21

atlantische oceaan, woensdag 16 augustus 2006

Bijna twee jaar na het begin van de afpersing op die regenachtige middag in het Amsterdamse Bos klieft de Joyeuse door het azuurblauwe water van de Atlantische Oceaan in de richting van de Canarische Eilanden. Eric heeft Tessa urenlang over zijn zakelijke verleden verteld, maar zijn kennismaking met de heren Lodderer en Muizenman en zijn verhouding met eurocommissaris Feldspath heeft hij zorgvuldig uit zijn verhaal geretoucheerd. Die privé-elementen gaan de nieuwsgierige journaliste niets aan, vindt hij. Ze heeft er ook niet naar gevraagd, trouwens.

Voor de boeg van het schip dartelen drie dolfijnen. Met de regelmaat van een slingerklok beschrijven ze een boog door de lucht, duiken onder en komen weer boven. Zo nu en dan versnellen ze hun tempo, zodat ze als herauten een paar meter voor de boeg uit zwemmen. Dan weer laten ze zich een eindje terugvallen, alsof ze hun belangstelling voor de drijvende indringer van hun domein verloren hebben. Maar dat is tijdelijk. Ze vermaken zich met het zeilschip alsof het een plastic speelgoedbootje in een badkuip is.

Tessa staat bij de reling op het achterdek naar de dolfijnen te kijken. Ze heeft foto’s gemaakt, maar toen ze die op het beeldschermpje terugkeek, zag ze dat ze voornamelijk de oceaan had vastgelegd. Soms was er net een staart te zien, maar op de meeste foto’s waren de dolfijnen alweer ondergedoken. Terwijl ze met de camera voor haar oog probeert te verzinnen hoe ze het beste het moment kan voorspellen waarop de dolfijnen boven water zullen komen, hoort ze een innemende stem naast zich zeggen: ‘Ik ken die dieren. Ze zijn vlugger dan je denkt.’

Betrapt kijkt Tessa om. Ongemerkt is Orville bij haar komen staan. Hij heeft een zeilpet op die wit is uitgebeten van het zeezout. Met gespeelde nonchalance laat Tessa haar camera zakken. Bijna een week is ze nu samen met Orv aan boord van de Joyeuse en hoewel ze er niet aan wil toegeven, voelt ze vlinders in haar buik.

‘Heb je wel eens met dolfijnen gezwommen?’ zegt ze. En meteen schaamt ze zich voor haar schaapachtige vraag. Orville is niet het type dat met bomen praat, stenen aait of dolfijnen knuffelt.

‘Niet met dolfijnen, wel met orka’s,’ zegt hij tot haar verrassing. ‘Maar dat zijn ook dolfijnachtigen. Dus: ja.’

‘Toch niet op Guernsey?’

Orville schiet in de lach. ‘Nee, al barst het in de financiële wereld van de orka’s. Die noemen zich investment bankers. Maar ik heb een tijdje gewerkt in een zeeaquarium in Florida.’

‘Hoe kwam je daar terecht?’

‘Na mijn studie stond ik voor de keuze om direct aan de slag te gaan in de City en me over de kop te werken. Ik zag daar het nut niet van in. Daarom ben ik een tijdje naar de Cariben gegaan om me te vermaken. Na zes maanden was mijn geld op en via een Amerikaanse vriendin die ik daar had opgeduikeld, kon ik terecht in Florida bij een zeeaquarium. Dat was weer eens wat anders.’

‘Was het gevaarlijk?’

‘Met die orka’s? Welnee! Die dieren kregen goed te eten en hun tanden waren afgevijld. Ik denk dat ze ook gedrogeerd waren. Ik had meer moeite om opdringerige toeristen van mijn lijf te houden.’ Hij slaat op zijn gespierde buik.

Tessa weet niet wat ze moet zeggen. Alsof ze bedwelmd is, staart ze over het water. Orville staat schuin achter haar. Hooguit een decimeter scheidt hun lichamen. In haar nek voelt ze de luchttrilling van zijn ademhaling. Ze moet de neiging onderdrukken om zich met de deining van het schip naar achteren te laten vallen, zodat ze met haar rug tegen zijn lijf zou komen. Nee, niet doen. Niet op het achterdek. Niet midden op de dag.

‘Grappig, hè, die dartele dieren,’ zegt ze glazig.

‘Wist je dat dolfijnen een fluittoon produceren waarmee ze elkaar roepen? En met de manier waarop ze door het water buitelen, brengen ze boodschappen over. Het zijn net mensen.’

Tessa doet een stapje opzij in plaats van toe te geven aan haar begeerte. Ter afleiding houdt ze de camera opnieuw bij haar oog, maar ze krijgt de tuimelaars niet goed in het vizier. Na een paar pogingen geeft ze het op. Ze zegt: ‘Ze laten me alles vergeten. Alsof ik mijn vorige leven achter me heb gelaten.’

‘Je moet een zware tijd hebben gehad.’

Aangenaam getroffen door Orvilles opmerking draait ze zich een halve slag om en kijkt hem aan. ‘Ja, het was moeilijk. Heel zwaar. Maar dit helpt me eroverheen. Dit is het beste verwerkingsproces dat ik me kan voorstellen.’

‘Daar heb je vast gelijk in. Maar vergis je niet. Een zeiltocht is verraderlijk. Vandaag is het een picknick met dolfijnen, morgen kan het de hel met donder en bliksem zijn.’

‘Dat weet ik. Daarom geniet ik van ieder moment. Het is zo ontspannend.’ Met één hand houdt Tessa zich vast aan de reling achter haar. Ze voelt de rug van Orvilles hand traag langs haar wang en hals glijden. Ze kan niet langer weerstand bieden en met de beweging van het schip laat ze haar borsten even tegen zijn gespierde lijf aan komen. Ze beseft dat ze de eerste stap zet op een pad waarvan ze weet waar het eindigt.

‘Je verdient het,’ zegt hij en hij trekt zijn hand terug.

Op dat moment steekt Bobby zijn besnorde hoofd uit het luik van de kajuit. ‘Als jullie tijd hebben om de tafel uit te klappen, dan kunnen we lunchen.’

 

Na de maaltijd blijft Tessa met Eric in de kuip achter. De dolfijnen zijn verdwenen. Orville is binnen bezig de koers op de kaart bij te werken. Bobby ligt een stripboek te lezen in een hangmat die hij tussen de mast en het voorstag heeft gespannen. Zo nu en dan barst hij in bulderend gelach uit. Over de positie waarin hij Tessa en Orville op het achterdek aantrof, heeft hij met geen woord gerept.

‘Hoe bevalt de oceaantocht?’ vraagt Eric.

‘Ik raak met de dag meer verslingerd aan het zeemansbestaan,’ antwoordt Tessa naar waarheid.

‘Mijn boot is de enige plek op aarde waar ik me veilig voel en volledig eigen baas ben. Aan boord hoef ik voor niemand op mijn hoede te zijn. Dat kun je nu vast wel begrijpen.’

‘O, ja. Absoluut. Zo beleef ik het ook.’

‘Een zeiltocht is een therapeutische behandeling tegen stress en het kost niets. Zet dat maar in je artikel! Nou ja, het onderhoud van een boot is wel iets duurder dan een uur op de bank bij de psych.’ Eric schiet in de lach. ‘Hoe staat het eigenlijk met dat artikel? Je moet toch eens aan je opdracht werken, meisje. Anders kom je straks aan de andere kant van de wereld en heb je nog niets afgeleverd. Wat zal de baas van dat blaadje dan zeggen? Daar betaalt hij je vast niet voor.’

‘Ik ben aan het onthaasten. En verder ben ik freelancer,’ zegt Tessa luchtig. ‘Ik heb een afspraak gemaakt om een verhaal te schrijven, niet wanneer ik het zal inleveren. Dat mag ik zelf bepalen. Zolang ik met jou op deze boot zit, heb ik dit onderwerp exclusief voor mij alleen. Mocht een andere journalist de Europese zakenman van het jaar willen interviewen, dan gaat dat mooi niet lukken. Aan boord ben jij mijn journalistieke prooi.’ Tessa lacht plagerig. ‘Maar je hebt gelijk. Ik moet nodig verder met mijn verhaal.’

Tessa gaat naar binnen en komt terug met haar aantekenboekje, pen, pet en een flacon zonnebrandcrème. ‘Vertel maar eens waarom je zo bezeten bent van Karel de Grote’, zegt ze als ze weer naast Eric zit.

‘Wat weet je van geschiedenis?’ zegt Eric als ze weer op de kuiprand zit. ‘Ik bedoel: van de geschiedenis van Karel de Grote?’

‘Eh… Ik heb wat opgezocht op Google, maar de details zijn me ontgaan,’ zegt Tessa, terwijl ze haar armen, schouders en benen zorgvuldig met crème insmeert. ‘Jij ook?’ Ze geeft het flesje aan Eric.

‘Dan zal ik beginnen je kennis op te frissen. Je moet je voorstellen dat je in de achtste eeuw bent. Rond 700 na Christus. Het West-Romeinse rijk is een paar eeuwen eerder uit elkaar gevallen, de volksverhuizingen hebben voor enorme ontwrichting gezorgd. Langs de zuidkust van de Middellandse Zee en in Spanje rukken de Moren op. Met hun kromzwaarden verspreiden ze een nieuw geloof, de islam. De voorhoedes zijn al over de Pyreneeën getrokken en maken zich op om West-Europa te veroveren. Ze ontmoeten nauwelijks tegenstand. Het christendom strekt zich in die tijd uit van Italië en Spanje tot Ierland, maar is in Noordwest-Europa nauwelijks verspreid. De Germaanse stammen hangen heidense godsdiensten aan, waaraan we de kerstboom en de paaseieren te danken hebben. Hoe dan ook, het christendom staat op het punt in het Westen ten onder te gaan. Zie je de situatie voor je? En zie je de parallel met de tegenwoordige tijd?’

Tessa knikt. Als een schoolkind maakt ze aantekeningen.

‘Goed. In delen van wat tegenwoordig Frankrijk heet, bestaat het Frankische rijk. Veel stelt het niet voor als Karel Martel daarvan koning is geworden. Karel de Strijdhamer, een bastaardzoon van koning Pepijn. En dan, bij Poitiers in Midden-Frankrijk, roept deze Karel met zijn Frankische leger de opmars van de troepen van de islam in 732 een halt toe. Het is een keerpunt in de Europese geschiedenis. Als hij dat niet had gedaan, hadden wij nu vijf keer per dag met ons hoofd naar Mekka moeten bidden.’ Eric kijkt even op het kompas en wijst in de richting van het oosten.

‘En denk jij dat de moslims dáárom achter jou aan zitten? Vanwege een verloren slag van bijna dertienhonderd jaar geleden?’ zegt Tessa ongelovig.

‘We hebben de achtervolgers gelukkig van ons afgeschud en ik denk dat ze niet meer terugkomen,’ ontwijkt Eric haar vraag. ‘Hoe dan ook, de kleinzoon van Karel Martel is Karel de Grote. Hij wordt in 771 uitgeroepen tot koning van de Franken. En dan begint hij als een bezetene oorlog te voeren: 53 campagnes in totaal. Tegen de heidense Saksen, tegen de Moren in Frankrijk, tegen de Saracenen in Spanje. Hij verovert het rijk der Longobarden in Noord-Italië, het Saksische land tot de Elbe en de Beierse marken langs de Donau.’

Eric gaat staan en gebaart met zijn armen. ‘En dan beleeft hij zijn mooiste moment. We zijn in het jaar 800, een heilig jaar, de wisseling van de achtste naar de negende eeuw. Karel gaat naar Rome, op bezoek bij paus Leo iii die hem vanwege de strijd tegen de Longobarden een dienst verschuldigd is. Op kerstdag gaat hij naar de Sint Pieterskerk, als een Romeinse keizer gekleed in een toga en op sandalen. Karel knielt voor het altaar van Petrus en is in gebed verzonken. Dan zet de paus onverwacht de keizerskroon op zijn hoofd en herhaalt drie keer plechtig: “Heil Karel Augustus, gekroond door de Grote God en Roomse keizer van de Vrede”. Karel is overrompeld door de pauselijke zegen. Hij is de eerste christelijke vorst die zich heilige Roomse keizer mag noemen, een titel die de daaropvolgende eeuwen voor de keizers van het Duitse rijk blijft bestaan.’

Eric laat zijn hand langs het medaillon op zijn borst glijden. ‘Dit is het symbool van Karel, een monogram van de letters van Karolus. Wist je trouwens dat Karel analfabeet was?’ Hij houdt het medaillon omhoog zodat het flonkert in het zonlicht.

‘Ga door,’ moedigt Tessa Eric aan, nadat ze zijn talisman heeft bewonderd.

‘Goed. Als Karel in 814 overlijdt, zijn drie van zijn zoons gestorven. De vierde, Lodewijk de Vrome, volgt hem op. Na diens dood in 843 verdelen zijn zonen het land onder elkaar met het Verdrag van Verdun. Lodewijk de Duitser krijgt het oost-Frankische rijk, Karel de Kale het west-Frankische rijk en Lotharius het middenrijk. En nu pas, met de Europese Unie, is het verdeelde rijk van Karel weer als eenheid hersteld.’

‘Jemig,’ zegt Tessa. Ze weet zich niet goed raad met Erics historische uiteenzetting. ‘Ik wist niet dat je de Europese geschiedenis zo eenvoudig kunt verklaren.’

‘Toch is het zo. Bij Karel de Grote ligt de bakermat van de Europese eenheid. Ik vind dat Europa de grootsheid van zijn rijk daarom moet koesteren. Begrijp je nou waarom ik mijn Stichting Carlomagnus heb opgericht?’ Het is geen vraag maar een conclusie.

‘Nee, want wat is daar het nut van?’

‘Dat zal ik je uitleggen. Ik heb in mijn leven geleerd groots te denken.’

‘Ik snap het niet,’ zegt Tessa. ‘Wat heeft jouw bewondering voor Karel de Grote met je zakelijke activiteiten te maken?’

‘Ik bekijk het als een commercieel project. Het graf van Karel de Grote wordt een Europees bezinningscentrum. Verder wil ik zijn kastelen laten opknappen om er hotels in te vestigen. Luxe met een historisch tintje. Daar is een markt voor, dat verzeker ik je. En ik begin de Karelland-themaparken, een Europees Disneyland. De toeristen kunnen daar zijn veldtochten opnieuw beleven en iets meemaken van de Karolingische tijd.’ Eric gaat zitten. ‘Goed verhaal, hè?’ zegt hij verguld.

‘Dus het heeft een commercieel belang.’

‘Het is in de eerste plaats mijn droom. Het heeft óók een commercieel belang, daar ben ik niet kinderachtig over. Alles wat ik doe in mijn leven, heeft een zakelijke kant. Daar is niets mis mee.’

‘Dit is interessant voor mijn artikel. Precies wat onze lezers willen weten,’ zegt Tessa. Ze maakt nog wat aantekeningen.

Eric buigt zich vertrouwelijk naar Tessa toe. ‘Ik zal je een geheim verklappen. Iets wat weinig mensen weten. Mijn voornaam is eigenlijk Karel. Ik heet voluit Karel Erik, met een k. Ik was als kind nogal klein van stuk en mijn vriendjes pestten me daarmee. Dan riepen ze: Karel de Kleine! Toen ik op de lagere school leerde dat er een Karel de Grote had bestaan, werd hij mijn voorbeeld. Ik wilde ook zo genoemd worden.’

‘En? Heeft het gewerkt?’ vraagt Tessa. Ze onderdrukt haar neiging tot spot. Minderwaardigheidscomplex, noteert ze in haar notitieboekje en ze zet een paar kringels om dat woord.

‘Dat weet ik niet. Ik denk het wel. Later, toen ik in zaken ging, heb ik mijn naam veranderd in Eric met een c. Dat maakt meer indruk.’

Orville steekt zijn hoofd uit de kajuit en zegt met een knipoog naar Tessa: ‘Sorry, stoor ik jullie in een privé-gesprek?’

‘Nee, nee, helemaal niet,’ zegt Eric haastig. ‘Kom er bij. Ik leg Tessa uit wat mijn Karolingische project is. Daar weet jij allang alles van.’

‘Ha!’ zegt Orville met een brede lach. ‘Eric en de redding van het avondland!’

‘Vind je het goed dat ik mijn verhaal afmaak?’ zegt Eric afgemeten.

By all means! Daar kan ik vast ook nog wat van opsteken.’

