De schat van Mildenhall
Om een uur of zeven ‘s-morgens stond Cordon Butcher op en deed het licht aan. Hij liep op blote voeten naar het raam, trok de gordijnen open en keek naar buiten.
Het was januari en het was nog donker, maar hij kon wel zien dat het niet gesneeuwd had ‘s nachts.
“Wat een wind,” zei hij hardop tegen zijn vrouw, “hoor toch eens wat een wind.”
Zijn vrouw kwam nu ook uit bed, ging naast hem bij het raam staan en samen luisterden ze zwijgend naar het suizen van de ijzige wind die over de vlakke velden kwam aanstormen.
“t Is een noordooster,” zei hij.
“Er zal vast sneeuw vallen voor de avond,” vertelde ze hem. “En een flink pak ook.”
Ze was eerder aangekleed dan hij, ging de kamer ernaast binnen, boog zich over het bedje van haar zes jaar oude dochtertje en gaf haar een zoen. Ze riep goedemorgen tegen de twee oudere kinderen in de derde kamer en daarna ging ze naar beneden om het ontbijt Waar te maken.
Om kwart voor acht deed Gordon Butcher zijn jas en zijn leren handschoenen aan, zette zijn pet op en ging de achterdeur uit, de bitterkoude winterochtend in. Terwijl hij door de schemering naar de schuur liep waar zijn fiets stond, sneed de wind als een mes over zijn wangen. Hij duwde de fiets naar buiten, stapte op en begon midden op het smalle weggetje dwars tegen de storm in te trappen.
Cordon Butcher was achtendertig. Hij was geen gewone landarbeider. Hij hoefde van niemand tegen zijn zin orders aan te nemen. Hij bezat zijn eigen trekker en daarmee ploegde hij andermans akkers en haalde andermans oogsten binnen onder contract. Zijn gedachten hielden zich alleen met zijn vrouw, zijn zoon en zijn twee dochtertjes bezig. Zijn kapitaal bestond uit zijn kleine huisje, zijn twee koeien, zijn trekker en zijn bekwaamheid als ploeger.
Cordon Butchers hoofd was eigenaardig gevormd: zijn achterhoofd stak uit als de punt van een enorm ei, zijn oren stonden ver van zijn hoofd en hij miste een voortand aan de linkerkant. Maar niets van dit alles scheen iets uit te maken wanneer je hem tegenkwam in de openlucht. Hij keek je aan met rustige blauwe ogen zonder enige valsheid, sluwheid of hebberigheid. En de mond had niet die bittere lijntjes om de hoeken, die je zo vaak ziet bij mensen die op het land werken en hun dagen doorbrengen met vechten tegen de weersomstandigheden.
Zijn enige eigenaardigheid, die hij vrolijk toegaf wanneer je hem ernaar vroeg, was dat hij hardop in zichzelf praatte als hij alleen was. Die gewoonte, zei hij, kwam eenvoudig voort uit het feit dat het soort werk dat hij deed met zich meebracht dat hij zes dagen per week, tien uur per dag alleen was.
“Het houdt me gezelschap,” zei hij, “om zo nu en dan mijn eigen stem te horen.”
Hij fietste de weg af, hard trappend tegen de felle wind.
“Goed dan,” zei hij. “Goed dan, blaas eens een beetje. Kan jij niet harder dan dit? Hemeltjelief, ik merk nauwelijks dat je er bent vanmorgen!” De wind loeide om hem heen, rukte aan zijn jas en perste zich door de poriën van de dikke wol heen, door zijn jasje daaronder, door zijn overhemd en zijn hemd en raakte zijn blote huid met ijzige vingertoppen. “Nee maar,” zei hij, “je lijkt wel lauw vandaag. Je zult heel wat beter je best moeten doen als je mij aan het rillen wilt maken.”
En nu loste de duisternis zich op in het bleekgrijze ochtendlicht en kon Gordon Butcher aan de hemel vlak boven zijn hoofd de dikke wolken zien, die door de wind voortgejaagd werden. Blauwgrijze wolken waren het, met hier en daar zwarte vlekken, een dichte massa van horizon tot horizon, die voortgestuwd door de wind over zijn hoofd voorbijgleed als een grote, grijze metalen plaat. Om hem heen lag het grauwe, eenzame laagland van Suffolk, dat zich kilometer na kilometer uitstrekte zonder dat er een eind aan leek te komen.
Hij trapte verder. Hij reed door de buitenwijk van het kleine stadje Mildenhall en sloeg de weg in naar het dorpje West Row, waar het land lag van de man die Ford heette.
Hij had zijn trekker de vorige dag bij Ford laten staan, omdat zijn volgende karwei bestond uit het omploegen van een stuk land van bijna twee hectare op Thistley Green, voor Ford. Het was niet Fords eigen land. Dat is belangrijk om te onthouden, maar Ford was wel degene die hem gevraagd had dat karwei te doen.
In feite was het land van een boer die Rolfe heette.
Rolfe had Ford gevraagd het om te ploegen omdat Ford, net als Gordon Butcher, voor anderen ploegde. Het verschil tussen Ford en Gordon Butcher was dat Ford het op wat grotere schaal deed. Hij was een vrij welgestelde loonploeger en loonoogster, met een mooi huis en een groot erf vol schuren gevuld met combines en andere landbouwgereedschappen en machines. Cordon Butcher had alleen maar die ene trekker.
Voor deze gelegenheid had Ford Cordon Butcher gehuurd om de akker te ploegen, omdat hij het daarvoor zelf te druk had toen Rolfe hem vroeg.
Er was niemand op het erf van Ford toen Butcher eraan kwam. Hij zette zijn fiets neer, vulde zijn trekker met olie en benzine, liet de motor warmlopen, haakte de ploeg erachter, beklom de hoge zitplaats en reed naar Thistley Green.
Het land lag nog geen kilometer verderop en omstreeks half negen reed Butcher zijn trekker door het hek de akker op. Thistley Green was misschien alles bij elkaar zo’n veertig hectare, met een lage heg eromheen. Maar hoewel het in feite één grote akker was, behoorden verschillende stukken aan verschillende eigenaars. Deze verschillende stukken waren gemakkelijk uit elkaar te houden, omdat ze allemaal op hun eigen wijze bebouwd werden. Rolfe’s stuk van twee hectare lag aan de zijkant bij de zuidgrens. Butcher wist waar het lag en hij reed met zijn trekker langs de rand van de akker en toen middendoor, tot hij bij het stuk land kwam.
Op het land was gerst verbouwd geweest en het lag vol met de korte, rottende gele resten van de gerst die in de afgelopen herfst geoogst en pas kortgeleden afgesneden was, zodat het land nu klaarlag om geploegd te worden.
