Opvallend in dit door de geschiedenisboeken geaccepteerde re- laas zijn sommige details. Bijvoorbeeld dat het eerste pistool dat hij kocht het eigendom was van ene Rene´ Moerwit, een soldaat uit Orle´ans. Moerwit voelde zich na de moord zo´ schuldig dat hij zich- zelf van het leven beroofde. Beweerd wordt echter dat Balthazar het wapen eerst probeerde en dat hij, toen dit weigerde, alsnog twee pistolen kocht van een andere lijfwacht, sergeant de la Forest uit de compagnie van kapitein Caulier. Bij het verhoor verklaarde Balthazar dat hij zich niet meer kon herinneren waar hij het kruit en de kogels op de kop had getikt, hetgeen zijn ondervragers blijk- baar geloofwaardig vonden. Helemaal verbijsterend is zijn bewe- ring dat hij een lijfwacht vroeg om de kogels voor hem te ‘splijten’, wat betekende dat ze zodanig bewerkt en gevijld werden dat ze voor gemene wonden zorgden die snel infecteerden. Ofschoon op dit punt de medewerking werd ontzegd, is het toch behoorlijk zot dat niemand op het idee kwam om alarm te slaan – of op zijn minst enige vragen te stellen. Was Willem van Oranje omgeven door incapabele malloten of duiden deze kleine vriendendiensten er toch op dat zijn moordenaar van binnenuit hulp heeft gehad? Een ander ontstellend incident verhaalt hoe Balthazar, die na zijn terugkeer uit Frankrijk een uiltje wil knappen op de bank van het wachtlokaal, door een bediende gevraagd wordt ‘of hij meteen mee wil komen’. Balthazar legt achteloos zijn koppelriem af, en daar- mee de wapens waarmee hij in het Prinsenhof blijkbaar vrolijk mag rondstappen. De bediende neemt hem mee naar het slaapvertrek van de Prins, waar de wel zeer naı¨eve aanvoerder van de Neder- landse rebellen hem uithoort over de dood van Anjou. Over de beroemde laatste woorden van Oranje (‘Heere Godt weest mijn siele...’) weet onderzoeker Nanne Bosma nog te zeggen Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dat er maar drie mensen zijn geweest die dicht genoeg bij de Prins
waren om zijn woorden te horen (stalmeester Jacob van Malderen, de burgemeester van Leeuwarden en Balthazar Gerards zelf) en geen van hen repte met een woord over deze volzin. Waarschijnlijk zei hij helemaal niets, hoewel persvoorlichter De Villiers in de pro- testantse lezing opmerkt dat de Prins gezegd zou hebben dat hij ‘seer gequetst’ was.
Na de moordaanslag ten slotte, nadat Balthazar tevergeefs heeft geprobeerd het hazenpad te kiezen, vindt er nog een potsierlijk gesprekje plaats. Een van de dienaren beschuldigt Balthazar ervan eenen snooden schelm te zijn. Waarop Balthazar antwoordt hele- maal geen snooden schelm te zijn, omdat hij slechts gedaan heeft wat zijn koning hem had opgedragen. Welke koning, vraagt de dienaar. De koning van Spanje, antwoordt Balthazar. Zo wordt elke twijfel over wie achter de terroristische aanslag zit, vakkundig de grond ingeboord.
Vatten we dus samen: ondanks het feit dat de Prins van Oranje eerder het slachtoffer is geweest van een aanslag en in het ge- doemde jaar 1584 zo ongeveer iedereen de doodswens over hem heeft uitgesproken, wandelt de berooide Balthazar (over wie een ieder het eens was dat hij eruitzag als een onguur en armetierig sujet) doodleuk het Prinsenhof binnen en staat in een oogwenk voor de Prins. Hij hangt vervolgens dagenlang in het gebouw rond, slentert door de gangen zonder dat iemand hem vraagt wie hij is en wat hij daar uitspookt, jaagt Louise van Coligny, de vierde vrouw van Willem, de stuipen op het lijf met zijn sinistere blik, stapt doodgemoedereerd de prinselijke slaapkamer annex ont- vangstkamer in en krijgt uiteindelijk (nota bene van een lijfwacht) een stel pistolen in de handen gedrukt. De verantwoordelijke lijf- wacht berooft zichzelf gerieflijk van het leven en voorkomt zo dat er omtrent deze toedracht vervelende vragen worden gesteld. Een andere mogelijke handlanger wordt in de kraag gevat maar ver- dwijnt daarop spoorloos. Na de moord wordt de Prins zelf onvoor- zichtigheid verweten, dat terwijl Willems naam (de Zwijger) zo ongeveer synoniem is met behoedzaamheid. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Jarenlang hadden de Spanjaarden tevergeefs geprobeerd Willem
uit de weg te ruimen: de beloning voor zijn moord, het equivalent van maar liefst 350(!) jaarsalarissen, had in al die tijd geen resultaat opgeleverd, complot na complot werd ontmanteld, maar de katho- lieke extremist Balthazar, die jarenlang aan iedereen die het maar horen wilde vertelde dat hij Willem ging vermoorden, wordt zon- der de geringste argwaan binnengelaten: met niets meer dan een kletsverhaal en wat blanco aanbevelingsbrieven. Na de moord wordt de dader in het geniep verhoord en knutselt de moordenaar, die ne´t nog de Prins van Oranje heeft doodgescho- ten en op de vlucht is overrompeld, een uiterst conscie¨ntieus en eloquent geschreven bekentenis in elkaar. Achteraf blijkt dat de twee beulen van Balthazar, Jacob Michielsz en Willem Willemsz, verantwoordelijk voor zijn foltering en terechtstelling, een honora- rium kregen toegewezen dat 20 keer hoger was dan normaal. Zwijggeld wellicht? Er verschijnen vervolgens meer onnaspeurbare ‘bekentenissen’ en suggestieve pamfletten en onmiddellijk wordt met beschuldigende vinger naar Spanje gewezen. Een van die pam- fletten komt uit katholieke hoek en bevat intieme informatie over Balthazar. Het zet in detail uiteen welke voorbereidingen de dader had getroffen. De anonieme schrijver van dit laatste pamflet be- schikt over gegevens die op dat moment helemaal niet beschikbaar waren, en die zich dus onmogelijk konden beroepen op de door de moordenaar opgestelde bekentenis. Het lijkt te zijn geschreven door een katholiek die wel erg goed op de hoogte was, bijna alsof hij het zelf van dichtbij had meegemaakt. Hij kende zelfs het vluchtplan, iets waarover Balthazar met geen woord had gerept! Maar het lijkt ons sterk dat er katholieke fanatiekelingen aanwezig waren bij zowel de moord als de verhoren. Het pamflet verscheen zo kort na de moord (nog vo´o´r de officie¨le lezing van 24 juli) dat we ons mogen afvragen of het Guyon-verhaal misschien niet al bij voorbaat in de kast lag. Als het door de Staten goedgekeurde re- laas, dat zich dus baseerde op de bekentenis uit eerste hand, op juli verschijnt, wordt scherp uitgehaald naar het katholieke pam- flet, hetgeen nog eens benadrukt dat de katholieke schrijver al vo´o´r het naar buiten brengen van de bekentenis over gedetailleerde ach- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
tergrondinformatie beschikte. Dat de biografie vrijwel gelijktijdig
door zowel de katholieken als de orangisten naar buiten werd ge- bracht geeft in elk geval te denken.
Zoals vermeld had Balthazar zich bij het leger van de graaf van Mansfeldt aangesloten in de hoop dichter in de buurt van Oranje te komen en aanbevelingsbrieven te bemachtigen. Om dit doel te bereiken probeerde hij Mansfeldt meermalen te misleiden. Toen de trage opmars van dit leger zijn plannen frustreerde, trachtte hij uit de dienst ontslagen te worden door zich openlijk te misdragen. Ook dacht hij erover na om gewoon te vluchten en zich op eigen houtje naar Delft te begeven. Dit is een vreemd verhaal. Mansfeldt streed tegen Oranje en zou dus aan Balthazars kant hebben ge- staan. Een moordaanslag op de Prins zou de graaf in de kaart hebben gespeeld. Waarom moest Balthazar dan zo heimelijk te werk gaan en zei hij niet gewoon wat hij van plan was? Hij lijkt hiermee Mansfeldt van alle medeplichtigheid te willen vrijpleiten. Maar waarom?
Hij noemde Parma als medeplichtige, waarom dan niet Mans- feldt? Balthazar had geen reden om hem te sparen. Zelfs Spaanse geschiedschrijvers als Herrera waren er happig op het Spaanse complot aan te dikken. Herrera laat Balthazar immers bij Parma verschijnen met een aanbeveling van Mansfeldt op zak. Parma en Filips wilden de verantwoordelijkheid maar al te graag opeisen. Waarom zouden de vijanden van Oranje hun betrokkenheid willen ontkennen: zij maakten er nooit een geheim van dat zij de ketterse Willem onder de groene zoden wilden zien. Om welke reden zou Balthazar zich dan de moeite getroosten om Mansfeldt vrij te plei- ten? Zou het kunnen dat Balthazar juist hier de waarheid vertelde? Waren Mansfeldt en Parma inderdaad niet betrokken bij de moord? Had Spanje u¨berhaupt wel iets met de moord te maken? Worden Parma en Mansfeldt in latere beschuldigingen nadruk- kelijk genoemd, een enkele betrokkene wordt door Balthazar – als zijn bekentenis tenminste authentiek is – juist ondergeschikt ge- maakt. De meest belangwekkende is de niet nader genoemde je- zuı¨et uit Trier. De Orde der Jezuı¨eten was ingesteld door Ignatius Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van Loyola. In feite waren de jezuı¨eten de stoottroepen van de
Contrareformatie, het propagandaleger van Filips. De geheimzin- nige jezuı¨et die Balthazar in zijn eerste belijdenis lijkt te sparen, blijkt echter een grotere betrokkenheid te hebben gehad. De officie¨le lezing (van de staatsen) stelt dat Balthazar, die de jezuı¨et in eerste instantie als onschuldig biechtvader opvoerde, tij- dens de martelingen van het vierde verhoor een grotere rol toe- dichtte. In zijn eerste bekentenis beweerde hij dat het vooral ge- wetensnood was die hem naar de Duitse biechtvader dreef. Maar waarom ging hij daarvoor helemaal naar het Duitse Trier? Waar- om moest die biecht per se door de regent van het Jezuı¨etenklooster worden afgenomen? Was een willekeurige legeraalmoezenier niet voldoende geweest?
