1
IJmuiden, zaterdag 5 augustus 2006
IJle nevelflarden hangen boven het water. Het is de afgelopen dagen drukkend warm geweest, er hing onweer in de lucht, maar ’s nachts is de temperatuur gedaald en is de vochtigheid gecondenseerd tot zilvergrijze strepen mist.
In de jachthaven is geen geluid te horen, zelfs geen getik van lijnen tegen de masten van de afgemeerde zeilboten. Er is hier op dit godvergeten vroege uur geen mens te bekennen. Bewegingloos liggen de boten langs de steigers. Een koppel zwanen dobbert slapend op het water, als bolletjes watten op een spiegelplaat. Ze hebben hun sierlijke hals naar achteren gedraaid en hun knobbelige zwarte kop onder hun vleugels verborgen. Verderop drijft een groepje bruingespikkelde mantelmeeuwen, juvenielen die nog niet de grijswitte verentooi van hun volwassenheid hebben bereikt. Op de meerpalen staan vaalblauwe reigers als slanke schimmen stil te wachten om straks te gaan jagen in het eerste ochtendlicht.
Het is nog donker, maar de diepste duisternis begint weg te trekken. Het is het moment waarop de nacht voorbij is en de dag nog niet begonnen.
Bij het hek stopt een auto. Door de dunne mist zijn de contouren niet goed te onderscheiden. De slagboom gaat omhoog, de auto trekt op en stopt een tiental meters verder. Een man en een vrouw stappen uit. De vrouw kijkt om zich heen, aarzelend over wat haar te doen staat. Ondertussen haalt de man de bagage uit de achterbak. Dan lopen de twee over het verlaten terrein naar het metalen hek dat toegang geeft tot de steigers van de jachthaven. De man heeft een weekendtas over zijn linkerschouder en houdt een attachékoffertje in zijn rechterhand geklemd, de vrouw draagt een rugzak. Over een wiebelend plankier lopen ze naar een zeiljacht.
‘Welkom aan boord van de Joyeuse,’ zegt de man.
Eric Pincoff is de eigenaar van de Joyeuse. Hij is een rijzige man van tegen de vijftig met een geprofileerd gezicht, iets te lang haar dat naar achteren is gekamd, een litteken boven zijn linkeroog en de gelaatsuitdrukking van iemand die gewend is snel beslissingen te nemen.
Pincoff neemt de rugzak van de vrouw aan en helpt haar aan boord. De vrouw maakt een sprongetje. Ze is vitaal, een stuk jonger ook. Over het gangboord lopen ze naar de open kuip achter op het schip. Pincoff zet de bagage neer en slaat een paar keer stevig met zijn hand op het luik dat toegang geeft tot de kajuit.
‘Hé, Speedy Gonzales, kom verdomme eens uit je nest!’ roept Pincoff.
Er gaat licht aan in de boot, even later schuift het luik open en verschijnt het slaapdronken hoofd van een man die in zijn diepste dromen is gestoord. Hij heeft een zware snor en stoppels van een paar dagen. Zijn behaarde bovenlijf is vochtig van het zweet.
‘Dit is Roberto Menéndez,’ zegt Pincoff ter kennismaking tegen de vrouw. ‘Zeg maar Bobby. Of kortweg Bob. Hij is mijn bootsman. En deze gast,’ hij wijst naar de vrouw die achter hem staat, ‘dit is Tessaloniki Insinger.’
‘Zeg maar Tessa. Aangenaam,’ zegt de vrouw. Ze steekt haar hand uit, maar haar gebaar wordt niet beantwoord. Menéndez knoopt ongegeneerd zijn spijkerbroek dicht over zijn hangbuik en mompelt iets onsamenhangends.
‘Mijn Zuid-Amerikaanse vriend doet alsof hij alleen maar Spaans spreekt, maar dat is gelul. Hij is een echte polyglot. Een talenwonder! Of niet soms, Bobby!’
Joviaal mept Pincoff de bootsman op de schouders. Deze geeft geen krimp, maar vloekt binnensmonds ‘Mierda, huevón’.
‘Buenos días, Bobby. We hadden drie uur afgesproken, weet je nog? Ik heb je een uur extra gegeven. Alles klaar voor vertrek?’ Pincoff laat een snelle blik door het interieur van de boot gaan.
‘Een kwartier,’ zegt Menéndez. ‘Santa María! Geef me verdomme een kwartier en een kop koffie om wakker te worden. Dan kunnen we los.’
‘Zorg dat alles vaarklaar is, ik heb nog een klusje te doen aan de wal. Als ik mijn auto daar laat staan, is die morgen gestript, ha ha. En jij,’ Pincoff draait zich om naar Tessa, ‘maak jij jezelf vast vertrouwd met het schip. Je tas kan in de hut, Bobby wijst je wel de weg. Vraag hem meteen hoe je aan boord koffie moet zetten.’
Zonder een antwoord af te wachten draait Pincoff zich om. Hij springt op de steiger en loopt naar zijn auto. De koplampen knipogen als hij de sloten ontgrendelt. Hij stapt in en rijdt, de slagboom bij de ingang behendig vermijdend, het terrein van de jachthaven af.
Vijfentwintig minuten later komt Pincoff te voet terug.
‘Alles klaar voor vertrek,’ zegt Menéndez als Pincoff weer aan boord is gestapt. ‘De zeilen zijn aangeslagen. Ik heb gisteren genoeg water getankt voor een tocht door de Sahara, de dieseltanks zijn gevuld voor een reis naar Vuurland, er is voedsel en drank voor een weeshuis met uitgehongerde kinderen, en de accu’s zijn opgeladen.’
‘Mooi zo,’ zegt Pincoff zonder verder compliment voor Bobby’s inspanningen. ‘Dan stel ik voor dat we vertrekken.’ Pincoff klinkt plotseling gespannen. Hij wil zo snel mogelijk de jachthaven verlaten. Herhaaldelijk tuurt hij naar de kade, alsof hij naar onverwachte bezoekers speurt, maar er valt in het grijze ochtendduister niemand te bekennen. ‘Oké, Bobby, gooi maar los. En doe me een lol, klik de verlichting uit. We zijn geen varende kermisattractie.’
Pincoff start de scheepsmotor. Het doffe gegrom van de diesel verbreekt de stilte van de jachthaven. De zwanen die slapend achter de boot dobberen, trekken hun kop onder hun vleugels vandaan en kijken verstoord om zich heen. Menéndez maakt de trossen los. Pincoff staat aan het stuurwiel en schakelt de motor in de achteruit. Traag komt de boot in beweging.
Tessa heeft na enig zoeken in de keukenkastjes de benodigde attributen gevonden om een pot koffie te zetten. Ze schenkt drie mokken in, terwijl de Joyeuse zich langzaam losmaakt van de kant. Het is kwart voor vijf in de ochtend.
Als de boot vrij is van de houten meerpalen duwt Pincoff de hendel van de diesel naar voren. Een werveling in het water bij de schroef is het gevolg. De steven draait bij en dan glijdt het schip door de ochtendnevel. Op de steiger laten de mantelmeeuwen een mauwend gekrijs horen.
2
IJmuiden, woensdag 2 augustus 2006
Drie dagen eerder zat Eric Pincoff met een glas whisky in zijn hand aan de bar van de jachtclub bij de haven. Branieachtig hing hij op een kruk, met zijn rug naar de tap en een elleboog leunend op de toog. In een halve cirkel stonden drie mannen om hem heen. Een grote gespierde vent met een geprononceerde neus die Willem werd genoemd, een kleine man met krullend haar en een John Lennon-brilletje die Sjon heette, en een naamloze figuur met het uiterlijk van een vertegenwoordiger in confectiepakken.
De Dutch Admirals Club was ingericht als een klassieke jachtclub: leren fauteuils, replica’s van klassieke zeilschepen in vitrines, foto’s van regatta’s, een prijzenkast met verzilverde bekers, een wand met veelkleurige vaantjes en vlaggetjes van jachtclubs uit de hele wereld. De club was leeg – afgezien van de vier mannen en de barman. Niemand haalde het in zijn hoofd om binnen aan de bar te hangen om drie uur ’s middags op een snikhete vakantiedag.
Eric Pincoff was nerveus. Zijn ooglid trilde. Hij praatte aan één stuk door en de drie anderen luisterden zwijgend. Hij voelde dat ze niet geïnteresseerd waren in zijn betoog.
Met zijn vrije arm maakte Pincoff een weids gebaar. ‘We gaan dat terrein ontwikkelen,’ zei hij luidruchtig, alsof hij met zijn stemverheffing de ongemakkelijke sfeer wilde doorbreken. Hij wees in de richting van de duinen. ‘Luxebungalows. Een zwemparadijs met palmbomen. De plannen liggen klaar, de investeerders staan te popelen. We wachten alleen nog op toestemming van de gemeente.’ Hij keek de man die eruitzag als een vertegenwoordiger aan. ‘Wat denk je, komen de vergunningen eindelijk los?’
Voordat de ambtenaar kon antwoorden, zei de lange man die Willem genoemd werd: ‘Je moet op je kloten passen, Eric.’ Hij had een lijzige, slissende stem.
‘Hij bedoelt: je moet je kloten tellen,’ verbeterde Sjon.
‘Je hebt er maar twee en je bent ze zo maar kwijt,’ zei Willem dreigend. Hij maakte een graaiend gebaar naar Erics kruis.
‘Willem heeft gelijk,’ zei Sjon. ‘Je ballen moet je koesteren. Je handeltje in vorm houden. Of niet soms, ha ha.’
‘Jullie hebben makkelijk praten,’ zei Eric verongelijkt.
‘Hoezo, dacht je soms dat wij géén ballen hebben? Dat wij niets te verliezen hebben? Wat zeg jij, Sjon?’ zei Willem.
‘Je kunt niet voorzichtig genoeg met je klokkenspel omspringen.’
‘Wat lullen jullie nou,’ riep Eric nijdig. ‘Ik bied verdomme een project aan waarop jullie kunnen meeliften. Een droomlocatie. Ieder ander zou er zijn vingers bij aflikken. Over twee jaar lopen we binnen. En dan slaan jullie dreigende taal uit over mijn kloten.’
‘In plaats van jouw droomlocatie hebben we containers nodig. Niet over twee jaar, maar nu. Gek, hè, maar we hebben plotseling enorme behoefte aan een stel degelijke zeecontainers.’
‘Sorry, jongens. Ik handel niet in ijzeren roestbakken.’
‘Zie je nou, dat bedoelde Willem,’ zei Sjon achteloos.
De ambtenaar sloeg zijn glas bier achterover.
‘Weet je waarom wij zo van deze haven houden?’ veranderde Sjon van onderwerp. ‘Hier komen onze goederen binnen. Daarom hebben we opslagruimte nodig. Containers. Dan moet jij niet beginnen te lullen over luxebungalows en palmbomen.’
‘Jullie willen toch zo graag je overtollige geld beleggen? Nou dan! Dit zijn investeringskansen,’ wierp Eric tegen. Hij besefte dat er voor hem in deze discussie niets te winnen viel. Twee tegen één. Ook al had hij langer op school gezeten dan deze twee eikels samen, tegen hun straatwijsheid kon hij niet op. ‘Weet je wat ík zo mooi vind van de haven,’ begon hij. Maar hij kreeg niet de kans om een lofzang te houden op de romantiek van teer en touw, zeilen en lieren, golven en wind, ankerkettingen en de IJsselmeerballade.
‘Ben ik soms niet duidelijk geweest? Containers,’ zei Willem.
‘Nu we het toch over zaken hebben: hoe staat het met ons andere project?’ vroeg Sjon.
‘Dat vordert,’ zei Eric haastig. Hij probeerde monter te klinken, maar hij was er niet zeker van of dat lukte. Hij besloot het gesprek een andere wending te geven en wilde een vraag aan de ambtenaar stellen over de gemeentepolitiek, maar deze maakte zich juist uit de kring los. ‘Bier doet pissen,’ zei hij, en hij liep in de richting van het toilet.
‘Weet je nog?’ zei Sjon alsof het een afgesproken code was. ‘Die bar waarin we onze contanten van ons eerste hasjhandeltje hadden gestopt! We lieten het bier weglopen in het riool en gebruikten het koolzuur van de tap om ballonnen voor kinderfeestjes op te blazen. Maar we waren vergeten dat bij hoge bieromzetten ook een hoog waterverbruik hoort. Daar had de inspecteur van de belastingdienst aan gedacht. Extra water voor de pisbakken. Toen dat uitkwam, hingen we met onze witwaskroeg.’
Hij schudde van het lachen. Ook Willem bulderde van de lach.
‘Verbaast me niks. Jullie zijn geen zakenlui. Mijn constructies zitten beter in elkaar,’ zei Eric. Hij had het gevoel weer adem te kunnen halen.
‘Jouw constructies hebben een ander probleem. Het geld zit vast in stenen,’ zei Sjon.
‘Sjon heeft geld nodig. En wel op korte termijn. Dus heb jij een probleem, Eric,’ voegde Willem er aan toe.
‘De belastingman, hè. Die laat je nooit los,’ zei Sjon. Hij maakte een gebaar met zijn handen als klemmen om zijn strot.
De ambtenaar kwam terug van de wc. ‘Nog een rondje op kosten van de gemeenschap?’ zei hij toen hij zich weer bij het groepje had gevoegd.
‘We zijn dus wel sereneus,’ zei Willem. Hij deed een stap in de richting van Eric.
‘Jij zeker,’ grapte Sjon, wijzend op Willems geprononceerde reukorgaan.
De ambtenaar bestelde een rondje. Eric aarzelde. Het liefst zou hij de whisky laten staan, naar buiten lopen, in zijn auto stappen en wegscheuren. Maar daar was geen sprake van. Hij kon geen kant op. Sjon en Willem stonden zo dicht voor hem dat hij de messing reling van de bar in zijn rug voelde drukken.
‘Het is een langetermijnproject. Maar ik beloof jullie dat ik ervoor zal zorgen dat er binnenkort geld loskomt. Dat is voor mij een koud kunstje.’
‘Over kunstje gesproken,’ zei Willem. ‘Zie je die bel daar?’ Hij wees naar de koperen scheepsbel die aan het andere einde van de bar hing.
Voordat Eric er erg in had, had Willem een pistool getrokken en klonk er een doffe galm van metaal op metaal. De bel schommelde wild heen en weer. Hevig geschrokken dook de barman weg achter de tap. Eric deinsde opzij.
‘Ben je besodemieterd, Willem!’ riep hij. ‘Die kogel kan terugkaatsen en iemand raken!’
‘Bel voor de laatste ronde!’ zei Willem jolig.
‘Luister eens goed, vriend,’ zei Sjon. Hij stond zo dicht bij Eric dat deze Sjons slechte adem kon ruiken. ‘Wij hebben contanten nodig.’
‘En containers,’ voegde Willem eraan toe. ‘Containers en contanten.’ Achteloos stak hij het pistool weer in de schouderholster onder zijn jasje.
‘Ik zal mijn best doen. Meer kan ik niet beloven, jongens, maar jullie moeten me vertrouwen. We zijn toch zakenpartners?’ zei Eric. De laatste zin sprak hij aarzelend uit. Hij was er zelf niet meer zeker van.
‘Weet je nog wat er met Paultje is gebeurd?’
Eric voelde een rilling over zijn rug trekken. Hij herinnerde zich maar al te goed hoe zijn advocaat Paul Sanders op klaarlichte dag aan zijn eind was gekomen.
3
Amsterdam, 31 oktober 2005
Advocaat Paul Sanders verkeerde in een opperbeste stemming. Het kennismakingsgesprek met een nieuwe zakelijke cliënt was boven verwachting verlopen. De man was een medisch specialist die een kliniek voor botoxbehandelingen was begonnen. De zaken liepen voorspoedig, de cliënten stonden in de rij en de inkomsten waren navenant. Maar de specialist was tegen een probleempje aangelopen. De kliniek had twee miljoen euro ontvangen, waarvoor borsten waren vergroot, vet was afgezogen, hangbillen waren opgetrokken of rimpels waren weggepleisterd. Voor deze behandelingen waren nooit declaraties uitgeschreven. Zijn cliënten beschikten niet alleen over slappe huidplooien, maar over nog méér slappe was. Ze betaalden cash. En van een van zijn klanten had de arts gehoord dat Sanders hem kon vertellen wat hij met die stapels knisperende bankbiljetten in de kluis moest doen.
Meester Paul Sanders was gespecialiseerd in juridische constructies voor private financiële planning. Zo stond het op zijn visitekaartje. Het was een nette omschrijving van wat in het dagelijkse spraakgebruik als ‘witwassen’ bekendstond, maar hij vermeed die term altijd zorgvuldig. Ten eerste wilde hij zijn status als lid van de orde van advocaten niet kwijtraken. Ten tweede was Sanders een keurige man en ten derde was private financiële planning een vrij nauwkeurige omschrijving van de diensten die hij zijn cliënten aanbood.
Sanders had een lunchafspraak met de arts gemaakt in Mangerie De Kersentuin, het exclusieve restaurant in Amsterdam-Zuid dat een zakelijke ambiance aan een hoge culinaire standaard koppelde.
Al bij het voorgerecht, een crèmeuse van kreeft, had Sanders de kwestie waarover de ondernemende arts zijn hoofd brak, opgelost. Bij het hoofdgerecht – zeeduivel met geroosterde schijfjes octopus – was het gesprek gekomen op de klantenkring van de botoxkliniek. Sanders overwoog om als honorarium voor zijn advies een gratis behandeling voor zijn ex-vrouw te vragen. Anderhalf jaar geleden waren ze gescheiden. Zijn vrouw kon zich niet meer verenigen met zijn werk. Talloze keren had ze hem gewaarschuwd dat hij zich met verkeerde klanten inliet, zich in het milieu van zijn cliënten liet meezuigen en dat hij gevaar liep. Maar hij had geen aandacht aan haar bezorgdheid besteed. Toen hij op een avond thuiskwam van kantoor, lag er een doos Merci-chocolaatjes op de keukentafel. Met een briefje erbij dat ze een advocaat in de arm had genomen voor de afwikkeling van de scheiding.
De ober had de fles Pouilly Fumée uitgeschonken. Sanders en zijn gast besloten tot een krokante crème brulée als nagerecht en nadat ze een doppio espresso hadden genuttigd om het effect van de alcohol te neutraliseren, waren ze opgestaan. In de lobby praatten ze nog even na. Sanders zag in de hoek twee mannen in strakke pakken staan. Cliënten van hem, scharrelaars uit de onderwereld. Die hadden ook behoefte aan financiële planning. De Kersentuin was een favoriet trefpunt voor hun besprekingen en Sanders was hun favoriete adviseur. Maar toen hij de twee mannen naar hem zag kijken, beving hem een onheilspellend gevoel.
De laatste maanden stond Paul Sanders onder steeds grotere druk. Hij was gespannen, had last van een pijnlijke nek en schouders en zijn migraineaanvallen kwamen vaker terug. Het had te maken met de zakelijke deals waarin hij verwikkeld was. Wat was begonnen als een nevenactiviteit om iemand met een omgekeerd geldprobleem een adviesje te geven over een trust op de Britse Kanaaleilanden, een Anstalt in Liechtenstein, aandelen aan toonder in Panama, een coderekening in de Cariben of de opening van een ‘derde geldrekening’ ten behoeve van een cliënt, was uitgegroeid tot een web van financiële constructies waarbij de grenzen van het toelaatbare steeds verder waren opgerekt. En hij was de bedrijvige spin in het netwerk.
