De lifter

Ik had een nieuwe auto. Het was een opwindend stuk speelgoed, een grote BMW 3,3 l (dat betekent 3,3 liter) met brede wielbasis en injectiemotor. Hij had een topsnelheid van tweehonderd kilometer per uur en een geweldig snelle acceleratie. De carrosserie was bleekblauw. De stoelen binnenin waren donkerder blauw en bekleed met leer, echt zacht leer van de beste kwaliteit. De ramen gingen elektrisch open en dicht en het dak ook. De radioantenne schoot naar boven wanneer ik de radio aanzette en verdween weer wanneer ik ‘m uitzette. De machtige motor gromde en grauwde ongeduldig bij lage snelheden, maar zo tegen de honderd kilometer per uur hield het grommen op en begon de motor te snorren van plezier.

Ik reed in m’n eentje naar Londen. Het was een prachtige junidag. In de weilanden werd gehooid en er bloeiden boterbloemen aan beide kanten van de weg. Ik zoefde voorbij met een snelheid van honderdtwintig kilometer per uur, gemakkelijk achterover geleund in mijn stoel, met niet meer dan een paar vingers lichtjes op het stuur om hem recht te houden. Voor mij zag ik een man met zijn duim om een lift vragen. Ik remde en bracht de auto naast hem tot stilstand. Ik stopte altijd voor lifters. Ik wist precies hoe je je voelde wanneer je daar langs een landweg stond en de auto’s voorbij zag rijden. Ik haatte de bestuurders die net deden of ze me niet zagen, vooral die in de grote sleeën met drie lege stoelen. De grote, dure wagens stopten zelden of nooit. Het waren altijd de kleintjes die je een lift aanboden, of die al stikvol met kinderen zaten maar waarvan de bestuurder toch zei: “Ik denk dat er nog wel eentje bij kan.”

De lifter stak zijn hoofd door het raampje en vroeg: “Gaat u naar Londen, baas?”

“Ja,” zei ik. “Spring er maar in.”

Hij stapte in en ik reed door.

Het was een kleine man met een ratachtig gezicht en grijze tanden. Zijn ogen waren donker, snel en slim, zoals de ogen van een rat, en zijn oren liepen een beetje puntig toe. Hij had een pet op zijn hoofd en droeg een grijzig jasje met enorme zakken. Het grijze jasje plus de snelle ogen en de puntige oren maakten dat hij echt het meest op een reusachtige menselijke rat leek.

“In welk deel van Londen moet je zijn?” vroeg ik.

“Ik ga dwars door Londen heen en aan de andere kant er weer uit,” zei hij. “Ik ga naar de paardenrennen in Epsom. Daar wordt vandaag de Derby gelopen.”

“Ja, dat is waar ook,” zei ik. “Ik wou dat ik met je mee kon. Ik ben dol op wedden op paarden.”

“Ik wed nooit op paarden,” zei hij. “Ik kijk niet eens naar de races. Dat is allemaal maar flauwekul.”

“Waarom ga je er dan heen?” vroeg ik.

Die vraag scheen hem niet te bevallen. De uitdrukking op zijn kleine ratachtige gezicht werd nietszeggend en hij bleef zwijgend voor zich uit op de weg zitten staren.

“Dan bedien je zeker die machines waar je weddenschappen bij af kunt sluiten of zoiets,” zei ik.

“Dat is helemaal stomme onzin,” antwoordde hij. “Wat is daar nou aan, aan het werken met die rotmachines en kaartjes verkopen aan idioten. Iedere onnozele hals kan dat werk doen.”

Er viel een lange stilte. Ik besloot hem niet verder uit te horen. Ik herinnerde me hoe nijdig ik altijd werd in de tijd dat ik ook nog liftte, wanneer bestuurders my steeds maar vragen bleven stellen. Waar ga je heen? Wat ga je daar doen? Wat voor werk doe je? Ben je getrouwd? Heb je een meisje? Hoe heet ze? Hoe oud ben je? Enzovoorts, enzovoorts. Ik had daar altijd vreselijk de pest aan gehad.

