aantoonbaar letsel opgelopen.
Ze begon over iets anders. ‘Ving Nataša het goed op?’
‘O, ja, super. We zijn direct naar huis gegaan en daarna hebben we… Nou ja, we zijn de nacht goed doorgekomen,’ zei Tariq. Hij glimlachte zwak. ‘Ik heb haar alleen wel het een en ander verteld over Pincoff. Ik kon moeilijk volhouden dat ik zomaar door twee wildvreemde kerels bij de wc van de club in elkaar geslagen was. Ze wilde weten waarom ze het op mij gemunt hadden. Maar ze heeft bij Sint Joris gezworen dat ze haar mond zal houden.’
‘Sint Joris?’
‘Ja. Hij schijnt een Sloveense heilige te zijn.’
‘Dan moeten we maar op hem vertrouwen.’ Sylvane schonk een Belgisch biertje voor Tariq in en nam zelf een glas kriekensap.
‘Het raadsel wordt alleen maar groter. Ik kan er geen touw aan vastknopen. Het is net als in die tekenfilms waar ik als kind altijd naar keek. Iedereen rent achter elkaar aan. Zo voelt dit ook. Feldspath, die twee maffiosi, de politie, wij – allemaal zitten we achter Pincoff aan.’
‘Die dood is of onbekommerd op zijn zeilboot vaart zonder ergens weet van te hebben.’
‘Wisten we maar waar hij zat.’
‘Geen nieuwe informatie via Feldspath?’
‘Nee. Niets meer van haar gehoord.’
De kinderen van Sylvane kwamen de kamer binnen gestormd. Ze vielen hun moeder om de hals. ‘Ho, ho, wacht even!’ riep ze afwerend, ‘Ik ben geen klimrek! En geef deze meneer eens een hand.’
Proestend deden de twee wat hun moeder ze vroeg en daarna wilden ze weer bovenop haar klimmen. Sylvane zei dat ze daar geen zin in had en stuurde de kinderen de kamer uit. ‘Straks gaan we spelen,’ beloofde ze.
Toen de kinderen verdwenen waren, zei Tariq: ‘Ik moet je iets vertellen. Iets wat eerder is gebeurd en wat ik voor je verzwegen heb.’
Sylvane keek hem bezorgd aan. Ze voelde zich als een moeder die van haar oudste zoon te horen ging krijgen dat hij drugs gebruikte.
‘Ik ben al eerder bedreigd,’ vervolgde Tariq. ‘In IJmuiden. Twee mannen stonden ineens achter me toen ik op zoek was naar het kantoor van Pincoff.’
‘Dezelfde types als vrijdagavond in de danceclub?’ vroeg Sylvane.
‘Nee, andere kerels. Type sportschoolbezoekers.’
‘En wat gebeurde er?’
‘Ik stond in de hal van het gebouw en belde aan bij het kantoor van Durendal. Er werd niet geantwoord. Waar ze vandaan kwamen weet ik niet, maar plotseling stonden ze achter me. Ze dreigden alleen maar, ze hebben met niet geslagen of zo. Maar ik was wel geschrokken.’
‘Hadden ze het op jou gemunt?’
‘O, ja, absoluut. Er was verder niemand in dat halletje. Ze zeiden dat ik me niet moest bemoeien met Pincoff. Daarna verdwenen ze. Ik ben meteen weggegaan.’
‘Je had me dit meteen moeten vertellen, Tariq. Dan waren we van het begin af aan voorzichtiger geweest.’ Sylvane klonk zo streng als ze net tegen haar kinderen was geweest.
‘Ik dacht dat ze beveiligingstypes van het appartementencomplex waren. In ieder geval wilde ik je niet ongerust maken. Maar nu denk ik er anders over. Pincoff heeft gevaarlijke vrienden. Of vijanden. Of allebei.’
‘Daar heb je gelijk in. Over vrienden gesproken, weet je wat mij nog steeds intrigeert? De zakelijke relatie tussen Pincoff en Feldspath.’
Tariq zweeg. Hij besefte dat hij geen enkele vordering had gemaakt op dat punt. En hier draaide het om. Het bankkrediet. Het project voor het vliegveld in zee. De uitroeping tot Europees Ondernemer van het Jaar. Sylvane had gelijk: het draaide allemaal om de relatie tussen Pincoff en Feldspath.
Sylvane stond op, liep naar de keuken en kwam terug met een nieuw flesje bier voor Tariq. Onder haar arm hield ze een mapje geklemd. ‘Ik heb ook het een en ander onderzocht,’ zei ze.
Feldspath, vertelde ze nadat ze weer was gaan zitten, had niet zo lang geleden een huis gekocht in Tervuren. Dat ligt dicht bij Hoeilaart en in het weekeind was ze met haar man uit nieuwsgierigheid eens langs het huis gereden. Het bleek een kapitale villa in een landschapspark. Dat kon natuurlijk, eurocommissarissen hebben een uitstekend inkomen. Ze vervullen deels een politieke, deels een representatieve functie en ze moeten in staat zijn om gasten te ontvangen. Van Feldspath was bekend dat ze in haar zakelijke carrière goed verdiend had, dus ze kon zich een dergelijk landhuis vast wel permitteren. Die villa was op zichzelf dus niet zo vreemd.
Toen ze het huis van alle kanten hadden bekeken en behalve de schatting dat het een vermogen gekost moest hebben niets bijzonders hadden ontdekt, waren ze naar de dorpskroeg op het plein van Tervuren gegaan. Daar hadden ze een kop koffie met iets sterkers gedronken. De mis was net uitgegaan en het café stroomde vol met plaatselijke kerkgangers die zich aan het bier zetten. Het had geen moeite gekost om aan de praat te raken met wat dorpsbewoners en al snel was het gesprek op de nieuwe bewoonster van de gemeente gekomen, eurocommissaris Feldspath.
Wat Sylvane en haar echtgenoot hoorden, was nogal schokkend geweest.
Volgens de dorpsbewoners hield Feldspath er een harem van minnaars op na, die haar frequenteerden in de villa. Nu kon Sylvane zich daar niet echt over opwinden, het was niet verboden om minnaars te hebben en bovendien wist ze uit het roddelcircuit van het directoraat-generaal dat Feldspath als ‘commissaris Dieplader’ bekendstond. Maar ze schrok wel van de stellige bewering dat de zoon van Feldspath, die eveneens in de villa woonde, een drugsverslaafde was. Cocaïne. Geregeld hing hij rond met andere verslaafde jongeren in het centrum van Tervuren. De dealers, steevast in auto’s met een Nederlands kenteken, kwamen aan huis om de spullen bij de keukendeur af te leveren. En daar kwamen dan weer jongeren uit Tervuren en omringende gemeenten op af.
‘Die vrouw mag er bij haarzelf instoppen wat ze wil,’ had een van de mannen gezegd, ‘en dat snotjoch van haar mag snuiven wat hij wil. Voor mijn part plastic lijm of uitlaatgassen. Maar laat hij zijn drugs in Antwerpen doen of in Amsterdam. Hij moet niet denken dat hij onze jeugd in de verslaving kan trekken.’
Daarna had hij in één teug zijn Duvel naar binnen geslagen.
Sylvane liet een pauze vallen. Daarna vervolgde ze: ‘En dat is niet alles. Ik heb mijn echtgenoot gevraagd of hij in het openbare kadaster kon opzoeken hoeveel Feldspath voor haar huis betaald heeft. Dat is via zijn kantoor een koud kunstje. En weet je wat het merkwaardige is?’
‘Nou?’
‘Het huis is helemaal niet van haar!’
‘Hè?’
De villa, legde Sylvane uit, stond op naam van een bv in Luxemburg. De bv had een merkwaardige naam: Fastrada. Haar echtgenoot had verder gezocht naar de achtergrond van dit bedrijf. Het bleek niet meer te zijn dan een lege vennootschap. Daardoor was zijn nieuwsgierigheid gewekt, hij was per slot van rekening gespecialiseerd in fraudezaken. Dus was hij gaan spitten naar meer gegevens over deze Luxemburgse bv. En daarbij had hij verrassende informatie gevonden.
‘Vertel op!’ riep Tariq.
Sylvane opende het mapje dat ze uit de keuken had meegenomen. ‘Het kapitaal van Fastrada is gestort via een bank op Guernsey. De Bailiwick Bank. En de aandeelhouder van Fastrada is ook al een bekende van ons. Durendal Beheer.’
‘Het bedrijf van Pincoff!’
‘Precies.’
‘Krijg nou wat!’ zei Tariq overrompeld. Hij besefte dat hij er met zijn gezonde verstand niet meer in slaagde om te verklaren wat er aan de hand was.
31
brussel, dinsdag 29 augustus 2006
Tariq bracht de nacht door in de flat van Nataša. Hij zei dat hij bij haar wilde slapen in verband met haar veiligheid na de dreigementen in de club, maar eerlijkheidshalve voegde hij er aan toe dat hij graag met haar wilde vrijen. Daar kon Nataša zich alles bij voorstellen. Haastig werkten ze zich uit hun kleren en wierpen ze zich op het bed met de handgehaakte Sloveense sprei die Nataša van haar oma had geërfd. Smoorverliefd gaven ze zich aan elkaar over. Na een erotisch crescendo dat in Tariqs beleving een eeuwigheid duurde, sloeg Nataša haar benen lenig over zijn schouders zodat hij diep in haar kon penetreren en ze bij iedere beweging verder in vervoering raakte. Na afloop bleven ze minutenlang uitgeput liggen. Daarna vielen ze, met Tariqs hoofd op Nataša’s frêle borst, in een weldadige slaap.
Na hun overweldigende nacht kon Tariq de volgende ochtend geen geheim meer voor Nataša bewaren. Bij het ontbijt in het keukentje van haar appartement stelde hij zijn vriendin op de hoogte van alles wat Sylvane hem over de villa van Feldspath had verteld. Terwijl ze in een mok koffie met melk roerde, liet Nataša de informatie op zich inwerken. Toen zei ze fel: ‘Als dat waar is moet je het aangeven bij het Fraudebureau van de Commissie! Ik ken iemand die daar werkt. Daar breng ik je wel mee in contact.’
‘Welja! En dan ben ik zeker de klokkenluider? Ik ben niet gek!’
‘Je kunt anoniem iets melden. Ik kan je daarbij helpen.’
‘Nataša, waar zie je me voor aan! Ik ben stagiair met een vluchtelingenpaspoort. Straks zetten ze me de grens over.’
‘Welnee. Als stagiair heb je juist niets te verliezen. Je contract loopt toch af.’
‘En daarna word ik nooit meer aangenomen. Wil je me soms terug laten sturen naar de mullahs in Teheran?’
‘Nee, natuurlijk niet!’ Ze boog zich over de keukentafel en gaf hem een vluchtige zoen. ‘Ik zal er persoonlijk voor zorgen dat je hier blijft. Stel anders aan je chef voor dat zij het voor je meldt.’
‘Sylvane is daar vast niet toe bereid. Ze moet aan haar carrière denken. Met twee kleine kinderen thuis…’
‘Dat bedoel ik! Je bent toch zo op haar gesteld? Doe jij het dan!’