Natuurlijk liet hij zich niet rechtstreeks in met de activiteiten van zijn klanten. Dat had hij ook zo vaak tegen zijn ex gezegd. Hij was advocaat. Adviseur. Raadgever. Consigliere, zoals een relatie uit het onroerend goed hem steevast met een mengeling van spot en bewondering noemde. Sanders koesterde die bijnaam. Hij bedacht constructies, leverde juridische rechtspersonen, trad op als zaakwaarnemer. Vroeger bleef het daar bij. Maar er deden zich tegenwoordig steeds vaker conflicten voor. Zijn cliënten deinsden niet terug voor intimidatie en er was al een paar keer iemand op zijn kantoor verschenen die iets anders in zijn tas had zitten dan uittreksels van de Kamer van Koophandel.
Paul Sanders probeerde daar niet aan te denken. Hij had een succesvol kantoor opgebouwd, hij had twee opgroeiende kinderen die de scheiding goed hadden verwerkt. Hij zag er patent uit voor een eindveertiger en hij had een fantastische nieuwe vriendin die stapelverliefd op hem was. Binnen afzienbare tijd ging hij zich met haar terugtrekken op een tropisch eiland.
Daarom was hij ingenomen met het lunchgesprek. De medische specialist was een ordinaire geldwolf, maar hij had er voor gestudeerd. Een vent met klasse. Dat kon hij van die makelaars, vastgoedhandelaren, horeca-uitbaters, voetbalbonzen en drugsdealers niet zeggen. Sommigen hadden niet eens de lagere school afgemaakt. Hun culturele horizon reikte niet verder dan de Privé en de Story, hun culinaire voorkeur ging uit naar kroketten en patatjes-oorlog. Als hij zijn klantenkring kon zuiveren en zich ging richten op nette beroepsgroepen zoals medisch specialisten, raakte hij die chronische kramp in zijn nek en schouders vast ook snel kwijt.
De twee mannen in de hoek van de lobby knikten naar Sanders en draaiden zich vervolgens om. Vreemd. Meestal kwamen ze op hem af om de laatste roddels uit te wisselen. Hij voelde een pijnscheut naar zijn slapen schieten. Verdomme. Nu geen migraineaanval. Hij had nog een middag met afspraken te gaan.
Buiten nam Sanders afscheid van de medicus. Hij beloofde snel de benodigde zaken in gang te zetten. De specialist stapte in een sportwagen die op het parkeerterreintje van De Kersentuin stond. Met een joviale zwaai reed hij weg in de richting van het kruispunt van de Apollolaan.
Paul Sanders keek hem na. Achter zich hoorde hij voetstappen. Met een ruk draaide hij zich om. De twee mannen die in de lobby hadden gestaan, liepen naar buiten. Zwijgend keken ze in zijn richting. Een van hen hield een mobieltje aan zijn oor. Nee, hij moest niet paranoïde worden. Hij was advocaat, geen crimineel. Toch ging er opnieuw een pijnscheut door zijn hoofd. Hij voelde zich bedreigd. Niet lang geleden had hij een huiveringwekkend conflict gehad met een van zijn cliënten. Die was zijn kantoor binnengestormd en had beweerd dat Sanders hem wilde afpersen. Wat een onzin! Hij wist niet eens hoe hij dat zou moeten aanpakken. Oké, er was een meningsverschil, een zakelijke ruzie over geld. Maar het was zo hoog opgelopen dat er een vent in een trainingspak van de sportschool op zijn kantoor was verschenen die de loop van een pistool tegen zijn slaap had gezet. Sanders had de moed niet gehad om alarm te slaan. Zonder een woord te zeggen was de zware jongen weer verdwenen, maar de schrik zat er goed in. Uit voorzorg had Sanders een deel van zijn dossiers in het huis van zijn vriendin opgeslagen. En sindsdien dacht hij na over de opschoning van zijn cliëntenbestand.
In gedachten verzonken liep Sanders naar de Apollolaan, een brede straat met dubbele rijbanen die van elkaar gescheiden werden door een plantsoen met rozenbottelstruiken. Hij keek naar links. Er reed een zwarte Porsche voorbij, daarna volgden twee donkerblauwe bmw’s en een zilvergrijze Mercedes. Een pizzakoerier scheurde voorbij op een scooter waarvan de speakers zo waren opgevoerd, dat de housemuziek over de straat dreunde. Nadat hij had vastgesteld dat de weg vrij was, stak hij over naar het plantsoen. Hij liep langs een bankje waarop twee jonge mannen zaten. Ze hadden honkbalpetjes op en maakten aanstalten op te staan. Maar ze bleven zitten toen een bejaarde man met een hond aan een lijn Sanders op agressieve toon aansprak. De man vloekte omdat hij vond dat Sanders zijn hond voor de voeten liep.
Azijnpisser, dacht Sanders. Laat je snerthond op de stoep voor je eigen huis schijten.
Aan de overkant van de andere rijstrook stond zijn kantoor. Het was gevestigd in een sober pand, onderdeel van een huizenblok in de Amsterdamse stijl uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Sanders & Sanders stond met sierlijke koperkleurige letters op de gevel van nummer 109. Die dubbele naam was bluf, een manier om status uit te stralen. Sanders & Sanders maakte meer indruk dan Sanders in enkelvoud. Trouwens, hij maakte uren voor twee en hij declareerde ook voor twee. De naam was daarmee in zijn ogen een weergave van de werkelijkheid.
Halverwege het plantsoen bedacht Sanders zich. Hij had zijn vriendin beloofd een schilderijtje te kopen van een beginnende kunstenaar. Zijn vriendin had oog voor talentvolle schilders voordat ze doorbraken in het snobistische galeriecircuit. Zo’n jongen wilde natuurlijk contant betaald worden. In het elektronische tijdperk maakte ouderwets papiergeld een nieuwe bloeiperiode door. Steeds meer zaken waren op kasbasis – niet traceerbaar voor de grijpgrage fiscus. Dus in plaats van recht over te steken liep hij in de richting van de bank op de hoek van de Beethovenstraat.
Hij pinde duizend euro en stak die opgevouwen in de binnenzak van het jasje van zijn Hugo Boss-pak. Daarna liep hij in gedachten verzonken terug naar zijn kantoor.
De dreigementen die hij de afgelopen weken had gekregen, spookten door zijn hoofd. Misschien had zijn ex-vrouw toch gelijk, al zou hij dat nooit erkennen. Hij moest zich van een andere clientèle voorzien. De specialist met wie hij geluncht had, was veelbelovend en kon in ieder geval zijn bloeddruk in de gaten houden.
Sanders liep langs de bronzen beeldengroep aan de kopse kant van het plantsoen. Nooit schonk hij er aandacht aan, nu bleef hij onwillekeurig even staan. Drie figuren, twee mannen en een vrouw. Hier, op 24 oktober 1944, hadden de Duitse bezetters 29 gevangen verzetsmensen als represaille gefusilleerd. Het verzet pleegt acties en als de vijand wraak neemt, heet dat een represaille, besefte hij. Net zoals bevriende soldaten sneuvelen en vijanden gedood worden.
En als hij zelf nu eens wraak zou nemen? Daar had hij verdomme alle reden voor, dat kon hij rustig stellen. Hij kon terugslaan. Iemand inhuren. Een beveiliger. Hij kende een klant die grossierde in contacten met de Hells Angels en andere kleerkasten in leren jacks met armen als scheepskabels, voorzien van tatoeages van hakenkruizen. Die waren voor wat handgeld best bereid een klusje op te knappen. Hij keek naar de standbeelden van de verzetsmensen. Als het verzet in de oorlog tegenstanders uit de weg ruimde, was dat een zaak van gerechtigheid. De moordenaar was een held. Later werd er een film over hem gemaakt, een boek over hem geschreven en een straat naar hem vernoemd.
Verdomme, wat verbeeldde hij zich. Er was helemaal geen oorlog. En hij was geen verzetsheld. Het was een mooie herfstmiddag in Amsterdam en hij was gelukkig.
Geërgerd over zijn eigen hersenspinsels draaide hij zich om en liep over de stoep naar zijn kantoor.
Schuin voor de deur stond een donkerblauwe Mercedes-bestelbus geparkeerd. Sanders merkte op dat de bus een Duits nummerbord had. Zie je wel, moffen, flitste het door zijn hoofd, alsof de oorlog niet al ruim zestig jaar geleden was afgelopen. Een man met een sjekkie in zijn mond stak zijn hoofd uit het raampje aan de stoepkant. Hij gebaarde naar Sanders. De advocaat vertraagde zijn pas. Hij stond vlak bij de deur van zijn kantoor, hij had de sleutel al uit zijn broekzak gevist. Terwijl hij zich verwonderd wendde naar de man die half uit de bestelbus hing en hem in onsamenhangend Duits iets vroeg, zag hij in de verte twee mensen vanaf het plantsoen de straat oversteken. De jongens met de honkbalpetjes. De langste van de twee had een opzichtig rood-wit gestreepte trui aan, de ander droeg een blauw jack van de voetbalclub Chelsea. De jongen met de streepjestrui hield een plastic tas in zijn hand geklemd. Nonchalant maar doelgericht slenterden ze op hem af. Sanders voelde een golf van paniek door zijn lichaam gaan. Instinctief dook hij ineen.
Ratatatatatat. Het geluid van de schoten registreerde Paul Sanders eerder dan het snijdende gevoel in zijn borst. Hij klapte dubbel, sloeg in een reflex zijn armen voor zijn bovenlichaam. Het was een film. Nee, besefte hij, het was echt. Jezuschristus nog aan toe, ze nemen me te grazen! signaleerden zijn hersenen. Het was klaarlichte dag, hij was vlak bij zijn kantoor, hij was nog bij bewustzijn. Zijn handen voelden warm aan. Bloed, heel veel bloed. Vertwijfeld keek hij naar de man die uit het raampje van de bestelbus hing, maar hij zag hem niet meer. Was de bus verdwenen? Zijn blik werd wazig. Wankelend probeerde hij zijn kantoor te bereiken. Drie, hooguit vier meter scheidden hem van de voordeur. Achter die deur zaten zijn secretaresse en zijn juridische medewerker. Die zouden hem naar binnen sleuren, hem op een stoel zetten, de bloedende wond stelpen, hem een aspirientje geven en de politie en de ambulance bellen. Het was toch oorlog.
In een trage val sloeg Sanders voorover op de stoeptegels. Hij voelde niets, geen schaafwonden op zijn armen en knieën, geen scheuten van pijn in zijn borst, zelfs geen steken in zijn buik, hoewel zijn ingewanden zonder dat hij het besefte als verse slagersworsten naar buiten stulpten en het bloeden steeds heftiger werd. Het was alsof de kogelregen hem compleet verdoofd had. Hij was gevloerd, maar hij kon zich nog wel bewegen. Met zijn benen probeerde hij zich af te zetten om zich met een uiterste krachtsinspanning in de richting van de voordeur van zijn kantoor te slepen.
Ratatatatat klonk het opnieuw, maar Sanders registreerde het niet meer. Zijn lichaam stuiterde heen en weer door de impact van de kogels. ‘Godverdomme,’ vloekte hij voor niemand hoorbaar, ‘ik had mijn testament moeten veranderen.’ Bloed liep uit zijn mond op de grond. Met een wanhopige poging richtte hij zich half op en het laatste wat hij zag waren de twee mannen met de honkbalpetjes, die zwaaiend met een plastic tas rustig wegliepen in de richting van de Beethovenstraat.
4
zorgvlied, 7 november 2005
De begrafenis van Paul Sanders vond een week later plaats.
Het had enkele dagen geduurd voordat het lijk was vrijgegeven door het Forensisch Instituut. Ondertussen had het onderzoek naar de moord op de advocaat nog niets opgeleverd. Wel verklaarde een politiewoordvoerder op een persconferentie waar de journalisten tot in de gang stonden om snippers nieuws op te vangen, dat er nuttige aanwijzingen waren verzameld. De assistente van een tandartspraktijk vlak naast het kantoor van Sanders had de schoten gehoord. Nieuwsgierig had ze uit het raam gekeken, maar ze was zó geschrokken dat ze geen details van de tragedie kon geven. Er was een oudere man die op het moment van de schietpartij zijn hond uitliet. Hij wist zeker dat hij twee zwarte jongens op een scooter had zien wegrijden. De beveiligingscamera van het nabijgelegen Apollo Hotel had een glimp van de gebeurtenissen voor nummer 109 opgenomen. De beelden werden nader onderzocht.
De rechercheurs hadden de omgeving van het kantoor van Sanders uitgekamd op sporen. Ze hadden gezocht naar voetafdrukken in het gras en naar bandenstrepen op straat, naar sigarettenpeuken, blikjes, papiertjes, kaartjes, bierviltjes of andere spullen die de daders onbedoeld hadden achtergelaten terwijl ze Sanders opwachtten. Maar er was niets gevonden. Het waren professionals geweest.
Behalve de vaststelling dat de 48-jarige advocaat van dichtbij doorzeefd was door een regen van kogels, type ss-190, en dat de camerabeelden van het hotel wezen op daders met een blank uiterlijk, tastte de politie in het duister. Er waren geen verdachten. Wel werd de blauwe Mercedes met het Duitse nummerbord na enkele dagen gevonden. De bestelbus stond geparkeerd in De Baarsjes, een Amsterdamse wijk waar overwegend Turkse en Marokkaanse immigranten woonden. Het busje bleek een maand eerder in Keulen te zijn gestolen. Hij was opgevallen omdat de parkeerwachters routinematig bekeuringen onder de ruitenwisser stopten, zonder dat die werden verwijderd. Ze hadden de sleepdienst gesommeerd de bus weg te halen. Op de achterbank lagen een rood-wit gestreepte trui, een blauw jack en een onbeschreven ansichtkaart met een strandfoto van een vrouw met joekels van borsten en de tekst ‘So heiss isst IJmuiden!’
Haastig parkeerde Eric Pincoff zijn zilverkleurige Jaguar in de berm van de weg langs de Amstel. Hij was laat, een bespreking die hij onmogelijk kon afbreken had langer geduurd dan voorzien. Niet dat het voor de overledene iets zou uitmaken: aardse begrippen als op tijd komen telden niet meer voor Paul Sanders.
Pincoff liep over het knisperende grint naar de aula van begraafplaats Zorgvlied. Er waren zo veel belangstellenden dat de aula uitpuilde en mensen zelfs buiten stonden. Nog een geluk dat het mooi weer is, dacht Pincoff terwijl hij zich op afstand, terzijde van de ingang, opstelde. Tegen de lage herfstzon trok hij zijn borsalino verder over zijn voorhoofd. Binnen voerde iemand het woord. Aan de stem te horen vermoedde Pincoff dat de broer van Sanders sprak.
‘Paul was een advocaat die hart had voor zijn cliënten,’ ving Pincoff in flarden op. ‘De afgelopen dagen is hij in de pers afgeschilderd als “il consigliere”, de raadgever van de onderwereld. Dat is het tweede onrecht dat hem in deze korte tijd is aangedaan.’
Eric Pincoff had een hekel aan begrafenissen. Niet zozeer omdat ze hem met de eindigheid van het leven confronteerden, maar omdat ze hem eraan herinnerden dat hij nog zoveel ambities had. In zijn agenda was geen tijd gereserveerd voor Magere Hein. Maar bij het afscheid van Paul Sanders kon hij onmogelijk wegblijven. Sanders was zijn advocaat geweest, de man die met een handtekening juridische geldigheid aan zijn zakelijke transacties had verleend. Dat was van onschatbare waarde geweest. Daarom was Pincoff aanwezig. Maar hij hield zich op de achtergrond. Niemand hoefde hem hier te zien. Er waren persmuskieten, agenten in burger en prominenten uit het zakelijke milieu aanwezig. Hij zette de kraag van zijn Burberry omhoog.
‘Sigaret?’
Overvallen in zijn overpeinzing keek Pincoff naar links. De man die naast hem stond hield een pakje Dunhill voor hem open.
Pincoff schudde zijn hoofd. ‘Dank u. Ik rook niet.’
‘Ik ook niet,’ zei de man. ‘Behalve als ik straks in het crematorium word verbrand, ha ha.’
Hij nam een sigaret uit het doosje en stak die tussen zijn lippen. ‘“Blijf kalm, neem een Dokter Dushkind”. Herinnert u zich die slogan nog? Rode pakjes.’
Een gek, dacht Pincoff.
‘Nee,’ zei hij afwerend. Hij probeerde te luisteren naar wat er binnen gezegd werd. Tevergeefs, het geroezemoes buiten werd alsmaar luider.
‘Op een kerkhof vervliegen herinneringen,’ zei de man.
Pincoff keek geïrriteerd opzij. De onbekende die naast hem stond, was niet bijzonder groot en had slonzig haar dat in een paardenstaart op zijn rug hing. Met zijn versleten jeans, zwarte shirt en spijkerjack zag hij eruit als de overjarige drummer van een rockband uit de jaren zeventig.
‘Vriend van Paul?’ vroeg de man terwijl hij de sigaret aanstak.
Pincoff schudde opnieuw zijn hoofd.
‘Ik heb met hem op de middelbare school gezeten,’ ging de man door. ‘Toffe gozer. We zaten altijd achter dezelfde meiden aan. Hij was beter in lullen, ik in neuken, ha ha. Daarom is hij natuurlijk advocaat geworden.’ Er klonk een schorre lach. ‘En u?’ vroeg de man.
‘Zakenrelatie,’ zei Pincoff kortaf.
‘Daar had hij er veel van. Veel te veel. En van het veel te foute soort. Ik heb hem vaak gewaarschuwd. Kijk uit, Paultje, waar jij mee bezig bent is niet het hasjhandeltje dat we samen in de kantine van onze school runden. Zakje weed, jointje hier, stickie daar, weet je wel. We leverden zelfs aan de leraren. In ruil voor een voldoende voor onze repetities.’
‘Hij was een uitstekende juridische adviseur.’
‘Ja, voor kwaaie zaken. Toch een toffe gozer. De lui die hem hebben neergeknald moeten opgeknoopt worden,’ zei de man.
‘Sorry,’ zei Pincoff. ‘Ik moet gaan.’ Hij draaide zich om en liep in de richting van de aula. Hij wilde een glimp opvangen van de herdenkingsbijeenkomst. Alles beter dan deze overjarige hippie.
Twintig minuten later was de plechtigheid voorbij. De kraaien van de begrafenisonderneming tilden de berkenhouten kist op een trolley en duwden die langzaam naar buiten. Op de kist lagen kransen met witte bloemen. ‘Paul houdt van wit,’ had op de overlijdenskaart gestaan – en dat was geen toespeling op het spul waarmee sommigen van zijn cliënten hun geld verdienden.
