Een buitenkansje
(Hoe ikschrijver werd)
Een schrijver is iemand die verhalen verzint. Maar hoe begin je met zo’n beroep? Hoe wordt iemand een echte beroepsschrijver?
Charles Dickens vond het makkelijk. Toen hij vierentwintig jaar oud was ging hij gewoon zitten en schreef de Pickwick Papers, wat onmiddellijk een bestseller werd. Maar Dickens was een genie, en genieën zijn anders dan wij.
In de twintigste eeuw (daarvoor was dat niet altijd zo) is bijna iedere schrijver die uiteindelijk succes kreeg, begonnen in een heel ander beroep, onderwijzer misschien, of dokter, journalist of advocaat. (Alice in Wonderland is geschreven door een wiskundige, en De wind in de wilgen door een ambtenaar.) De eerste pogingen om te schrijven moesten ze daarom in hun vrije tijd doen, meestal ‘s nachts.
De reden hiervoor spreekt vanzelf. Wanneer je volwassen bent moet je je brood verdienen. En om je brood te verdienen, moet je een baan hebben. Zo mogelijk moet je een baan zien te krijgen die je elke week een vast inkomen garandeert. Maar hoe graag je ook van het schrijven je beroep wilt maken, het zou zinloos zijn naar een uitgever te stappen en te zeggen: “Ik wil een baan als schrijver.” Als je dat deed, zou hij je vertellen op te hoepelen en eerst maar eens dat boek te schrijven. En zelfs wanneer je met een kant-en-klaar boek bij hem aankwam en hij dat goed genoeg vond om uit te geven, dan nog zou hij je geen baan geven. Hij geeft je misschien een voorschot van een paar duizend euro, maar dat zou hij later weer van je royalty’s aftrekken. (Een royalty, tussen twee haakjes, is het geld dat een schrijver van een uitgever krijgt voor ieder boek dat verkocht wordt. Het gemiddelde dat een schrijver krijgt is tien procent van de prijs van het boek in de boekhandel. Dus krijgt een schrijver voor een boek dat voor twintig euro verkocht wordt twee euro. Voor een pocketboek van vier euro zou hij veertig eurocent krijgen.)
Het komt vaak voor dat een hoopvolle romanschrijver twee jaar al zijn vrije tijd gebruikt om een boek te schrijven dat geen enkele uitgever wil uitgeven. Daar krijgt hij helemaal niets voor, behalve een gevoel van frustratie.
Als hij geluk heeft en zijn boek door een uitgever wordt geaccepteerd, dan is de kans groot dat van zo’n eerste boek uiteindelijk nog maar drieduizend stuks worden verkocht. Dat levert hem op zijn best vijfduizend euro per jaar op. De meeste boeken kosten minstens een jaar schrijven en vijfduizend euro is tegenwoordig niet genoeg om van te leven. Dus je begrijpt waarom een aspirant-schrijver altijd begint in een ander beroep. Als hij dat niet doet, dan heeft hij niks te eten.
Hier zijn een paar eigenschappen die je moet hebben of je eigen moet maken wanneer je schrijver wilt worden:
1. Je moet een levendige fantasie hebben.
2. Je moet goed kunnen schrijven. Daarmee bedoel ik dat je een bepaalde gebeurtenis bij de lezer moet kunnen laten leven. Dat kan niet iedereen. Dat is een talent, dat je hebt of niet.
3. Je moet doorzettingsvermogen hebben, met andere woorden, je moet kunnen doorgaan zonder op te geven, uur na uur, dag na dag, week na week en maand na maand.
4. Je moet een perfectionist zijn. Dat betekent dat je niet tevreden mag zijn met wat je geschreven hebt tot je het over en overgeschreven hebt, tot je zeker weet dat je niet beter kan.
5. Je moet veel zelfdiscipline hebben. Je werkt alleen. Je bent bij niemand in dienst. Niemand zal je ontslaan als je niet aan het werk gaat, of je een standje geven wanneer je het erbij laat zitten.
6. Het helpt een hoop als je gevoel voor humor hebt. Bij het schrijven voor volwassenen is dat niet absoluut noodzakelijk, maar voor kinderen is het essentieel.
7. Je moet bescheiden zijn. De schrijver die zijn werk geweldig vindt krijgt moeilijkheden.
Laat ik jullie vertellen hoe ik door een achterdeur in de schrijverij belandde.
Toen ik acht jaar oud was, in 1924, werd ik naar kostschool gestuurd in een stadje dat Weston-super-Mare heette, aan de zuidwestkust van Engeland. Dat waren dagen van angst, van harde discipline, van niet praten op de slaapzaal, niet hollen in de gang, geen enkele slordigheid, niet dit, niet dat, niks niet, alleen maar regels, regels en nog meer regels, waar je je aan te houden had. En de angst voor het gevreesde rietje hing de hele tijd boven ons hoofd, als de angst voor de dood.
“Je wordt in de studeerkamer van het hoofd verwacht.” Woorden van noodlot, die de koude rillingen over je maagwand joegen. Maar je ging, negen jaar oud misschien, door de lange, grauwe gangen en door een poortje, dat naar het privé-terrein van het hoofd leidde, waar je alleen maar verschrikkingen wachtten en de geur van pijptabak zwaar in de lucht hing als wierook. Je stond voor die vreselijke zwarte deur en durfde zelfs niet aan te kloppen. Je haalde een paar keer diep adem. Was moeder maar hier, zei je tegen jezelf, zij zou dit nooit hebben laten gebeuren. Ze was niet hier. Je was alleen. Je hief een hand op en klopte zachtjes, één keer.
“Binnen. Aja, daar hebben we Dahl. Wel, Dahl, het is ter mijner attentie gebracht dat jij gisteravond gepraat hebt tijdens het studie-uur.”
“Ja maar, meneer, ik had mijn punt gebroken en ik vroeg alleen maar aan Jenkins of hij mij een potlood kon lenen.”
“Praten tijdens het studie-uur is niet toegestaan. Dat weet je heel goed.” En deze reus van een man liep al naar de hoge hoekkast en reikte naar boven, waar zijn rietjes lagen.
“Jongens die de regels overtreden moeten gestraft worden.”
“Maar…maar…mijn punt was gebroken…en ik…”
“Dat is geen excuus. Ik zal je moeten leren dat van praten tijdens het studie-uur niets goeds komt.” Hij pakte een rietje, dat bijna een meter lang was, met een gebogen handvat aan het uiteinde. Het was dun en wit en zwieperig.
“Buig je voorover, zodat je vingers je tenen raken. Daar bij het raam.”
“Maar meneer…”
“Niet tegenspreken. Doe wat ik zeg.”
Ik boog voorover. En wachtte. Hij liet je altijd zo’n tien seconden wachten, tot je knieën begonnen te knikken.
“Lager jongen! Raak je tenen aan!”
Ik staarde naar de punten van mijn zwarte schoenen en vertelde mezelf dat zo meteen die man mij met zijn stok zo hard zou afranselen, dat mijn achterwerk volkomen van kleur zou veranderen. De striemen waren altijd heel lang en liepen precies over beide billen, blauwzwart met heirode randen, en wanneer je daarna heel voorzichtig je vingers eroverheen liet glijden, voelde je de inkepingen.
Zzwizz…! Krak!
Dan kwam de pijn. Die was ongelooflijk, ondraaglijk, verschrikkelijk. Het was alsof iemand een withete pook op je achterwerk legde en flink aandrukte.
De tweede slag kwam zo meteen en het kostte je al je zelfbeheersing nietje handen omhoog te steken om hem af te weren. Dat was de instinctieve reactie. Maar als je dat deed zouden je vingers gebroken worden.
Zzwizz…! Krak!
De tweede kwam precies naast de eerste terecht en de withete pook drukte dieper en dieper in de huid.
Zzwizz…! Krak!
Bij de derde slag bereikt de pijn het toppunt. Erger kon niet. Op geen enkele manier kon de pijn intenser worden. Alle slagen daarna verlengden de marteling alleen maar. Je probeerde het niet uit te schreeuwen. Soms kon je het niet helpen. Maar of je je nu stil kon houden of niet, het was onmogelijk je tranen in te houden. Die stroomden langs je wangen en drupten op het tapijt.