‘Ja, maar… Kijk, het is voor Feldspath vast heel ellendig dat ze een zoon heeft die aan cocaïne is verslaafd, maar verslaving is niet strafbaar. Hooguit heeft ze een probleem omdat die jongen Tervuren met zijn drugsvrienden onveilig maakt. Maar dat is een zaak voor de lokale politie en niet voor het Fraudebureau van de Commissie.’
‘En die villa? Aangeschaft via de Luxemburgroute? Dat kán toch helemaal niet?’
‘Dat weet je niet zeker. Het is bizar, dat geef ik toe. En verdacht. Maar we weten niet waarom ze het gedaan heeft. Juridisch kan het kloppen. Ik denk dat het niet verboden is een huis te kopen via een Luxemburgse bv. Dan heb je geen case.’
‘Kom op! Zo’n constructie deugt van geen kant! Ik zou er wel raad mee weten. Heb jij nou politieke moed?’ Nataša keek Tariq met gespeelde verontwaardiging aan. Daarna barstte ze in lachen uit en omhelsde hem opnieuw.
De aansporing van Nataša liet Tariq niet los. Maar toen hij anderhalf uur later op zijn werkkamer zat, hield hij haar suggestie voor zich. Sylvane was bezig met een stapel oude dossiers die al weken op afhandeling lagen te wachten. Daar wilde hij haar niet bij storen.
Nataša had Tariq ook op een ander idee gebracht, en dat wilde hij wél met Sylvane bespreken. Toen Tariq aan zijn vriendin had verteld dat de boot van Pincoff spoorloos was, zei ze in een vlaag van praktisch vernuft: ‘De wind. Heb je aan de windrichting gedacht?’
Nee, natuurlijk had Tariq niet aan de wind gedacht, hij had geen greintje verstand van zeilen. Maar hij wist wel dat zeilboten niet tegen de wind in konden varen. Dus had hij op internet naar weerberichten gezocht en nu zat hij met een stapel weerkaarten van de afgelopen maand achter zijn bureau. De weerberichten gaven aan welke windrichting er stond op de dag dat de Joyeuse uit IJmuiden was vertrokken. En dank zij de informatie van de medewerker van de Verkeerscentrale Maasmond wist Tariq dat de boot van Pincoff rond het middaguur was gesignaleerd bij de oversteek van de Maasmond, varend van noord naar zuid. Dat gaf geen uitsluitsel over de bestemming, wel over de richting.
Op 5 augustus stond er volgens de uitdraai van de weerberichten een zwakke tot matige noordwestelijke wind. Deze hield de dagen daarna aan in de zuidelijke Noordzee. Het schip was dus vrijwel zeker niet overgestoken naar Engeland, maar langs de Nederlandse en Belgische kust in de richting van het Nauw van Calais gevaren. En er was niet veel fantasie voor nodig om te veronderstellen waar de tocht geëindigd was.
Tariq kon zich wel voor zijn kop slaan. Dat hij dáár niet eerder aan had gedacht.
‘Sylvane!’ riep hij met een van enthousiasme verhit hoofd. ‘Ik weet waar we de boot van Pincoff kunnen vinden. Misschien wel met Pincoff aan boord!’
Sylvane keek verrast op uit de stapel achterstallige subsidieaanvragen die ze bezig was af te handelen. ‘Zeg op!’
‘De boot is naar het zuiden gevaren. Of eigenlijk naar het zuidwesten, want er stond een noordwestelijke wind. In ieder geval in de richting van Het Kanaal. En waar kom je dan uit?’
‘Ik heb geen idee. Gibraltar?’
‘Welnee! Dan kom je bij de Kanaaleilanden. Guernsey!’
Heel even was Sylvane met stomheid geslagen. ‘Maar natuurlijk!’ riep ze uit.
‘Het eiland waar Durendal zijn bankrelatie heeft. Dáár is hij natuurlijk naartoe gevaren.’ Tariq stond op van zijn stoel en maakte een paar sprongen van euforie.
‘Dat we daar niet eerder op zijn gekomen. Weet je het zeker?’
‘Nee. Nog niet zeker. Maar daar kom ik snel genoeg achter. Op Guernsey is vast een havendienst die de zeiljachten registreert.’
Na enkele minuten had Tariq een bruikbaar telefoonnummer gevonden. Even later had hij contact met het havenkantoor van Saint Peter Port. Op goed geluk schatte hij dat het vijf etmalen zou kosten om van IJmuiden naar Guernsey te varen. Hij vroeg de havenmeester of er rond de tiende augustus een zeilschip was binnengekomen met de naam Joyeuse.
De havenmeester moest hem teleurstellen. Er was geen schip met die naam op die datum geregistreerd.
‘Een dag later misschien?’ drong Tariq aan.
‘Eens kijken…. Nee, daar staat ook geen Joyeuse vermeld. Het spijt me.’
Teleurgesteld wilde Tariq het gesprek beëindigen. Misschien klopte zijn theorie toch niet. Of had de schipper zijn boot niet aangemeld.
Maar toen zei de havenmeester: ‘Wacht eens, ik zie dat op 10 augustus in alle vroegte een zeilboot is vertrokken. Dat was de Joyeuse. De schipper heeft zich een dag eerder, 9 augustus, gemeld. Heeft u hier wat aan?’
Tariq kon de havenmeester wel omhelzen.
Tijdens de lunchpauze in de kantine introduceerde Tariq zijn vriendin Nataša bij Sylvane. Nu Nataša’s opmerking over de wind hen verder had gebracht op het spoor van de Joyeuse, vond hij dat ze in de glorie van zijn ontdekking moest delen.
Maar hoe opgetogen ze alle drie ook waren, bij nader inzien waren ze niet veel opgeschoten. De Joyeuse was op 9 augustus in de haven van Saint Peter Port aangekomen en de volgende ochtend vroeg alweer vertrokken. Waarom zo snel? Waarheen? Met wie aan boord?
Nataša lepelde een bakje muesli-yoghurt leeg, Sylvane at een fruitsalade en Tariq bood aan om koffie te halen. Toen hij terugkwam met twee cappuccino’s en een dubbele espresso, zei Sylvane tegen hem: ‘Zeg, jij hebt toch contact gehad met die bank op Guernsey?’
‘De Bailiwick Bank. Ja, een of andere arrogante Brit stond me te woord.’
‘Wanneer was dat?’ vroeg Sylvane.
‘Dat moet ik nakijken.’ Hij pakte een agenda uit zijn jasje en bladerde erdoorheen. ‘Hier. Gebeld op 9 augustus ’s middags. Met Mister Billiards of zoiets.’
‘Dacht ik het niet!’ riep Sylvane opgetogen.
‘Ik volg je niet,’ zei Tariq verward.
‘Jij belt in de middag van 9 augustus met de bank van Pincoff op Guernsey. En vroeg in de ochtend van de tiende augustus vertrekt de Joyeuse uit de haven van Saint Peter Port.’
‘Ja, en?’
‘Stel je voor dat Pincoff, want laten we nou maar aannemen dat hij aan boord is, op de hoogte is gesteld van jouw telefoontje met de bank en dat niet op prijs stelde.’
‘En dus?’
‘Vergeet niet, Tariq, we zijn niet bezig met het natrekken van de route van een toeristische zeiltocht. Het is begonnen met een financiële kwestie. Met Durendal en een verlopen bankgarantie. Bailiwick is de bank van Durendal. Stel dat die bank er iets mee te maken heeft. Je hebt zelf al bedacht dat Pincoff op de vlucht is vanwege de problemen met het bankkrediet. Dan verklaart jouw telefoongesprek met Mister Billiard waarom Pincoff halsoverkop het anker heeft gelicht. Of wat je ook maar doet als je uit een haven vertrekt.’
‘Allemachtig. Hoe is het mogelijk? Als je gelijk hebt, zat ik hem dus vlak op de hielen.’
‘Je was vermoedelijk dichter bij hem in de buurt dan je zelf besefte. Misschien heb je hem wel opgejaagd!’
‘Hoe kon ik dat nou weten!’
‘Ik verwijt je niets,’ zei Sylvane sussend. Ze legde haar hand op Tariqs arm. Hij liet haar begaan, al schaamde hij zich een beetje om dat moederlijke gebaar in het bijzijn van Nataša.
‘Dat we nu pas deze puzzelstukken bij elkaar leggen… Het is’ – Tariq keek opnieuw in zijn agenda – ‘bijna drie weken later. Dus waar Pincoff ondertussen met zijn boot is beland… Hij kan aan het andere eind van de wereld zijn.’
‘Ik denk niet dat hij een grote keuze aan bestemmingen heeft,’ onderbrak Nataša het gesprek tussen Sylvane en Tariq, waarvan ze de helft niet begreep.
‘Hoezo, heb jij daar verstand van?’ vroeg Tariq. De veelzijdigheid van zijn Sloveense geliefde verraste hem telkens weer.
‘Een beetje. Maar als hij niet opgemerkt wil worden in havens langs de Engelse of Franse kust, en als hij ook niet terug wil naar Nederland, kan hij alleen maar doorvaren. De route van de zestiende-eeuwse ontdekkingsreizigers volgen.’
‘En die is?’ zei Sylvane.
‘Langs de Canarische Eilanden. En dan naar het zuiden langs de kust van Afrika. Of over de oceaan naar Amerika.’
‘Hoe weet je dat?’ vroeg Tariq.
‘Van mijn vader. Die heeft een keer een rondje Atlantische Oceaan gezeild. Heen langs de Canarische Eilanden, terug langs de Azoren.’
‘Als we dan eens contact zoeken met de Canarische Eilanden?’ opperde Tariq. ‘Waar liggen die eilanden trouwens?’
Toen Sylvane en Tariq na de lunch op hun werkkamer terugkwamen, stond er een boodschap op de voicemail. De invalsecretaresse van eurocommissaris Feldspath had gebeld met het verzoek of mevrouw Engelhard onmiddellijk naar de twaalfde verdieping wilde komen.
‘Cool!’ riep Tariq. ‘Dan kun je haar vertellen dat we echt vorderingen maken met ons onderzoek naar Pincoff. We zitten hem op de hielen!’ Hij was de aansporing van Nataša om aangifte te doen bij het Fraudebureau in alle consternatie vergeten.
Sylvane keek sceptisch. Tariqs enthousiasme vond ze roerend, maar ze wist dat ze eigenlijk geen snars waren opgeschoten met de kwestie waar het allemaal mee begonnen was. De bankgarantie van 183,5 miljoen. Het was interessant dat ze wisten dat Pincoff met zijn zeilschip uit de haven van IJmuiden was vertrokken, op Guernsey was geweest en mogelijk naar de Canarische Eilanden was gevaren, maar die bankgarantie bleef haar dwars zitten. Ze dacht aan de venijnige manier waarop Feldspath van zich af had gebeten met haar dreigement om de Duitse bank die het krediet had afgegeven, aan te pakken. En ze dacht aan wat ze gehoord had in het dorpscafé van Tervuren. Ze voorvoelde dat het een onaangenaam gesprek zou gaan worden met haar baas. Met lood in de schoenen liep ze naar de lift om naar boven te gaan.