Achter het karretje met de lijkkist zette de stoet zich in beweging naar het vers gedolven graf. Pincoff keek toe van een afstand. Hij had zich bij een groepje bomen op een heuveltje geposteerd, zodat hij overzicht had zonder zelf op te vallen. Hij was verrast hoeveel mensen hij kende. Een enkeling knikte naar hem, een teken van wederzijdse herkenning. Anderen deden alsof ze ondergedompeld waren in bodemloos verdriet. Een begrafenis is een sociale gebeurtenis, wist Pincoff. Een gelegenheid voor mensen om te zien en gezien te worden. Om met hun aanwezigheid anderen te trotseren of uit te dagen. Muizenman, Lodderer en andere zwaargewichten uit de onderwereld – godallemachtig, ze waren er allemaal. Sommigen hadden eigen lijfwachten meegenomen, stevig gebouwde mannen in korte leren jacks en met kaalgeschoren hoofden die in een cordon met hun baas opliepen. Hij zag ook een paar populaire zangers, televisiepersoonlijkheden, topvoetballers en zelfs enkele lokale politici. Het lijkt wel een soap, dacht hij. Sanders mocht tevreden zijn: zijn uitvaart had een uitzonderlijk hoog bekijksgehalte.
Pincoff zag hoe de stoet zich traag over het slingerende pad van de begraafplaats bewoog. Direct achter de kraaien in hun zwarte jacquets die het wiebelende karretje met de kist voortduwden, liep een jonge vrouw. Ze had een hoed op met een brede rand en een zwarte voile. De vrouw werd ondersteund door een man in wie Pincoff de broer van Sanders herkende. Daarachter liepen een jongen en een meisje. De zoon en dochter uit Sanders’ eerste huwelijk, vermoedde Pincoff. Ze waren zichtbaar ontredderd.
Even verbaasde Pincoff zich over de vrouw die aan de arm van Sanders’ broer liep. Zij moest de vriendin zijn over wie de advocaat het wel eens met hem had gehad. Maar zijn aandacht werd alweer door andere rouwenden getrokken. Een man met een mobieltje aan zijn oor maakte drukke gebaren. Een vrouw was in de weer met een videocamera alsof dit een opname van Big Brother betrof. De chef-kok van Mangerie De Kersentuin liep mee. Welja, die ook al.
Langzaam trok de stoet verder. Vanaf zijn positie zag Pincoff dat er langs het pad rechercheurs stonden, herkenbaar aan hun vormeloze overjassen. En fotografen van de roddelpers die rouwende bn’ers in beeld probeerden te krijgen. Pincoff was opgelucht dat hij voor de beschutting van de bomen had gekozen. Het gefluit van de vogels in de takken boven zijn hoofd gaf tenminste wat verstrooiing.
Hij besloot niet naar de condoleancereceptie te gaan. Zodra een teerbeminde overledene was afgevoerd, onder de zoden gestopt of in de verbrandingsoven verdwenen, stortten de gasten zich kwetterend op het koude buffet, de koffie, de cake, de sigaren, de drank en op elkaar. Daar paste hij voor. Hij had zijn laatste eer aan Paul Sanders betoond door het register te tekenen.
In gepeins verzonken liep Pincoff terug. Achter zich hoorde hij voetstappen in het grint. Toen hij zich half omdraaide, herkende hij de man in het spijkerjack, de schoolvriend van Sanders.
‘Trekje?’ vroeg de man. Hij strekte zijn hand uit waarin hij een zelfgerolde joint hield.
Pincoff negeerde hem.
‘Na zo’n heftige gebeurtenis moet ik altijd even blowen. Even weg van de wereld.’ De man inhaleerde diep en blies kringen rook de lucht in.
‘Waar zou Paul terechtkomen? Ik geloof in een leven na de dood, begrijpt u. Maar eigenlijk weet ik niet waar dat leven na de dood zich bevindt. Het is er wel, maar je weet niet waar de weg ernaartoe begint. “Stairway to Heaven”, kent u dat nummer? Helemaal te gek.’
Pincoff slikte zijn antwoord in. Het had geen zin met deze verslaafde te discussiëren.
‘Als u me niet kwalijk neemt, ik heb een beetje haast,’ zei hij, en versnelde zijn pas.
‘In de nabijheid van de dood hebben we allemaal haast. Maar u hebt gelijk. Als ze de dode hebben opgeborgen kun je beter gaan.’
Ze gingen samen door het hek van het begrafenisterrein. Pincoff wilde naar zijn auto lopen die een eind verderop in de berm geparkeerd stond. De man bleef achter hem aanlopen.
‘Kunt u me een lift geven?’ vroeg hij, toen ze de Jaguar bereikt hadden. ‘Ik ben mijn strippenkaart vergeten.’
Pincoff aarzelde. Hij kon niet direct een argument verzinnen om de man af te wijzen. Bovendien was hij toch emotioneel geraakt door de plechtigheid. Een gebaar van mededogen zou hem goed doen.
‘Oké,’ zei hij korzelig. ‘Stap maar in. Ik breng je wel naar de stad.’ Hij gooide zijn borsalino op de achterbank.
‘U bent een gave gozer,’ zei de man tevreden. ‘Volgens mij bent u de enige fatsoenlijke man die op de begrafenis van Paul aanwezig was. Ik heet trouwens Broos. Broos van Ambrosius. Dat zeg ik er altijd bij, anders denken mensen dat ik van de luchtige chocoladerepen ben. Weet u nog, brosbrosbros, ha ha.’ Hij stak zijn hand uit.
Eric Pincoff beantwoordde de kennismaking, deed het sleuteltje in het contact, startte de Jaguar en draaide op de smalle weg. ‘Zeg maar waar ik je kan afzetten,’ zei hij afgemeten.
De man naast hem liet zich behaaglijk in de leren stoel zakken en genoot tevreden van zijn joint. Het interieur van de auto vulde zich met de weeïg zoete marihuanageur.
‘Krijg nou wat,’ zei Broos na een paar minuten. Hij keek Pincoff wazig aan. ‘Ken ik jou niet ergens van? Van de televisie of zo?’
Pincoff draaide zijn hoofd even naar zijn passagier. ‘Dat zou kunnen. Ik ben wel eens in een tv-programma te zien geweest.’
‘Santeflikken, ik zit bij een bekende Nederlander in de auto.’
‘Welnee,’ zei Pincoff haastig. ‘Je hebt tegenwoordig zo veel zenders dat bijna iedereen wel eens met zijn kop op de televisie verschijnt.’
‘Jij mooi wel en ik mooi niet. Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?’
Pincoff keek even opzij en concentreerde zich daarna weer op het stadsverkeer. ‘Het zal je niet echt interesseren. Maar ik ben projectontwikkelaar. Ik ontwikkel projecten. Grote projecten. Die trekken de aandacht van de business-programma’s op de televisie.’
‘Santeflikken,’ zei Broos opnieuw. ‘Zit ik in de auto naast de ontwikkelaar van grote projecten.’
‘Waar kan ik je afzetten?’ vroeg Pincoff ongedurig. Hij had schoon genoeg van zijn passagier.
5
aken, donderdag 22 juni 2006
Eric Pincoff keek op zijn horloge, trok zijn donkerblauwe stropdas met een speels motiefje van palmboompjes recht, streek zijn haar naar achteren en haalde een paar keer diep adem. Onopvallend gleed hij even met zijn vingers langs het medaillon dat hij aan een gouden kettinkje onder zijn overhemd droeg. Hij ging verzitten op de ongemakkelijke houten stoel en sloeg zijn linker- over zijn rechterbeen.
Pincoff zat op de eerste rij in de Kroningszaal van het Raadhuis in Aken. Een historische ruimte, vol verwijzingen naar de keizers en keurvorsten van het Heilige Roomse Rijk. Tussen de bogen van de kruisribgewelven bevonden zich muurschilderingen die hoogtepunten uit het leven van Karel de Grote verbeelden.
De zaal was tot de laatste stoel gevuld. Er zaten europarlementariërs, Europese ambtenaren, ondernemers, lobbyisten en journalisten. Zo veel mensen op een bijeenkomst waarvan hij het middelpunt was – daar hield Pincoff niet van. Hij werkte het liefst in de anonimiteit, discreet en doelgericht. Maar vandaag kon hij zich er niet aan onttrekken. Onder zijn oksels voelde hij de vochtplekken groter worden.
Op het podium stond de Europese commissaris voor ondernemingen en industrie, Lena Feldspath. ‘Het is mij een bijzonder genoegen om de Europese Ondernemer van het Jaar aan u te mogen voorstellen,’ zei ze. Ze keek met een bemoedigende glimlach naar Eric Pincoff. Deze ging opnieuw verzitten en sloeg het rechter- over het linkerbeen.
Lena Feldspath was een vrouw die maatregelen had getroffen om er jeugdiger uit te zien dan ze in werkelijkheid was. Haar postuur vertoonde de kenmerken van een rigoureus dieetregime, de huid van haar gezicht stond strak van de botox. Ze had halflang, bruin geverfd haar en ze had een leesbril op met een donkerrood montuur. Met een Hermès-sjaaltje om haar nek, goudkleurige oorbellen en een kordaat mantelpak straalde ze de daadkracht uit van een vrouw die carrière had gemaakt – eerst in de politiek, daarna in het bedrijfsleven. Lena Feldspath was een vrouw van 61 jaar en altijd goed voor krasse uitspraken.
‘De Europese ondernemer van het jaar is een man met ballen.’
De aanwezigen in de zaal schoten in de lach.
‘Als vrouw met ruime ervaring in de mannenwereld mag ik dit wel zeggen,’ grapte Feldspath. Ze haalde met haar hand een piek van haar haar naar achteren. De leesbril zakte op het puntje van haar neus. Weer in ernst vervolgde ze: ‘Onze Ondernemer van het Jaar slaagt erin om projecten uit de grond te stampen. Projecten waarvoor wij hem in de toekomst dankbaar zullen zijn. Hij is een bouwer met een ideaal. Hij verwezenlijkt dromen, hij begint waar anderen eindigen.’ Opnieuw keek ze naar de man die ongemakkelijk schuivend op zijn stoel op de eerste rij zat.
‘Zijn nieuwste project is uitzonderlijk ambitieus. De aanleg van een vliegveld op een kunstmatig eiland in zee. Met dit Charlemagne Airport zal noordwest-Europa tot ver in deze eeuw bereikbaar zijn voor de nieuwe generatie superjumbo’s uit Azië en de Verenigde Staten. Dit vliegveld in zee ontlast de dichtbevolkte agglomeraties waarin de luchthavens nu liggen. De geluidsoverlast, het calamiteitenrisico, de congestie op de grond én de luchtverontreiniging zullen afnemen. Dit is de oplossing voor het overvolle luchtruim boven het dichtstbevolkte gebied van Europa. De bouw van een kunstmatig eiland is ook nog eens een uitdaging, een impuls voor de Europese economie. Het is een symbool voor de toekomst. Iedereen práát daarover, onze winnaar van dit jaar dóet het. Alle reden dus, dames en heren, om Eric Pincoff uit te roepen tot de Europese Ondernemer van het Jaar!’
Lena Feldspath maakte een armgebaar. Eric Pincoff stond op en liep naar het podium.
De eurocommissaris gaf hem een ingelijste oorkonde en een boeket zomerbloemen. Daarna gaf ze hem een felicitatiezoen. Het publiek applaudisseerde.
Nadat de camera’s de huldiging hadden vastgelegd, stapte Eric Pincoff naar de katheder. Hij nam een slokje water en haalde een papier uit de binnenzak van zijn jasje. ‘Ik ben,’ begon hij, ‘ik ben dankbaar voor de eervolle uitverkiezing die mij ten deel is gevallen. Ik dank de jury, ik dank de Europese Commissie, ik dank mevrouw Feldspath.’
Nu knikte Pincoff glimlachend in de richting van de eurocommissaris, die op de voorste rij in de zaal was gaan zitten.
‘Mevrouw Feldspath zei dat Charlemagne Airport mijn project is. Dat is gedeeltelijk waar. U kunt zich voorstellen dat mijn droom van een vliegveld in zee kapitale investeringen vergt. Bedragen die groter zijn, veel groter dan een kleine projectontwikkelaar zich kan veroorloven. Daarom ben ik blij met de financiering die de Europese Unie heeft aangeboden. Zonder die steun zou ik het project niet kunnen verwezenlijken.’
Opnieuw werd er geapplaudisseerd.
‘Dank u,’ zei Pincoff. Hij vervolgde: ‘Weet u, ik ben klein begonnen. Mijn eerste klus bestond uit het opknappen van het huisje waarin ik met mijn ouders woonde. Ik was negen jaar en hielp mijn vader een wandje te timmeren in het kamertje waarin mijn oudere zus en ik sliepen. Als ik daarop terugkijk,’ zei Pincoff licht geëmotioneerd, ‘heb ik het toch een aardig eind geschopt.’
‘Santeflikken, dat mag je wel zeggen!’ riep iemand in de zaal. Verrast keek Pincoff in de richting waar de kreet vandaan kwam. Op de vierde rij zat de man met de paardenstaart die hij had ontmoet bij de begrafenis van Paul Sanders. Even was hij van zijn stuk gebracht, maar hij herstelde zich onmiddellijk. ‘En sindsdien ben ik verslingerd aan het vastgoed,’ vervolgde hij.
Met een beweging van zijn hoofd gooide hij zijn haar naar achteren. ‘Mevrouw Feldspath zei dat ik een droom heb. Die droom wil ik met u delen.’ Hij streek opnieuw met zijn vingers over het medaillon onder zijn overhemd. ‘We zijn vandaag bijeen in Aken. In deze zaal werden de keizers van het Heilige Roomse Rijk gekozen en vonden de kroningsmaaltijden plaats. Aken staat bekend als de stad van Karel de Grote.’ Pincoff nipte aan het glas water. ‘De Frankische vorst had hier rond het jaar 800 zijn hof. In menig opzicht was hij de voorloper van de Europese gedachte. Hij was de eerste vorst die Frankrijk, Duitsland, de lage landen, Italië en Noord-Spanje onder één gezag verenigde. Hij bracht het christendom naar de gewesten die hij veroverde. Als legeraanvoerder trok hij ten strijde tegen de heidense Saksen in Duitsland en de mohammedaanse Saracenen in Spanje. Later heerste hij als vredeskeizer over een gebied met één munt en één bestuur. In die politieke en economische eenheid kwam de West-Europese cultuur na eeuwen van verval weer tot bloei. En wij plukken daar de hedendaagse vruchten van.’
Pincoff nam opnieuw een slok water. ‘Tegenwoordig heeft Europa opnieuw te maken met stagnatie. Maar wat doen onze politieke leiders om het tij te keren, behalve vrome gezichten trekken en schijnheilige beloftes doen? Helemaal niets!’
De Ondernemer van het Jaar legde het papier met zijn toespraak op de lessenaar en deed een stap opzij, zodat hij recht voor de zaal stond. Hij sprak uit zijn hoofd, gebarend met zijn beide armen.
‘Het gezag van het christendom is weggevaagd, de islam rukt op, we leven in een geestelijk en moreel vacuüm. Wij moeten iets tegenover de leegte stellen. Iets wat ons in Europa bindt. Daar, dames en heren, wil ik mij voor inzetten.’
Uit de zaal klonk geschuifel en gekraak van stoelen. Het publiek wist zich niet goed raad met Pincoffs woorden. Was dit een zakenman die zijn politieke platform presenteerde? Een godsdienstijveraar? Een hedendaagse kruisridder?
‘Karel de Grote,’ ging Pincoff onverstoorbaar verder, ‘was de vorst van het christelijke avondland die ten strijde trok tegen de kaliefen van het islamitische morgenland. Ja, mensen, dat speelde twaalfhonderd jaar geleden ook al. De islam was diep in West-Europa doorgedrongen. Het had geen haar gescheeld of de moslimlegers hadden Europa onder de voet gelopen. Op een herhaling daarvan zit Europa niet te wachten. Daarom stel ik voor om een campagne te beginnen voor het herstel van de roem van Karel de Grote. Een beweging. De Karolingische beweging.’
Nu klonk er aanzwellend applaus. Bezwerend hief Pincoff zijn handen om de zaal tot stilte te manen.
‘Ik heb met een aantal bevriende ondernemers de Stichting Carlomagnus opgericht. Deze stichting kanaliseert geld ten behoeve van de Karolingische beweging. We hebben ons tot taak gesteld Europa weer een gevoel van gemeenschappelijkheid te geven. Met als voorbeeld Karel de Grote, de christelijke keizer in wiens historische palts wij vanmiddag feestelijk bijeen zijn.’
De aanwezigen stonden op en riepen ‘Bravo!’ alsof het de première van een Italiaanse opera betrof.
Na afloop was er een receptie in de barokke Witte Zaal van het Raadhuis. De gasten overstelpten Eric Pincoff met felicitaties. Voor zijn uitverkiezing als Europese Ondernemer van het Jaar, voor zijn project van het vliegveld in zee, voor zijn initiatief tot de Karolingische beweging.
Terwijl de gasten gretig van hun glaasjes sekt dronken en serveersters met schalen vol hapjes rondgingen, klonk overal instemming met de gedurfde plannen. Pincoff glom van trots. Hij voelde dat hij iets teweeg had gebracht.
De journalisten van kranten, radio- en tv-stations verdrongen zich om Pincoff te interviewen. Voor hun camera’s en microfoons zette hij zijn campagne voor een Karolingisch réveil nog eens uiteen.
‘Verwacht u geen moeilijkheden van radicale islamitische groepen?’ vroeg een reporter.
Pincoff wimpelde de vraag af. ‘Als we ons door angst laten leiden, hebben we de strijd bij voorbaat verloren. In het zakenleven kun je niet bang zijn. Dat ben ik ook niet als het om hogere doelen gaat.’
‘Karel de Grote voerde oorlogen en liet zijn tegenstanders vermoorden. Wilt u dat ook?’ drong de verslaggever aan.
‘Nee, de Karolingische beweging is een vreedzaam initiatief. Het is geen kruistocht, wel een beweging met wortels in onze geschiedenis en cultuur.’
‘U bent volslagen getikt,’ mompelde de verslaggever en draaide zich om.
Eurocommissaris Feldspath kwam naast Pincoff staan. ‘Gefeliciteerd, je hebt een schitterend verhaal gehouden,’ zei ze. ‘Reken op mij. Ik zal in Brussel doen wat ik kan.’ Ze sloeg een arm om Pincoff heen en gaf hem een vochtige zoen op zijn wang. De Ondernemer van het Jaar liet zich de omhelzing welgevallen, terwijl de fotografen en cameralieden het spontane moment snel vastlegden. Daarna mengde Feldspath zich weer onder de aanwezigen.
‘Ik heb een vraagje,’ zei een morsige verslaggever die zich door de menigte naar voren drong.
‘Als u informatie over de stichting wilt, de folders liggen bij de uitgang,’ zei Pincoff. Hij was opgelucht dat de bijeenkomst bijna was afgelopen. Ondanks zijn weerzin tegen grote gezelschappen had hij een triomfantelijk gevoel. Hij was heer en meester van de situatie. Net als Karel de Grote op zijn slagvelden.
De journalist negeerde zijn opmerking. ‘U zei in uw toespraak dat u verslingerd bent aan het vastgoed. Dat klopt toch?’
‘Natuurlijk klopt dat. Ik ben opgegroeid met baksteen. Mijn bedrijven beheren omvangrijke vastgoedportefeuilles in diverse Europese landen.’
‘Dan is het u vast bekend dat uw naam in verband is gebracht met beleggingen in onroerend goed door de Amsterdamse onderwereld. Vindt u dat uw uitverkiezing tot Ondernemer van het Jaar…’
Abrupt onderbrak Pincoff de vragensteller. ‘Wat een onsmakelijke grap! Alsof ik de Ondernemer van de Onderwereld zou zijn. U beledigt me, meneer. Volgende vraag, graag.’ Hij speurde het groepje journalisten af, maar niemand zei iets.
