Een zacht eitje
(Mijn eerste verhaal, 1942)
Ik herinner me er niet veel van, tenminste niet van daarvoor, niet tot het gebeurde.
Er was de tussenlanding op Fouka, waar de Blenheim-jongens heel geschikt waren en ons thee gaven, terwijl onze tanks bijgevuld werden. Ik herinner me hoe stil de Blenheim-jongens waren, hoe ze de mess-tent binnenkwamen om thee te halen en gingen zitten drinken zonder iets te zeggen; hoe ze opstonden en weggingen wanneer ze het op hadden, nog steeds zonder een woord. En ik wist dat ze zich allemaal stuk voor stuk in bedwang hielden omdat het niet bepaald goed ging op dat moment Ze moesten er te vaak op uit en er kwamen maar geen plaatsvervangers.
We bedankten ze voor de thee en gingen naar buiten om te zien of ze klaar waren met het bij tanken van onze Gladiators. Ik herinner me dat er een flinke wind stond, die de windzak recht deed uitstaan, dat het zand om onze benen waaide en tegen de tenten ritselde, en dat de tenten in de wind klapperden als canvasmannen die in hun handen klapten.
“Bommenjongens ongelukkig,” zei Peter.
“Niet ongelukkig,” antwoordde ik.
“Nou, ze hebben de pest in.”
“Nee. Ze zitten erdoorheen, dat is alles. Maar ze zullen het wel volhouden. Je kan zien hoe ze proberen het vol te houden.”
Onze beide oude Gladiators stonden naast elkaar in het zand en de mannen in hun kaki hemden en shorts schenen nog steeds bezig te zijn met tanken. Ik droeg een dun wit katoenen vliegpak en Peter een blauw. Warmere kleren waren niet nodig bij het vliegen. Peter vroeg: “Hoe ver is het?”
“Eenendertig kilometer na Charing Cross,” antwoordde ik, “aan de rechterkant van de weg.” Charing Cross was de plaats waar de weg door de woestijn afsloeg naar Mersah Matruh in het noorden. Het Italiaanse leger lag bij Mersah en het ging ze voor de wind. Dat was zo ongeveer de enige keer dat het de Italianen voor de wind ging, voorzover ik weet. Hun moreel stijgt en daalt als een heel gevoelige hoogtemeter, en op dat moment stond die zeker op twaalfduizend meter, omdat de As-landen overal de overhand hadden. We bleven rondhangen tot ze klaar waren met tanken.
Peter zei: “Het is een zacht eitje.”
“Ja, het lijkt een makkie.”
We gingen uiteen en ik klom in mijn cockpit. Ik ben me altijd het gezicht blijven herinneren van de man die me met mijn riemen hielp. Hij was vrij oud, veertig of zo, en kaal, op een keurig plekje goud haar achter op zijn hoofd na.
Zijn gezicht was helemaal gerimpeld, zijn ogen waren als die van mijn grootmoeder en hij keek alsof hij zijn levenlang riemen had helpen vastmaken van piloten die nooit meer terugkwamen. Hij stond op de vleugel aan mijn riemen te trekken en zei: “Voorzichtig zijn. Je hebt er niets aan niet voorzichtig te zijn.”
“n Zacht eitje,” zei ik.
“Ja, ja!”
“Heus. Het is een makkie. Een zacht eitje.”
Van daarna herinner ik me niet zoveel; ik herinner me alleen wat later gebeurde. Ik neem aan dat we opstegen en naar het westen vlogen in de richting van Mersah. En ik neem aan dat we op zo’n tweehonderdvijftig meter hoogte vlogen. Ik neem aan dat we de zee zagen aan stuurboord en ik neem aan—nee, ik weet zeker dat die blauw was en prachtig, vooral daar waar de golven het strand op rolden en een lange dikke witte lijn vormden naar het oosten en het westen, zover het oog reikte. Ik neem aan dat we over Charing Cross vlogen en de eenendertig kilometer daar voorbij naar de plaats waar ze zeiden dat het moest zijn, maar ik weet het niet. Ik weet alleen dat we in de penarie zaten, en niet zo’n beetje ook. En ik weet dat het, toen we omdraaiden en terugvlogen, nog veel erger werd. Het ergste was nog dat ik te laag zat om te kunnen springen, en op dat moment komt mijn geheugen weer terug. Ik herinner me hoe de neus van mijn toestel naar beneden dook en ik herinner me hoe ik langs de neus van de machine naar de grond keek en een eenzaam bosje doornstruiken zag. Ik herinner me dat ik wat rotsblokken naast het bosje in het zand zag liggen; en de struiken en het zand en de rotsblokken sprongen op van de grond en kwamen op me af. Dat herinner ik me heel duidelijk.