‘Je krijgt vast opslag!’ hoorde ze Tariq haar opgetogen achterna roepen.
Twintig minuten later kwam Sylvane de werkkamer weer binnen.
Aan haar onthutste gezicht zag Tariq onmiddellijk dat het geen vreugdevol onderhoud was geweest. ‘En?’ vroeg hij.
‘Ze heeft me de huid volgescholden,’ zei Sylvane ontdaan. Ze streek met haar hand over haar gezicht.
‘Hoezo? Was ze niet blij dat we Pincoff op de hielen zitten?’
‘Daar hebben we het niet eens over gehad,’ zei Sylvane. Ze liet zich op haar bureaustoel ploffen, zodat die een stukje naar achteren rolde. Zodra ze op de kamer van de eurocommissaris was binnengelaten, vertelde ze, was Feldspath ziedend tegen haar uitgevallen. Waar Frau Engelhard de brutaliteit vandaan had gehaald om op haar werkkamer rond te neuzen terwijl zij met vakantie was. En hoe Frau Engelhard zich van een valse identiteit had voorzien toen ze werd betrapt. En of Frau Engelhard haar verstand was verloren dat ze de archiefkasten van het kantoor van de eurocommissaris had geprobeerd open te breken.
‘Waar gáát dit over?’ vroeg Tariq.
‘Weet je nog dat ik je wat informatiefolders heb laten zien? Over Durendal en het vliegveld. Kijk, daar liggen ze nog.’ Ze wees naar de werktafel waarop een stapeltje kleurige prospectussen lag. ‘Toen ik op zoek was naar die spullen heeft iemand me in de kamer van de secretaresse van Feldspath gezien. Het was stom van me. Ik heb een smoesverhaal gehouden, waar die man kennelijk niet is ingetrapt. Hij heeft uitgezocht wie ik was. Hoe hij erachter is gekomen weet ik niet, maar Feldspath was razend.’
‘Jee, wat ellendig.’
‘Kun je wel zeggen. Ze heeft me verboden om nog maar iets met het onderzoek naar Durendal te doen.’
‘Heb je gezegd dat we Pincoff op het spoor zijn?’
‘Nee. En ik geloof ook niet dat het haar nog een fluit interesseert. Ze dreigde me met ontslag als ik me verder met deze kwestie bezig zou houden. Ze zei dat de bankgarantie Chefsache is. Ze gaat het zelf oplossen. Volgens mij wil ze alles onder de pet houden.’
‘Belachelijk!’ zei Tariq teleurgesteld. Deze keer, besefte hij, ging het niet over schokkende informatie die hij van iemand anders kreeg, maar om Sylvane en hemzelf. Ze verkeerden in diepe ellende.
32
atlantische oceaan, donderdag 31 augustus 2006
Overdag is de lucht strakblauw met een genadeloze zon en na het middaguur zijn er schaapjeswolken die verschijnen en verdwijnen. En dan komt ineens de wind terug, even plotseling als deze was weggevallen. Het grootzeil begint te bollen. Het schip pakt snelheid op. Niet veel, maar het loopt weer vaart.
Haastig rollen Eric en Bobby de fok uit. Tessa kijkt toe hoe beide mannen de stand van de zeilen aanpassen. Hun ruzie is nog vers, ze wisselen geen woord, maar hun handelingen sluiten naadloos op elkaar aan. Met de terugkeer van de wind waait ook hun onmin over. Ruzie is een standaardonderdeel van de manier waarop we met elkaar omgaan, had Bobby tegen haar gezegd. Wanneer was dat ook alweer? Ergens in Het Kanaal. Het lijkt haar een eeuwigheid geleden.
Opgetogen als kinderen die een vlieger in de lucht volgen, kijken de vier bemanningsleden naar de zeilen. Ze vangen weer wind! Tessa heeft de neiging om te gaan juichen. Ook Orville is uitbundig, Bobby is opgelucht en Eric is weer een en al schipper. Met een kritisch oog op de zeilstand viert hij de schoten, zodat het grootzeil en de fok nog wat ruimer staan en het schip iets meer snelheid maakt. Het vertrouwde geluid van de golfslag tegen de boeg keert terug, de romp snijdt door het water en het schip helt weer over alsof er geen drie etmalen van gekmakende bewegingloosheid zijn geweest.
‘Zei ik het niet: wind komt altijd terug,’ zegt Eric tevreden. Hij vertoont geen spoor van wroeging over zijn besluit de motor uit te laten, maar ook geen wrok over het conflict met Bobby. Het is alsof hij de hele episode uit zijn geheugen gewist heeft. Tessa beseft dat Eric na álle stresssituaties zo reageert. Ze denkt terug aan de schietpartij bij Scheveningen. Zodra de situatie onder controle was, was de angst van hem afgegleden. Het is alsof ingrijpende gebeurtenissen, ruzies en conflicten hem niet deren. Eric is als een waterafstotende jas: hij wordt wel nat, maar de druppels lopen van hem af. Hij is van teflon, niets beklijft, denkt ze. Misschien is dat een onmisbare eigenschap voor iemand in zijn soort zaken.
Eric zet zich aan de navigatietafel om een nieuwe koers uit te zetten naar La Gomera. Ondertussen begint Bobby een maaltijd klaar te maken. Hij heeft een cd aangezet met sentimentele Latijns-Amerikaanse liefdesliedjes die door de boot schallen. ‘Kan dat gejammer zachter,’ roept Eric boven de muziek uit, maar hij laat zijn gezag niet gelden en grijpt niet in.
Buiten staan Tessa en Orville in de kuip. Tessa heeft het stuurwiel van de automaat gehaald en stuurt met de hand. Ze geniet van de wind op haar gezicht. Eric steekt zijn hoofd uit de kajuit. ‘Nog honderdtwintig mijl tot La Gomera. Een etmaal varen. En, hoe bevalt het, stuurvrouw?’ zegt hij jolig.
‘Klap de tafel maar uit, het eten is klaar,’ roept Bobby vrolijk uit de kombuis.
‘Rijst met bonen, veronderstel ik?’ zegt Orville plagerig. Deze keer kan Bobby de Britse humor wel waarderen.
Met het vooruitzicht binnen vierentwintig uur in de haven te zijn, verbetert de stemming merkbaar. Het is alsof alle vermoeidheid en alle ergernissen zijn verdwenen. Aan tafel maken ze grappen; ook Eric, die zich gedurende de tocht weinig van het sociale leven aan boord heeft aangetrokken, doet vrolijk mee. Er komt een gekoelde Sancerre op tafel en Bobby zingt spontaan een paar Chileense zeemansliederen.
Op deze breedtegraad valt de duisternis snel in. Met een scheepslamp opgehangen aan de buiskap en een nieuwe fles wijn in de koeler blijven ze kletsen. Bobby vertelt over zijn grootmoeder, die hem heeft opgevoed in Valparaíso. Toen hij klein was had ze hem leren schieten met het pistool van zijn overleden vader, dat ze altijd had bewaard in een houten kistje onder haar bed. Op het erf achter hun huis knalde hij conservenblikjes aan flarden, totdat buurtbewoners begonnen te klagen dat hun katten en honden spoorloos verdwenen. Daarna vertelt Orville dat zijn vader een bootje voor hem had gekocht om mee te spelevaren op de vijver van het landgoed waar hij was opgegroeid. Telkens als hij bij de kant kwam, had zijn vader hem weer afgeduwd. Zo had hij leren zeilen en zijn vader leren haten.
‘En jij,’ vraagt Orville aan Tessa. ‘Je hebt ons verteld dat je een vriend had die is overleden. Wat is er gebeurd? Of is het te persoonlijk om daarover te praten?’
Tessa schrikt. Ze wil best iets over haar zorgeloze jeugd vertellen, maar ze is er niet op voorbereid om over de omstandigheden van de dood van Paul te praten. Niet nu. En niet in dit gezelschap. Ze moet snel iets verzinnen.
‘Het was een verkeersongeluk,’ zegt ze. Met een beweging van haar hoofd gooit ze haar haar naar achteren. ‘Hij kwam van een zakelijke afspraak. Het verkeerslicht stond op rood en hij stak de straat over. Plotseling scheurden twee jongens op een scooter achter een stilstaande auto langs door het rode licht. Daarna…’ Achter haar ogen voelt ze tranen opwellen. ‘In de ambulance hebben ze nog geprobeerd hem te reanimeren. Maar hij was al overleden toen ze bij het ziekenhuis aankwamen.’
Aangedaan kijken de drie mannen haar aan. Geen van hen weet wat te zeggen.
‘Zulke jongens moeten ze de doodstraf geven,’ doorbreekt Bobby de stilte. Tessa ziet aan de uitdrukking op zijn gezicht dat hij het meent.
‘Hebben ze de daders, ik bedoel de jongens van die scooter, te pakken gekregen?’ vraagt Orville.
Tessa schudt ontkennend het hoofd. ‘Nee. Dat is juist zo erg. Nooit meer iets van gehoord. De scooter is later teruggevonden en bleek gestolen. Van de bestuurder geen spoor. Dat maakt me ook zo razend. Het was geen stom ongeluk, maar dood door schuld. En de schuldige is nooit gepakt.’
‘Dat moet heel frustrerend zijn.’
‘Ik hoop nog altijd op gerechtigheid. Of laat ik zeggen: ik hoop genoegdoening te krijgen.’
‘Kan ik me voorstellen.’
‘Wat deed hij, je vriend? Ik bedoel, professioneel,’ vraagt Orville.
‘Hij zat in de kunstwereld. Hij was actief in galeries voor jonge kunstenaars,’ zegt ze. Terwijl ze het zegt beseft ze dat ze de waarheid niet eens veel geweld aan doet. Paul wilde een schilderij voor haar kopen op de dag dat hij werd doodgeschoten.
‘Vreselijk,’ zegt Orville.
‘Het zal altijd bij me blijven. Al helpt deze reis me geweldig om over mijn verdriet heen te komen,’ zegt Tessa en daarmee maakt ze een einde aan het onderwerp.
Later dan gebruikelijk gaat die avond het wachtschema in. Orville en Eric trekken zich terug om een paar uur te slapen, Tessa heeft de eerste wacht en Bobby houdt haar gewoontegetrouw gezelschap. In zijn afhangende spijkerbroek en met een stoppelbaard van dagen zit Bobby met zijn onafscheidelijke kalebas op de kuiprand. Telkens nadat hij een paar slokken heeft genomen, schenkt hij heet water uit een thermosfles op de mate.
‘Waarom kregen jij en Eric nou zo’n knallende ruzie om die motor,’ vraagt Tessa. Ze zit achterover geleund op het achterdek. Het is een vredige nacht, als ze naar boven kijkt ziet ze myriaden van sterren. Ze probeert een paar van de sterrenbeelden te herkennen die Orville haar heeft geleerd.
‘Ach… Is het belangrijk? We varen toch weer? Zo gaan we nu eenmaal met elkaar om.’