“Diep ploegen,” had Ford de vorige dag tegen Butcher gezegd. “Het is voor suikerbieten. Rolfe gaat daar suikerbieten telen.”
Voor gerst ploegen ze maar tien centimeter diep, maar voor suikerbieten ploegen ze dieper, wel vijfentwintig à dertig centimeter. Een ploeg met een paard ervoor kan zo diep niet ploegen. Het was pas sinds de invoering van de motortrekkers dat de boeren echt goed diep konden ploegen. Rolfe’s land was een paar jaar terug al een keer diep geploegd voor suikerbieten, maar dat was niet door Butcher gedaan; het karwei was dan ook zo goed als zeker met de Franse slag verricht en de ploeger was vast niet zo diep gegaan als hij had moeten doen. Had hij dat wel gedaan, dan was wat er die dag zou gebeuren waarschijnlijk veel eerder gebeurd, en dan was dit een heel ander verhaal geweest.
Cordon Butcher begon te ploegen. Op en neer ging hij de akker over, elke keer de ploeg wat lager en lager, tot hij uiteindelijk dertig centimeter diep de grond doorsneed en een gladde, egale golf van zwarte aarde achter zich opwierp.
De wind joeg nu met nog grotere snelheid van de moordende zee over de vlakke velden van Norfolk, voorbij Saxthorpe, Reepham, Honingham, Swaffham en Larling, over de grens Suffolk in, naar Mildenhall en Thistley Green, waar Cordon Butcher rechtop boven op de stoel van zijn trekker zat en heen en weer reed over het landje met de gerststoppels, dat van Rolfe was. Cordon Butcher kon de scherpe, frisse geur van sneeuw al ruiken; die kon niet zo ver meer weg zijn. Hij zag het lage wolkendek niet langer met zwarte vlekken maar bleek en witgrijs over zijn hoofd voorbijglijden als een afrollende blikken plaat.
“Nou, nou,” zei hij, zijn stem boven het geratel van de trekker verheffend. “Jij moet kwaad op iemand zijn. Wat een allemachtige heisa met al jouw gewaai en geloei en gevries. Je lijkt wel een vrouw,” voegde hij eraan toe, “precies zoals een vrouw wel eens tekeergaat, ‘s-avonds.” En hij hield zijn blik op de lijn van de voor en glimlachte.
Tussen de middag stopte hij de trekker, sprong eraf en viste zijn brood uit zijn zak. Daarmee ging hij in de luwte van de trekker zitten. Hij at grote stukken brood en heel kleine stukjes kaas. Hij had niets te drinken, want zijn enige thermosfles was twee weken geleden gebroken door het hotsen van de trekker, en in de oorlog—het was januari 1942—kon je nergens meer een nieuwe krijgen. Ongeveer een kwartier zat hij op de grond in de beschutting van het wiel en at zijn brood op. Toen stond hij op en inspecteerde de houten pin.
In tegenstelling tot de meeste ploegers maakte Butcher altijd zijn ploeg aan de trekker vast met een houten pin zodat, als de ploeg op een wortel of een grote steen stootte, de pin zou breken en de ploeg achterbleef zonder dat de messen beschadigd werden. Overal in het zwarte moerassige laagland liggen vlak onder de oppervlakte enorme stronken van oude eiken, en een houten pin zal daar heel wat keren per week de redding van de ploeg betekenen. Hoewel Thistley Green goed bouwland was, akkerland, geen moerasland, nam Butcher toch geen risico met zijn ploeg.
Hij inspecteerde de pin, vond alles in orde, stapte op de trekker en ging door met ploegen.
De trekker neusde heen en terug over de grond en liet een gladde zwarte golf van aarde achter zich. Nog kouder werd de wind, maar het sneeuwde nog niet.
Omstreeks drie uur gebeurde het.
Er was een korte ruk, de houten pin brak en de trekker liet de ploeg achter zich. Butcher remde, sprong eraf en liep naar de ploeg om te zien wat hij geraakt had. Het was nogal verbazingwekkend dat dit gebeurde op bouwland. Er hoorden hier geen eiken stronken onder de grond te zitten.
Hij knielde neer naast de ploeg en begon de aarde rond de messen weg te halen. Het laagste punt van de messen zat dertig centimeter diep. Er was een heleboel aarde weg te halen. Hij groef met zijn handschoenen in de aarde en gooide haar met handenvol weg. Vijftien centimeter diep…twintig centimeter…vijfentwintig centimeter…dertig. Hij gleed met zijn vingers langs het mes van de ploeg tot hij het verste punt bereikt had. De aarde was los en korrelig en gleed steeds weer terug in het gat dat hij gemaakt had. Daardoor kon hij het diepste punt van de ploeg niet zien. Hij kon het alleen maar voelen. En nu voelde hij dat de punt inderdaad tegen iets hards aan zat. Hij groef nog meer aarde weg. Hij maakte het gat groter. Hij moest goed kunnen zien wat voor obstakel hij geraakt had. Als het vrij klein was, zou hij het misschien met zijn handen uit kunnen graven en met het karwei doorgaan. Als het een boomstronk was, zou hij naar Ford terug moeten om een schop te halen. “Vooruit,” zei hij hardop. “Ik krijg je er wel uit, jij verborgen duivel, jij rottig oud ding.” En plotseling, toen de vingers in de handschoenen een laatste handvol zwarte aarde wegschraapten, zag hij de ronde rand van iets—zoiets als de rand van een enorm dikke schotel—wat uit de aarde omhoogstak. Hij wreef met zijn vinger langs de rand en wreef nog eens. Toen zag hij plotseling een glimp van groen op de rand. Cordon Butcher boog zijn hoofd nog dichter en dichter ernaartoe en tuurde in het kuiltje dat hij met zijn handen gegraven had. Nog een laatste keer wreef hij de rand schoon met zijn vingers en in een flits zag hij duidelijk de blauwgroene korst van oud begraven metaal, en zijn hart stond stil.
Hier moet even uitgelegd worden dat boeren in dit gedeelte van Suffolk, vooral in de buurt van Mildenhall, al jarenlang oude voorwerpen uit de grond halen. Stenen pijlpunten van heel erg lang geleden zijn er in grote hoeveelheden gevonden, maar, interessanter nog, ook Romeinse potten en Romeinse gereedschappen zijn ontdekt. Het is bekend dat de Romeinen tijdens hun bezetting van Engeland bij voorkeur hier verbleven en alle plaatselijke boeren weten dan ook dat ze de kans hebben iets interessants te vinden tijdens hun dagelijks werk. De mensen van Mildenhall waren zich dus steeds bewust van de mogelijke aanwezigheid van schatten in de aarde van hun land.