Dan een klein hiaat in mijn herinnering. Het kan een seconde geweest zijn, of dertig seconden, dat weet ik niet. Ik heb zo het idee dat het maar heel even geweest is, een seconde misschien, en daarna hoorde ik een krumf-geluid rechts, toen de tank aan stuurboord in brand vloog, en daarna nog een krumf, toen de bakboordtank hetzelfde deed. Voor mij had dat geen enkele betekenis. Ik zat een tijdje rustig op mijn gemak, maar wel een beetje suffig. Ik kon met mijn ogen niets zien, maar ook dat betekende niets. Er was niets om je zorgen te maken. Helemaal niets. Niet tot ik de hitte aan mijn benen voelde. Eerst was het alleen maar warmte, en dat was ook wel prettig, maar toen plotseling werd het hitte, een verschrikkelijke verschroeiende hitte langs beide kanten van mijn benen.
Ik wist dat die hitte onplezierig was, maar meer ook niet. Ik had er een hekel aan, dus drukte ik mijn benen onder mijn stoel en wachtte. Ik denk dat er iets mis was met de telegraafverbinding tussen het lichaam en de hersenen. Die scheen niet zo best te werken. Op de een of andere manier was er vertraging ontstaan in het overbrengen van de boodschap over de toestand beneden en het vragen om instructies. Maar ik geloof dat er uiteindelijk toch een bericht doorkwam dat luidde: “Hier beneden heerst een flinke hitte. Wat moeten we doen? (Getekend) Linkerbeen en Rechterbeen.” Het antwoord liet op zich wachten. De hersenen waren de zaak aan het overwegen.
Toen, heel langzaam, woord na woord, kwam het antwoord over de lijn: “Het-vliegtuig-staat-in-brand. Ga-er-uit-herhaal-eruit-eruit.” Het bevel werd door het hele systeem uitgezonden, naar alle spieren in de benen, armen en lichaam en de spieren gingen aan het werk. Ze deden hun best, ze trokken een beetje en duwden een beetje en ze spanden zich in, maar het hielp niets. Weer een telegram naar boven: “Komen er niet uit. Iets houdt ons tegen.” Het antwoord hierop bleef nog langer uit, dus zat ik daar op te wachten en intussen werd de hitte steeds groter. Er was iets wat me tegenhield en de hersenen moesten uitzoeken wat dat was. Waren het reuzenhanden die op mijn schouders drukten, of zware stenen of huizen of stoomwalsen of boekenkasten of zwaartekracht of touwen? Wacht eens touwen-touwen.
De boodschap begon door te komen. Het kwam heel langzaam. “Je-riemen. Maak-je-riemen-los.” Mijn armen vingen de boodschap op en gingen aan het werk. Ze trokken aan de riemen, maar die wilden maar niet losgaan. Ze trokken nog eens en nog eens, wel wat zwakjes maar zo hard als ze konden en er gebeurde niets. Terug ging de boodschap: “Hoe maken we die riemen los?”
Dit keer denk ik dat ik wel drie of vier minuten op het antwoord moest wachten. Het had geen zin om je te haasten of ongeduldig te worden. Dat was het enige waar ik zeker van was. Maar wat duurde dat lang. Ik zei hardop: “Verrek, straks verbrand ik nog. Ik…” Maar ik werd onderbroken. Het antwoord kwam eraan—nee toch niet—ja, toch—langzaam kwam het door. “Trek-de-pin-eruit-stomme-idioot-en-vlug-een-beetje.”
De pin ging eruit en de riemen waren los. En nu eruit. Eruit, eruit. Maar ik kon het niet. Ik kon mezelf gewoonweg niet uit de cockpit hijsen. Armen en benen deden hun best maar het ging niet. Een laatste wanhopige boodschap flitste naar boven en dit keer stond er ‘Dringend’ op.