Het belangrijkste was nooit op te veren of overeind te komen wanneer je geraakt werd. Als je dat deed, kreeg je er nog een extra.
Langzaam, bedaard de tijd ervoor nemend, diende het hoofd de volgende drie slagen toe. Zes in totaal.
“Je kunt gaan.” De stem leek uit een grot, mijlen ver weg, te komen, en langzaam kwam je overeind, in een waas van pijn. Je greep met beide handen je brandende billen vast, zo stevig als je maar kon, en stapte de kamer uit op de uiterste puntjes van je tenen.
Dat wrede rietje regeerde ons leven. We werden geslagen voor praten in de slaapzaal nadat de lichten uit waren, voor praten onder de les, voor slechte prestaties, voor het uitsnijden van je initialen in de bank, voor over muren klimmen, voor slordig eruitzien, voor het gooien met paperclips, voor het vergeten ‘s-avonds je sloffen aan te doen, voor het niet ophangen van je gymkleren, en vooral voor de minste geringste aanstoot aan welke meester dan ook. Met andere woorden: we kregen slaag voor alles wat kleine jongens normaal doen.
Dus pasten we op onze woorden. En we pasten op onze tellen. Lieve hemel, wat pasten wij op onze tellen. We werden ongelofelijk waakzaam. Waar we ook gingen, wat we ook deden, altijd waren we op onze hoede, met schichtig omhoog gestoken oren, zoals wilde dieren, die bedacht op gevaar door de bossen sluipen.
Naast de meesters was er nog een man op school waar we vreselijk bang voor waren. Dat was meneer Pople. Meneer Pople was een pafferige kerel met een knalrode kop, die als conciërge, portier en manusje-van-alles fungeerde. Zijn macht ontleende hij aan het feit dat hij ons voor het minste of geringste bij het hoofd kon aangeven en dat liet hij dan ook niet na. Zijn grote moment kwam elke ochtend om precies half acht, wanneer hij aan het einde van de grote gang stond en de bel luidde.
De bel was een enorm, koperen ding met een dik, houten handvat en meneer Pople zwaaide die altijd heen en weer op een heel speciale eigen manier, zodat het klonk als rinkele-kink-kink, rinkele-kink-kink, rinkelekink-kink. Op het geluid van de bel gingen alle jongens op onze school, honderdtachtig bij elkaar, keurig in de gang in het gelid staan. Zo stonden we dan aan beide kanten in rijen tegen de muur, stram in de houding, te wachten op de inspectie van het hoofd.
Maar het duurde altijd minstens tien minuten voor het hoofd verscheen, en in die tussentijd voerde meneer Pople een ceremonie uit die zo buitengewoon eigenaardig was, dat ik ook nu nog bijna niet kan geloven dat dat echt gebeurde. Er waren zes wc’s in de school, genummerd van een tot zes. Aan het einde van de lange gang stond meneer Pople met zes kleine koperen schijfjes, ieder met een nummer erop, van een tot zes. Er heerste een doodse stilte, terwijl hij langzaam zijn ogen langs beide rijen stokstijf staande jongens liet dwalen. Dan blafte hij een naam: “Arkle!”
Arkle deed een stap naar voren en stapte kordaat de gang af naar meneer Pople; die overhandigde hem een koperen schijfje. Dan marcheerde Arkle naar de wc’s. Daarvoor moest hij de hele lengte van de gang aflopen, langs al die onbeweeglijke jongens en dan linksaf. Zodra hij uit het zicht verdwenen was, mocht hij naar de schijf kijken om te zien welk wc-nummer hij gekregen had.
“Highton!” blafte meneer Pople en nu kwam Highton naar voren om zijn schijf te halen en weg te marcheren.
“Angel…!”
“Williamson…!”
“Gaunt…!”
“Price…!”
De zes jongens die op deze willekeurige wijze door meneer Pople waren uitgekozen, werden zo naar de wc gestuurd om hun behoefte te doen. Geen mens vroeg ze of ze wel of niet moesten om half acht ‘s-morgens voor het ontbijt. Het werd ze gewoon opgedragen. Maar wij beschouwden het als een groot voorrecht gekozen te worden, want dat betekende dat wij tijdens de inspectie van het hoofd veilig buiten bereik, in zalige afzondering zouden zitten.
Na enige tijd kwam dan het hoofd uit zijn privé-vertrekken opdagen en nam het van meneer Pople over. Langzaam wandelde hij langs de ene kant van de gang en inspecteerde iedere jongen uiterst nauwkeurig, terwijl hij zijn horloge om zijn pols vastgespte. Die ochtendinspectie was een zenuwslopende zaak. We waren allemaal als de dood voor de twee scherpe bruine ogen onder die zware wenkbrauwen, die zo langzaam op en neer langs je lichaam gleden.
“Ga weg en ga behoorlijk je haar kammen. En laat het niet meer gebeuren, anders zwaait er wat.
Laat je handen eens zien. Er zit inkt op. Waarom heb je dat er gisteravond niet afgewassen?
Je das zit scheef, jongen. Kom naar voren en doe ‘m opnieuw. En deze keer goed.
Er zit modder op die schoen. Heb ik je daar vorige week al niet eens op gewezen? Ik verwacht je na het ontbijt in mijn studeerkamer.”
En zo ging het maar door, die hele afgrijselijke ochtendinspectie. En wanneer het afgelopen was, het hoofd weg was en meneer Pople ons klas na klas naar de eetzaal dirigeerde, waren er heel wat jongens die geen trek meer hadden in de klonterige pap die ons wachtte.
Ik heb nog steeds al mijn rapporten uit die dagen, nu meer dan vijftig jaar geleden, en ik heb ze stuk voor stuk doorgekeken om te zien of ik ergens iets zou kunnen vinden dat wees op een toekomstig schrijverschap. Waar je natuurlijk speciaal naar moest kijken waren taal en opstellen. Maar al mijn rapporten zeiden weinig over dat onderwerp, op één na. Het rapport dat mij opviel, was het kerstrapport van 1928. Ik was toen twaalf en mijn leraar was meneer Victor Corrado. Ik herinner me hem heel duidelijk: een lange knappe atleet met golvend haar en een Griekse neus (die er later op een nacht met de Matron vandoor is gegaan en die we nooit meer teruggezien hebben). In ieder geval was het zo dat meneer Corrado ons behalve les in opstellen schrijven ook boks-les gaf, en in dit speciale rapport stond bij taal: “Zie de opmerkingen onder boksen. Precies hetzelfde is van toepassing.” Dus kijken we bij boksen en daar staat: “Te langzaam en te stijf. Zijn stoten zie je allang van tevoren aankomen en zijn dus altijd te laat.”
Maar een keer per week op die school, elke zaterdagochtend, elke prachtige, zalige zaterdagochtend, verdwenen al die huiveringwekkende engigheden en voelde ik iets dat heel dicht bij extase kwam. Ongelukkigerwijs gebeurde dat pas als je tien jaar oud was. Maar dat doet niet terzake. Laat ik proberen te vertellen wat het precies was.
Elke zaterdagochtend om half elf precies ging meneer Poples gehate bel van rinkele-kink-kink. Dit was het sein voor de volgende gebeurtenissen. Eerst gingen alle jongens tot en met negen jaar (zo’n zeventig bij elkaar) dadelijk naar een grote geasfalteerde speelplaats achter het hoofdgebouw. Daar op die speelplaats stond dan wijdbeens, met de armen gekruist over haar geweldige boezem, juffrouw Davis. Als het regende moesten de jongetjes hun regenjassen aanhebben. Als het sneeuwde of stormde winterjassen en dassen. En schoolpetten—grijs met een rood insigne voorop—moesten natuurlijk altijd gedragen worden. Maar geen enkel ingrijpen van hogerhand, geen tornado, orkaan of vulkanische uitbarsting werd toegestaan een beletsel te vormen voor deze afgrijselijke twee-uur-lange zaterdagochtendwandelingen, die de zeven-, acht- en negenjarige jongetjes moesten ondergaan op de winderige boulevards van Weston-super-Mare, op zaterdagochtend. Ze liepen dan twee aan twee in een lange slang, met mejuffrouw Davis ernaast in een tweed rok en wollen kousen en met een vilthoed waar ratten aan geknaagd moeten hebben.