‘Toch zijn er aanwijzingen…’ hield de journalist aan.
‘Hou nou toch op, meneer! Dat zijn valse geruchten uit het zakelijke roddelcircuit, die allang zijn weerlegd door mijn advocaat.’
‘Klopt het dat u cliënt was van Paul Sanders, de advocaat die afgelopen herfst voor de deur van zijn kantoor door de onderwereld is vermoord?’
Pincoff was even van zijn stuk gebracht. Afgemeten zei hij: ‘De heer Sanders was inderdaad mijn advocaat. Mijn vriend, mag ik wel zeggen. Zijn dood was een klap voor mij.’
Geïrriteerd draaide Pincoff zich van de journalist weg. ‘Zijn er nog andere zogenaamd kritische vragen?’ zei hij sarcastisch.
‘Hé, Eric, weet je nog wie ik ben?’
Pincoff herkende de stem onmiddellijk. De man met de paardenstaart stond achter hem.
‘Broos, weet je wel? Broos van de begrafenis.’
‘Zeker,’ zei Pincoff, opgelucht dat hij van de lastige journalist af was. ‘In mijn auto hing nog dagen de geur van de joint die je rookte toen ik je een lift had gegeven in Amsterdam.’
‘High in the Jag! Dat was me nog nooit overkomen! Santeflikken, wat een trip was dat.’ Broos pakte Pincoff bij zijn elleboog.
‘Gaaf plan van je met die Karodinges. Zie ik helemaal voor me. De heilige graal, tovenaar Merlijn, Parcifal, de ridders van de ronde tafel… Helemaal te gek!’
‘Die horen bij Koning Arthur. Ik heb het over Karel de Grote.’
‘Maakt niet uit. Dat is ook een gave gozer geweest. Hoe heet keizer Karels hond, weet je wel!’
Broos haalde een pakje shag uit zijn broekzak en begon geroutineerd een joint te draaien. Vrijwel onmiddellijk kwam er een geüniformeerde medewerker van het Raadhuis op hem af. ‘Het is hier verboden te roken, mijnheer,’ zei de zaalwachter streng.
‘Ik rook niet, ik inhaleer!’ protesteerde Broos, maar hij stak de joint weer in zijn zak.
‘Wat brengt jou hier?’ vroeg Pincoff.
‘Een kennis van me die journalist is, wilde wel eens weten wie mijn privé-chauffeur is geweest,’ zei Broos. ‘Ha ha, goede grap. Nee, ze wil jou spreken omdat ze had gelezen dat jij de uitverkoren man van het jaar bent. En ik ben met haar meegekomen. Want dit wilde ik niet missen. Santeflikken! Mijn chauffeur is ontwikkelaar van projecten en man van het jaar! En Kareldinges.’
‘Dan hoop ik dat je ervan genoten hebt,’ zei Pincoff. ‘Bedankt voor je komst.’
‘Dit is trouwens de journalist die me heeft meegenomen,’ zei Broos.
Naast hem stond een jonge vrouw. Ze stak haar hand uit. ‘Hartelijk gefeliciteerd, meneer Pincoff,’ zei ze. ‘Mijn naam is Tessaloniki Insinger. Bijzonder om bij deze bijeenkomst aanwezig te zijn.’
Met een snelle blik nam Pincoff de journaliste op. Afwijkend van de overige gasten in hun formele kleding was ze sportief gekleed. Dure merkkleding, zag Pincoff.
‘Dank u. Vriendelijk dat u gekomen bent.’
‘Ik werk voor met. Management Europe Team. Dat tijdschrift kent u toch wel?’
Pincoff knikte bevestigend, al had hij geen idee over welk blad ze het had.
‘Ik wil graag een profiel van u schrijven. Een reportage over de Ondernemer van het Jaar,’ vervolgde de vrouw.
‘Met genoegen.’
‘En dan wil ik het ook over uw belangstelling voor de Karolingers hebben.’
‘Wat weet u van Karel de Grote?’
‘Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd. De vroege middeleeuwse literatuur fascineert me. Het Roelandslied…’
‘Ik hoor het al,’ zei Pincoff. ‘Ik geef zelden interviews, maar als u volgende week contact opneemt met mijn kantoor, maak ik wel een uurtje vrij.’
‘Eh, ik werk anders. In mijn reportages beschrijf ik zakenlieden los van hun dagelijkse beslommeringen. Door een tijdje met ze op te trekken. Buiten werk en kantoor.’
Pincoff nam haar onderzoekend op. De journaliste had zijn nieuwsgierigheid gewekt.
‘Het is geen oneerbaar voorstel, hoor,’ zei de vrouw geruststellend. ‘Maar het levert betere verhalen op. Indringender. Persoonlijker. Verrassender. Begrijpt u?’
‘Wat stelt u zich voor? Ik ben alleenstaand, heb geen hobby’s, leid een oersaai bestaan en werk dag en nacht.’
‘Dat valt toch wel mee? Ik heb me laten vertellen dat u een zeegaand zeiljacht heeft in de Marina van IJmuiden. Misschien is het mogelijk een keer met u mee te gaan. Een tocht op de Noordzee levert vast boeiend materiaal op voor een reportage.’
‘Kunt u zeilen?’ vroeg Pincoff verrast.
‘Anders zou ik het niet durven voorstellen,’ zei de journaliste met een bescheiden glimlach. Geroutineerd gooide ze haar golvende blonde haar met een beweging van haar hoofd naar achteren en rechtte ze haar rug zodat het even leek alsof haar borsten iets omhoog wipten.
Een halfuur later was de receptie afgelopen. De gasten stroomden het Raadhuis uit. Ook Tessaloniki Insinger en haar vriend Broos vertrokken. Als laatsten liepen Eric Pincoff en Lena Feldspath naar de uitgang. Met haar pager had Feldspath haar chauffeur opgeroepen om de dienstlimousine voor te rijden, maar die liet op zich wachten.
Pal voor de trap van het Raadhuis stond een oude groene scooter geparkeerd op het marktplein. Pincoff keek er misprijzend naar en zei, meer tegen zichzelf dan tegen Feldspath: ‘Had dat kreng niet ergens anders neergezet kunnen worden?’ Hij gaf een trap tegen de scooter, die wankelde op zijn standaard.
‘De bloemen en de oorkonde!’ riep Feldspath ineens. ‘Je hebt alles binnen laten liggen.’
Dat was waar ook. In het tumult van het vertrek was Pincoff vergeten zijn cadeaus mee te nemen.
‘Wacht, ik haal ze voor je. Ik moet zelf ook nog even naar binnen. Blijf jij hier om de chauffeur op te vangen,’ zei Feldspath. Ze haastte zich de trap op en ging het Raadhuis weer in. Pincoff bleef onder aan de trap van het bordes staan wachten. Misprijzend keek hij weer naar de oude scooter. Hij nam zich voor om het onding weg te zetten zodra de dienstauto kwam aanrijden.
Maar nog voordat hij erop afliep spatte de scooter onverwacht met een knal uit elkaar. Een steekvlam, de brandstoftank was ontploft. Brokstukken vlogen als siervuurwerk in de rondte. Van het scootertje bleef niet meer over dan een hoop geblakerd schroot. Toevallige passanten stoven in paniek weg. Er werd geroepen en geschreeuwd. Eric Pincoff voelde een steek in zijn gezicht. Hij slaakte een kreet, niet zozeer van pijn maar van schrik. Met zijn hand greep hij naar een plek boven zijn linkeroog. Daarna keek hij vertwijfeld naar het bloed dat voor zijn voeten op de sierbestrating van het plein drupte.
6
noordzee, zaterdag 5 augustus 2006
Als een spookschip glijdt de Joyeuse de jachthaven van IJmuiden uit. Er brandt geen licht aan boord, de ochtendnevel dempt het geluid van de diesel. Terwijl het schip langzaam naar buiten vaart, wachten de meeuwen ineengedoken op de dukdalven de komst van de dageraad af.
Eric Pincoff staat aan het stuurwiel. Herhaaldelijk kijkt hij nerveus achterom, alsof hij zich ervan wil vergewissen dat er werkelijk geen achtervolgers zijn. Maar het blijft stil in de haven. Er komt geen andere boot in beweging en er is geen mens te bekennen op de steigers.
Behaaglijk gehuld in haar zeiljack stapt Tessa Insinger uit de kajuit. Gefascineerd kijkt ze naar de gele, groene en rode navigatielichten die wazig door de mistflarden schijnen. Roberto Menéndez staat op het voordek op de uitkijk. Met zijn armen gebaart hij de richting die Pincoff moet sturen. Pincoff kijkt geconcentreerd om zich heen. Links, rechts, voor en achter. De spanning van het vertrek is hem aan te zien.
‘This is Traffic Center IJmuiden voor het schip dat de jachthaven verlaat. Wilt u zich melden.’
Het krakende stemgeluid komt uit de kajuit. Het is een oproep via de marifoon. De functionaris van de nautische verkeerscentrale klinkt onverbiddelijk.
‘Wel verdomme,’ vloekt Pincoff. ‘Wat krijgen we nou! Hier, stuur jij even.’ Hij dirigeert Tessa naar het stuurwiel. ‘Groene lichten aan bakboord houden, rood aan stuurboord. En luister naar de aanwijzingen van Bobby.’
In een paar stappen is Pincoff binnen bij de navigatietafel. Hij pakt de hoorn van de marifoon.
‘Dit is zeilschip Joyeuse. Hebt u mij opgeroepen?’ Pincoff voelt zich betrapt als een schooljongen die bij een proefwerk heeft gespiekt.
‘Goedemorgen, meneer. Hier de verkeerscentrale. We zien uw schip op ons radarscherm, maar u vaart zonder navigatieverlichting. Dat is verboden. En gevaarlijk. U bevindt zich midden in de vaargeul en u bent niet alleen op deze wereld.’
‘Allemachtig,’ zegt Pincoff. ‘Dat heb je met een bemanning die nog niet wakker is!’
‘Laten we het daarop houden, meneer. Maar zorg dat het voor elkaar komt. U bent als schipper verantwoordelijk.’
‘Ik maak het in orde.’
Haastig klikt Pincoff de schakelaars van de navigatieverlichting aan. Wit heklicht en toplicht, rood licht aan bakboord, groen aan stuurboord. Die lui hebben met hun radar ook alles in de gaten, beseft hij.
‘Goede vaart gewenst,’ zegt de stem van de verkeerscentrale.
‘Dank voor uw oplettendheid. Over en stand-by.’
Pincoff gaat terug naar buiten en neemt zonder een woord te zeggen het stuurrad over van Tessa. Ze ziet dat hij nijdig is. Hij kijkt nog eens achterom. Niets te zien. Dan duwt Pincoff de hendel van de motor naar voren, zodat de Joyeuse meer snelheid maakt. Een vrachtschip afkomstig uit de sluis loopt hen snel van achteren op. Vanaf de Noordzee vaart een ferry uit Engeland op de haveningang af. Pincoff houdt beide boten nauwlettend in de gaten en maakt een draai om ze op veilige afstand te laten passeren.
Als de Joyeuse even later buiten de havenhoofden komt, begint het licht te worden. Pincoff verlegt de koers naar het zuidwesten. Er staat een zwakke deining op de Noordzee. Er is zelfs een zuchtje wind.
‘We gaan hijsen, Bobby,’ roept Pincoff zodra ze voorbij de aanlooproute voor de scheepvaart zijn gekomen. Hij draait het schip in de wind, haalt de snelheid uit de boot en zet het stuurwiel vast. Menéndez staat bij de mast, klaar om het grootzeil met de elektrische lier omhoog te halen. Vanuit de kuip kijkt Tessa bewonderend toe hoe de twee mannen zonder verdere communicatie het zeil hijsen. Dat hebben ze vaker gedaan, beseft ze. Veel vaker.
‘Oké, we vallen af over bakboord. Rol de genua maar uit, Bobby.’
Pincoff is terug bij het stuurwiel en geeft er een draai aan, zodat het schip zwenkt. Het grootzeil vangt wind en de giek klapt naar de bakboordkant van de boot. Pincoff laat de schoot een eindje vieren. Menéndez trekt de genua met de schootlier uit, zodat deze van het voorstag rolt en zich bolt in de wind. Pincoff kijkt kritisch omhoog, verandert nog wat aan de stand van de zeilen en besluit dat ze goed staan. Dan schakelt hij de motor uit en zet het stuurwiel op de automaat, zodat het schip een vaste koers aanhoudt.
Op het moment dat het sonore geluid van de motor wegvalt, daalt er een wonderbaarlijke rust over het schip. Het schip is in zijn element, omgeven door water, overgeleverd aan stroom en wind. ‘Mooi zo,’ zegt Pincoff tevreden. Hij strekt zich uit. Het is voor het eerst deze ochtend dat hij zich ontspant. ‘Hoe staat het met de koffie die jij ging maken, Tessa? Het is de hoogste tijd voor een stevige mok koffie. En hé, Speedy, heb jij voor verse broodjes gezorgd?’
‘Waarom wilde je zo vroeg vertrekken?’ vraagt Tessa. Ze houdt een warme koffiemok in haar handen gekneld.
‘Als je gaat zeezeilen heb je geen regelmatige tijden. Zet dat maar in je artikel,’ zegt Eric. De concentratie van het vertrek en de irritatie over de waarschuwing van de verkeerscentrale zijn van hem afgevallen. Nu de wind in de zeilen staat en de boot is omgeven door het zoute zeewater, geniet hij zichtbaar. Hij is zelfverzekerd, kalm en ongedwongen. Het is duidelijk dat dit een moment van volmaakte gelukzaligheid voor hem is.
‘Wilde je beslist in het donker de haven uitvaren?’
‘Welnee. Dit is het gunstigste moment voor vertrek.’
‘Hoezo? Zo gunstig vind ik het niet. Het heeft me mijn nachtrust gekost.’
‘Zet nachtrust maar uit je hoofd aan boord. Daar doen we niet aan. Hoeveel verstand heb je van navigatie op zee?’ Eric neemt zijn varensgast kritisch op.
‘Ik ben een keer naar Engeland geweest en daarvan weet ik: als je lang genoeg naar het westen vaart, kom je er vanzelf.’
Ze zitten met z’n drieën buiten in de kuip van de Joyeuse. De tafel is uitgeklapt voor het ontbijt met koffie en broodjes. Intussen is de zon opgekomen boven de duinen, waarvan de contouren vager worden naarmate het schip verder van de kust verwijderd raakt. Er staat een zachte bries uit het noordwesten, de koers is zuidwest en met vol zeil en stroom mee maakt de boot een aardige snelheid over de grond.
Eric neemt een laatste hap en dan wendt hij zich weer tot Tessa. ‘Ik zal het je uitleggen. Het gaat om de stroom. Langs de kust van de Noordzee loopt een getijstroom die van richting verandert met eb en vloed. Om precies te zijn: vier uur na hoogwater draait bij IJmuiden de stroom. Het was om één uur vannacht hoogwater, dus vanaf vijf uur staat de stroom naar het zuiden. We hebben zes uur lang stroom mee. Dat is belangrijk, want straks moeten we de scheepvaartroute bij Hoek van Holland kruisen. De aanloop van de Nieuwe Waterweg is de drukste vaargeul van Europa. Die willen we overdag oversteken, met goed zicht en zonder tegenstroom. Geen risico’s lopen, begrijp je?’
Tessa knikt. Ze begrijpt het. Al vraagt ze zich af waaraan ze begonnen is. Niet aan denken, houdt ze zich voor. Vooralsnog heeft ze bereikt wat ze wil. De eerste stap is gezet: ze is aan boord van de Joyeuse.
Het was snel gegaan, sneller en makkelijker dan ze in haar stoutste dromen had gedacht. Na haar kennismaking met Eric Pincoff op de receptie in het Raadhuis van Aken was ze met Broos naar Amsterdam teruggereden. Ze had Broos afgezet en was naar haar huis gegaan. Twee dagen later kreeg ze een e-mail van Pincoff. Hij had erover nagedacht en stemde in met haar voorstel. Ten behoeve van de reportage voor het tijdschrift met nodigde hij haar uit voor een zeiltocht van enkele dagen met zijn boot op de Noordzee. Hij wilde deze zomer toch nog een eind varen en ze kon in een van de havens langs de kust afgezet worden. Dan kreeg ze volop gelegenheid om hem in een andere omgeving dan die van zijn kantoor te leren kennen. Bovendien had hij dan volop tijd om over zijn projecten te praten.
Dit was zijn voorstel: Tessa kon enkele dagen aan boord verblijven en hij zou zijn verhaal vertellen. Voorafgaand aan de zeiltocht wilde hij nader met haar kennis maken. Hij stelde een datum voor en had al een tafel gereserveerd in restaurant Beaubourg in Amsterdam-Zuid.
Dat was zes weken geleden geweest.
Bij hun eerste afspraak had het Tessa geen moeite gekost om Eric Pincoff geïnteresseerd in haar te laten raken. Ze charmeerde hem. Tijdens het eten vertelde ze over haar boeiende werk voor het tijdschrift en over de interessante mensen die ze had geïnterviewd. Ze wijdde uit over haar belangstelling voor jonge, veelbelovende kunstenaars, en over haar inzet voor de nabestaanden van slachtoffers van crimineel geweld. Eric Pincoff luisterde welwillend, al werd zijn belangstelling geregeld afgeleid door de lijn van haar aantrekkelijke décolleté.
Na hun tweede afspraak stelde hij Tessa voor naar zijn appartement in IJmuiden te gaan. Ze wimpelde het aanbod af. Ze was een professionele journalist, zei ze, geen professionele kut. Het kostte Eric moeite die opmerking te respecteren, maar hij waardeerde haar openhartigheid en zette haar af bij haar eigen huis.
Tijdens hun volgende afspraak informeerde Eric naar Tessa’s zeilervaring. Hoewel hij er niet helemaal hoogte van kreeg, was hij er snel van overtuigd dat ze zich aan boord best zou redden. Ze maakte een handige, nuchtere, praktische en zelfstandige indruk. Ze toonde nieuwsgierigheid. En ze leek niet terug te deinzen voor een avontuurlijke uitdaging. Dat waren eigenschappen die hij waardeerde. Hij durfde het wel aan om haar als tijdelijk bemanningslid mee te nemen. Als zij er nog steeds voor voelde, uiteraard.
Natuurlijk voelde Tessa er voor. Ze was iemand die deed wat ze zich in haar hoofd had gezet. Niet omdat ze koppig was, maar vastberaden. Als ze zich een doel had gesteld, wilde ze dat bereiken.
Op een zaterdag in juli reed Eric in zijn Jaguar met haar naar de Marina van IJmuiden. ‘Daar ligt ze. De Joyeuse.’ Hij wees naar de 55-voeter aan de steiger. ‘Weet je wat die naam betekent?’
‘Frans voor vrouwelijke vrolijkheid?’ gokte Tessa.
‘Bijna goed. Joyeuse was het zwaard van Karel de Grote. Het is tot in de negentiende eeuw gebruikt bij de beëdiging van de koningen van Frankrijk. Al was dat waarschijnlijk een replica.’
‘Wat héb jij toch met Karel de Grote?’