“Iets anders houdt ons nog tegen,” luidde die, “iets anders, iets anders, iets zwaars.”
Nog steeds verzetten armen en benen zich niet. Ze schenen instinctief te weten dat het geen zin had hun krachten te verspillen. Ze bleven rustig wachten op het antwoord en o, wat duurde dat lang. Twintig, dertig, veertig hete seconden. Nog steeds niet witheet, geen gesis of de stank van brandend vlees, maar dat kon nu elk moment komen, want de oude Gladiators zijn niet van geperst staal gemaakt, zoals een Hurricane of een Spitfire. Ze hebben vleugels van strakgespannen canvas, overdekt met een laag uitstekend brandbare vernis en daaronder zitten honderden dunne latjes, van het soort waar je de kachel mee aanmaakt, alleen zijn ze nog droger en dunner. Als een slimme man zou zeggen: “Ik ga een groot ding maken dat beter en vlugger brandt dan wat ook ter wereld,” en als hij zich dan met grote ijver op zijn taak toelegde, dan zou hij waarschijnlijk iets maken wat veel van een Gladiator weg had. Ik zat nog steeds te wachten.
Dan plotseling het antwoord, heerlijk kort, maar tegelijkertijd alles verklarend: “Je-parachutegesp-los-draaien.”
Ik draaide de gesp los, ontdeed mij van de banden, hees mij met enige moeite omhoog en duikelde over de rand van de cockpit. Er scheen iets te branden, dus rolde ik een beetje heen en weer in het zand en kroop daarna op handen en knieën weg van het vuur, en bleef liggen.
Ik hoorde ammunitie van mijn machinegeweer afgaan in de hitte en ik hoorde een paar van de kogels vlak naast me in het zand neerkomen. Niet dat ik me daar zorgen over maakte. Ik hoorde het alleen.
Nu begonnen allerlei dingen pijn te doen.
Mijn gezicht deed het meeste pijn. Er was iets mis met mijn gezicht. Er was iets mee gebeurd. Langzaam voelde ik met mijn hand. Het kleefde. Mijn neus scheen er niet meer te zitten. Ik probeerde aan mijn tanden te voelen, maar ik herinner me niet of ik nog tot de een of andere conclusie ben gekomen over mijn tanden. Ik denk dat ik wegsufte.
Plotseling was Peter er. Ik hoorde zijn stem en ik hoorde hem ronddansen en schreeuwen als een gek en mijn hand schudden en zeggen: “Jezus, ik dacht dat je er nog inzat. Ik ben een kilometer verderop neergekomen en ik heb me ‘t lazerus gerend. Ben je in orde?”
Ik zei; “Peter, wat is er met mijn neus gebeurd?”
Ik hoorde hem een lucifer aanstrijken in het donker. De nacht valt snel in de woestijn. Het bleef stil.
“Eigenlijk lijkt er niet zoveel van over te zijn,” zei hij. “Doet het pijn?”
“Doe niet zo stom, natuurlijk doet het pijn.”
Hij zei dat hij naar zijn toestel terugging om wat morfine te halen uit zijn EHBO-doos, maar hij kwam alweer gauw terug en zei dat hij in het donker zijn toestel niet kon vinden.
“Peter,” zei ik, “ik kan niks zien.”
“Het is nacht,” antwoordde hij. “Ik kan ook niks zien.”
Het was nu koud geworden. Het was ijzig koud en Peter ging tegen me aan liggen, zodat we het allebei warmer zouden hebben. Zo nu en dan zei hij: “Ik heb nog nooit eerder een man zonder neus gezien.” Ik bleef maar steeds bloed uitspugen en elke keer dat ik dat deed, streek Peter een lucifer aan. Een keer gaf hij me een sigaret, maar die werd nat en smaakte me trouwens toch niet.
Ik weet niet hoe lang we daar bleven en ik herinner me verder nog maar heel weinig. Ik herinner me dat ik steeds maar tegen Peter zei, dat er een doosje hoesttabletten in mijn zak zat en dat hij er eentje moest nemen, omdat hij anders ook mijn keelpijn zou krijgen. Ik herinner me, dat ik hem vroeg waar we waren en dat hij zei: “We zitten tussen de legers in.” En dan herinner ik me stemmen, van een Engelse patrouille, die vroegen of we Italianen waren. Peter zei iets tegen me; ik weet niet meer wat.
