De jongen die met dieren praatte
Niet zo lang geleden besloot ik een paar dagen op de West-Indische eilanden door te brengen. Ik zou daar een korte vakantie houden. Vrienden hadden me verteld hoe fantastisch het er is. Ik zou de hele dag luieren, zeiden ze, zonnebaden op de zilveren stranden en zwemmen in de warme, groene zee.
Ik koos Jamaica uit en vloog rechtstreeks naar Kingston. De rit van het vliegveld van Kingston naar mijn hotel aan de noordkust duurde twee uur. Het eiland was vol bergen en de bergen waren overdekt met donkere dichte wouden. De grote taxichauffeur uit Jamaica vertelde mij dat in die wouden hele groepen duivelse mensen woonden, die zich nog steeds bezighielden met ‘voodoo’, hekserij en andere magische riten. “Ga nooit die bergwouden in,” zei hij en rolde met zijn ogen. “Er gebeuren daar dingen waar je haar in een minuut grijs van kan worden!”
“Wat voor dingen?” vroeg ik.
“Dat kun je beter niet vragen,” zei hij. “Het is al gevaarlijk erover te praten.” En dat was alles wat hij over dat onderwerp wilde zeggen.
Mijn hotel stond aan de rand van een parelkleurig strand en de omgeving was zelfs nog mooier dan ik me had voorgesteld. Maar op het moment dat ik die grote open voordeuren binnenwandelde, voelde ik me al onbehagelijk. Daar was geen enkele reden voor.
Ik zag niets verkeerds. Maar dat gevoel had ik wel en kon ik niet van me afzetten. De atmosfeer had iets griezeligs, iets sinisters. Ondanks alle pracht en luxe hing er een vleugje gevaar in de lucht dat ronddreef als een wolkje gifgas.
En ik was er nog niet zo zeker van dat het alleen het hotel was. Het hele eiland, de bergen en de wouden, de zwarte rotsen langs de kust, de bomen vol schitterende scharlaken bloesems, dat alles en nog heel wat andere dingen maakten dat ik me onbehagelijk voelde. Er ging iets kwaadaardigs schuil onder de oppervlakte van dit eiland. Dat voelde ik in mijn botten.
Mijn hotelkamer had een klein terrasje, vanwaaruit ik direct het strand op kon lopen. Hoge kokospalmen groeiden overal in het rond en van tijd tot tijd viel een enorme groene noot, wel zo groot als een voetbal, met een doffe dreun in het zand. Het was heel dom om onder een kokospalm te blijven staan, want als zo’n ding op je hoofd viel zou je schedel opensplijten.
Het Jamaicaanse meisje dat mijn kamer kwam doen, vertelde me dat nog geen twee maanden tevoren een rijke Amerikaan, die meneer Wasserman heette, op die manier aan zijn eind was gekomen.
“Je maakt een grapje,” zei ik tegen haar.
“Ik maak geen grapje!” riep ze. “Nee, nee, meneer. Ik heb ‘t met m’n eigen ogen gezien!”
“Maar werd er dan geen verschrikkelijke drukte over gemaakt?” vroeg ik.
“Ze houden ‘t stil,” zei ze duister. “De mensen van het hotel houden ‘t stil en de krantenmensen ook, want zulke dingen zijn slecht voor het toerisme.”
“En je zag het echt zelf gebeuren?”
“Ik zag het echt zelf gebeuren,” zei ze. “Meneer Wasserman staat precies onder die boom daar op het strand. Hij heeft zijn fototoestel bij zich en richt het op de zonsondergang. Het is een rode zonsondergang die avond, en erg mooi. En dan ineens valt er een grote groene noot precies loodrecht op zijn kale knikker. Bang! En dat,” voegde ze er met een zweempje voldoening aan toe, “dat is dan de allerlaatste zonsondergang die meneer Wasserman ooit heeft gezien.”
“Bedoel je dat hij meteen dood was?”
“Dat meteen weet ik nog zo net niet,” zei ze. “Ik herinner me dat hij zijn fototoestel uit zijn handen op het zand laat vallen. Daarna vallen zijn armen omlaag en hangen naast zijn lichaam. Dan begint hij heen en weer te zwaaien. Hij zwaait een paar keer naar voren en naar achteren, heel langzaam, en ik sta naar ‘m te kijken en ik zeg zo tegen mezelf: die arme man is helemaal duizelig en misschien gaat ie zo wel flauwvallen. Dan, heel langzaam, valt hij voorover en slaat tegen de grond.”
“Was hij dood?”
“Morsdood,” zei ze.
“Lieve hemel.”
“Precies,” zei ze. “Het is nooit zo’n goed idee om onder een kokospalm te staan wanneer de wind waait.”
“Bedankt,” zei ik. “Ik zal ‘t onthouden.”
Op de avond van mijn tweede dag zat ik op mijn terrasje met een boek op mijn schoot en een groot glas rum-punch in mijn hand. Ik las niet. Ik keek naar een kleine groene salamander die een andere kleine groene salamander besloop op de vloer van mijn terrasje, nog geen twee meter van me af. De sluipende salamander benaderde de ander van achteren, heel langzaam en voorzichtig, en toen hij vlakbij was schoot zijn lange tong naar buiten en raakte de staart van de andere. De ander draaide zich met een sprong om en daar stonden ze tegenover elkaar, roerloos tegen de grond gedrukt, tot het uiterste gespannen te staren. Toen plotseling begonnen ze een grappig huppeldansje met elkaar te doen. Ze hupten omhoog. Ze hupten naar achteren. Ze hupten naar voren. Ze hupten opzij. Ze draaiden om elkaar heen als boksers, huppend en wippend en dansend, steeds maar door. Het was een eigenaardig gezicht en ik had het idee dat het een soort paringsritueel was, dat ze aan het opvoeren waren. Ik bleef doodstil zitten wachten op wat er zou gebeuren.