De tweede gebeurtenis wanneer meneer Poples bel ging op zaterdagochtend, was dat de rest van de jongens, van tien en ouder (zo’n honderd bij elkaar) onmiddellijk samenkwamen in de grote aula en gingen zitten. Een van de jongere meesters, die S.K. Jopp heette, stak zijn hoofd om de deur en schreeuwde ons dan toe met zoveel furie, dat druppels spuug als kogels uit zijn mond vlogen en aan de andere kant tegen de ramen kletsten. “Nou dan!” schreeuwde hij. “Mond dicht! Stil zitten! Voor je kijken! Handen op tafel!” En weg was hij weer.
We bleven stil zitten wachten. We wachtten op de heerlijke tijd die nu gauw zou komen, zoals we wisten. Buiten op de oprijlaan hoorden we hoe de auto’s gestart werden. Allemaal even antiek. Allemaal moesten ze met de hand aangeslingerd worden. (Vergeet niet dat het omstreeks 1927⁄1928 was.) Dit was een zaterdagochtendritueel. Er waren vijf auto’s in totaal, en daarin propte zich de hele staf van veertien meesters, waaronder niet alleen het hoofd zelf, maar ook meneer Pople met zijn rode kop. Dan raasden ze weg in een wolk blauwe rook en kwamen tot stilstand voor een café, dat als ik me goed herinner, ‘De bakkebaarden van de graaf’ heette. Daar bleven ze dan tot vlak voor de lunch en dronken liters sterk bruin bier. En tweeënhalf uur later, om één uur, zagen we ze weer terugkomen en heel omzichtig, zo nu en dan steun zoekend, de eetzaal binnenlopen.
Tot zover wat de meesters betreft. En wij dan, die grote massa, tien-, elf- en twaalfjarigen, die daar in de zaal achterbleven in een school die plotseling zonder één enkele volwassene was? Wij wisten natuurlijk precies wat er zou gaan gebeuren. Binnen een minuut na het vertrek van de meesters zouden we de voordeur horen opengaan en voetstappen horen, en dan zou met fladderende kleren, rinkelende armbanden en wilde haren een vrouw binnenstormen onder het roepen van: “Hallo allemaal! Kijk es wat vrolijker, dit is geen begrafenis!” Of zoiets. En dat was nou mevrouw O’Connor.
Gezegende, mooie mevrouw O’Connor met haar flodderige kleren en haar grijze haar dat alle kanten op piekte. Ze was zo’n vijftig jaar oud en had een paardengezicht en lange gele tanden. Maar in onze ogen was ze mooi. Ze hoorde niet tot de staf. Ze kwam ergens uit het stadje en was gehuurd voor de zaterdagochtend, als een soort babysitter, om ons tweeënhalf uur zoet te houden terwijl de meesters zich bedronken in het café.
Maar mevrouw O’Connor was geen babysitter. Ze was niet minder dan een geweldig en begenadigd lerares, een geleerde en een echte liefhebber van Engelse literatuur. We hadden haar allemaal drie jaar lang (van ons tiende jaar tot we van school gingen) elke zaterdagmorgen en in die tijd werkten we de hele geschiedenis van de Engelse literatuur door, vanaf het jaar 597 tot het begin van de negentiende eeuw.
Nieuwelingen kregen een dun, blauw boekje, dat ze mochten houden, dat gewoon Chronologische tabel heette en maar zes bladzijden lang was. Die zes bladzijden bevatten een heel lange lijst van alle grote en minder grote mijlpalen, in chronologische volgorde, in de Engelse literatuur, met de jaartallen ernaast.
Precies honderd werden daar door mevrouw O’Connor uitgekozen en die streepten we aan in onze boekjes en leerden we uit ons hoofd.
Hier zijn er een paar die ik me nog herinner:
- 597 St. Augustinus landt bij Thanet en brengt het christendom in Engeland
- 731 Ecclesiastical History van Bede
- 1215 De ondertekening van de Magna Charta
- 1399 Vision of Piers Plowman van Langland
- 1476 Caxton stelt de eerste drukpers in gebruik in Westminster
- 1478 Canterbury Tales van Chaucer
- 1485 Morte d’Arthur van Malory
- 1590 Faërie Queene van Spenser
- 1623 Het eerste geschrift van Shakespeare
- 1667 Paradise Lost van Milton
- 1668 Essays van Dryden
- 1678 Pilgrim’s Progress van Bunyan
- 1711 Spectator van Addison
- 1719 Robinson Crusoe van Defoe
- 1726 Gulliver’s Travels van Swift
- 1733 Essay on Man van Pope
- 1755 Dictionary van Johnson
- 1791 Life of Johnson van Boswell
- 1833 Sartor Resartus van Carlyle
- 1859 Origin of Species van Darwin
Mevrouw O’Connor nam dan elk onderwerp op zijn beurt en praatte daar een hele zaterdagochtend over. Tweeënhalf uur achter elkaar. Op die manier had ze na driejaar, met zo’n zesendertig zaterdagen per schooljaar, alle honderd onderwerpen behandeld. En wat een wonderbaarlijke en opwindende uren waren het! Ze bezat die ene gave van de echte goede leraar om alles waar ze het over had, daar in die zaal tot leven te brengen. In tweeënhalf uur leerden we houden van Langland en zijn Piers Plowman. De volgende zaterdag was het Chaucer en van hem hielden we ook. Zelfs zulke moeilijke kerels als Milton, Dryden en Pope werden fascinerend wanneer mevrouw O’Connor over hun leven vertelde en gedeelten uit hun werk voorlas. En het gevolg was, bij mij tenminste, dat ik op dertienjarige leeftijd diep doordrongen was van het omvangrijke erfgoed van literatuur dat door de eeuwen heen in Engeland was opgebouwd. Bovendien werd ik een verwoed en onverzadigbaar lezer van goede boeken.
Lieve, aanbiddelijke mevrouw O’Connor! Misschien was het het toch waard naar die afschuwelijke kostschool te gaan, alleen maar om de verrukking van haar zaterdagochtenden te mogen beleven.
Toen ik dertien was ging ik van die school af en werd ik naar een van onze beroemde Engelse public schools gestuurd, opnieuw intern. Die scholen zijn natuurlijk helemaal niet public, openbaar. Ze zijn ontzettend particulier en duur. De mijne heette Repton, in Derbyshire, en het hoofd van die school was in die tijd de eerwaarde Geoffrey Fisher, die later bisschop van Chester werd en daarna aartsbisschop van Canterbury. In deze laatste baan kroonde hij koningin Elizabeth II in de Westminster Abbey.
In de kleren die we op deze school moesten dragen, leken we op leerling-doodgravers. Het jasje was zwart, met revers en lange panden van achteren, die tot over de knieholten hingen. De broek was zwart met dunne grijze strepen. De schoenen waren zwart. En het zwarte vest had elf knopen, die je elke ochtend moest dichtmaken. De das was zwart. Dan waren er nog een stijfgesteven witte vlinderdas en een wit overhemd.
En alsof het allemaal nog niet potsierlijk genoeg was, was er ook nog de strohoed, die je altijd buiten op moest hebben, behalve bij sport. En omdat die hoeden soppig werden als het regende, droegen we paraplu’s.
Je kunt je voorstellen hoe ik me voelde toen mijn moeder mij in die dwaze kleren in Londen op de trein zette aan het begin van mijn eerste kwartaal. Ze gaf me een zoen en daar ging ik.
Ik hoopte natuurlijk dat mijn zo gemartelde achterwerk op mijn nieuwe en wat meer volwassen school eindelijk met rust gelaten zou worden, maar het mocht niet zo zijn. Het geransel op Repton was nog furieuzer en nog veelvuldiger dan alles wat ik tot dan toe had meegemaakt. En denk maar niet dat de toekomstige aartsbisschop van Canterbury bezwaar maakte tegen deze smerige praktijken. Hij stroopte zijn mouwen op en deed enthousiast mee. Zijn aframmelingen waren verreweg de ergste, de echt angstwekkendste gebeurtenissen. Sommige ranselpartijen die deze heilige man, dit toekomstige hoofd van de kerk van Engeland uitvoerde, waren bij de beesten af. Ik weet van een geval waarbij hij na afloop een bak water, een spons en een handdoek moest halen, zodat zijn slachtoffer het bloed kon afwassen.