De reactie van Cordon Butcher, toen hij de rand van die enorme schotel zag, was eigenaardig. Hij trok ogenblikkelijk zijn handen terug. Toen stond hij op en keerde zich af van wat hij zojuist gezien had. Hij nam alleen nog de tijd om de motor van zijn trekker af te zetten, voor hij vlug wegliep in de richting van de weg.
Hij wist niet precies wat hem ertoe bracht op te houden met graven en weg te lopen. Hij zal je vertellen dat het enige wat hij zich kan herinneren van die paar eerste seconden een vleugje gevaar was, afkomstig van dat kleine plekje blauwgroen. Op het moment dat hij het aanraakte met zijn vingers, ging er zoiets als een elektrische schok door hem heen en kreeg hij een sterk voorgevoel dat dit iets was wat de gemoedsrust en het geluk van vele mensen zou kunnen verwoesten.
In het begin was weggaan, het achterlaten en er niets meer mee te maken hebben het enige wat hij wilde. Maar zo’n honderd meter verder begon hij langzamer te lopen. Bij het hek van Thistley Green stond hij stil.
“Wat is er in vredesnaam met jou aan de hand, meneer Cordon Butcher?” vroeg hij hardop in de loeiende wind. “Ben je soms bang of zo? Nee, bang ben ik niet. Maar om eerlijk te zijn voel ik er niet zoveel voor om dit zaakje alleen aan te pakken.”
Toen dacht hij aan Ford.
In de eerste plaats omdat hij voor hem aan ‘t werk was. Vervolgens dacht hij aan hem omdat hij wist dat Ford een soort verzamelaar was van oude spullen, van al die oude stenen en pijlpunten die mensen in de buurt van tijd tot tijd opgroeven, die ze naar Ford brachten en die Ford op zijn schoorsteenmantel in de salon legde. Men geloofde dat Ford die dingen wel verkocht, maar niemand wist hoe hij dat deed en het kon ook niemand wat schelen.
Cordon Butcher ging naar Ford. Snel door het hek de smalle weg op, door de scherpe bocht naar links en zo naar het huis. Hij trof Ford in zijn grote schuur, gebogen over een kapotte eg, die hij aan het repareren was. Butcher bleef bij de deur staan en zei: “Meneer Ford!”
Ford keek om zonder overeind te komen.
“Hallo Cordon,” zei hij. “Wat is er?”
Ford was van middelbare leeftijd of een beetje ouder, met een kaal hoofd, een lange neus en een slimme vos-achtige uitdrukking op zijn gezicht. Zijn mond was dun en zuur en wanneer hij je aankeek en je de zuinige mond en de dunne, zure lijn van zijn lippen zag, dan wist je dat dit een mond was waar nooit een glimlach op kwam. Zijn kin week terug, zijn neus was lang en puntig en hij gaf de indruk van een sluwe, verzuurde oude vos in het bos.
“Wat is er?” vroeg hij opkijkend van de eg.
Cordon Butcher stond bij de deur, met blauwe wangen van de kou, buiten adem, zijn handen langzaam tegen elkaar te wrijven.
“De trekker heeft de ploeg verloren,” zei hij rustig. “Er zit metaal in de grond. Ik heb ‘t gezien.”
Fords hoofd kwam met een ruk omhoog. “Wat voor soort metaal?” vroeg hij scherp.
“Plat. Heel plat, zoiets als een soort enorme schotel.”
“Heb je het niet uitgegraven?” vroeg Ford. Hij was nu overeind gekomen en een roofzuchtige glinstering blonk in zijn ogen.
Butcher zei: “Nee, ik heb het zo gelaten en ben direct hierheen gekomen.”
Ford liep snel naar de hoek en pakte zijn jas van een spijker. Hij zocht een pet en handschoenen op, daarna pakte hij een schop en liep naar de deur. Er was iets vreemds in Butchers manier van doen, merkte hij op.
“Weet je zeker dat het metaal was?”
“Helemaal verroest,” zei Butcher, “maar het was beslist metaal.”
“Hoe diep?”
“Dertig centimeter. Dat wil zeggen, het bovenstuk zat dertig centimeter diep. De rest zit dieper.”
“Hoe weet je dat het een schotel was?”
“Dat weet ik niet,” zei Butcher. “Ik zag alleen een stukje van de rand. Maar het gaf me de indruk van een schotel. Een enorme schaal.”
Fords vossengezicht werd bepaald bleek van opwinding.
“Kom mee,” zei hij. “We gaan terug om te kijken.”
De beide mannen liepen de schuur uit, de venijnige, steeds feller wordende stormwind in. Ford rilde.
“Dat verdomde rotweer,” zei hij. “Dat verdomde, smerige, ijzige rotweer.” Hij trok zijn puntige vossengezicht zo diep mogelijk in de kraag van zijn jas en begon te speculeren over de mogelijkheden van Butchers vondst.
Ford wist iets wat Butcher niet wist. Hij wist dat in 1932 een man, Lethbridge, die professor was in de Angelsaksische oudheidkunde aan de universiteit van Cambridge, opgravingen had gedaan in de buurt en dat hij zelfs daar, op Thistley Green de fundamenten van een Romeinse villa had blootgelegd. Dat was Ford bepaald niet vergeten en hij versnelde zijn pas. Butcher liep zwijgend naast hem en algauw waren ze er. Ze gingen door het hek, over de akker naar de ploeg, die een meter of tien achter de trekker stond.
Ford knielde neer bij de voorkant van de ploeg en tuurde in het kuiltje dat Cordon Butcher met zijn handen gemaakt had. Met een gehandschoende vinger raakte hij de rand van blauwgroen metaal aan. Hij schraapte nog wat aarde weg. Hij leunde nog verder voorover, zodat zijn puntige neus in het gat verdween. Hij liet zijn vingers over het ruwe, groenige oppervlak glijden. Toen stond hij op en zei: “Laten we die ploeg weghalen en gaan graven.” Al leek zijn hoofd vol ontploffend vuurwerk te zitten en liepen ijskoude rillingen langs zijn rug, toch wist Ford zijn stem zacht en nonchalant te houden.
Samen trokken ze de ploeg een paar meter naar achteren.