Maar ik heb nooit gezien wat er gebeurd is, want op dat moment merkte ik dat er iets gaande was op het strand. Ik keek op en zag een groep mensen om iets heen staan dat op de waterlijn lag. Een smal kanoachtig vissersbootje was vlakbij op het zand getrokken. Het enige wat ik kon bedenken was dat een visser een hoop vis had binnengehaald en dat al die mensen daarnaar kwamen kijken.
Ik heb het altijd fascinerend gevonden te zien wat vissers binnenbrengen. Ik legde mijn boek weg en stond op. Steeds meer mensen kwamen van hun terrasje en haastten zich over het strand naar de groep bij de waterlijn. De mannen droegen van die afgrijselijke bermudashorts, die tot aan de knie komen, en hun hemden waren roze en oranje en alle andere vloekende kleuren die je maar kunt bedenken. De vrouwen hadden meer smaak en hadden voornamelijk leuke katoenen jurkjes aan. Bijna iedereen had een glas in de hand.
Ik nam mijn eigen glas en stapte van mijn terrasje op het strand. Ik liep met een boog om de kokospalm heen, waaronder meneer Wasserman volgens het verhaal aan zijn eind was gekomen, en wandelde over het prachtige zilveren zand naar de groep.
Maar het was geen vis waar ze naar stonden te staren. Het was een schildpad, een omgekeerde schildpad die op zijn rug in het zand lag. En wat voor een schildpad! Het was een reus, een mammoet. Ik had nooit gedacht dat een schildpad zo groot zou kunnen zijn. Hoe moet ik zijn grootte beschrijven? Had hij op zijn poten gestaan, dan denk ik wel dat een grote man op zijn rug had kunnen zitten zonder dat zijn voeten de grond raakten. Hij was ongeveer anderhalve meter lang en meer dan een meter breed, met een hoog koepelvormig schild van grote pracht.
De vissers die hem gevangen hadden, hadden hem op zijn rug gedraaid om hem niet de kans te geven ervandoor te gaan. Er zat ook een dik touw om het midden van zijn schild gebonden en een trotse visser stond slank, zwart en op een lendendoekje na naakt, een eindje verderop en hield met twee handen het uiteinde van het touw vast.
Daar lag hij dan ondersteboven, dat magnifieke dier, met zijn vier hysterisch wapperende, dikke vinnen en de lange rimpelige nek ver uit zijn schild gestoken. Aan de vinnen zaten grote scherpe klauwen.
“Achteruit, dames en heren, alstublieft!” riep de visser. “Verder achteruit! Die klauwen zijn gevaarlijk, man! Ze kunnen je arm zo van je lijf rukken!”
De groep hotelgasten was verrukt en opgewonden bij dit schouwspel. Een tiental fototoestellen kwam te voorschijn en klikte aan een stuk door. Veel vrouwen gaven gilletjes van plezier en klampten zich aan de armen van hun mannen vast, en de mannen demonstreerden hun moed en hun mannelijkheid door met luide stemmen stomme opmerkingen te maken.
“Je kan een aardig hoornen brilletje maken uit dat schild, hè Ed?”
“Dat kreng moet meer dan een ton wegen!”
“Bedoel je dat hij echt blijft drijven?”
“Allicht drijft hij. ‘t Zijn nog sterke zwemmers ook. Trekken een boot met gemak.”
“Da’s een bijter, hè?”
“Niks hoor. Bijtende schildpadden worden niet zo groot als deze. Maar ik zal je eens wat zeggen. Hij bijt zo je hand af, als je te dichtbij komt.”
“Is dat waar?” vroeg een van de vrouwen aan de visser. “Bijt hij echt je hand af?”
“Nu wel,” zei de visser met een blinkend witte grijns. “Hij zal je nooit wat doen wanneer hij in zee is, maar vang je ‘m, trekje ‘m op het droge en keer je ‘m om, nou man, dan kan je maar beter allemachtig goed uitkijken! Dan bijt hij naar alles wat in z’n buurt komt!”
“Ik denk dat ik zelf ook een beetje bijterig zou worden,” zei de vrouw, “als ik in zijn plaats was.”
Een idioot had een aangespoelde plank op het strand gevonden en droeg die nu naar de schildpad. Het was een behoorlijk grote plank, zo’n anderhalve meter lang en drie centimeter dik. Met het ene eind begon hij naar de kop van de schildpad te prikken.
“Dat zou ik niet doen,” zei de visser. “Je maakt hem alleen maar nog kwaaier dan ie al is.”
Toen het einde van de plank de nek van de schildpad raakte, draaide zijn kop bliksemsnel om, de bek ging wijdopen en krak, hij hapte in de plank en beet er een stuk uit alsof hij van kaas was.
“Oei!” schreeuwden ze. “Zag je dat! Ben ik even blij dat het m’n arm niet was.”
“Laat ‘m met rust,” zei de visser. “Je schiet er niks mee op ‘m zo op te hitsen.”
Een dikbuikige man met brede heupen en heel korte beentjes ging naar de visser en zei: “Hoor es, vrind. Ik wil dat schild. Ik koop ‘m van je.” En tegen zijn mollige vrouw zei hij: “Weet je wat, Millie, ik neem dat schild mee naar huis en laat ‘m oppoetsen door een vakman. Dan zet ik ‘m precies patsboem midden in de woonkamer! Wat zeg je me daarvan?”
“Fantastisch!” zei de mollige vrouw. “Koop jij dat ding maar gauw, schat!”
“Geen probleem,” zei hij. “Hij is al van mij.” En tegen de visser zei hij: “Hoeveel moet je voor dat schild hebben?”