Later herinner ik me hete, dikke soep en dat ik van een lepel al misselijk werd. En de hele tijd het prettige gevoel dat Peter er was, fantastisch was, en fantastische dingen deed en nooit wegging. Dat is alles wat ik me kan herinneren.
De mannen stonden naast het vliegtuig druk te schilderen en over de hitte te klagen.
“Plaatjes schilderen op het vliegtuig,” zei ik.
“Ja,” zei Peter. “Een prima idee. Subtiel, dat is het.”
“Waarom?” vroeg ik. “Vertel me dat es.”
“Het zijn moppen,” zei hij. “De Duitse piloten zullen allemaal in de lach schieten wanneer ze ze zien; ze zullen allemaal in de lach schieten wanneer ze ze zien; ze zullen zo hard schudden van het lachen, dat ze niet meer raak kunnen schieten.”
“O, larie, larie, larie.”
“Helemaal niet, het is een goed idee. Prima. Kom maar es kijken.”
We renden naar de rij vliegtuigen. “Huppele, huppele, huppelakee,” zei Peter. “Huppel dan mee, huppele, huppele, huppelakee.”
“Huppele, huppele, huppelakee,” zei ik en zo huppelden en dansten we erheen.
De man die het eerste vliegtuig beschilderde had een strohoed op zijn hoofd en een droevig gezicht. Hij schilderde een tekening uit een weekblad na, en toen Peter het zag, zei hij: “Jeminee moet je die tekening zien.” En hij begon te lachen. Zijn lach begon met gegrinnik en groeide snel uit tot geschater en hij sloeg met beide handen tegelijk op zijn dijen en lachte maar door, dubbelgevouwen met zijn mond wijdopen en zijn ogen dicht. Zijn hoge hoed viel van zijn hoofd op het zand.
“Het is helemaal niet grappig,” zei ik.
“Niet grappig!” riep hij. “Wat zegje me nou, niet grappig? Kijk dan naar mij, kijk dan hoe ik moet lachen. Als ik zo moet lachen, kan ik toch zeker niet raak schieten. Ik zou nog geen hooiwagen of huis kunnen raken.” En hij sprong rond over het zand, gierend en schuddend van het lachen. Toen greep hij me bij mijn arm en dansten we naar het volgende vliegtuig. “Huppele, huppele, huppelakee.”
Daar stond een mannetje met een verschrompeld gezicht een lang verhaal op de romp te schrijven met rood krijt. Zijn strohoed wiebelde achter op zijn hoofd en zijn gezicht glom van het zweet.
“Goeiemorgen,” zei hij. “Goeiemorgen, goeiemorgen,” en hij nam zijn hoed af met een elegante zwaai.
Peter zei: “Hou je mond,” boog voorover en las wat het mannetje geschreven had. De hele tijd sputterde en grinnikte hij van plezier en onder het lezen begon hij weer opnieuw te schateren. Hij zwaaide heen en weer, danste rond over het zand, kletste op zijn dijen en sloeg dubbel van het lachen. “O jee, wat een mop, wat een mop. Kijk toch eens naar me. Kijk eens hoe ik moet lachen,” en hij hupte op zijn tenen, schudde met zijn hoofd en giechelde als een gek. Toen plotseling snapte ik de mop en begon mee te lachen. Ik lachte zo hard dat mijn maag pijn deed en ik op de grond viel en over het zand rolde en schaterde en schaterde omdat het zo grappig was, dat ik niet anders kon.
“Peter, je bent fantastisch!” schreeuwde ik. “Maar kunnen al die Duitse piloten wel Engels lezen?”
“O, verdorie,” zei hij. “O, verdorie. Stop!” schreeuwde hij. “Ophouden!” En alle schilders hielden op met schilderen, draaiden zich langzaam om en keken naar Peter. Ze deden een paar huppelpasjes op hun tenen en begonnen in koor te zingen: “Op de vleugels schilderen wij grappen, moppen, zotternij.”
“Stil jullie,” zei Peter. “We zitten in de penarie. Kalm blijven. Waar is mijn hoge hoed?”
“Wat?” zei ik.
“Jij kunt Duits spreken,” zei hij. “Jij moet het voor ons vertalen. Hij zal het voor jullie vertalen,” schreeuwde hij de schilders toe. “Hij vertaalt het wel.”