‘Hij is mijn mentor.’
Tessa zweeg. Ze nam Pincoff onderzoekend op. Jij bent een extreem rare kerel, dacht ze. Daarna keek ze vol bewondering naar het schip. Eric nodigde haar uit aan boord voor een bezichtiging. Terwijl hij uitleg gaf over de inrichting van het schip en de werking van de nautische instrumenten, stelde hij voor dat ze een tocht van meerdere dagen zouden maken. De bestemming liet hij in het midden. Tessa nam de uitnodiging enthousiast aan. Uit voorzorg zei ze: ‘Dan wil ik wel een eigen kooi om te slapen. Ik ben niet preuts, maar dit blijft een zakelijke trip voor mij en ik ben gesteld op mijn privacy.’
‘Voor privacy is geen plek op een schip. Maar deze boot biedt ruimte genoeg voor een eigen hut,’ zei Eric geruststellend.
Toen ze terugslenterden naar zijn auto op het parkeerterrein, wees hij naar het Seaport Marina-appartementengebouw aan het einde van de jachthaven. ‘Daar woon ik. In een penthouse met uitzicht op de Noordzee. De volgende keer zal ik je mijn flat laten zien. Deze jachthaven, het hotel, de winkels en de appartementen zijn trouwens allemaal van mij.’
‘Godallemachtig,’ zei Tessa, verbluft door de achteloosheid waarmee Eric zijn bezittingen aanwees. ‘Wie bén jij? Mister Marina?’
Vier uur hebben ze gevaren. De stroming staat nog naar het zuiden, maar begint geleidelijk af te zwakken en zal straks kenteren. In de loop van de ochtend is de wind iets aangetrokken, maar hij komt niet boven windkracht drie. De milde zeegang veroorzaakt een aangenaam schommelende beweging. Het gekabbel van de golfslag tegen de boeg, de zon, de wind, de temperatuur – het is de perfecte zomerse zeezeildag.
Tessa zit in een short en een flodderig T-shirt op het gangboord. Ze laat haar gedachten de vrije loop. Wanneer belde Eric haar op? Gisteren? Eergisteren? Nu al is ze het gevoel van tijd kwijt. Nee, het was gisterochtend. Eric klonk paniekerig, alsof hij gevaar vreesde. Struikelend over zijn woorden zei hij dat hij zo snel mogelijk wilde vertrekken. Gretig had ze toegezegd. Ze kon ieder moment weg, ze had geen verplichtingen. ‘Ik kom je om één uur halen,’ had Eric gezegd. ‘Eén uur vanmiddag?’ had ze verbaasd gevraagd. Dat gaf haar heel weinig tijd om zich voor te bereiden. ‘Nee, één uur in de ochtend,’ had Eric geantwoord, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was om midden in de nacht een vrouw op te halen voor een zeiltocht. ‘Neem persoonlijke spullen mee voor een week. En je zeiluitrusting, natuurlijk. Voor de rest wordt gezorgd.’
Amper vierentwintig uur later bungelen haar benen buitenboord, schijnt de zon in haar gezicht, voelt ze de wind door haar haar spelen en proeft ze het zeezout op haar lippen.
Maar ze weet dat ze niet is begonnen aan een onbekommerd zeiltochtje. Voor Eric is ze de nieuwsgierige, aantrekkelijke journaliste die hij in een opwelling – en vast en zeker met de bedoeling indruk op haar te maken – aan boord heeft uitgenodigd omdat ze een reportage voor een tijdschrift over hem wil maken. Hij heeft geen idee wat voor beweegredenen van haar daarachter schuilgaan. Tessa voelt zich sterk, ze straalt zelfverzekerdheid uit. Ze behoort tot de generatie van vrouwen die prima in staat zijn hun leven zelfstandig vorm te geven. Maar diep in haar lijf schuilen een onbeschrijfelijk verdriet, een zoutmijn van tranen en een sluimerende vulkaan vol wraak. Die intiemste gevoelens houdt ze zorgvuldig verborgen voor haar twee medepassagiers. Ze gaan hen ook niets aan. Zij alléén weet wat haar emotionele drijfveren zijn om zich in dit ongewisse zeilavontuur te storten.
De kustlijn is nog slechts een wazige streep aan de oostelijke horizon. Tessa’s gedachten dwalen af. Van jongs af aan is ze altijd uit geweest op avontuur. Niet dat ze risico’s opzoekt of roekeloos is, maar omdat het gevoel van spanning haar een kick geeft. Je bent geboren met een verhoogde adrenalinedrempel, had haar vader vaak tegen haar gezegd. Als kind wilde ze dokter op een dierenambulance worden. Later, tijdens haar middelbareschooltijd, ging ze in de weekeinden met vriendjes roeien op de sloten in de omgeving waar ze woonde, zodat haar ouders bezorgd de politie waarschuwden omdat hun dochter spoorloos was. Maar altijd kwam ze veilig thuis – nooit ging er iets mis. Ook niet als ze op wintersport ging, de moeilijkste pistes uitzocht en na spectaculaire afdalingen ademloos en bezweet beneden kwam. Ze kende haar fysieke grenzen, ging nooit voorbij de randen van het gevaar, maar ze ging wel verder dan haar vrienden. Spanning maakte haar gelukkig.
De natuur was in een grootmoedige bui toen ze jou met eigenschappen bedeelde, placht haar vader te zeggen. En dan bedoelde hij niet haar fysieke verschijning, al had ze daar niet over te klagen. Ze had een open, kritische geest, een sterke wil, een ruimhartige mentaliteit. Ze had de overtuiging dat ze moeilijke situaties tot een goed einde kon brengen. Dat stelde haar in staat om avonturen aan te gaan. In haar leven had ze tegenslagen gehad en emotionele klappen opgelopen, maar nooit was ze aan zichzelf gaan twijfelen. Ook niet in haar relaties met mannen.
Ze had zichzelf geleerd dat er maar één manier is voor vrouwen om mannen de baas te zijn. Als mannen het gevoel hebben dat ze de situatie beheersen, verwaarlozen ze hun natuurlijke verdedigingslinie. Dan krijgen vrouwen de gelegenheid om hun slag te slaan.
Bobby Menéndez is van dek verdwenen. Nadat hij alle vallen heeft opgeschoten en de landvasten en stootwillen opgeruimd, is hij naar zijn kooi gegaan om zijn gemiste nachtrust in te halen. Eric heeft de koers iets verlegd en de stand van de zeilen wat aangepast. Nu zit hij onderuitgezakt, met een fles mineraalwater bij de hand, op de bank in de kuip. Naast hem liggen de Steiner-verrekijker en de kaart van de Noordzee.
‘Wat een ervaring, hè. Zuivere lucht, grenzeloze ruimte en totale ontspanning,’ zegt Eric tegen Tessa. ‘Zodra je de haven verlaat, laat je al je beslommeringen achter je. Dat is de eerste zeilwet. We zijn nog maar een paar uur op zee en nu al voel ik me helemaal vrij. Vrij van zorgen en verplichtingen.’ Na een slok water laat hij erop volgen: ‘En van conflicten.’
Tessa knikt. Ook zij heeft het gevoel dat ze de last van haar privé-leven losgelaten heeft vanaf het moment dat ze aan boord is. ‘Super,’ zegt ze. ‘Hartstikke super.’
‘We hebben geluk met het weer. Wanneer wil je me trouwens interviewen? Dit is een rustig moment,’ zegt Eric.
Tessa maakt een wegwerpgebaar. ‘Dat kan wachten. Ik wil met volle teugen genieten van mijn eerste dag aan boord.’
‘Je zegt het maar, we hebben alle tijd. Dat is de tweede zeilwet. De tijd aan boord verloopt trager dan aan de wal. Alsof de klok langzamer loopt. Dan geef ik je meteen de derde zeilwet van Pincoff. Die luidt dat je tot elkaar veroordeeld bent. Je kunt niet van boord.’ Hij schiet in een uitgelaten lach.
‘Wat is eigenlijk de bedoeling?’ vraagt Tessa. ‘Vertel eens wat ons vaarplan is.’
‘Zolang de wind gunstig is, zakken we af langs de kust naar het zuiden. Straks gaan we de Maasgeul oversteken bij Hoek van Holland. Daar koersen we nu op af.’
‘Waar zijn we ongeveer?’
Pincoff pakt de kaart. Met de poot van zijn zonnebril maakt hij een rondje op de kaart ten westen van Scheveningen. ‘Hier ergens. Een mijl of vijf uit de kust. Kijk maar eens door de verrekijker. Dan moet je de bebouwing van Scheveningen kunnen zien.’
Tessa neemt de Steiner aan en richt die op de kust. ‘Ja,’ zegt ze even later. ‘Ik zie schimmen van gebouwen.’
‘De Scheveningse pier, het Kurhaus Hotel en wat appartementflats langs de boulevard zijn van mij geweest,’ zegt Eric laconiek. ‘Leuke belegging. Maar ik heb die portefeuille verkocht.’
Tessa is verbluft over de losse toon waarop Eric over zijn onroerend goed praat. ‘Won jij als kind met Monopoly soms ook altijd? Of speelde je liever Risk?’ zegt ze.
‘Ik schuif met bakstenen, dat is alles.’
‘Jij hebt ook geen gevoel voor humor.’
Eric zwijgt.
‘Wat is dat trouwens?’ zegt Tessa. Ze houdt nog steeds de verrekijker voor haar ogen. ‘Volgens mij komt er iets op ons af.’
‘Een vissersboot,’ zegt Eric. ‘Hoewel… dat is ongebruikelijk op zaterdag. Dan liggen de visserschepen aan de kade, want de bemanning moet op zondag met gevouwen handen in de kerkbanken zitten. Door de week vissen ze de zee leeg en ’s zondags doen ze boete bij de Heer.’
‘Toch komt er iets op ons af. En zo te zien best snel.’
‘Het zal wel een boot met vrijetijdsvissers zijn. Het water zit hier vol makreel. Geef de kijker eens.’ Eric tuurt door de verrekijker. ‘Ja, een motorbootje met sportvissers. Die gaan soms ver uit de kust.’ Hij probeert geruststellend te klinken, maar hij blijft geconcentreerd opletten.
Een hekgolf van opspattend wit schuim wordt snel groter.
‘Ze komen op ons af. Krijgen we controle van de Kustwacht of de Douane?’ oppert Tessa.
Eric antwoordt niet. Nu is zonder verrekijker goed te zien dat een speedboot met angstaanjagende snelheid dichterbij komt.
‘Wat zijn dat voor piraten!’ roept Eric paniekerig. Hij springt op en start de motor. De boot maakt een schok. ‘Maak Bobby wakker! Alle hens aan dek!’ verordonneert hij Tessa.
Tessa duikt naar binnen en komt even later weer naar buiten. Verwilderd kijkt ze naar het schouwspel dat zich voor haar ogen op het water afspeelt. De speedboot stevent recht op de Joyeuse af. Als de motorboot niet snel van koers verandert, is een botsing onvermijdelijk.
‘Verdomme!’ schreeuwt Eric. Hij duwt de hendel van de motor in de maximale stand zodat de Joyeuse snelheid oppikt. De zeilen beginnen te klapperen. ‘Trek de schoot strak aan!’ gelast hij Tessa.
Rakelings scheert de speedboot achter de spiegel van de Joyeuse langs. In de motorboot staan drie grijnzende mannen. Eén bedient het stuur, de twee anderen houden zich vast aan een beugel om niet overboord geslingerd te worden. De boot verwijdert zich even snel als hij dichterbij is gekomen. Dan gooit de roerganger het stuur om en met een kraag van schuimend water maakt de boot een scherpe bocht. Opnieuw komt hij op de zeilboot af, maar er dreigt dit keer geen aanvaring. De motorboot dendert met hoge snelheid op afstand langs de Joyeuse, klappend op het water als een scherende platte steen.
‘Mierda! Wat is hier aan de hand?’ Bobby steekt een slaperig hoofd uit de kajuit. Hij heeft alleen een slobberende onderbroek aan.
De speedboot beschrijft weer een halve cirkel van opspattend schuim en de manoeuvre herhaalt zich. Eric klemt zijn handen om het stuurwiel en probeert zigzaggend uit de buurt van de aanvallers te blijven. Bobby is weer naar binnen gedoken. Tessa houdt zich als verlamd vast aan de stang van de stuurkolom.
Opnieuw komt de speedboot op de Joyeuse af, nu met minder vaart. Eric en Tessa horen en zien tegelijk wat er gebeurt. Een van de twee mannen houdt een mitrailleur in zijn hand en begint in het wilde weg te schieten. De kogels slaan een streep van opspattend water in de zee, alsof het hagelt. De streep komt dicht bij de Joyeuse, maar dan is de motorboot alweer voorbij en houdt het schieten op.
Doordat de speedboot steeds meer rondjes draait, begint het water onrustig te worden. Met harde klappen komt de motorboot terecht op de golven die hij zelf veroorzaakt heeft. De stuurman heeft moeite om koers te houden.
Bij de volgende aanval probeert de man gericht te schieten. Maar de boot maakt wilde, schokkerige bewegingen en hij moet zich vastgrijpen om zijn evenwicht te bewaren. Daardoor vliegen de kogels doelloos in de lucht. Eric en Tessa kunnen zien hoe de man woedend iets naar de stuurman gebaart. Deze mindert vaart. En opnieuw probeert de man met het machinegeweer te schieten. Nu is het bijna raak. De kogels fluiten over het dek. Een seconde later is de motorboot achter de Joyeuse verdwenen en staat de schutter niet goed opgesteld om te kunnen mikken. De speedboot zakt in het water en maakt een nieuwe draai.
‘Dekking!’ schreeuwt Eric naar Tessa. Ze ligt al plat op de grond van de kuip, met haar handen voor haar oren. Zonder het te beseffen jankt ze van paniek. De aanval midden op zee heeft iets tragikomisch. Onwillekeurig moet ze denken aan spaghettiwesterns. Nu volgt de gewelddadige slotscène. Het roemloze einde van haar avonturenfilm.
Bobby komt uit de kajuit gestormd en struikelt over Tessa heen. ‘Maricones!’ roept hij, zwaaiend met een stuk gereedschap dat hij in zijn hand houdt. Hij laat zich op zijn knieën in de kuip vallen en legt het machinegeweer aan dat hij mee naar buiten heeft genomen. Maar hij krijgt de motorboot niet goed in het vizier. Voor de vijfde keer maakt de speedboot een manoeuvre om de aanval in te zetten. Met een daverende snelheid vaart de boot voor de Joyeuse langs. De schutter moet zich vasthouden om zijn evenwicht te bewaren. Hij zwaait met zijn vrije hand. Op een afstand van dertig meter maakt de boot weer een scherpe draai. Dan, op het moment dat de speedboot dwars op de golven ligt, haalt Bobby de trekker over. Een salvo van kogels raakt de boot net boven de waterlijn. De drie mannen lijken het niet te merken. Ze bereiden zich voor op hun laatste, definitieve aanval op de Joyeuse.
Zodra hij weer op snelheid komt, begint de speedboot water te maken.
Vertwijfeld kijken de mannen elkaar aan. Even later doen ze in paniek zwemvesten om. De schutter gooit zijn mitrailleur overboord, alsof hij daarmee het lot kan bezweren. In een paar minuten is de boot tot de rand onder water verdwenen. Radeloos proberen de mannen zich aan de romp vast te klampen, maar dat heeft geen zin. De motorboot verdwijnt onder de waterspiegel en de drie mannen drijven in hun opgeblazen oranje zwemvesten op zee. Wanhopig zwaaien ze met hun armen om hulp in de richting van de Joyeuse, die zich langzaam van de plaats van het onheil verwijdert.
‘Jezuschristus, wat hebben wij een geluk gehad,’ zegt Eric een kwartier later. Hij schakelt de motor uit en klikt de stuurautomaat weer aan. De zeilen vangen opnieuw wind. ‘Stelletje klootzakken!’
Tessa is overeind gekrabbeld en zit beduusd op de bank. Ze lijkt in shock. ‘Wat was er aan de hand?’ zegt ze timide. Ze trekt haar kleren recht en schaamt zich dat ze zo in paniek is geraakt.
‘Waarom kwam je verdomme niet eerder met je klapperpistool naar buiten!’ zegt Eric verwijtend tegen Bobby.
‘Ik had mijn gimpy weggestopt onder de bank in het vooronder. Op dit bezoek had ik niet gerekend. En ik had ook niet verwacht dat ik mijn baby al zo snel zou moeten gebruiken.’ Hij blaast in de loop van zijn machinegeweer. Er komt een wolkje kruitdamp uit.
‘Goed gedaan, trouwens,’ zegt Eric prijzend. ‘Gelukkig ben je een betere schutter dan die vent op de motorboot.’
‘Ach, welnee. Zo moeilijk is het niet. Die huurling was dronken of stoned of allebei. Als je niet in staat bent om vanaf zo’n bootje een groot log doel te raken, kun je beter een ander beroep kiezen. Zweminstructeur of zo.’
Lachend wuift Bobby in de richting waar de drie mannen in het water spartelen. Ze dobberen verloren in zee. Hun felgekleurde zwemvesten zijn nog net zichtbaar. ‘Van hen hebben we vandaag geen last meer. En daarna ook niet,’ zegt hij tevreden. Hij hijst zijn afzakkende spijkerbroek over zijn uitpuilende buik.
‘Wat gebeurt hier allemaal?’ zegt Tessa. De paniek die zich van haar meester had gemaakt, ebt geleidelijk weg. De angst dat ze het leven zou laten bij een schietpartij op zee, is voorbij. De film is niet ten einde. Haar nieuwsgierigheid krijgt weer de overhand.
‘Wat dacht je van een beetje spektakel voor je reportage,’ zegt Eric. ‘Speciaal voor jou opgevoerd. Met Bobby in zijn favoriete rol als de koning van de schiettent.’
7
maasmond, zaterdag 5 augustus 2006
Toen Tessa een kind was, noemde haar moeder haar ‘geluksvogeltje’. Ze beweerde dat haar dochter geboren was onder een gunstig gesternte. Het was waar: Tessa’s jeugd was een aaneenschakeling van gelukkige gebeurtenissen geweest. Ze was harmonieus opgegroeid. Aan de avonturen die ze ondernam, hield ze hooguit een paar schrammen over. Haar studie had ze moeiteloos doorlopen, ze was omringd door aardige vrienden en een paar fantastische minnaars hadden haar pad gekruist. Maar Tessa beschouwde het niet als door de sterren bepaald dat ze goed was op school, sportief aangelegd en sociaal vaardig. Die eigenschappen hoorden bij haar. Ze waren een onlosmakelijk deel van haar bestaan. Net als de lange levenslijn in haar handpalm, haar steltbenen toen ze veertien was en later haar borsten van ongelijke omvang. Ze kon zich gemakkelijk aanpassen en voelde zich in vrijwel alle omstandigheden snel op haar plaats. In haar leven liep alles altijd goed af. Nou ja, bijna alles.
En nu had het geen haar gescheeld, beseft ze, of ze had niet kunnen navertellen wat ze net heeft meegemaakt. Dat de film verder draait, heeft ze te danken aan de trefzekerheid van Bobby. Misschien had haar moeder toch gelijk en zit er een geluksvogeltje op haar schouder.