‘Ik vond het behoorlijk onaangenaam om mee te maken.’
‘Hij moet altijd de baas zijn en hij is belachelijk eigenwijs,’ verdedigt Bobby zich. ‘Ik werd gek van dat gedobber. Je hebt toch geen dieselmotor van 135 pk om dagenlang stil te liggen midden op de oceaan? Krankzinnig! Dat deden ze in de tijd dat de galjoenen uit Spanje naar de Amerikaanse koloniën zeilden. Maar trek het je niet aan, onze ruzies gaan altijd weer over.’
‘Toch vond ik het vreemd. Waarom wilde Eric zo graag wachten op de wind? Vast niet om diesel te sparen.’
‘Welnee. Er is diesel aan boord om voorbij Kaap Hoorn te varen.’
‘Waarom dan?’
‘Hij wil tijd rekken.’
‘Hoezo? Dat begrijp ik niet.’
‘Chica, denk nou eens na. Wat is Erics doel? Hij wil naar de Antillen. Oké, daar kom je vanzelf als je lang genoeg naar het westen vaart. Maar als we nu de oceaan oversteken, heb je dikke kans dat we in de staart van het orkaanseizoen terechtkomen. Dat wil hij niet. Ik trouwens ook niet, en jij al helemaal niet.’
‘Nee,’ zegt Tessa, al begrijpt ze niet wat Bobby bedoelt.
‘Dus wat gaan we doen? We zijn op weg naar de Canarische Eilanden en blijven daar wachten. Zodra het orkaanseizoen voorbij is, steken we over.’
‘Dan hadden we toch op de motor naar La Gomera kunnen varen?’
‘Ja, dat had gekund. Maar Eric wil zo kort mogelijk in de haven liggen en zo snel mogelijk weer weg. Dus ieder etmaal dat we op zee dobberen, is voor hem winst.’
‘Winst voor wat?’
‘Snap je het echt niet of doe je je zo dom voor?’
‘Ik snap het echt niet,’ zegt Tessa. Het is waar: ze begrijpt het orkaanseizoen en de tussenstop op La Gomera, maar ze begrijpt niet waarom Eric zo veel mogelijk tijd wil rekken op zee.
‘Herinner je je nog wat er bij Scheveningen is gebeurd? Hij wil niet nog een keer zo’n feestelijk vuurwerk meemaken. Op de oceaan voelt hij zich veilig.’
‘Allemaal vanwege die zogenaamde moslimterroristen?’
Tessa denkt aan Erics stellige bewering dat moslimterroristen achter hem aan zitten vanwege zijn Karolingische beweging. Ze weet dat die Karolingische bezetenheid van hem echt is. Maar dat militante moslims hem daarom achtervolgen – zelfs tot de Canarische Eilanden? Ze weet wel beter, maar houdt zich van den domme.
De Chileen neemt een slok mate, schenkt de laatste drup heet water in de kalebas, neemt opnieuw een slok en kijkt Tessa geamuseerd aan. ‘Jij bent veel slimmer dan je je voordoet, chica. Het antwoord op je vraag heb je allang zelf bedacht,’ zegt hij ten slotte.
Tessa glimlacht. Ze heeft werkelijk sympathie voor de zwaarlijvige Chileen. Meer dan voor Eric, meer dan voor Orville. Hij is in al zijn onbehouwenheid oprecht. Plat, ongemanierd, maar recht voor zijn raap. En hij heeft haar beter door dan de andere twee.
‘Oké, je hebt gelijk. Ik geloof dat hij achter zijn geld aan reist.’ Ze denkt aan datgene wat Orville haar verteld heeft over Guernsey en Sint Maarten. Belastingparadijzen die ze van hem niet zo mag noemen.
Bobby lacht. Vertrouwelijk buigt hij zich voorover naar Tessa. ‘Zie je wel dat je uitgekookt bent. Je bent warm, want het is bijna goed. Hij reist achter zijn geld aan én hij ontloopt zijn zakenpartners, omdat hij ruzie met hen heeft. Ruzie over geld natuurlijk. En die zakenpartners zitten achter hem aan. Ze hebben het op zijn leven gemunt. Maar dat zal ze niet makkelijk afgaan zolang ik bij hem in de buurt ben en er een GP7 naast mijn bed staat. Eric voelt zich opgejaagd. Waarom denk je dat we naar La Gomera gaan en niet naar Tenerife of Gran Canaria waar je grotere havens hebt? Op La Gomera komen geen internationale vluchten. Er landt en vertrekt één lullig vliegtuigje per dag. Dus de kans op ongewenste gasten is daar kleiner. Snap je het nou?’
Tessa zwijgt, terwijl ze naar de sterrenhemel kijkt alsof ze daar inspiratie kan vinden voor haar volgende opmerking. Dan zegt ze: ‘Dus het is uit veiligheidsoverwegingen. Maar jij bent zijn bodyguard. Waarom wilde jij dan zo nodig de motor aanzetten als eerder aan land komen het gevoel van veiligheid van je baas ondermijnt?’
‘Omdat ik het gelul vind om dagenlang op de oceaan te dobberen. Dat zei ik toch al? De hitte, de bewegingloosheid, niks te doen hebben – verveling maakt mij bloednerveus. Ik hou niet van afwachten. Ik ben liever in een haven als er gevaar dreigt. Dan heb ik de situatie in de hand.’
‘Daar geloof ik helemaal niets van. Jij kunt uitstekend schieten op zee. Dat heb ik met eigen ogen gezien,’ zegt Tessa.
‘Pfff. Wat denk jij dan?’ kaatst Bobby terug.
Tessa heeft een strategie in haar hoofd. Ze grijpt de kans aan om de Chileen te provoceren. Ze wil testen hoe hij reageert. Met geveinsde botheid zegt ze: ‘Jij wilt dat Eric opgepakt wordt op La Gomera. Dat zijn achtervolgers hem daar opwachten en neerknallen. Dan ben je eindelijk af van je baas met wie je al tien jaar ruzie hebt, en dan strijk je jouw deel van zijn vermogen op.’
Minutenlang blijft het stil. Totdat Bobby zachtjes zegt: ‘Je fantasie slaat op hol, Tessa. Denk na. Wat zou ik daarmee opschieten? Ben jij nou een journalist?’
Het is de reactie die ze had verwacht. Bobby is loyaal aan zijn baas. Hij gaat niet in op haar insinuatie en zij gaat niet in op zijn verwijt. In plaats daarvan zegt ze: ‘Mijn wacht is voorbij. Jij bent aan de beurt, señor Menéndez.’
Ze staat op, geeft de Chileen met haar vrije hand een schouderklop en klimt het trapje af naar binnen. Langs Orville, die op de bank ligt te slapen, stommelt ze door de donkere kajuit naar het vooronder en doet de deur zorgvuldig achter zich dicht.
33
la gomera, vrijdag 1 september 2006
De Pico El Teide komt in de loop van de middag in zicht. De spectaculaire vulkaan van ruim 3.700 meter hoogte op Tenerife tekent zich af aan bakboord lang voordat de rest van het eiland zichtbaar is. Het lijkt alsof de berg op het water drijft, als een fata morgana. De top is omgeven door een krans van wolken, een grappige muts met een rand van schapenwol. Daarna komt geleidelijk de kustlijn van het eiland in zicht. De Joyeuse houdt een koers aan zo’n tien mijl ten westen van de uiterste westpunt. Eric, Bobby, Orville en Tessa kijken gefascineerd naar het land en als de avond valt zien ze de lichtjes van de dorpen en gehuchten flikkeren. Nadat Tenerife uit het zicht is verdwenen, verschijnen enkele uren later aan stuurboord opnieuw fonkelende lichtjes: San Sebastián de la Gomera.
Het is tegen middernacht als de Joyeuse het kleine haventje binnenvaart. Tessa heeft Bobby geholpen om de zeilen op te doeken. Nadat Orville nog snel een Spaans vlaggetje in het want heeft gehesen, geeft hij navigatieaanwijzingen. Hij heeft hier vaker gezeild. Gespannen turend over het donkere water staat Eric aan het roer. Tessa merkt opnieuw op hoe doelmatig ze samenwerken. De ergernissen en conflicten van de afgelopen dagen zijn vergeten en vergeven, ieder bemanningslid doet zijn werk, vanzelfsprekend, toegewijd en geconcentreerd. Er valt geen onvertogen woord, nuchter wisselen de drie mannen nautische mededelingen uit. Beetje naar bakboord. Tikje stuurboord. Recht zo die gaat. Enzovoort.
Tessa beseft dat ze een onvergetelijke zeiltocht heeft meegemaakt. La Gomera – een maand geleden wist ze niet eens van het bestaan van dit eiland af. En nu staat ze, in een T-shirt, naast Eric toe te kijken hoe hij de boot behendig tussen het groene en rode licht van het havenhoofd naar binnen manoeuvreert.
Bobby en Orville staan klaar met de landvasten. Eric stuurt de Joyeuse naar een vrije steiger. Een kwartier later is de boot afgemeerd en stapt de bemanning op de kade, onwennig om weer vaste grond onder de voeten te voelen. Na zo’n 1400 mijl te hebben afgelegd en twintig etmalen op zee te hebben doorgebracht, hebben ze hun bestemming bereikt.
Als alles op orde is, komt Eric met een fles champagne uit de kajuit. ‘Op onze behouden aankomst,’ roept hij en hij schiet de kurk met een doffe knal de zoele zomerlucht in.
Op haar horloge ziet Tessa dat het negen uur is als ze de volgende ochtend wakker wordt. Voor het eerst in weken heeft ze een nacht onafgebroken geslapen, zonder op een onchristelijk uur door Eric, Bobby of Orville uit haar kooi gejaagd te worden om de wacht over te nemen. Haar bioritme heeft zich aangepast aan die gebroken nachten, en nu pas voelt ze hoe uitgeput ze is. Eén nacht slapen heeft die vermoeidheid nog lang niet verdreven.
De viering van de aankomst op La Gomera is de vorige nacht niet lang doorgegaan. Toen de champagnefles leeg was, trok de een na de ander zich terug om te slapen. Helemaal nuchter waren ze niet meer en Tessa had de indruk dat Eric een halfslachtige poging deed om haar te bewegen met hem mee te gaan naar de captain’s cabin. Wat zijn bedoeling ook was, ze was er niet op ingegaan en Eric had niet verder aangedrongen. Zodra ze op haar bed in het vooronder lag, was ze in slaap gevallen.
Uit de patrijspoort van haar kajuit ziet Tessa dat het een schitterende dag is. Ze trekt haar laatste schone kleren aan, die ze bewaard heeft voor de aankomst in de haven. Dan gaat ze van boord om San Sebastián te verkennen. En om iets te doen waar ze tijd voor nodig heeft en niet bij wil worden gestoord.
In het havenstadje kost het haar geen moeite om een internetcafé te vinden. Tien minuten nadat ze van boord is gegaan, zit Tessa achter een computer in cybercafé El Navegante. Ze heeft een grote kop café con leche besteld met een pan dulce en dan meldt ze zich aan bij haar e-mailprovider.