“Neem me niet kwalijk,” zei ik. “Het gaat me niks aan wat je daar doet. Het is alleen maar dat ik schrijver ben en de meeste schrijvers zijn verschrikkelijk nieuwsgierig.”

“Schrijft u boeken?” vroeg hij.

“Ja.”

“Boeken schrijven is prima,” zei hij. “Dat is wat ik noem een echt gespecialiseerd vak. Ik heb ook een echt gespecialiseerd vak. De mensen aan wie ik een hekel heb, zijn mensen die hun hele leven lang stom routinewerk doen, waar geen enkel vakmanschap voor nodig is. Voelt u ‘m?”

“Jawel.”

“Het geheim van het leven,” zei hij, “is heel erg goed te worden in iets wat heel erg moeilijk is.”

“Zoals jij,”zei ik.

“Precies zoals u en ik allebei.”

“Wat geeft je het idee dat ik een goed vakman ben?” vroeg ik. “Er lopen massa’s slechte schrijvers rond.”

“U zou nooit in een wagen als deze rondrijden als u geen goed vakman was,” antwoordde hij. “Die moet een lieve duit gekost hebben!”

“Goedkoop was-ie niet.”

“Hoeveel doet-ie op z’n hardst?”

“Tweehonderd kilometer per uur,” vertelde ik hem.

“Wedden dat ie dat niet haalt!”

“Wedden van wel?”

“Alle autofabrikanten liegen,” zei hij. “Je kunt elke auto kopen die je maar wilt, maar denk maar niet dat hij doet wat ze in de advertenties zeggen.”

“Deze wel.”

“Geef dan maar es vol gas en bewijs het,” zei hij. “Vooruit dan, baas, geef gas en laat maar es zien wat ie ervan bakt.”

Er is een rotonde bij Chalfont St. Peter en meteen daarna een heel stuk rechte vierbaansweg. We kwamen van de rotonde op de vierbaansweg en ik gaf plankgas. De grote wagen sprong weg als door een wesp gestoken. In tien seconden of zo deden we honderdveertig.

“Prachtig!” riep hij. “Schitterend. Ga zo door!”

Ik had het gaspedaal tegen de vloer gedrukt en hield ‘m daar.

“Honderdvijftig…!” schreeuwde hij. “Honderdzestig…! Honderdzeventig! Ga zo door. Niet ophouden!”

Ik zat op de inhaalstrook en we flitsten allerlei auto’s voorbij die wel stil leken te staan: een groene mini, een grote crèmekleurige Citroen, een witte landrover, een reusachtige truck met oplegger, een oranje Volkswagenbusje…

“Honderdtachtig!” schreeuwde mijn passagier op zijn stoel wippend. “Toe dan! Toe dan! Op naar de tweehonderd!”

Op dat moment hoorde ik het gekrijs van een politiesirene. Het klonk zo hard dat het binnen in de auto scheen te galmen, en toen doemde een politieagent op een motorfiets rechts naast ons op, passeerde ons en gaf een stopteken met zijn hand.

“O, hemeltjelief!” zei ik. “Nu zullen we het hebben!”

De politieagent moet meer dan tweehonderd gereden hebben om ons te passeren en hij nam ruim de tijd om af te remmen. Uiteindelijk stond hij stil aan de kant van de weg en ik stopte achter hem. “Ik wist niet dat politiemotoren zo hard konden rijden,” zei ik nogal tam.

“Die wel,” zei mijn passagier. “Het is hetzelfde merk als de uwe. Het is een BMW R90S. Snelste motor die er is. Die gebruiken ze tegenwoordig allemaal.”

De politieagent stapte van zijn motorfiets en liet hem opzij op zijn standaard leunen. Toen deed hij zijn handschoenen uit en legde ze zorgvuldig op het zadel. Hij had nu geen haast meer. Hij had ons waar hij ons hebben wilde, en dat wist hij.

“Dit keer zijn we er gloeiend bij,” zei ik. “Het bevalt me niks.”

“Niet meer zeggen dan absoluut noodzakelijk is, hoort u,” zei mijn metgezel. “Gewoon zitten blijven en tanden op elkaar.”