Niets herinnert meer aan de aanslag. De zee is kalm, de Joyeuse vaart gestaag in zuidwestelijke richting. Bobby is teruggegaan naar zijn kooi; Tessa en Eric bevinden zich op het achterdek. Uit de koelkast heeft Tessa een pak frisdrank mee naar buiten genomen.
‘Jij ook?’ biedt ze aan, terwijl ze een glas inschenkt. Daarna gaat ze zitten. De schrik van de schietpartij valt nog van haar gezicht te lezen.
‘Weet je,’ zegt ze zonder op een antwoord van Eric te wachten, ‘ik heb heus niet gerekend op een schoolreisje. En ik ben geen kinderachtig type. Ik weet dat een zeiltocht op zee risico’s met zich meebrengt. Er kunnen ongelukken gebeuren. Er kan zwaar weer opsteken. De mast kan overboord gaan. De vorige keer dat ik met iemand mee was, stond er windkracht 8 op de Noordzee. De schipper hing kotsend over de reling, de rest van de bemanning lag zeeziek op de bank en ik stond aan het roer. Niets aan de hand. Maar zo-even was ik bang. Echt bang. Ik heb nog nooit van dichtbij een schietpartij meegemaakt. Van veraf trouwens ook niet.’ Ze neemt een slok frisdrank. ‘Dus, eh, neem me niet kwalijk, maar zoiets wil ik niet nog een keer meemaken. Als je meer van dit soort ontmoetingen voorziet, kun je me beter afzetten in de dichtstbijzijnde haven.’
Vastbesloten gaat ze verder: ‘En trouwens: wat moesten die lui? Waarom hadden ze het op jouw boot gemunt? Want ik neem niet aan dat ze dachten: kom, het is mooi weer, we gaan vandaag eens gezellig de zee op om een willekeurig passerend zeilschip te beschieten.’
Zwijgend bestudeert Eric Tessa’s uitdrukking. Hij ziet de ontzetting op haar gezicht. Hoe lang kent hij haar? Zes weken. Hoe goed kent hij haar? Oppervlakkig, niet intiem. Hij is niet met haar naar bed geweest. Hij kan haar nu dumpen. Het is een koud kunstje om de Kustwacht op te roepen en te zeggen dat een bemanningslid onwel is geworden. Dan vaart hij verder met Bobby. Met dit rustige weer kan hij desnoods in zijn eentje de Joyeuse naar een veilige haven brengen.
Maar Eric is geïntrigeerd door Tessa. Ze wil wat met hem, en daar is hij nieuwsgierig naar. En hij wil ook wat met haar, al kan dat wachten. Seks kan later, als ze weer vaste grond onder de voeten hebben. Hij heeft geen behoefte aan de onvermijdelijke complicaties van een verhouding aan boord, waarbij ze elkaar niet kunnen ontlopen nadat de primaire begeerte bevredigd is.
En er is nog wat, weet Eric. Tessa fungeert zonder het zelf te beseffen als dekmantel. Een gast aan boord die, voor het geval dat nodig mocht zijn, kan getuigen van haar aanwezigheid op deze onschuldige zeiltocht. Daarmee verschaft ze hem een alibi en Eric sluit niet uit dat hem dat nog eens uitstekend van pas kan komen.
Opnieuw neemt hij Tessa op. Ze dwingt respect af met haar zelfverzekerdheid. Ze straalt vastbeslotenheid uit, daar houdt hij van. En ze is bereid haar handen te laten wapperen. Hij wil niet dat ze al na een dag vertrekt, liever wil hij haar aan boord houden. De aanwezigheid van een vrouw op een schip zorgt voor een andere sfeer. Zo aangenaam is de voortdurende nabijheid van Roberto Menéndez nu ook weer niet. Die naar zweet stinkende Chileen is een uitstekende bootsman, hij kan drinken, schieten en vloeken als een tempelier en hij is een eersteklas bodyguard, maar voor het overige is hij een norse, onbehouwen zak. Nee, Tessa moet aan boord blijven. Bovendien, haar project, die reportage voor dat tijdschrift, spreekt hem aan. Eric Pincoff is ijdel genoeg om een keer in een glossy business magazine te willen figureren. Zo’n artikel is publiciteit en publiciteit biedt bescherming.
Dus mocht ze werkelijk overwegen om na amper zes uur alweer van boord te gaan, dan moet hij haar ervan overtuigen dat daar geen enkele aanleiding voor is. Hij moet haar geruststellen door haar in vertrouwen te nemen. Desnoods door haar zijn waarheid te vertellen.
‘Ik moet iets bekennen,’ zegt Eric op vertrouwelijke toon. Hij kijkt Tessa indringend aan. ‘Er zijn mensen die het op mij gemunt hebben. Dat had ik je moeten vertellen voordat we vertrokken. Maar ons vertrek ging zo onverwacht… en ik had niet voorzien dat ze me tot híer zouden achtervolgen.’ Met een gebaar zwaait hij in de richting van het water. Berouwvol laat hij erop volgen: ‘Nee, dat had ik nooit gedacht. Maar het spijt me dat ik dat nagelaten heb.’
Tessa kijkt Eric niet-begrijpend aan.
‘Je was erbij in Aken. Dus je weet dat ik belangstelling heb voor Karel de Grote. Ik wil de Karolingische beweging op gang brengen, als inspiratiebron voor Europa. En als commercieel project, daar doe ik niet kinderachtig over. Ik zie er geld in, het biedt zakelijke mogelijkheden. Afijn, daar zullen we het later over hebben. Geef me trouwens toch maar wat te drinken.’
Terwijl Tessa een glas fris inschenkt, maakt Eric van de gelegenheid gebruik om rond te turen. Er varen wat andere zeilboten, maar die bevinden zich op veilige afstand. De zee is rustig.
‘Dank je. Weet je, er zijn aanwijzingen dat mijn project is opgepikt door radicale moslims. En weet je waarom? Omdat Karel de Grote tegen de islam vocht. Hij drong de Moren terug, hij streed voor een christelijk Europa. Ik besef ook wel dat de tijden zijn veranderd en dat we die lui in hun djellaba’s en boerka’s tegenwoordig moeten inburgeren in plaats van bestrijden. Maar mogen we ze alsjeblieft in toom houden? Dat bedoel ik. Mijn Karolingische beweging strijdt voor het christelijke avondland. Volg je me?’
‘Eerlijk gezegd: nee,’ zegt Tessa. ‘Wat heeft jouw belangstelling voor Karel de Grote te maken met drie kamikazepiloten in een speedboot op de Noordzee? Je denkt toch niet dat je een zeeslag moest leveren tegen de Saracenen?’
‘Maar Tessa! Lees jij geen kranten? Kijk je niet naar het nieuws? Dat snap je toch wel! Die moslimextremisten hebben het op mij gemunt omdat ik de herinnering aan hun legendarische tegenstander Karel de Grote nieuw leven wil inblazen. Daar zijn ze bang voor, zoals ze vroeger bang waren voor zijn legers. Voordat ik mijn plannen kan uitvoeren, proberen ze me uit te schakelen.’
‘Kom op. Je wilt toch niet beweren dat die dronken types in de speedboot moslimterroristen waren?’ vraagt Tessa ongelovig.
‘Zeker, o ja, absoluut. Weet je, ik heb het niet aan de grote klok gehangen, maar na afloop van de bijeenkomst in het Raadhuis van Aken hebben ze ook al geprobeerd een aanslag op me te plegen. Er stond een scooter geparkeerd. Die scooter was groen, de kleur van de islam. Ik liep naar buiten met Lena Feldspath, de eurocommissaris. Ze is een goede kennis van me. Ik stond bij het bordes op haar te wachten. Op dat moment ontplofte die scooter. Klabam! Als we samen doorgelopen waren, waren we allebei de lucht in gevlogen.’
‘Allemachtig.’
‘Precies. Ik heb er zelfs een verwonding aan overgehouden. Hier.’ Eric wijst op het litteken boven zijn oog. ‘Gelukkig is het snel gehecht. Ik beschouw de goede afloop als een verhaal uit de Karellegenden. De voorzienigheid heeft voorkomen dat ik in een valstrik liep. Ik ben niet gelovig, maar op zulke momenten denk ik dat God aan onze kant staat.’
Het litteken op het gezicht van Eric is echt. Tessa herinnert zich dat hij een pleister boven zijn linkeroog had toen ze hun eerste afspraak hadden. Op haar vraag wat er was gebeurd, had hij toen een ontwijkend antwoord gegeven. ‘Gevallen,’ had hij gemompeld.
‘Oké. Een ontploffing in Aken en een aanval op zee. En jij denkt dat dit aanslagen van moslimextremisten waren omdat je een campagne voor Karel de Grote bent begonnen.’
‘Zo is het.’
‘Weet je, Eric, daar geloof ik geen klap van.’
‘Wat denk jij dan! Wie anders! Dacht je dat die theedoeken van al-Qaida het grappig vinden als de Europese zakenman van het jaar het plan opvat om Karel de Grote in ere te herstellen? Ik wil dat het graf van Karel de Grote een themapark wordt waar miljoenen Europeanen op af zullen komen. Van zijn kastelen ga ik toeristische attracties maken, de historische routes van zijn veldtochten worden met borden gemarkeerd. Eerherstel voor de keizer die de verovering van Europa door de moslims een halt toeriep – zoiets laten ze echt niet ongestraft. Nadat die aanslag in Aken was mislukt, hebben ze naar een andere mogelijkheid gezocht. Die deed zich vandaag voor. Op zee.’ Eric zwijgt even. ‘Wat mij alleen verbaast, is dat ze wisten dat wij vanochtend langs Scheveningen zouden varen. Ik dacht dat niemand daarvan op de hoogte was.’
Tessa wil een tegenwerping maken, maar Eric maant haar met een gebaar tot zwijgen. Hij wijst naar voren. ‘Zie je die schepen in de verte? Dat zijn supertankers en containerschepen die van en naar de haven van Rotterdam varen. Hun route gaan we dadelijk oversteken.’
‘Spannend!’ zegt Tessa. ‘Maar om terug te komen op je verhaal: ik vind het niet overtuigend.’
‘Onderschat nooit je tegenstanders. Dat heb ik in mijn leven wel geleerd. Zeker niet als je tegenstanders door fanatisme gedreven worden. Je angst van daarnet begrijp ik trouwens volkomen. Ik was ook doodsbang, dat wil ik best bekennen. Maar ik weet zeker dat zoiets ons niet nog een keer zal overkomen. Die lui sturen niet opnieuw een moordcommando op ons af. Ze weten trouwens niet waar we heen varen. De bestemming zit in mijn hoofd. Zelfs Bobby weet het niet. Dus maak je geen zorgen, we gaan een paar rustige dagen tegemoet.’
‘Maar toch…’
‘We hebben het er later over. We moeten nu aan de slag.’ Eric staat op, loopt naar binnen en pakt de marifoon.
‘Verkeerscentrale Maasmond, hier zeiljacht Joyeuse. Over.’
‘Zeiljacht Joyeuse, zegt u het maar.’
‘Goedemiddag, meneer. Wij komen uit de richting van Scheveningen en willen de scheepvaartroute oversteken. Heeft u bijzonderheden?’
‘Joyeuse, geen bijzonderheden. Blijft u luisteren op dit kanaal.’
‘Dank u. Stand-by.’
Bobby Menéndez is tevoorschijn gekomen en heeft zonder plichtplegingen het roer overgenomen van de stuurautomaat. Nadat Eric de motor heeft aangezet en de schoot van het grootzeil heeft strakgetrokken, is hij naar binnen gegaan. In de navigatiehoek volgt hij de koers van het schip op het radarscherm. Zowel Eric als Bobby heeft een headset opgezet. Zo communiceren ze op afstand met elkaar.
De Joyeuse vaart dicht onder de kust. De Maasvlakte is goed zichtbaar. Kranen, schoorstenen, opslagtanks, pijpen, raffinagebuizen, windmolens, elektriciteitsmasten, platforms, loodscomplexen, radarinstallaties en lichtmasten. Dit is het industriële-maritieme complex dat de toegangspoort vormt tot het Europese achterland. Door de intensieve scheepsbewegingen is het water woelig. Schepen volgeladen met kleurige blokkendozen, containers met goederen uit Azië voor de Europese consumentenmarkt, komen aanzetten vanuit de Noordzee. Uit de Nieuwe Waterweg duiken vrachtschepen op die snelheid maken zodra ze op zee zijn. Ferryboten trekken een spoor van opspattende hekgolven. Daartussen krioelen kleinere boten en varen de geelgekleurde loodsboten af en aan.
‘Het lijkt wel spitsuur op de snelweg!’ roept Tessa vol ontzag. Gespannen kijkt ze naar het schouwspel om zich heen.
‘En die snelweg gaan wij dadelijk oversteken,’ zegt Bobby met een grimas. Hij klemt zijn handen steviger om het roer.
‘Zie je een schip naar buiten varen?’ zegt Eric vanuit de kajuit.
‘Nee, nog niet. Of, wacht, ja, ik zie iets bewegen achter het havenhoofd,’ antwoordt Bobby.
‘Ik heb hem te pakken op de radar. Die vaart dadelijk voor ons langs. We moeten ook een inkomend schip voor laten gaan.’
‘Die zie ik aan stuurboord.’
‘We zitten precies op koers. Oké, Bobby, geef maar vaart. We gaan eroverheen,’ roept Eric.
Bobby duwt de hendel van de dieselmotor vooruit. De zeilboot maakt snelheid. Tessa ziet links en rechts onheilspellend grote schepen opdoemen. Daar moet Bobby de Joyeuse tussendoor manoeuvreren. ‘Gaat het lukken?’ vraagt ze gespannen. Helemaal zeker is ze niet.
‘Als je tot de heilige maagd wilt bidden, hou ik je niet tegen. Soms is haar hulp onontbeerlijk,’ zegt Bobby laconiek.
Het water is rommelig. De romp van de Joyeuse klapt op de golven. De boeg van een vrachtschip lijkt zo snel dichterbij te komen dat Tessa bang is dat ze dadelijk geraakt zullen worden.
‘Als je goed kijkt, kun je zien wat de bemanning op haar bord heeft,’ zegt Bobby. Hij lijkt er genoegen in te scheppen Tessa de stuipen op het lijf te jagen. ‘Grapje. We gaan voorlangs.’ Hij wijst naar de haveningang. ‘Zie je die twee lichten?’ vervolgt hij. ‘Dat zijn geleidelichten voor de schepen die van zee komen. Ze staan op verschillende hoogtes achter elkaar. Dadelijk zie je ze precies op één verticale lijn. Op dat moment kruisen we het midden van de vaargeul.’
Tessa kijkt naar de twee felle witte lichten op de wal. Het is alsof ze naar elkaar toe kruipen. Even staan ze boven elkaar, en dan gaan ze weer uit elkaar. Precies zoals Bobby zei.
Zodra ze de Maasmond achter zich hebben gelaten, ziet Tessa hoe de vrachtschepen uitwaaieren naar de grote vaarroutes op de Noordzee. Op de wal verdwijnen de energiecentrales, de windmolens en de kranen van de Maasvlakte snel uit zicht. Ze passeren wat viskotters die een trek maken naar platvis, maar voor het overige is de zee wijd en leeg.
‘Snap je waarom ik hier met een gunstig tij wilde zijn?’ vraagt Eric. Hij staat weer buiten, heeft de headset afgezet en kijkt tevreden om zich heen. Alles is onder controle. ‘Je wilt zo snel mogelijk over deze vaargeul en wegwezen. Dan moet de stroom niet hard tegen staan.’
‘Ik snap het volkomen,’ zegt Tessa. Ze beseft dat ze aan boord is met twee ervaren zeilers. Dat stelt haar gerust. Sufkut, denkt ze, vóórdat je aan dit krankzinnige avontuur begon had je moeten uitzoeken of de bemanning berekend is op haar taak. Eric en Bobby zijn geen amateurs, heeft ze bij de manoeuvre langs de Maasmond bemerkt.
‘Ik zal eens wat te eten maken,’ zegt Bobby. Hij staat nog steeds aan het roer.
‘Heb je een kookboek meegenomen?’ sart Eric.
‘Niks kookboek. Mijn grootmoeder heeft me leren koken. Ik mocht kiezen tussen bruine bonen met rijst of rijst met bruine bonen.’
‘Had je grootmoeder geen fantasie?’
‘Als je aan mijn grootmoeder komt, kom je aan mij, huevón!’
‘Oké, oké, rustig maar, Speedy Gonzáles. Wacht trouwens even voordat je aan de slag gaat met je Chileense raasdonders. Ik wil scheepsberaad houden.’
Eric pakt de kaart. ‘Kijk,’ zegt hij. ‘We varen langs de Zeeuwse eilanden en daarna langs de Belgische kust. We zijn op weg naar Het Kanaal. Naar Guernsey. Mijn plan was om Tessa onderweg af te zetten in een van de Belgische of Noord-Franse havens. Maar na de schietpartij van vanochtend heb ik er geen behoefte aan om dicht langs de kust te varen. Laat staan om in een haven aan te leggen. Ze zouden ons op het spoor kunnen komen…’
‘Je bedoelt die moslimterroristen?’ vraagt Tessa met lichte spot.
‘Precies. Die wil ik niet nog een keer achter ons aan hebben. Dus…’
‘Ze zijn allang verdronken,’ onderbreekt Bobby zijn baas. Eric besteedt geen aandacht aan hem.
‘…dus ik stel voor dat we doorvaren. Tenzij’ – Eric kijkt Tessa aan – ‘tenzij je van boord wilt, natuurlijk.’
Tessa aarzelt even, dan schudt ze langzaam haar hoofd. Na de geslaagde passage van de Maasmond heeft ze haar evenwicht terug. Ze vertrouwt de zeilkwaliteiten van schipper Eric en bootsman Bobby. Het avontuur is nog maar net begonnen, nu al opgeven zou zonde zijn en ze heeft nog veel te doen. In haar hoofd formuleert ze een waslijst van vragen waarop ze antwoord wil krijgen. Dat gaat tijd kosten. ‘Ik vaar mee,’ zegt ze resoluut. ‘Als het van jullie mag, natuurlijk. Guernsey? Hoe lang doen we daarover?’
‘Als deze wind aanhoudt, kunnen we er in drie of vier etmalen zijn. Ik zal het straks uitrekenen. Het betekent wel dat we door de nacht varen en wachten gaan draaien. Heb je daar ervaring mee, Tessa?’
‘Ik heb het eerder gedaan. Maar met dit schip…’
‘Je hoeft niet alleen een wacht te doen. Ik help je wel,’ biedt Bobby aan.
‘Kijk aan, onze galante Zuid-Amerikaanse caballero!’ zegt Eric.
‘Fuck you.’
‘Ik zei het je al: hij spreekt zijn talen. We zullen vanmiddag de routine aan boord bespreken. Ik besef dat we overhaast zijn vertrokken, zonder tijd te nemen voor een gedegen voorbereiding. Dat moeten we alsnog doen, want er moet permanente wacht zijn. Straks kruisen we de scheepvaartroutes van Antwerpen en Zeebrugge en daarna passeren we het Nauw van Calais.’
‘Graag,’ zegt Tessa. ‘Je moet niet denken dat ik niet kan zeilen, maar dit is een nieuwe ervaring voor me.’
‘Je leert snel aan boord. Oké, we zetten koers richting Calais en daarna naar Guernsey. Als we daar zijn, zien we verder. Zijn jullie het hiermee eens?’