Niet zo leuk.
Het deed aan de Spaanse inquisitie denken.
Maar het akeligste van alles was, denk ik, het feit dat oudere jongens, de prefecten, het recht hadden hun medeleerlingen te slaan. Dit gebeurde dagelijks. De grote jongens (van 17 of 18) ranselden dan de kleinere jongens (van 13,14, of 15) afin een sadistisch ritueel dat ‘s nachts plaatsvond, nadat je naar de slaapzaal gegaan was en je pyjama had aangetrokken.
“Je moet in de kleedkamer komen.”
Met stuntelige vingers deed je dan je kamerjas aan en je sloffen. Dan strompelde je naar beneden, de grote kamer met de houten vloer in, waar de sportkleren aan de muren hingen. Een enkele kale peer hing aan het plafond. Een prefect, pompeus maar heel gevaarlijk, wachtte je op in het midden van de kamer. In zijn handen hield hij een lang rietje, dat hij doorgaans op en neer zwiepte als je binnenkwam.
“Ik denk dat je wel weet waarom je hier bent,” zei hij dan.
“Nou, ik…”
“Je hebt nu al twee dagen achter elkaar mijn toast laten verbranden!”
Laat ik deze absurde opmerking even uitleggen. Je was de fag van deze prefect. Dat betekende dat je zijn bediende was en een van je talloze plichten was om elke dag op theetijd brood voor hem te roosteren. Daartoe gebruikte je een lange roostervork met drie tanden, waar je het brood op stak en waarmee je het voor een haardvuur hield, eerst de ene kant en dan de andere. Maar het enige vuur dat daarvoor gebruikt mocht worden, was in de bibliotheek en tegen theetijd waren er nooit minder dan een dozijn arme jongens, die worstelden om een plaatsje bij het kleine vuurtje te bemachtigen. Ik was daar niet zo goed in. Meestal hield ik de boterham te dichtbij, zodat die verbrandde. Maar omdat we niet om een tweede boterham mochten vragen, voor een tweede poging, was het enige wat erop zat te proberen het zwart eraf te schrapen met een mes. Dat bleef zelden onopgemerkt. De prefecten waren experts in het opsporen van schraapplekken. Je zag jouw kwelgeest daar aan de voorste tafel zitten, zijn toast opnemen, omdraaien en zorgvuldig bestuderen, alsof het een kostbaar schilderijtje was. Dan fronste hij zijn wenkbrauwen en wist je dat je er gloeiend bij was.
Nu was het dus avond en daar stond je in de kleedkamer in je kamerjas en je pyjama, en de jongen wiens toast je had laten verbranden, onderhield je over je misdaad.
“Ik houd niet van verbrande toast.”
“Ik hield het te dicht bij het vuur. Het spijt me.”
“Je mag kiezen, vier met kamerjas of drie zonder.”
“Vier met kamerjas,” zei ik.
Dit was een traditionele vraag. Het slachtoffer mocht altijd kiezen. Maar mijn eigen kamerjas was een dikke, bruine kameelharen jas en ik twijfelde er geen moment aan dat dit de beste keus was. Met alleen een pyjama aan geslagen te worden was geweldig pijnlijk en je huid ging bijna altijd kapot. Maar mijn kamerjas verhinderde dat. De prefect wist dat natuurlijk heel goed en daarom sloeg hij je, wanneer je voor de extra slag en de kamerjas had gekozen, ook zo hard als hij maar kon. Soms nam hij een aanloopje, dan drie à vier stapjes op zijn tenen, om er meer vaart en kracht achter te zetten; maar hoe dan ook, het was altijd een gruwelijke zaak.
Vroeger was het zo dat er, wanneer een man op het punt stond opgehangen te worden, een doodse stilte viel over de hele gevangenis en de andere gevangenen roerloos in hun cellen zaten tot het voorbij was. Iets dergelijks gebeurde op school wanneer iemand een pak slaag kreeg. Boven op de slaapzalen zaten de jongens stil op hun bedden uit medeleven met het slachtoffer, en in die stilte klonk vanuit de kleedkamer beneden de krak van elke slag die werd toegediend.
Mijn rapporten van deze school zijn wel interessant. Hier zijn er vier, woordelijk overgenomen van de originele papieren:
Zomer 1930 (14 jaar oud). Opstellen: Ik heb nog nooit een jongen meegemaakt die zo hardnekkig precies het tegenovergestelde schrijft van wat hij bedoelt. Hij lijkt niet in staat te zijn op papier zijn gedachten te ordenen.
Pasen 1931 (15 jaar oud). Opstellen: Een hardnekkig warhoofd, zeer beperkte woordenschat, slecht lopende zinnen. Hij doet me aan een kameel denken.
Zomer 1932 (16 jaar). Opstellen: Deze jongen is een lui en ongeletterd lid van de klas.
Herfst 1932 (17 jaar). Opstellen: Consequent lui. Beperkte fantasie. (En onder dit rapport had de toekomstige aartsbisschop van Canterbury met rode inkt geschreven: Hij dient de gebreken in dit rapport te corrigeren.)
Het zal niemand verbazen dat het in die dagen niet in mijn hoofd opkwam schrijver te worden.
Toen ik in 1934 op achttienjarige leeftijd van school kwam, wees ik mijn moeders aanbod (mijn vader stierf toen ik drie was) om naar de universiteit te gaan van de hand. Als je geen dokter, advocaat, natuurkundige, ingenieur of zoiets wilde worden, zag ik het nut niet in van drie of vier jaar in Oxford of Cambridge te verspillen, en zo denk ik er nog steeds over. In plaats daarvan koesterde ik de hartenwens om eropuit te trekken, te reizen en verre landen te zien. Er waren vrijwel geen commerciële vliegtuigen in die dagen en een reis naar Afrika of het Verre Oosten kostte verscheidene weken.
Dus trad ik in dienst bij wat de oosterse staf van de Shell Oliemaatschappij genoemd werd. En daar beloofden ze me, dat ik na een opleiding van twee à drie jaar naar het buitenland zou worden uitgezonden.
“Waarheen?” vroeg ik.
“Geen idee,” antwoordde de man. “Dat hangt ervan af waar toevallig een plaats vrijkomt wanneer je boven aan de lijst staat. Het kan Egypte of China of India, of bijna elke plaats ter wereld zijn.”
Dat klonk goed. En dat was het ook. Toen ik drie jaar later aan de beurt kwam om uitgezonden te worden, werd mij meegedeeld dat het Oost-Afrika zou worden. Tropenpakken werden besteld en mijn moeder hielp me mijn koffer pakken.
Ik zou driejaar in Afrika blijven en dan zou ik voor zes maanden met verlof terugkomen. Ik was nu eenentwintig en op weg naar verre landen. Ik voelde me geweldig. Ik scheepte me in in de haven van Londen en we voeren af.
Die reis duurde tweeënhalve week. We gingen door de Golf van Biskaje en deden Gibraltar aan. Via Malta, Napels en Port Said doorkruisten we de Middellandse Zee. We voeren door het Suezkanaal en over de Rode Zee, waar we eerst Port Soedan en daarna Aden binnenliepen. Het was enorm opwindend. Voor het eerst zag ik grote zandwoestijnen en Arabische soldaten op kamelen, en palmen waar dadels aan groeiden, en vliegende vissen en duizenden andere wonderlijke dingen. Ten slotte kwamen we bij Mombasa, in Kenia.
In Mombasa kwam iemand van Shell aan boord en vertelde me dat ik over moest stappen op een klein kustvaartuig naar Dar-es-Salaam, de hoofdstad van Tanganjika (nu Tanzania). En zo ging ik naar Dar-es-Salaam, via Zanzibar.
De twee volgende jaren werkte ik voor Shell in Tanzania, met mijn hoofdkwartier in Dar-es-Salaam. Het was een fantastisch leven. De hitte was verschrikkelijk, maar dat deed er niet toe. We droegen kaki shorts, een open overhemd en een helm op ons hoofd. Ik leerde Swahili spreken. Ik reed het binnenland in en bezocht diamantmijnen, sisalplantages, goudmijnen en alles wat er verder nog was.