De ironie ontgaat Eric. Hij vervolgt zijn betoog. ‘We hebben veel aan Karel te danken. Hij heeft de eenheid van recht en bestuur gebracht, een geldstelsel ingevoerd, wegen aangelegd, vrede gebracht, de oprichting van kloosters bevorderd, het leenstelsel uitgebreid. Je kunt hem de eerste vorst van Europa noemen. Ziezo. Dat is genoeg geschiedenis voor vandaag.’

‘Ik wil nog weten…’ oppert Tessa.

‘Genoeg gepraat over Karel,’ breekt Eric haar af. ‘De rest bewaar ik voor later, anders heb ik over een paar dagen niets meer te vertellen.’ Hij kijkt op zijn Rolex. ‘Het is nog vroeg, maar laten we een borrel nemen op het Karolingische rijk.’

 

Tessa heeft de eerste wacht en Orville biedt aan haar gezelschap te houden. Hij gaat naar binnen en komt even later terug met twee fleecejacks. Ook al zijn ze in zuidelijker streken, onder de heldere hemel koelt het ’s nachts behoorlijk af.

Op de oceaan is geen sprake van lichtvervuiling en de sterren zijn oneindig veel beter zichtbaar dan in de bewoonde wereld. Tessa en Orville zitten samen naar de hemel te kijken. Afwisselend pakken ze de verrekijker om de sterren dichterbij te halen. Orville wijst verschillende constellaties aan. Vrijwel recht boven hun hoofd staat het sterrenbeeld van de Zwaan, in het zuidoosten Boogschutter en Steenbok, in het zuidwesten Weegschaal en Schorpioen. Andromeda en Cassiopeia staan in het noordoosten. De Grote Beer bevindt zich laag aan de hemel achter het schip en daarboven staat de Poolster. Tessa leunt naar achteren, zodat haar hoofd op Orvilles schouder rust. Hij slaat zijn arm om haar heen en begint haar voorzichtig te strelen. Ze voelt zich kneedbaar als was. Het is een hormonale oprisping, houdt ze zich voor, die zich vertaalt in een onbeheersbare behoefte aan seks.

Genietend van de sterren ligt ze stil tegen zijn sterke lijf. De minuten tikken voorbij, terwijl ze in verwondering naar de nachtelijke hemel kijkt, zachtjes bewegend met de deining van het schip en luisterend naar het onophoudelijke geklots van de golfslag tegen de romp.

Na een heel lange stilte doorbreekt Tessa de volmaakte zintuiglijke ervaring. ‘Ik wil je wat vragen.’ Ze draait haar hoofd naar Orville. In het schemerduister van de kuip kan ze zijn blauwgroene ogen niet goed onderscheiden, maar ze voelt dat hij naar haar kijkt.

‘Of ik seks met je wil hebben?’ fluistert Orv. ‘Daarop weet je het antwoord.’

‘Nee, dat hoef ik je niet te vragen. Dat voel ik ook wel.’ Ze maakt zich van hem los. ‘Sorry, het is een prozaïsche vraag over Eric. Waarom is hij zo in de ban van Karel de Grote?’

‘En waarom vraag jij dat op dit idyllische moment? Volgens mij heb je heel andere dingen in gedachten.’ Orville streelt zachtjes over haar borst. Tessa voelt een aangename sensatie door zich heen gaan. Het kost haar moeite daar niet aan toe te geven.

‘Het houdt me bezig. Ik ken hem niet goed en jij weet veel van hem.’

‘We zijn vrienden, maar hij is vooral een zakelijke relatie.’

‘Die zakelijke relatie interesseert me. Intrigeert me, bedoel ik. Bijvoorbeeld: zijn Karolingische kring en zijn zakelijke belangen, hoe nauw zijn die met elkaar verweven?’

Abrupt stopt Orville zijn strelingen. ‘Wil je dat echt weten?’

‘Ja, dat wil ik graag weten.’

‘Ik kan je er wel wat over vertellen,’ zegt Orville. ‘Maar niet nu. Niet in een stralende sterrennacht.’ Hij buigt zich voorover en zoent Tessa in haar hals. ‘En als ik het vertel heeft dat een prijs.’

‘Het valt te bezien wie die prijs betaalt,’ fluistert Tessa. Ze zoent Orv vluchtig op zijn mond.

Uit de kajuit klinkt gestommel. Haastig maakt Tessa zich los uit het begin van een omhelzing.

‘Ik heb vannacht de wacht na Bobby,’ zegt Orville zachtjes. ‘Maak me wakker als hij jou aflost.’

Eric steekt zijn hoofd naar buiten. ‘Alles klaar voor de nacht?’ vraagt hij, terwijl hij de fysieke nabijheid van Orville en Tessa argwanend opneemt.

Orville staat op, maakt een geeuwend geluid en loopt langs Eric naar binnen. ‘Ik ga mijn kooi opzoeken,’ zegt hij.

‘Dan wens ik je goede wacht,’ zegt Eric tegen Tessa. ‘Maak me wakker als er wat bijzonders gebeurt.’ Ook Eric gaat naar binnen.

‘Maak je geen zorgen,’ roept Tessa hem na. ‘Alles is onder controle.’

Ze blijft alleen achter in de kuip. Ze controleert de instrumenten, inspecteert de stand van de zeilen, laat haar blik over het water gaan, speurend naar mogelijke navigatielichten van andere schepen. Daarna nestelt ze zich in een hoek van de bank. Ze kijkt naar de ontelbare sterren aan de hemel en verwondert zich over de oneindigheid van de schepping. Over drie uur loopt haar wacht af en ze denkt aan wat ze daarna gaat doen.

22

atlantische oceaan, donderdag 17 augustus 2006

De maan is opgekomen en het schijnsel geeft de nacht iets onwerkelijks, alsof een noodaggregaat voor gedempte verlichting zorgt. Op het water geeft het maanlicht een blauwachtige reflectie. Tessa kijkt om zich heen. Voorbij de reling begint de oceaan. Hoeveel mijl zijn ze uit de kust? Misschien honderdvijftig mijl – ze kan het op de kaart controleren. Waar houdt het water ónder het schip op? De oceaan, weet ze, is hier kilometers diep. Boven haar staan sterrenstelsels die miljoenen lichtjaren van de aarde verwijderd zijn. Een kosmisch gevoel van ruimte en tijd bevangt haar. Hier zit ze, afgezonderd van de wereld, onbereikbaar voor familie en vrienden, op zichzelf aangewezen, aan boord van een trots zeilschip op de onmetelijke oceaan.

Dit is wat ze wilde bereiken. Fase één van haar plan is beter gelukt, veel beter dan ze voor mogelijk had gehouden toen ze er voor het eerst voorzichtig over begon na te denken. Wanneer was dat geweest? Weken, nee, maanden geleden. Nu volgt fase twee. Dat wordt lastiger. Ze heeft geen uitgestippeld plan, er ligt geen concrete blauwdruk klaar. Maar wraak is een zoete motivatie. Een tevreden gevoel maakt zich van haar meester. Binnen ligt de bemanning te kooi, vertrouwend op haar zeemanschap. Ze voelt geen opwinding, geen zenuwen, maar zelfverzekerdheid. Ze herinnert zich de woorden van haar vader toen ze klein was. Als jij je eenmaal iets hebt voorgenomen, zei hij altijd, dan valt dat met geen mogelijkheid meer uit je hoofd te praten.

Het is frisser geworden en ze trekt de rits van haar fleecejack dicht. Straks, als ze haar wacht heeft overgedragen aan de Chileen, gaat ze Orville wakker maken. Ze is allesbehalve verliefd op de Brit, maar hij wekt een hevig verlangen naar seks bij haar op. Waarom wil ze daaraan toegeven? Misschien omdat ze zich zeker van zichzelf voelt, sterk, haar verdriet en woede voorbij; misschien omdat ze ontspannen is en maandenlang niet met een man naar bed is geweest. Of misschien omdat ze halverwege haar cyclus is. Ze heeft eens gelezen dat vrouwen dan hormonaal meer zin hebben in seks. Of misschien is het wel omdat het nagenoeg volle maan is.

Ze kijkt omhoog en verbeeldt zich dat de maan naar haar knipoogt.

Nog een uur, dan zit haar wacht erop. Ze trekt haar benen op, slaat haar armen om haar knieën en laat haar gedachten de vrije loop. Herinneringen aan wat ze de afgelopen tijd heeft meegemaakt, rollen als filmbeelden voorbij.

Het is niet gelopen zoals ze zich had voorgesteld. Ze had de aanval bij Scheveningen niet voorzien, evenmin als de verschijning aan boord van Orville de Billières. Van zijn aanwezigheid gaat ze nog plezier beleven, zoveel is zeker. Orville beschikt over kostbare informatie. Ook Roberto Menéndez kan van nut zijn. Eric heeft tegen haar gezegd dat zijn bootsman een simpele Zuid-Amerikaanse pistolero is. Maar Bobby is meer dan een schietgrage Latino. Hij intrigeert haar. Ze is ervan overtuigd dat hij haar veel kan vertellen.

Onwillekeurig moet ze aan Broos denken. Die overjarige hippie moest haar hier eens vredig zien zitten onder de sterrenhemel. Hij zou helemaal uit zijn dak gaan en vast en zeker een joint opsteken. Tessa probeert zich het tafereel voor te stellen. Ze kent Broos nog maar kort en oppervlakkig, maar ze is vertederd geraakt door hem. Kon ze maar even contact met hem hebben. Al is hij van een andere generatie en hij komt uit een andere wereld, ze mag hem graag. Ik ben de laatste overlevende van the age of Aquarius, zei hij over zichzelf. Zijn wereld was die van de coffeeshops. Haar leven bestond uit shoppen, de fitnessclub en nachten in discotheken. God, wat was het een enerverend bestaan geweest. Ze was smoorverliefd geweest. Tot die fatale middag.

Ze had Paul Sanders leren kennen op een verjaardagsfeestje van een studievriendin uit Amsterdam. Hij was pas gescheiden, zij had haar vriendje net gedumpt. Het klikte vanaf het eerste oogcontact. Anderhalf jaar lang waren ze met elkaar opgetrokken. Dag in, nacht uit. Hun seksfrequentie, hadden ze wel eens schertsend tegen elkaar gezegd, verdiende een plaats in het Guiness Book of Records. Ze had veel met hem beleefd, niets was te dol, niets was te duur. Koraalduiken op de Malediven, skiën op de Hindu Kush. Nooit had ze zich afgevraagd waar zijn inkomsten vandaan kwamen. Paul was advocaat – en dat beroep verdiende beter dan goed. Hij maakte wel eens toespelingen op het onorthodoxe karakter van zijn clientèle. Ze had haar vermoedens, maar voor indringende bespiegelingen over zijn professionele doen en laten had ze geen belangstelling. Ze wilde het niet weten, ongemakkelijke feitenkennis zou het feest van haar bestaan met Paul alleen maar verstoren.

Het bericht van zijn dood was als een mokerslag aangekomen. Ze herinnerde zich nog precies wat ze deed op het moment van dat dramatische telefoontje. Met een vriendin was ze in een kunstgalerie bij de opening van een tentoonstelling van een jonge kunstenaar om een werk van hem uit te zoeken. Paul had aangeboden die middag een schilderij voor haar te kopen. De secretaresse van Sanders & Sanders belde haar. In tranen vertelde ze over de schietpartij die had plaatsgevonden op de stoep voor het advocatenkantoor. Verdoofd was Tessa naar de Apollolaan gegaan. Als een zombie had ze alles beleefd. Het verhoor door de politie. De begrafenis. De nasleep. De leegte. De eenzaamheid. Het verdriet. En constant had ze zich twee vragen gesteld: Waarom? Door wie?

Een paar weken na de begrafenis had ze Broos ontmoet. Hij stelde zich voor als een oude schoolvriend van Paul. Ook hij zocht naar opheldering over de dood van zijn vriend. Daarin hadden ze elkaar gevonden. Om te beginnen had Broos haar geholpen de draad van haar leven weer op te pakken. Als een kosmische therapeut had hij haar geleerd het verlies te verwerken en haar verdriet om te zetten in kracht. Natuurlijk had hij haar een paar keer een joint aangeboden. Voor het eerst van haar leven had ze gretig geïnhaleerd. De marihuanatrip had haar een weldadig gevoel gegeven. Hoe had Broos dat ook alweer verwoord? ‘Negatieve straling omzetten in positieve golven.’

Tessa had nooit veel op gehad met zweverige goeroes die over hun karma begonnen, maar Broos sprak haar aan omdat hij een jeugdvriend van Paul was geweest. En misschien ook omdat hij zo volkomen anders was dan de geprivilegieerde vrienden met wie ze gewend was om te gaan. Hij had geen cent te makken, droeg kleren die twintig jaar uit de mode waren, gaf niet om luxe en al helemaal niet om het decadente wereldje waarin ze zelf verkeerde. Broos was anders. Een mafketel, maar wel een zuivere mafketel.

Samen hadden ze documenten uit de nalatenschap van Paul doorgenomen. En samen hadden ze een krankzinnig plan bedacht.

Tessa zou proberen aan boord van het zeiljacht van Pincoff te komen. Wat er daarna ging gebeuren, lag in de handen van de goden, had Broos gezegd. Het was een ongewis avontuur, wist Tessa voordat ze eraan begon. Maar naarmate ze erin slaagde langer aan boord te verblijven, durfde ze voorzichtig te gaan geloven dat ze haar doel zou kunnen bereiken.

Ze is op zichzelf aangewezen om het plan dat ze met Broos had bedacht, uit te voeren. Tot de bodem moet ze gaan. En verder. Veel verder.

 

Haar wacht zit erop. Tessa gaat naar binnen en klopt op de deur van de ganghut waaruit het sonore gesnurk van Bobby klinkt. Ze steekt haar hoofd om de deur en geeft een por in Bobby’s zij. ‘Jouw beurt, capitán’, zegt ze.

Bobby slaakt een Spaanse verwensing. Even later staat hij geeuwend in de kajuit, zijn spijkerbroek dichtsjorrend.

‘Zal ik een kop koffie voor je maken?’ biedt Tessa aan.

‘Waar zijn we?’ vraagt Bobby, terwijl hij boven de gootsteen van het keukentje met zijn grote handen een plens water over zijn gezicht haalt. ‘Mierda, ik droomde dat ik een vrouw achternazat op een tropisch eiland.’

‘Sorry,’ zegt Tessa. ‘Ik wilde je opwindende avontuur niet verstoren. Maar het is jouw wacht. Er is verder niets bijzonders te melden.’

Tessa drentelt heen en weer. ‘Nou, ik ga maar eens slapen,’ zegt ze. Maar ze maakt geen aanstalten om naar haar kooi te gaan. Balancerend van haar ene voet op de andere wacht ze tot de Chileen naar buiten gaat. Ondertussen trekt Bobby een versleten jopper aan. ‘Slaap lekker,’ zegt hij. Dan brengt hij zijn hoofd dicht bij dat van Tessa. ‘Kijk uit met die gringo. Hij is net zo verraderlijk als hij aantrekkelijk is.’ Zonder een antwoord af te wachten draait hij zich om en klimt het trapje op naar buiten.

Tessa voelt zich betrapt. Hoe kan Bobby nou weten dat ze op het punt staat Orville, die ogenschijnlijk in diepe rust op de bank ligt, wakker te maken? Even overweegt ze om stilletjes naar haar kooi in het vooronder te gaan. Ze probeert zich in te houden. Later. Over een aantal etmalen zijn ze in een haven. Dan kan ze net zoveel vrijen als ze wil. Maar ze is niet van zins haar uitgestippelde plan op te geven. Haar begeerte is groter dan haar bereidheid tot uitstel. Ze wordt aangetrokken door de bank waarop Orville met zijn naakte bovenlijf half onder een laken ligt te slapen. Zonder iets te zeggen stoot ze hem een paar keer aan en loopt dan door naar haar hut in het vooronder.

Vijf minuten later hoort Tessa dat er zachtjes op de deur van haar hut wordt getikt. ‘Come in’, zegt ze verwachtingsvol.

In het schemerige maanlicht dat reflecteert door de patrijspoorten ziet ze dat Orville een boxershort aanheeft. Zodra hij naast haar ligt en ze het laken min of meer over hen heen heeft getrokken, begint ze hem te zoenen. Aangenaam stevig voelt ze zijn erectie opkomen tegen haar buik. De neiging om zijn geslacht in haar hand te nemen, onderdrukt ze. Niet te snel. Eerst de aanloop, dan de tocht naar de top. Ze laat zich op haar rug vallen en trekt Orville over zich heen.