“Hij is al verkocht,” zei de visser. “Ik heb ‘m met schild en al verkocht.”
“Kalm aan, vrind,” zei de dikbuik. “Ik ga er gewoon boven. Kom op. Wat wil hij ervoor geven?”
“Heeft geen zin,” zei de visser. “Hij is al verkocht.”
“Aan wie?” vroeg de dikke man.
“Aan de bedrijfsleider.”
“Welke bedrijfsleider?”
“De bedrijfsleider van ‘t hotel.”
“Heb je dat gehoord?” schreeuwde een andere man. “Hij heeft ‘m aan de bedrijfsleider van ons hotel verkocht! Weet je wat dat betekent? Dat betekent schildpadsoep, dat betekent het!”
“Klopt als een bus! En schildpadlapjes! Ooit schildpadlapjes gegeten, Bill?”
“Nog nooit, Dick, maar ik kan nauwelijks wachten!”
“Een schildpadlapje is nog lekkerder dan biefstuk als je het goed klaarmaakt. Het is nog malser en het heeft me daar toch een smaakje!”
“Hoor ‘s,” zei de dikbuikige man tegen de visser. “Ik hoef het vlees niet te hebben. Dat kan de bedrijfsleider allemaal krijgen. Hij mag alles wat erin zit, met tanden en nagels en al. Ik wil alleen het schild.”
“En jou kennende, schatje,” zei zijn vrouw stralend, “krijg je dat schild ook.”
Daar stond ik en luisterde naar het gesprek van deze wezens. Ze bespraken de vernietiging, het opeten en de smaak van een dier dat zelfs ondersteboven nog een buitengewone waardigheid leek te bezitten. Een ding was zeker. Hij was ouder dan wie van die mensen ook. Waarschijnlijk zwom hij al meer dan honderdvijftig jaar in de groene zeeën van West-Indië rond. Hij was er al toen George Washington president van Amerika was en Napoleon te grazen werd genomen bij Waterloo. Hij zal toen misschien nog maar een kleintje geweest zijn, maar dat hij er was, dat is zeker.
En nu lag hij hier, ondersteboven op het strand, te wachten op zijn slachting voor de soep en de lapjes. Hij was kennelijk in paniek geraakt door al het lawaai en geschreeuw om hem heen. Zijn oude gerimpelde nek stak ver uit zijn schild en zijn grote kop draaide van de ene naar de andere kant, alsof hij iemand zocht die hem uit kon leggen waar hij deze schandelijke behandeling aan te danken had.
“Hoe wou je ‘m in ‘t hotel krijgen?” vroeg de dikke man.
“We slepen hem aan het touw door het zand naar boven,” antwoordde de visser. “Het personeel zal ‘m zo wel komen halen. Daar heb je wel tien man voor nodig, die allemaal tegelijk trekken.”
“Hé, zeg es!” riep een gespierde jongeman. “Waarom slepen wij ‘m niet naar boven?” De gespierde jongeman droeg een paarsrood met grasgroen gekleurde bermudashort en geen hemd. Hij had een bijzonder behaarde borst; het ontbreken van een hemd was dan ook duidelijk geen toeval. “Wat zouden jullie ervan zeggen es ‘n handje uit te steken voor ons eten?” riep hij en bolde zijn spieren. “Kom op, lui! Wie is er voor een beetje lichaamsbeweging?”
“Uitstekend idee!” schreeuwden ze. “Prima plan!”
De mannen overhandigden hun glazen aan de vrouwen en renden naar het touw. Ze gingen achter elkaar staan alsof het om een spelletje touwtrekken ging en de man met de harige borst benoemde zichzelf tot voorman en aanvoerder van het team.
“Vooruit dan jongens!” schreeuwde hij. “Wanneer ik zeg trekken, dan allemaal tegelijk trekken, begrepen?”
De visser vond het niet zo’n best idee. “Jullie kunnen dat maar beter aan de mensen van het hotel overlaten,” zei hij.
“Onzin,” schreeuwde de behaarde man. “Trekken jongens, trekken!”
Ze trokken allemaal tegelijk. De reuzenschildpad wankelde op zijn rug en rolde bijna om.
“Niet om laten rollen!” gilde de visser. “Op die manier laten jullie ‘m nog omrollen. En als hij eenmaal op z’n poten staat, dan ontsnapt hij vast en zeker!”
“Kalm aan, ventje,” zei de behaarde man uit de hoogte. “Hoe kan ie nou ontsnappen? We hebben hem toch aan een touw zitten, niet?”
“Die ouwe schildpad trekt jullie hele zootje met zich mee, als ie de kans krijgt!” riep de visser. “Hij sleurt jullie zo de oceaan in, met zijn allen!”
“Trekken!” schreeuwde de behaarde borst, zonder zich nog iets van de visser aan te trekken. “Trekken, jongens. Trekken!”
En nu begon de reuzenschildpad heel langzaam door het zand te glijden in de richting van het hotel, naar de keukens, naar de plaats waar de grote messen bewaard werden. De vrouwen en de oudere, dikke, minder atletische mannen liepen mee onder het roepen van allerlei aanmoedigingen.
“Trekken!” schreeuwde de behaarde aanvoerder. “Zet ‘m op, mannen! Jullie kunnen best harder dan dit!”
Plotseling hoorde ik gillen. Iedereen hoorde het. Het gegil klonk zo hoog, zo schril en zo dwingend dat het door merg en been ging.
“Neeeee!” gilde de gil. “Nee! Nee! Nee! Nee! Nee!”