Als Tessa tegen halfeen terugslentert naar de haven, blijkt de rest van de bemanning ook tot leven te zijn gekomen. Eric, Bobby en Orville zitten aan dek te genieten. De schipper maakt plaats voor Tessa naast hem op de bank.
‘En wat heb jij zo vroeg in de morgen uitgespookt?’ vraagt Orville.
‘Ik ben naar de kerk geweest om San Sebastián te danken dat we veilig zijn aangekomen,’ zegt Tessa. Ze ziet dat niemand haar gelooft.
‘San Sebastián is mijn schutsheilige. Heb je voor mij een gebedje gedaan?’ zegt Bobby.
‘Uiteraard! Hij vroeg me nog hoe het met je gaat.’
‘Ik wist niet dat je zo gelovig bent, Tessa,’ zegt Orville pesterig.
‘Kom op, laat Tessa met rust. Ze heeft het drie weken met ons uitgehouden. Daar mag ze de Heilige Maagd best even voor danken,’ zegt Eric.
‘De Heilige Maagd is iemand anders dan de heilige Sebastián, Eric,’ corrigeert Bobby.
‘Ach wat. Voor jouw zonden zijn alle heiligen van de kalender nog niet voldoende,’ zegt Orville.
‘Ik weet mijn heiligen te vinden als ik ze nodig heb,’ kaatst de Chileen terug.
‘Soms heb ik er behoefte aan om alleen te zijn,’ zegt Tessa. ‘Een kerk is daarvoor een prima plek. Trouwens, ik vond het wel een bedankje waard dat wij behouden zijn aangekomen, zonder ongelukken en zonder averij.’
‘Daar heb je groot gelijk in, dat is geen geringe prestatie,’ zegt Eric. Hij kijkt op zijn Rolex. ‘Ik ga dadelijk naar het havenkantoor om me te melden. Straks is het siësta en dit is Spanje, dan gaat alles op slot. Als iemand mee wil?’
Orville biedt zich aan, Bobby past. Tessa zegt dat ze genoeg gezien heeft voor de eerste ochtend.
‘Oké,’ zegt Eric opgeruimd. ‘Dan kunnen Orville en ik meteen nog wat zaken bespreken. Als jullie nou eens schoon schip te maken?’
Zodra Eric en Orville op de steiger zijn gestapt, zetten Bobby en Tessa zich aan het werk. Bobby geeft instructies. Het is de bedoeling dat ze het schip grondig afspuiten met zoet water om het zeezout te verwijderen. Ze moeten de wc’s, de douches, de vloeren en het houtwerk schoonmaken. Alles rondslingerende spullen moeten worden opgeruimd, de voorraden nagekeken. De vuilniszakken die verzameld zijn in de dinghy op het achterdek, moeten worden weggegooid, de diesel- en watertanks bijgevuld. En ga zo maar door.
Tessa staat met de waterslang het gangboord schoon te spuiten terwijl Bobby met een bezem het dek schrobt.
‘Jij was net zomin in de kerk aan het bidden als dat San Sebastián mijn beschermheilige is,’ onderbreekt Bobby hun activiteiten.
Uit de achterzak van haar short haalt Tessa een bidprentje dat ze heeft meegenomen. ‘Een bezoekje aan de kerk zou jou geen kwaad doen. Kun je je zonden opbiechten.’
‘Begin jij nu ook al,’ schampert Bobby. ‘Van mijn zonden zou de Heilige Maagd van kleur verschieten.’ Hij moet zo lachen dat zijn hangbuik ervan schudt.
Ze werken verder. Maar even later begint Bobby Tessa opnieuw uit te horen. ‘Over heiligen gesproken. Hoe staat het met de achtervolgers van Eric die ik volgens jou heb gewaarschuwd om hem op te wachten? Ben je ze al tegengekomen op je ochtendwandeling?’
Nu schiet Tessa in de lach. Ze spuit een straal water in de richting van Bobby, die een sprong opzij doet. ‘Nee, niemand gezien. Ze wisten blijkbaar niet dat we de afgelopen nacht zouden binnenlopen.’
‘Jij wilt altijd het laatste woord hebben, hè?’ Plagerig zwaait de Chileen met zijn bezem.
‘Oké. Ik heb me vergist. Er zijn geen achtervolgers. Maar volgens jou is Eric wel op de vlucht. Vertel mij dan maar eens wie die zakenpartners zijn die achter hem aan zitten.’
Bobby kijkt Tessa vermanend aan. ‘Jij vraagt naar dingen die je beter niet kunt weten. Spuit hier eens wat water.’ Hij begint weer het gangboord te schrobben.
Na een paar bewegingen zegt hij: ‘Hoe het precies in elkaar zit, weet ik niet. Maar mijn baas heeft een partnerschap met een paar grote jongens. Hij bedenkt projecten waarin zij hun geld investeren. Er is ruzie gekomen, dat vertelde ik je al. Maar vraag me niet waarom. Eric is een gladde prater en die jongens hebben het gevoel dat hij ze er ingeluisd heeft. Ze vertrouwen zijn projecten niet. In ieder geval willen ze hun geld terug. Snap je?’
‘Min of meer,’ zegt Tessa. Ze draait de spuit verder open zodat de waterstraal spettert op het dek. ‘Schrobben, Bobby! Maar dan kan hij ze toch terugbetalen?’
‘Dat geld is allang zoek. Weggezet door Orville, dat is zijn specialiteit. Ik heb je toch verteld dat bankiers grote sommen geld kunnen laten verdwijnen. Die centen zijn zoek en daarom zitten ze volgens mij achter Eric aan. Al moeten ze eigenlijk achter Orville aan gaan.’
‘En denk je dat ze hem tot hier’ – Tessa richt de slang op de steiger, zodat het water tegen het houten plankier spat – ‘zullen achtervolgen?’
‘Welnee. Natuurlijk komen ze niet hier. Al was het maar omdat niemand een idee heeft dat wij hier zijn. Daarom kan ik je dit ook rustig vertellen. Hier zijn we zo veilig als …’ Bobby zoekt naar een woord.
‘Als bij grootmoeder thuis,’ vult Tessa aan. Ze richt de waterstraal weer op het dek. ‘Poetsen, hombre! Daar heb je ze trouwens weer.’
Met haar vrije hand wijst ze naar de kade, waar Eric en Orville in druk overleg in de richting van de jachthaven lopen.
‘Stop maar met schoonmaken,’ zegt Eric geagiteerd, zodra hij en Orville weer aan boord zijn. Aan hun gezichten leest Tessa af dat er iets ernstigs is gebeurd. ‘In plaats van poetsen gaan we bunkeren. Voedsel, water en diesel voor drie weken. En spullen voor persoonlijke hygiëne. We verlaten zo snel mogelijk de haven.’
‘Wat is er nou weer aan de hand?’ vraagt Tessa gealarmeerd. Met haar vrije hand sluit ze de waterslang af.
‘We lopen binnen bij het havenkantoor,’ begint Orville, nog zichtbaar ontdaan van wat hem is overkomen. ‘Daar worden we welkom geheten door de Spaanse havenmeester. Vriendelijke man, hij vroeg hoe onze tocht was, hoe lang we denken te blijven en wat de naam van het schip is.’
‘Joyeuse, zeg ik,’ vult Eric aan. ‘“Aha,” zegt de havemeester, “die naam komt me bekend voor. Toevallig hebben we gisteren bericht voor u ontvangen.” Hij loopt naar achteren en komt met een stuk papier aanzetten.’
‘Een print van een e-mail,’ verduidelijkt Orville. ‘En daarin stond: “Geachte Havenmeester, Kunt u ons informeren of het zeiljacht Joyeuse, met als thuishaven IJmuiden, in uw haven is gesignaleerd? Is dit het geval, wilt u dan contact opnemen met” blablabla. “Was getekend Nataša” blablabla.’
‘De Joegoslaven!’ briest Eric. ‘De Joego’s zitten godverdomme achter ons aan!’
Voordat Tessa kan vragen waarom Eric bij de naam Nataša meteen aan Joegoslaven denkt en wat er mis is met die Joegoslaven, vervolgt Orville: ‘En dat was niet alles. Aan het prikbord van het havenkantoor hing een bericht van Europol, de Europese politiedienst. Gericht aan alle Europese havens voor plezierjachten langs de Atlantische kust en de Middellandse Zee. Met het verzoek om uit te kijken naar een zeilschip genaamd Joyeuse.’
‘Begrijpen jullie het? Ze zijn ons op het spoor. Ze achtervolgen ons, ze zitten ons op de hielen!’ kreunt Eric.
‘Hoe is dat mogelijk?’ vraagt Tessa, nu even ontredderd als de rest van de bemanning. Ze denkt aan wat Bobby haar net verteld heeft. Het was volgens de Chileen uitgesloten dat iemand wist dat Eric op weg was naar La Gomera. En nu dit. Ze begrijpt er niets van. Ook niet dat Eric het plotseling heeft over Joego’s die hem achtervolgen.
‘Weet ik veel! Maar ik heb mijn besluit genomen en Orville is het met me eens. We blijven hier geen dag. We gaan onmiddellijk weg,’ beveelt Eric. Zijn stem trilt van emotie.
‘Als je zo nodig snel weg wilt,’ zegt Bobby gemelijk, ‘wil ik je aan één ding herinneren. Het orkaanseizoen is nog niet voorbij.’
‘Dat risico nemen we voor lief,’ zegt Eric grimmig. ‘Alles beter dan hier blijven en afwachten tot we worden uitgeleverd. Of vermoord. Of weet ik veel. Morgenochtend gooien we los.’
’s Nachts kan Eric niet slapen. Hij ligt te woelen in zijn kooi, zijn gedachten vliegen alle kanten op. Hij piekert over de tocht die ze voor de boeg hebben, de oversteek van 2900 mijl naar de Cariben. Eric is ervaren genoeg om te weten dat in deze tijd van het jaar de kans op tropische stormen – of nog erger, orkanen – aanzienlijk is. Hij zal de weerberichten heel goed in de gaten moeten houden en tijdig de koers moeten verleggen als zich een zware storm ontwikkelt. Met zijn satelliettelefoon is dat te doen, daarmee kan hij een internetverbinding maken en dan kan hij meteorologische websites bekijken, ook midden op de oceaan. Zijn satphone heeft hij tot nu toe zorgvuldig voor zichzelf gehouden en niet uitgeleend aan de andere bemanningsleden. Maar van nu af aan moet ook Orville toegang krijgen tot het internet. Dan kan hij nautische weerberichten downloaden. Orville beschikt over de meteorologische kennis die nodig is om de weerberichten met orkaanwaarschuwingen goed te interpreteren.
Over het schip maakt Eric zich geen zorgen. De bemanning bestaat uit voldoende ervaren zeilers en Tessa zal zich ook wel redden. Er is voldoende proviand en diesel ingeslagen voor een maand op zee. In drie weken verwacht hij de overkant te kunnen bereiken.