“Geef de schop es aan,” zei Ford en voorzichtig begon hij de aarde weg te scheppen in een cirkel van ongeveer een meter rondom het uitstekende stukje metaal. Toen de kuil ruim een halve meter diep was, gooide hij de schop weg en gebruikte zijn handen. Hij knielde neer en schraapte de aarde weg, en langzamerhand werd het stukje metaal groter en groter, tot ten slotte de grote ronde schijf van een enorme schaal voor hen lag. Hij had een middellijn van zeker zestig centimeter. Het laagste puntje van de ploeg had nog net de uitstekende middenrand van de schaal geraakt, want je kon de deuk zien zitten.
Voorzichtig tilde Ford hem uit de kuil. Hij stond op, veegde de aarde eraf en draaide hem rond en rond in zijn handen. Veel was er niet aan te zien, want het hele oppervlak was bedekt met een dikke harde groenig-blauwe korst. Maar hij wist dat het een enorme schaal of schijf was, heel zwaar en massief. Hij woog wel tien kilo!
Ford stond op de akker met de gele gerststoppels en staarde naar de reusachtige schaal. Zijn handen begonnen te trillen. Een geweldige, bijna ondraaglijke opwinding begon zich van hem meester te maken en het was geen gemakkelijke opgave die te verbergen. Maar hij deed zijn best.
“Een soortement schotel,” zei hij.
Butcher lag op zijn knieën naast de kuil. “Moet behoorlijk oud zijn,” zei hij.
“Dat zou kunnen,” zei Ford, “maar hij is helemaal verroest en weggevreten.”
“Dat lijkt mij geen gewone roest,” zei Butcher. “Dat groene spul is geen roest. Dat is wat anders…”
“Het is groene roest,” zei Ford uit de hoogte, en daarmee was de discussie gesloten.
Butcher, die nog steeds op z’n knieën lag, woelde wat rond in de kuil, die nu een meter groot was. “Hier zit er nog een,” zei hij.
Ogenblikkelijk legde Ford de grote schijf op de grond. Hij knielde naast Butcher en binnen een paar minuten hadden ze een tweede grote groenige schotel te voorschijn gehaald. Deze was ietsje kleiner dan de eerste en holler. Meer een kom dan een schotel.
Ford stond op en hield de nieuwe vondst in zijn handen. Weer zo’n zware. En nu wist hij zeker dat ze een absoluut grandioze ontdekking hadden gedaan. Het was een Romeinse schat, en bijna zonder enige twijfel van puur zilver. Twee dingen duidden op puur zilver. Ten eerste het gewicht en ten tweede die speciale soort groene korst die het gevolg is van oxidatie.
Hoe vaak wordt er ter wereld een stuk Romeins zilver ontdekt?
Bijna nooit meer. En waren er ooit eerder zulke grote stukken opgegraven?
Ford wist het niet zeker, maar hij betwijfelde het ten zeerste.
Het moest miljoenen waard zijn.
Letterlijk miljoenen euro waard zijn.
Zijn snelle adem maakte kleine witte wolkjes in de vrieskou.
“D’r zit nog meer hier, meneer Ford,” zei Butcher. “Ik voel overal kleine stukjes. U zult de schop weer nodig hebben.”
Het derde stuk was nog zo’n grote schaal, enigszins gelijk aan de eerste. Ford legde hem op de gerststoppels bij de andere twee.
Toen voelde Butcher de eerste sneeuwvlok op zijn wang, hij keek op en zag in het noordoosten een groot wit gordijn langs de hemel, een massieve muur van sneeuw, die voortgedreven werd op de vleugels van de wind.
“Daar zal je ‘t hebben!” zei hij. Ford keek op, zag de sneeuw op hen afkomen en zei: “Een sneeuwstorm. Het is een vuile, gore sneeuwstorm!”
De beide mannen staarden naar de sneeuwstorm die over de moerassen op hen afstormde. Daar was hij al, en overal om hen heen waren sneeuw en sneeuwvlokken, witte wind met jagende sneeuwvlokken in ogen en oren en mond en langs de nek en overal in het rond. En toen Butcher een paar seconden later op de grond keek was het al helemaal wit.
“Dat is wat we nou net nodig hebben,” zei Ford. “Een vuile, rottige sneeuwstorm,” en hij rilde en trok zijn vossengezicht nog dieper in de kraag van zijn jas. “Vooruit,” zei hij, “kijk of er nog meer ligt.”
Butcher knielde weer neer en woelde rond in de aarde. Toen, op de langzame, nonchalante wijze van iemand die iets uit een grabbelton opvist, trok hij nog een schotel te voorschijn en reikte hem Ford aan. Ford pakte hem aan en legde hem bij de andere drie. Nu knielde Ford naast Butcher en begon ook in de grond te wroeten.
Een heel uur bleven de beide mannen daar graven en schrapen in dat één meter brede stukje grond. En in dat uur vonden ze en legden ze naast zich op de grond niet minder dan vierendertig verschillende voorwerpen! Er waren schotels, kommen, bekers, lepels, opscheplepels en nog verscheidene andere dingen, allemaal met een dikke korst eromheen, maar stuk voor stuk herkenbaar. En al die tijd raasde de sneeuwstorm om hen heen en hoopte de sneeuw zich op, op hun petten en hun schouders. En de vlokken smolten op hun gezichten, zodat stroompjes ijswater hun nek in liepen. Een grote druppel halfbevroren vloeistof bungelde voortdurend aan het puntje van Fords lange neus, als een sneeuwklokje.
Ze werkten in stilte. Het was te koud om te praten. En al die kostbare voorwerpen die een voor een naar boven werden gehaald, werden door Ford zorgvuldig in rijen op de grond gelegd. Zo nu en dan hield hij even op om de sneeuw van een schotel of lepel af te vegen, wanneer ze totaal onder de sneeuw dreigden te verdwijnen.
Uiteindelijk zei Ford: “Dat is alles wel, denk ik.”
“Ja.”
Ford stond op en stampte met zijn voeten op de grond. “Heb je een zak in de trekker?” vroeg hij en terwijl Butcher de zak ging halen, draaide hij zich om en bekeek de vierendertig voorwerpen die aan zijn voeten lagen. Hij telde ze opnieuw. Als het zilver was, en dat moest het wel zijn, en als het Romeins was, wat het ongetwijfeld was, dan was dit een ontdekking die de wereld op zijn grondvesten zou doen schokken.
Butcher riep hem vanuit de trekker toe: “Het is wel een vieze ouwe zak.”
“Die is goed genoeg.”
Butcher bracht de zak en hield hem open, terwijl Ford voorzichtig alle voorwerpen er in deed. Ze konden er allemaal in, op één na. De massieve zestig centimeter brede schaal was te groot.