De groep bevroor. De touwtrekkers hielden op met trekken en de toeschouwers hielden op met schreeuwen en allemaal, stuk voor stuk, keerden zij zich naar de kant waar het gillen vandaan kwam. Half lopend, half rennend kwamen over het strand uit de richting van het hotel drie mensen, een man, een vrouw en een jongetje. Ze renden half omdat het jongetje de man meetrok. De man hield de jongen bij z’n pols om hem tegen te houden, maar de jongen bleef trekken. Tegelijkertijd sprong en draaide en kronkelde hij om te proberen zich uit zijn vaders greep te bevrijden. Het was het jongetje dat gilde.
“Niet doen!” gilde hij. “Niet doen! Laat ‘m los! Laat ‘m alsjeblieft los!”
De vrouw, zijn moeder, probeerde zijn andere arm te pakken om te helpen hem in bedwang te houden, maar de jongen sprong zo wild op en neer dat het haar niet lukte.
“Laat ‘m los!” gilde de jongen. “Het is afschuwelijk wat jullie aan ‘t doen zijn! Laat ‘m alsjeblieft los!”
“Houd op, David!” zei de moeder, die nog steeds probeerde zijn andere arm te pakken te krijgen. “Doe niet zo kinderachtig! Je stelt je verschrikkelijk aan.”
“Pappa!” gilde de jongen. “Pappa, zeg dat ze ‘m los moeten laten.”
“Dat kan ik niet doen, David,” zei de vader. “Daar hebben we niks mee te maken.”
De touwtrekkers stonden nog steeds roerloos, met het touw waar de reuzenschildpad aan vast zat nog in hun hand. Iedereen stond zwijgend en verbaasd naar het jongetje te staren. Ze waren allemaal een beetje van hun stuk gebracht. Ze zagen er een beetje schuldig uit, zoals mensen die betrapt zijn op iets wat niet helemaal netjes is.
“Kom nou, David,” zei de vader, hem de andere kant optrekkend. “Laten we teruggaan naar het hotel en deze mensen met rust laten.”
“Ik ga niet terug!” schreeuwde de jongen. “Ik wil niet terug! Ik wil dat ze hem loslaten!”
“Kom, David,” zei de moeder.
“Smeer ‘m, knul,” zei de man met de harige borst tegen de jongen.
“Jullie zijn afschuwelijk en wreed,” schreeuwde de jongen. “Jullie zijn allemaal afschuwelijk en wreed!” Hij slingerde deze woorden er hoog en schril uit tegen de veertig à vijftig volwassenen die daar op het strand stonden, en niemand, zelfs de behaarde man niet, antwoordde hem dit keer. “Waarom duwen jullie ‘m niet terug in de zee?” schreeuwde ‘t jongetje. “Hij heeft jullie niks gedaan! Laat ‘m los!”
De vader was in verlegenheid gebracht door zijn zoon, maar hij schaamde zich niet voor hem. “Hij is gek op dieren,” zei hij tegen de groep. “Thuis heeft hij alle mogelijke soorten dieren. Hij praat met ze.”
“Hij houdt van ze,” zei de moeder.
Verschillende mensen begonnen met hun voeten te schuifelen in het zand. Hier en daar kon je in de groep een verandering van stemming bespeuren, een gevoel van onzekerheid, zelfs een vleugje schaamte. Het jongetje, dat niet ouder dan acht of negen jaar kon zijn, stribbelde niet langer tegen. De vader hield hem nog steeds bij de pols, maar hij hield hem niet langer in bedwang.
“Toe dan!” riep de jongen. “Laat ‘m dan los! Maak het touw dan los!” Hij stond klein en kaarsrecht tegenover de groep; zijn ogen straalden als sterren en de wind blies door zijn haren. Hij was geweldig.
“Er is niets wat we kunnen doen, David,” zei de vader. “Laten we teruggaan.”
“Nee!” riep de jongen en op dat moment zwenkte hij plotseling en rukte zijn pols los uit zijn vaders greep. In een flits was hij ervandoor over het zand, naar de omgekeerde reuzenschildpad.
“David,” gilde zijn vader en rende achter hem aan. “Ho! Kom terug!”
De jongen dook en zwenkte door de groep mensen als een rugbyspeler die er met de bal vandoor gaat, en de enige die hem probeerde te onderscheppen was de visser. “Blijf bij die schildpad vandaan, jongen!” schreeuwde hij terwijl hij een uitval deed naar het snel rennende figuurtje. Maar de jongen zwenkte om hem heen en rende door. “Hij bijt je in stukken,” gilde de visser. “Ho, jongen! Stop!”
Maar het was al te laat om hem nog tegen te houden en toen hij recht op het hoofd van de schildpad af ging, zag de schildpad hem en draaide snel zijn uitgestrekte kop naar hem toe.
De stem van de moeder van ‘t jongetje, de angstige, hartverscheurende stem van de moeder rees in een wanhoopskreet ten hemel. “David,” klonk het, “o, David!” En even later liet de jongen zich op zijn knieën op het zand vallen, sloeg zijn armen om de gerimpelde oude nek en drukte het dier tegen zijn borst. Met zijn wang tegen de kop van de schildpad aangedrukt, bewogen zijn lippen en fluisterde hij zachte woordjes die niemand anders kon horen. De schildpad werd doodstil. Zelfs zijn reuzenvinnen hielden op met wapperen.
Een diepe zucht, een lange, zachte zucht van verlichting klonk op uit de groep. Velen gingen een paar passen achteruit, alsof ze probeerden een beetje afstand te nemen van iets wat hun begrip te boven ging. Maar de vader en de moeder liepen samen naar voren en bleven op zo’n drie meter van hun zoon af staan.
“Pappa!” riep de jongen, terwijl hij doorging met het strelen van de oude bruine kop. “Toe, doe alsjeblieft iets, pappa! Toe, zorg alsjeblieft dat ze hem loslaten!”