Als de beul die zijn slachtoffer komt halen, kwam de politieagent langzaam op ons toe gewandeld. Het was een grote, vlezige man met een buik en zijn blauwe broek zat strak om zijn enorme dijen gespannen. Hij had zijn motorbril op zijn helm gezet en toonde nu een rood smeulend gezicht met brede wangen.

Daar zaten we als schuldige schooljongetjes te wachten op zijn komst.

“Kijk uit voor die man,” fluisterde mijn passagier. “Hij ziet er ingemeen uit.”

De politieagent liep rond de auto naar mijn open raampje en legde een vlezige hand op de rand. “Waarom zo’n haast?” vroeg hij.

“Geen haast, agent,” antwoordde ik.

“Zit er misschien een zwangere vrouw achterin die onmiddellijk naar het ziekenhuis moet om haar baby te krijgen? Is dat ‘t?”

“Nee, agent.”

“Of staat uw huis in brand en racet u nu naar huis om uw gezin te redden?” Zijn stem klonk gevaarlijk zacht en spottend.

“Mijn huis staat niet in brand, agent.”

“In dat geval,” zei hij, “hebt u zich aardig in de nesten gewerkt, hè? Weet u wat de maximum snelheid is in dit land?”

“Honderd,” zei ik.

“En wilt u nu ook zo goed zijn mij precies te vertellen hoe hard u daarnet reed?”

Ik haalde mijn schouders op en zei niets.

Toen hij weer begon te praten deed hij dat zo hard, dat ik bijna uit mijn stoel vloog. “Honderdtachtigkilometer per uur!” blafte hij. “Dat is tachtig kilometer per uur boven het maximum!”

Hij draaide zijn hoofd af en spuugde een grote rochel uit. Die kwam neer op de zijkant van mijn auto en gleed omlaag over mijn prachtige blauwe lak. Toen draaide hij zich weer naar ons toe en staarde strak naar mijn passagier. “En wie bent u?” vroeg hij scherp.

“Dat is een lifter,” zei ik. “Ik heb hem een lift gegeven.”

“Ik vroeg u niks,” zei hij. “Ik vroeg het aan hem.”

“Heb ik soms iets verkeerds gedaan?” vroeg mijn passagier. Zijn stem klonk glad en glibberig als brillantine.

“Vast wel,” antwoordde de agent. “Maar hoe dan ook, u bent een getuige. Ik zal me zo wel met u bezighouden. Rijbewijs,” snauwde hij en stak zijn hand uit.

Ik gaf hem mijn rijbewijs.

Hij knoopte het linkerborstzakje van zijn uniform los en haalde het gevreesde bonboekje te voorschijn. Zorgvuldig nam hij mijn naam en adres van het rijbewijs over. Daarna gaf hij het aan mij terug. Hij stapte naar de voorkant van mijn auto, las het nummer van het nummerbord op en noteerde ook dat. Hij vulde de datum, de tijd en alle bijzonderheden van mijn overtreding in. Toen scheurde hij het bovenste stuk van de bon. Maar voor hij mij die overhandigde keek hij na of alles wel goed was doorgekomen op zijn eigen carbonkopie. Ten slotte deed hij het boekje weer in zijn borstzak en deed de knoop dicht.

“Nu jij,” zei hij tegen mijn passagier, en liep naar de andere kant van de auto. Uit zijn andere borstzakje haalde hij een zwart notitieboekje. “Naam?” snauwde hij.

“Michiel Vis,” zei mijn passagier.

“Adres?”

“Windsorlaan 14, Luton.”

“Laat maar es wat zien om te bewijzen dat dat je echte naam en adres is,” zei de agent.

Mijn passagier doorzocht zijn zakken en haalde zijn eigen rijbewijs te voorschijn. De politieagent controleerde de naam en het adres en gaf het weer aan hem terug. “Wat voor beroep?” vroeg hij scherp.

“Ik ben opperman.”

“Wflt?”

“Opperman.”

“En wat mag dat wel wezen?”

“Een opperman is degene die het cement en de stenen naar boven brengt op de steiger naar de metselaar. Voor het cement heb je twee houten plankjes nodig die niet helemaal haaks op elkaar…”

“Ja, ja, zo is het wel genoeg. Wie is je werkgever?”