Er waren overal giraffen, olifanten, zebra’s, leeuwen en antilopen, en ook slangen, waaronder de zwarte mamba, de enige slang ter wereld die achter je aankomt als hij je ziet. En als hij je inhaalt en bijt, dan ben je er geweest. Ik leerde mijn muggenlaarzen uitschudden voor ik ze aandeed, voor het geval er een schorpioen in zat, en ik kreeg malaria, net als iedereen, en lag drie dagen lang voor Pampus met hoge koortsen.
In september 1939 werd het duidelijk dat er een oorlog op uitbreken stond met Hitler-Duitsland. Tanganjika, dat nog maar twintig jaar daarvoor Duits Oost-Afrika heette, zat nog vol Duitsers. Ze zaten overal. Ze bezaten winkels, mijnen en plantages over het hele land. Zodra de oorlog uitbrak zouden ze opgepakt moeten worden. Maar we hadden in Tanganjika nauwelijks iets wat op een leger leek, alleen maar een paar inheemse soldaten, die Askari’s genoemd werden, en een handjevol officieren. Dus werden wij burgers allemaal tot bijzondere reservisten gebombardeerd. Ik kreeg een band om mijn arm en twintig Askari’s onder mijn bevel. Mijn troepje mannen en ik kregen de opdracht de weg die in het zuiden van Tanganjika naar neutraal Portugees Oost-Afrika leidde, te blokkeren. Dat was een belangrijk karwei, want het zou die weg zijn waarlangs de meeste Duitsers zouden proberen te ontsnappen, wanneer de oorlog uitbrak.
Ik ging met mijn vrolijke troepje met hun geweren en één machinegeweer naar een plaats waar de weg door ondoordringbaar oerwoud liep, zo’n vijftien kilometer buiten de stad, en zette een wegversperring op. We hadden een veldtelefoon, die verbonden was met het hoofdkwartier, zodat we het meteen zouden horen als de oorlog verklaard werd. We maakten het ons gemakkelijk en wachtten. Drie dagen lang wachtten we. En ‘s nachts klonk van alle kanten uit het oerwoud het geroffel van trommels van de inboorlingen, die eigenaardige, hypnotische ritmes voortbrachten. Op een keer liep ik in het donker het oerwoud in en stootte op zo’n vijftig inboorlingen, die in een cirkel rond een vuur hurkten. Maar één man was aan het trommelen. Enkelen dansten rond het vuur. De rest dronk iets uit kokosnootbasten. Ze namen me in hun cirkel op. Het waren prachtmensen. Ik kon met ze praten in hun eigen taal. Ze gaven me een schil gevuld met een dikke grijzige, bedwelmende vloeistof, gemaakt van gegiste maïs. Het heette pomba, als ik het me goed herinner. Ik dronk het op. Het smaakte afschuwelijk.
De volgende middag ging de veldtelefoon en zei een stem: “We zijn in oorlog met Duitsland.” Binnen enkele minuten zag ik in de verte een rij auto’s in wolken stof onze richting uit komen, op de vlucht naar het neutrale gebied van Portugees Oost-Afrika, zo snel als ze konden.
Ho, ho, dacht ik, dat is vechten geblazen. En ik riep naar mijn Askari’s, dat ze zich klaar moesten maken. Maar er werd niet gevochten. De Duitsers, die per slot van rekening doodgewone burgers uit de stad waren, zagen ons machinegeweer en onze geweren en gaven zich meteen over. Binnen een uur hadden we er een paar honderd in handen. Ik had wel een beetje medelijden met ze. Veel kende ik persoonlijk, zoals Willy Hink de horlogemaker en Herman Schneider, de eigenaar van de spuitwaterfabriek. Hun enige misdaad was dat ze Duits waren. Maar ja, het was oorlog, en in de koelte van de avond marcheerden we ze allemaal terug naar Dar-es-Salaam, waar ze in een enorm kamp achter prikkeldraad werden opgesloten.
De volgende dag stapte ik in mijn oude auto en reed noordwaarts naar Nairobi, in Kenia, om me aan te melden bij de RAF. Het was een zware tocht en ik deed er vier dagen over. Hobbelige weggetjes door het oerwoud; brede rivieren, waarbij de auto op een vlot gezet moest worden en door een veerman naar de overkant getrokken met een touw; lange groene slangen, die voor de auto over de weg gleden. (N. B. Nooit over een slang heenrijden, want die kan de lucht ingeworpen worden en in je open auto terechtkomen. Dat is al vaak gebeurd.) Ik sliep ‘s nachts in de auto. Ik kwam langs de voet van een schitterende berg, de Kilimandjaro, met een witte sneeuwhoed op. Ik reed door het Masaigebied, waar de mannen koeienbloed dronken en allemaal meer dan twee meter lang schenen te zijn. Ik kwam bijna in botsing met een giraf op de Serengetivlakte. Maar uiteindelijk kwam ik toch ongedeerd in Nairobi aan en meldde mij bij het RAF-hoofdkwartier op het vliegveld.
Zes maanden lang werden we getraind in kleine vliegtuigjes, die Tiger Moths heetten, en ook dat waren fantastische dagen. In onze kleine Tiger Moths zwierven we rond boven heel Kenia. We zagen geweldige kuddes olifanten. We zagen de roze flamingo’s op het Rudolfmeer. We zagen alles wat er in dat schitterende land te zien is. En vaak moesten we voor het opstijgen de zebra’s van het vliegveld jagen.
Daar in Nairobi werden we met z’n twintigen opgeleid tot piloot. Van deze twintig zijn er zeventien in de oorlog omgekomen.
Van Nairobi stuurden ze ons naar Irak, naar een eenzame troosteloze luchtmachtbasis in de buurt van Bagdad, om onze opleiding te voltooien. De plaats heette Habbaniji, en ‘s middags was het er zo heet (wel vierenvijftig graden in de schaduw) dat we onze hutten niet uit mochten. We lagen alleen maar stil op onze bedden en zweetten. De pechvogels raakten bevangen door de hitte, werden afgevoerd naar het ziekenhuis en moesten daar verscheidene dagen blijven liggen, ingepakt in ijs. Dat was of hun redding of hun genadeslag. Ze hadden vijftig procent kans.
In Habbaniji leerden ze ons met echte gevechtsvliegtuigen vliegen, met machinegeweren. We oefenden het schieten op sleepdoelen, die andere vliegtuigen achter zich aan sleepten, en op voorwerpen op de grond.
Ten slotte was onze opleiding voltooid en werden we naar Egypte gezonden om tegen de Italianen in de woestijn in Libië te vechten. Ik kwam bij het Soste squadron, dat met jagers vloog, en in het begin hadden we alleen maar oude eenpersoonsdubbeldekkers, Gloster Gladiators. De twee machinegeweren waren bij een Gladiator aan weerszijden van de motor aangebracht en de kogels gingen, of je het gelooft of niet, door de propeller heen. Op de een of andere manier waren de geweren zo gesynchroniseerd met de as van de propeller, dat de kogels in theorie de draaiende propellerbladen misten. Maar zoals je al zult vermoeden, haperde er nog al eens wat aan dit ingewikkelde mechanisme en dan schoot de arme piloot in plaats van de vijand zijn eigen propeller aan stukken.
Ikzelf stortte neer in een Gladiator, die ver in de Libische woestijn tussen de vijandelijke linies neerkwam. Het vliegtuig vloog in brand, maar ik slaagde erin eruit te komen en werd ten slotte gered en in veiligheid gebracht door onze eigen soldaten, die in het donker over het zand naar mij toe kropen.
Daardoor kwam ik in het ziekenhuis in Alexandrië terecht voor zes maanden, met een schedelbasisfractuur en een heleboel brandwonden. Toen ik er in april 1941 uitkwam, was mijn eigen squadron naar Griekenland overgeplaatst, om tegen de Duitsers te vechten die vanuit het noorden binnenvielen. Ik kreeg een Hurricane en de opdracht daarmee van Egypte naar Griekenland te vliegen om mij bij mijn squadron te voegen. Nu was een Hurricane iets heel anders dan die oude Gladiator. Hij had acht machinegeweren, vier in iedere vleugel en ze vuurden allemaal tegelijk wanneer je op het kleine knopje aan je stuurknuppel drukte. Het was een magnifiek vliegtuig, alleen had het een vliegbereik van niet meer dan twee uur vliegen. De reis naar Griekenland, non-stop, zou zeker vijf uur duren, steeds boven water. Ze bevestigden extra brandstoftanks op de vleugels. Ze zeiden dat ik het wel zou halen. En dat deed ik uiteindelijk ook. Maar het was op het nippertje. Wanneer je bijna twee meter lang bent, zoals ik, is het geen lolletje om vijf uur lang in zo’n kleine cockpit opgevouwen te zitten.