“Kan ik hier van dienst zijn?” zei een man met een wit pak, die net uit het hotel was gekomen. Dit, dat wist iedereen, was meneer Edwards, de bedrijfsleider. Het was een grote Engelsman, met een lang roze gezicht en een haakneus. “Hoe merkwaardig en eigenaardig!” zei hij, naar de jongen en de schildpad kijkend. “Hij boft dat zijn hoofd er nog niet afgebeten is.” En tegen de kleine jongen zei hij: “Je kan maar beter bij ‘m vandaan gaan, jochie. Dat beest is gevaarlijk.”
“Ik wil dat ze hem loslaten!” riep de jongen, met de kop nog steeds in zijn armen. “Zeg dat ze ‘m los moeten laten!”
“Beseft u wel dat hij elk ogenblik gedood kan worden,” zei de bedrijfsleider tegen de vader.
“Laat ‘m met rust,” zei de vader.
“Onzin,” zei de bedrijfsleider. “Haal hem weg. Maar doe ‘t snel. En kijk uit!”
“Nee,” zei de vader.
“Wat bedoelt u, nee?” vroeg de bedrijfsleider. “Die beesten zijn levensgevaarlijk! Begrijpt u dat dan niet?”
“Jawel,” zei de vader.
“Maar haal hem dan toch in vredesnaam daar weg, man!” riep de bedrijfsleider. “Straks gebeurt er nog een heel vervelend ongeluk als u het niet doet.”
“Van wie is hij?” vroeg de vader. “Van wie is die schildpad?”
“Van ons,” zei de bedrijfsleider. “Hij is gekocht door het hotel.”
“Doet u me dan een plezier,” zei de vader, “en laat mij hem van u kopen.”
De bedrijfsleider keek de vader aan maar zei niets.
“U kent mijn zoon niet,” zei de vader heel rustig. “Hij wordt gek als dat dier naar het hotel gebracht en geslacht wordt. Dan wordt hij hysterisch.”
“Haalt u ‘m nou maar weg,” zei de bedrijfsleider. “En vlug een beetje.”
“Hij houdt van dieren,” zei de vader. “Hij is gek op ze. Hij praat met ze.”
De groep bleef stil staan luisteren naar wat er gezegd werd. Niemand liep weg. Ze stonden daar alsof ze gehypnotiseerd waren.
“Als we hem loslaten,” zei de bedrijfsleider, “wordt-ie opnieuw gevangen.”
“Misschien wel,” zei de vader. “Maar die dieren kunnen geweldig zwemmen.”
“Ik weet best hoe goed ze zwemmen,” zei de bedrijfsleider. “En toch zullen ze ‘m weer vangen. U moet goed begrijpen dat het een kostbare vangst is. Alleen het schild is al een hoop geld waard.”
“Het kan me niet schelen hoeveel het kost,” zei de vader. “Dat is geen punt. Ik wil ‘m kopen.”
De jongen lag nog steeds bij de schildpad geknield en liefkoosde zijn kop.
De bedrijfsleider haalde een zakdoek uit zijn borstzakje en begon zijn vingers af te vegen. Hij had er weinig zin in de schildpad af te staan. Waarschijnlijk had hij het menu voor het diner al klaar. Aan de andere kant wilde hij dit seizoen niet nog zo’n gruwelijk ongeluk op zijn eigen strand. Meneer Wasserman en de kokosnoot was meer dan genoeg voor één jaar, zei hij tegen zichzelf, dank je wel.
De vader zei: “Ik zou het beschouwen als een grote persoonlijke gunst, meneer Edwards, als u mij toestaat hem te kopen. En ik beloof u dat u er niet op achteruit zult gaan. Daar zal ik zeer zeker voor zorgen.”
De wenkbrauwen van de bedrijfsleider gingen bijna onmerkbaar omhoog. Hij had het begrepen. De vader wilde hem omkopen. Dat maakte de zaak heel anders. Hij ging nog een paar seconden door met afvegen van zijn handen. Toen haalde hij zijn schouders op en zei: “Tja, ik denk zo, als dat uw zoon plezier doet…”
“Dank u wel,” zei de vader.
“O, dank u!” riep de moeder. “Heel hartelijk dank!”
“Willy,” zei de bedrijfsleider en wenkte de visser.
De visser kwam. Hij was totaal in de war. “Zoiets heb ik van mijn leven nog nooit gezien,” zei hij. “Die ouwe schildpad was de felste die ik ooit gevangen heb! Hij vocht als een duivel toen we hem binnenhaalden! We moesten er met z’n zessen voor vechten! Die jongen is gek!”
“Ja, ja,” zei de bedrijfsleider, “maar nu wil ik dat jullie ‘m loslaten.”
“Loslaten!” riep de visser ontzet. “Deze mag u nooit van z’n leven loslaten, meneer Edwards! Hij breekt alle records! Het is de grootste schildpad die ik ooit op dit eiland gevangen heb, nee, de allergrootste! En hoe zit het met ons geld?”
“Jullie krijgen je geld.”
“Ik moet de andere vijf ook betalen,” zei de visser en wees naar de waterkant.
Ongeveer honderd meter verder stonden vijf zwarte, bijna naakte mannen naast een andere boot bij de zee. “We zijn met z’n zessen en we delen gelijk op,” ging de visser verder. “Ik kan ‘m niet loslaten vóór we ons geld krijgen.”
“Ik sta er voor in,” zei de bedrijfsleider. “Is dat soms niet genoeg voor je?”
“Ik sta er ook voor in,” zei de vader van ‘t jongetje en kwam naar voren. “En jullie vissers krijgen alle zes ‘n extraatje wanneer jullie hem meteen loslaten. Ik bedoel nu, op dit ogenblik.”