Toen zag ik zijn zwarte hoge hoed in het zand liggen.
Ik keek de andere kant op, daarna keek ik om en zag ik ‘m weer. Het was een hoge zijden en hij lag op zijn kant in het zand.
“Je bent gek,” schreeuwde ik. “Je bent hartstikke gek. Je weet niet wat je doet. Je zult onze dood zijn. Je bent helemaal getikt, weet je dat? Grote hemel, je bent krankzinnig!”
“Lieve help, wat maak je een lawaai. Je moet niet zo schreeuwen; dat is niet goed voor je.” Het was een vrouwenstem. “Je bent helemaal verhit,” zei ze en ik voelde dat iemand mijn voorhoofd afveegde met een zakdoek. “Je moet je niet zo opwinden.”
Toen was ze weg en ik zag nog alleen maar de lucht, die bleekblauw was. Er waren geen wolken en overal om me heen waren Duitse jagers. Ze waren boven me en onder me en aan alle kanten en ik kon geen kant uit; er was niets wat ik kon doen. Om de beurt kwamen ze me aanvallen en ze vlogen zorgeloos rond, duikend en glijdend en dansend in de lucht. Maar ik was niet bang, vanwege de moppen op mijn vleugels. Ik was vol zelfvertrouwen en ik dacht: ik ga in mijn eentje tegen honderd van hen en ik schiet ze allemaal neer. Ik schiet ze neer, terwijl ze lachen, dat zal ik doen.
Toen kwamen ze dichterbij. De hele lucht zat er vol mee. Het waren er zoveel, dat ik niet wist welke ik in de gaten moest houden en welke ik moest aanvallen. Het waren er zo veel dat ze een zwart gordijn over de lucht vormden en alleen zo hier en daar zag ik er nog een beetje blauw doorheen. Maar er was nog genoeg blauw over. En daar ging het maar om. Zolang er nog maar net genoeg was, was alles in orde.
Ze kwamen nog dichterbij vliegen. Steeds dichter en dichterbij, vlak voor mijn gezicht, zodat ik nog alleen de zwarte hakenkruizen zag, die fel afgetekend stonden tegen de kleur van de Messerschmitts en tegen het blauw van de lucht; en toen ik mijn hoofd snel van de ene naar de andere kant zwaaide, zag ik nog meer vliegtuigen en hakenkruizen, en toen zag ik niets meer behalve de armen van de hakenkruizen en het blauw van de lucht. De armen hadden handen en ze grepen elkaar vast, vormden een kring en dansten om mijn Gladiator heen, terwijl de motoren van de Messerschmitts erbij zongen met hun zware stemmen. Ze deden ‘Joepie, Joepie’ en steeds kwam er een in het midden en viel aan, en daardoor wist ik dat het ‘Joepie, Joepie’ was. Ze doken en draaiden en dansten op hun tenen en wiegden van de ene kant naar de andere. “Joepie, Joepie is gekomen, heeft mijn meisje weggehaald,” zongen de motoren.
Maar ik was nog steeds vol zelfvertrouwen. Ik kon beter dansen dan zij en ik koos een mooier meisje. Ze was het allermooiste meisje van de wereld. Ik keek naar beneden en zag de welving van haar hals en de zachte, bleke schouders en ik zag haar slanke armen zich verlangend uitstrekken naar mij.
Plotseling zag ik kogelgaten in mijn stuurboordvleugel en ik werd kwaad en bang tegelijkertijd, maar voornamelijk kwaad. Toen kreeg ik mijn zelfvertrouwen weer terug en ik zei: “De Duitser die dat heeft gedaan, had geen gevoel voor humor. Er is altijd wel een man bij die geen gevoel voor humor heeft, maar er is niets om je zorgen over te maken, helemaal niets om je zorgen over te maken.”
Toen zag ik nog meer kogelgaten en werd ik bang. Ik schoof de kap van de cockpit open, stond op en schreeuwde: “Idioten, kijk dan naar de moppen. Kijk naar die op mijn staart, kijk naar die op mijn romp. Kijk dan toch naar de grap op mijn romp.”