In Griekenland had de RAF achttien Hurricanes in totaal. De Duitsers hadden minstens duizend vliegtuigen. We hadden het moeilijk. We werden van ons vliegveld buiten Athene (Eleusis) verdreven en vlogen een poosje vanaf een kleine geheime landingsbaan, verder naar het westen (Menidi). Al snel werd deze door de Duitsers ontdekt en vernietigd. Dus vlogen we met de paar toestellen die we nog over hadden naar het zuiden van Griekenland, waar we onze Hurricanes onder olijfbomen verborgen wanneer we niet in de lucht waren.
Maar lang kon dit niet duren. Algauw hadden we nog maar vijf Hurricanes over en er waren niet veel piloten meer in leven. Die vijf toestellen werden naar het eiland Kreta overgevlogen. De Duitsers veroverden Kreta. Enkelen van ons wisten te ontsnappen. Ik was een van de gelukkigen. Uiteindelijk zat ik weer in Egypte. Het squadron werd opnieuw geformeerd en uitgerust met Hurricanes. We werden naar Haifa gestuurd, in wat toen Palestina was (nu Israël), waar we weer tegen de Duitsers en de Vichy-Fransen vochten in Libanon en Syrië.
Daar begon ik last te krijgen van mijn oude hoofdletsel. Hevige hoofdpijnen dwongen me op te houden met vliegen. Ik werd teruggezonden naar Engeland en voer op een troepentransportschip van Suez naar Durban, naar Kaapstad, naar Lagos, naar Liverpool, opgejaagd door Duitse onderzeeboten in de Atlantische Oceaan en de hele laatste week van de reis dagelijks bestookt door Focke-Wulfjagers.
Ik was vier jaar lang weggeweest. Mijn moeder, wier huis in Kent tijdens de slag om Engeland gebombardeerd was en die nu in een klein huisje met een rieten dak in Buckinghamshire woonde, was dolblij me te zien. Mijn vier zusters en mijn broer ook. Ik kreeg een maand verlof. Toen kreeg ik plotseling de mededeling dat ik naar Washington DC in de Verenigde Staten zou worden uitgezonden, als assistent-luchtmachtattaché. Dat was in januari 1942 en een maand tevoren hadden de Japanners de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor gebombardeerd. Dus nu was ook Amerika in oorlog.
Ik was zesentwintig jaar toen ik in Washington aankwam en nog steeds dacht ik geen moment aan schrijven.
Op de ochtend van de derde dag zat ik me in mijn nieuwe kantoor op de Engelse ambassade af te vragen wat ik daar in vredesnaam verondersteld werd te doen, toen er op mijn deur geklopt werd. “Binnen.”
Een heel klein mannetje met een stalen brilletje met dikke glazen schuifelde verlegen de kamer in. “Neemt u me niet kwalijk, dat ik u stoor,” zei hij.
“U stoort helemaal niet,” antwoordde ik. “Ik doe niets.”
Hij stond voor me en keek alsof hij zich niet bepaald op zijn gemak voelde. Ik dacht dat hij misschien een baan kwam vragen.
“Mijn naam,” zei hij, “is Forester. C.S. Forester.”
Ik viel bijna van mijn stoel. “U maakt een grapje!” zei ik.
“Nee hoor,” zei hij glimlachend, “ik ben ‘t heus.”
En hij was het. Het was de grote schrijver in eigen persoon, de geestelijke vader van kapitein Hornblower en de beste verteller van zeeverhalen sinds Joseph Conrad. Ik vroeg hem te gaan zitten.
“Kijk,” zei hij, “ik ben te oud voor de oorlog. Ik woon nu hier. Het enige wat ik kan doen om te helpen, is stukken schrijven over Engeland voor de Amerikaanse kranten en weekbladen. We hebben de hulp van Amerika hard nodig. Een blad, dat de Saturday Evening Post heet, drukt alles wat ik schrijf. Ik heb een contract met ze. En ik ben hierheen gekomen, omdat ik denk dat u een goed verhaal te vertellen hebt. Over vliegen, bedoel ik.”
“Niet beter dan duizend anderen,” zei ik. “Er zijn massa’s piloten die heel wat meer vliegtuigen neergeschoten hebben dan ik.”
“Daar gaat het niet om,” zei Forester. “U bent nu in Amerika en omdat u echt aan de oorlog hebt deelgenomen, bent u een zeldzaam verschijnsel aan deze kant van de Atlantische Oceaan. Vergeet niet, dat ze hier nog maar net bij de oorlog betrokken zijn.”
“Wat wilt u dat ik doe?” vroeg ik.
“Lunch met mij,” zei hij, “en onder het eten kunt u mij er alles van vertellen. Vertel me uw opwindendste avontuur, dan maak ik er een verhaal van voor de Saturday Evening Post. Alle kleine beetjes helpen.”
Ik was opgetogen. Ik had nooit eerder een beroemd schrijver ontmoet. Ik bekeek hem eens goed, zoals hij daar in mijn kantoor zat. Wat me verbaasde was dat hij er zo gewoon uitzag. Er was helemaal niets bijzonders aan hem. Zijn gezicht, zijn manier van praten, zijn ogen achter de bril, zelfs zijn kleren waren doodgewoon. En toch was dit een schrijver die beroemd was over de hele wereld. Zijn boeken werden door miljoenen mensen gelezen. Je zou verwachten dat de vonken van zijn hoofd afsprongen, of op z’n minst had hij een lange groene mantel moeten dragen en een slappe hoed met een brede rand.
Maar niets van dat alles. En het was op dat moment dat ik me voor het eerst begon te realiseren dat er twee verschillende kanten aan een schrijver zitten. Ten eerste de kant die hij het publiek toont, die van een doodgewoon iemand net als iedereen, iemand die gewone dingen doet en gewone taal spreekt. Ten tweede is er de geheime kant, die pas naar voren komt wanneer hij de deur van zijn werkkamer achter zich heeft dichtgedaan en volkomen alleen is. Op dat ogenblik glipt hij een andere wereld binnen, een wereld waarin zijn fantasie de overhand krijgt en hij ook inderdaad leeft op de plaatsen die hij beschrijft. Ikzelf, als dat je mocht interesseren, raak in een soort trance en alles om mij heen verdwijnt. Ik zie nog alleen de punt van de pen over het papier gaan en vaak genoeg gaan twee uren voorbij alsof het een paar seconden zijn.
“Kom mee,” zei C.S. Forester tegen me. “Laten we gaan lunchen. U schijnt toch niets anders te doen te hebben.”
Toen ik aan de zijde van de grote man de ambassade uitliep, was ik buiten mezelf van opwinding. Ik had alle boeken over kapitein Hornblower gelezen en zo ongeveer alles wat hij verder nog had geschreven. Ik was, en ben nog steeds, dol op boeken over de zee. Ik had alles van Conrad gelezen en ook alles van de andere geweldige schrijver over de zee: kapitein Marryat. En nu stond ik hier op het punt te gaan lunchen met iemand die in mijn ogen ook een geweldenaar was. Hij nam me mee naar een klein, duur Frans restaurantje in de buurt van het Mayflower Hotel in Washington. Hij bestelde een uitgebreide lunch. Daarna pakte hij een notitieboekje en een potlood (in 1942 was de ballpoint nog niet uitgevonden) en legde deze op het tafellaken. “Nou dan,” zei hij, “vertel me het opwindendste, of het griezeligste, of het gevaarlijkste dat u hebt meegemaakt toen u oorlogsvlieger was.”
Ik probeerde op gang te komen.
Ik begon hem te vertellen over de keer dat ik neerstortte in de woestijn en mijn toestel in brand vloog.
De dienster bracht twee borden met gerookte zalm. Terwijl we die probeerden op te eten, probeerde ik te praten en probeerde Forester aantekeningen te maken.