“Heb ik niet. Ik ben werkloos.”

De politieagent schreef dat allemaal op in zijn zwarte notitieboekje. Toen deed hij het terug in zijn zakje en deed de knoop dicht.

“Als ik weer op het bureau ben zal ik jou es even natrekken,” zei hij tegen mijn passagier.

“Mij? Wat heb ik voor verkeerds gedaan?” vroeg het ratachtige mannetje.

“Jouw gezicht bevalt me niet, dat is alles,” zei de politieagent. “En het zou me niks verbazen als we daar ergens een plaatje van hadden in onze archieven.” Hij stapte om de auto heen terug naar mijn raampje.

“Ik neem aan dat u weet dat u in ernstige moeilijkheden zit,” zei hij tegen mij.

“Ja agent.”

“U zult een heel erg lange tijd niet meer in deze luxe slee rijden, als wij met u klaar zijn. U zult trouwens in geen enkele auto meer rijden voor een paar jaar. En dat is maar goed ook. Ik hoop dat ze er een poosje achter slot en grendel bij doen.”

“Gevangenisstraf, bedoelt u?” vroeg ik geschrokken.

“Nou en of,” zei hij smakkend met zijn lippen. “In de bajes. In de nor. Bij alle andere misdadigers die de wet overtreden. En nog een malse boete op de koop toe. Niemand zal daar meer plezier aan beleven dan ik. Ik zie jullie nog wel voor de rechter, jullie allebei. Jullie krijgen wel een oproep om te verschijnen.”

Hij draaide zich om en liep naar zijn motorfiets. Met zijn voet wipte hij de standaard weer in en zwaaide zijn been over het zadel. Daarna trapte hij op de starter en raasde weg uit het gezicht.

“Oeioei!” hijgde ik. “Is me dat even wat!”

“We zijn erbij,” zei mijn passagier. “We zijn er gloeiend bij.”

“Ik ben erbij, bedoel je.”

“Ja dat is zo,” zei hij. “Wat gaat u nu doen baas?”

“Ik ga regelrecht naar Londen naar mijn advocaat,” zei ik. Ik startte de auto en reed verder.

“U moet niet geloven wat hij over de gevangenis zei,” zei mijn passagier. “Ze bergen niemand op voor alleen maar te hard rijden.”

“Weet je dat zeker?” vroeg ik.

“Heel zeker,” antwoordde hij. “Ze kunnen u uw rijbewijs afnemen en een enorme boete geven, maar daar houdt ‘t mee op.”

Ik voelde me geweldig opgelucht.

“Tussen twee haakjes,” zei ik. “Waarom loog je tegen hem?”

“Wie, ik?” vroeg hij. “Hoe komt u daar zo bij?”

“Je zei tegen hem dat je een werkloze opperman was. Maar mij had je verteld dat je een hoog gespecialiseerd vakman was.”

“Ben ik ook,” zei hij. “Maar je kan maar beter niet alles aan een smeris vertellen.”

“Wat doe je dan wel?” vroeg ik hem.

“Aha,” zei hij sluw. “Dat zou u wel eens willen weten, hè?”

“Is het soms iets waar je je voor schaamt?”

“Schamen?” riep hij. “Ik me schamen voor m’n werk? Ik ben er trotser op dan wie dan ook in de hele wereld!”

“Waarom wil je het me dan niet vertellen?”

“Jullie schrijvers zijn echt verschrikkelijk nieuwsgierig, hè?” zei hij. “En u zult niet eerder tevreden zijn, denk ik zo, voor u het antwoord op uw vraag hebt gekregen, hè?”

“Ach het kan me eigenlijk helemaal niet zoveel schelen,” loog ik.

Hij wierp me een slimme ratachtige blik toe vanuit zijn ooghoeken. “Ik denk dat het u wel kan schelen,” zei hij. “Ik kan aan uw gezicht zien, dat u denkt dat ik een heel eigenaardig vak heb en dat u dolgraag wilt weten wat het is.”