Wel breekt Eric zich het hoofd over de vraag hoe het mogelijk is dat er een bericht op hem lag te wachten in het kantoortje van de Capitanería. Wat heeft dat verzoek om informatie te betekenen? Wie is Nataša? Hij kan met geen mogelijkheid een vrouw met die naam thuis brengen. Hij weet alleen dat het een naam is met een Slavisch letterteken. Zouden die klootzakken Lodderer en Muizenman een van hun Joegoslavische hoertjes opdracht hebben gegeven hem op te sporen? Bij wijze van afleiding? Om hem de schrik op het lijf te jagen? Om hem te laten merken dat ze hem nog steeds in de gaten houden en weten waar hij zit? Nou, dan mogen ze zichzelf feliciteren, want dat is ze uitstekend gelukt.
Plotseling bekruipt hem een gevoel van paniek. Een elektronische verklikker! Ze hebben zijn boot voorzien van een plaatsbepaler die aangeeft waar hij zich bevindt. Met een gps of iets dergelijks verbonden aan een zendertje is dat mogelijk. Als dat zo is, dan kunnen zijn vijanden hem overal vinden en is hij nergens veilig, waar hij ook heen vaart. Hij zal de boot met een detector moeten doorzoeken op verborgen elektronica. Maar dan bedenkt hij dat daarmee het kompas en andere apparatuur ontregeld zouden worden – en dat zou helemaal een ramp zijn.
Eric staat op en pakt uit een kastje in zijn cabin een fles malt whisky. De andere bemanningsleden weten niet dat hij er zijn eigen drankvoorraad op na houdt, waar hij uit put als hij zich gestrest voelt en niet kan slapen. Hij zet de fles aan zijn mond en neemt een stevige slok. Nataša – hoe verzinnen ze het. En dan ook nog die oproep van Europol. Alsof hij een vluchtgevaarlijke Europese crimineel is, in plaats van de Europese Ondernemer van het Jaar.
Het angstzweet breekt hem uit. Hoe is het mogelijk dat iemand ervan op de hoogte is dat de Joyeuse in La Gomera zou afmeren? Niemand kan dat weten, hij heeft het aan niemand verteld, dat weet hij zeker. Lodderer en Muizenman heeft hij het zéker niet verteld, hun dreigementen in de Dutch Admirals Club in de Marina van IJmuiden waren juist aanleiding voor hem om een maand geleden op stel en sprong te vertrekken.
Hij was al verbijsterd dat handlangers van die twee schurken hem bij Scheveningen bijna te pakken hadden. Natuurlijk had hij hun ware identiteit verborgen gehouden voor Tessa. Dat domme schaap. Zou ze werkelijk denken dat er moslimterroristen achter hem aan zaten? Bij die gedachte moet hij, ondanks zijn panische angst, toch even glimlachen.
Hij schenkt een stevige scheut whisky in een glas. Dat drinkt toch prettiger dan de fles aan de mond.
Eric kan zich niet herinneren dat hij ooit iets heeft losgelaten over Guernsey of La Gomera tegen Lena Feldspath. Hij kan het zich niet voorstellen, hij sprak nooit met haar over zijn zeiltochten. Hoe zou het met zijn liefje in Tervuren gaan? Toen hij haar voor het laatst zag, hadden ze beiden andere zaken aan hun hoofd. Lena de cokeverslaving van haar zoon en hij zijn uitverkiezing tot Ondernemer van het Jaar. Na de bijeenkomst in Aken heeft hij haar niet meer gezien. Hun verhouding was plotseling bekoeld. Lena had zich geërgerd aan zijn interesse voor de onbekende journaliste die zich daar aan hem had opgedrongen. Ze moest eens weten dat Tessa Insinger nu bij hem aan boord was.
De conclusie waar Eric met iedere slok whisky die hij neemt dichterbij komt, is onafwendbaar. Er bevindt zich een verklikker aan boord. Dat is de enige verklaring. Een van de bemanningsleden staat in contact met zijn zakenpartners. Met zijn vijanden die het op zijn leven hebben gemunt.
Jezus christus, vloekt hij binnensmonds. Het glas is alweer leeg en met een onzekere hand schenkt hij het opnieuw vol.
De verdenking is teruggebracht tot drie personen. Alle drie bevinden ze zich aan boord. Met die drie gaat hij morgen de oceaan oversteken. Verwilderd laat hij zijn gedachten over de drie bemanningsleden gaan.
Is het Tessa Insinger? Mogelijk, maar heel onwaarschijnlijk. Het was zijn bedoeling dat ze hooguit een paar dagen met hem zou meevaren. Hij zou haar hebben afgezet in Oostende of Nieuwpoort langs de Belgische kust. Pas na het incident bij Scheveningen vertelde hij haar dat ze naar Guernsey zouden varen. Van de bestemming La Gomera had ze al helemaal geen weet. Aan de andere kant: Tessa is slimmer dan ze zich voordoet. Ze is journalist, gewend om dingen uit te zoeken en informatie door te geven. Maar heeft ze een motief? Dat kan Eric zich niet voorstellen. Hij acht het uitgesloten dat ze van zijn relatie met Lodderer en Muizenman af weet. En hoe zou ze met die twee afpersers in contact staan? Nee, Tessa is de minst waarschijnlijke kandidaat.
Orville de Billières? Dat is een ander verhaal. Zijn Britse bankier wist dat hij naar Guernsey zou komen en hij sloeg alarm omdat er een mysterieus telefoontje bij de bank was binnengekomen. Nu pas beseft Eric dat hij nooit heeft gecontroleerd of dat telefoontje werkelijk was gepleegd. Misschien heeft de Brit het verzonnen, hij is ertoe in staat. Bankiers zijn schurken, voor geen cent te vertrouwen. Natuurlijk kon Orville bedenken dat ze langs Scheveningen zouden varen – er is geen andere route van IJmuiden naar Guernsey. Maar Orville wist niet precies de dag en zeker niet de tijd dat ze voor de kust bij Scheveningen zouden zijn. Dus is het onwaarschijnlijk dat Orville zijn afpersers had geïnformeerd. Trouwens, wat zou de Brit ermee opschieten? Voor Orville tellen de financiële transacties en die houden op zodra hem, Eric Pincoff, iets overkomt. Het is Orvilles belang om Eric vooral níet in handen te laten vallen van de schurken die het op hem voorzien hebben.
Er dreigt wel een ander ellendig probleem met Orville. Eric is er zeker van dat zijn flirtzieke bankier een relatie van meer dan voorbijgaande aard aan het opbouwen is met Tessa. Orville heeft haar in vertrouwen genomen over de details van zijn financiële constructies. Hoe anders kan Tessa hem zo gericht ondervragen? Hij vermoedt dat Orville meer wil met Tessa dan neuken – hij wil haar voor zich winnen om samen achter zijn financiële constructie te komen. Zijn Karolingische geheim.
Eric neemt zich voor Orville stevig aan te pakken. Dat voornemen stemt hem tevreden en hij beloont zich met een slok whisky. Alleen lost het zijn vermoeden van een verklikker aan boord niet op.
Roberto Menéndez, dan? Bobby is al jaren zijn lijfwacht en klusjesman. Hij is deel van het meubilair en alleen al daarom boven iedere verdenking verheven. Maar Bobby zoekt wel steeds vaker ruzie met hem. Alsof hij het erop laat aankomen dat hij ontslagen wordt. Nu hij erover nadenkt: Bobby was de enige die vooraf wist dat hij die ochtend uit de Marina van IJmuiden wilde vertrekken. Hij wist dus hoe laat ze ongeveer langs Scheveningen zouden komen. Hij was ook de enige die de voorlopige bestemming kende: Guernsey.
Een beklemmend gevoel bevangt Eric. Haastig neemt hij een nieuwe slok. Zou Bobby informatie hebben doorgespeeld aan Lodderer en Muizenman? Hij kent ze persoonlijk – in tegenstelling tot Orville en Tessa. Zou hij heimelijk voor ze werken en een infiltrant zijn op de Joyeuse? Eric denkt aan de bizarre ruzie over het aanzetten van de diesel. Wilde Bobby soms dat ze op een bepaalde dag in de haven van La Gomera zouden aankomen, omdat hij die had doorgegeven aan zijn bazen? Verdomd. Ook al is Eric dronken, hij voelt hoe alle puzzelstukken ineens op hun plaats vallen.
Hij neemt opnieuw een slok en denkt aan zijn held, Karel de Grote. Wat zou die gedaan hebben in deze situatie? Nadat Karel met zijn neef Roeland over de Pyreneeën was getrokken om de Moren te verslaan, keerde hij terug naar het noorden om nieuwe vijanden in Frankrijk te lijf te gaan. Roeland bleef met de achterhoede van het leger in Spanje achter. Maar Roeland werd in de val gelokt door het verraad van zijn vertrouweling Ganelon. Het leger van Roeland dreigde verpletterd te worden door de Moren. De slag vond plaats in de Vallei van Ronceval. Wanhopig blies Roeland op zijn hoorn Olifant om de hulp van Karel in te roepen. Het schrille hoorngeschal was tot over de Pyreneeën hoorbaar. Karel besefte dat Roeland in levensgevaar was, keerde terug met zijn legermacht, maar kwam te laat om zijn dappere neef te ontzetten. De slag was verloren. Roeland brak zijn zwaard Durendal met zijn handen in stukken, zodat het machtige zwaard niet als trofee zou toevallen aan zijn vijanden. Nog één keer blies hij op zijn hoorn Olifant, en daarmee blies hij zijn laatste adem uit.
Dát zal mij niet overkomen, neemt Eric zich grimmig voor. Ik zal de verrader ontmaskeren, voordat hij mij kan verslaan.
Hij schenkt de whiskyfles leeg, drinkt de laatste slok en laat zich op zijn bed vallen. Het zaad van de verdenking begint te kiemen. Bobby zal hij van nu af aan scherp in de gaten houden. Morgenvroeg vertrek, denkt hij. Een ongewisse oversteek met een verrader aan boord en kans op tropische stormen. Zwetend van de alcohol valt hij in een onrustige slaap.
34
amsterdam/brussel, zondag/maandag 3/4 september 2006
In het weekeinde was er altijd live muziek in Café Lexington aan de Amsterdamse Willemsparkweg. Een trio, bestaande uit een altsaxofonist, een bassist met een gladgeschoren hoofd en een zwarte pianist, speelde jazzy nummers uit de jaren vijftig. Het café, een geliefde ontmoetingsplaats van de grote jongens van het onroerend goed en de hoofdstedelijke onderwereld, was stampvol. Er hing een rokerige sfeer en er werd op bescheiden schaal geblowd. Terwijl het trio improvisaties op ‘My Funny Valentine’ ten gehore bracht, klonk er in het café een vrolijk geroezemoes van stemmen en gelach.
Achter in het café, met hun ruggen naar de bruine wand, zaten Sjon Muizenman en Willem Lodderer. Naast hen zaten twee Thaise vrouwen, die onbekommerd met elkaar kwetterden in hun eigen taal, zonder zich iets aan te trekken van hun gezelschap. Lodderer hield een arm om zijn vriendin geslagen en friemelde met zijn vingers aan de harde tepel van haar borst. Muizenman liet zich welgevallen dat het andere meisje met haar hand systematisch zijn kruis bewerkte. Ondertussen voerden de twee mannen een zakelijk gesprek met elkaar, waarvan de ernst de twee Thaise vrouwen volkomen ontging.