Onder druk van zijn folteraars beweerde hij – uitgaande van de verslagen – dat de jezuı¨et zijn plan aanmoedigde en hem absolutie beloofde wanneer hij erin zou slagen. Vervolgens zou hij met drie andere kloosterlingen overleg hebben gevoerd. Er staat niet waar- over. Later beweerde Balthazar dat hij gedwongen werd naar Trier uit te wijken omdat bepaalde lieden in zijn omgeving argwaan hadden gekregen. Hij had zelfs een priester neergestoken die dreigde hem te ontmaskeren. Dit spannende verhaal komt aardig geforceerd over en lijkt bijna volledig uit de duim gezogen. Het Trier-verhaal wordt wel uitgelegd als een smoesje om zijn langdu- rig verblijf bij de hertog van Parma te verdoezelen, maar nogmaals, welke reden had Balthazar om de medeplichtigheid van de land- voogd te bagatelliseren? Is het niet veeleer omgekeerd, en wordt niet juist het hele Parma-verhaal aangedikt om het eigenaardige bezoek aan Trier te verdoezelen?
Ter herinnering: Trier huisvestte niet alleen het genoemde je- zuı¨etenklooster, het was een van de vooraanstaande zetels van de Duitse Orde. De stad bevindt zich bovendien midden in de Hohen- lohekreis waar de grootmeesters de scepter zwaaiden. We herinne- ren ons ook dat Willem van Oranje brieven ontving van de Duitse Orde te Trier.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Na het bezoek aan Trier zou Balthazar weer contact hebben ge-
zocht met Parma om hem zijn plannen voor te leggen. Zo wordt er handig over de Duitse episode heen gepraat en worden we terug- gevoerd naar het aandeel van de Spaanse landvoogd. Uit Spaanse archieven blijkt weliswaar dat de ontmoeting met Parma werkelijk heeft plaatsgevonden, maar er staat ook dat Parma er niet het minste vertrouwen in had dat Balthazar in zijn opzet zou slagen. Waarom zou dat miezerige mannetje in staat zijn te doen wat zelfs zijn beste spionnen niet waar konden maken, schreef hij na de dood van Oranje aan de koning. De brief aan Filips geeft een wat overrompelde indruk, alsof Parma zelf nog steeds niet helemaal gelooft dat Balthazar echt verantwoordelijk is voor de moord. Na- tuurlijk kunnen hij en de koning hun geluk niet op, maar Parma bericht erover alsof hij volkomen verbaasd is. Niet echt de houding van iemand die nauw bij het complot betrokken was. Daar komt nog bij dat hij Balthazar weliswaar met de grootste gelukwensen op pad had gestuurd, maar dat hij hem geen stuiver gegeven had, wat natuurlijk niet duidt op een uitgedokterd plan, of op zijn ver- trouwen in het welslagen ervan. Het heeft er alle schijn van dat de hele Spaanse medeplichtigheid aan de moord eruit bestaat dat de hertog van Parma zei: ‘Nou, veel succes ermee!’ En daaruit moet de betrokkenheid van de Spaanse kroon blij- ken? Daarmee moest Balthazar Gerards het doen toen hij in mei 1584 in Delft arriveerde? Had Balthazar gewoon belachelijk veel geluk gehad?
Overigens was het wel Parma die er bij de koning op aandrong de beloofde 25.000 kronen aan de familie van Gerards uit te keren. Filips stond naar verluidt niet te trappelen, maar stemde uiteinde- lijk morrend toe om Willems verbeurdverklaarde gronden aan de nabestaanden te schenken. Daarmee was de zaak afgedaan. De lezer vindt het misschien nog aardig om te weten dat een priester, Sasbout Vosmeer, het hoofd van de gevierendeelde Baltha- zar in een pot met sterk water stopte en die meenam om aan de paus te laten zien. De paus bedankte hem hartelijk en zond hem terug naar Keulen, waar het hoofd verdween zonder een spoor achter te laten.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Was Balthazar Gerards het instrument van een protestants-lutherse
coup; een verbond tussen Duitse en Hollandse edelen die zich be- dreigd voelden door Willems Franse koers? Laten we niet vergeten dat er na de aanslag van Jaureguy in eerste instantie naar de Fran- sen werd gewezen, en niet naar de Spanjaarden. Ook na de ge- slaagde moordaanslag was dit het geval. Was dit een opzettelijke verdachtmaking aan het adres van Anjou, wiens inmenging de Duitse betrekkingen in gevaar bracht? De beweringen en overtui- gingen van Balthazar kunnen best oprecht zijn geweest, maar ze zijn nu moeilijk te achterhalen; het hele Guyon-verhaal zou in el- kaar gezet kunnen zijn om met de vinger naar de katholieke Span- jaarden te wijzen. In deze versie is een verholen paleisrevolutie wel- licht de moordenaar geweest: een samenzwering van hofleden en staatse bondgenoten die Balthazar het Prinsenhof in smokkelden en hem de moordwapens in handen gaven. Na een opzichtig to- neelstukje wordt hij dan in de boeien geslagen, waarna er als bij toverslag een omslachtige bekentenis verschijnt. Een bekentenis die al lang van tevoren is opgesteld en onder de betrokkenen verspreid. Het onwaarschijnlijke verhaal over Balthazar die een dolk in de deur steekt en verklaart dat hij zou willen dat het de Prins van Oranje was, doet dan denken aan de foto waarop Lee Harvey Oswald glimlachend poseert met het geweer waarmee hij later John F. Kennedy zal neerschieten. Het is allemaal net iets te mooi om waar te zijn.
In de officie¨le, opgesmukte versie wordt vervolgens onomwon- den de schuld gelegd bij de Spanjaarden en niet te vergeten de schurkachtige jezuı¨eten, die nog lang na de moord een slechte naam krijgen. De Prins van Oranje, die zijn onderhandelingen met Duitsland inruilde voor een pact met Frankrijk, werd dan in werkelijkheid het slachtoffer van een intrige waarbij Duitse belan- gen op het spel stonden. De vergelijking met de moord op Floris V dringt zich op.
De waarheid van deze uiterst speculatieve bewering staat aller- minst vast. De omstandigheden van de moord op Willem van Oranje kunnen op tal van manieren worden geı¨nterpreteerd, de hiaten naar hartelust ingevuld. De waarheid omtrent die gebeurte- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
nissen zal misschien nooit geheel boven tafel komen, maar net als
bij de moord op Kennedy en andere illustere personen, loont het soms de moeite om de algemeen geaccepteerde geschiedenis eens te laten voor wat zij is en zelf op zoek te gaan naar de antwoorden. Conclusies
Of er werkelijk een pact met de Teutoonse handelsfederatie is ge- sloten, en of Willem zichzelf en zijn vrienden in gevaar bracht door dit niet te eerbiedigen, is moeilijk met zekerheid te zeggen. Willem van Oranje maakte de echte strijd tegen Spanje niet meer mee. Hem was een ander en wreder lot bereid. Maar als onze theorie inder- daad klopt, komt dit lot in een ander licht te staan. Wederom zagen we dat de feiten zoals ze in de geschiedenisboeken worden vermeld niet altijd zo vanzelfsprekend zijn als wordt gedacht. Hoewel veel onderzoekers tot verschillende conclusies zijn geko- men ten aanzien van het geld, is niemand het erover eens wie nu het leeuwendeel van de Nederlandse Vrijheidsstrijd bekostigd heeft. Een deel kwam ongetwijfeld van Europese vorsten, van bevriende families, van de Staten-Generaal en de buitgemaakte zilvervloot. Maar wie de grote geldschieter was, blijft vooralsnog een onopge- helderd mysterie.
Willem van Oranje liet bij zijn overlijden torenhoge schulden achter, schulden die pas dertig jaar na zijn dood eindelijk werden voldaan.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk Het geheim van
Zionsburg gaat naar Den
Bosch
Na de brand
Zo zijn we dus weer teruggekeerd bij het Duitse Huis in Vught. Tot nu toe hebben we flink gespeculeerd over dat wat we het ‘Geheim van Zionsburg’ zijn gaan noemen, maar veel dichter bij de ware aard van dat geheim zijn we nog niet gekomen. Wat verborg de Duitse Orde uit Palestina in haar kasteeltje in Vught? Wat was er zo belangrijk dat er hertogen, keizers en geheime genootschappen aan te pas moesten komen om het te beschermen? Waren het de archie- ven van de orde die het geheim zelf vormden, of boden ze alleen maar toegang tot het geheim? Stonden er dingen in over de oprich- ting van de Duitse Orde in Jeruzalem, over de schatten van de Tempelberg, de berg Zion, o´f ging het om een ander mysterie? Hopelijk konden nieuwe en onverwachte gebeurtenissen in de loop van de zestiende eeuw ons meer vertellen. In deze tijd gebeurden er, zoals we al hebben gezien, dingen die het commandeurshuis in Vught bedreigden en zelfs vernietigden, en die dus gevolgen moeten hebben gehad voor hetgeen er bewaard werd.
In 1543 was het Duitse Huis in Vught platgebrand door Maar- ten van Rossum. De oude Lambertuskerk was in de as gelegd en bood samen met de commanderij een desolate aanblik. Het is mo- gelijk dat Van Rossum de commanderij geplunderd heeft en alle geheime kostbaarheden – als die er al waren – in handen heeft gekregen. We weten dus niet wat het geheim van Vught was. Maar als het bestond uit de archieven van de Duitse Orde, had Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Van Rossum pech. Juist deze waren door commandeur Johan van
Cortenbach in veiligheid gebracht.
Waar Cortenbach de – blijkbaar belangrijke – archieven verborg weten we niet. Mogelijk dat Cortenbach de manuscripten in veilig- heid bracht via de ondergrondse tunnel die de commanderij met de Lambertuskerk verbond. In datzelfde jaar wordt Cortenbach door de landscommandeur in Alden Biesen overgeplaatst naar de com- manderij van Aken. Volgens de nog bestaande archieven was er in september 1543 in het Huis in Alden Biesen een bijeenkomst van alle belangrijke Nederlandse commandeurs, waaronder de com- mandeur van Gemert, de commandeur van Bernshem en natuurlijk die van Vught, Johan Cortenbach. Behalve dat Cortenbach hier officieel werd aangesteld als commandeur van Aken, werd er op het eerste gezicht een aantal oninteressante beslissingen genomen. Zo werd er een motie aangenomen dat de landscommandeur een coadjutor (assistent) zou voordragen aan de Duitsmeester en dat hij (de landscommandeur) ter vermeerdering van zijn inkomen en- kele oude tienden uit Vught en Cromvoirt ontving. Over de teloor- gang van het Huis in Vught werd met geen woord gerept. Gezien het feit dat de ontmoeting plaatshad kort nadat Vught door Van Rossum vernietigd was, lijkt het niet vergezocht om te vermoeden dat het hier een spoedvergadering betrof. Alle hoofden van de orde waren aanwezig. Enkel om een paar mededelingen van huishoude- lijke aard aan te horen? Dit leek ons niet geloofwaardig. Aanneme- lijker was het dat er op deze topbijeenkomst enkele besluiten wer- den genomen aangaande het lot van Vught – en het zorgvuldig buiten de notulen gehouden Geheim.