Tussen de omhelzingen door ontdoet Orville Tessa van haar T-shirt. Ze wisselen geen woord. Orvs hand glijdt langs haar buik en dijen naar haar slip. Tessa voelt dat ze nat wordt. Met haar hand zoekt ze de gulp van zijn boxer, wriemelt het knoopje los en grijpt naar zijn erectie. Ze kreunt. Mijn god, wat is hij groot.

Ze worstelen zich uit de laatste textiel. Er is geen tijd voor subtiliteiten. Orville maakt zich op om bij haar binnen te gaan. Tessa streelt met haar handen zijn billen en de achterkant van zijn dijen. Ze wil hem hebben. Ze wil hem in haar hebben. Maar nog niet.

‘Vergeet je niet iets?’ fluistert ze als ze voelt dat Orville op het punt staat haar te penetreren.

Orv stopt met zijn bewegingen. ‘Wat bedoel je? Dit is onvergetelijk.’

‘Ik neuk niet zonder bescherming.’

‘Sorry?’

A rubber.

Oh my God. Wil je echt dat ik z’n flutgeval gebruik?’

‘Absoluut.’

‘Ik ben clean. Geen soa’s. Niets.’

‘Ik geloof je op je groene ogen. Maar toch… Ik ben in m’n vruchtbare periode.’

‘Gebruik je geen…?’

Tessa schudt ontkennend haar hoofd.

‘Ik dacht dat moderne vrouwen van het continent allemaal de pil gebruiken.’

Not me.’

‘Maar kunnen we niet…’

Tessa voelt hoe Orvilles erectie begint te verslappen. Ze is geamuseerd door zijn lichte paniek. Zo dicht bij het doel en dan toch nog van het veld gestuurd worden.

‘Nee, we doen het niet zonder.’

Orville rolt van Tessa af. Met zijn linkerhand streelt hij haar borst. ‘Je bent erg mooi,’ fluistert hij. ‘Mooi en begeerlijk.’

‘Jij ook,’ zegt Tessa. Ze kan zich nauwelijks bedwingen om hem niet opnieuw over zich heen te trekken. Of om hem op zijn rug te draaien en op hem te gaan zitten. Ze wil hem hebben. Diep en heftig.

‘Ik kan aan Bobby vragen of hij bescherming heeft meegenomen. Die heeft hij vast en zeker bij zich voor als hij naar zijn hoertjes gaat,’ zegt Orv.

‘Ik zou Bobby er maar buitenlaten.’

‘Daar heb je gelijk in.’

‘Je bent minder vooruitziend dan ik verwacht had,’ zegt Tessa geamuseerd. Ze woelt met haar hand door zijn borsthaar. ‘Weet je,’ vervolgt ze, ‘gelukkig heb ik eraan gedacht een reservevoorraadje mee te nemen. Voor het geval dat. Je weet maar nooit wie je tegenkomt op een zeiltocht.’ Met haar vrije hand graait ze in de houten bak langs de wand van de kooi.

‘Hier, Mr Sailor.

Onmiddellijk voelt ze hoe het geslacht van Orv weer hard wordt.

‘Je bent even verleidelijk als verdorven,’ zegt hij. Hij zoent haar opnieuw. ‘Waar heb je die vandaan?’

‘De drogist in Saint Peter Port. Een moderne vrouw van het continent is op alles voorbereid.’

‘Je hield er rekening mee dat je met een van de bemanningsleden naar bed zou gaan. Eric, Bobby of ik? En heb ik geluk gehad bij het strootjes trekken?’

Tessa gaat niet op zijn insinuatie in. ‘Je krijgt dit onder één voorwaarde,’ zegt ze, terwijl ze het verpakte condoom plagerig heen en weer zwaait voor zijn gezicht. ‘Ik wil ook iets van jou hebben.’

‘Als ik geen moord of bankoverval hoef te plegen, valt er wel met me te onderhandelen.’

‘Nee hoor, geen overval. En ook geen moord. Het is een bescheiden verzoek. Ik wil dat je me helpt om de zakelijke belangen van Eric te ontrafelen.’

‘Dat is een uitzonderlijk hoge prijs, maar daar kan ik wel aan voldoen zonder vuile handen te maken.’

‘Het is ook een uitzonderlijk goede fuck die je gaat hebben.’

‘Laten we daar dan mee beginnen.’

Orville richt zich op, grist het pakje uit Tessa’s vingers, maakt het open met zijn tanden, haalt het condoom tevoorschijn en rolt het zorgvuldig af over zijn stijve geslacht.

Hun begeerte is zo groot dat ze geen moment verloren laten gaan. Tessa draait zich op haar rug en Orville nestelt zich tussen haar opgetrokken benen. Ze voelt hoe hij zich nog even inhoudt, dan kreunt ze als hij krachtig in haar penetreert. Met haar handen op Orvilles billen drukt ze zijn bekken tegen zich aan en zo werkt ze zich naar haar hoogtepunt. Ze geeft ze zich volkomen over en laat het gebeuren.

Tessa’s orgasme is zo intens dat ze in haar kussen bijt om haar gehijg niet te laten overgaan in luidruchtige kreten van genot. Ook Orville moet zich beheersen om de rest van de bemanning niet te laten meegenieten als hij klaarkomt.

Na afloop liggen ze fluisterend te praten. Tessa wijt de heftigheid van haar orgasme aan de lange periode van onthouding die ze achter de rug heeft, maar volgens Orville maken de bewegingen van het schip de seks intenser. De deining, beweert hij, roept onderbewuste herinneringen op aan de periode dat ze als foetus in het vruchtwater van de baarmoeder schommelde. Die prenatale gevoelens verhevigen de erotische beleving. Tessa kijkt hem ongelovig aan, maar Orville verzekert haar dat het een wetenschappelijk bewezen feit is. En alsof hij zijn gelijk wil bewijzen, laat hij zich door Tessa na een halfuur opnieuw in hoogste staat van paraatheid brengen. Dit keer nemen ze de tijd. Verstrengeld laten ze zich meedeinen met de bewegingen van de boot.

‘Voel je wel?’ zegt Orv, nadat hij zich uit Tessa heeft teruggetrokken en het tweede condoom van zijn verslappende lul haalt.

‘Je bent een prijswinnende dekhengst, als je dat bedoelt,’ fluistert ze. ‘Of het aan de deining ligt weet ik niet, maar het was absoluut geweldig.’

Daarna staat Orville haastig op, want het is de hoogste tijd voor hem om Bobby af te lossen na diens hondenwacht. De Chileen heeft Orville niet eens geroepen, bedenkt Tessa nog en dan valt ze in een rozige slaap.

23

ijmuiden, maandag 14 augustus 2006

Luid meezingend met de hits op de radiozender reed Tariq Mobasheri in zijn tweedehands Golfje naar Nederland. Hij was vroeg uit Brussel vertrokken en op weg naar het kantoor van Durendal Beheer in IJmuiden. Daarna wilde hij bij advocaat Sanders in Amsterdam langsgaan. Deze adressen waren zijn enige aanknopingspunten in de raadselachtige zaak van de kredietbrief. Vrijdagmiddag had hij naar beide kantoren gebeld om een afspraak te maken, maar bij Durendal stond nog steeds een bandje aan met de tekst dat alle lijnen bezet waren, en bij het advocatenkantoor werd helemaal niet opgenomen. Daarom had hij, na overleg met zijn chef Sylvane Engelhard, besloten om op goed geluk ter plekke poolshoogte te nemen.

Met de routeplanner had hij uitgezocht hoe hij in IJmuiden moest komen en nu reed hij in een kalm tempo langs Antwerpen, Breda, Dordrecht en Rotterdam naar het noorden.

Tariq was in een opperbeste stemming. Hij had een spetterend weekend achter de rug. Zaterdagnacht was hij weer uit geweest met zijn nieuwe vriendin, Nataša van de persafdeling. Ze hadden voor het eerst samen geslapen en de seks was overweldigend geweest. Maar hoe verliefd Tariq zich ook voelde, dat was niet het enige waarom hij zo goed gehumeurd was. Sylvane had hem aangemoedigd in Nederland op onderzoek uit te gaan. Naar een mogelijk schandaal dat de Europese Unie wel eens veel geld kon gaan kosten. En hij, Tariq Mobasheri, politiek vluchteling, stagiair bij het directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie, had zichzelf tot taak gesteld om de onderste steen boven te krijgen.

 

Het laatste stuk van de route naar IJmuiden liep langs een breed kanaal met zeeschepen en aan de overkant een industrieel complex waaruit felgekleurde rookpluimen kwamen. Nadat Tariq langs goedkope supermarkten, verveloze loodsen en verlaten gebouwen was gereden, kwam hij bij het duingebied. Hier moest het adres van Durendal ergens zijn. Op een parkeerterrein zette hij zijn auto neer.

Nieuwsgierig keek Tariq om zich heen. Aan de ene kant van de weg bevond zich een langgerekt complex met appartementen, hotels, restaurants en cafés. Het was er druk met vakantievierders die zich luidruchtig vermaakten op de terrasjes. De geur van patat en verschraald bier kwam hem tegemoet. Uit luidsprekers klonk knetterharde muziek. In zijn kantoorpak viel Tariq ernstig uit de toon te midden van deze zomerse gasten in strandkleding. Aan de andere kant van de weg lag een enorme jachthaven, met een woud van masten. Vol ontzag keek Tariq naar de zeiljachten langs de steigers. Zo veel boten had hij nog nooit bij elkaar gezien.

Hij controleerde het adres dat hij in zijn blocnote had opgeschreven. Kennemerduin 628. Op goed geluk vroeg hij een voorbijganger of die hem de weg kon wijzen. De man bood aan dat Tariq wel een stukje met hem mee kon lopen. Terwijl ze in de richting liepen van een appartementengebouw dat zich aan de overkant van de jachthaven bevond, raakte Tariq met de man aan de praat. Hij had een zeilschip in de haven liggen. Tariq vertelde dat hij uit Brussel kwam en voor de Europese Commissie werkte. De man schoot in de lach. ‘Weet u dat deze haven gebouwd is met Europese subsidies en met drugsgeld?’ zei hij.

Toen Tariq de man stomverbaasd aankeek, vervolgde hij: ‘Als u straks tijd hebt, kunt u wel even bij mij aan boord komen. Dan drinken we een kop koffie en zal ik u meer vertellen over deze jachthaven. Mijn schip ligt aan steiger B17. Daar moet trouwens het adres zijn dat u zoekt.’ Hij wees met zijn arm in de richting van het appartementencomplex.

Nummer 628 was in het laatste portiek van het Seaport Marina-gebouw. De bel was afgeplakt met rood-witte tape. De brievenbus van 628 was met dezelfde tape verzegeld. Tariq zag onder de brievenbus een chroomkleurige naamplaat waarop ‘Durendal Beheer’ stond. Op goed geluk besloot hij een ander huisnummer te proberen. Hij drukte op de bel van 626 en wachtte bij de intercom op antwoord. Tevergeefs. Hij probeerde 630, maar ook daar werd niet gereageerd. Vervolgens probeerde hij de toegangsdeur tot de flat, maar die zat op slot. Bij de intercom zat een bel voor de huismeester. Daar drukte hij op. ‘Ja?’ klonk een metalen vrouwenstem.

‘Goedemorgen, mevrouw. Ik ben op zoek naar iemand op het kantoor van de firma Durendal.’

‘Bent u van de politie?’

Verbluft stotterde Tariq: ‘Eh… nee… Ik ben…’

‘Dan hebt u hier niets te zoeken,’ onderbrak de vrouwenstem hem. ‘Durendal is gesloten.’

‘Eh… en Mr Pincoff? Mr Eric Pincoff? Weet u hoe…’

‘Meneer Pincoff is niet bereikbaar.’

‘Maar kunt u me…’ Er klonk een hoog piepend geluid. De vrouw had de intercomverbinding verbroken.

Vertwijfeld keek Tariq om zich heen. Hij kon proberen een visitekaartje in de brievenbus van Durendal te doen, maar hij gaf zich geen enkele kans dat iemand dat zou vinden. Een man in een geruit zomerjasje kwam het halletje binnenlopen en opende met een pasje de toegangsdeur tot het flatgebouw. In een reflex sprak Tariq de man aan. Maar de man deed alsof hij Tariq niet begreep en liep zonder hem een blik waardig te keuren naar binnen. De beveiligde deur viel met een klap achter hem dicht.

‘Zoek je iemand?’

Met een ruk draaide Tariq zich om. Achter hem stonden twee potige kerels met gebruinde kale koppen en armen als kabeltouwen. De een had een rood, de ander een blauw trainingspak aan. Tariq deinsde achteruit, zodat hij met zijn rug tegen de rij brievenbussen aan kwam. Hij wilde reageren, maar de grootste van de twee was hem voor. Dreigend zei hij: ‘Je moet je neus niet in andermans zaken steken, ventje.’

‘Ik ben op zoek…’

‘Naar meneer Pincoff. Dat hebben we gehoord. Maar dat raden we je niet aan. Heb je het bord bij de ingang niet gezien? Dit is verboden terrein voor onbevoegden. Je hebt hier niets te zoeken.’

De krachtpatser kwam vervaarlijk dichtbij en Tariq was bang dat de man hem een kopstoot wilde geven. Hij dook opzij.

‘Deze keer blijft het bij een waarschuwing. Als we merken dat je nog een keer probeert in het appartement van meneer Pincoff binnen te dringen, maken we korte metten met je,’ zei de andere onbekende. Hij scheerde met zijn vuist langs het gezicht van Tariq. ‘Begrepen? Maak dat je weg komt!’

De twee mannen liepen het gebouw uit. Even bleven ze buiten staan wachten en daarna verdwenen ze uit zicht. Tariq stond te trillen op zijn benen. Minutenlang bleef hij in het halletje staan. Waar kwamen deze kerels plotseling vandaan? Hoe konden ze weten dat hij op zoek was naar Pincoff? Ze waren natuurlijk gewaarschuwd door de huismeester. Maar waarom hun dreigement? Hij vroeg zich af of de eigenaar van de zeilboot in de jachthaven hem iets wijzer kon maken. Nadat hij bekomen was van de schrik besloot hij de gok te wagen.

Na enig zoeken vond hij steiger B17. De schipper nodigde hem uit aan boord te komen. Tariq was nog nooit op een zeilschip geweest en hij klom onwennig over de reling. Hij moest zich vasthouden om zijn evenwicht te bewaren.

‘Welkom,’ zei de man. ‘Ik ben Rudolf.’ Joviaal stak hij zijn hand uit. Tariq stelde zich voor en greep zich daarna snel vast aan de verstaging. ‘Loop maar naar achteren, daar kun je zitten,’ zei Rudolf uitnodigend.

Even later zat Tariq in de kuip. Terwijl hij bewonderend om zich heen keek, kwam Rudolf met een mok dampende koffie uit de kombuis. ‘Vertel eens, wat brengt je hier?’ vroeg hij. ‘Ik krijg niet de indruk dat je een geregelde bezoeker van deze jachthaven bent.’

Tariq schudde ontkennend zijn hoofd. Allengs begon hij zich op zijn gemak te voelen. Na wat vrijblijvende opmerkingen vertelde hij dat hij voor een dichte deur had gestaan in de hal van het appartementencomplex. Hij vertelde niet van de ontmoeting met de twee sportschooltypes. Hij wilde Rudolf niet aan het schrikken maken. Wel liet hij terloops de naam van Eric Pincoff vallen.

‘Pincoff!’ riep Rudolf uit. ‘De eigenaar van deze jachthaven!’

Verbluft keek Tariq hem aan. ‘Weet u meer van hem?’ vroeg hij.

‘O, zoveel weet ik niet te vertellen,’ schakelde Rudolf terug. Hij bood een sigaret aan, die Tariq afsloeg, stak er zelf een op en inhaleerde diep. ‘Maar ik weet wél dat Pincoff de financier van dit complex is. Hij heeft ook een boot in de haven liggen. Hij schijnt trouwens met de noorderzon vertrokken te zijn.’

Tariq zei niets. Hij liet Rudolf, sigaret in zijn hand, onbekommerd doorpraten. De zeilbooteigenaar genoot ervan om zijn smeuïge kennis te delen met deze jonge ambtenaar uit Brussel.