‘Laten we er geen doekjes om draaien, Sjon,’ zei Willem. ‘Pikkie Pinkelmans heeft ons te grazen genomen. Hij is ons te slim af geweest.’
‘Het is pas voorbij als het over is. Ken je die uitdrukking? Ben ik het helemaal mee eens,’ zei Sjon. ‘Ik bedoel: alles is pas verloren als je niets meer hebt.’
‘We zijn verdomme ons kapitaal kwijt! Onze investeringen. We kunnen fluiten naar onze centen!’
‘Fluiten? Die vent speelt saxofoon! Nee, Willem, ik heb het nog niet opgegeven.’
‘Pincoff is pleite. Spoorloos. Die ligt al lang en breed op zijn luie reet ergens onder een palmboom. Nee, die vinden we niet meer terug. En daarmee zijn we onze investeringen ook mooi kwijt.’
‘Ho, ho, niet te snel, Willem. En jij trouwens ook niet.’ Met een terloopse beweging haalde Sjon de vaardige hand van het Thaise meisje van zijn kruis. Zo was het even genoeg, vond hij.
De laatste tonen van ‘Round About Midnight’ ebden weg. Een zwaarlijvige man met zweetdruppels op zijn voorhoofd kwam naar het tafeltje waar Sjon en Willem zaten. ‘Zo Willem, kersen aan het plukken?’ riep hij wijzend naar Willems hand, die nog steeds in de blouse van zijn Thaise vriendin zat.
‘Hou je er buiten. Kijk maar uit, of ik ga je noten kraken!’ antwoordde Willem.
‘Daar wil ik het over hebben. Jullie zijn me nog wat verschuldigd. Dat klusje van vorige maand op zee, weet je wel. Die jongens laten familie achter. Vrouwen en vriendinnen. Ze hadden een levensverzekering…’
‘Ach man, lazer op met je verzekering. Ze hebben hun klus verkloot. Zo simpel is het,’ onderbrak Sjon de man.
Willem trok zijn hand uit de blouse van zijn vriendin en maakte een graaiend gebaar naar het kruis van de corpulente man die voor hem stond. Deze deinsde verschrikt achteruit.
‘Als je eens wist hoe groot ónze strop is omdat jouw jongens zich gedroegen alsof ze op een dagtrip sportvissen waren. Dan zou je je gezicht hier niet laten zien,’ dreigde Willem.
‘Je mag blij zijn dat we de onkosten niet op jou verhalen, dikkop,’ zei Sjon.
Nadat de man verongelijkt was doorgelopen, pakte Willem de draad van hun gesprek weer op. ‘Zie je nou, we zijn de piepels van de dag geworden. Dat komt onze zaken niet ten goede. We moeten een daad stellen, Sjon, voordat ze allemaal over ons heen lopen.’
‘Daar heb je gelijk in. Het zit mij ook niet lekker. Kunnen we niet nog eens langsgaan bij dat ventje in Brussel?’
‘Zinloos. Hij weet nog minder dan wij. Zoveel als niets, dus.’
‘Die dikke vent heeft me op een idee gebracht met zijn verzekeringspolis. Toen we in het Kurhaus waren met Eric heeft hij ons verteld dat de Europese Unie onze investeringen garandeerde. Weet je nog? Dan kunnen we toch de garantiepolis in werking stellen?’
‘Krijg nou wat! Dá noem ik zakelijk inzicht.’
‘Heb ik vroeger thuis geleerd. Altijd de kleine lettertjes lezen.’
‘Moeten we toch bij die Europese mevrouw van de villa zijn. Die kunnen we aanpakken.’
‘Daar zeg je wat. Nu hij zoek is kunnen we Eric Pincoff niet meer leegtrekken. Terwijl onze beschermingspraktijk net zo lekker liep.’
‘Weet je, Willem, ik denk dat jij hem de stuipen op het lijf hebt gejaagd toen je in de marinejachtclub de bel voor de laatste ronde luidde.’
‘Met mijn pistool, ha ha.’
‘Precies. Toen moet hij gedacht hebben: wegwezen.’
‘Het was een geintje, Sjon. Ik kreeg de kriebels in mijn handen. Ik moest gewoon even mijn vingers samentrekken.’
‘Dat zenuwtrekje van jou is ons duur te staan gekomen, maat. Knijp voortaan maar in die Thaise tietjes!’
Het jazztrio begon weer te spelen.
‘Wat stel je voor?’ zei Willem op gedempter toon.
‘We gaan morgen naar Brussel. Kijken of we dat vrouwtje kunnen bezoeken,’ zei Sjon.
‘Oké. Maar eerst nemen we nog een rondje. En daarna nemen we deze Thaise noedels!’ vulde Willem aan.
Met piepende remmen parkeerde Willem Lodderer zijn zwarte Hummer de volgende middag op de stoep voor het gebouw van het directoraat-generaal voor Ondernemingen en Industrie. Via een Belgische stroman van Sjon Muizenman waren ze er snel achter gekomen waar Lena Feldspath werkte. Voor de gelegenheid hadden ze zich beiden in een strak zakenpak gestoken en zich voorzien van lege attachékoffertjes. Onderweg hadden ze afgesproken dat Muizenman het woord zou voeren. ‘Jij spreekt beter over de grens,’ had Lodderer tegen zijn maat gezegd.
‘Geen zorgen dat je wagen weggesleept wordt?’ vroeg Sjon, terwijl Willem de portieren met een signaal van zijn sleutels sloot.
‘Tegen de tijd dat de sleepwagen er is, zijn wij alweer weg,’ zei Willem.
Een receptioniste wilde het doel van het bezoek en de identiteit van de twee bezoekers weten, maar daar hadden Muizenman en Lodderer geen geduld voor. ‘We zijn van Europol. Een spoedgeval,’ zei Muizenman. Hij zwaaide met een vervalste politiekaart. De verbouwereerde receptioniste opende het elektronische toegangshekje en bedacht te laat dat ze zich had laten beetnemen. Ze wilde de twee mannen terugroepen, maar ze waren al in de lift verdwenen.
‘Rustig doorlopen,’ zei Muizenman toen ze op de twaalfde verdieping bij het secretariaat van de eurocommissaris waren. De invalsecretaresse riep ze achterna dat de eurocommissaris in bespreking was, maar ze waren al bij de deur van haar werkkamer.
‘Welkom zonder kloppen,’ zei Lodderer en onaangekondigd stapten ze naar binnen.
Feldspath zat achter haar bureau. Ze was in gesprek met een medewerker.
‘Wij zijn de zakenpartners van Eric Pincoff en we komen even met u praten. Onder zes ogen,’ zei Muizenman, met zijn hoofd gebarend naar de medewerker dat hij onmiddellijk moest verdwijnen. Het was duidelijk dat tegenspraak geen zin had.
‘W-Wie heeft u toestemming gegeven om b-b-binnen te komen?’ stamelde Feldspath.
‘Dat doen we zelf altijd. We zijn niet gewend om toestemming te vragen.’
Nadat de medewerker was verdwenen, posteerden de twee bezoekers zich voor haar bureau. Muizenman zei: ‘We houden het kort. Mijn maat heeft haast, want hij had geen muntgeld voor de parkeermeter op zak.’
‘Wat is dit voor waanzin,’ zei Feldspath met afgeknepen stem.
‘Zoals ik al zei: meneer Pincoff is onze zakenpartner. Wij zijn de investeerders achter zijn project voor een vliegveld in zee. U kent dat project toch? Nou dan… Nu wil het geval dat wij onze investering willen terugtrekken. Probleempje met onze cashflow, begrijpt u. Maar onze zakenpartner houdt zich verscholen. Hij is ondergedoken. Nu heeft hij ons verteld toen we de investeringsafspraken maakten, dat de Europese Commissie een garantie heeft afgegeven. Om precies te zijn: de commissaris van Ondernemingen. Dat bent u toch?’
Feldspath kon het niet ontkennen.
‘Mooi, dan zijn we op het goede adres. Nou wil het toeval dat wij over interessante informatie beschikken.’
Muizenman ging schuin op het bureau van Feldspath zitten. Hij boog zijn hoofd naar voren en keek vanachter zijn John Lennon-brilletje de eurocommissaris indringend aan.
‘Die villa in Tervuren. Hoe is die ook alweer gekocht?’
Hij draaide zich naar Lodderer, alsof hij een reactie van zijn maat verwachtte. Maar Lodderer zweeg in alle talen.
‘Dat is waar ook! Via een bankconstructie in Luxemburg! We hadden het zelf kunnen verzinnen, Willem!’
Feldspath deinsde achteruit. ‘Willen jullie onmiddellijk mijn kamer verlaten? Ik roep de bewaking…’ Ze maakte een gebaar naar de telefoon, maar Muizenman was haar voor. Hij legde zijn hand op de hoorn. ‘Ho, ho, we gaan niet bellen terwijl er bezoek is. Dat is niet beleefd, zou mijn moeder zaliger zeggen.’
‘Wat willen jullie van me?’ siste Feldspath.
‘Ik ben nog niet klaar,’ vervolgde Muizenman. ‘Die zoon van u, bijvoorbeeld. Onze zakenpartner Pincoff vertelde ons dat u zich zorgen om hem maakt. Verslaving, hè. Toch sympathiek dat uw neukertje daar een oplossing voor aanbood. Eersteklas coke. Wist u dat wij zijn leveranciers zijn? Nou ja, de coke komt uit Zuid-Amerika, maar wij zijn de kruideniers die het netjes verpakt in kleine zakjes aan Pincoff leveren. Zodat hij het aan u kan geven als hij een nacht met u ligt te wippen in zijn Kurhaus Hotel. Toch mooi geregeld door onze zakenpartner. Pincoff zijn gerief, uw zoon zijn coke. En u een villaatje in Tervuren. Niet gek, niet gek.’
‘Lazer op!’ riep Feldspath woedend. Ze was inmiddels knalrood geworden.
‘Over vijf minuten zijn we weg. Die parkeermeter, hè. Maar nog effe. Willem, kom eens helpen…’
Lodderer, die in een stoel was neergeploft, kwam moeizaam overeind.
‘Waar is Eric Pincoff? Dat willen wij weten,’ zei Muizenman dreigend. Lodderer stond voor het bureau freefightbewegingen te maken.
‘En wij doen een beroep op de garantieregeling voor onze investeringen. Ons zakelijke motto is helder: uw betaling is ons zwijgen.’
‘Chantage!’ riep Feldspath.
‘Welnee. In onze branche noemen wij dit de Spreken is Goud en Zwijgen is Zilver-polis. Mijn partner’ – Muizenman maakte met zijn hoofd een gebaar naar Lodderer die nog steeds zijn vechthoudingen oefende – ‘is hoofd incasso. Ik ben maar een eenvoudige administrateur.’