Wat dat besluit was weten we niet met zekerheid. In elk geval werd de Vughtse commanderij voor het moment opgedoekt. Han- gende de situatie in de Meierij werd besloten het Duitse Huis elders te huisvesten. Daarna was het een tijdlang akelig stil rondom de commanderij. Het leek erop dat de Teutonen de omgeving hadden verlaten: de zaak was tot de grond toe afgebrand, de Sint Lamber- tuskerk lag in puin en de wind waaide mismoedig door de straten. Naar verluidt stond er na de plundering nog slechts een klein hou- ten huisje op de ruı¨ne van de commanderij. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Niet lang na de vernietiging van Vught treffen wij echter opnieuw
Duitse ridders aan, die zich nu in Den Bosch hebben teruggetrok- ken. Maar het duurt een paar jaar voordat er officieel een nieuwe commandeur wordt geı¨nstalleerd. Dit keer is het een familielid van Cortenbach, de landscommandeur in Maastricht: Floris van Ma- schereel.104 Floris wordt in 1549 aangesteld als de nieuwe Vughtse commandeur, maar hij houdt verblijf in Den Bosch. In de archieven van de Zwanenbroeders wordt vermeld dat hij in 1555 twee zwa- nen schenkt en dus als lid wordt opgenomen in de broederschap. Rond diezelfde tijd betrekt hij het huis dat aan zijn broer had toe- behoord, later omgedoopt tot het Maschereelshuis in de Sint-Joris- straat. Over wat er in de tussentijd met de Vughtse archieven is gebeurd, doen verschillende verhalen de ronde. Drs. A.C.M. Kap- pelhof speculeert dat het archief na de vernieling door Van Rossum is opgesplitst en verspreid: een deel zou bij de ridderbroeders in Gemert zijn ondergebracht, een ander deel van het archief zou later naar Alden Biesen zijn gezonden. Anderen beweren dat de archie- ven van de Duitse Orde in Vught met Cortenbach mee naar Aken zijn gegaan. Het is ook heel goed mogelijk dat Maschereel een deel van de archieven meenam naar zijn residentie in ’s-Hertogenbosch, zoals Hezenmans beweert. Kappelhof zegt over het lot van de ar- chieven: ‘Het moet niet uitgesloten worden geacht, dat op andere plaatsen, zoals op het Centrale Archief van de Duitse Orde te We- nen, Huize Sionsburg te Vught of het Staatsarchief te Hasselt, zich nog bescheiden bevinden, die over Vught handelen en/of tot het commanderijarchief behoren’. Omdat er geen complete inventari- satie van de commanderij bestaat, valt niet precies vast te stellen wat waar is gebleven. De schrijver gaat verder met te zeggen dat ‘de huidige eigenaar niet genegen is inzage te geven in de onder hem berustende archivalia’. Die ‘huidige eigenaar’, kunnen we vast ver- klappen, is Ewald Marggraff. Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen.
Als we de verschillende bronnen hierover goed lezen, staat er dus eigenlijk dat de archieven van de Duitse Orde in de tweede helft van de zestiende eeuw verspreid raakten en zelfs gedeeltelijk ver- dwenen. Na de teloorgang van het Huis in Vught wordt de geschie- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
denis van de Duitse Orde aldaar een stuk onoverzichtelijker. Zo-
veel als mogelijk was probeerden we het Geheim op de voet te volgen. En volgens ons liep het spoor, niet naar Gemert of Alden Biesen, maar naar ’s-Hertogenbosch. Het leek ons waarschijnlijk dat de nieuwe commandeur, Floris Maschereel, het geheim van Vught (of dit nu deel uitmaakte van de archieven of niet) met zich meenam toen hij binnen de muren van de stad een veilig heenko- men zocht.
Waarom was dit waarschijnlijk?
Waarom nam Maschereel het geheim van Zionsburg met zich mee naar een vesting die omgeven was door potentie¨le belegeraars? En als hij ze van Cortenbach in bewaring kreeg toen hij al in de stad woonde, waarom hield hij ze dan in zijn bezit? Als hij het geheim, wat het ook was, wilde behoeden voor vijanden van de Duitse Orde, waarom bracht hij het dan niet terug naar Duitsland, naar het hoofdkwartier van de orde in Koningsbergen of Mergentheim? Om deze vragen te beantwoorden moeten we iets verder terug in de tijd, naar het begin van de zestiende eeuw. Verwant aan deze kwestie is de vraag hoe de orde omging met de Reformatie. De Duitse Orde en de Reformatie
Er wordt wel gezegd dat de Reformatie de ondergang betekende van de Duitse Orde. In Nederland alleen al werden vanaf drastische maatregelen afgekondigd tegen de katholieke instanties. Orden als de johannieters en de Teutonen werden gedwongen lijs- ten openbaar te maken die inzicht gaven in hun bezittingen. Secu- larisatie werd opgedrongen. Priesters moesten plaatsmaken voor ridders van wie verwacht werd dat ze bijdroegen aan de strijd tegen Spanje. Voor commanderijen als Vught was dit vooruitzicht na- tuurlijk funest, temeer daar er ook oprichtingsstatuten moesten worden overlegd. In het geval van Vught zou dit betekenen dat een inventarisatie van haar kostbaarheden in handen van de luthe- ranen zou vallen. Ook zou de reden van haar oprichting in de openbaarheid komen, en daarmee misschien het zorgvuldig buiten Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de aandacht gehouden Geheim. Het Duitse Huis en het Hospitaal
in Utrecht deden met succes een beroep op de Staten-Generaal, en dankzij interventie van Willem van Oranje (die, zoals we hebben gezien, in die tijd juist in onderhandeling was met de Duitse adel) werden de orden voor het moment vrijgesteld van de ingevoerde maatregelen.
In Duitsland zelf zouden het vooral interne conflicten en facto- ren zijn die de orde ten val brachten. En voor de Duitse Orde begon die val, zo gaat het verhaal, met de zevenendertigste grootmeester Albrecht von Brandenburg-Ansbach.
Albrecht was markgraaf van de mark Brandenburg in het noor- den van Duitsland. Markgraaf of markies is evenals graaf een adel- lijke titel, maar net een graad hoger. Een gebied waarover de mark- graaf heerste was een markgraafschap of markizaat. Het mark- graafschap Brandenburg (in feite een verzameling graafschappen) was tevens een keurvorstendom of electoraat, wat betekende dat de mark een stem had in de te verkiezen Roomse keizer. Wat hier van belang is, is dat Brandenburg in 1417 onder bestuur kwam van de Frankische tak van het vorstengeslacht Hohenzollern. Oor- spronkelijk kwam deze familie uit het zuiden van Duitsland. De naam is afgeleid van de burcht Zollern bij Hechingen. In het ge- noemde jaar 1417 verkreeg een Hohenzollern dus de mark Bran- denburg. Albrecht was een lid van de familie Hohenzollern en erfde de titel.
De keuze voor markgraaf Albrecht (von Hohenzollern) von Brandenburg als nieuwe grootmeester was al een bewijs voor het anticiperende, politieke klimaat waarin de Duitse Orde rond was beland. De reden voor zijn aanstelling in 1511 was dat zijn moeder een zus was van de Poolse koning Sigismund I. De relatie met Polen was op zijn minst precair te noemen. In 1410 was het, zoals we zagen, tot een openlijke strijd gekomen met Polen en Litouwen, een strijd die de Duitse Orde in de Slag bij Tannenberg had verloren. Polen verkocht de Duitse ridders een flink pak slaag en maakte min of meer een einde aan de Duitse hegemonie in het oosten. Polen was, juist door het succes van de kolonisatie, vol- wassen geworden. En een volwassen kolonie wil, net als de Ver- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
enigde Staten van Amerika, vroeg of laat zelfbestuur. In 1440 ver-
enigde de plaatselijke adel zich met Hanzesteden als Danzig en Elbing om tegen de Duitse Orde in opstand te komen. De Pruisi- sche Bond werd in het leven geroepen en een oorlog tegen de Duitse Orde, tussen 1454 en 1466, verliep in het voordeel van de Pools- Pruisische alliantie. De Duitse Orde moest grote stukken land prijs- geven aan Polen en zich in het oosten van dit gebied terugtrekken. De hoofdzetel van de orde in Marie¨nburg werd ingeruild voor Ko- ningsbergen. Zelfs daar moesten de voormalige kruisvaarders Po- len als leenheer erkennen. Het aan Polen prijsgegeven gebied werd daarop het koninkrijk Pruisen genoemd. Dit nieuwe rijk had dus weinig te maken met de oorspronkelijke bewoners, de Pruzzen of de Pruisen, maar bestond voor het overgrote deel uit een nieuwe adel: een mix van gekerstende Polen en Duitse kolonisten. Wat de Duitse ridders flink zal hebben gestoken, was het ironi- sche feit dat de Polen hen onderhorig maakten aan de kerkelijke autoriteiten. De Duitse Orde had de pauselijke bul altijd gebruikt om onder het vaandel van Rome grote gebieden in Oost-Europa te koloniseren. Nu waren het niet de heidense horden, maar uitgere- kend de door hen gekerstende Polen die hen onderwierpen. Dat dit u¨berhaupt kon gebeuren, wijst erop dat de Duitse ridders in feite nooit de ware vertegenwoordigers van het christendom waren ge- weest. Het waren de bekeerde bewoners van Polen en de Baltische staten die deze nieuwe religie aanwendden om de vroegere kruis- vaarders tot de orde te roepen. In feite werd de kerk te´gen de Duitse Orde gebruikt. Op zijn minst zorgde deze wending voor een on- overzichtelijke situatie. Van het machtsvacuu¨m dat hierdoor ont- stond, maakte de nieuwe Poolse adel gebruik door zich nadruk- kelijk als de nieuwe heersers neer te zetten. Beslissingen over de oude ordestaat werden buiten het Vaticaan om genomen. Ook de keizer van het Heilige Roomse Rijk werd buitenspel geplaatst. De Duitse Orde stond er in toenemende mate alleen voor. Door in 1511 een neef van de Poolse koning aan te stellen hoopten de ridders een vredesverdrag met de Polen te kunnen beklinken. Maar met Albrecht von Brandenburg kochten ze, zo schijnt het althans, een kat in de zak. Albrecht was niet van zins het Poolse gezag te Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
accepteren. Hij bleef Polen tegen het zere been schoppen en liet het
aankomen op gewapende conflicten. Meermalen vroeg hij steun uit Duitsland, maar de orde onthield hem (om redenen die ons aan- vankelijk niet duidelijk waren) alle hulp. Hij delfde het onderspit, zo leert de geschiedenis, en moest een toontje lager zingen. Op advies van niemand minder dan Maarten Luther legde hij het grootmeesterschap neer en werd aanhanger van de Reformatie. Het oostelijke deel van Pruisen, waar de zetel van de Duitse Orde zich bevond, werd door hem ‘omgevormd’ in een luthers hertog- dom, waarvan hij zelf hertog was. In minder eufemistische termen betekende dit dat Albrecht blijkbaar van de situatie gebruikmaakte om de ordestaat aan de Duitse ridders te ontfutselen en hiervan zijn prive´-staatje te maken. Hij erkende daarbij plotseling we´l het gezag van Polen en bracht in 1525 leenhulde aan zijn oom Sigismund I. Oom Sigismund op zijn beurt erkende de grenzen van dit nieuwe hertogdom en verleende zijn neef bovendien het erfrecht, zodat de nakomelingen van Albrecht de hertogzetel zouden behouden. Dit is wel erg vreemd. Eerst weigert Albrecht Polen als leenheer te erkennen, en als hij de benodigde hulp uit Duitsland niet krijgt, keert hij zich van de weeromstuit te´gen de Duitse Orde en maakt Polen tot zijn bondgenoot. Toch is dit wat de geschiedenis ons vertelt. De Duitse Orde, gedecimeerd en beroofd van haar laatste grondgebied in het oosten, had in dit scenario het nakijken. Het schisma betekende het einde van de Deutschritter. De versplinterde katholieke fractie zocht een goed heenkomen in het zuiden van Duitsland en verplaatste haar hoofdzetel andermaal, ditmaal naar Mergentheim in Wurtemberg. De Hochmeister bleef bestaan, maar de steeds indrukwekkender titels van de grootmeester kunnen niet verhullen dat het hier in toenemende mate een holle en ceremonie¨le functie betrof.