De manier waarop hij mijn gedachten las beviel me maar matig. Ik zei niets en hield mijn ogen op de weg voor me gericht.

“U hebt nog gelijk ook,” ging hij verder. “Ik heb een heel eigenaardig beroep. Ik heb het vreemdste en eigenaardigste vak dat er bestaat.”

Ik wachtte op wat hij verder zou zeggen.

“Daarom moet ik extra voorzichtig zijn tegen wie ik praat, ziet u. Hoe weet ik bijvoorbeeld dat u niet ook een smeris bent, in burger?”

“Zie ik eruit als een smeris?”

“Nee,” zei hij. “Dat doet u niet. Dat bent u ook niet. Dat zou de grootste stommeling nog wel weten.”

Hij haalde een pakje shag uit zijn zak en een pakje vloeitjes en begon een sigaret te rollen. Ik keek naar hem vanuit een ooghoek en de snelheid waarmee hij dat niet zo gemakkelijke karweitje verrichtte was ongelooflijk. De sigaret was gerold en klaar in niet meer dan vijf seconden. Hij likte langs de rand van het papiertje, plakte het vast en stak de sigaret tussen zijn lippen. Toen verscheen uit het niets, naar het leek, een aansteker in zijn hand. De aansteker vlamde op. De sigaret brandde. De aansteker verdween. Het was alles bij elkaar een heel opmerkelijk schouwspel.

“Ik heb nog nooit iemand zo vlug een sigaret zien rollen,” zei ik.

“Aha,” zei hij en inhaleerde diep. “Dus dat viel u wel op.”

“Natuurlijk viel me dat op. Het was fantastisch.”

Hij leunde achterover en glimlachte. Hij vond het kennelijk prettig dat het mij opgevallen was hoe snel hij kon rollen. “Wilt u weten hoe ik dat kan?” vroeg hij.

“Ga door.”

“Dat komt omdat ik fantastische vingers heb. Deze vingers van mij,” zei hij, en hield zijn beide handen omhoog, “zijn nog sneller en slimmer dan de vingers van de allerbeste pianist in de hele wereld!”

“Ben jij dan pianist?”

“Man hou op,” zei hij. “Zie ik eruit als een pianist?”

Ik wierp een blik op zijn vingers. Ze waren zo prachtig gevormd, zo slank en lang en elegant, dat ze eigenlijk helemaal niet bij de rest leken te horen. Ze leken meer op de vingers van een hersenchirurg of een klokkenmaker.

“Mijn vak,” vervolgde hij, “is honderd keer moeilijker dan pianospelen. Iedere sul kan dat wel leren. Je ziet tegenwoordig in bijna elk huis klungelige kleine kinderen piano leren spelen. Zo is ‘t toch?”

“Zo ongeveer wel,” zei ik.

“Natuurlijk is het zo. Maar nog niet één op de tien miljoen kan leren wat ik kan. Nog niet één op de tien miljoen! Wat zegt u me daarvan?”

“Verbazend,” zei ik.

“En óf het verbazend is,” zei hij.

“Ik denk dat ik het weet,” zei ik. “Je doet goocheltrucs, je bent goochelaar.”

“Ik?” zei hij snuivend. “Een goochelaar? Ziet u mij op knullige kinderpartijtjes konijnen uit hoge hoeden toveren?”

“Dan ben je een pokerspeler. Je vraagt mensen om met je te kaarten en dan geef je jezelf prachtige kaarten.”

“Ik? Een smerige valsspeler?” riep hij. “Dat is een van de vuilste, rottigste zaakjes die er zijn.”

“Goed dan, ik geef het op.”

Ik reed nu heel langzaam, niet meer dan zeventig kilometer per uur, om er helemaal zeker van te zijn dat ik niet opnieuw zou worden aangehouden. We waren op de hoofdweg van Londen naar Oxford gekomen en gingen de heuvel af naar Denham.

Plotseling hield mijn passagier een zwarte leren riem omhoog in zijn hand. “Komt die u bekend voor?” vroeg hij. De riem had een koperen gesp van een ongewone vorm.

“Hé!” zei ik. “Die is van mij, is het niet? Die is van mij. Waar heb je die vandaan?”