De visser keek de vader aan. Toen keek hij de bedrijfsleider aan.
“Oké,” zei hij. “Jullie kunnen het krijgen zoals jullie ‘t hebben willen.”
“Er is één voorwaarde,” zei de vader. “Vóór jullie je geld krijgen, moeten jullie beloven dat jullie niet onmiddellijk weer uitvaren om ‘m opnieuw te vangen. In ieder geval niet vanavond. Begrepen?”
“Jawel,” zei de visser, “afgesproken.” Hij draaide zich om en rende het strand af, schreeuwend naar de vijf andere vissers. Hij riep iets wat we niet konden horen en binnen een minuut of twee kwamen ze alle zes samen terug. Vijf van hen droegen lange dikke, houten stokken.
De jongen lag nog steeds op z’n knieën bij de kop van de schildpad.
“David,” zei de vader zachtjes tegen hem, “het is in orde, David. Ze gaan ‘m loslaten.”
De jongen keek om, maar hij liet de nek van de schildpad niet los en hij stond niet op. “Wanneer?” vroeg hij.
“Nu,” zei de vader. “Nu meteen. Je kunt dus maar beter hier komen.”
“Beloof je dat?” vroeg de jongen.
“Ja, David. Ik beloof het.”
De jongen trok zijn armen terug. Hij stond op. Hij deed een paar stappen naar achteren.
“Uit de weg allemaal!” schreeuwde de visser die Willy heette, “n Flink eind uit de weg allemaal, alstublieft!”
De groep ging een paar meter verderop. De touwtrekkers lieten het touw los en gingen met de anderen mee.
Willy liet zich op handen en voeten zakken en kroop heel voorzichtig naar de zijkant van de schildpad toe. Daar begon hij de knoop van het touw los te maken. Terwijl hij daarmee bezig was, bleef hij zorgvuldig buiten bereik van de grote vinnen.
Toen de knoop los was kroop hij terug. Toen kwamen de andere vijf vissers naar voren met hun stokken. De stokken waren ruim twee meter lang en behoorlijk dik. Die wrikten ze onder het schild en ze begonnen het grote dier op dat schild heen en weer te wiebelen. Het schild had de vorm van een hoge koepel en kon dus heel gemakkelijk wiebelen.
“Op en neer!” zongen de vissers terwijl ze wrikten. “Op en neer!” De oude schildpad raakte volledig overstuur en wie kan hem dat kwalijk nemen? De grote vinnen maaiden wild door de lucht en de kop bleef in en uit het schild schieten.
“Rol ‘m maar om!” zongen de vissers. “Omhoog en om! Rol ‘m maar om! Nog een keer en daar gaat-ie!”
De schildpad wankelde hoog op zijn zij en kwam dreunend met de goede kant boven op het zand neer.
Maar hij liep niet meteen weg. De grote bruine kop kwam naar buiten en tuurde omzichtig om zich heen.
“Ga dan, schildpad, ga dan!” riep het jongetje. “Ga terug naar de zee!”
De twee overschaduwde zwarte ogen van de schildpad tuurden naar de jongen. De ogen waren helder en levendig, vol met de wijsheid van een lang leven. De jongen keek de schildpad aan en dit keer klonk zijn stem zacht en vertrouwelijk. “Nou dag, oude man,” zei hij. “Ga maar ver weg deze keer.” De zwarte ogen bleven nog een paar seconden op de jongen rusten. Niemand verroerde zich. Toen draaide hij zich op immens waardige wijze om en begon waggelend naar de oceaan toe te lopen. Hij haastte zich niet. Hij bewoog zich kalm over het strand en zijn grote schild zwaaide zachtjes heen en weer onder het lopen.
De groep keek zwijgend toe.
Hij ging het water in.
Hij ging verder.
Al gauw zwom hij. Nu was hij in zijn element. Hij zwom sierlijk en heel snel, met zijn kop hoog in de lucht. De zee was kalm en hij maakte kleine golfjes die achter hem uitwaaierden als de boeggolf van een boot. Het duurde enkele minuten voor hij uit het zicht verdween en op dat moment was hij al bijna halverwege de horizon.
De gasten wandelden naar het hotel terug. Ze waren vreemd stil. Nu werd er niet gelachen en gedold en er werden geen grappen gemaakt. Er was iets gebeurd. Iets vreemds had zich afgespeeld daar op het strand.
Ik liep terug naar mijn terrasje en stak een sigaret op. Ik had het onbehagelijke gevoel dat het nog niet afgelopen was.
De volgende morgen bracht het Jamaicaanse meisje, dat mij over meneer Wasserman en de kokosnoot had verteld, mij een glas sinaasappelsap op mijn kamer.
“Hele toestanden in het hotel vanmorgen,” zei ze terwijl ze het glas op de tafel zette en de gordijnen opentrok. “Ze rennen allemaal rond als kippen zonder kop.”
“Hoezo? Wat is er gebeurd?”
“Dat jongetje van nummer twaalf, dat is zoek. Hij is vannacht verdwenen.”
“Je bedoelt dat jongetje van de schildpad?”
“Dat is ‘m,” zei ze. “Zijn ouders zetten het hele hotel op stelten en de bedrijfsleider wordt bijna gek.”
“Hoelang is hij al weg?”
“Zo’n twee uur geleden vond zijn vader z’n bed leeg. Maar hij kan natuurlijk elk moment ‘s nachts weggelopen zijn, lijkt me.”
“Ja,” zei ik, “dat kan.”
“Iedereen in het hotel is op zoek, hoog en laag,” zei ze, “en er is net een politieauto gekomen.”
“Misschien is hij alleen maar vroeg opgestaan om wat over de rotsen te klauteren,” zei ik.