Maar ze bleven komen. Steeds weer kwam er een in het midden van de kring op me schieten. En de motoren van de Messerschmitts zongen luidkeels. “Maar ik zal er niet om treuren, gauw een ander weer gehaald,” zongen de motoren en de zwarte hakenkruizen dansten en zwaaiden op de maat van de muziek. Er zaten nog meer gaten in mijn vleugels, mijn motorkap en in de cockpit.
Toen plotseling zaten er ook een paar in mijn lichaam.
Maar pijn deed het niet, ook niet toen ik als een tol omlaag begon te wentelen en de vleugels van mijn vliegtuig flap, flap, flap, steeds sneller en sneller rondflapten, en de blauwe lucht en de zwarte zee rond en rondjoegen tot er geen lucht en geen zee meer was, maar alleen nog het flitsen van de zon, terwijl ik rondtolde.
Maar de zwarte hakenkruizen volgden mij naar beneden, nog steeds dansten ze hand in hand en nog steeds hoorde ik het zingen van hun motoren.
“Gauw een ander weer gehaald. Tra-la-la-la-la, tra-la-la-la-la, tra-la-la-la-la, tra-la-la-la-la…” zongen de motoren.
Nog steeds flap, flap, flap, flap, flapten mijn vleugels en was er geen lucht en geen zee om me heen, alleen maar zon.
Toen was er nog alleen maar zee. Ik zag ‘m onder me en ik zag de witte paarden en ik zei tegen mezelf: “Dat zijn witte paarden, die over een wilde zee rijden.” Toen wist ik dat mijn hersens goed werkten vanwege de witte paarden en vanwege de zee.
Ik wist dat ik niet zoveel tijd had, omdat de zee en de witte paarden steeds dichterbij kwamen. De witte paarden werden steeds groter en de zee zag eruit als een zee en als water en niet meer als een gladde spiegel. Toen was er nog maar één enkel wit paard, dat wild vooruit stormde met zijn bit tussen de tanden en schuim om zijn bek, dat de druppels deed rondstuiven met zijn hoeven en zijn hals strekte bij het rennen. Wild galoppeerde hij over de zee, op hol geslagen, zonder ruiter en ik wist dat we neer zouden storten.
Daarna was het warmer en waren er geen zwarte hakenkruizen en was er geen lucht. Maar het was alleen maar warm omdat het niet heet en niet koud was. Ik zat in een grote rode leunstoel van fluweel en het was avond. Er stond een flinke wind van achteren.
“Waar ben ik?” vroeg ik.
“Je bent vermist. Je bent vermist, waarschijnlijk omgekomen.”
“Dan moet ik mijn moeder waarschuwen.”
“Gaat niet. Die telefoon kun je niet gebruiken.”
“Waarom niet?”
“Die gaat alleen naar God.”
“Wat zei je ook weer dat ik was?”
“Vermist, waarschijnlijk omgekomen.”
“Dat is niet waar. Dat is een leugen, dat is een smerige leugen, want ik ben hier en niet vermist. Je probeert me alleen maar bang te maken, en dat lukt je toch niet. Dat lukt je niet, zeg ik je, omdat ik weet dat het een leugen is en ik naar mijn squadron terugga. Je kunt me niet tegenhouden, want ik ga toch. Ik ga toch. Ik ga toch, hoor je, ik ga toch.”
Ik stond op uit de rode stoel en begon te rennen.
“Geef me die röntgenfoto’s nog eens aan, zuster.”
“Alstublieft, dokter.” Dat was weer die vrouwenstem en nu kwam die dichterbij.
“Je hebt vannacht lawaai gemaakt, is het niet? Ik zal je kussen eens goed leggen. Je gooit hem er bijna af.” De stem kwam van vlakbij en was heel zacht en vriendelijk.
“Ben ik vermist?”
“Nee natuurlijk niet, alles is prima.”
“Ze zeiden dat ik vermist was.”
“Wat een onzin; alles is prima.”