De hoofdschotel was gebraden eend met groenten en aardappelen en dikke, machtige jus. Dit was een gerecht waar je zowel je volle aandacht als je beide handen bij nodig had. Mijn verhaal begon te haperen. Forester bleef maar zijn potlood neerleggen om zijn vork te pakken en omgekeerd. Het liep niet zo best. En afgezien daarvan, ben ik ook nooit erg goed geweest in hardop verhalen vertellen.
“Hoor es,” zei ik, “als u wilt, zal ik proberen alles op papier te zetten en het u toesturen. Dan kunt u het op uw gemak herschrijven. Zou dat niet makkelijker zijn? Ik kan het vanavond wel doen.”
Dat was, al had ik daar toen geen idee van, het ogenblik waarop mijn hele leven veranderde.
“Een uitstekend idee,” zei Forester. “Dan kan ik dit stomme boekje tenminste opbergen en kunnen we rustig van ons eten genieten. Zou u het echt niet erg vinden dat voor me te doen?”
“Absoluut niet,” zei ik, “maar verwacht er niks van. Ik zet alleen de feiten achter elkaar.”
“Dat geeft niet,” zei hij. “Als ik de feiten maar heb, kan ik er een verhaal van maken. Maar alleen,” voegde hij eraan toe, “wel graag zoveel mogelijk details. Daar gaat het in ons werk om, de piepkleine details, zoals dat de veter van die linkerschoen los was, of een vlieg op de rand van je glas zat bij de lunch, of dat de man met wie je praatte een stukje van zijn voortand miste. Probeer het in je geheugen terug te brengen en je elk dingetje te herinneren.”
“Ik zal mijn best doen,” zei ik.
Hij gaf me een adres, waar ik het verhaal naartoe kon sturen, en toen lieten we het verder rusten en wijdden ons in alle rust aan het eten. Meneer Forester was niet zo’n prater. Hij kon in ieder geval lang niet zo goed spreken als hij schreef, en al was hij vriendelijk en aardig, geen vonkje sprong van zijn hoofd af en ik had net zo goed met een intelligente makelaar of advocaat kunnen zitten praten.
Die avond ging ik in het kleine huisje even buiten Washington, waar ik in mijn eentje woonde, aan tafel zitten en schreef mijn verhaal. Ik begon om een uur of zeven en was om twaalf uur klaar. Ik herinner me dat ik nog een glas Portugese cognac gedronken heb, om mezelf aan de gang te houden. Voor het eerst van mijn leven ging ik helemaal op in dat waar ik mee bezig was. Ik zweefde in de tijd terug en stond weer in de schroeiend hete woestijn van Libië op het witte zand en klom in de cockpit van de oude Gladiator, maakte mijn riemen vast, zette mijn helm goed, startte de motor en taxiede weg. Het was verbazingwekkend hoe helder en duidelijk alles me voor de geest kwam. Het was niet moeilijk op papier te zetten. Het verhaal leek zichzelf te schrijven en de hand die het potlood vasthield ging razendsnel heen en weer over elke bladzijde. Voor de grap zette ik er, toen ik klaar was, een titel boven. Ik noemde het ‘Een zacht eitje’.
De volgende dag tikte iemand van de ambassade het voor me uit en stuurde ik het op naar meneer Forester. Daarna dacht ik er niet meer aan.
Precies twee weken later kreeg ik antwoord van de grote man. Er stond:
Beste R.D., het was de bedoeling dat je me de feiten zou geven, niet een kant-en-klaar verhaal. Ik ben sprakeloos. Je stuk is wonderbaarlijk. Het is werk van een begaafd schrijver. Ik heb er geen woord in veranderd. Ik heb het meteen onder je eigen naam naar mijn agent, Harold Matson, gestuurd met het ver zoek het aan de Saturday Evening Post aan te bieden met een persoonlijke aanbeveling van mij. Het zal je plezier doen te horen dat de Post het onmiddellijk heeft geaccepteerd en er duizend dollar voor heeft betaald. Meneer Matsons commissieloon is tien procent. Hierbij een cheque voor negenhonderd dollar. Die is helemaal voor jou. Zoals je zult lezen in de bijgesloten brief van meneer Matson vraagt de Post of je nog meer verhalen voor ze wilt schrijven. Ik hoop dat je het zult doen. Wist je dat je een schrijver bent? Met m’n beste wensen en felicitaties, C.S. Forester.
‘Een zacht eitje’ staat aan het eind van dit boek.
Nee maar! dacht ik. Lieve help! Negenhonderd dollar! En ze gaan het publiceren! Maar zo verschrikkelijk makkelijk kan het toch niet zijn?
Dat was het wel, gek genoeg.
Het volgende verhaal dat ik schreef was puur fantasie. Ik verzon het zelf. Vraag me niet waarom. En dat verkocht meneer Matson ook. Daar in Washington schreef ik in de volgende twee jaren ‘s-avonds elf verhalen. Ze werden allemaal verkocht aan Amerikaanse bladen en later zijn ze uitgegeven in een bundeltje met de titel Over en sluiten.
In het begin van die periode heb ik me ook aan een verhaal voor kinderen gewaagd. Het heette ‘De Gremlins’ en dit was, geloof ik, de eerste keer dat dit woord gebruikt werd. In mijn verhaal waren Gremlins kleine mannetjes, die op de jagers en bommenwerpers van de RAF leefden, en het waren de Gremlins en niet de vijand die verantwoordelijk waren voor alle kogelgaten en in brand gevlogen motoren en ongelukken tijdens de gevechten. De Gremlins hadden vrouwtjes, die Fifinellas heetten, en kinderen, die Widgets genoemd werden, en hoewel het verhaal zelf duidelijk van de hand van een onervaren schrijver was, werd het gekocht door Walt Disney, die besloot er een lange tekenfilm van te maken. Maar eerst werd het nog in Cosmopolitcm Magazine opgenomen met gekleurde illustraties van Walt Disney (december 1942) en van daar verspreidde het nieuws van de Gremlins zich snel door de hele RAF en de Amerikaanse luchtmacht en werden ze een soort legende.
Vanwege de Gremlins kreeg ik drie weken vrij van mijn werk op de ambassade in Washington en ging snel naar Hollywood. Daar logeerde ik op Walt Disney’s kosten in een luxueus Beverly Hills-hotel en kreeg ik een reusachtige glimmende auto om in rond te rijden. Elke dag werkte ik met de grote Walt Disney in zijn studio’s in Burbank, om een ruwe schets voor het verhaal van de toekomstige film te maken. Ik had een fantastische tijd. Ik was nog steeds pas zesentwintig. Ik woonde vergaderingen bij in Walt Disney’s enorme kantoor, waar ieder woord dat gesproken werd en iedere suggestie die gedaan werd, door een stenograaf werd opgenomen en naderhand uitgetikt. Ik dwaalde door de kamers waar de begaafde, luidruchtige tekenaars werkten, de mannen die al Sneeuwwitje, Dumbo, Bambi en andere geweldige films hadden gemaakt, en in die dagen kon het Walt Disney niet schelen wanneer ze in de studio kwamen en hoe ze zich gedroegen, zolang deze zonderlinge artiesten hun werk maar deden.
Toen mijn tijd om was, ging ik naar Washington terug en liet het verder aan hen over.
Mijn verhaal over de Gremlins werd ook als kinderboek uitgegeven in New York en Londen. Het stond vol kleurenillustraties van Walt Disney en natuurlijk heette het De Gremlins. Exemplaren van dat boek zijn nu heel zeldzaam en er is moeilijk aan te komen. Ik heb er zelf maar een. De film is helaas nooit afgemaakt. Ik heb zelf het gevoel dat dit speciale verzinsel Walt Disney eigenlijk nooit zo lekker heeft gezeten. Daar in Hollywood zat hij ook wel erg ver weg van de grote luchtoorlog die zich in Europa afspeelde. Bovendien ging het verhaal over de Engelse luchtmacht, de RAF, en niet over zijn eigen landgenoten, en dat zal ook wel bijgedragen hebben aan zijn gevoel van verbijstering, denk ik. Zo verloor hij ten slotte alle interesse en zag van de hele zaak af.