Het waren slechts geruchten, babbelde Rudolf verder, maar wel hardnekkige geruchten. De jachthaven en de omringende gebouwen waren gefinancierd met geld van de Amsterdamse onderwereld. Drugsgeld. Eric Pincoff speelde daarbij de rol van bankier. Bovendien waren er Europese subsidies gebruikt voor de aanleg van het complex, vanwege de omschakeling van de beroepsvisserij naar de watersport. ‘Drugsgeld en Europese subsidies!’ herhaalde Rudolf schaterlachend. ‘Dat zal u als Europese ambtenaar vast en zeker interesseren! Misschien kunt u er iets mee doen in Brussel!’

Tariq lachte schaapachtig mee. Hij begreep absoluut niet wat er grappig was aan de combinatie van subsidies en drugsgeld. En hij was geschokt door datgene wat hij zojuist gehoord had. Het kon niet waar zijn! Rudolf leek hem een sympathieke vent, maar hij was vast en zeker een snoever. Een praatjesmaker met een dure zeilboot die er genoegen in schepte om te roddelen over bekende ondernemers. Pincoff was natuurlijk een societyfiguur. Iemand die tot de verbeelding sprak. De Europese Ondernemer van het Jaar. Zou die zich inlaten met drugsgeld? Nee, dit klonk Tariq volkomen ongeloofwaardig in de oren. Maar Rudolf had ook gezegd dat Pincoff spoorloos was. En dat stemde naadloos overeen met Tariqs eigen waarneming. Daarom vroeg hij: ‘Weet u zeker dat meneer Pincoff is verdwenen?’

‘Dat heb ik in de krant gelezen. Dus als ik lieg, is het omdat het gedrukt staat. Als je hem nodig hebt, kun je het beste naar de politie gaan. Die schijnt hem ook te zoeken.’

Tariq had dat zelf al bedacht. Hij dronk zijn koffie op, wisselde nog wat vriendelijkheden uit, bedankte Rudolf voor de informatie en zei dat hij verderging.

 

Beteuterd reed Tariq twee uur later richting Amsterdam. Zijn bezoek aan IJmuiden was op een fiasco uitgelopen. Nadat hij van boord was gegaan bij schipper Rudolf was hij op goed geluk naar het politiebureau gereden. Daar had hij twintig minuten op een plastic kuipstoeltje in een Spartaanse wachtruimte gezeten, totdat een jonge geüniformeerde agente hem naar een morsige rechercheur bracht die zich met de zaak-Pincoff bezighield.

De rechercheur ontving hem welwillend omdat hij dacht dat de bezoeker gegevens over Pincoff voor hem zou hebben. Maar zodra hij ontdekte dat het omgekeerde het geval was en dat Tariq hoopte op informatie van de politie, was het gesprek snel afgelopen. Het enige wat de rechercheur wilde bevestigen was dat de heer Pincoff de afgelopen tien dagen niet was gesignaleerd. ‘Kent u de uitdrukking zoeken naar een lul in een nonnenklooster? Die vind je niet zo gauw.’ Vervolgens schoot de rechercheur in een hinnikende lach.

Nadat Tariq de politieman had verzocht hem op de hoogte te houden van nieuwe ontwikkelingen, was hij vertrokken. De jonge agente had hem met een hulpeloze glimlach naar de uitgang begeleid, en dat verzoende Tariq voor even met zijn onmogelijke missie.

En nu was hij op zoek naar het advocatenkantoor Sanders & Sanders in Amsterdam.

Tariq reed traag, links en rechts om zich heen kijkend. Hij was nooit eerder in Amsterdam geweest; hij kende wél de reputatie van de stad als een eldorado van drugs, prostitutie en pittoreske grachten. Maar daar had hij geen oog voor, hij was voor gewichtiger zaken gekomen. De straten van de wijken waar hij doorheen reed, waren trouwens troosteloos saai. Ze werden bevolkt door vrouwen met hoofddoeken en mannen in djellaba’s. Even waande hij zich in zijn geboortestad Teheran.

De navigatiehulp bracht hem zonder problemen naar de Apollolaan. Het bleek een brede straat met een plantsoen tussen de rijbanen. Stapvoets rijdend zocht Tariq naar nummer 109. Een eindje verderop parkeerde hij zijn auto. Hij liep honderd meter terug. Op de begane grond bevond zich een ontwerpbureau. Tariq zocht naar een aanwijzing dat in het pand advocatenfirma Sanders was gevestigd. Maar er was geen naambord en evenmin een bel met een verwijzing naar Sanders. Toen Tariq omhoog keek, zag hij dat op de buitenmuur de schaduwen zichtbaar waren van sierletters die niet langer op de gevel zaten: ‘Sanders & Sanders’ las hij.

Resoluut besloot hij aan te bellen. Een vrouwenstem vroeg via de intercom naar zijn identiteit. Even later stond hij in de hal waar hij werd opgewacht door een meisje met rood geverfd piekhaar. Ze bracht hem naar een man die hem verstoord opnam en zei dat hij weinig tijd had. Gezien zijn zwarte vierkante bril vermoedde Tariq dat hij een ontwerper was. Toen Tariq informeerde of advocaat Sanders in dit gebouw kantoor hield, schoot de ontwerper in een onbedaarlijke lach. ‘Meester Sanders is naar boven gegaan!’ zei hij.

Tariq begreep hem niet. ‘Heeft hij zijn kantoor op een bovenverdieping?’ vroeg hij.

De ontwerper schudde zijn hoofd. ‘Nee. Meester Sanders is niet meer onder ons. Hij heeft ons verlaten.’

‘Weet u zijn nieuwe adres?’ vroeg Tariq.

‘U begrijpt het niet,’ zei de ontwerper. ‘Kom even mee, dan kunt u zitten.’

De man met de zwarte bril en het meisje met het rode haar gingen Tariq voor naar een vergaderkamertje met pastelkleurige wanden. Het meisje bood hem een glas ice tea aan.

‘Kende u meneer Sanders persoonlijk?’ Na het ontkennende antwoord van Tariq vervolgde de ontwerper: ‘Sanders is overleden. Vorig jaar oktober is hij op de stoep voor dit pand vermoord. Neergeschoten door huurmoordenaars. Die trouwens nooit zijn gepakt door de politie.’ En hij verviel opnieuw in een onbedaarlijke lachbui. Tariq keek hem wezenloos aan. Wat een rare lui, die Hollanders, dacht hij.

24

brussel, dinsdag 15 augustus 2006

Op de terugweg naar Brussel dacht Tariq er lang over na: waarom schieten Hollanders in de lach als ze het over drugsgeld, verdwijning of moord hebben? De agent, de zeilbooteigenaar, de ontwerper – alle drie waren ze spontaan in geschater uitgebarsten. Zouden drugsgeld en huurmoordenaars zo’n vanzelfsprekende zaak zijn dat ze hem, een onnozele hals uit Brussel, een stagiair met een buitenlands uiterlijk, uitlachten omdat hij geen weet had van de misdadigheid in een land dat als keurig aangeharkt bekendstond? Of zou schaterlachen tot de nationale volksaard behoren? Een manier om gasten op hun gemak te stellen? Een uiting van spontaniteit? Hij besloot dat hij Sylvane Engelhard om uitleg moest vragen.

Wat ook de achtergrond van dit uitzonderlijke gedrag was, Tariq was niet gelukkig met de informatie die hij had verzameld. Want wat was hij te weten gekomen? Ten eerste stond vast dat Durendal Beheer gesloten was en de directeur verdwenen. Ten tweede werd Eric Pincoff in verband gebracht met drugsgeld. En ten derde was zijn advocaat, meester Paul Sanders, driekwartjaar geleden vermoord. Dat waren de feiten. Maar hij kon er niets mee en met het eigenlijke doel van zijn missie, het onderzoek naar de bankgarantie van de Industrie und Handelsbank, was hij geen snars opgeschoten.

En daar zat het probleem. Een probleem van 183,5 miljoen euro.

Tariq gloeide van opwinding, zijn hartslag was sneller dan gebruikelijk en het was alsof zijn bloed heftiger door zijn lijf pompte. Zijn droom was werkelijkheid geworden: hij was betrokken bij een raadselachtige affaire, een zaak die stonk als een portie bedorven vis op de markt. Een onbetaalde bankschuld, een vermoorde advocaat, een zakenman wiens naam in verband werd gebracht met drugsgeld en die plotseling was verdwenen. Een bedrijf dat bezig was met een miljoenenproject. Een eurocommissaris op safari. Hollanders die voortdurend in de lach schoten. Wat was hier aan de hand? Zijn hersens maalden en knarsten als de handkoffiemolen van zijn grootmoeder.

Terwijl hij probeerde een verband te vinden tussen alle gegevens, flitsten de wildste speculaties door zijn hoofd. Waarom was Durendal gesloten? Waarom was er sprake van een banklening met een Europese garantie? En wat was er waar van geruchten dat Pincoff in verband werd gebracht met drugs? Wás Pincoff wel de eigenaar van de jachthaven? En wás die met drugsgeld gefinancierd? Wat had de vermoorde advocaat ermee van doen? Hij moest het allemaal uitzoeken.

Tariq dacht terug aan het telefoongesprek dat hij een paar dagen eerder had gevoerd met een bank op Guernsey. De naam van de bank had hij ontleend aan het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Hoe heette de bankier ook alweer? Billiards – of zoiets. Vreemde naam voor een Brit. Maar in perfect kostschool-Engels had deze Billiards hem te verstaan gegeven dat het telefoontje van Tariq niet op prijs werd gesteld. Privacy! Over onze klanten verstrekken we nooit inlichtingen, had de bankier hooghartig gezegd. Daarna had hij het gesprek resoluut verbroken.

Vragen, vragen, vragen. Het duizelde Tariq. Ter afleiding zocht hij een muziekzender op de autoradio en zodra hij de Nederlands-Belgische grens over was verhoogde hij de snelheid.

 

Toen Tariq de volgende ochtend wat later dan gewoonlijk op kantoor kwam, zat Sylvane al achter haar bureau. ‘Wat ben je laat,’ zei ze narrig. Direct liet ze als verklaring voor haar slechte humeur volgen: ‘Feldspath heeft me gisteravond een sms’je gestuurd. Ze komt vanmiddag terug.’

Tariq had zich erop verheugd Sylvane de details van zijn bezoek aan IJmuiden te vertellen, maar hij besefte dat zijn chef daar deze ochtend absoluut niet voor in de stemming was. De overhaaste terugkeer van de eurocommissaris zette alles op z’n kop. Feldspath was haar baas – en dat woog zwaarder dan het verslag van het tripje dat haar stagiair had gemaakt. Dus slikte Tariq teleurgesteld zijn verhaal in. Hij plofte op zijn bureaustoel neer, zodat die in de rondte draaide. ‘O,’ zei hij alleen maar. En daarna: ‘Voelt ze toch nattigheid?’

‘Dat weet ik niet,’ zei Sylvane op een rustiger toon. Ze was opgelucht dat ze haar ongemak over de terugkeer van Feldspath had kunnen ventileren. ‘Maar ik vermoed dat de brief van de Industrie und Handelsbank haar zorgen baart. Het kan politiek brisant zijn als die in de openbaarheid komt. Frau Feldspath heeft een neus voor de politieke gevoeligheid van dossiers.’

‘Je mag haar niet, hè?’ zei Tariq om Sylvane de kans te geven haar hart te luchten over de eurocommissaris.

‘Nou… nee, dat is het niet. Ik heb bewondering voor de manier waarop ze carrière heeft gemaakt. Ze is doortastend, ze kent haar dossiers, ze weet zich als vrouw staande te houden in dit Brusselse mannenbolwerk. Maar ze jaagt haar eigen agenda na. En ze is ronduit onaardig in de omgang met haar vrouwelijke medewerkers. Ik heb meegemaakt dat ze langs je heen loopt zonder je een blik waardig te keuren. Of dat je met haar in een vergadering zit en ze geen woord met je wisselt. Of ze maakt een vernietigende opmerking over je werk. Terwijl ik toch geregeld lastige klussen voor haar opknap. En niet de minste dossiers behandel.’

‘Was jij erbij betrokken toen Eric Pincoff werd uitgeroepen tot Ondernemer van het Jaar?’ vroeg Tariq.

‘Nee. Dat heeft ze helemaal zelf gedaan. Dat is de andere kant van Feldspath. Met tomeloos enthousiasme werpt ze zich op de verkiezing van zo’n zakenman. Dat heeft zijn charme. Maar waar komt die man vandaan? Wat heeft híj dat andere Europese zakenlieden níet hebben? Ik bedoel: wie had ooit van meneer Pincoff gehoord voordat Feldspath hem in Aken uitriep tot de Europese Ondernemer van het Jaar?’

Dit is het moment, dacht Tariq. Hij zei: ‘Gisteren hoorde ik in IJmuiden dat hij in verband wordt gebracht met drugsgeld.’ Hij liet in het midden wie deze informatie verstrekt had.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Sylvane verbluft. Ze kon de gedachtesprong van haar stagiair even niet volgen.

‘Gewoon. Zijn naam werd in verband met drugs genoemd.’

In enkele zinnen vertelde hij wat hij had opgestoken tijdens zijn bliksembezoek aan IJmuiden. Sylvane zat met open mond te luisteren.

‘Zal ik maar eens koffie halen?’ bood ze aan toen Tariq een pauze in zijn verhaal liet vallen.

‘Het is dus allemaal nog idioter dan we dachten,’ zei Sylvane even later. Peinzend roerde ze met een plastic staafje in het kartonnen koffiebekertje. ‘Wat weten we tot nu toe? De garantie voor de banklening is het uitgangspunt. Daarmee is het begonnen. Anders hadden we nooit belangstelling gehad voor deze vent en zijn bedrijf. Maar denk eens verder…’

‘Daar ben ik al een tijd mee bezig,’ zei Tariq gedreven. Hij popelde van verlangen om Sylvane deelgenoot te maken van zijn vermoedens. ‘Weet je, ik denk dat Pincoff vermoord is. Net als zijn advocaat.’ Hij vertelde over zijn bezoek aan het Amsterdamse ontwerpbureau aan de Apollolaan. ‘Ik heb me door die ontwerper laten vertellen dat er jaarlijks tientallen moorden in Amsterdam worden gepleegd, die de politie omschrijft als “afrekeningen in het criminele milieu”. Moorden die nooit worden opgelost.’

Sylvane keek haar stagiair ongelovig aan. ‘Je fantasie slaat op hol,’ zei ze, maar ze klonk niet overtuigend.

Tariq legde uit waarom hij vermoedde dat Pincoff was vermoord. Zo ging dat in drugskringen. Probleemgevallen werden naar de andere wereld geholpen. Pincoff was een risico geworden. Hij kreeg publicitaire aandacht na zijn verkiezing tot zakenman van het jaar. Hij was vast in televisieprogramma’s verschenen. En publiciteit, daar houden criminelen niet van. Dus was hij doodgeschoten. Op Sylvanes vraag waar het lijk dan was, moest Tariq toegeven dat het vreemd was dat er geen lijk was gevonden. Bij criminele afrekeningen, wist hij uit de media, bleef het slachtoffer doorzeefd op straat, in een restaurant of bij zijn auto liggen. Als waarschuwing en afschrikking.

Daarom had hij bedacht dat het ook zelfmoord kon zijn, ging Tariq voortvarend verder. Pincoff zat in financiële problemen. De bank die hem leningen had verstrekt, zat hem achter de vodden en hij zag geen uitweg meer. Voordat de bank hem publiekelijk aan de schandpaal kon nagelen, had hij er een einde aan gemaakt. De druk was te groot geworden. Maar linksom of rechtsom: het resultaat was hetzelfde. Pincoff was morsdood.

‘Tsja,’ zei Sylvane sceptisch, toen Tariq was uitgesproken. ‘Tsja,’ zei ze nogmaals.

Tariqs gezicht was rood van opwinding. ‘Nou ja, zeker weet ik het ook niet. Maar volgens mij moeten we alle mogelijkheden openhouden’.

‘Daar heb je gelijk in,’ zei Sylvane. ‘Al wil dat niet zeggen dat alle mogelijkheden waarschijnlijk zijn. Pincoff is zoek. Dat weten we. Maar hij kan op zakenreis zijn. Of ondergedoken. Of met vakantie. Misschien wel in Kenia, met Feldspath.’ Bij het noemen van de naam van haar baas bedacht ze dat ze de tijd in de gaten moest houden. Ze keek op haar horloge.

‘Vind je het goed dat ik verderga met mijn onderzoek?’ vroeg Tariq. Zijn stem klonk verwachtingsvol. Hij wilde niets liever dan gloriëren in zijn zelfbenoemde rol van privé-detective in een zaak van 183,5 miljoen en een verdwenen zakenman.