In veel boeken eindigt hier de roemruchte geschiedenis van de Duitse Orde.
De vraag waarom Floris Maschereel de archieven van de Duitse Orde niet terugbracht naar de hoofdzetel in Mergentheim lijkt dan gemakkelijk te beantwoorden. De Duitse Orde bestond rond Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
vrijwel niet meer. De verraderlijke Albrecht had haar de genadeslag
toegebracht en de resterende grondgebieden voor zichzelf opgee¨ist. Koningsbergen of Mergentheim was voor Maschereel geen optie meer. Het lijkt dan logisch dat hij, daartoe aangespoord door de ketterse ontwikkelingen in het noorden en het oosten, asiel zocht in het katholieke bolwerk Den Bosch.
Maar dit lijkt op een aantal punten niet te kloppen. Ten eerste was Den Bosch in de tijd dat Maschereel naar de stad vluchtte nog helemaal geen katholiek bolwerk. Het was van oudsher een plaats die haar poorten wijd openhield voor ballinghen ende banckerot- tiers, en politieke vluchtelingen. In de wijk achter het stadhuis woonden zoveel joden dat hij ook wel Jericho genoemd werd. Er woonde een grote groep protestanten, en in 1566 viel de stad ten prooi aan de beeldenstorm.
Ten tweede is het niet juist te stellen dat de Duitse Orde rond 1550 volledig in rook was opgegaan. De ridders deden er in het zuiden van Duitsland alles aan om orde op zaken te stellen. De successie van grootmeesters werd weer opgepakt en de orde kon nog in 1589 bogen op het grootmeesterschap van Maximiliaan van Habsburg, vierde zoon van keizer Maximiliaan II. Toch besloot Maschereel geen contact op te nemen met deze instanties. Waarom koos hij ervoor om naar een plek te gaan die even ge- makkelijk een verzetshaard van het protestantisme had kunnen worden? En dan: waarom overhandigde hij zijn geheim niet ge- woon aan de Spaanse bezetter om het zichzelf gemakkelijk te ma- ken? Was het daarvoor te belangrijk?
Aan de andere kant, als de Duitse Orde als ordestaat en machts- factor had opgehouden te bestaan, wat kon er dan zo belangrijk zijn? Maar hı´eld de ordestaat wel op te bestaan? Hier komen we op het tweede onwaarschijnlijke punt.
Niet voor niets verlieten wij in een eerder hoofdstuk de Duitse Orde op dit punt in de geschiedenis. Maar we vroegen ons toen ook af of de Duitse Orde in 1525 inderdaad ten onder ging. Was de secularisatie echt het einde?
Het officie¨le verhaal gaat ervan uit dat de Reformatie een ge- beurtenis was die de orde aan het begin van de zestiende eeuw Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
overrompelde. Op stel en sprong moest een innerlijke scheuring
worden voorkomen. In Lijfland (het huidige Letland en een deel van Estland) wist Meister Wolter von Plettenberg de zaak nog enige tijd in het gareel te houden totdat hem door de oprukkende Refor- matie niets anders te doen stond dan lutheranen toe te staan in de Orde. De Duitse Meister Wolter von Cronberg, eveneens een ver- moeide oude man, wist nog net de bescherming te verwerven van Karel V, maar ook hier liep de onderneming al snel spaak. Het keizerlijke decreet dat Von Cronberg de soevereiniteit over Pruisen toewees was een lachertje: de familie van Albrecht – de Hohenzol- lerns – zat stevig in het zadel. Een poging van de Duitse Orde om zich met de hospitaalridders te verenigen liep in 1545 op niets uit. Dit beeld van een blunderende organisatie die achter de feiten aan- loopt, strookt niet echt met het beeld dat we tot nu toe van de Duitse Orde hebben gekregen. Inderdaad hebben verschillende his- torici aangetoond dat de metamorfose niet begon met de Reforma- tie, maar al eerder.105 In een artikel van Udo Arnold106 bepleit deze dat de ontwikkelingen die tot de hervorming van de Duitse Orde leidden al vo´o´r de aanstelling van Hochmeister von Brandenburg in gang werden gezet. De Reformatie heeft, zoals we zullen zien, veeleer een metamorfose tot stand gebracht; van een totale ontbin- ding was geen sprake. De – officie¨le – ontbinding zou pas plaats- vinden door een oekaze van Napoleon, drie eeuwen later. Opval- lend is namelijk dat de protestantse hervorming van de Duitse Orde in vrijwel alle gevallen wordt gelijkgeschakeld met een ‘secu- larisatie’. Secularisatie in strikte zin wil zeggen dat kerkelijke goe- deren onder staatsbeheer worden geplaatst. Met betrekking tot de Duitse Orde betekent dit dat de organisatie als kerkelijk instituut ophield te bestaan. De Duitse ridders wisten echter heel goed dat ‘secularisatie’ helemaal niet hetzelfde is als ‘ontbinding’. Waar an- dere kerkelijke instellingen de ontwikkelingen als een bedreiging zagen, zag de Fratrum Theutonicorum Ecclesiae S. Mariae Hierso- lymitanae kansen.
Als we de toedracht op een andere manier bekijken, namelijk los van het lot van de Duitse Orde, zien we dat grootmeester Albrecht von Brandenburg erin slaagde een ‘lutherse’, dat wil zeggen secu- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
liere staat op te richten die niet langer onderhorig was aan katho-
lieke Habsburgers. Zijn Pruisen onttrok zich hiermee niet alleen aan het Vaticaan, maar ook aan het Heilige Roomse Rijk en de keizer. Karel V kon niet meer doen dan zachtjes protesteren, en de volgende grootmeester van de Duitse Orde, Von Cronberg, had weinig in te brengen. De overgebleven orde was dus weinig meer dan een ontheemde organisatie zonder werkelijke invloed, bovendien onderhorig aan Karel V?
Een paar zaken pleiten tegen deze lezing. Ten eerste was het toch zeker de Duitse Orde die contact zocht met de protestantse van Nassaus, zoals we in het hoofdstuk over Willem van Oranje heb- ben aangetoond. De officie¨le Duitse Orde was nog steeds onderho- rig aan de Habsburgers, en dus de Spanjaarden. Waarom zocht de katholieke orde naar een conclaaf met de opkomende protestantse gemeenschap in de Nederlanden? Er wa´s toch geen sprake van een zuiver lutherse Duitse Orde? Of wel?
Ten tweede werden we steeds meer geı¨ntrigeerd door dat vreemde staatje, Pruisen. Er was iets sinisters, iets ongelofelijks aan dat plotselinge hertogdom onder bescherming van de Europese adel. Op de keper beschouwd was het seculiere Pruisen, in het midden van een door godsdienstoorlogen verscheurd Europa, een onvoorstelbare anomalie.
We begonnen ons af te vragen of het ‘verraad’ van Albrecht von Brandenburg in feite niet een overstap van de totale Duitse Orde naar het protestantisme was, en daarmee naar secularisatie. De omslachtige manier waarop dit gebeurde was dan een truc om zowel de paus als de keizer een rad voor ogen te draaien. De Duitse ridders zagen wat er gebeurde met calvinisten en lutheranen die zich van de katholieke kerk probeerden los te maken. De Neder- landen raakten in oorlog met Spanje, de Franse hugenoten werden massaal uitgeroeid, Duitsland stortte zich in de 30-jarige oorlog. In Engeland werden de hospitaalridders voor de keuze gesteld: refor- meren of opdoeken. Er was een Hermann von Salza voor nodig om op dit dunne koord tussen kerk en staat te balanceren. Zelfs in Duitsland, waar het de johannieters wat beter verging, stuitten zij op hetzelfde probleem. In navolging van de Duitse Orde Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
wisten zij van de Reformatie gebruik te maken door zich op de
lokale adel te richten. In het noorden maakten de hospitaalridders zich weliswaar los van het hoofdkwartier op Malta, maar niet zonder hun onderworpenheid te tonen aan de markgraaf van Bran- denburg. In het protestantse Holland werd hen vanaf 1602 het recht ontnomen een nieuwe baljuw te kiezen, en ditmaal haalden protesten aan het adres van de Oranje-Nassaus niets uit. Ook trok de Duitse Orde lering uit het lot van hun oude tegen- hangers, de tempeliers, die onder verdenking van ketterij door zo- wel paus als koning waren uitgemoord. Dit was een voorbeeld van hoe gemakkelijk de publieke opinie kon omslaan en hoe zelfs de twee partijen (paus en koning) zich tegen je konden keren.107 De Duitse Orde was slimmer. Behoedzamer. In feite noopte de situatie ertoe pro-actief te zijn.
We stelden onszelf de volgende vragen: Nam Albrecht von Bran- denburg de Duitse Orde misschien met zich mee naar Pruisen? Wa´s Pruisen de ordestaat in een nieuw jasje? Was de laatste grootmees- ter van de oude Duitse Orde in feite de eerste grootmeester van een nieuwe Duitse Orde? Een seculiere orde met een politieke, econo- mische agenda?
Albrecht von Brandenburg en zijn missie
Dit laatste duidt op een gewaagd plan waarbij de aanstelling van Albrecht in 1511 dus een anticiperende stap was. Von Branden- burg werd beslist niet gekozen omdat hij zo’n vrome koorknaap was. Hij had al lang daarvoor bewezen een opportunistische, re- calcitrante figuur te zijn die nota bene Maarten Luther tot zijn persoonlijke vrienden ging rekenen. Hij liet al van tevoren weten dat hij een leven zonder seks niet zag zitten, maar dat werd hem om de een of andere reden vergeven. Zelfs tijdens zijn ambt als groot- meester bleef hij ‘immorele nachtelijke avonturen’108 beleven. Een latere grootmeester merkte op: ‘Het was een zwaar vergrijp tegen de oude regel de meest waardige grootmeester te kiezen’.109 Daar- bij komt het eigenaardige feit dat de Duitse Orde weigerde haar Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
eigen grootmeester de nodige militaire steun tegen Polen te verle-
nen. Hiermee zou zij de daad van Albrecht – die geen keus meer had – zelf in de hand hebben gewerkt.