Mijn kleine Gremlin-boekje had nog een buitengewoon gevolg in die oorlogsdagen, die ik in Washington doorbracht. Eleanor Roosevelt las het haar kleinkinderen voor in het Witte Huis en was er kennelijk zeer mee ingenomen. Ik werd uitgenodigd om met haar en de president te dineren. Ik ging er trillend van opwinding heen. We hadden veel plezier en ik werd vaker gevraagd. Toen begon mevrouw Roosevelt me voor weekends naar Hyde Park, het landhuis van de president, uit te nodigen. Daar bracht ik, of je het gelooft of niet, veel tijd alleen met Franklin Roosevelt door in zijn vrije uren. Ik zat bij hem wanneer hij martini’s klaarmaakte voor de lunch op zondag en dan zei hij dingen als: “Ik heb net een interessant telegram van Churchill gehad.” Dan vertelde hij me wat erin stond, misschien iets over nieuwe plannen voor het bombarderen van Duitsland of de bestrijding van U-boten, en dan deed ik mijn best om kalm en nonchalant te doen, al zat ik er eigenlijk met knikkende knieën bij, wanneer ik me realiseerde dat de machtigste man ter wereld mij zomaar deze belangrijke geheimen vertelde. Soms nam hij me mee voor een rit over zijn landgoed in zijn auto—ik geloof dat het een oude Ford was, die speciaal was aangepast aan zijn verlamde benen. Er zaten geen pedalen in. Hij kon alles met zijn handen doen. Zijn lijfwachten tilden hem dan uit zijn rolstoel en zetten hem achter het stuur. Dan wuifde hij ze weg en reden we met geweldige snelheden over de smalle weggetjes. Op een zondag tijdens de lunch in Hyde Park vertelde Franklin Roosevelt een verhaal dat de verzamelde gasten diep schokte. We zaten met z’n veertienen aan weerszijden van de lange tafel en onder ons waren prinses Martha van Noorwegen en een aantal leden van de regering. We aten een nogal smakeloos soort witte vis in een dikke, grijze saus. Plotseling wees de president met zijn vinger op mij en zei: “We hebben vanavond een Engelsman bij ons. Laat ik u vertellen wat er met een andere Engelsman gebeurde, een vertegenwoordiger van de koning, die in het jaar 1827 in Washington was.” Hij noemde mij de naam van de man, maar die ben ik vergeten. Toen ging hij verder: “Die man is hier toen gestorven en de Engelsen stonden er om de een of andere reden op dat zijn lijk naar Engeland gestuurd werd om begraven te worden. Nu was de enige manier waarop dat in die tijd kon, het lijk in de alcohol te leggen. Dus werd het in een vat met rum gedaan. Het vat werd vastgebonden aan de mast van een zeilschip en het schip zeilde naar huis. Na zo’n vier weken op zee rook de kapitein een verschrikkelijke stank, die uit het vat kwam. Ten slotte werd de stank zo ondraaglijk, dat ze het vat los moesten snijden en overboord zetten. Maar weten jullie waarom het zo stonk?” vroeg de president met zijn beroemde brede grijns aan zijn gasten. “Ik zal jullie vertellen waarom. Een paar leden van de bemanning hadden een gat geboord in de bodem van het vat en er een kurk in gestopt. Elke avond hadden ze zich te goed gedaan aan de rum. En toen alles op was, ja toen begonnen de moeilijkheden.” Franklin Roosevelt brulde van het lachen. Verschillende dames aan tafel trokken wit weg en ik zag hoe ze hun borden met witte gekookte vis zachtjes van zich af duwden.
Alle verhalen die ik in die begintijd schreef, waren fantasie, behalve dan het eerste, dat ik voor C.S. Forester schreef. Schrijven over dingen die echt gebeurd zijn, interesseert me niet. Het minst leuke vind ik schrijven over dingen die ik zelf heb meegemaakt. En dat verklaart waarom dit verhaal zo weinig gedetailleerd is. Ik had heel gemakkelijk kunnen beschrijven hoe het is om vijfduizend meter hoog boven het Parthenon in Athene in gevecht te zijn met een Duitse jager, of de spanning van het achtervolgen van een Junker tussen de bergtoppen van Noord-Griekenland, maar daar heb ik geen zin in. Bij mij bestaat het plezier in het schrijven nu juist uit het verzinnen van verhalen.
Behalve het verhaal voor Forester heb ik, denk ik, mijn hele leven maar één ander waargebeurd verhaal geschreven en dat alleen omdat het onderwerp zo boeiend was, dat ik het niet kon weerstaan. Het verhaal heet ‘De schat van Mildenhall’ en staat in dit boek.
Dat was het dan. Zo ben ik schrijver geworden. Als ik niet het geluk had gehad meneer Forester te ontmoeten, was het waarschijnlijk nooit gebeurd.
Nu, meer dan dertig jaar later, ben ik nog steeds aan het ploeteren. Voor mij is het belangrijkste en het moeilijkste van het schrijven het vinden van de plot, de intrige. Aan goede, originele intriges is moeilijk te komen. Je weet nooit wanneer een prachtidee plotseling door je hoofd zal flitsen, maar wanneer het komt, grijp je het met beide handen stevig vast en laat je het niet meer los. De truc is het meteen op te schrijven, anders vergeet je het. Een goede intrige is net als een droom. Als je je droom niet meteen opschrijft wanneer je wakker wordt, heb je de kans dat je hem vergeet en je hem voorgoed kwijt bent.
Wanneer me dus een idee voor een verhaal te binnen schiet, grijp ik haastig een potlood, een pen, een lippenstift, of wat ook waarmee je schrijven kan, en krabbel ik een paar woorden neer, waardoor ik me het idee later weer herinner. Vaak is een woord genoeg. Ik reed een keer alleen op een landweg en ik kreeg een idee voor een verhaal over iemand die in een lift tussen twee verdiepingen blijft steken in een leeg huis. In de hele auto was niets om mee te schrijven. Dus stond ik stil en stapte uit. De achterkant van de auto zat onder het stof. Met een vinger schreef ik één enkel woord in het stof: lift. Dat was genoeg. Zodra ik thuiskwam ging ik regelrecht naar mijn werkkamer en schreef het idee op in een oud schoolschrift met een rood kaft, waar alleen maar ‘Korte verhalen’ op staat.
Ik heb dit schrift al vanaf het ogenblik dat ik begon te proberen serieus te schrijven. Er zijn achtennegentig pagina’s in het schrift. Ik heb ze geteld. En bijna al die pagina’s staan aan beide kanten vol met van die zogenaamde verhaalideeën. Aan de meeste heb je niks. Maar zowat ieder verhaal en elk kinderboek dat ik ooit geschreven heb, begon als een notitie van een paar zinnetjes in dit kleine gehavende schriftje. Bijvoorbeeld:
Misschien een chocoladefabriek waar fantastische, wonder baarlijke dingen gemaakt worden—met een zotmannetje als directeur aan het hoofd?
Dit werd ‘Sjakie en de chocoladefabriek’.
Een verhaal over meneer Vos, die een heel netwerk van onderaardse gangen heeft naar alle winkels van het dorp. ‘s-Nachts gaat hij door de vloer naar boven en bedient zichzelf.
“De fantastische Meneer Vos”
Jamaica en het jongetje dat een reuzenschildpad gevangen ziet worden door inheemse vissers. Jongetje pleit bij zijn vader voor het kopen en loslaten van de schildpad. Wordt hysterisch. Vader koopt ‘m. En dan? Misschien gaat ‘t jongetje mee met de schildpad of zoekt ‘m later op.
“De jongen die met dieren praatte”
Een man leert door speelkaarten heen kijken. Hij wint miljoenen in casino’s.
Dit werd ‘Het wonderlijk verhaal van Hendrik Meier’.
Soms blijven deze kleine krabbeltjes vijf of zelfs tien jaar lang ongebruikt in het schrift staan. Maar de veelbelovende worden uiteindelijk altijd gebruikt. En al blijkt er misschien niets anders uit, ze laten voor mijn gevoel wel zien van wat voor dunne draden een kinderboek of een verhaal uiteindelijk geweven moet worden. Het verhaal bouwt zichzelf en breidt zich uit onder het schrijven. Het beste komt wanneer je aan je schrijftafel zit. Maar je kunt niet ineens beginnen met het schrijven van een verhaal als je niet het begin van een intrige hebt. Zonder mijn schriftje zou ik echt hulpeloos zijn.