Sylvane aarzelde. Tariq was haar stagiair. Ze voelde zich verantwoordelijk voor hem en ze had geen behoefte aan heibel. In ieder geval niet met haar baas. Aan de andere kant: dingen uitzoeken kon geen kwaad. En ze besefte maar al te goed dat er veel viel uit te zoeken. Er was in de zomer niemand op kantoor die ze daarmee kon belasten en zelf kon ze er onmogelijk tijd voor vrijmaken. Ze had haar man en kinderen thuis en het was vakantie. Tariq was schrander en gretig. Hij kon van onschatbare waarde zijn.

‘Please,’ zei Tariq smekend.

‘Wat staat je voor ogen?’

‘Onderzoeken wat er aan de hand is, natuurlijk! Om maar iets te noemen: we weten bijna niets van het bedrijf waaraan de banklening is verstrekt.’

‘Je hebt gelijk,’ zei Sylvane. Ze hakte een mentale knoop door. ‘Oké. Je mag je gang gaan. Maar onder twee voorwaarden. Je vertelt mij wat je doet en wat je te weten komt en je houdt iedereen er verder buiten. Ook die, eh, nieuwe vriendin van je.’

‘Beloofd,’ zei Tariq plechtig. Als een padvinder hield hij twee vingers in de lucht. Zijn gezicht straalde. ‘Zal ik meteen aan de slag gaan?’

‘Wacht totdat ik dadelijk met de eurocommissaris heb gesproken,’ zei Sylvane. Het tomeloze enthousiasme van haar stagiair ontroerde haar. Maar zij moest zich niet door hem laten meeslepen en de zaak nuchter blijven bekijken. Eerst wilde ze weten wat de opvattingen van haar baas waren en of zij ermee instemde dat Tariq verder zou gaan met zijn onderzoek. Er konden gevoelige kwesties aan het licht komen. Kwesties die niet in de openbaarheid mochten komen of waarmee Feldspath niet geconfronteerd wilde worden. Zoveel politiek vingerspitsengevoel had Sylvane Engelhard wel.

 

De invalsecretaresse belde om te zeggen dat de eurocommissaris gearriveerd was en of mevrouw Engelhard wilde komen. Sylvane zei dat ze haar medewerker wilde meenemen, zodat ze even later samen met Tariq de lift naar de twaalfde verdieping nam. Sylvane voelde een lichte huivering toen ze de werkkamer van Feldspath binnenstapte. Een week geleden was ze hier ’s ochtends vroeg op onderzoek geweest. Ze wist zeker dat ze niets had verplaatst, maar plotseling was ze bang dat Feldspath haar nieuwsgierigheid op de een of andere manier zou hebben opgemerkt.

De eurocommissaris verwelkomde Sylvane en Tariq koel. Haar gezicht was bruinverbrand, waardoor haar ogen nog verder opengesperd leken dan gebruikelijk. Ze had een comfortabel broekpak aan en een zonnebril in haar haar geprikt, alsof ze wilde accentueren dat ze nog met vakantie was en helemaal niet aan het werk. Met geen woord repte ze over de afgebroken safari in Kenia.

Voor Tariq was het de eerste keer dat hij de politieke baas van het dg Ondernemingen en Industrie persoonlijk ontmoette. Het viel hem op dat ze een ijzige uitstraling had en hij kon zich de weerzin van Sylvane jegens Feldspath onmiddellijk voorstellen.

Frau Engelhard, gaat u zitten,’ nodigde Feldspath haar bezoekster uit zodra de secretaresse de kamer verlaten had. Tariq negeerde ze. ‘En vertel wat er aan de hand is. Ik heb niet veel tijd.’

‘Dit is mijn stagiair, Tariq Mobasheri. Hij heeft de brief van de Industrie und Handelsbank als eerste gelezen. En mij onmiddellijk gewaarschuwd. Daarna heb ik u gebeld,’ begon Sylvane. Ze schoof de brief over de tafel naar Feldspath. Haar ergernis over de vruchteloze inspanningen om Feldspath te bereiken liet ze achterwege.

De eurocommissaris zette haar leesbril op en scande vluchtig de tekst. Daarna legde ze de brief neer en bleef secondelang voor zich uit staren, terwijl ze de vingers van haar beide handen zachtjes tegen elkaar bewoog. Sylvane vroeg zich af of ze een toelichting moest geven, maar ze wist niet welke en dus deed ze er het zwijgen toe.

Scheisse,’ zei Feldspath uiteindelijk, de letters articulerend. Haar gezicht had een harde, verbeten trek gekregen. Sylvane keek bezorgd naar Tariq.

‘Hier wil ik twee dingen over zeggen. Of liever gezegd, drie. Ten eerste zijn de details die in deze brief staan, correct. Er is een bankgarantie afgegeven. Kennelijk is daar een probleem mee, dat moet worden gladgestreken. Daar zal ik voor zorgen. Ten tweede is er niets onoirbaars gebeurd. Alle handelingen vallen binnen mijn bevoegdheden als commissaris van dit dg. Dus u hoeft zich geen zorgen te maken over rampscenario’s.’

Sylvane wilde een opmerking maken, maar ze hield zich in.

‘Wat hebt u tot nu toe voor actie ondernomen?’ vroeg Feldspath.

Sylvane legde in een paar zinnen uit wat ze gedaan hadden. Het bezoek van Tariq aan IJmuiden en de informatie die hij daar had opgedaan, verzweeg ze. Zo was het al heftig genoeg. Ze wees er wel op dat de Duitse bank snel uitsluitsel wilde hebben.

‘Dat is me niet ontgaan,’ brak Feldspath haar kribbig af. ‘De ihb krijgt een brief van mij die ze nog lang zal heugen. Ik ga onderzoeken of ik een anti-kartel-procedure tegen ze kan beginnen. Bij Duitse banken is dat niet zo ingewikkeld. Het bankwezen in mijn vaderland is één groot kartel.’

Sylvane schrok van de onverwachte uitval. Feldspath nam de kwestie dus wel degelijk hoog op. Maar in plaats van het probleem van het achterstallige krediet van 183,5 miljoen op te lossen, wilde ze de bank die de brief had verstuurd, gaan aanpakken. De aanval als verdediging. Daar moest meer achter zitten, besefte ze.

‘En wat is het derde punt?’ vroeg Sylvane.

‘Het derde punt is dat deze brief in mijn kluis verdwijnt,’ zei Feldspath. Ze vouwde de brief op en maakte aanstalten om op te staan. ‘En dat u beiden’ – ze keek haar bezoekers indringend aan – ‘hierover niet met anderen communiceren, maar uitsluitend met mij. Ik wil ook niet dat u zelfstandig stappen onderneemt, maar alleen als ik daar om verzoek. ’

‘Er is nog veel onduidelijk,’ zei Tariq. Hij kon zich niet langer inhouden.

‘Daar heb je gelijk in, jonge vriend.’ Voor het eerst klonk Feldspath wat milder. Ze keek de stagiair aan. ‘Het is bijvoorbeeld onduidelijk wat de heer Pincoff heeft bezield.’

‘We hebben geprobeerd hem te achterhalen,’ vulde Tariq aan, gevlijd dat Feldspath zich tot hem richtte. ‘Maar dat is niet gelukt. Hij is verdwenen.’

‘Aha,’ zei Feldspath verrast. ‘De Ondernemer van het Jaar is verdwenen. Interessant. Goed werk van je om daarachter te komen. Maar ik heb wel manieren om hem op te sporen. Ik zal mijn netwerk eens activeren.’

De bijeenkomst was wat Feldspath betreft voorbij. Ze stond op en liep met de opgevouwen brief naar een kast achter haar bureau. Sylvane Engelhard en Tariq Mobasheri wilden haar kamer verlaten, maar Feldspath riep hen terug. ‘Nu jullie je toch al in deze kwestie hebben verdiept, kunnen jullie op één punt verdergaan. Er is iets waarbij jullie toch kunnen helpen. Zorg dat je ons onroerendgoedmagnaatje op het spoor komt. En laat me onmiddellijk weten wanneer jullie hem hebben gevonden. Zoek Eric Pincoff!’

Haar stem was hard en onverbiddelijk, haar ogen schoten vuur. Haar zoekopdracht klonk als een bevel aan een koppel jachthonden om het aangeschoten wild te apporteren.

25

neerpelt, woensdag 16 augustus 2006

‘Hij is ’m gesmeerd. We staan voor joker. Voor Jan met de korte achternaam, mag je wel zeggen.’

‘En daar kom je nu pas mee.’

‘Wist ik veel, ik geloofde… Kijk, die jongens waren niet te kontakten. Ik dacht dat ze ondergedoken zaten, zoals gebruikelijk. Dus niks aan het handje. Maar mooi niet. Ik kwam er achter toen de man belde die me de speedboot had verhuurd. Dat bootje had een alarmsignaal uitgezonden en was als een vergiet uit het zeewater gevist.’

‘Goeie grap.’

‘Wat jij een grap noemt! Onze prooi is ontsnapt. En wij staan voor Jan pik!’

‘Wind je niet zo op, Willem. Dat is niet goed voor je hart. Hier, neem nog een kroket.’

‘Kroketten, kroketten. Jij met je kroketten. We zijn godverdomme onze kerstkalkoen met de gouden ballen kwijt.’

‘Als hij was omgelegen waren we hem ook kwijt geweest.’

‘Doe je niet snuggerder voor dan je bent. Je snapt me best, Sjon.’

‘Beter een snapshot dan een shot schnaps, zei mijn grootvader altijd. Pilsje, Willem?’

‘Zit me niet in de zeik te nemen, eikelbal. We hebben een probleem. Jij en ik.’

‘Dacht je dat ik dat niet wist? Dacht je dat ik me hier zit te verneukelen omdat onze vriend de projectontwikkelaar ons te slim af is geweest?’

‘Voor zolang als het duurt. En wat mij betreft voor zokort als het duurt.’

‘Wie had die kermisschutters ook alweer geregeld?’

‘Ja, sorry. Dat waren de beste lui in mijn adressenbestand.’

‘Amateurs. Hoe kan je nou zo’n stel gedrogeerde Joego’s op een strategische missie sturen?’

‘Jezus, man. Die lui zijn experts. Ze hebben de een na de ander voor me omgelegd. Door en door betrouwbaar. Nooit een spoor achtergelaten. Alleen was dat altijd op straat. Dan kwamen ze aangereden op hun scootertjes en ratatatata! Nu moesten ze van een speedboot gebruikmaken. Ik denk dat ze niet beseften dat een boot geen wielen heeft.’

‘Je bent te goed van vertrouwen, Willem.’

‘Kom op, man, zeik niet.’

‘Hoe dan ook, je bent er ingetuind. Wat heeft dat geintje met de speedboot ons gekost?’

‘Valt mee. Ik heb de borg niet teruggekregen. Tweehonderd euri. Daar heb ik niet moeilijk over gedaan. De verhuurder wilde de boot vergoed krijgen, maar dat heb ik hem uit zijn hoofd gepraat. Nou ja, geslagen. Verder geen kosten. Die drie jongens werkten op no cure no pay-basis.’

‘Net als mijn meisjes in Pattaya. De klanten daar krijgen van mij een klaarkomgarantie. Dat is weer eens wat anders: no cum no pay. Met al die ouwe gepensioneerde lullen die nog één keer aan hun gerief willen komen, heb je zo’n marketinggeintje wel nodig. De concurrentie is heftig, er wordt daar wat afgenaaid…’

‘Sjon, schei uit, ik krijg nu al een stijve.’

‘Weet je hoe ik dat altijd noem? Een standing invitation.

‘Hou jij je invitation maar in je broek. Voor jouw geintjes ben ik hier niet gekomen. We hebben een probleem.’

‘Oké. Pinkelmans is ’m gesmeerd op zijn boot. En de jongens die hem op andere gedachten hadden moeten brengen…’

‘…zijn als katten verzopen. Hij heeft natuurlijk zijn bodyguard aan boord. Die Chileense bonenvreter, weet je wel. Die vent kan in zijn eentje beter schieten dan onze drie Joego’s bij elkaar. Er is niets meer van ze teruggevonden.’

‘En waar is pinko nu?’

‘Met de noorderzon verdwenen.’

‘Vertrokken. Ik snap wat je bedoelt. Hoe wist je trouwens dat hij langs Scheveningen zou varen?’

‘Dat had een van mijn gabbers in de Marina van IJmuiden gehoord. De Chileen had het staan vertellen toen hij de dieseltank volgooide. Wist hij veel dat zijn baas van plan was hem als een dief in de nacht te smeren. Hoe dan ook: we zijn het spoor bijster.’

‘Ik ga ervan uit dat hij nog op zijn boot zit. Maar je kunt onmogelijk alle havens langs de Europese kust in de gaten houden.’

‘Nee. Toch moeten we hem te pakken krijgen. Dan kan hij de borg van de speedboot aan ons terugbetalen. En mijn groene scootertje vergoeden dat we in Aken hebben opgeblazen.’

‘Dat is waar ook. Was ik alweer vergeten.’

‘Ook mislukt. En dat was jouw schuld. Je had de timer op handbediening moeten zetten.’

‘Ik werd afgeleid door een Duitse Mädel die me een Lederhose probeerde aan te smeren.’

‘Zeg maar gewoon dat je haar aan het insmeren was.’

‘Hoe dan ook. Ik beloof je dat ik mijn netwerk zal raadplegen. Misschien weet iemand waar hij uithangt.’

‘Jouw netwerk bestaat uit hangmatten tussen de Thaise palmbomen!’

‘Willem, waar zie je me voor aan? Mijn contacten zitten overal. Nog ’n pilsje?’

‘Heb je niet wat sterkers? Ik moet straks nog rijden.’

‘Ik heb nog wat mae khong whisky staan. Wil je die proberen? Kun je je hummertje ook op later draaien.’

‘Nou, nee, laat maar. Doe toch maar een pilsje.’

‘Oké. En nu even zakelijk. Wat is de score?’

‘Eric heeft ons toch algauw dertig miljoen opgeleverd. Puur door hem af te romen.’

‘Ha ha, goeie grap. Weet je nog hoe het begon? Ik was met mijn nieuwe speelgoed aan het oefenen op het kantoor van Paul Sanders.’

‘Man, schei uit. Ik liep die middag door het Bos. Het regende als een lekke douche. Ik was doorweekt. Eric kneep ’m als een ouwe dief. Proost, trouwens.’

‘Cheers. Dus die inkomstenbron is opgedroogd. Dat is één. En twee is dat we niet bij onze investeringen kunnen. Dat is ernstiger.’

‘Ja, onze centen zitten in bakstenen en cement. Pinkeltje wilde maar niet begrijpen dat we daar geen boodschap aan hebben.’

‘Hoeveel hebben wij erin zitten?’

‘Honderdvijftig, hondervijfenzeventig. Misschien iets meer. Ik stortte het geld dat hij mij betaalde voor zijn bescherming ook in die pot. Zo financierde hij onze investeringen zélf, zonder dat hij het wist. Het lullige is, we kunnen er niet bij.’

‘Dat was niet de afspraak. Hij had toch iets bedacht met een garantie? Iets met de Europese Unie? We moeten eens achter die vriendin van hem aan.’

‘Dat vrouwtje van het huis in België.’

‘Lena Feldspath.’

‘Sjon, wat heb jij een geheugen voor de namen van de vrouwtjes.’

‘Veel op de vrouwtjes oefenen, hè. We moeten contact met haar opnemen. Kijken of ze bescherming nodig heeft.’

‘Nee, dat is te link. Dan hou je onze investeringen nooit buiten de fiscus.’

‘Dat vrouwtje heeft ook een geheim dat ze buiten de fiscus wil houden. Haar villa, weet je nog. Zwart betaald. Heb ik laten uitzoeken door iemand bij het kadaster in Brussel.’

‘Dan pakken we haar daarmee.’

‘Willem, ik bewonder je zakelijke neus. Maar ik geloof toch dat we ons beter op Pincoff kunnen concentreren. Hij is ons ontvlucht en je zult zien dat hij gaat praten.’

‘Zolang hij zoek is kan hij niet praten.’

‘Heb jij weer gelijk in. Dus moeten we hem te pakken nemen voordat hij gevonden wordt.’

‘Weet je, er schiet me iets te binnen. Mijn jongens in IJmuiden hebben een dag of wat geleden iemand onderschept die het kantoor van Pincoff probeerde te bezoeken. Die zit ook achter zijn geld aan.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Sjon, hoe lang ben je nu al weg uit Nederland?’