De twee mannen waren nu door en door koud. Meer dan een uur hadden ze op hun knieën rondgewroet op die onbeschutte akker, terwijl er een sneeuwstorm om hen heen woedde. Er lag nu al bijna vijftien centimeter sneeuw. Butcher was halfbevroren. Zijn wangen waren spierwit met blauwe vlekken, zijn voeten waren zo gevoelloos als hout, en toen hij zijn benen bewoog kon hij de grond niet onder zijn voeten voelen. Hij was veel kouder dan Ford. Zijn jas en zijn kleren waren niet zo dik en al van de vroege morgen af had hij daar boven op zijn trekker gezeten, overgeleverd aan de bitterkoude wind. Zijn blauwwitte gezicht was strak en onbewegelijk. Hij wilde nog maar één ding, en dat was naar huis gaan, naar zijn gezin en het vuur dat naar hij wist in de haard brandde.
Ford daarentegen dacht niet aan de koude. Zijn hoofd hield zich maar met een enkel ding bezig: hoe in het bezit te komen van deze fabelachtige schat. Zijn positie was—dat wist hij heel goed—niet bepaald sterk.
In Engeland is een heel eigenaardige wet voor het vinden van wat voor soort gouden of zilveren schatten ook. Die wet is honderden jaren oud en is vandaag de dag nog van kracht. Die wet zegt dat, als iemand iets van metaal uit de grond opgraaft—een stuk metaal van goud of zilver, al is het in zijn eigen tuin—dit dan automatisch ‘een schat’ wordt en eigendom wordt van de kroon. Tegenwoordig betekent de kroon niet meer de koning of de koningin. Het betekent het land of de staat. De wet zegt ook, dat het een misdaad is om een dergelijke vondst te verbergen. Het is gewoon niet toegestaan dat je de boel verstopt en zelf houdt. Je moet het onmiddellijk aangeven, bij voorkeur bij de politie. En als je het onmiddellijk aangeeft, dan heb jij als vinder er recht op het volle bedrag dat dat voorwerp waard is, van de staat te ontvangen. Voorwerpen van andere metalen hoefje niet aan te geven. Je kunt zoveel waardevol tin, brons, koper of zelfs platina opgraven als je maar wilt, en je mag het allemaal houden, maar geen goud of zilver.
Een ander eigenaardig ding van deze wet is dit: het is degene die de schat in eerste instantie ontdekt, die de beloning van de staat krijgt. De eigenaar van de grond krijgt niets, tenzij de vinder zich bij zijn ontdekking op verboden terrein bevindt. Maar als de vinder van de schat ingehuurd is door de eigenaar om op zijn land te werken, dan krijgt hij, de vinder, de hele beloning.
In dit geval was Cordon Butcher de vinder. Bovendien bevond hij zich niet op verboden terrein. Hij deed het werk waar hij voor ingehuurd was. De schat kwam daarom aan Butcher toe en aan niemand anders. Het enige wat hij hoefde te doen was ermee naar een deskundige gaan, die onmiddellijk zou zien dat het zilver was en het bij de politie zou aangeven. Na verloop van tijd zou hij van de staat de volle waarde uitgekeerd krijgen, misschien wel tien miljoen euro.
Door dit alles stond Ford in de kou, en dat wist Ford. Wettelijk had hij geen enkel recht op de schat. Daarom, moet hij toen tegen zichzelf gezegd hebben, lag zijn enige kans om de schat zelf te houden in het feit dat Butcher niets van die wet afwist en bovendien geen flauw idee had van de waarde van zijn vondst. Waarschijnlijk zou hij met een paar dagen de hele zaak vergeten zijn. Hij was een te eenvoudige geest, te recht door zee, te goed van vertrouwen en te onzelfzuchtig om zich lang met de zaak bezig te houden.
Nu boog Ford zich daar op die verlaten besneeuwde akker voorover en pakte de grote schotel vast met een hand. Hij zette hem rechtop maar tilde hem niet omhoog.
De onderste rand bleef op de sneeuw rusten. Met zijn andere hand greep hij de zak. Ook die tilde hij niet op. Hij hield hem alleen maar vast. En daar stond hij nu, voorover in de warrelende sneeuwvlokken met twee handen de schat als het ware omarmend, zonder hem in feite in bezit te nemen. Het was een subtiel en leep gebaar. Hij slaagde erin daarmee eigendom te suggereren zonder dat er een woord over eigendom gewisseld was. Een kind speelt datzelfde spelletje, wanneer hij zijn hand uitsteekt en zijn vuist sluit om het grootste koekje op de schaal en vraagt: “Mag ik die, mam?” Hij heeft hem al.
“Nou Cordon,” zei Ford, met de zak en de schaal in zijn handen. “Jij wilt vast niks van deze ouwe spullen.”
Het was geen vraag. Het was een mededeling in de vorm van een vraag.
De sneeuwstorm woedde nog steeds. De sneeuw viel zo dicht dat de mannen elkaar nauwelijks konden zien.
“Je moet maar gauw naar huis gaan, naar de warmte,” zei Ford. “Je ziet er stijfbevroren uit.”
“Ik voel me ook stijfbevroren,” zei Butcher.
“Spring dan maar gauw op je trekker en snel naar huis,” zei de attente, goedhartige Ford. “Laat de ploeg maar hier en je fiets bij mij. Het is nu veel belangrijker gauw thuis te komen in de warmte, voordat je longontsteking krijgt.”
“Ik denk dat ik dat maar doe, meneer Ford,” zei Butcher. “Kunt u die zak wel dragen? Hij is zo allemachtig zwaar.”
“Misschien houd ik het wel voor gezien vandaag,” zei Ford achteloos. “Ik laat ‘m misschien maar gewoon hier en haal ‘m wel een andere keer op. Roestig, oud spul.”
“Tot ziens dan, meneer Ford.”
“Dag, Cordon.”
Cordon Butcher klom op de trekker en reed weg in de sneeuwstorm.
Ford sjorde de zak over zijn schouder en tilde toen niet zonder moeite de massieve schaal op met zijn andere hand en klemde hem onder zijn arm.
“Wat ik nu draag,” zei hij tegen zichzelf door de sneeuw sjokkend, “wat ik nu draag is waarschijnlijk de grootste schat die ooit in de hele geschiedenis van Engeland is opgegraven.”
Toen Cordon Butcher laat in de middag stampend en blazend door de achterdeur van zijn bakstenen huisje naar binnen kwam, stond zijn vrouw bij het vuur te strijken. Ze keek op en zag zijn blauwwitte gezicht en zijn besneeuwde kleren.
“Lieve hemel, Cordon, je ziet er halfbevroren uit,” riep ze.