Hij grinnikte en zwaaide de riem zachtjes op en neer. “Waar denkt u?” vroeg hij. “Uit uw broek natuurlijk.”

Ik stak mijn hand uit en voelde naar mijn riem. Hij was weg.

“Bedoel je dat je die weggenomen hebt terwijl we reden?” vroeg ik verbijsterd.

Hij knikte terwijl hij me steeds bleef aankijken met die kleine, zwarte rattenoogjes.

“Dat is onmogelijk,” zei ik. “Dan heb je de gesp los moeten maken en het hele ding door de lussen moeten laten glijden. Ik had het je zien doen. En als ik het niet gezien had, dan had ik het wel gevoeld.”

“Aja, maar dat deed u niet, is het wel?” zei hij triomfantelijk. Hij liet de riem op zijn schoot vallen en nu plotseling bengelde er een bruine schoenveter aan zijn vingers. “En hoe zit het hiermee?” riep hij uit, en zwaaide met de veter.

“Wat is daarmee?” vroeg ik.

“Mist iemand hier soms een veter?” vroeg hij grinnikend.

Ik keek vlug naar mijn schoenen. Een ervan miste een veter.

“Lieve help!” zei ik. “Hoe heb je dat voor elkaar gekregen? Ik heb je niet eens zien bukken.”

“U heeft helemaal niks gezien!” zei hij trots. “U heeft me geen centimeter zien bewegen. En weet u waarom?”

“Ja,” zei ik. “Omdat je fantastische vingers hebt.”

“Precies goed!” riep hij. “U heeft het snel door, hè?” Hij leunde achterover, trok aan zijn zelfgemaakte sigaret en blies de rook in een dun stroompje tegen de voorruit. Hij wist dat hij diepe indruk op me gemaakt had met die twee trucs, en daar was hij tevreden over. “Ik wil niet te laat komen,” zei hij. “Hoe laat is het?”

“Er is een klok vlak voor je,” zei ik hem.

“Ik vertrouw die autoklokken niet,” zei hij. “Hoe laat is het op uw horloge?”

Ik trok mijn mouw opzij om op mijn horloge te kijken. Het was er niet. Ik keek de man aan. Hij keek terug en grijnsde.

“Die heb je ook weggehaald,” zei ik. Hij stak zijn hand uit en daar lag mijn horloge in de palm van zijn hand. “Mooi stukje werk,” zei hij. “Prima kwaliteit. Achttien-karaats goud. Makkelijk van de hand te doen. Het is nooit moeilijk om kwaliteitsspul kwijt te raken.”

“Ik wil het graag terug hebben, alsjeblieft,” zei ik een beetje in mijn wiek geschoten.

Hij legde het horloge zorgvuldig op de leren rand voor hem.

“Ik pik heus niks van u, baas,” zei hij. “U bent m’n gabber. U geeft mij een lift.”

“Ik ben blij ‘t te horen,” zei ik.

“Ik geef alleen antwoord op uw vraag,” ging hij verder. “U vroeg me naar mijn vak en dat laat ik u zien.”

“Wat heb je nog meer van mij?”

Hij glimlachte weer en begon nu uit de zak van zijn jasje het ene ding na het andere te voorschijn te halen, allemaal van mij: mijn rijbewijs, een sleutelring met vier sleutels, een paar bankbiljetten, wat kleingeld, een brief van mijn uitgever, mijn agenda, een stompje potlood, een aansteker, en ten slotte een prachtige, antieke saffieren ring met pareltjes eromheen, die van mijn vrouw was. Ik had hem bij me om naar een juwelier in Londen te brengen, want een van de pareltjes ontbrak.

“Dat is nog eens een mooi dingetje,” zei hij terwijl hij de ring in zijn vingers liet ronddraaien. “Achttiende-eeuws, als ik ‘t wel heb, uit de tijd van George de Derde.”

“Je hebt het goed,” zei ik onder de indruk. “Je hebt het helemaal bij het rechte eind.”

Hij legde de ring op de leren rand bij de andere dingen.

“Dus je bent zakkenroller,” zei ik.