‘Paar jaartjes, hoezo?’

‘Je weet toch nog wel dat de Nederlandse politie zo plat is als een lege pizzadoos? Er zit een molletje bij de smerissen. Die heeft me laten weten dat er laatst iemand bij hen is langsgekomen om te informeren naar Eric Pincoff. Iemand uit Brussel. Hij was geïnteresseerd in Pincoffs zakelijke activiteiten.’

‘Heb nou wat. Zo vallen de stukken op hun plaats. Als we die meneer én die mevrouw in Brussel dan eens met een bezoekje vereren?’

‘Kijk. Zo ken ik je weer.’

‘Heel goed, Willem. We openen de jacht op Pincoff en we gaan om te beginnen naar Brussel. Hier, neem nog een kroket. Koud met een lik mosterd zijn ze ook lekker, wist je dat?’

26

atlantische oceaan, donderdag 24 augustus 2006

Geheimhouding van intimiteiten aan boord is onmogelijk. Bobby wist dezelfde nacht al wat zich tussen Tessa en Orville had afgespeeld; Eric kwam er de volgende ochtend achter. Nadat hij nijdig was uitgevallen dat zijn schip geen varend bordeel is, besloot Tessa even resoluut als ze eraan was begonnen om een einde aan haar erotische uitspatting te maken. Ze had haar behoefte bevredigd en genoten van Orvilles aantrekkelijke lijf. Het doosje condooms bevatte bovendien een beperkte voorraad en ze wilde er een paar achter de hand houden voor toekomstige eventualiteiten.

Voor de stemming aan boord was de seksuele escapade fnuikend, ook al was die nog zo kortstondig. Tessa proeft de jaloezie die hun gedrag bij Eric heeft losgemaakt. Orville mag dan Erics bankier en vriend zijn, dat geeft de Brit in Erics ogen geen vrijbrief om met de enige vrouw aan boord de kooi in te duiken. Tessa beseft dat ze een hypergevoelige snaar heeft geraakt – die van de gekrenkte mannelijke trots. Al heeft ze geen moment spijt van haar gedrag, ze begrijpt de ergernis van Eric. Dit is zijn schip, hij is de schipper. Voordat ze aan boord ging had ze hem duidelijk gemaakt dat ze gesteld was op haar privacy en vervolgens ging ze niet met hem maar met een ander bemanningslid naar bed.

Zo nors als Eric is en zo teruggetrokken Bobby, zo goedgeluimd is Orville. Daar heeft hij alle reden toe, denkt Tessa, want hij heeft zijn deel van de afspraak met haar binnen – een uitzonderlijke goede fuck, en nog wel twee keer. Nu moet hij zijn tegenprestatie aan haar leveren: informatie over Erics zakelijke belangen. Ze wacht af, maar hij komt er niet op terug.

‘Hoe zit het met jouw deel van onze afspraak?’ vraagt Tessa op een middag als ze samen in de kajuit zijn. Leunend tegen de bank drinkt ze een kop thee. Ze veegt haar mond af met de rug van haar hand. Ongemerkt meet ze zich meer en meer zeilersgewoontes aan.

Orville zit bij de navigatiecomputer en bekijkt de route. ‘Ben je daar werkelijk in geïnteresseerd?’ zegt hij quasi-verbaasd.

‘Wat dacht je.’

‘Ik dacht dat je voor het vrijen ging. Heeft een minnaar ooit tegen je gezegd dat je daar trouwens verschrikkelijk goed in bent?’

‘Jij bent ook niet zo slecht,’ antwoordt Tessa onderkoeld. ‘Maar we hadden een deal, weet je nog? Het is jouw beurt.’

‘Oké. Vanavond,’ zegt Orville en hij buigt zich weer over het elektronische navigatiescherm dat de voortgang van de Joyeuse over de oceaan weergeeft in graden, minuten en seconden noorderbreedte en westerlengte.

 

In de loop van de dag slaat het weer om. Onder invloed van een zich uitbreidend lagedrukgebied is er een einde gekomen aan het langdurige stabiele weer. Er steekt een straffe westelijke wind op en zo nu en dan valt er een kortstondige, maar hevige regenbui. In de buien waait het nog harder. Eric geeft opdracht een tweede rif in het grootzeil te zetten en de fok een paar slagen in te rollen. Door de zwaardere zeegang stampt de boot meer dan tijdens het voorafgaande traject. Als Tessa bezig is in de kombuis, merkt ze dat ze moeite heeft zich staande te houden. Geregeld maakt ze een smak tegen het houtwerk. Orville en Bobby hebben de slingerzeilen vastgemaakt, strakgespannen stukken zeildoek die voorkomen dat ze van de bank of uit hun kooi rollen als ze liggen te slapen.

Buiten zit Tessa in haar zeilpak naar het onrustige weer te kijken. Bobby, met zijn onafscheidelijke wollen muts op, houdt haar gezelschap. ‘Bescherming tegen de wind,’ zegt hij betekenisvol naar zijn muts wijzend. Eric is in de machinekamer bezig de generator te starten om de accu’s bij te laden. Orville ligt te slapen op de bank.

‘Ik ga een kop thee halen. Jij ook?’ zegt Tessa. Ze moet zich vasthouden als ze opstaat.

‘Kun je een mate voor me maken?’

‘Dat Chileense toverdrankje?’

‘De mateblaadjes zitten in een blikje in het linker keukenkastje.’

‘Wat zijn mannen toch naïef dat ze denken voor een vrouw iets verborgen te kunnen houden in de keuken!’

Bobby schiet in de lach. ‘Ik heb niets te verbergen!’ protesteert hij. ‘De kalebas staat naast het bed in mijn hut.’

Aiai, capitán.

Even later komt Tessa weer naar buiten. Ze heeft moeite haar evenwicht te bewaren, maar slaagt erin om de mok thee en de kalebas met de dampende mate zonder overdadig te morsen over te brengen.

‘Vrouwen die denken dat mannen dingen niet doorhebben, zijn ook naïef’ zegt Bobby. Hij neemt de kalebas van haar aan. Tessa gaat tegenover hem zitten op de andere bank.

‘Zoals?’ Ze weet wat hij gaat zeggen.

‘Zoals jouw uitspatting met Orville. Van mijlenver zag ik aankomen waar dat zou eindigen. Het verbaasde me dat je het zo lang uitstelde.’

Tessa kleurt. ‘Was het zó duidelijk?’ zegt ze.

‘Het was zichtbaar met een blind oog en voelbaar met een geamputeerde hand.’

‘Sorry. Ik zal me voortaan inhouden.’

Bobby haalt zijn schouders op. ‘Van mij mag je. Iedere nacht, zo vaak je wilt. Ik zou het ook met hem gedaan hebben, als ik een vrouw was.’

‘Waarom waarschuwde je me dan voor Orville?’

Bobby kijkt haar meewarig aan. Hij buigt zich naar voren en zegt: ‘Weet je wat ik van Orville vind? Hij is een arrogante eikel. Een Brits rijkeluiszoontje. Zijn betrouwbaarheid gaat niet verder dan zijn pik lang is. Snap je?’

‘Arrogant is hij zeker. En een eikel misschien ook. Maar hij heeft ook iets onweerstaanbaars.’

‘Geen wonder. Hij ziet er uit als een filmster en hij is vast een hengst in bed. Misschien is het anders voor een meisje van een gegoede familie, zoals jij. Ik heb een armoedige achtergrond. Hij behandelt me alsof ik minderwaardig ben. Dat maakt me allergisch voor hem.’

‘Dat is waar. Ik ben zorgeloos opgegroeid in een nette buurt,’ zegt Tessa. Ze heeft geen zin verder over Orville te praten. ‘En jij?’ verandert ze van onderwerp. ‘Hoe ben jij eigenlijk in contact gekomen met Eric?’

‘Dat is een lang verhaal.’

‘Geef me maar de korte versie. Het interesseert me.’

Bobby gaat verzitten en lurkt een paar keer aan het staafje in de mate. ‘Oké, als je erop staat. Ik heet Roberto Menéndez Ruiz en ik ben geboren in 1973 in Valparaíso in Chili. Dat was het jaar van de militaire staatsgreep. Mijn vader heb ik nooit gekend. Hij zat bij de communistische vakbond van havenarbeiders en is door de militairen vermoord. Mijn moeder heeft mij achtergelaten toen ik twee was. Ik ben bij mijn oma opgegroeid in Valparaíso. Ik ging zelden naar school en deed klussen in de haven. Toen ik zestien was ben ik als dekmaat op een boot naar Europa gevaren, want ik had genoeg van Chili. In Hamburg ben ik van boord gegaan. Omdat ik geen geld had ben ik naar Amsterdam getrokken. Daar, had ik gehoord, kon je als Zuid-Amerikaan altijd aan de slag. Ik kon de Colombianen verstaan, begrijp je? En ik kon ze zonodig in elkaar slaan. Hoe dan ook, na wat omzwervingen in het drugscircuit kwam ik in contact met Eric Pincoff. Een fatsoenlijke zakenman in het onroerend goed die bewaking nodig had en op zoek was naar een klusjesman. We trekken al tien jaar met elkaar op en zijn de beste maten, al krijg je niet altijd die indruk als je ons samen op deze boot meemaakt.’

Opnieuw neemt Bobby een slok mate. Hij maakt er een slurpend geluid bij. ‘Zo zit het.’

Tessa heeft de aanvechting om meer te vragen over Bobby’s jeugd in Chili, maar ze houdt zich in. Daarentegen vraagt ze: ‘En Orville? Hoe ken je hem eigenlijk?’

‘Ik ken hem via de zaken van Eric. Ik ben een paar keer met Eric meegeweest naar Guernsey en Orville is ook wel eens in IJmuiden geweest.’

‘Maar jullie zijn nooit amigos geworden.’

Onverwacht fel zegt Bobby: ‘Mister Orville de Billières is expert in financiële goocheltrucs. Ik snap ze niet, maar ik weet wel dat ze niet deugen. Hij speelt vuil spel.’

‘Dat doe jij toch ook?’

‘Nee, ik doe mijn werk. Anderen vinden dat misschien vuil werk, maar ik voer het eerlijk uit. Als ik een slachtoffer maak, is dat in een schietpartij waarbij iemand anders verliest en ik niet. Orville is bankier. Dat klinkt heel fatsoenlijk, maar een bankier verricht net zo goed smerig werk. Misschien nog wel vuiler dan ik. Bij bankiers vloeit er geen bloed, maar geld. Ze zijn in staat je centen te laten verdwijnen. Zo’n type is Orville. Terwijl hij je vriendelijk aankijkt met die groene ogen van hem, belazert hij je.’

Tessa denkt aan hun afspraak. Orville moet zijn deel nakomen. Vanavond, heeft hij beloofd. Daarom wil ze weten wat Bobby bedoelt. ‘Belazert hij Eric ook?’ vraagt ze de Chileen.

‘Hij heeft het geprobeerd, maar Eric heeft zijn trucjes door. Ik geloof niet dat iemand Eric zakelijk om de tuin kan leiden. Maar Orville heeft mij wel opgelicht. Ik had wat spaargeld aan hem toevertrouwd en dat heeft hij verspeeld door er waardeloze aandelen van te kopen. Dat beweert hij tenminste, volgens mij heeft hij het geld gewoon in zijn eigen zak gestopt. Daar komt een bankier mee weg. Als ik mijn werk doe en gepakt word, krijg ik twintig jaar. Ooit gehoord van een bankier die levenslang krijgt omdat hij de spaarcenten van zijn klanten heeft zoekgemaakt? Na een paar jaar staat die weer op straat.’

Tessa wil meer vragen over Orville, maar een onverwacht grote golf duwt de achtersteven van het schip omhoog. Met een smak komt het schip in het golfdal terecht en wordt daarna opgestuwd door een volgende golf. Door deze tegenstrijdige krachten draait de boeg naar de wind en komt het schip dwars op de golven te liggen zodat het omvergeduwd dreigt te worden. ‘Godsamme!’ roept Tessa verschrikt. Ze moet zich met twee handen vasthouden en zich schrap zetten met haar voeten tegen de kuiprand om niet van de bank te rollen.

‘We kunnen ons voor de zekerheid beter aanlijnen,’ roept Bobby als de schuiver voorbij is en het schip weer terug is op zijn oorspronkelijke koers. Hij duikt naar binnen en komt terug met twee veiligheidslijnen.

‘Toch snap ik iets niet,’ zegt Tessa als ze zich heeft vastgegord. ‘Waarom is Eric zo zwijgzaam de laatste dagen?’

‘Wat denk je?’ zegt Bobby.

‘Misschien heeft hij genoeg van deze tocht?’

‘Hij is paranoïde. Hij denkt dat iedereen het op hem gemunt heeft. Vind je het gek? Zijn vijanden zitten achter hem aan en de miljoenen zijn van hem.’

‘Bedoel je die moslimterroristen?’

Spottend zegt Bobby: ‘Ben jij nou journalist? Dat sprookje van duizend-en-één nacht geloof je toch zelf niet!’

Tessa gaat niet op Bobby’s opmerking in. ‘Maar nog steeds snap ik het niet. Volgens jou is Eric paranoïde. Het zal best. Maar Orville en jou vertrouwt hij toch? Jij bent zijn bewaker en Orville is zijn bankier. En hij moet mij ook wel vertrouwen, anders had hij me niet meegenomen aan boord.’

‘Heb je er wel eens aan gedacht dat Eric jaloers kan zijn?’

‘Ja, natuurlijk. Omdat Orville met mij naar bed is geweest. Oké. Het was stom van me.’

‘Niet stom, hooguit onervaren met de manier waarop je met elkaar moet omgaan op een lange zeiltrip. Dat luistert nauw.’

‘Eric zal toch ook wel eens aan boord met een vrouw naar bed zijn gegaan?’

‘Wat dacht je. Eric weet heel goed wat hij met vrouwen moet doen. Maar misschien is hij wel jaloers omdat Orville met jóu naar bed is geweest.’

‘Hoezo, met wie anders?’ Tessa begrijpt niet wat de Chileen wil zeggen.

‘Met hem bijvoorbeeld.’

‘Huh?’

‘Ben jij nou een vrouw van de wereld? Er zijn mannen die met mannen vrijen.’

‘Eric?’ vraagt Tessa ongelovig.

Bobby knikt. ‘Eric is biseksueel. Orville trouwens ook als het zo uitkomt. Die heeft het wel eens met mij geprobeerd. Maar dat heeft hij geweten, ha ha. Ik ben geen maricón!

‘Jezus christus. Ik dacht…’

‘Dat Eric een vrouwenverslinder is.’

‘Ja, dat is toch zijn reputatie? Zo kwam hij op mij over toen ik voor het eerst kennis met hem maakte. Hij had belangstelling voor me, en niet alleen vanwege mijn blauwe ogen.’

‘Eric grossiert in vriendinnen en hij kan ze krijgen ook. Hij rijgt ze allemaal aan zijn ketting. Maar op schepen komt het vaker voor dat mannen het met elkaar doen. Bij gebrek aan dat ene doosje wat vrouwen hebben, snap je? Dan slaan zelfs de grootste macho’s de hand aan elkaar. Weet je hoe we dat in Zuid-Amerika noemen? Een scheermes dat aan twee kanten snijdt.’ Bobby schiet in een besmuikte lach.

Nu herinnert Tessa zich hoe Eric die ochtend op het caféterras in Guernsey een paar opmerkingen had gemaakt over hoe aantrekkelijk Orville was. Ze had toen de indruk dat Eric probeerde haar belangstelling voor de bankier aan te wakkeren. Misschien zelfs om hem aan haar te koppelen. Nu beseft ze dat hij, bewust of onbewust, zijn eigen gevoel voor Orville onder woorden had gebracht. Ook schiet de opmerking haar te binnen die Eric maakte tijdens het scheepsberaad na het vertrek uit de haven van Saint Peter Port. Geen ongewenste intimiteiten. Niet met de enige vrouw aan boord, maar ook niet tussen de mannen onderling. Ze dacht toen dat hij het zei ter bescherming van haar. Maar de boodschap was gericht aan Orville.

 

Als Tessa ’s avonds in de kajuit zit, bekijkt ze Orville met andere ogen. De opmerkingen van de Chileen resoneren in haar hoofd. Brit. Bankier. Belazeraar. Biseksueel. Dirty banker, denkt ze met een heimelijke gniffel.

Eric houdt zich al de hele dag verscholen in de captain’s cabin. Orville heeft Bobby naar buiten gestuurd voor de wacht. Het waait niet meer zo hard als overdag, de golven zijn afgenomen zodat het schip minder stampt.