De verontwaardiging die volgde op zijn ‘verraad’ komt dan ook niet geloofwaardig over. In plaats van een onvoorziene stap die de Duitse Orde verraste en verontwaardigde was zijn inauguratie als Hochmeister mogelijk dus een weloverwogen beslissing. Albrecht bereikte immers, via een omweg, het gewenste resultaat: een vre- desverdrag met Polen. Maar hij bereikte meer: hij maakte van het gebied in Pruisen een onafhankelijk hertogdom dat tot grote hoog- ten zou stijgen.
Het was al vo´o´r Albrecht een feit dat de plaatselijke grootmees- ters in Pruisen zich steeds meer als onaantastbare vorsten gingen gedragen. Grootmeester was geen geestelijk ambt meer, als het dat ooit al geweest was. Ook Albrecht was in alle opzichten een we- reldlijke leider, van wie de Duitse ridders toch nauwelijks hebben mogen verwachten dat hij het katholicisme met hand en tand zou verdedigen. Al vanaf het begin begon hij de ordestatuten te over- treden – of te hervormen, het is maar hoe je het bekijkt. Het oude systeem van landcommandeurs en balijen werd gaandeweg opge- heven. De gebieden die onder de verschillende commanderijen vie- len, werden ingelijfd en het machtsorgaan gecentraliseerd. Daar- naast waren de ridders er al eerder in geslaagd de macht van de plaatselijke bisschoppen in te tomen. De geestelijkheid werd al- lengs vervangen door broeders in dienst van de orde. Ook de no- menclatuur werd aangepast aan de moderne tijd: politieke titels verschenen steeds vaker ten tonele ten koste van rangen als Hoch- meister en Großkomtur. De Pruisische adel werd gerekruteerd om van de oude ordestaat een moderne politieke staatsvorm te maken. Dit proces begon al vo´o´r de aanstelling van Albrecht. Klaus Militzer110 schrijft: ‘...het is duidelijk (...) dat veel ontwik- kelingen die de militaire orden tijdens de Reformatie kenmerkten al lang voor 1500 waren ontstaan en gevormd. De Reformatie heeft sommige van deze ontwikkelingen versneld, maar er zelden aanlei- ding toe gegeven. Het debat over religieuze vernieuwing speelde geen dominante rol in [de] orden, en werd meestal gebruikt als Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
een instrument om politieke eisen en behoeften te promoten.’ (Cur-
sivering door de auteurs.)
Ook de relatie die Albrecht (en de Duitse Orde) met Luther on- derhield is in dit opzicht van belang. Luther was geı¨nteresseerd in de Duitse Orde. In maart 1523 liet hij een vlugschrift verschijnen getiteld: An die herrn Deutschs Ordens das sie falsche keuscheyt meyden und zur rechten ehlichen keuscheyt greyffen Ermanung. Hierin riep hij de ridders op hun eed aan de orde te breken en te trouwen, omdat hun monastieke eed volgens hem in strijd was met Gods geboden. Opvallend is dat Luther vooral een secularisatie op het oog had, en niet een verdieping of bestendiging van de geeste- lijke kant van de orde. Met andere woorden, hij lijkt de ridders toe te juichen en de priesters te veroordelen. Het is echter ook niet ondenkbaar dat deze woorden Luther in de mond werden gelegd en dat hij een stellingname verwoordde die al veel eerder beleid was geworden. Eigenlijk krijgt Luther, die door half Europa toch al verketterd werd, de schuld in de schoenen geschoven. De corrumperende invloed van Luther op Albrecht moest het verraad van de Duitse grootmeester aannemelijk maken. Dit om te voorkomen dat de Duitse Orde ze´lf als aanstichter werd gezien. We weten echter ook dat er al vo´o´r de ontmoeting in Wit- tenberg een geheime bespreking plaatsvond tussen Albrecht en ene Achatius Cema. De laatste sprak namens de Poolse kanselier en vice-kanselier het advies uit om het grootmeesterschap op te geven en Pruisen als leengoed te ontvangen. Dit plan bestond dus al in een meer politieke vorm voordat Luther ter sprake kwam. Was Al- brecht wel zo’n overtuigd lutheraan, of ging het hem om de oprich- ting van een eigen staat? Over de Reformatie werd in dit onder- houd niet gerept, ook niet in het Verdrag van Krakau. Blijkbaar was dit punt in de deal met Polen van ondergeschikt belang, zoals het voor de Duitse Orde ook van ondergeschikt belang was. De grondvesting van het hertogdom Pruisen was allereerst een staats- rechtelijke formatie. Deze moderne staat, die de plaatselijke adel omarmde en zogenaamd niets uitstaande had met de oude orde- staat, zou later aan de basis staan van het huidige Duitsland. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Pruisen. Een nieuwe ordestaat die aan de oppervlakte weliswaar
luthers was, maar die lustig contacten onderhield met de omrin- gende katholieke mogendheden; een staat ook waarbinnen de ka- tholieken volkomen met rust werden gelaten. Daarmee had zij uiterlijk een metamorfose ondergaan, en wel zodanig dat weinigen haar nog herkenden. Zelfs de Polen en de inheemse Pruisen had- den, voor zover ze er niet bij betrokken waren, blijkbaar niets in de gaten. De houding van Polen was des te opmerkelijker: van de grootste vijand van de Duitse Orde werd zij tot de meest fervente verdediger van het nieuwe Pruisen. Vanaf het moment dat Albrecht op de oude markt van Krakau eer betuigde aan Sigismund, be- schouwde deze het hertogdom als een protectoraat. Deze houding kan te maken hebben met het feit dat Albrecht al eerder een pact van wederzijdse bescherming had getekend met de Russische tsaar Vassili.
Het lijkt er dus op dat het plan van Albrecht (of van zijn op- drachtgevers) was geslaagd. De genialiteit van het plan bestond er klaarblijkelijk in dat Albrecht zich voordeed als een vijand van de Duitse Orde, en alle tradities van de Teutoonse kruisvaarders over- boord gooide. Maar wat hij overboord gooide waren uiterlijkhe- den; in werkelijkheid stelde het plan hem in staat om dezelfde Duitse adel via een omweg weer naar binnen te smokkelen. De Polen wisten dus van niets en zetten in hun achteloosheid de deuren open voor dezelfde orde die zij in alle hevigheid bestreden hadden.
Opmerkelijk in de briefwisseling tussen Polen en het Vaticaan is echter het volgende: in een brief van een Poolse bisschop aan een afgevaardigde van Rome lijkt hij zich te verspreken wanneer hij zegt dat ‘wat de godsdienst betreft, de paus reeds op de hoogte is van het feit dat de [Duitse] Orde het Lutheranisme onschendbaar acht, terwijl het de katholieke kerk vervloekt’. Hij zegt vervolgens onomwonden dat het niet de Polen waren die de Duitse ridders tot Luther hebben gebracht, maar dat zij dit zelf hebben gedaan. De bisschop identificeert het nieuwe Pruisen hier, nı´e´t met hertog Albrecht, maar met de Duitse Orde zelf. Ten tijde van het Verdrag Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van Krakau was Albrecht geen grootmeester meer en had de Duitse
Orde als zodanig dus niets met het Verdrag te maken! De Duitse Orde reageerde, zoals we zagen, juist hevig verontwaardigd op de daad van Albrecht. Toch noemt ook Sigismund de Duitse Orde nog een keer in een brief aan de ambassadeur van de Roomse keizer. Hier heeft de Poolse koning het plotseling over onderhandelingen met de Duitse Orde, waar hij de onderhandelingen met Albrecht bedoelt. Hij schrijft dat hij zich gedurende de besprekingen niet gewaagd heeft aan godsdienstige discussies met de orde, aangezien dit niet in zijn belang lag. (Nogmaals wekt dit laatste de indruk dat godsdienstige kwesties geen rol speelden in de kwestie Pruisen.) Trouwens, ik ben niet de oprichter van de orde, zegt hij om zich vrij te pleiten van zijn aandeel in het lutherse hertogdom. Hiermee lijkt hij aan te geven dat het de ‘oprichter’ van de Duitse Orde is die met het hele idee op te proppen was gekomen. Op 20 juli 1525 komt de ratificatie uit Rome: de paus accepteert de door Sigismund bedongen vrede met de orde. Blijkbaar gaan alle partijen in de kwestie ervan uit dat het hier om de Duitse Orde als geheel gaat, en niet alleen om een afvallige grootmeester die de orde zojuist de rug heeft toegekeerd. En dan is er nog de volgende vraag: als Albrecht rebelleerde tegen de Duitse Orde, waarom kwamen de plaatselijke ordeleden dan niet in het verweer? Waarom liet de eens zo machtige ridderorde toe dat een van hen met de zaak op de loop ging? In een artikel schrijft Juhan Kreem: ‘Als de verspreiding van het lutheranisme zo’n gevaar was voor de legitimiteit van de orde, dan had men wel iets meer tegenstand verwacht. Hoewel de top van de orde in Lijfland zich tegenover de keizer en de ordeleiding in het Rijk con- servatief voordeed, schijnt de verbreiding van het lutheranisme onder de broeders in feite geen probleem te zijn geweest.’111 Wij konden niet begrijpen waarom de ridders de boel zomaar op zijn beloop lieten.
Er worden een paar ontoereikende verklaringen aangereikt. Ge- opperd wordt onder meer dat Meisters Dietrich von Cleen van Duitsland en Wolter von Plettenberg in Lijfland wel op de hoogte Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
waren van de geruchten omtrent Albrecht, maar dat ze weigerden
te geloven dat hun grootmeester de eeuwenoude traditie van de ordestaat zomaar ongedaan maakte. Dit zou verklaren waarom ze niets deden om Albrecht tegen te houden. Wij vermoedden dat er een andere reden was. Omdat Albrecht handelde in opdracht van de Duitse Orde die hij pretendeerde omver te halen, en de ordeleden deel uitmaakten van de gedaanteverwisseling. ‘De orde kon als Adelskorporation voortbestaan, ook wanneer er onder de gelederen verschillende geloofsuitingen vertegenwoordigd wa- ren.’ Opnieuw was er sprake van een fluwelen revolutie. Om elke verdenking weg te nemen bleef er een soort nep-Duitse Orde be- staan, een stramme katholieke tak die steen en been klaagde. Om te voorkomen dat de onderneming de heersende dynastie (de Habs- burgers) tegen zich in het harnas joeg, ging ze verhaal halen bij Karel V, goed wetend dat die niet bij machte was om iets aan de situatie te veranderen.
De reguliere geschiedschrijving maakt van de congregaties die na de ‘ontbinding’ van de Duitse Orde nog plaatsvonden in Mergent- heim een trieste aangelegenheid. De orde is door een schisma ge- troffen, en wat er nog over is, is een gezelschap van verongelijkte katholieken die het moeten hebben van donaties en de bescherming van een vleugellamme keizer. Ook Rome had veel van haar invloed verloren en dit verlies resulteerde in een terugloop van het aantal adellijke leden in de Duitse Orde. De situatie was zo nijpend dat gelegenheidsgrootmeester Dietrich von Cleen op dramatische wijze waarschuwde voor de aanstaande teloorgang van de orde. ‘Geluk- kig’ kwam de orde niet tot een volledig einde, maar transformeerde zij in een soort charitatieve organisatie, een mistig verzorgingsin- stituut voor de adel, een beetje zoals het in Palestina ooit begonnen was.