Haar grote, donkere, gesluierde ogen bleven een ogenblik op mijn gezicht rusten en keken daarna de andere kant op. “Dat denk ik niet,” zei ze en weg was ze.
Ik trok wat kleren aan en haastte me naar het strand. Op het strand zelf stonden twee plaatselijke politieagenten in kaki uniformen bij meneer Edwards, de bedrijfsleider. Meneer Edwards was aan het woord. De agenten luisterden geduldig. In de verte zag ik in beide richtingen op het strand kleine groepjes mensen, zowel hotel-personeel als gasten, uitwaaieren naar de rotspartijen. Het was een prachtige ochtend. De lucht was rokerig blauw met een licht waas van geel. De zon was op en deed de gladde zee flonkeren als diamanten. En meneer Edwards praatte met luide stem tegen de politieagenten en zwaaide met zijn armen.
Ik wilde helpen. Wat moest ik doen? Welke kant op? Het had geen zin om gewoon de anderen achterna te gaan. Dus liep ik maar door naar meneer Edwards.
Op dat moment zag ik de vissersboot. De lange houten kano met zijn enkele mast en bruine wapperende zeil was nog een heel eind op zee, maar hij kwam op het strand af. De twee zwarten aan boord waren ieder aan een kant van de boot hard aan het peddelen. De peddels gingen met zo’n geweldige snelheid heen en weer dat het leek of ze aan een race meededen. Ik stond stil en keek naar ze. Waarom zo ontzettend veel haast om bij de kust te komen? Ze hadden kennelijk iets te vertellen. Ik hield mijn blik op de boot gevestigd. Links van mij hoorde ik meneer Edwards tegen de agenten zeggen: “Het is te gek om los te lopen. Dat kunnen we gewoon niet hebben, dat mensen zomaar uit het hotel verdwijnen. Jullie moeten hem heel snel vinden, begrepen? Hij is misschien een eindje gaan wandelen en verdwaald, of hij is ontvoerd. Hoe dan ook, de politie is verantwoordelijk voor…”
De vissersboot scheerde over de zee en gleed het strand op bij de waterlijn. De beide mannen lieten hun peddels vallen en sprongen eruit. Ze renden het strand op. De voorste herkende ik, het was Willy. Toen hij de bedrijfsleider en de twee politieagenten in het oog kreeg, rende hij recht op hen af.
“Hé, meneer Edwards!” riep Willy. “We hebben zonet iets krankzinnigs gezien!”
De bedrijfsleider verstijfde en rukte zijn hoofd naar achteren. De twee politieagenten bleven onverstoorbaar. Zij waren gewend aan opgewonden mensen. Die zagen ze dag in dag uit.
Willy stond stil bij het groepje; zijn borst ging zwaar op en neer van het hijgen. De andere visser kwam vlak achter hem aan. Ze waren allebei naakt, op een piepklein lendendoekje na, en hun zwarte huid glom van het zweet.
“We hebben een heel eind op volle kracht gepeddeld,” zei Willy om zijn gehijg te verontschuldigen. “We dachten dat we maar zo snel mogelijk terug moesten komen om het te vertellen.”
“Wat vertellen?” vroeg de bedrijfsleider. “Wat hebben jullie gezien?”
“Het was waanzinnig, man! Absoluut waanzinnig!”
“Schiet op, Willy, in vredesnaam.”
“Je zult het niet geloven,” zei Willy, “geen mens zal ‘t kunnen geloven. Waar of niet, Tom?”
“Dat is zo,” zei de andere visser heftig knikkend. “Als Willy hier er niet bij was geweest om het te bewijzen, had ik mijn eigen ogen nog niet geloofd!”
“Wat geloofd?” vroeg meneer Edwards. “Vertel ons alleen maar wat jullie gezien hebben.”
“We waren al vroeg weg,” zei Willy. “Al om ‘n uur of vier vanmorgen, en we moeten een paar mijl de zee op geweest zijn voor het licht genoeg werd om iets te kunnen zien. Plotseling toen de zon opkwam, zien we daar voor ons, nog geen vijftig meter van ons vandaan, zien we iets wat we bijna niet konden geloven, al zagen we het met onze eigen ogen…”
“Wat dan?” snauwde meneer Edwards. “Schiet in hemelsnaam een beetje op!”
“Daar zien we die ouwe monsterschildpad zwemmen, die van gisteren, en daar zien we ‘t jongetje hoog en droog op z’n rug zitten en hem berijden alsof het een paard is!”
“Jullie moeten ‘t geloven!” riep de andere visser. “Ik zag ‘t ook, dus jullie moeten ‘t geloven!”
Meneer Edwards keek naar de twee politieagenten. De twee agenten keken naar de visser. “Jullie houden ons toch niet voor de gek, hè?” zei een van hen.
“Ik zweer het!” riep Willy. “Het is de volle waarheid! Daar zit dat kleine jochie hoog boven op de rug van de schildpad, zonder dat zelfs maar z’n tenen ‘t water raken! Hij is zo droog als wat en zit daar even lekker als op een stoel! Dus wij er achter aan. Natuurlijk gaan we erachteraan. Eerst proberen we hem heel stilletjes te benaderen, zoals we altijd doen wanneer we schildpadden vangen, maar de jongen ziet ons. We zijn niet erg ver van ze af, op dat moment, begrijp je. Niet verder dan van hier naar het water. En als die jongen ons ziet, buigt hij een beetje voorover, alsof hij iets tegen die ouwe schildpad zegt, en de schildpad tilt zijn kop op en hij begint me daar toch te zwemmen, alsof de duivel ‘m op de hielen zit. Man, wat kan die schildpad zwemmen! Tom en ik kunnen behoorlijk hard peddelen, wanneer we zin hebben, maar tegen dat monster hebben we geen kans! Geen schijn van kans! Hij gaat zeker twee keer zo hard als wij! Makkelijk twee keer zo hard, wat jij, Tom?”