‘Nou, vertel… Jouw kant van de deal,’ zegt Tessa plompverloren tegen Orville.

‘Ik denk dat we Bobby dadelijk maar eens moeten helpen om het tweede rif er weer uit te halen,’ zegt Orville. Hij negeert Tessa’s opmerking.

‘Ik denk dat we ons dadelijk maar eens moeten verdiepen in de Karolingische constructies van Eric Pincoff,’ kaatst Tessa terug.

‘Daarvoor moet je bij de schipper zijn, maar ik vrees dat die niet aanspreekbaar is. Hij is slecht gehumeurd. Het Karolingische rijk is trouwens geschiedenis. Daar was ik nooit zo goed in op school.’

‘Je bent me nog wat verschuldigd, weet je nog?’

Another fuck? Daar verzet ik me niet tegen.’

Platte pik, wil Tessa zeggen, maar ze beheerst zich en onderdrukt ook de opwelling om hem mee te nemen naar het vooronder. Nee, ze moet het uit haar hoofd zetten weer met hem te neuken. De woorden van Bobby schieten haar te binnen. Orville als de goochelaar met geld. De Wizard of Orv, zoals Eric hem op Guernsey noemde. Ze moet zijn ijdelheid strelen en hem op een andere manier verleiden. Niet via het bed, maar via de bank. Door hem op zijn financiële kennis aan te spreken. Hopelijk toont hij zich dan toeschietelijk en voorziet hij haar van de informatie waarop ze haar zinnen gezet heeft.

Tessa verzint vragen en laat Orville uitleggen. Ze ziet dat hij gevleid is door haar belangstelling. Hij gaat er gretig op in. Na een tijdje pakt hij een potlood van de navigatietafel en begint op een stuk papier te schetsen hoe de kapitaalstromen in de wereld plaatsvinden. Onverwacht onderbreekt Tessa zijn uiteenzetting. ‘En hoe heb je dit in het geval van Eric Pincoff in de praktijk gebracht?’

Even valt Orville stil. Dan zegt hij, achteroverleunend: ‘Oké, jij wint.’ En vervolgens met een arrogante glimlach: ‘Eigenlijk is het eenvoudig. Eric heeft het je al verteld.’

‘De vrouwen van Karel de Grote.’

‘Precies. Volgens Eric heeft Karel tien vrouwen en concubines gehad. Ik denk dat er nog veel meer waren, hij zal tijdens zijn veldtochten vast heel wat vrouwen van zijn overwonnen tegenstanders hebben gepakt. Een man neemt wat hij krijgen kan, nietwaar?’ Orville lacht veelbetekenend.

‘Mannen zijn onverbeterlijk. Als ze hem maar érgens in kunnen steken,’ zegt Tessa dubbelzinnig.

‘Right.’ Orville kijkt Tessa aan alsof hij op dit moment beseft dat ze weet heeft van zijn dubbele seksuele identiteit. Maar hij gaat er niet op in. ‘Hoe dan ook. Tien vrouwen. Hun namen zijn belangrijk. Ze zijn de sleutels tot het financiële beheer van Durendal.’

Tessa denkt aan het gesprek dat ze met Eric heeft gehad op het terras in Saint Peter Port, voordat ze naar de Bailiwick Bank gingen. Ze hoopt dat ze nu meer te weten kan komen. ‘De namen van die vrouwen zijn interessant als historische inzet bij mijn artikel’, moedigt ze Orville aan.

‘Dat is waar ook, je artikel voor dat tijdschrift! Weet je dat ik er een moment aan heb getwijfeld of je echt met een artikel bezig bent?’ Orville kijkt haar geamuseerd aan. Zijn stem staat strak van de ironie. Deze is voor jou, lijkt hij te willen zeggen.

Tessa geeft geen krimp. ‘Dacht je dat ik je zou belazeren?’

‘O, nee, absoluut niet! Natuurlijk werk je aan een artikel over Eric. Waarom zou je anders aan boord zijn? En waarom zou je anders meer willen weten over de vrouwen van Karel?’

Bobby heeft gelijk, denkt Tessa. Orville is werkelijk een arrogante eikel.

‘Weet je, die namen zijn niet geheim. Je kunt ze op iedere internetsite over Karel de Grote vinden,’ vervolgt Orville. ‘Ik vermoed zelfs dat je ze allang hebt opgezocht. Maar ik heb ze je beloofd, dus ik zal ze je geven.’

‘Ik heb hier geen internet tot mijn beschikking,’ zegt Tessa neutraal.

‘Dat is waar. En ik ben je nog wat verschuldigd.’

De bankier pakt een stukje papier en schrijft er iets op. Dan geeft hij het papiertje aan Tessa.

‘Hier heb je ze. Bewaar dit goed. Het kan van pas komen. Als historische inzet bij je artikel, bedoel ik.’

Tessa laat de sarcastische toon over zich heen gaan. Ze leest de namen die onder elkaar staan:

 

1 Himeltrude

2 Desiderata

3 Hildegard

4 Fastrada

5 Liutgarde

6 Madelgarde

7 Gerswinde

8 Regina

9 Ethelinde

10 N.N.

 

‘Wat een verbluffende namen! Die verzin je niet,’ zegt Tessa.

‘Middeleeuws, hè,’ zegt Orville. ‘Eric heeft dat allemaal uitgezocht. Hij is echt knettergek. Van iedere vrouw weet hij ook hoe de kinderen heten die Karel bij ze verwekt heeft.’

‘Wat zegt me dit?’

‘Het zegt niets. Het zijn vrouwennamen. Eric noemt dit zijn Karolingische geheim, maar er is niets geheimzinnigs aan. Ik zei al, de namen van die vrouwen kun je overal vinden.’

‘Wie is N.N.?’

‘Dat weet ik ook niet. Het is een concubine van wie niet met zekerheid bekend is hoe ze heette.’

‘De tiende vrouw,’ zegt Tessa bedachtzaam. Ze vouwt het papiertje zorgvuldig op en stopt het in het borstzakje van haar shirt. Dan staat ze op, geeft Orville een zoen op zijn wang en zegt laconiek: ‘Bedankt.’

27

atlantische oceaan, maandag 28 augustus 2006

Het is nog driehonderd mijl varen tot San Sebastián, het havenstadje op La Gomera dat Eric heeft uitgezet als bestemming, als van het ene moment op het andere de wind wegvalt. De zee is rimpelloos, er staat alleen nog de lange deining van de oceaan. De Joyeuse ligt al twee etmalen te dobberen in de windstilte. Het zeil hangt er lusteloos bij, als een laken aan de waslijn op een bladstille dag. Eric heeft opdracht gegeven de fok in te rollen en het grootzeil strak te trekken om het klapperen tegen te gaan.

Bobby en Eric hebben een tropentent over het achterdek gespannen die weliswaar schaduw biedt, maar geen verkoeling. De stemming is landerig. De hitte maakt loom. De irritaties lopen op. Slaapgebrek, verstoring van het dag- en nachtritme en de benauwdheid van vier mensen die geen moment aan elkaars aanwezigheid kunnen ontsnappen, eisen hun tol. Verveeld hangen de bemanningsleden aan dek, of liggen ze op hun kooi. Zelfs het schema van de wachten schiet erbij in. Er valt niets te doen en er is niets te beleven.

Orville heeft voorgesteld om de motor aan te zetten, dan zorgt de scheepsbeweging ten minste voor een beetje werveling van de lucht. Maar Eric wil daar niets van weten. ‘We hebben tijd genoeg. Het maakt echt niet uit of we straks een week in de haven van La Gomera liggen, of nu een paar dagen op de oceaan dobberen. Hier zijn we veilig, in de haven weet je het maar nooit,’ zegt hij. De andere bemanningsleden zijn sceptisch en hechten geen geloof aan zijn redenering. Maar Eric is de schipper, dus de motor blijft uit, behalve op gezette tijden voor de generator om de accu’s bij te laden.

Tessa bemoeit zich niet met het dispuut. In hoog tempo werkt ze zich door haar stapel ingeslagen boeken heen. Ze verlangt naar een haven met een café waar ze zich rustig kan terugtrekken.

Bobby besluit de verveling te verdrijven door zich te vermaken met schietoefeningen. Hij heeft zijn L7 GP te voorschijn gehaald en gooit bierblikjes op, nadat hij ze eerst tot de laatste drup heeft leeggedronken. Lekgeschoten verdwijnt het ene na het andere blikje bubbelend naar de diepte. Ter afwisseling gooit hij volle wijnflessen de lucht in. Ook die schiet hij schijnbaar moeiteloos aan barrels, zodat het zeewater rood kleurt. Na een uur heeft Eric genoeg van het geknal en de verspilling van de wijn. Hij gelast Bobby te stoppen. Munitie kost geld, roept Eric als Bobby zich beklaagt en zegt dat hij in vorm moet blijven. Mokkend zet de Chileen zijn geweer terug in zijn hut en gaat in een hangmat liggen die hij heeft opgehangen tussen de verstaging op het voordek.

Op de tweede dag van de windstilte nemen Tessa en Orville spontaan een duik om verkoeling te zoeken. Het geeft Tessa een kosmisch gevoel dat ze zwemt in de onmetelijke oceaan. Eric staat woedend te gebaren aan dek. Hun actie levert ze een uitbrander op: zwemmen in de oceaan is onder geen voorwaarde toegestaan. Te gevaarlijk, oordeelt Eric, zelfs als het schip bewegingloos ligt te blakeren in de zon. Er kan een stroming staan, de zwemmers kunnen het contact met het schip verliezen als er onverwacht wind opsteekt, er kunnen haaien opduiken, iemand kan onwel worden. Ondanks verongelijkte tegenwerpingen van Orville is Eric onverbiddelijk. Hij maakt een toespeling op het kielhalen van muitende bemanningsleden. Hoewel het bedoeld is als grap onderstreept de toon van zijn opmerking dat hij geen tegenspraak duldt. Mokkend klimmen Tessa en Orville weer aan boord. Orville vloekt binnensmonds een verwensing; Tessa verwondert zich over Erics rechtlijnigheid. Ze trekt een T-shirt aan dat plakt aan haar natte lijf en gaat met een handdoek en een boek op het voordek liggen om op te drogen.

Als ze in de zon ligt, piekert ze over een gesprek dat ze met Eric heeft gehad. Nu Orville haar de lijst met de namen van de tien vrouwen van Karel de Grote heeft gegeven, wilde ze Eric vragen wat daar de betekenis van is. Eric ontweek haar vraag en begon uit eigen beweging een heel ander verhaal te vertellen.

‘Ooit gehoord van Karel en Elegast?’ had Eric gezegd. Zonder Tessa’s reactie af te wachten vertelde hij haar de beroemdste van alle Karellegendes. Op een nacht werd Karel in zijn slaap bezocht door een engel. Die fluisterde in zijn oor dat hij uit stelen moest gaan. Karel weigerde verontwaardigd; hij was koning, geen dief. Maar de engel herhaalde de boodschap drie keer en uiteindelijk gaf Karel er gehoor aan. Hij stond op, gordde zijn zwaard om, ging naar buiten en reed op zijn paard de nacht in. Onderweg kwam hij een ridder tegen die ook op rooftocht was. Hij bleek de beruchte ridder Elegast te zijn, die het land onveilig maakte.

Het gelegenheidsduo ging samen verder – de koning en de roofridder. Elegast leidde Karel naar het kasteel van een van zijn trouwste vazallen met het doel om die te bestelen. Karel drong het kasteel binnen en verstopte zich schielijk onder het echtelijke bed. Zo luisterde Karel af wat zijn trouwe vazal die nacht aan zijn vrouw vertelde: hij had met andere ridders een complot gesmeed om de koning de volgende dag te vermoorden. Nadat de loslippige ridder in slaap was gevallen, kroop Karel onder het bed uit. Hij stak een voorwerp bij zich, als bewijs dat hij in de slaapkamer was geweest, en maakte zich daarna met Elegast uit de voeten. De volgende dag liet de koning de samenzwerende ridders in de boeien slaan. Ze bekenden hun complot. En Karel beloonde Elegast, de roofridder die hem ’s nachts de weg had gewezen naar de burcht van de samenzweerder, door hem op te nemen in de kring van zijn paladijnen.

‘Mooi verhaal, hè?’ had Eric gezegd toen hij was uitverteld.

Nu ligt Tessa op het voordek over deze geschiedenis na te denken. Zeker, het was een mooi verhaal, maar waarom vertelde Eric haar deze Karellegende? Hij ging niet over de vrouwen van Karel. Het was een riddervertelling over vertrouwen en verraad, met als strekking dat het begaan van een misdaad – stelen – gerechtvaardigd is om een hoger doel – de verijdeling van een moord – te bereiken.

Tessa probeert de symboliek van de legende te duiden. Met wie zou Eric zich identificeren – met koning Karel, met roofridder Elegast of met de anonieme samenzweerder? Met de koning natuurlijk. Karel geeft gehoor aan de oproep van de engel en gaat samen met Elegast op stap. Karel rekent af met de samenzweerder, vergeeft Elegast zijn roversverleden en neemt hem grootmoedig op in zijn gevolg.

Zou Eric deze moraal op zichzelf betrekken? Eric als de held die een pact sluit met het slechte om het goede te bereiken? Zou hij haar dát duidelijk hebben willen maken? Maar wie zijn de goeden en de slechten in zijn beleving? Of zou hij haar een spiegel willen voorhouden? Ze tast in het duister.

Ondertussen is ze geen stap opgeschoten met haar speurtocht naar de betekenis van de namen van de tien vrouwen van Karel. Ze is ervan overtuigd dat het een code is. Maar waarvoor? Daar moet ze Eric op aanspreken. Ze herinnert zich wat Broos in zijn laatste mailtje aan haar schreef: ‘Hoe heet Keizer Karels vrouw’. Zou Broos soms hebben uitgezocht hoe het zit? Ze kan het zich niet voorstellen. Waar zou hij dat vandaan moeten hebben? Had ze maar internet tot haar beschikking. Ze weet dat Eric met zijn satelliettelefoon en zijn computer in de captain’s cabin toegang heeft tot het internet. Maar ze durft hem niet te vragen daarvan gebruik te mogen maken. Ze moet wachten tot ze naar een internetcafé in San Sebastián kan gaan. En met deze windstilte kan het nog etmalen duren voordat ze daar is.

 

Later zit Tessa met Orville op het achterdek. Uit verveling heeft de Brit Bobby’s hengel geleend. Nu alle vaart uit het schip is, denkt hij moeiteloos een tonijn of een dorade te kunnen vangen. Maar de hengel blijft bewegingloos staan en Orville heeft zijn belangstelling voor de edele kunst van de visvangst snel verloren. ‘Bobby heeft met zijn schietoefeningen natuurlijk alle vissen verjaagd,’ zegt hij gemelijk.

Terloops vraagt Tessa hem nog eens naar de praktische betekenis van Erics ‘Karolingische geheim,’ zoals hij het noemde. Maar ook Orville geeft geen antwoord op haar vraag. Hij begint een uiteenzetting over private banking. Plotseling bekruipt Tessa het vermoeden dat Orville en Eric met elkaar hebben afgesproken om haar wél de namen van de tien vrouwen te geven, maar er verder niets meer over te zeggen.

‘Laat die vrouwen even zitten. Ik wil je bijpraten over de economie van het bankieren,’ zegt hij. ‘Dat is nuttig als achtergrond voor je artikel. Je schrijft toch voor een managementtijdschrift? Managers vinden dat vast interessant!’

Weer die neerbuigende toon, beseft Tessa.

‘Economie,’ begint Orville, ‘is een kwestie van geld rondpompen. Met banken in de rol van de pomp. Ze trekken geld aan en brengen het weer in omloop. Aanzuigen en wegzetten. Maar sinds het begin der tijden willen machthebbers over die natuurlijke kringloop controle uitoefenen. Politici beschouwen het als hun hoogste taak om geld af te pakken van de rijken om het aan de armen te geven. Ze willen allemaal Robin Hood spelen met het geld van anderen. Dat is de basis van hun politieke macht. Maar gelukkig legt niet iedereen zich daarbij neer. Iedereen, nou ja bijna iedereen, probeert geld buiten het bereik van de graaizieke overheid te houden. Héél veel geld.’