“Ben ik ook,” zei hij. “Help es een handje met deze kleren, lieverd, mijn vingers willen niet meer.”
Ze trok zijn handschoenen uit, zijn jas en zijn natte overhemd. Ze trok zijn laarzen en zijn sokken van zijn voeten. Ze haalde een handdoek en wreef hard over zijn borst en zijn rug, om zijn bloedsomloop weer op gang te brengen. Ze wreef zijn voeten warm.
“Ga bij het vuur zitten,” zei ze. “Dan zal ik een kop hete thee voor je halen.”
Later, toen hij behaaglijk in de warmte zat met droge kleren aan en de mok thee in zijn hand, vertelde hij haar wat er die middag gebeurd was.
“Dat is een sluwe vos, die meneer Ford,” zei ze zonder van de strijkplank op te kijken. “Die heb ik nooit gemogen.”
“Hij was er knap opgewonden van, dat kan ik je wel vertellen,” zei Cordon Butcher. “Zo zenuwachtig als een juffershondje, dat was-ie.”
“Dat kan wel zijn,” zei ze, “maar jij had beter moeten weten dan op handen en voeten rondkruipen in zo’n ijzige sneeuwstorm, alleen omdat meneer Ford het zei.”
“Met mij is alles in orde,” zei Cordon Butcher. “Ik begin al lekker warm te worden.”
En dat, of je het gelooft of niet, was zo ongeveer de laatste keer in jaren dat de schat ter sprake kwam in het huis van Butcher.
De lezer moet hierbij wel bedenken dat het oorlog was, 1942. Engeland werd totaal in beslag genomen door de wanhopige oorlog tegen Hitler en Mussolini. Duitsland bombardeerde Engeland en Engeland bombardeerde Duitsland, en bijna elke nacht hoorde Cordon Butcher het brullen van motoren van het grote vliegveld bij het naburige Mildenhall, wanneer de bommenwerpers opstegen op weg naar Hamburg, Berlijn, Kiel, Wilhelmshafen of Frankfurt. Soms werd hij vroeg in de morgen wakker en hoorde ze terugkomen, en soms vlogen de Duitsers over om het vliegveld te bombarderen; dan schudde het huis van het gedonder en gedreun van dichtbij vallende bommen.
Butcher zelfwas vrijgesteld van militaire dienst. Hij was boer, een kundig ploeger en ze hadden hem toen hij in 1939 dienst wilde nemen, gezegd dat ze hem niet wilden hebben. De voedselvoorraden van het eiland moesten op peil gehouden worden, hadden ze gezegd, en het was van levensbelang dat mensen zoals hij aan het werk bleven en het land bleven bebouwen.
Ford, die hetzelfde soort werk deed, was ook vrijgesteld. Hij was vrijgezel en woonde alleen; zo kon hij een geheim leven leiden en geheime dingen doen binnen de vier muren van zijn huis.
En dus sjouwde Ford de schat, die zij opgegraven hadden op die verschrikkelijke middag in de sneeuwstorm, naar huis en stalde alles uit op een tafel in zijn achterkamer.
Vierendertig verschillende voorwerpen! De hele tafel lag vol. En zo te zien waren ze in uitstekende staat. Zilver roest niet. De groene korst van oxidatie kan zelfs een beschermende laag vormen voor de oppervlakte van het metaal eronder. En dat kon er allemaal af als je het voorzichtig deed.
Ford besloot gewone huishoudzilverpoets, Silvo, te gebruiken en kocht er een heleboel van bij een ijzerhandel in Mildenhall. Toen nam hij als eerste de zestig centimeter grote schaal, die bijna tien kilo woog. Hij werkte er ‘s-avonds aan. Hij zette hem helemaal in de Silvo. Hij wreef en hij wreef. Hij werkte geduldig aan deze ene schaal, iedere avond gedurende meer dan zestien weken.
Ten slotte verscheen er op een gedenkwaardige avond een klein plekje glanzend zilver onder zijn wrijven, en op dat plekje zag hij in reliëf het prachtig gevormde deel van een mannenhoofd.
Hij werkte door en langzamerhand werd het plekje glanzend metaal al groter en groter en week de blauw-groene korst steeds verder naar de randen, tot uiteindelijk de bovenkant van de grote schaal in volle glorie voor hem lag, helemaal bewerkt met een wonderbaarlijk patroon van dieren en allerlei vreemde legenden.
Ford stond versteld van de schoonheid van de grote schaal. Die was vol leven en beweging. Er was een woeste kop met warrig haar, een dansende geit met een mensenhoofd, er sprongen mannen en vrouwen en allerlei soorten dieren rond op de rand, die ongetwijfeld allemaal een verhaal vertelden.
Daarna begon hij de achterkant van de schaal schoon te maken. Het kostte weken en weken. En toen het klaar was en de grote schaal aan beide kanten glinsterde als een ster, borg hij hem veilig op in het laagste kastje van zijn grote eiken dressoir en deed het deurtje op slot.
Een voor een nam hij de overige drieëndertig voorwerpen onder handen. Het was een manie voor hem geworden, een heftige drang om elk voorwerp in zijn volle zilveren glans te doen schitteren. Hij wilde alle vierendertig stukken op de tafel uitgestald zien, in een verblindende overvloed van zilver. Dat wilde hij boven alles en hij zwoegde met de moed der wanhoop om dat doel te bereiken. Vervolgens maakte hij de twee kleinere schotels schoon, toen de grote gegolfde kom, toen de vijf opscheplepels met hun lange handgrepen, de bekers, de wijnroemers, de lepels. Ieder ding werd al even zorgvuldig schoongemaakt en gepoetst tot het prachtig glansde. En toen alles klaar was, waren er twee jaren voorbijgegaan en was het 1944.
Maar niemand anders mocht het zien. Ford sprak er met geen mens over en Rolfe, de eigenaar van het stuk land op Thistley Green, waar de schat gevonden was, wist van niets behalve dat Ford, of iemand die door Ford gehuurd was, zijn land uitstekend en heel diep geploegd had.
Het is niet moeilijk te raden waarom Ford de schat verborgen hield in plaats van hem aan te geven bij de politie. Als hij hem aangegeven had, zou hij bij hem weggehaald zijn en zou Cordon Butcher, de vinder, de beloning hebben opgestreken. Een vorstelijke beloning. Dus het enige wat Ford kon doen was hem bij zich houden en verbergen, waarschijnlijk in de hoop hem later stilletjes een keer te verkopen aan de een of andere handelaar of verzamelaar.