“Ik houd niet van dat woord,” antwoordde hij. “Dat is een grof en gemeen woord. Zakkenrollers zijn grove en gemene mensen, die alleen simpele, amateuristische karweitjes opknappen. Ze pikken goud van blinde, ouwe dames.”

“Hoe noem jij jezelf dan?”

“Ik? Ik ben een vingersmid. Ik ben een beroeps-vingersmid.” Hij sprak de woorden plechtig en trots uit, alsof hij me vertelde dat hij de president van het Koninklijke Chirurgengenootschap of de aartsbisschop van Canterbury was.

“Ik heb dat woord nog nooit eerder gehoord,” zei ik. “Heb je dat zelf verzonnen?”

“Natuurlijk heb ik dat niet zelf verzonnen,” antwoordde hij. “Dat is hoe de mensen genoemd worden die de hoogste top van het vak bereikt hebben. U heeft toch weleens gehoord van een goudsmid en een zilversmid en zo. Nou dat zijn experts met goud en zilver. Ik ben een expert met mijn vingers, dus ben ik een vingersmid!”

“Dat moet een boeiend vak zijn.”

“Het is een geweldig vak,” antwoordde hij. “Een pracht-vak.”

“En daarom ga je naar de paardenrennen?”

“Paardenrennen zijn makkies,” zei hij. “Je hangt gewoon wat rond na de race en kijkt naar de bofferds die in de rij staan om hun gewonnen geld op te halen. En wanneer je iemand een grote stapel bankbiljetten bij zich ziet steken, ga je achter hem aan en bedien je jezelf. Maar begrijp me goed, baas, ik neem geen cent van een verliezer. En van arme mensen ook niet. Ik neem alleen die mensen die het kunnen missen: de winnaars en de rijkelui.”

“Dat is mooi van je,” zei ik. “Hoe vaak word je betrapt?”

“Betrapt?” riep hij verontwaardigd. “Ik betrapt? Alleen zakkenrollers worden betrapt. Vingersmeden nooit. Man, ik zou uw gebit uit uw mond kunnen halen als ik zin had en nog zou u me niet betrappen!”

“Ik heb geen gebit,” zei ik.

“Dat weet ik wel,” antwoordde hij. “Anders had ik ‘m er allang uit gehad.”

Ik geloofde hem. Die lange, slanke vingers van hem schenen alles te kunnen.

We reden een poosje zwijgend door.

“Die politieagent gaat jou heel precies natrekken,” zei ik. “Zitje daar niet een beetje over in?”

“Niemand trekt mij na,” zei hij.

“Natuurlijk wel. Hij heeft je naam en je adres heel precies opgeschreven in zijn zwarte boekje.”

De man gaf mij nog een van die sluwe ratachtige glimlachjes.

“Aha,” zei hij, “dat heeft-ie gedaan maar ik wil wedden dat het niet meer in zijn geheugen gegrift staat. Ik ben nog nooit een smeris met een goed geheugen tegengekomen. Sommigen kunnen hun eigen naam nog niet eens onthouden.”

“Wat heeft zijn geheugen ermee te maken?” vroeg ik. “Het staat toch in zijn boekje?”

“O, ja baas, dat wel. Maar het vervelende is dat hij zijn boekje kwijt is. Hij is allebei z’n boekjes kwijt, dat met mijn naam erin én dat met de uwe erin.”

In de lange, elegante vingers van zijn rechterhand hield hij triomfantelijk de twee boekjes die hij uit de zakken van de politieagent gepikt had. “Simpelste karweitje dat ik ooit gedaan heb,” verklaarde hij trots.

Ik reed bijna op een melkwagen in, zo opgewonden was ik.

“Die smeris kan ons nu niks meer maken,” zei hij.

“Je bent een genie!” riep ik.

“Hij heeft geen namen, geen adressen, geen autonummers, niks heeft-ie,” zei hij.

“Je bent weergaloos!”

“Ik denk dat u beter zo gauw mogelijk een zijweggetje in kan slaan,” zei hij. “En dan stoken we een fikkie en verbranden we deze boekjes.”

“Je bent een fantastische kerel,” riep ik uit.