Dat is tenminste wat de officie¨le lezing ons wil doen geloven. In feite sloten veel Duitse commanderijen zich gaandeweg bij het lu- theranisme aan. In veel gevallen kwam dit neer op de stichting van een dynastie, waarbij de plaatselijke commandeur het voortbe- staan van de orde verzekerde door het erfrecht in te stellen en de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
mark of oude ordestaat onder beheer van een adellijke familie te
brengen.
In 1578 werd er zelfs een besluit uitgevaardigd waarin de Bikon- fessionalita¨t rechtsgeldig werd gemaakt. De ordeleden konden dus zelf kiezen welk geloof ze aanhingen. Dit proces van secularisatie zorgde al met al voor een geleidelijke overgang voor vrijwel alle balijen, een ontwikkeling die veel weg had van een afvloeiingsrege- ling. Sommige commanderijen werden hervormd en gereorgani- seerd, andere werden afgestoten. Commanderijen waren katho- liek, luthers of beide, wat het beste uitkwam. Ook de zogenaamde katholieke tak richtte zich in haar voortbestaan op het aantrekken van de lage adel. In toenemende mate beriep de laatste zich op wereldlijke rechten en aanspraken. Ook hier kwam het religieuze aspect op het tweede plan te staan.
De spagaat waarin de orde zich van meet af aan had bevonden, de dichotomie tussen geestelijkheid en ridderdom, werkte gedu- rende het hele proces in haar voordeel. Kerk en staat waren (dank- zij het grondwerk van Von Salza) al vanaf de oprichting in de Duitse Orde vertegenwoordigd. Dit maakte dat de orde zich om het even op welke tak konden beroepen. Om dicht bij huis te blij- ven: een riddercommanderij als Gemert hoefde zich door de gods- dienstgeschillen niet aangesproken te voelen, terwijl een priester- commanderij als Vught gevoeglijk failliet kon worden verklaard. Historicus Jo¨rg Seiler zegt het als volgt: ‘Ridderbroeders stabili- seerden de verankering in het sociale (adellijke) milieu, priesters daarentegen kostten alleen maar geld.’ Een ander goed voorbeeld van deze wijze van handelen betreft het Duitse Huis in Utrecht.
We hebben al gezien dat zowel de Duitse als de Maltezer ridders onder druk van de protestanten kwamen te staan. De afloop voor beide orden is echter heel verschillend. Terwijl de johannieters in 1602 geen opvolger meer mochten kiezen, werd de aanstelling van landmeesters voor de Duitse ridders oogluikend toegestaan. Het Duitse Huis was er echter toe overgegaan om luthergezinden in de gelederen op te nemen. Een historicus schrijft: ‘...de omstandig- heden zijn niet helemaal te verklaren. Een dergelijk plot (het toe- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
laten van protestanten in de orde) verklaart niet waarom de regio-
nale bestuurders (...) een oogje toeknepen waar het de voortgang van katholieke erediensten en het rekruteren van katholieken in de orde betrof. Even raadselachtig is hoe de Duitse Orde nog in werd toegestaan een nieuwe coadjutor aan te stellen en hoe deze (...) in 1612 ongehinderd de leiding van het Huis op zich kon nemen. En dat terwijl voor de hospitaalridders de keuze voor een nieuwe baljuw en de toelating van nieuwe leden tot een eind was gekomen.’ Het antwoord is tamelijk eenvoudig: het Duitse Huis ontdeed zich net als de orde in Duitsland van de oude gebruiken en om- armde de toekomst en de adel. Het Duitse Huis in Utrecht bleef in deze tijd gewoon bestaan, juist omdat het een gunstig trefpunt was voor leden van verschillende adellijke families. Dit verschil in handelen tussen de twee Utrechtse ridderorden is de Duitse situatie in een notendop. Zelfs als we aannemen dat Pruisen niet het enige project was waarin de Duitse Orde investeerde om haar voortbe- staan veilig te stellen, kunnen we wel zeggen dat dit wel het meest succesvolle van alle campagnes was. Pruisen, de oude ordestaat, werd de eerste protestantse Territorialstaat van Europa; of nog juister gezegd: de eerste seculiere, zuiver politieke staat in de ge- schiedenis. De aanvankelijke onderworpenheid aan Polen werd op de koop toe genomen; het begin was er. Wederom had de Duitse Orde, in een tijd van innerlijke verscheurdheid en afschuwelijke godsdienstoorlogen, vrijwel ongehinderd een eigen staat opgericht. De onderneming deed zelfs geen moeite om van logo te wisselen: het beeldmerk bleef als vanouds het zwarte hamerkruis van de Duitse kruisridders.
In dit licht is het besluit van Maschereel wellicht op een andere manier te verklaren.
Het antwoord is dat de Duitse Orde in die dagen diffuus was geworden, onzichtbaar zelfs. Maschereel was mogelijk niet op de hoogte gesteld of vertrouwde de zaak niet. Hij wist niet wie zijn vrienden waren: de katholieke Habsburgse tak gelieerd aan Spanje of de lutherse splinterorde die onder Von Brandenburg en de Prui- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
sische adel aansluiting zocht bij de ontwikkelingen in Holland.
Moest hij het geheim overhandigen aan de Spanjaarden of aan de Oranjes? Ook kan de kwestie Pruisen een agendapunt zijn geweest op de bijeenkomst te Alden Biesen, waarin collectief besloten werd het Geheim aan de nieuwe Vughtse commandeur in bewaring te geven: ver van de Duitse grens.
Hoe de Duitse Orde zelf stond ten opzichte van het Huis in Vught, was vooralsnog onduidelijk. Het kon zijn dat de orde haar belangstelling voor het Geheim verloren had, maar waar- schijnlijk was dat niet. Mogelijk achtte de Duitse zetel het eveneens verstandig om het in de hertogstad onder te brengen, hoewel zij toch had moeten zien aankomen dat deze spoedig onder vuur van de Spanjaarden zou komen te liggen. Gaandeweg zouden we erachter komen dat Duitsland vermoedelijk niet betrokken was bij de beslissing.
Toen de nieuwe commandeur de opdracht accepteerde om de inhoud van de Vughtse kluis mee naar Den Bosch te nemen, was dit in het diepste geheim. We zouden ons zelfs gaan afvragen of de landscommandeur wel op de hoogte was van deze zet, of dat Cor- tenbach het een en ander had bedisseld met zijn neef Maschereel. Het is heel goed mogelijk dat Maschereel op het Geheim is blijven zitten totdat de kwestie zichzelf had opgelost. Maar er was e´e´n probleem: de Tachtigjarige Oorlog duurde ook werkelijk 80 jaar.
Floris Maschereel als bewaker van het Geheim In de jaren dat Willem van Oranje pogingen deed om een staats leger op te zetten en Spanje zich middels Alva deed gelden in de zuidelijke Nederlanden, verbleef Floris Maschereel zoals gezegd in ’s-Hertogenbosch.
De commandeur van Vught vestigde zich niet bepaald in een achterafstraatje. De Sint-Jorisstraat heette eerst de Hulsstraat of de Hoelstraat, maar werd later genoemd naar de Sint-Joriskapel die zich in vroeger tijden op de hoek van de straat bevond. Het Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
was een voor die tijd brede, lichte straat met voorname huizen aan
weerszijden. Zo bevonden zich er het gasthuis van de familie Van den Broeck, een geslacht dat de nodige aanzien had, en dat in de Sint-Janskathedraal een eigen grafkelder bezat. Andere voorname buurtbewoners waren de Van Bokhovens, de Van Baexen en de adellijke familie Proening van Deventher, die in het bezit was van kasteel Nieuw-Herlaer bij Maurick. Een zijstraat van de Sint-Joris- straat, de Keizerstraat, ontleende haar naam aan Karel V, die ver- schillende malen in een huis aan deze straat logeerde. In de Sint-Jorisstraat waren verschillende kloosterhuizen, waar- onder het kartuizerklooster dat zich aanvankelijk in de Taalstraat in Vught had bevonden: pal tegenover het commandeurshuis van de Duitse Orde. Nadat het klooster in 1577 door staatse troepen in de as was gelegd zochten de kloosterlingen een heenkomen in een refugie´huis in de Sint-Jorisstraat, zodat ze opnieuw buren werden van de Duitse priesters. Een andere geestelijke instelling was het kruisbroederklooster, dat zich achter de Sint-Jorisstraat bevond. Een klein straatje met een poort verbond de twee. De kerk van de kruisbroeders, de Kruiskerk, was net in 1569 tot parochiekerk verheven en er werd al gepraat over een uitbreiding van de kapel. Het huis van Maschereel zelf stond zeer waarschijnlijk aan het einde van de Sint-Jorisstraat, ongeveer waar nu het Huis van Bewa- ring is. 115 Het adres was Oude Hulst nr. 37. In de zestiende eeuw bestond er nog een doorvaarbare hekel (een overkoepeld binnenri- viertje) waardoor vissers en kooplui vanaf de Singelgracht de stad konden binnenvaren. Dit riviertje (de Binnendieze) liep onder de Kruiskerk door in de richting van de Sint-Jorisstraat. De water- poort in de stadsmuur werd beschreven als ’t poertken aen Masse- reels beemst tot de hekele after de Cruysbroederen. Bij het Masche- reelshuis hoorde dus ook nog een buiten de stadsmuur gelegen weide.
Het huis was omstreeks 1531 in bezit gekomen van Henrick Maschereel Janszoon, die het in 1545 deed toekomen aan zijn zoon Herbertus. Herbertus, zo blijkt uit stadsarchieven, bevond zich ten tijde van de overdracht in het buitenland, en wel in het gezelschap van Rene´ van Chaˆlon, de Prins van Orange. Deze neef Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van Willem van Oranje, aan wie hij zijn titel naliet, blijkt rond
1543 te gast te zijn geweest in het Maschereelshuis. Dit is dus in hetzelfde jaar waarin het commandeurshuis door Maarten van Rossum verwoest werd. Wat Chaˆlon daar uitvoerde weten we niet, maar in januari van dat jaar, zo blijkt uit een Schepenakte uit Heusden, was hij er met Herbertus Maschereel en nog een paar hooggeplaatste lieden een korte tijd te gast. Herbertus had twee broers, Jan en Floris, en het was Floris aan wie hij het huis naliet.