‘Ik vind het super,’ zegt Tessa. ‘Dan heb ik alle tijd om materiaal voor mijn artikel te verzamelen.’
‘Dat is waar ook. Je artikel. En jij, Bobby? Ga jij akkoord?’
‘Ik ga rijst met bonen maken.’
8
vlaamse kust, zondag 6 augustus 2006
Kalm zeilt de Joyeuse de nacht in. Eric heeft Tessa de eerste wacht toebedeeld, tot middernacht. Haar taak, heeft hij uitgelegd, is om de koers en de stand van de zeilen in de gaten te houden. Ze moet letten op de lichten van andere schepen. Vooral viskotters, die zich niets aantrekken van de aanwezigheid van plezierboten, kunnen het zeezeilers lastig maken.
Hoewel de Joyeuse niet ver genoeg uit de kust is om helemaal verschoond te zijn van lichtvervuiling, ziet Tessa meer sterren dan ze ooit in haar leven geteld heeft. Ze probeert sterrenbeelden te herkennen, maar verder dan de Grote en de Kleine Beer en de W van Cassiopeia komt ze niet. De Poolster bevindt zich schuin achter het schip. Dat klopt, stelt ze vast, want de koers is zuidwest.
’s Middags heeft Eric de wachten ingedeeld: van negen uur ’s avonds tot middernacht, van middernacht tot drie, van drie tot zes, van zes tot negen. Hij heeft ook de dagelijkse gang van zaken doorgenomen. Om negen uur ontbijt. Om één uur lunch. Om zeven uur de avondmaaltijd. De bemanningsleden zijn vrij om buiten hun wachttijden te slapen, te lezen of te luieren. Eten en drinken, koffie, thee en frisdrank zijn altijd toegestaan; alcohol alleen tussen vijf en zeven ‘s middags. De regelmaat van de zandloper bepaalt het leven aan boord van een zeilboot op zee.
Ook andere regels aan boord heeft Eric met Tessa doorgesproken: overdag geen veiligheidslijnen, tenzij het stormt. Dan is iedereen verplicht om een life jacket te dragen en zich te zekeren met een veiligheidslijn. In het donker gaat de wacht nooit alleen naar het voordek, maar wekt eerst een ander bemanningslid om op te letten en hij is altijd vastgeklikt. Het stuurwiel, ook al staat het op de automaat, mag nooit onbeheerd worden gelaten.
Verder heeft Eric de basisregel van de nachtelijke navigatie uitgelegd: schepen hebben een rood licht aan bakboord en een groen licht aan stuurboord. Als Tessa over bakboord – waar de Joyeuse haar rode licht heeft – een rood navigatielicht ziet, dan is dat de bakboordkant van een passerend schip en is alles veilig. Idem met een groen licht over stuurboord. Maar ziet ze groen over bakboord, of rood over stuurboord, dan is er sprake van kruisende koersen. Aan de hand van de beweging van het andere schip moet ze inschatten of er een aanvaring dreigt. Desnoods kan ze op de radar kijken wat de situatie is.
‘Groen op rood en rood op groen zijn onveilig,’ had Eric herhaald. Als ze niet zeker is van haar zaak, had hij haar op het hart gedrukt, moest ze onmiddellijk alarm slaan.
Nu is haar wacht begonnen. Eric heeft haar een tijdje gezelschap gehouden, daarna is hij naar zijn kooi gegaan om een paar uur te slapen. En zij zit alleen buiten, verantwoordelijk voor het schip. Geregeld kijkt ze om zich heen en ondertussen luistert ze naar de geluiden van de nacht.
Het ongeschoren gezicht van Bobby verschijnt in de opening van de kajuit. Hij neuriet zachtjes mee met een Latijns-Amerikaanse smartlap die uit de speakers van de cd-speler klinkt.
‘Koffie?’ vraagt hij.
‘Nee, dank je,’ zegt Tessa. ‘Dan kan ik straks niet slapen.’
‘Op een boot slaap je altijd.’
‘Toch maar niet.’
‘Ik maak wel wat anders.’
Bobby gaat naar binnen en komt een paar minuten later terug met een kleine kalebas waarin een metalen staafje steekt. ‘Mate’, zegt hij ter verduidelijking. ‘De traditionele drank van de gaucho’s, de cowboys van Zuid-Amerika. Het is een soort thee. Proeven?’
Hij geeft de kalebas aan Tessa. De damp slaat er van af.
‘Je moet aan het staafje zuigen,’ moedigt Bobby haar aan.
Tessa neemt een slok en spuugt het donkergroene vocht vrijwel meteen weer uit. ‘Wat bitter! Het is niet te drínken!’ Proestend geeft ze de kalebas terug.
Bobby lacht. ‘Het helpt tegen zeeziekte.’
‘Dat zal wel. Maar geen Zuid-Amerikaans toverdrankje voor mij.’ Ze speurt om zich heen, zoals Eric haar heeft opgedragen. In de verte ziet ze een paar lichten. Rood op rood. Alles is veilig.
‘Hoe is je eerste dag als matroos aan boord bevallen?’ vraagt Bobby.
Tessa weet niet direct wat ze moet antwoorden. In de afgelopen vierentwintig uur heeft ze zoveel meegemaakt, ze heeft haar emoties nog nauwelijks verwerkt.
‘Het is een heftige ervaring, maar supergaaf,’ zegt ze na een tijdje.
‘Wacht maar tot het stevig doorwaait. Dan wordt het nog veel heftiger,’ zegt Bobby.
‘Ik bedoel niet het weer. Daar ben ik niet bang voor. Maar de aanval van vanmiddag, dat was heftig.’
‘Het is toch goed afgelopen?’
‘Ik ben me lam geschrokken. Ik dacht echt: dit is het einde. Doodgeschoten op volle zee.’
‘Er zijn slechtere plaatsen om te sterven.’
‘Dat zeg jij. Jij bent schietpartijen gewend. Maar ik hoop het niet nog eens mee te maken.’
‘Je hield je als een vent. Dat meen ik. Ik heb wijven gillend uit hun dak zien gaan als er geschoten werd. Kerels trouwens ook. Vielen ze flauw of gingen ze hyperventileren.’
Tessa beseft dat ze zich stoerder voordoet dan ze is. Als ze terugdenkt aan de schietpartij, slaat de schrik haar opnieuw om het hart. Ze houdt van avonturen, maar die moet ze wel kunnen navertellen. Ze staat op, gaat naar binnen en pakt een fles water uit de koelkast. Wanneer ze weer buitenkomt, zit Bobby lurkend aan de kalebas op het gangboord. ‘Als je zo geschrokken bent, waarom heb je je dan vanmiddag niet aan de wal laten afzetten?’ vraagt hij.
‘Daar heb ik aan gedacht. Zo snel mogelijk van boord, terug naar huis. Maar toen we de scheepvaartroute passeerden was ik onder de indruk van de manier waarop jij en Eric dat deden. Dat gaf me het vertrouwen om verder te gaan.’ Het is de halve waarheid, weet Tessa, maar die vindt ze voor het moment genoeg.
‘Ik kan je verzekeren dat er meer gevaarlijke situaties zullen ontstaan.’
‘Geen nieuwe schietpartijen, hoop ik.’
‘Met Eric en mij moet je niets uitsluiten.’
‘Jullie zijn piraten, hè?’
Bobby maakt een grimas, zodat de gouden voortand van zijn gebit zichtbaar wordt. ‘En wat bezielt een welopgevoede vrouw om op een piratenschip mee te varen? Hang naar avontuur?’
Gek, denkt Tessa. Ze kent de Zuid-Amerikaan nog geen etmaal en hij is vast en zeker een eerste klas schurk, maar ze heeft het gevoel dat zijn hart op de goede plaats zit.
‘Ik snap het niet. Een aantrekkelijke vrouw die meegaat op een schip met een stel vreemde kerels. Mijn grootmoeder zou dat niet hebben goedgevonden,’ vervolgt Bobby.
‘Ho, ho. Eric heeft me uitgenodigd.’
‘Ach wat. Maar goed. Het schip waarop je te gast bent, wordt na een halve dag varen aangevallen. De kogels fluiten over het dek. Vraag je je dan niet af: wat is hier aan de hand?’
‘Natuurlijk vraag ik me dat af. Vertel jij het maar.’
‘Ik weet het niet.’
‘Je maakt mij niet wijs dat je niet weet op wie je hebt geschoten.’
‘Ik zweer het bij de heilige maagd.’
‘Ik was doodsbang. Om je de waarheid te zeggen: toen jij met dat geweer aan dek verscheen en begon te schieten, kreeg ik helemáál de schrik van m’n leven.’
‘Het is een L7 GP machinepistool. Het beste handvuurwapen dat er bestaat. Alleen beschikbaar voor militair gebruik.’
‘Dat zal wel. Maar ik lag op de grond te kermen en jij stapte boven op me. De paniek gierde door mijn lijf. Daarna schoot je die lui overhoop en besefte ik dat ik op een boot zit met een beroepsmoordenaar.’
‘Ik heb alleen maar een motorboot in een vergiet veranderd.’
‘Precies. Zodat die lui zijn verdronken. Je hebt die drie kerels de verdrinkingsdood ingejaagd.’
‘Ze konden naar het strand zwemmen.’
‘Maar Bobby!’
‘Wat had je dan gewild? Dat zij óns overhoop hadden geschoten? Dan hadden we er nu niet meer over kunnen praten. Het was zelfverdediging. In de rechtbank ga ik vrijuit.’
Tessa zwijgt. Ze beleeft de schietpartij opnieuw. De aanvallen van de mannen in de motorboot, de kogels die insloegen in het water, de precisie waarmee Bobby Menéndez de tegenstanders uitschakelde. De opluchting die zich van haar meester maakte. Ze kon wel juichen toen ze zag dat de speedboot langzaam zonk. Alsof haar overlevingsinstinct haar emoties bepaalde. Een natuurlijk gevoel van lijfsbehoud.
‘Oké. Je hebt mijn leven gered. En dat van Eric en van jezelf. Maar hoe kun je er zo koelbloedig over praten?’
‘Ik lig er niet wakker van. Bescherming, dat is mijn vak. Maar jij? Wat beweegt jou? Je schrikt, raakt in paniek – en toch blijf je aan boord. Ik snap het niet. Wat doe je hier eigenlijk?’
Bobby neemt Tessa onderzoekend op. Ze drinkt een slok water. ‘Dat heeft Eric toch verteld? Ik ben bezig een artikel over hem te schrijven voor een tijdschrift. En die schietpartij…’
‘Mijn reet. Wie een artikel schrijft voor een tijdschrift zit aan een bureau op een kantoor.’
‘Een journalist moet materiaal verzamelen,’ verdedigt Tessa zich. Ze voelt zich in het nauw gedreven.
‘Als jij journalist bent, ben ik geheelonthouder,’ zegt Bobby misprijzend. ‘Let je trouwens een beetje op? Het is nog steeds jouw wacht.’
Betrapt, alsof ze haar taak heeft verwaarloosd, kijkt Tessa om zich heen. Het schip waarvan ze het rode licht een tijdje geleden zag, gaat ruim achter de Joyeuse langs.
‘Wat denk jíj dat ik aan boord doe?’ vraagt ze om Bobby uit zijn tent te lokken.
‘Je bent een money shaker.’
Je moest eens weten, denkt Tessa en ze moet op haar tong bijten om geen openhartig antwoord te geven. Ze zegt schaapachtig: ‘Wat bedoel je?’
‘Kom op! Hoe oud ben je? Je weet toch wel dat vrouwen een doosje hebben waarmee ze net zoveel geld uit een man kunnen schudden als ze maar willen?’
‘O, nee! Daar ben ik niet op uit. Ik hou gewoon van avonturen en van reizen. Dus laat ik de kans om een zeiltocht op de Noordzee te maken niet liggen.’
‘Een avontuurlijke reis is een trektocht vol ontberingen door de besneeuwde Andes. Niet een paar dagen op een kabbelende zee met een luxezeilboot van een schipper die 650 miljoen waard is.’
‘Sorry?’
‘Je begrijpt me best. Señor Pincoff is wat zijn bankrekening betreft geen kleine jongen.’
‘Nou ja, ik weet dat hij rijk is. Maar zoveel…’
‘Waarschijnlijk nog veel meer. Hij weet zelf niet eens wat zijn vermogen is.’ In de stem van Bobby klinkt de trots door van de ondergeschikte die weet dat zijn baas honderden miljoenen waard is.
‘Jij werkt toch ook niet voor señor Pincoff omdat hij zo rijk is?’
‘Nee, maar het helpt wel. En volgens mij zit jij achter zijn geld aan. Je wilt hem uitknijpen met je kleine doosje. Eerst breng je zijn hoofd op hol en dan verleid je hem om met je te trouwen. Ik zal je wat vertellen, señorita: je bent niet de eerste golddigger die dat van plan is. Eric heeft een harem aan minnaressen versleten. Hij rijgt jou gewoon aan zijn kralenketting.’
Tessa weet niet goed wat te antwoorden. Dat het libido van Eric Pincoff zo groot is als het saldo op zijn bankrekening, weet ze ook wel. Ze heeft haar huiswerk gedaan. Maar neuken met Eric Pincoff is het laatste wat ze van plan is. Daarom heeft ze een eigen kooi geëist aan boord en is ze niet bij hem in de captain’s cabin ingetrokken. Nerveus schiet ze in de lach. ‘Ik vind jou wel leuk, Roberto,’ zegt ze. ‘Weet je, je hebt me op een geweldig idee gebracht. Mijn wacht is trouwens voorbij en het is tijd dat jij het van me overneemt.’
‘Je hebt gelijk,’ zegt Bobby. Hij staat op. ‘En viel het mee, je eerste nachtelijke wacht?’
‘O ja, zeker. Als je zit te praten vliegt de tijd voorbij.’
Als Tessa in haar kooi ligt weerkaatsen de woorden van Bobby in haar hoofd. Het ligt voor de hand, denkt ze, dat Bobby vermoedt dat ze uit is op een verhouding met Eric Pincoff. Wat zou een vrouw in zijn ogen anders willen? In zijn ogen kunnen vrouwen maar één ding. Grappig, Bobby gaat niet uit van de man die een vrouw wil versieren, maar van de vrouw die haar zinnen op een man heeft gezet. Het zal zijn machismo wel zijn. De vrouw als wellustige bedreiging. Als golddigger. Nu ze erover nadenkt: haar leven lang heeft ze verhoudingen met vermogende vriendjes gehad. Er was een constante in haar relaties, al vanaf haar middelbare schooltijd in de villawijk waar ze opgroeide: haar vriendjes hadden geld. Of het nu de zoontjes van rijke ouders waren of mannen die zelf goed in de slappe was zaten. Valt zij op rijke kerels, of vallen die op haar? Het maakt niet uit, het resultaat is hetzelfde. Het verwijt dat ze vroeger wel eens te horen kreeg van vriendinnen die minder succesvol waren in de mannenjacht, was dat ze zich schaamteloos omhoog neukte.
Ze glimlacht. Nu is het anders. Ze heeft haar zinnen gezet op andere zaken. Daarvoor moet ze een spel spelen en ervoor zorgen dat ze zo lang mogelijk aan boord van de Joyeuse blijft. Haar idee was: een paar dagen, daarna zou ze wel zien. Tot nu toe is het wonderwel goedgegaan. De angst die haar bij Scheveningen beving, is weggeëbd en ze heeft haar koelbloedigheid terug. Knap als iemand haar nu nog van boord krijgt.
Ze denkt weer aan de opmerking van Bobby. Money shaker. Hij moest eens weten. Ze heeft een ervaring achter de rug die van het ene moment op het andere een einde heeft gemaakt aan haar zorgeloze leven. Ze weet dat ze kwetsbaar is. Ze weet óók dat ze een rekening gaat vereffenen. Ze weet alleen nog niet hoe.
Tessa glimlacht opnieuw. Dan dommelt ze in een oppervlakkige slaap.
9
brussel, vrijdag 4 augustus 2006
Twee etmalen eerder begon de werkdag voor Sylvane Engelhard zoals gebruikelijk. In alle vroegte stond ze op. Terwijl ze luisterde naar het zingen van de lijsters in de tuin, maakte ze het ontbijt klaar voor haar echtgenoot en twee kinderen, zorgde dat er instructies voor de werkster op de keukentafel lagen, gaf de labrador een aai over zijn kop en trok zachtjes de deur van haar huis achter zich dicht. Vervolgens reed ze van de lommerrijke villawijk Hoeilaart naar het troosteloze Europakwartier van Brussel.
Sylvane Engelhard werkte bij de Europese Commissie op het directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie, waar ze was belast met de financiële regelingen voor veelbelovende ondernemingen. Het was geen opwindende baan, maar het werk viel goed te combineren met haar gezinsleven. Eigenlijk was ze te hoog gekwalificeerd voor het werk dat ze deed, maar haar carrière kon wel een paar jaar wachten. De Commissie was een uitstekende werkgever, de arbeidstijden waren flexibel en als een van haar kinderen ziek was, kon ze zonder bezwaar vrij nemen.
Met een sukkelgang reed ze naar het anonieme kantorencomplex waarin het dg-Ondernemingen en Industrie gehuisvest was. Ze parkeerde in de garage van het Breydel-gebouw, nam haar tas van de achterbank en ging met de lift naar de achtste verdieping.
‘Goedemorgen, Tariq,’ zei ze toen ze haar kamer binnenstapte. Tariq Mobasheri was de stagiair die voor Sylvane werkte. Sylvane kon goed met de economiestudent opschieten en ze waardeerde zijn scherpzinnigheid. Het was al een paar keer voorgekomen dat Tariq onregelmatigheden in jaarrekeningen had opgemerkt. Met die ontdekkingen had Sylvane indruk gemaakt bij haar baas. De directeur-generaal had haar zelfs een compliment overgebracht van Lena Feldspath, de eurocommissaris voor Ondernemingen en Industrie.
‘Ha Sylvane, hoe gaat-ie?’ verwelkomde Tariq haar.
‘Klaar voor een lang weekeind,’ zei Sylvane monter. ‘We gaan naar een huisje van vrienden in Normandië. Daar ben ik echt aan toe en er is hier toch niets te beleven.’
In augustus waren de kantoren van de Europese instellingen uitgestorven. Op alle afdelingen was een minimale bezetting om de machinerie van de Unie draaiende te houden. De rest van de ambtenaren was vertrokken naar hun land van herkomst of naar verre vakantiebestemmingen.
‘Gelijk heb je. Als jij weg bent, ga ik studeren voor een tentamen dat ik binnenkort moet doen.’
‘Koffie?’ Sylvane liep naar de gang en kwam even later terug met twee kartonnen bekertjes automatendrab.
Tariq Mobasheri was de zoon van vluchtelingen uit Iran en hij had zich voorgenomen om een succes te maken van zijn bestaan in Europa. Het had ongetwijfeld te maken met zijn achtergrond dat hij zo gelukkig was met zijn stageplaats in Brussel. Hij bewonderde Europa en wilde niets liever dan een bijdrage leveren aan het bestuur van de Unie. Bovendien waardeerde hij Sylvane Engelhard, omdat ze hem alle kansen bood zich te ontplooien.
‘Als je langer weg wilt blijven, doe dat gerust,’ zei hij toen Sylvane het kartonnen bekertje op zijn bureau zette. ‘Ik hou de boel wel in de gaten.’