“Ik zeg dat hij wel drie keer zo hard gaat,” zei Tom. “En ik zal je zeggen waarom. In zo’n tien à vijftien minuten zijn ze ons een mijl voor.”
“Maar waarom riep je in godsnaam niets naar de jongen?” vroeg de bedrijfsleider. “Waarom zeiden jullie niks tegen ‘m toen jullie nog dicht bij ‘m waren?”
“We hebben aan een stuk door geroepen, man!” riep Willy. “Zodra de jongen ons ziet en we niet meer stilletjes bij ze proberen te komen, beginnen we te schreeuwen. We hebben van alles tegen dat joch geroepen, alles wat we maar konden bedenken om hem aan boord te krijgen. ‘Hé, jongen,’ schreeuw ik, ‘ga met ons mee terug! We zullen je een lift naar huis geven! Spring eraf en zwem hierheen nu je de kans nog hebt, dan vissen we je wel op! Vooruit knul, spring dan! Je mamma zit vast thuis op je te wachten, kom dus maar gauw met ons mee!’ En een keer heb ik naar ‘m geroepen: ‘Hoor es, jongen! We zullen je wat beloven! We beloven je die ouwe schildpad niet te vangen, als je met ons mee teruggaat!’ ”
“Zei hij niks terug?” vroeg de bedrijfsleider.
“Hij kijkt nog niet eens om!” zei Willy. “Hij zit boven op dat schild en zwaait zo’n beetje van achteren naar voren met zijn lichaam, alsof hij de ouwe schildpad steeds vlugger en vlugger wil laten gaan! Dat kleine jochie zijn jullie kwijt, meneer Edwards, als er niet iemand als de bliksem heen gaat en ‘m eraf haalt!”
Het doorgaans roze gezicht van de bedrijfsleider was nu spierwit geworden. “Welke kant gingen ze op?” vroeg hij scherp.
“Naar het noorden,” antwoordde Willy. “Bijna recht naar ‘t noorden.”
“Juist!” zei de bedrijfsleider. “We zullen de speedboot nemen! Jou wil ik mee hebben, Willy. En jou ook, Tom.”
De bedrijfsleider, de twee politieagenten en de twee vissers renden naar de plaats waar de boot, die voor het waterskiën gebruikt werd, op het strand lag. Ze duwden de boot de zee in en zelfs de bedrijfsleider hielp een handje mee, met zijn keurig geperste witte broek tot aan zijn knieën in het water. Daarna klommen ze er allemaal in.
Ik zag ze wegzoeven.
Twee uur later zag ik ze terugkomen. Ze hadden niets gevonden.
Die hele dag zochten speedboten en jachten van de andere hotels langs de kust de oceaan af. ‘s-Middags huurde de vader van de jongen een helikopter. Hij ging zelf mee en ze bleven wel drie uur in de lucht. Ze vonden geen spoor van de schildpad of de jongen.
Een week lang gingen ze door met zoeken, maar zonder resultaat.
En nu is er bijna een jaar voorbijgegaan sinds het gebeurde. In al die tijd is er maar één klein interessant nieuwsberichtje geweest. Een stel Amerikanen uit Nassau op de Bahama-eilanden waren aan het diepzee-vissen in de buurt van een groot eiland dat Eleuthera heet. In dat gebied zijn letterlijk duizenden koraalriffen en onbewoonde eilandjes, en op een van die kleine eilandjes zag de kapitein van het jacht door zijn verrekijker een klein menselijk figuurtje. Er was een zandstrand op dat eilandje en dat kleine figuurtje liep op het strand. De verrekijker werd doorgegeven en iedereen die erdoor keek was het erover eens dat het een kind moest zijn. Er heerste opwinding aan boord en de vislijnen werden snel ingehaald. De kapitein stuurde zijn jacht op het eiland af. Toen ze er zo’n halve kilometer van af waren, konden ze door de verrekijker duidelijk zien dat het figuurtje op het strand een jongen was, erg gebruind door de zon, maar vrijwel zeker blank, geen neger. Op datzelfde ogenblik merkten de toeschouwers op het jacht nog iets op, iets op het zand naast de jongen wat leek op een reuzenschildpad. Wat toen gebeurde, gebeurde razendsnel. De jongen, die het naderende jacht waarschijnlijk in de gaten had gekregen, sprong op de rug van de schildpad en het enorme dier ging het water in en zwom met grote snelheid om het eiland heen, uit het gezicht. Het jacht heeft twee uur gezocht, maar er is geen glimp meer opgevangen van de jongen of van de schildpad.
Er is geen reden om dit bericht niet te geloven. Er waren vijf mensen op het jacht. Vier van hen waren Amerikanen en de kapitein was een inwoner van Nassau op de Bahamas. Allemaal hebben ze op hun beurt de jongen en de schildpad gezien door de verrekijker.
Om van Jamaica over zee bij het eiland Eleuthera te komen, moet je eerst driehonderdvijftig kilometer naar het noordoosten tussen Cuba en Haïti door reizen. Dan moet je minstens vijfhonderd kilometer noordnoordwest koersen. Dat is bij elkaar een afstand van achthonderdvijftig kilometer, wat een heel erg lange reis is voor een klein jongetje op het schild van een reuzenschildpad.
Wat moeten we van dit alles denken?
Misschien komt hij nog wel eens terug op een goede dag, maar zelf geloof ik daar niet in. Ik heb zo ‘t gevoel dat hij heel gelukkig is waar hij nu is.