Of Floris en Chaˆlon elkaar ontmoet hebben is niet zeker, maar we herinneren ons dat er zich op het terrein van Zionsburg een huis bevond dat eertijds bekend stond onder de naam Prince van Oran- gien. Dit gebouw (Parva Domus), waarop we nog zullen terugko- men, werd later bewoond door de secretaris van Willem van Oranje, Nicolaas van der Stegen. Gesteld wordt dat het daarom naar de Prins van Oranje werd genoemd. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat het is genoemd naar Rene´ van Chaˆlon en dat er tussen Chaˆlon en de Maschereels een bijzondere band bestond. In elk geval werd het Duitse Huis, zoals we gezien hebben, in 1543 verwoest. Aangezien Johan van Cortenbach toen nog com- mandeur was, is het niet waarschijnlijk dat Floris Maschereel er toen al woonde. Maschereel werd pas in 1549 officieel comman- deur, ruim zes jaar nadat het Huis vernietigd was. Zat hij toen al in Den Bosch? Bij zijn broer wellicht?
Dit is niet duidelijk. Misschien is er over de verwoesting van het commandeurshuis enige verwarring ontstaan, omdat het volgens sommige bronnen twee keer vernietigd is: een keer in 1543 door Van Rossum, en nog een keer in de latere jaren van de zestiende eeuw, vermoedelijk door de staatse troepen die ook het kartuizer- klooster verwoestten. Het is namelijk verwonderlijk dat de hertog van Parma nog in 1586 verklaarde het Huis (le chaˆteau et Com- manderie te Vught) in sauvegarde te nemen. Een sauvegarde is een gebeeldhouwd (ook geschilderd of uit hout gesneden) wapen bo- ven de ingang van een klooster, kerkhof of hospitaal en strekt tot vrijgeleide en vrijwaring tegen inkwartiering of bezetting.116 Met deze toekenning nam de hertog dus het gebouw en haar bewoners Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
in bescherming. Waarom zou hij een huis willen beschermen dat in
1543 al vernietigd was? Ook was er in de jaren na 1543 nog sprake van een herbouw van de Lambertuskerk. Mogelijk hebben de com- mandeurs het Huis in 1543 tijdelijk verlaten en zijn ze later terug- gekeerd. Hezenmans schrijft dat er in deze tussenliggende jaren sprake was van een korte opbloei waarin zowel het Duitse Huis als de Lambertustoren uit de as herrezen. Het is vermoedelijk ten gevolge van de tweede verwoesting door de staatsen, wellicht in 1577, dat Maschereel definitief besloot het commandeurshuis in ’s-Hertogenbosch te vestigen. Natuurlijk is het ook meer dan mo- gelijk dat Maschereel zich nooit in Vught gevestigd heeft, maar als commandeur altijd al in de stad bleef, zoals de nog bestaande documenten over de Duitse Orde in Vught ook lijken te bevestigen. Hoe en wanneer Maschereel het geheim van Zionsburg in han- den kreeg weten we dus niet. De vraag is wat ermee gebeurde. In 1543 was er in de stad wel degelijk sprake geweest van een drei- ging. In dat jaar leende de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap de stad Den Bosch 300 gulden om de acties tegen Maarten van Ros- sum te bekostigen. (Misschien omdat ze wisten dat Maarten het op last van Karel V op de commanderij van Vught had voorzien). Ook werden er huizen afgebroken die zich buiten de stadsmuur bevon- den, dit om de verdediging te vergemakkelijken. Burgers werden opgetrommeld – uit elk huis e´e´n – om de verdedigingslinies op te hopen. Maar het was in de periode van de staatse dreiging dat de stad definitief op slot ging. Tegen de tijd dat Maschereel zich als com- mandeur blijvend binnen de muren terugtrok, heerste er een ge- spannen sfeer. Lieden die ervan verdacht werden met de staatse vijand te heulen, werden op de Markt opgehangen. Op de stads- wallen werd dag en nacht wachtgelopen. De poorten werden zwaarbewaakt. Elke avond bij zonsondergang werden ze gesloten. Binnen de muren waren de straten smal, donker en smerig; straat- verlichting werd pas in de achttiende eeuw een vertrouwd gezicht. Had de stad altijd al onder overstromingen te lijden, in de aanloop naar de Tachtigjarige Oorlog werden steeds meer polders rond de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
stad bewust onder water gezet. De weg naar Vught stond sowieso
vrijwel het hele jaar onder water. Soms moesten er veerponten aan te pas komen, hetgeen het gevoel op een eiland te zitten zal hebben versterkt. In die dagen stond Den Bosch dan ook bekend als de ‘Moerasdraak’.
Alles duidt erop dat Maschereel zich in de beginjaren van zijn verblijf gewoon thuis ophield. Het Maschereelshuis stond in die tijd min of meer bekend als het nieuwe Duitse Huis; in feite als een refugie´huis zoals elke bedreigde kerkelijke instelling er een had. Maar Maschereel was geen gewone katholieke vluchteling. Hij wist niet hoe de vlag er in Duitsland bij hing en wie hij kon vertrouwen. Was de Duitse Orde – als zij nog bestond – een katho- lieke of protestantse organisatie? Waren er werkelijk interne con- flicten of was dit maar schijn? Zaten er mensen achter het Geheim aan en zo ja, wie kon hij dan verwachten: Habsburgse ridders of lutherse renegaten? En zouden ze hem als een vriend of een vijand beschouwen? Welbeschouwd wist hij niet eens of hij, als comman- deur van de orde, ze´lf paaps of hervormd was. Naar alle waarschijnlijkheid nam hij contact op met de Lieve Vrouwe Broederschap, hij was tenslotte een Zwanenbroeder die nog in 1590 vergaderingen voorzat. Of hij zijn medebroeders het Geheim toevertrouwde lijkt daarentegen onwaarschijnlijk, maar het is mogelijk dat de broederschap op de een of andere manier betrokken was bij het bewaken ervan. Wellicht verdween het in de kelder van het Zwanenbroedershuis of werd het verborgen in de Broederschapskapel in de Sint-Jan. Dit laatste valt zeer te be- twijfelen, aangezien de kapel nog in 1566 door beeldenstormers was belaagd. In dat jaar sloeg de protestantse weerzin tegen de kerk om in een vlaag van vernielzucht en viel de Sint-Janskathe- draal ten prooi aan de beeldenstorm. Door dapper optreden van ene Dominicus Beyens, rentmeester van de broederschap, werd de kapel enigszins ontzien. Maar minder dan twee maanden later was het weer raak. Deze keer moest de kapel het ontgelden, hoewel de meeste kostbaarheden toen al door de broeders in veiligheid waren gebracht.
Maar reeds daarvoor, in 1557, hadden er geheimzinnige gebeur- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
tenissen plaatsgevonden: ontwikkelingen die Maschereel aan het
aarzelen moeten hebben gebracht of de Zwanenbroeders nog wel te vertrouwen waren.
Zwarte Ruiters
Op een kille nacht van dat jaar, een jaar nadat Floris Masschereel vier zwanen aan de broederschap had geschonken, werden de be- woners van de binnenstad opgeschrikt door het geluid van tien- tallen paarden met ruiters. Dit waren duidelijk geen soldaten of ordinaire huurlingen. Dit waren lieden van een heel ander slag. De Bosschenaar die toevallig uit zijn raam keek op dat moment zou zeker zijn ogen uitwrijven, verbaasd over de vreemde stoet ruiters die zwijgend langs zijn raam trok zo midden in de nacht. De verlaten Bossche binnenstad vulde zich met het gebries van paarden en het geklop van hoeven. Voor aan de stoet reed een lange, statige heer, gehuld in een vuilgrijze mantel. Hij hief zijn rechterhand en gebaarde zijn ridders stil te houden voor een huis. Hij klopte zijn paard op de manen en stapte af. De anderen ver- roerden zich niet. Een man met een lantaarn stond in een deurope- ning en snelde met kleine stappen op de leider toe. Ze fluisterden even. De komst van de zwarte ruiters was bekend. De Duitse her- tog Erik van Braunschweig wendde zich tot zijn ridders en beval hen af te stappen. Terwijl een aantal bedienden zich over de paar- den ontfermde, betraden de ridders het Zwanenbroedershuis. Het archief van de broederschap spreekt over Swartte Ruyteren die enige tijd onderdak genieten in het Zwanenbroedershuis. Wat er bedoeld wordt met zwart is niet duidelijk, maar het had zeker niets te maken met de kleur van hun mantels. De kleurduiding lijkt eerder te verwijzen naar de aard van de missie. Wanneer wij van- daag de dag spreken over black operations als we het over spiona- geactiviteiten hebben, zo doelde de kroniekschrijver van de Zwa- nenbroeders op een geheime opdracht van de ruiters en hun aan- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
voerder. Er was iets met deze missie wat het daglicht niet kon ver-
dragen.
De leider van het vreemde gezelschap was de Duitse hertog Erik van Braunschweig. We waren deze naam, die in het Nederlands als ‘Brunswijk’ wordt uitgesproken, al eerder tegenkomen. De familie Van Brunswijk behoorde tot een oud Welfisch geslacht dat heerste over een groot gebied ten zuiden van Bremen. In een eerder hoofd- stuk is Luther van Brunswijk genoemd, die als grootmeester van de Duitse Orde de pactleden van Woeringen ontving in Marie¨nburg. We zouden de naam nog vaker tegenkomen. Niet lang voor het bezoek van de ruiters aan ’s-Hertogenbosch was Helena van Kleef, hertogin van Brunswijk, toegelaten tot de broederschap. De band tussen de broederschap en Kleef was zoals we weten meer dan hecht. En het hertogdom Brunswijk had een aandeel in de taart. We weten dat Erik van huis uit katholiek was en een agent van Karel V. Tegelijkertijd werd hij door rabiate katholieken verdacht van geheime lutherse sympathiee¨n. In de ogen van de katholieke Zwanenbroeders echter kon hij niets fout doen. En nu hadden zij de machtige Duitse bondgenoot te gast aan hun tafel. Opmerkelijk is dat de hertog van Brunswijk niet stond ingeschreven als broeder, en ook niet als buitenlid. Toch valt juist hem de eer te beurt als hoog bezoek te worden verwelkomd. Van hem zijn verschillende wapenfeiten bekend en hij werd algemeen gerespecteerd als een vermaarde krijgsheer.
Wat de reden van zijn bezoek aan Den Bosch was blijft onduide- lijk. Wel weten we dat hij flink van zijn route was afgeweken. De geheimzinnigheid waarmee het bezoek gepaard ging, wijst op een zaak die geen uitstel duldde. In het licht van eerdere speurtochten mogen we ervan uitgaan dat ook Erik en zijn zwarte ruiters een poging ondernamen om het Geheim na te speuren. De vraag is of zijn missie werd ondernomen in opdracht van Karel V of op eigen initiatief. Van Dijck zegt er verder niets over. Behalve in de archie- ven van de broederschap wordt nergens melding gemaakt van zijn bezoek aan ’s-Hertogenbosch. Het zou niet de laatste keer zijn dat de stad zich mocht verheugen in bezoekers uit Brunswijk. Zijn Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
opvolgers en navolgers zouden Den Bosch nog vaak aandoen, in
vergelijkbaar schimmige omstandigheden.