‘Aardig van je aangeboden, maar mijn man kan deze zomer niet weg van zijn kantoor. Hij is bezig met een onderzoek naar boekhoudfraude bij een bekende onderneming. Dat kan niet blijven liggen terwijl wij een paar weken lekker in de zon bakken. Nee, de vakantie schiet er dit jaar voor ons bij in.’
‘Dan ga je toch met je kinderen weg?’
‘Zeker naar een vakantiepark. Nee hoor, dat doen we niet.’
‘Spannend trouwens, zo’n boekhoudfraude. Ik wou dat hier eens een grote zaak speelde. Een echte affaire in plaats van het zoveelste bonnetje dat in de verkeerde rubriek is gedeclareerd!’
Sylvane waardeerde de ambitie van haar stagiair. ‘Maar Tariq! Je weet toch dat de Europese Unie wat fraude betreft lelieblank is. In Brussel gebeuren nóóit dingen die niet door de beugel kunnen. De lidstaten gedragen zich voorbeeldig, de politici, de ambtenaren en de bedrijven ook. Boekhoudschandalen? Die doen zich bij ons nooit voor.’ Ze lachte zelf om haar cynisme.
Het was iets voorbij het middaguur. Voorzover er ’s ochtends nog enige bedrijvigheid in het Breydelgebouw was te bespeuren, was daar nu niets meer van te merken. Tariq had het gevoel dat Sylvane en hij de laatste Europese ambtenaren waren die nog achter een bureau zaten.
‘Voor deze zending moet getekend worden. Uw chef is met vakantie. Wilt u het doen, mevrouw Engelhard?’
In de deuropening van de werkkamer stond de bode die dagelijks de post en circulaires op de afdelingen rondbracht. Sylvane tekende en gooide de enveloppen op het bureau van Tariq. ‘Daar mag jij je mee bezighouden. Ik ga naar huis, boodschappen doen. We willen vanavond al naar Normandië.’
‘Veel plezier. Geniet van je vrije dagen,’ zei Tariq. Nadat Sylvane vertrokken was, pakte hij de stapel post. Straks, besloot hij, en hij legde de stapel weer op zijn bureau. Zijn maag knorde. De hoogste tijd om te lunchen.
Twee uur later kwam hij opgetogen terug op zijn kamer. In het bedrijfsrestaurant had hij een afspraak gemaakt met een jonge Sloveense vrouw om ’s avonds uit eten te gaan. Ze werkte op de persafdeling en niet alleen omdat zij ook niets te doen had, nam ze de uitnodiging van Tariq gretig aan.
Het vooruitzicht van een ontspannen avond stemde Tariq vrolijk. Hij pakte de stapel enveloppen en begon zich door de post heen te werken. Bevestigingen, verzoeken, aankondigingen, voortgangsrapportages, circulaires, overzichten, mededelingen – het was het gebruikelijke onleesbare ambtelijke proza. Tariq wist wat hij het liefst deed met al dat papier: er vliegtuigjes van vouwen en die richting prullenmand mikken. Maar hij voorzag ze plichtsgetrouw van een nummer voor het archief. Vervolgens keek niemand er meer naar om. Zo ging het iedere dag. Bureaucratie als werkverschaffing. Soms vroeg hij zich af of hij een bijdrage leverde aan de toekomst van de Europese Unie, of dat hij belast was met een kafkaëske bezigheidstherapie.
Ondertussen dwaalden zijn gedachten af naar de slanke Sloveense met wie hij een afspraak had gemaakt. Het beloofde een heerlijke zomeravond te worden. Hij mijmerde over een restaurant met terras dat gezellig was om haar mee naartoe te nemen.
De laatste envelop was een aangetekende brief geadresseerd aan de directeur-generaal van het dg Ondernemingen en Industrie. Voor de ontvangst van deze brief had Sylvane getekend. De brief was afkomstig van de Industrie und Handelsbank (ihb) uit Frankfurt. Tariq las:
Sehr geehrter Herr Generaldirektor,
Hierbij delen wij u mede dat wij een beroep doen op de garantstellingen die zijn afgegeven inzake de kredietverstrekking van de Industrie und Handelsbank (ihb) aan Durendal Beheer bv gevestigd te IJmuiden (Nederland). De kredieten, met een totale waarde van € 183,5 miljoen, zijn op 27 september 2004 aan voornoemde bv verstrekt ten behoeve van het project Charlemagne Airport. Verwijzend naar uw brief van 26 september 2004 waarin, in overeenstemming met regeling EU/DGOI/2004/3287-t.HF, het Directoraat-Generaal Ondernemingen en Industrie van de Europese Commissie zich voor het volledige bedrag van het krediet garant stelt, stellen wij u ervan op de hoogte dat voornoemde bv in gebreke is gebleven bij de rentebetalingen over de kredieten, alsmede bij de aflossing van de hoofdsom.
De achterstallige betalingen hebben de contractuele termijnen overschreden. Aan aanmaningen is na aangetekend schrijven van de Industrie und Handelsbank (ihb) door Durendal Beheer bv te IJmuiden geen gevolg gegeven.
In overeenstemming met artikel 7 paragraaf 3 van de kredietcontracten vervalt bij achterwege blijven van betalingen het gehele krediet.
Verwijzend naar de garantstelling die Helena Feldspath, bevoegd om namens het Directoraat-Generaal Ondernemingen en Industrie op te treden, heeft afgegeven, sommeren wij u derhalve om het onderhavige bedrag van € 183.500.000 (honderddrieëntachtig miljoen vijfhonderdduizend euro) te voldoen. Bij niet-nakoming van de garantstelling zullen juridische stappen volgen.
Vertrouwend op uw begrip, verblijven wij, met de meest hoge achting,
w.g.
Dr. Friedrich Steinbrecken
Dipl.Ing. Karl-Heinz Pöhl
Tariq floot tussen zijn tanden. Wat was dit voor dreigende taal? Afpersing? Een poging tot oplichting? Hij was stagiair en had geen flauw idee waar deze brief op sloeg. De namen van de bank, het bedrijf en het project zeiden hem niets. In de zeven maanden dat hij bij het directoraat-generaal werkte, had hij nog nooit van een garantstelling gehoord. Dit was geen economie, maar een juridische kwestie. En er was weinig fantasie voor nodig om te beseffen dat dit een brisante brief kon zijn.
Honderddrieëntachtig miljoen euro. Dat was heel veel geld. Als hij het goed begreep moest dat bedrag overgeboekt worden naar een bank in Frankfurt. En hij wist maar al te goed dat hij het begreep.
Tariq keek op zijn horloge. Kwart voor vijf. Hij moest Sylvane Engelhard bellen. Als hij geluk had, was ze nog niet vertrokken naar haar weekeindhuisje.
Hij toetste haar mobiele nummer in en haalde opgelucht adem toen hij haar stem hoorde.
‘Sylvane, stoor ik je?’
‘Hooguit bij de vraag welke pizza’s ik zal meenemen. Ik sta in de supermarkt.’
‘Herinner je je dat er vanmorgen een aangetekende brief kwam?’
‘Natuurlijk.’
‘Die brief…’
‘Hoor eens, Tariq, kan het wachten tot maandag? We staan op het punt om weg te rijden. De kinderen zitten in de auto te wachten.’
‘Sorry. Heel even. Volgens mij is dit nogal belangrijk.’
Tariq citeerde enkele zinnen uit de brief.
‘Goeie genade,’ zei Sylvane toen Tariq was uitgesproken. ‘Waar sláát dit op?’
‘Geen idee. Ik dacht dat het jou iets zou zeggen.’
‘Is het een grap? Een fake? Weet je zeker dat het echt is?’
‘Nee, natuurlijk weet ik dat niet zeker. Maar ik heb hier een aangetekende envelop geadresseerd aan onze directeur voor me liggen en daar zat deze brief in.’
‘Goeie genade,’ zei Sylvane opnieuw.
‘Sorry dat ik je weekend verpest.’
‘Nee, nee, het is verstandig dat je me belt. Maar waar gáát dit over? Ik heb nog nooit van een garantstelling gehoord in al die jaren dat ik bij deze dg werk.’
‘Misschien is het een Nigeriaanse afpersingstruc.’
Het bleef even stil aan de andere kant. Toen zei Sylvane: ‘Daar kun je wel eens gelijk in hebben. Weet je, het heeft geen zin nu iets te ondernemen. Het is vrijdagmiddag. Iedereen is weg, met vakantie of naar huis. Ik zal in het weekeinde proberen wat mensen telefonisch te bereiken. Mijn baas en commissaris Feldspath. En ik zorg dat ik maandagochtend vroeg op kantoor ben. Dan maar wat korter aan de calvados. Volgende week zoeken we uit wat er aan de hand is. En of het echt is. Ik vertrouw het voor geen cent.’
‘Dan wens ik je voor de tweede keer een goede reis,’ zei Tariq. Hij was opgelucht dat hij zijn eetafspraak niet hoefde afzeggen.
10
brussel, maandag 7 augustus 2006
Met een weekendtas over haar schouder en een mobieltje tegen haar oor stapte Sylvane Engelhard maandagochtend haar werkkamer binnen. Zonder haar gesprek te onderbreken knikte ze betekenisvol naar Tariq. Tariq hoorde haar staccato spreken, tussenwerpingen makend terwijl ze luisterde naar de persoon met wie ze telefoneerde.
‘Ja… Ja… Ja… Natuurlijk… Ja… Ja… Nee… Oké… Goed… Nee… Nee… Ja…Nee… Dank u… En, eh, nog een prettige vakantie gewenst.’
Ze klikte het gesprek weg. ‘Guter Gott, wat een takkewijf!’
‘Lena Feldspath,’ gaf ze als uitleg aan Tariq, die haar verbluft aankeek. In al die maanden dat hij voor haar werkte, had hij zijn baas nog nooit een onvertogen woord horen zeggen. Nu was het alsof er van ergernis stoom uit haar oren kwam.
Nijdig vervolgde ze: ‘Het hele weekeinde ben ik in de weer geweest om haar te spreken te krijgen. Wat dacht je? Nichts, nada, niente. Vanochtend lukt het eindelijk, op het moment dat ik mijn auto beneden in de garage parkeer. Blijkt de eurocommissaris in Kenia te zijn. In een wildpark op safari. Ik heb vijf boodschappen ingesproken en zeven sms’jes gestuurd: “Bel dringend terug”. Maar ze had niets ontvangen. Tussen de olifanten had ze geen netwerk, beweerde ze. Ze had haar mobieltje trouwens toch niet aan staan, want ze was met vakantie. Dan wil onze eurocommissaris niet gestoord worden.’
‘Goedemorgen, Sylvane. Fijn weekend gehad?’
‘Sorry, ik laat me even gaan.’
‘Geeft niet. Welkom terug. Ik haal koffie voor je.’
Even later zaten ze samen aan een werktafel met ieder een bekertje kantoorkoffie voor zich. Sylvane schoof de stapels dossiers die op afhandeling lagen te wachten aan de kant. Tariq gaf haar de brief van de Industrie und Handelsbank. ‘Dit is de tijdbom,’ zei hij.
Sylvane bestudeerde de tekst. Daarna schoof ze langzaam de brief terug. ‘Zullen we beginnen af te spreken dat dit onder ons blijft?’ zei ze.
Tariq dacht even aan de terloopse opmerking die hij gemaakt had toen hij vrijdagavond met Nataša, de Sloveense woordvoerster, uit was geweest. Hij had opgeschept over de vertrouwelijke dossiers die hij in behandeling had. En over de politiek gevoelige brieven die hij onder ogen kreeg. Maar nee, hij had geen details genoemd. Hij was er zeker van dat hij niets te veel had gezegd.
‘Ik heb gisteren gebeld met onze directeur. Hij vermoedt dat we te maken hebben met oplichters,’ zei Sylvane, weer tot rust gekomen. ‘Je kent hem, hij houdt alles in de gaten. Hij wist van niets. Als het klopt wat in deze brief staat, dan was die garantstelling langs zijn bureau gegaan. Dan was hij ervan op de hoogte geweest.’
‘Niet, dus,’ zei Tariq.
‘Nee. En hij was niet van plan zijn vakantie voor een zwendelzaakje te onderbreken.’
‘En Feldspath?’
‘Ik zei al, ze is op safari. Bezig de Kilimanjaro te beklimmen. Al maakt ze die tocht volgens mij gewoon in een terreinwagen. Volgens haar is er niets bijzonders aan de hand.’
‘Weet ze dan wél waarover het gaat? Dan is het geen zwendel.’
‘Dat begreep ik dus ook niet. Ik kreeg de indruk dat ze verrast was, maar geen zin had zich ermee bezig te houden. Ze verdiept zich liever in mannen. Die verslijt ze als poetsdoeken. Je kent haar bijnaam toch wel? Commissaris Dieplader.’
Tariq schoot in de lach. ‘Nee, die kende ik niet. Maar dat betekent…’
‘…dat wij de boel voorlopig op ons bordje hebben liggen.’ Sylvane keek met een schuin oog naar de dagtekening van de brief. ‘Er staat geen termijn genoemd, maar de toon is zodanig dat deze bankiers nogal haast lijken te hebben. Dus laten we maar eens bedenken wat we gaan doen.’
‘Vertel eerst eens hoe je weekend was.’
Sylvane ontspande zich, voor het eerst deze maandagmorgen. ‘Heel erg leuk. We logeerden in een gezellig huis met een prachtige tuin. De kinderen hebben genoten. Maar ik moet je bekennen dat ik er met mijn gedachten niet bij was. De hele tijd spookte de inhoud van die brief door mijn hoofd. Honderddrieëntachtig miljoen…. Hier zijn we nog lang niet klaar mee.’
Sylvane had ’s ochtends een privé-afspraak buiten de deur, dus liet ze het uitzoekwerk naar de inhoud van de brief aan Tariq over.
‘En?’ vroeg ze nieuwsgierig, toen ze ’s middags haar werkkamer binnenkwam. Ze had Tariq opgedragen om te beginnen de gegevens die in de brief vermeld stonden op hun feitelijke juistheid te controleren. Vermoeid plofte ze op haar bureaustoel.
‘Tsja,’ zei Tariq. ‘Het goede nieuws is dat ik niet ver ben gekomen. Dus er is hoop dat het allemaal meevalt. Het slechte nieuws is dat het geen Nigeriaanse oplichtingstruc is. Ik heb naar Frankfurt gebeld en kreeg na wat gedoe Herr Pöhl van de ihb te spreken. Die bestaat echt en hij bevestigde dat het klopt. Maar ik heb de brief waarnaar wordt verwezen, niet in ons archief kunnen vinden. Ik ben naar het secretariaat van commissaris Feldspath gegaan. Er was een vervangster, haar eigen secretaresse is met vakantie. Zij kon ook niets vinden.’
‘Vreemd.’
‘De invalster veronderstelde dat de brief in de beveiligde computerbestanden zit waar alleen de vaste secretaresse van Feldspath toegang toe heeft.’
‘Kun je Herr Pöhl vragen die brief aan ons te faxen?’
‘Dat wordt lastig. Hij is met vakantie. Ik werd doorverbonden met zijn mobiel. Hij zit in Kenia. Aan het strand van Mombassa.’
‘Ach mein Lieber… Is Europa in augustus collectief naar Kenia? Alsof het daar zo leuk is. De ihb kon je dus niet verder helpen.’
‘Nee. Daarom ben ik achter het bedrijf aangegaan dat in de brief genoemd wordt. Durendal Beheer. Dat bedrijf bestaat inderdaad en is gevestigd in IJmuiden.’ Tariq had moeite met de uitspraak van de Hollandse naam. ‘Weet je trouwens wat Durendal betekent?’
‘Het klinkt als een merknaam van huishoudelijke artikelen.’
‘Durendal is iets uit de Roelandlegende.’
‘Zegt me niets.’
‘Roeland was de neef van Karel de Grote. Durendal was de naam van het zwaard van Roeland.’
‘Sorry, Tariq, ik ben blanco. Nou ja, ondernemers geven hun bedrijven soms de gekste namen. Het klinkt trouwens wel fraai, doerendal.’
‘Het is een vastgoedmaatschappij.’
‘Aha!’
‘En Charlemagne Airport bestaat ook. Het is een project voor een vliegveld in zee.’
‘Nu je het zegt, daarover heb ik wel eens iets gelezen. Het leek me een belachelijk plan, waarmee veel geld gemoeid is en waarvan een handvol mensen heel erg rijk wordt.’
‘Weet je wie de co-financier van dat project is?’
‘Vertel.’
‘Het dg Ondernemingen en Industrie.’
‘Pffew,’ zei Sylvane. Ze leunde achterover in haar bureaustoel. ‘Echt waar? Dan wordt het interessant. Dan heeft Feldspath er iets mee te maken.’
‘Samen met Durendal Beheer. Het staat allemaal nog in de aanloopfase, maar het belooft een miljardenproject te worden.’
‘Logisch, je hebt het niet over een speelgoedvliegveld in een zandbak. Hier heb je grote investeerders voor nodig. Goed werk, Tariq.’
‘Kwestie van googelen,’ zei hij bescheiden. Hij stond op en begon voor het raam heen en weer te lopen. ‘We weten dus dat de eis van de ihb geen afpersing is, dat het bedrijf Durendal Beheer bestaat en dat er een project is om een vliegveld in zee aan te leggen. Maar daarmee zijn we niets opgeschoten. Meneer Pöhl is met vakantie, het vliegveld bestaat alleen op papier, en Durendal…’
‘Heb je hun kantoor gebeld?’
‘Er was niemand aanwezig. Ik kreeg een antwoordapparaat.’
‘Wat raar… Een bedrijf dat in een miljardenproject voor een vliegveld is verwikkeld en niemand neemt de telefoon op? Of is men daar ook al met vakantie naar Kenia?’
Tariq ging niet in op Sylvanes grapje. ‘Ik heb een boodschap ingesproken met het verzoek teruggebeld te worden.’
‘Wat nog niet gebeurd is.’
‘Jij kunt gedachten lezen.’
‘Guter Gott’, zei Sylvane voor de tweede keer deze ochtend.
‘Allah is groot, zeggen wij dan,’ zei Tariq plagerig. ‘Die Roeland van dat zwaard Durendal vocht trouwens tegen de moslims in Spanje. Hij werd in de pan gehakt in de vallei van Ronceval aan de Spaanse kant van de Pyreneeën.’
‘Ook dat nog,’ zei Sylvane. Nerveus schoot ze in de lach. ‘Hoe dan ook, je hebt veel geleerd vandaag over de Europese geschiedenis. Goed voor je inburgering. Maar met deze historische kennis schieten we niets op.’
Ze pakte haar spullen bij elkaar. ‘Ik moet hoognodig naar huis. De oppas aflossen.’
‘Ik blijf nog even hier,’ zei Tariq neutraal. ‘Kijken of ik meer informatie kan vinden over Durendal.’
‘Succes en tot morgen.’
Tariq wachtte totdat Sylvane door de gang verdwenen was. Maar hij was met zijn gedachten niet bij Durendal. Hij verheugde zich op de nieuwe afspraak die hij met Nataša had gemaakt. Hij pakte de telefoon om haar de naam door te geven van een brasserie in de Leopoldswijk waar ze elkaar straks zouden ontmoeten.