‘Er bestaat een informele economie van vermogensbezitters,’ vervolgt hij. ‘Met kapitaal dat buiten het bereik van de belastingdiensten wordt gehouden. Het is de economie van het niet-gefiscaliseerde geld. En neem van mij aan: het gaat om reusachtige bedragen. Tien, vijftien, twintig procent van de formele economieën. In heel Europa. Om van Rusland en de Verenigde Staten maar te zwijgen.’ Orville kijkt Tessa bezwerend aan, alsof hij met zijn blauwgroene ogen haar van zijn gelijk wil overtuigen.

‘Interessant,’ zegt Tessa. Ze meent het, al begrijpt ze niet wat het verband is met de vrouwen van Karel. ‘Je moet trouwens je hengel controleren. Volgens mij heb je beet.’

Het uiteinde van de hengel zwiept heftig heen en weer. Orville springt op en draait snel de vislijn in. Er spartelt inderdaad iets in het water. Het lijkt een flinke vangst. Maar vlak voordat hij de buit naar binnen kan halen, weet de vis zich los te werken van de haak. Onverrichter zake haalt de Brit de rest van de lijn binnen. Teleurgesteld zet hij de hengel weg.

‘Volgens mij was het een kanjer van een vis. Gelukkig ben ik beter in bankieren. Daar vang ik meer mee dan met zo’n domme hengel,’ zegt Orville.

‘Vraag Bobby je te helpen. Die weet beter dan jij hoe je met grote vissen moet omgaan,’ zegt Tessa spottend. Ze weet dat ze Orville met haar opmerking op een gevoelige plek raakt. Maar hij gaat er niet op in. In plaats daarvan vervolgt hij zijn uiteenzetting over het rondpompen van geld. ‘Ten onrechte’, zegt hij, ‘spreekt men van “zwart geld”. Zwart geld bestaat helemaal niet. Er is geld in de vorm van bankbiljetten. Die bankbiljetten kunnen in een koffer zijn gestopt of onder een matras worden bewaard. Maar daarmee zijn ze niet zwart of illegaal. Ze zijn voorzien van de handtekening van de president van de Centrale Bank die de bankbiljetten heeft uitgegeven. Eenmaal gedrukt en in omloop gebracht, zijn ze wettig betaalmiddel, op wat voor manier het geld ook verdiend is, waarvoor het gebruikt wordt of in wiens handen het zich bevindt. Zolang het contant wordt aangehouden, hebben overheden er alleen geen greep op. Daarnaast bestaat er geld in de vorm van tegoeden op een bankrekening. Dit “girale geld” valt voor overheden beter te traceren: ze dwingen banken hun administratie toegankelijk te maken, waarmee ze de privacy van de klant schenden. Sommige landen onttrekken zich daaraan – en die worden dan huichelachtig “belastingparadijzen” genoemd. Maar het zijn geen paradijzen waar het geld aan wonderbomen groeit. Het enige bijzondere is dat in die jurisdicties private bankrekeningen niet vanzelfsprekend toegankelijk zijn voor de onverzadigbare nieuwsgierigheid van grijpgrage overheden.’

Voordat Tessa een kritische opmerking kan maken, gaat Orville verder. ‘Denk maar niet dat het alleen om belastingontduiking of het veilig stellen van crimineel verdiend geld gaat. Het kunnen familievermogens zijn die discreet verdeeld worden onder de nabestaanden. Er zijn vermogens die buiten de erven om geregeld worden, bijvoorbeeld als een voor de familie verborgen gehouden minnaar of minnares van de overledene zijn of haar deel van de nalatenschap moet krijgen. En bovendien wil niet iedereen aan de grote klok hangen – of met naam en toenaam in overzichten van vermogens verschijnen – wat de omvang is van het vermogen waarover hij of zij beschikt. Zo simpel is het,’ besluit Orville.

‘En wat is jouw rol hierin? Ik bedoel als bankier?’ vraagt Tessa. Ze zoekt nog steeds naar een aanknopingspunt met haar oorspronkelijke vraag.

Orville glimlacht als een samenzweerder die op het punt staat zijn compagnon in te wijden in een geheime missie. ‘Dat zal ik je vertellen. De rol van banken zoals Bailiwick is ervoor zorgen dat geld niet nutteloos in een oude schoenendoos staat te schimmelen, maar in circulatie komt. Wegzetten, noemen we dat.’

‘Volgens mij heet dat witwassen.’ Tessa zegt het voordat ze bedenkt dat dit woord bij Orville een open zenuw zal raken.

‘Dat is een absúrd woord. Ik noem het wegzetten. Terugsluizen, voor mijn part. Want het geld is er, dat heb ik je net uitgelegd. De vraag is alleen of een bejaarde tante het in een oude sok bewaart, of dat je het als bankier in circulatie brengt. Als je je geld oppot, dan hamster je bankbiljetten. Wist je dat dat slecht is voor de economie?’

‘Dit zogenaamde witwassen,’ vervolgt Orville, ‘gebeurt overal en op de meest uiteenlopende manieren. Iedereen die een werkster of een klusjesman contant betaalt, maakt zich schuldig aan een geldtransactie waarbij sprake is van zogenaamd zwart geld. En als de werkster, de tuinman, de stukadoor of de schilder dit geld vervolgens uitgeeft in de supermarkt om de hoek, maakt de caissière van de supermarkt zich dan schuldig aan witwassen? Natuurlijk niet! Het geld wordt alleen maar in omloop gebracht. Weet je, vroeger ging men met contant geld naar de bank. Sporttassen vol werden op de toonbank leeggestort. Geen bank die navraag deed waar al die briefjes van duizend vandaan kwamen. Maar dat is door al dat hysterische toezicht tegenwoordig onmogelijk geworden. Ook al worden er nog steeds kleine bedragen door loopjongens op rekeningen gestort, grote geldbedragen verdwijnen de grens over. Wat dacht je, de koeriers die in hun koffers met dubbele bodems drugs naar Londen of Amsterdam brengen, gaan met diezelfde koffers vol bankbiljetten terug om de opbrengst te storten op buitenlandse rekeningen. En zelden worden ze betrapt. Op vliegvelden wordt als een bezetene gecontroleerd op drugs, maar nergens wordt gecontroleerd op de bankbiljetten die meegenomen worden op de retourvluchten.’

‘Toch,’ zegt Orville, ‘is dat een economische wetmatigheid: tegenover de goederenstromen staan kapitaalstromen.’

‘De kunst van het bankieren,’ vervolgt de Brit, ‘is om de overboeking van het ene naar het andere circuit te kunnen maken. Sommige mensen noemen dat “witwassen” Maar zoals ik al zei: dat zogenaamde witwassen kan op oneindig veel manieren en valt alleen daarom al nooit uit te roeien. Het makkelijkst is het om een fictieve omzet te genereren, die op papier winsten oplevert. Daarom zijn cafés, coffeeshops, bioscopen, reisbureaus, belwinkels, gokhallen, kapperszaken of seksclubs zo populair. Niemand kan controleren of de opgegeven omzet correspondeert met werkelijk verleende diensten. Net als bij de wasserettes in Chicago. Daar maakte Al Capone in de jaren twintig van de vorige eeuw zijn fictieve omzetten waarmee hij de inkomens legaliseerde die hij met de ontduiking van de Amerikaanse drooglegging verdiende. Vandaar dat de spreektaal is verrijkt met het woord “witwassen”.’

‘Dan zijn er de casino’s, waar gefingeerde speelwinsten worden opgegeven om geld te legaliseren. Of de onroerendgoedmarkt, waarop huizen een aantal keren achter elkaar van eigenaar wisselen tegen steeds hogere prijzen om uiteindelijk weer in handen te komen van de eerste verkoper, die op deze manier een fors bedrag heeft “gewit”. Of constructies met de im- en export van goederen en grondstoffen, met over- en onderfacturering binnen of tussen bedrijven. Of…. De mogelijkheden zijn net zo groot als de menselijke vindingrijkheid. Geloof me, Tess. Ik kan je verzekeren dat dit op grote schaal gebeurt. Op heel grote schaal,’ zegt Orville. ‘En ik kan je ook verzekeren dat er wereldbekende namen bij betrokken zijn. Namen van grote ondernemingen, gerenommeerde advocatenkantoren, belastingkantoren, makelaarskantoren, banken. Ze doen allemaal mee. En dan zou ik met mijn armzalig kleine bankje op Guernsey een witwasser zijn? You’re joking.

‘Ik beschuldig je nergens van en ik bedoel niet jou in het bijzonder. Maar dat geld komt niet toevallig terecht in landen waar je belastingvrij kunt bankieren,’ verweert Tessa zich tegen Orvilles felheid.

‘O, zeker. De financiële markten van Zwitserland, van Liechtenstein, Luxemburg, de Caribische Eilanden, Gibraltar, de Kanaaleilanden, Cyprus, de Baltische staten en van de mini-eilandjes in de Stille Zuidzee. Dat is toch geen toeval! Wist je dat een derde van alle particuliere vermogens in de wereld zich bevindt onder de paraplu van het Zwitserse bankgeheim? En dat de Amerikaanse deelstaat Delaware een fiscale vrijhaven is voor Amerikaanse multinationals? Of dat Nederland een goudmijn is voor financiële brievenbusfirma’s? En dat Monaco het grootste aantal topsporters ter wereld als inwoners heeft? Dacht je nou werkelijk dat de grote banken schoon zijn? Ze hebben allemaal kantoren in zogenaamde off shore centra en die zijn niet bedoeld voor de microkredieten aan de arme lokale bevolking. Ze doen allemaal mee, want het is een markt. Laat me niet lachen! Het verschil is dat al deze landen er niet ingewikkeld over doen. Wij erkennen dat het in de menselijke natuur zit om geld buiten het bereik van de tolgaarders van de overheid te houden. Jezus verjoeg de tollenaars uit de tempel in Jeruzalem. Wat is daar sinds bijbelse tijden verkeerd aan?’

‘Het kan crimineel verdiend geld zijn,’ werpt Tessa tegen, maar ze beseft dat het een verloren discussie is die ze voert.

‘Nee, maar! Die is goed. Laten we aannemen dat het crimineel geld is. Drugs, wapens, prostitutie, mensenhandel, wat dan ook. Moet je dat geld daarom aan de economie onttrekken? Dat zou een mooie boel worden! Weet je hoe dat heet in economische termen? Geld uit circulatie halen. Monetaire verkrapping! Dan krijg je deflatie en een recessie en daar is helemaal niemand bij gebaat. Geld moet rollen. Ook ondergronds geld moet teruggesluisd worden in de bovengrondse economie.’

‘Maar…’

My dear Tessa. Er zijn schattingen dat vijftien tot twintig procent van de westerse economieën draait op zogenaamd zwart geld. Jaag je dat geld weg, dan verlaag je de koopkracht op een onvoorstelbare manier. Het zou een sociaal drama opleveren.’

‘Maar je hoeft er als bankier toch niet actief aan mee te werken?’

Orville raakt geïrriteerd door haar vasthoudendheid. ‘Waarom is er handel in drugs en wapens, waarom is er prostitutie en mensenhandel, waarom zijn er illegale gokcentra? Omdat mensen bereid zijn daar geld aan uit te geven. Ik zeg niet dat het goed of slecht is, ik ben geen moraaltheoloog, maar een bankier. Over goed en kwaad laat ik me niet uit, daar heb je de kerk voor. Er is vraag en er is aanbod en dan krijg je economische activiteit. Dat is nooit anders geweest en als je het onderdrukt krijg je een zwarte markt. Oké, dit zijn ongereguleerde markten met vrije jongens als ondernemers. Er gelden andere regels voor de prijsvorming dan in de supermarkt, ze hanteren andere methodes om zakelijke geschillen op te lossen. Daar laat ik me ook niet over uit. Maar het feit is – er rolt geld. De rest is gezever.’

Tessa zwijgt. Orville kijkt haar hooghartig aan. Ze laat de woorden van Orville op haar inwerken. Ze moet toegeven: hij heeft verstand van zaken, maar ze weet dat zijn uiteenzetting van geen kant deugt. Ze wil er niet tegen in gaan, ze heeft zijn kennis nodig. ‘En dan nu de tienduizend-dollar-quizvraag. Hoe passen Eric Pincoffs werkmaatschappijen met de namen van de tien vrouwen van Karel de Grote in jouw verhaal?’ vraagt ze na een lange stilte.

‘Het zijn geen werkmaatschappijen.’

‘Brievenbusmaatschappijen.’

‘Ook niet. Het zijn eigenlijk bankrekeningen. Laat ik het zo zeggen: Eric gebruikt die namen als geheugensteun, zodat hij geen ellenlange reeksen van rekeningnummers hoeft te onthouden. Het zijn de codes die toegang geven tot zijn rekeningen in verschillende belastingvriendelijke jurisdicties in de wereld.’

‘Zoals Guernsey.’

‘Ja. En zoals Sint Maarten.’

‘Dus daarom gaan we naar Sint Maarten!’

Orville kijkt Tessa geamuseerd aan. ‘Ik vroeg me al af hoe lang het zou duren. Is het kwartje eindelijk gevallen?’

 

Als Tessa ’s nachts in haar kooi ligt na haar wacht, kan ze niet slapen. Het is beklemmend warm, door het wijd geopende luik komt geen zuchtje wind. De boot beweegt niet. Er zijn geen vertrouwde geluiden, geen geschaviel van touwen, geen gekraak van de romp, geen golfslag tegen de boeg, geen geschuif van bekers of borden in de keukenkastjes. Het is doodstil.

Ze denkt na over alles wat ze gehoord heeft van Orville. Ze weet dat de bankier het geld beheert voor Eric. Ze moet innerlijk lachen om het woord dat hij gebruikte – ‘wegzetten’. Letterlijk, als ze terugdenkt aan hun bezoek aan de Bailiwick Bank toen Eric zijn zwarte attachékoffertje aan Orville overhandigde en de bankier dat achteloos wegzette in een kluis. En figuurlijk, natuurlijk. Orville schuift Erics geld de wereld over. Naar bankrekeningen met de namen van de tien vrouwen van Karel de Grote.

Daar moet ze achteraan. Ze moet te weten komen waar die rekeningen zich bevinden.

Tessa draait zich op haar zij en trekt het laken over zich heen. Ze wil dat ze in La Gomera is, waar ze vaste grond onder haar voeten heeft en in een café een cappuccino kan drinken en kan internetten, kleren kopen, naar een kapper gaan om haar haar te laten bijknippen.

Net als ze is weggedommeld in haar eerste slaap, hoort ze een stampend, dreunend, monotoon geluid. Even moet ze zich oriënteren, dan weet ze het: de dieselmotor. Meteen is ze klaarwakker. Er gaat een trilling door het schip en ze voelt dat de Joyeuse na drie etmalen stilliggen weer vaart maakt. Ze is verheugd, eindelijk beweging. Door het luik komt een vlaagje wind naar binnen. Dan hoort ze een gealarmeerde stem. Niet weer een schietpartij! denkt ze in paniek.

Haastig trekt ze een shirt aan en komt de kajuit uit. Eric en Bobby staan met verhitte koppen tegenover elkaar in de kuip.

‘Ik heb je gezegd: de motor blijft uit, we wachten tot de wind aantrekt!’ schreeuwt Eric.

‘En ik heb de motor aangezet omdat ik gek word van dagenlang stil liggen!’ schreeuwt Bobby terug.

‘Gek ben je al lang. Zet onmiddellijk de motor af!’

‘Over mijn lijk.’

‘Bobby, dit is een bevel. Ik ben hier de baas!’

‘En ik heb een machinepistool. Ik schiet je zo van boord.’

‘Stop met die onzin, of we hebben een probleem.’

‘Laat de boot varen. Waarvoor heb je anders een motor?’

‘Ik heb besloten dat we de wind afwachten.’

‘Het probleem met jouw krankzinnige besluiten is dat jij de enige bent wiens mening telt. Waarom wil je zonodig stil liggen?’

‘Het gaat je niets aan waarom we stil liggen. En ook niet waarom ik iets besluit. Je hebt mijn orders op te volgen. Er is één schipper aan boord – en dat ben ik.’

‘Er is er ook maar één die jou beschermt tegen ongewenste belagers.’

‘Mister Speedy Gonzales, er is er maar één die iedere maand jouw loon betaalt. En als het je niet bevalt heb ik in de eerstvolgende haven zó een ander.’

Mierda, huevón,’ zegt de Chileen en woedend loopt hij naar zijn hut.

Orville is ondertussen opgestaan van de slaapbank in de kajuit. Hij heeft het hele tafereel geamuseerd gevolgd. ‘Muiterij op de Bounty?’ zegt hij met onverholen ironie in zijn stem.