Het is natuurlijk ook mogelijk de zaak wat milder te bezien en aan te nemen dat Ford de schat alleen maar hield omdat hij dol was op mooie dingen en ze om zich heen wilde hebben. Niemand zal ooit weten wat het goede antwoord is.
Nog een jaar ging voorbij.
De oorlog tegen Hitler werd gewonnen.
En toen, in 1946, vlak na Pasen werd er op Fords deur geklopt. Ford deed open.
“Hé hallo, meneer Ford. Hoe gaat het met u na al deze jaren?”
“Hallo, doctor Fawcett,” zei Ford. “Is het u goed gegaan?”
“Prima, dank u,” zei dr. Fawcett. “Dat is lang geleden, hè?”
“Nou en of,” zei Ford. “Die oorlog heeft ons allemaal behoorlijk beziggehouden.”
“Mag ik binnenkomen?” vroeg dr. Fawcett.
“Natuurlijk,” zei Ford. “Kom erin.”
Dr. Hugh Alderson Fawcett was een toegewijde en zeer geleerde archeoloog, die er voor de oorlog een gewoonte van had gemaakt eenmaal per jaar Ford op te zoeken met het oog op oude stenen of pijlpunten. Ford had gewoonlijk heel wat van zulke dingen verzameld in die twaalf maanden en hij was altijd bereid ze aan Fawcett te verkopen. Ze waren meestal niet veel waard, maar zo nu en dan kwam er wel eens iets goeds te voorschijn.
“Zo, zo,” zei Fawcett, terwijl hij zijn jas uittrok in het gangetje. “Zo, zo, zo. Het is wel zeven jaar geleden dat ik hier voor het laatst was.”
“Ja, het is een hele tijd,” zei Ford.
Ford ging hem voor naar de voorkamer en liet hem een doos pijlpunten zien, die in de buurt waren gevonden. Sommige waren goed, andere minder. Fawcett zocht ze uit, sorteerde ze en de koop werd gesloten.
“Niks anders?”
“Nee, ik geloof van niet.”
Ford wenste vurig dat dr. Fawcett nooit gekomen was. Hij wenste zelfs nog vuriger dat hij weer weg zou gaan.
Op dat moment zag Ford iets dat het angstzweet bij hem deed uitbreken. Hij zag plotseling dat hij op de schoorsteenmantel de twee mooiste Romeinse lepels van de schat had laten liggen. Deze lepels fascineerden hem, omdat in allebei de naam van een Romeins meisje gegraveerd stond, misschien een doopgeschenk van Romeinse ouders die tot het christendom bekeerd waren. De ene naam was Pascentia en de andere Papittedo. Werkelijk prachtige namen. Ford probeerde zwetend van angst tussen Fawcett en de schoorsteen te gaan staan. Misschien, bedacht hij, zou hij zelfs de lepels in zijn zak kunnen laten glijden, als hij de kans kreeg. Hij kreeg de kans niet.
Misschien had Ford ze zo goed gepoetst dat een flits van weerkaatst licht de aandacht van de geleerde trok. Wie zal het zeggen? Het blijft een feit dat Fawcett ze zag. En hij zag ze nog niet of hij sprong er als een tijger op af.
“Grote goedheid!” riep hij. “Wat hebben we hier?”
“Tin,” zei Ford, nog erger zwetend dan eerst. “Gewoon een paar ouwe tinnen lepels.”
“Tin?” riep Fawcett, die een van de lepels ronddraaide in zijn vingers. “Tin! Noem jij dit tin?”
“Ja zeker,” zei Ford, “dat is tin.”
“Weet je wat dit is?” vroeg Fawcett met overslaande stem van opwinding. “Zal ik je eens precies vertellen wat dit echt is?”
“Niet nodig,” zei Ford nijdig. “Ik weet wat dat is. Dat is oude tin. En lang niet gek bovendien.”
Fawcett las de inscriptie in Romeinse letters op de binnenkant. “Papittedo!” riep hij.
“Wat betekent dat?” vroeg Ford hem.
Fawcett pakte de andere lepel. “Pascentia,” zei hij. “Schitterend! Dat zijn de namen van Romeinse kinderen! En deze lepels, beste man, zijn van massief zilver!”
“Bestaat niet,” zei Ford.
“Ze zijn magnifiek!” riep Fawcett verrukt.
“Ze zijn volmaakt! Ze zijn ongelofelijk! Waar heb je die in vredesnaam gevonden? Het is van het grootste belang te weten waar je ze gevonden hebt! Was er nog meer?” Fawcett danste door de kamer.
“Nou…” zei Ford en likte langs zijn droge lippen.
“Je moet dit onmiddellijk aangeven!” riep Fawcett. “Dat is een schat! Het Brits Museum zal ze willen hebben, dat is een ding dat zeker is! Hoelang heb je ze al?”
“Een poosje,” zei Ford.
“En wie heeft ze gevonden?” vroeg Fawcett, hem recht aankijkend. “Heb je ze zelf gevonden of heb je ze van iemand anders? Dat is waar het om gaat. De vinder kan het ons precies vertellen!”
Ford had het gevoel dat de muren van de kamer op hem afkwamen en hij wist niet wat te doen.
“Vooruit man! Je weet toch zeker wel hoe je eraan komt! Ze zullen het naadje van de kous willen weten, wanneer je ze gaat aangeven. Beloof je me dat je er meteen mee naar de politie gaat?”
“Nou…” zei Ford.
“Als jij ‘t niet doet, dan ben ik bang dat ik het zelf zal moeten aangeven,” zei Fawcett. “Dat is mijn plicht.”
Het spel was uit en Ford wist het. Duizenden vragen zouden op hem afgevuurd worden. Hoe heb je ze ontdekt? Wanneer heb je ze gevonden? Wat was je aan het doen? Waar precies? Wiens land was je aan het ploegen? En vroeg of laat zou onvermijdelijk de naam van Cordon Butcher vallen. Daar zou hij nooit onderuit kunnen. En, wanneer Butcher ondervraagd werd, zou hij zich de omvang van de schat herinneren en alles vertellen.
Het spel was dus uit. En het enige wat hem nu te doen stond was de deuren van het dressoir open te doen en de hele schat aan dr. Fawcett laten zien.
Fords smoes om alles te houden en niet aan te geven zou moeten zijn dat hij dacht dat het tin was. Als hij dat maar bleef volhouden, zei hij tegen zichzelf, dan konden ze hem niks maken.
Dr. Fawcett zou vast een hartaanval krijgen als hij zag wat er in die kast lag.
“Er is in feite nog heel wat meer,” zei Ford.
“Waar?” riep Fawcett ronddraaiend. “Waar, man, waar? Laat zien!”