De spanning in de werkkamer van de eurocommissaris was om te snijden. Snuivend haalde Feldspath adem. Ze ging nerveus een paar keer met een hand door haar haar. Daarna probeerde ze, achteroverleunend in haar bureaustoel, een list te verzinnen. Een uitweg om deze kerels zo snel mogelijk kwijt te raken. Haar blik ging van links naar rechts, van Lodderer naar Muizenman, en terug. Met haar vingers trommelde ze op het blad van haar bureau. Ten slotte zei ze: ‘Goed. Ik accepteer jullie polisvoorwaarden. Maar we hebben een gezamenlijk probleem. Het garantiefonds is namelijk leeg. Leeggeroofd door Eric Pincoff. Er valt niets te halen.’
‘Godverdomme! Vissen we achter het net?’
‘Daar lijkt het wel op. Verder weet ik niet waar hij is. Ik ben net zo hard op zoek naar hem als jullie.’
‘Dan zijn we partners!’ riep Muizenman enthousiast.
‘Dat zijn jouw woorden. Ik wil alleen maar zeggen: spoor Eric Pincoff op. En als jullie hem vinden, mag je van mij met die klootzak doen wat in jullie branche gebruikelijk is als je een zakelijk geschil moet oplossen.’
Sylvane Engelhard en Tariq Mobasheri zaten in hetzelfde gebouw zonder dat ze er weet van hadden wat zich zes verdiepingen hoger afspeelde. Nu ze zich van hun baas niet meer mochten bezighouden met de speurtocht naar Pincoff en evenmin met de bankgarantie voor Durendal, hadden ze hun routinewerk weer opgepakt: de controle van de subsidies voor bedrijven. Bonnetje-bonnetje, noemde Tariq het. Het was saai, eentonig en slaapverwekkend.
Ondertussen hadden ze alle tijd om met elkaar te praten. Over Sylvanes kinderen, over Tariqs vriendin Nataša, maar vooral nog steeds over Pincoff en Durendal.
Tariq had in het weekeinde op zijn computer geprobeerd onderzoek te doen naar de financiële constructie van Durendal. Sylvane had tegen hem gezegd dat ze daar veel eerder naar hadden moeten kijken. Ze had groot gelijk – Tariq had geprobeerd Pincoffs zeilboot te achterhalen, maar hij had zich beter bezig kunnen houden met zijn bedrijf. Daar was het immers allemaal mee begonnen: het bankkrediet van de ihb aan Durendal, gegarandeerd door de Europese Commissie.
Nataša had hem geholpen, al had haar hulp vooral bestaan uit drankjes inschenken en schaaltjes met zelfgemaakte Sloveense hapjes serveren. Ze had voorgesteld dat Tariq inlogde met de toegangscode van zijn baas, Sylvane Engelhard. Dat gaf hem meer bevoegdheden dan zijn eigen inlognaam als stagiair.
Tariq wilde uitzoeken hoe Durendal erin was geslaagd een bankkrediet van 183,5 miljoen euro te bemachtigen. En waarom de projectontwikkelaar zich niet aan zijn aflossingsverplichtingen had gehouden, zodat de bank een beroep op de garantie had gedaan. Maar die informatie was niet te vinden. Althans, niet direct.
Het kostte Tariq weinig moeite om er achter te komen dat Durendal bv te IJmuiden eigendom was van Durendal plc, dat statutair was gevestigd op het Kanaaleiland Guernsey. Deze vennootschap was op haar beurt eigendom van de Stichting Carlomagnus. De Stichting was een trust naar het recht van Guernsey. Op de laatst beschikbare jaarbalans had Durendal nauwelijks eigen vermogen staan, maar des te meer schulden aan de stichting. Het bedrijf was een lege huls.
De informatie over Carlomagnus was summier. Een trust geregistreerd op Guernsey hoefde vrijwel geen financiële gegevens te publiceren. Wel was duidelijk dat de stichting over een aanzienlijk vermogen beschikte. Maar waar het geld vandaan kwam, bleef een raadsel. Met enig zoeken kon Tariq wél achterhalen wie er in het bestuur van de stichting zaten: Eric Pincoff en een vertegenwoordiger van de Bailiwick Bank. De Bailiwick Bank, zo leerde verder zoeken in het Britse bankregister, was eigendom van de Stichting Carlomagnus. Zo was de cirkel rond, met Pincoff als middelpunt.
Het duizelde Tariq.
Voor de zoveelste keer vroeg hij zich af hoe eurocommissaris Feldspath bedacht kon hebben dat het een goed idee was om Eric Pincoff tot Europese Ondernemer van het Jaar uit te roepen. Die man was zo onbetrouwbaar als een tweedehandsautoverkoper.
Tariqs elektronische zoektocht leverde een indrukwekkende hoeveelheid informatie op over de fiscale faciliteiten die Guernsey en alle andere Kanaaleilanden boden voor privaat vermogensbeheer. Hun fiscale regels waren een open uitnodiging voor belastingontduiking. Op een steenworp afstand van de Franse kust, onder Brits bestuur en binnen de grenzen van de Europese Unie bevond zich een belastingparadijs dat niet onderdeed voor eilanden in de Cariben of de Stille Oceaan. Zoveel was Tariq duidelijk: de Europese Unie mat met twee maten. Ze bestreed witwassen en zette exotische belastingparadijzen op een zwarte lijst, maar ze stond toe dat een paar Engelse rotseilandjes onder de Franse kust hun eeuwenoude Normandische rechten op een zelfstandig belastingbeleid bleven uitoefenen. Het was een absurde vorm van fiscaal en financieel gedoogbeleid, besefte Tariq.
Maar hij zocht informatie over het zakelijke bouwwerk van Pincoff. Dat het een constructie was om belastingen te ontduiken, was zonneklaar. Maar waar kwam het geld vandaan? Surfend door webpagina’s en financiële bestanden, in het aangename gezelschap van Nataša, kon Tariq daar met geen mogelijkheid een vinger achter krijgen.
Op de site van de Kamer van Koophandel had Tariq de balans van Durendal van de afgelopen jaren achterhaald. Daar stond bij de passiva het krediet van ihb vermeld: 183,5 miljoen euro. Bij de activa stond onroerendgoed op de balans. Durendal had nauwelijks eigen vermogen. En waarom had het bedrijf vrijwel niets in kas? Zou er zoveel geïnvesteerd zijn in het vliegveldproject? Op de winst- en verliesrekening wees niets op omvangrijke investeringen.
Plotseling riep Tariq: ‘Nataša, kijk hier eens!’ Hij wees met zijn vinger naar een cijfer op het beeldscherm. Van het ene jaar op het andere was het complete bedrag van het krediet doorgeschoven van Durendal bv naar Durendal plc. Hij klikte door naar het scherm met de financiële gegevens van Durendal plc. Daar moest hij hetzelfde bedrag kunnen terugvinden. Maar hoe hij ook zocht, niets verwees naar het bedrag van het bankkrediet. Totdat hij een bedrag van 183,5 miljoen euro aantrof onder de post ‘verleende financiële en fiscale diensten’.
‘Krijg nou wat!’ riep Tariq. ‘Zijn die lui helemaal knetter geworden!’
Durendal plc (naar het recht van Kanaaleiland Guernsey) had aan Durendal bv (onder Nederlands recht) op papier voor 183,5 miljoen euro financiële en fiscale diensten verleend. Dat bedrag had de plc vervolgens als ‘toevoeging eigen vermogen’ aan de Stichting Carlomagnus (naar het recht van het Kanaaleiland Guernsey) doorgeschoven. Dit verklaarde waarom de stichting over zo’n aanzienlijk vermogen beschikte. Het geld van het bankkrediet, dat was gegarandeerd door de Europese Commissie, was met een paar tussenstappen naar de stichting op Guernsey gesluisd. En daar hield het spoor op.
Tariq recapituleerde wat hij gevonden had. Op grond van de onroerendgoedportefeuille had de Industrie und Handelsbank een lening aan Durendal bv in IJmuiden verstrekt. De Europese Commissie had een garantie voor de lening afgegeven aan de ihb. Durendal bv had het krediet doorgespeeld naar Durendal plc op Guernsey als vergoeding voor verleende diensten. Durendal plc had het bedrag toegevoegd aan het vermogen van zijn aandeelhouder, de Stichting Carlomagnus.
Uit de jaaroverzichten van de stichting bleek dat het vermogen was toegenomen, maar dat de kaspositie bij de Bailiwick Bank op Guernsey van het ene op het andere jaar gelijk was gebleven. De stichting moest dus een bedrag van even grote omvang als het krediet ergens anders hebben weggezet. Waar, viel niet te achterhalen. Het geld was zoek.
Plotseling drong het patroon tot Tariq door. Het geld dat de stichting op onopgehelderde wijze uit haar boeken had laten verdwijnen, was langs de omweg van het bankkrediet aan Durendal gegarandeerd door de Europese Commissie. Anders gezegd: de Europese Commissie draaide op voor de strop van het weggesluisde geld.
‘Jeemig!’ riep hij uit toen hij besefte dat hij de financiële knoop had ontrafeld.
‘Geniaal. Geniaal gevonden en geniaal dat je het ontdekt hebt,’ zei Sylvane bewonderend, nadat Tariq zijn bevindingen tot in de kleinste details aan haar uit de doeken had gedaan.
‘Met dank aan Nataša,’ zei de stagiair, niet zonder trots op de actieve steun van zijn vriendin. Ze hadden ’s avonds hun ontdekking met een fles Sloveense slivovitsj en een uitbundige vrijpartij gevierd.
‘Ja, natuurlijk, geniaal van jullie beiden,’ zei Sylvane. Ze meende het. ‘We zijn er nog niet uit, maar we weten nu hoe de constructie in elkaar steekt. Het getuigt van een ongelooflijke brutaliteit.’
‘Het is net als balletje-balletje,’ zei Tariq. ‘Zodra je denkt dat je snapt waar het geld is verstopt, is het alweer verdwenen.’
‘Dat is de truc van witwassen,’ zei Sylvane. ‘Je gooit geld in een hoge hoed en het komt er nooit meer uit. We zullen er waarschijnlijk nooit achter komen waar het gebleven is.’
‘Weet je wat ik niet begrijp?’ zei Tariq.
‘Ik weet wat je gaat zeggen. Hoe Feldspath het in haar hoofd heeft gehaald zaken met Pincoff te doen.’
‘Precies.’
‘Daar heb ik mijn theorie over. Maar die hou ik voor me.’
‘Ze moet dokken, hè? Ze ontkomt niet aan de naleving van de bankgarantie. Als dat in de publiciteit komt, barst er een gigantisch schandaal uit in Europa. In ieder geval hier in Brussel.’
‘Weet je dat het me niet veel meer kan schelen?’ zei Sylvane. ‘Nu ze ons zo vernederend behandeld heeft en ons aan de kant heeft geschoven, lost ze het zelf maar op. Misschien gaat ze ook op de vlucht. Pincoff achterna.’ Ze schoot spontaan in de lach.
‘Dat kan er nog wel bij,’ zei Tariq. ‘Pincoff heeft het geld naar een tropisch belastingparadijs weggesluisd en Feldspath reist hem achterna.’