O, allemaal onzin, onzin, onzin, maar het was zo’n prachtige dag en ik wilde niet rennen maar ik kon niet ophouden. Ik bleef maar doorrennen over het gras en ik kon niet stilstaan, omdat mijn benen mij droegen en ik geen controle over ze had. Het was alsof ze niet bij me noorden, hoewel ik zag dat ze van mij waren wanneer ik omlaag keek, en dat de schoenen aan de voeten van mij waren en dat de benen aan mijn lichaam vastzaten. Maar ze deden niet wat ik wilde; ze gingen gewoon door met rennen over de weide en ik moest wel met ze mee. Ik rende en rende en rende, en hoewel de weide hier en daar hobbelig was, struikelde ik geen enkele keer. Ik rende langs bomen en heggen en in een wei stonden een paar schapen, die ophielden met grazen en wegholden toen ik langs rende. Een keer zag ik mijn moeder voorovergebogen, met een bleekgrijze jurk aan paddestoelen plukken, en toen ik langs rende, keek ze op en zei: “Mijn mand is bijna vol, zullen we maar naar huis gaan?” Maar mijn benen wilden niet stilstaan en ik moest wel doorgaan. Toen zag ik een rots en ik zag hoe donker het was daarachter. Daar was die grote rots en daarna was er niets dan duisternis, hoewel de zon scheen op de weide waar ik doorheen rende. Het licht van de zon hield ineens op bij de rand van de rots en daarachter was alleen maar duisternis. Dat moet zijn waar de nacht begint, dacht ik, en weer probeerde ik stil te staan, maar het ging niet. Mijn benen begonnen nog sneller naar de rotsrand te rennen met nog grotere, langere passen, en ik stak mijn hand omlaag en probeerde ze vast te grijpen, maar dat lukte niet. Toen probeerde ik me te laten vallen. Maar mijn benen waren zo lenig als wat en elke keer dat ik me liet vallen, kwam ik weer op mijn tenen neer en rende verder.
Nu waren de rotsrand en de duisternis veel dichterbij en ik zag wel dat ik, als ik mezelf niet snel tegenhield, over de rand zou gaan. Nog eens probeerde ik mezelf op de grond te gooien en weer kwam ik op mijn benen terecht en rende door.
Ik had een flinke vaart toen ik bij de rand kwam en ik ging pardoes eroverheen en begon te vallen.
Eerst was het niet helemaal donker. Ik kon kleine boompjes tegen de rotswand aan zien groeien en ik greep ernaar met mijn handen onder het vallen. Verschillende keren slaagde ik erin een tak te grijpen, maar die brak altijd meteen af omdat ik zo zwaar was en omdat ik zo snel viel. En een keer kreeg ik een dikke tak met twee handen te pakken en de boom boog voorover en een voor een hoorde ik de wortels knappen, tot hij helemaal losliet en ik weer doorging met vallen. Toen werd het donkerder, omdat de zon en het daglicht ver weg in de weiden, boven op de rots waren achtergebleven, en onder het vallen hield ik mijn ogen open en zag het duister van grijs-zwart in zwart veranderen, van zwart in pikzwart, van pikzwart in zuiver vloeibaar zwart dat ik met mijn handen aan kon raken maar niet kon zien. Maar ik viel door en het was zo zwart, dat er nergens iets was en het geen enkele zin had om iets te doen of ergens om te geven of over na te denken, vanwege het zwart en vanwege het vallen. Het had totaal geen zin.
“Je bent beter vanmorgen. Je bent een stuk beter.” Het was de vrouwenstem weer.
“Hallo.”
“Hallo, we dachten al dat je nooit meer bij bewustzijn zou komen.”
“Waar ben ik?”
“In Alexandrië, in het ziekenhuis.”
“Hoelang ben ik hier al?”
“Vier dagen.”
“Hoe laat is het?”
“Zeven uur’s morgens.”
“Waarom zie ik niets?”
Ik hoorde haar een paar stappen dichterbij komen.
“O, we hebben alleen een verband om je ogen gedaan voor een poosje.”
“Voor hoelang?”
“Voor een tijdje. Maak je geen zorgen, het gaat prima. Je hebt een hoop geluk gehad, weet je dat?”
Ik tastte naar mijn gezicht met mijn vingers, maar ik voelde het niet. Ik voelde alleen andere dingen.
“Wat is er met mijn gezicht?”
Ik hoorde haar bij mijn bed komen en voelde haar hand op mijn schouder.
“Je moet niet meer praten. Je mag nog niet praten. Dat is slecht voor je. Rustig blijven liggen en je geen zorgen maken. Het gaat uitstekend met je.”
Ik hoorde het geluid van haar voetstappen over de vloer en ik hoorde haar de deur open en weer dicht doen.
“Zuster,” zei ik. “Zuster.”
Maar ze was weg.
EINDE