“Ik dacht echt dat het tin was,” zei Ford en liep langzaam met grote tegenzin naar het eikenhouten dressoir. “Anders had ik het natuurlijk meteen aangegeven.”
Hij bukte en draaide de sleutel om. Hij opende de deuren.
En toen kreeg dr. Hugh Alderson Fawcett bijna echt een hartaanval. Hij liet zich op zijn knieën vallen. Hij snakte naar adem. Hij stikte half. Hij begon te sputteren als een oude ketel. Hij stak zijn handen uit naar de grote schaal. Hij pakte hem vast. Hij hield hem in zijn bevende handen en zijn gezicht werd zo wit als sneeuw. Hij zei niets. Hij kon niets zeggen. Hij was letterlijk en lichamelijk en geestelijk met stomheid geslagen door het zien van de schat.
Het interessante deel van het verhaal is hiermee afgelopen. De rest is heel gewoon. Ford ging naar het politiebureau in Mildenhall en deed aangifte. De politie kwam dadelijk de vierendertig voorwerpen ophalen en ze werden onder bewaking naar het Brittish Museum gestuurd voor onderzoek.
Toen kwam er een dringende boodschap van het museum aan de politie van Mildenhall. Het was verreweg het mooiste Romeinse zilver dat ooit in Engeland gevonden was. Het was geweldig veel waard. Het museum (dat eigenlijk een openbare staatsinstelling is) wilde het opnemen. In feite stonden ze erop het in hun collectie op te nemen.
De ambtelijke molen begon te draaien. Er werd een officieel onderzoek georganiseerd in de dichtstbij gelegen grote stad, Bury St. Edmunds. Het zilver werd er heengebracht onder speciale politiebewaking. Ford werd opgeroepen om te verschijnen voor de officier van justitie en een jury van veertien man, en ook Cordon Butcher, die goede stille man, kreeg het bevel te verschijnen om te getuigen.
Op maandag 1 juli 1946 werd de hoorzitting gehouden en de officier van justitie ondervroeg Ford heel nauwkeurig.
“U dacht dat het tin was?”
“Ja.”
“Zelfs nadat u het schoongemaakt had?”
“Ja.”
“En u deed geen enkele moeite om deskundigen van uw vondst op de hoogte te stellen?”
“Nee.”
“Wat was u van plan te doen met de voorwerpen?”
“Niks. Gewoon houden.”
En toen hij klaar was met het verhoor, vroeg Ford of hij naar buiten mocht in de frisse lucht, omdat hij zei dat hij zich niet zo lekker voelde. Dat verbaasde niemand.
Toen werd Butcher opgeroepen en in een paar eenvoudige woorden vertelde hij zijn rol in deze zaak.
Dr. Fawcett legde zijn verklaring af, en ook verschillende andere geleerde archeologen, die allemaal stelden dat het een buitengewoon unieke schat was. Ze zeiden dat hij uit de vierde eeuw na Christus was, dat het tafelzilver van een rijke Romeinse familie was en dat het waarschijnlijk door de rentmeester van de eigenaar was begraven, om het uit handen te houden van de Pieten en Schotten, die in de jaren 365-367 uit het noorden kwamen en heel wat Romeinse nederzettingen met de grond gelijkmaakten. De man die het begraven had was waarschijnlijk vermoord door een Piet of een Schot en sindsdien had de schat steeds onder de grond gelegen. Het vakmanschap, zeiden de deskundigen, was geweldig. Een gedeelte ervan kon in Engeland vervaardigd zijn, maar het was waarschijnlijker dat het uit Italië of Egypte kwam. De grote schaal was natuurlijk het mooiste stuk. De kop in het midden was van Neptunus, de zeegod, met dolfijnen in zijn haar en zeewier in zijn baard. Overal om hem heen dartelden zeenimfen en zeemonsters. Op de brede rand stond Bacchus met zijn volgelingen. Er was wijn en er waren zwelgpartijen. Hercules was er, stomdronken, ondersteund door twee saters; zijn leeuwenhuid was van zijn schouders afgegleden. Ook Pan was er, dansend op zijn bokkenpoten, met zijn fluit in de hand. En overal waren maenaden, de vrouwelijke ingewijden van Bacchus—nogal beschonken vrouwen.
Ook kreeg men te horen dat op verschillende lepels het monogram van Christus (Chi-Rho) voorkwam, en dat de twee waarin de namen Pascentia en Papittedo gegraveerd stonden ongetwijfeld doopgeschenken waren.
De deskundigen voltooiden hun verklaringen en de jury trok zich terug. De jury kwam algauw weer binnen en hun uitspraak was verbazingwekkend. Niemand werd wat dan ook verweten, maar de vinder van de schat had geen recht meer op de volle beloning van de kroon, omdat de vondst niet meteen was aangegeven. Niettemin zou er waarschijnlijk wel een bepaald bedrag uitgekeerd worden en met het oog daarop werden Ford en Butcher gezamenlijk als vinders aangewezen.
Niet Butcher. Ford én Butcher.
Meer is er niet te vertellen, behalve dan dat de schat werd opgenomen in het Brittish Museum, waar alles nu trots staat uitgestald in een grote glazen vitrine, waar iedereen het kan zien. En er zijn al mensen van heel ver gekomen om te kijken naar deze prachtige dingen die Cordon Butcher op die koude, stormachtige middag onder zijn ploeg vond.
Binnenkort zullen er wel een of twee dikke boeken over verschijnen, vol veronderstellingen en diepzinnige conclusies, en mensen die zich met archeologie bezighouden zullen wel altijd blijven praten over de schat van Mildenhall.
Bij wijze van gebaar beloonde het museum de beide vinders met ieder tienduizend euro. Butcher, de echte vinder, was dolgelukkig en verbaasd over zoveel geld. Hij besefte niet dat, wanneer hij in het begin de schat mee naar huis had mogen nemen, hij zo goed als zeker anderen van zijn vondst op de hoogte had gesteld en zo in aanmerking zou zijn gekomen voor een beloning van de volle honderd procent van de waarde, wat zou zijn neergekomen op een bedrag van tussen de vijf en tien miljoen euro.
Niemand weet wat Ford van de hele zaak dacht. Hij moet opgelucht en misschien ook wel een beetje verbaasd zijn geweest, toen hij hoorde dat zijn smoes over tin geloofd werd. Maar vooral moet hij diep geschokt zijn geweest over het verlies van zijn grootse schat. Voor de rest van zijn leven zou hij zichzelf vervloeken omdat hij die twee lepels op de schoorsteenmantel had laten liggen, waar dr. Fawcett ze kon zien.