“Bedankt, baas,” zei hij. “Het is altijd leuk om gewaardeerd te worden.”

Een aantekening bij de volgende geschiedenis

In 1946, meer dan dertig jaar geleden, was ik nog niet getrouwd en woonde ik thuis bij mijn moeder. Ik verdiende behoorlijk met het schrijven van twee verhalen per jaar. Over elk verhaal deed ik vier maanden en gelukkig waren er zowel hier als in het buitenland mensen die ze wilden kopen.

Op een morgen in april van dat jaar las ik in de krant over een opmerkelijke vondst van Romeins zilver. Die was vier jaar tevoren ontdekt door een boerenarbeider in de buurt van Mildenhall in het graafschap Suffolk, maar de ontdekking was om de een of andere reden tot nu toe geheim gehouden. Het krantenartikel zei dat het de grootste schat was die ooit in Engeland gevonden werd, en dat deze nu in het Brits Museum was. Als naam van de arbeider werd Cordon Butcher opgegeven.

Van ware verhalen over het vinden van echte grote schatten krijg ik altijd elektrische rillingen langs mijn benen, tot aan mijn voetzolen. Op het moment dat ik dat verhaal las, sprong ik op van mijn stoel zonder mijn ontbijt op te eten, riep mijn moeder goedendag en rende naar mijn auto. Die auto was een negen jaar oude Wolseley, die ik de ‘Harde Zwarte Sluiper’ noemde. Hij liep wel goed maar niet erg snel.

Mildenhall was ongeveer tweehonderd kilometer ver weg, een moeizame tocht dwars over het platteland via smalle kronkelweggetjes en laantjes. Ik kwam tussen de middag aan en door navraag te doen bij het plaatselijke politiebureau vond ik het kleine huisje waar Cordon Butcher woonde met zijn gezin. Hij zat thuis aan het middageten, toen ik op zijn deur klopte.

Ik vroeg hem of hij er geen bezwaar tegen zou hebben om met mij te praten over het vinden van de schat.

“Alsjeblieft niet,” zei hij. “Ik heb mijn buik vol van journalisten. Ik wil de rest van mijn leven geen journalist meer zien.”

“Ik ben geen journalist,” vertelde ik hem. “Ik schrijf verhalen en ik verkoop ze aan weekbladen. Die betalen daar goed voor.” Ik zei verder nog dat, als hij me precies kon vertellen hoe hij de schat gevonden had, ik daar een waarheidsgetrouw verhaal van zou maken. En als ik dan het geluk had het te verkopen, zou ik de opbrengst met hem delen.

Ten slotte wilde hij wel met me praten. We zaten urenlang in zijn keukentje en hij vertelde mij een fascinerend verhaal. Toen hij klaar was, ging ik op bezoek bij de andere man in deze zaak, een oude man, Ford genaamd. Ford wilde niet met me praten en gooide de deur voor mijn neus dicht. Maar toen had ik mijn verhaal al en ging ik op weg naar huis.

De volgende morgen ging ik naar het Brits Museum in Londen, om de schat die Cordon Butcher gevonden had te bekijken. Hij was wonderbaarlijk. Ik kreeg opnieuw van die rillingen, alleen al door ernaar te kijken.

Ik schreef het verhaal zo waarheidsgetrouw als ik maar kon en stuurde het naar Amerika. Het werd gekocht door een blad dat Saturday Evening Post heette, en ik werd er goed voor betaald. Toen ik het geld kreeg, stuurde ik precies de helft naar Cordon Butcher in Mildenhall.

Een week later kreeg ik een brief van meneer Butcher, geschreven op een velletje dat uit een schoolschrift gescheurd moet zijn. Er stond: “…ik viel zowat om van verbazing toen ik uw cheque zag. Het was fantastisch. Ik dank u heel hartelijk…”

Hier is het verhaal, bijna net zoals het dertig jaar geleden geschreven is. Ik heb het haast niet veranderd. Ik heb alleen maar de wat al te bloemrijke stukken een beetje eenvoudiger weergegeven en er een aantal overbodige bijvoeglijke naamwoorden en onnodige zinnetjes uitgehaald.