Aangezien het zeer wel mogelijk is dat Brunswijk (wiens voorva- deren in de veertiende eeuw Duitse ridders en grootmeesters waren geweest, wiens voorzaat Luther het archief van de orde had opge- zet) informatie kwam inwinnen over de huidige verblijfplaats van het Geheim, lijkt het niet waarschijnlijk dat Maschereel de schat daar nog veilig achtte. De eenheid binnen de Zwanenbroeders was bovendien ook niet meer wat ze geweest was: de leden ruzieden over dezelfde godsdienstige kwesties die de rest van Europa ver- scheurden. Als Maschereel het Geheim wilde behoeden voor con- flicten binnen de Duitse Orde, zal hij bij de Bossche broeders even- min iets te zoeken hebben gehad. Toch is het denkbaar dat hij, als gezworene, contacten bleef onderhouden met medebroeders, en dat hij deze medeplichtig maakte aan zijn taak als schatbewaker. Een huis dat zo openlijk bekend stond als de nieuwe residentie van de Duitse Orde, was wellicht ook niet de meest uitgelezen plek om een kostbaar Geheim te bewaren.
Waar hij het Geheim ook verborg, in 1585 gebeurde er wederom iets wat Maschereel en zijn broeders moet hebben verontrust. Nieuwsgierige Spanjaarden
Filips van Hohenlohe, de vriend van Willem van Oranje, deed een poging Den Bosch in te nemen. We hebben Hohenlohe al leren kennen als iemand met aanzienlijke connecties met de Duitse Orde. Het was zijn familie die in 1525 haar burcht in Mergentheim ter beschikking stelde aan de grootmeester, zodat dit de nieuwe hoofdzetel van de orde werd. Ook maakte hij deel uit van het clubje rond Brederode en Lodewijk van Nassau: het Verbond der Edelen dat Willem ertoe wilde bewegen steun te zoeken bij de Duitse adel. Al in 1577 had Hohenlohe in Vught zijn tenten opge- slagen in een verknoeide poging de stad in te nemen. Het waren zijn troepen die Vught toen bijna met de grond gelijkmaakten, het- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
zelfde jaar waarin de kartuizers en waarschijnlijk ook de Duitse
priesters binnen de stadsmuren vluchtten. Was Hohenlohe op een wilde plundertocht – net als Maarten van Rossum dertig jaar eer- der? Of was van Hohenlohe op zoek naar de inhoud van de Vughtse kluis?
Evenals Van Rossum lijkt Hohenlohe uit pure frustratie in het dorp tekeer te zijn gegaan. Dat hij daar het Duitse commandeurs- huis en de Lambertustoren bestookte is gezien zijn achtergrond wel erg vreemd. We merken nogmaals op dat zijn familie niet minder dan twee grootmeesters leverde en nog betrekkelijk kort tevoren haar burcht aan de katholieke orde had afgestaan. Bovendien pro- beerde hij Den Bosch niet stormenderhand te veroveren, maar een overeenkomst te bereiken met de Duitse hulptroepen die de stad hielpen beschermen. Hier deed hij dus duidelijk een beroep op zijn Duitse nationaliteit. Dan is er nog de discutabele haalbaarheid van zijn onderneming. In 1577 had Hohenlohe niet bepaald een reus- achtig leger voorhanden en in 1585 evenmin. Het feit dat hij met een betrekkelijk kleine eenheid probeerde om Den Bosch – de machtige Moerasdraak, de vrijwel onneembare vesting – op de Spanjaarden te veroveren is moeilijk te geloven. Hij was o´f erg onbesuisd o´f erg dom. Zijn missie was wellicht een stuk bescheide- ner. We herinneren ons dat juist in deze tijd het contact met de Duitsers op het spel stond, en mogelijk begaf Hohenlohe zich naar de Vughtse commanderij om het Geheim op te sporen. Hohenlohe was een guerrillastrijder, iemand die ervan hield de vijand kleine slagen toe te dienen en dan te maken dat hij weg- kwam. Hij was geen grote legeraanvoerder op de manier zoals Maurits en Frederik Hendrik dat later waren. Toch kende hij als aanvoerder grote successen: in 1578 veroverde hij Deventer, in 1584 Terneuzen. De manier waarop hij Den Bosch in 1585 wilde innemen is niettemin wel erg kolderiek. In plaats van de stad te belegeren en te bestoken verzamelde hij midden in de nacht een groepje soldaten en sloop in stilte naar de Vughterpoort. Toen de bejaarde poortwachter, ene Marcelis Jochems, die ochtend in alle vroegte de poort opende, werd hij overvallen door Hohenlohe en zijn mannen. Ze sloegen hem neer en drongen in drie groepen de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
stad binnen. Maar Marcelis, zo gaat de geschiedenis, kwam weer
bij en sloeg alarm. Hohenlohe werd door de Bosschenaren aange- vallen en moest de hielen lichten. Omdat men de poorten intussen gesloten had, waren hij en zijn mannen gedwongen over de muur in de gracht te springen. Aangezien het medio januari was, zal dit een alleszins onaangename ervaring zijn geweest. Een merkwaardige blunder van de man van wie gezegd wordt dat hij samen met Mau- rits de oorlogsvoering vernieuwde. Een verovering gestoeld op drie povere pelotons en een neergeknuppelde poortwachter is niet echt het werk van een militair genie. Let wel, dit is de man van het Turfschip, de Odysseus van de Tachtigjarige Oorlog. Kan het zijn dat Hohenlohe helemaal niet probeerde om Den Bosch in te nemen? 1585 was het jaar na de dood van Willem van Oranje, en het is mogelijk dat het idee om de Duitse adel bij de Hollandse vrijheidsstrijd te betrekken nog niet was opgegeven. Misschien had het zelfs een nieuwe impuls gekregen. In de tijd die sinds 1577 verstreken was, waren Hohenlohe en anderen er onge- twijfeld achtergekomen dat het Geheim zich naar ’s-Hertogen- bosch had verplaatst. Was dit de ware reden achter de merkwaar- dige inval: zat Hohenlohe achter Maschereel aan? Zijn drie pelo- tons waren dan geen veroveraars, maar opsporingsploegen. Ho- henlohe wilde de stad niet innemen, maar doorzoeken. Ook in de daaropvolgende jaren keerde de Duitse graaf keer op keer terug naar Vught, steeds zonder resultaat. Gezien de interesse die er niet lang daarna voor het Geheim van Zionsburg zou ontstaan, is dit niet zo’n absurde gedachte als op het eerste gezicht lijkt. De kruisheren
Maschereel maakte het einde van de vele belegeringen niet meer mee; hij overleed in 1608. Hij werd begraven in de naburige Kruis- kerk, in die dagen nog toebehorend aan de kruisbroeders of de Ordo Sanctae Crucis. Zijn grafsteen is al lang verdwenen, maar we weten nog wel wat erop stond. Een beschrijving uit 1773 be- schrijft het graf als een blauwe zerksteen met uitgebeitelde figuren Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
en familiewapens. In het middelste vak of perk was de gedaante
weergegeven van een man ‘omhangen met een mantel tot op de voeten, hebbende op de linkerzijde van de borst een kruis in deze gedaante [een hamerkruis] en bovenaan in dat vak aan weerszijden van het hoofd een wapenschild, verbeeldende aan beide kanten hetzelfde, namelijk een kruis’ [alweer een hamerkruis]. Boven aan de grafzerk was het wapenschild van Maschereel. De kruisbroeders vormen een verhaal apart. Deze orde werd in 1211 in het Belgische Hoei gesticht door een paar kanunniken, in het bijzonder Theodorus van Celles. De broeders modelleerden zich naar Frans voorbeeld (de Croises) en namen hun leefregels over van de heilige Augustinus. Hun liturgie is vooral afkomstig van de dominicanen. Maar dit zijn niet de enigen bij wie ze leen- tjebuur speelden. De kruisbroeders voerden (en voeren nog steeds) een hamerkruis naar het voorbeeld van de drie grote ridderorden. In feite is hun wapen een letterlijke kruising tussen het tempeliers- kruis en het Maltezer kruis: half rood, half wit. Het hamerkruis was in de Middeleeuwen een populair logo dat door verschillende kerkelijke instanties gebruikt werd. Maar er is meer. Oprichter Theodorus van Celles (of Cellesius) ging op 21-jarige leeftijd mee op de Derde Kruistocht naar het Heilige Land. Inderdaad, de kruis- tocht waarin de Duitse Orde voor het eerst werd opgericht op het strand bij Akko. Geschiedschrijvers vermelden dat hij toen de orde leerde kennen. Interessant om te melden is dat de Duitse ridders in Palestina ook wel Ridders van het Kruis werden genoemd. Een- maal terug in zijn land ‘omhelsde hij den geestelijken stand’, be- moeide zich met de plaatselijke kruistocht tegen de Franse Albigen- zen en in 1211 schonk de bisschop van Luik (die zijn benoeming aan de Duitse koning Otto IV te danken had118) hem de kerk van Hoei (Huy).
De Heren van het Kruis waren feitelijk vroege missionarissen. Het hoofddoel was het verspreiden van het evangelie. Na een veel- belovende start waarin ze huizen en kerken stichtten in Engeland, Duitsland en de Lage Landen, ging het bergafwaarts en in werd Ordo Sanctae Crucis zo goed als ontbonden. Hun ondergang had minder te maken met godsdienstige vervolging dan met gebrek Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
aan belangstelling. Na 1840 was er een doorstart, maar tegen-
woordig heeft de orde wereldwijd niet meer dan 600 leden. Het hoofdkwartier is in Rome, maar twee belangrijke huizen bevinden zich in Nederland: in Sint Agatha en in Uden. Zoals we zagen was er ten tijde van Maschereel een kruisbroe- derskapel in ’s-Hertogenbosch, vlak achter de Sint-Jorisstraat. Deze vroege kapel was over de Binnendieze gebouwd en was be- reikbaar door een klein poortje. De omringende kloostergemeen- schap behuisde zowel kruisheren als volgelingen van de heilige Catharina. De kapel werd in die tijd uitgebreid en het koor kwam waarschijnlijk in 1542 gereed. Twintig jaar later was er al sprake van een parochiekerk en kwamen er nieuwe uitbreidingen. Waarom werd Maschereel juist hier begraven? Waarschijnlijk omdat hij een begunstiger was van het klooster. Maar wat hij met de kruisbroeders had is een beetje raadselachtig. De archieven van de Bossche kruisheren zijn verloren geraakt, maar we weten dat het klooster geen goede reputatie genoot. Leden van de kruisheren waren vaak onruststokers en beeldenstormers, getuige een kruisheer uit Namen, die tot het convent had behoord: deze hanteerde tijdens de beeldenstorm een moker om in de kathe- draal altaren kapot te slaan.119 Was hij werkelijk een iconoclast of was hij ergens naar op zoek? Wisten de kruisheren meer dan zij lieten blijken?
Net zo raadselachtig is de vondst in de oude Kruiskerk van wat men het ‘Wonderkruis’ is gaan noemen. De legende gaat dat om- streeks het jaar 1500 een ziek meisje een hostie uitbraakte in de kloosterkerk en deze verstopte onder een plavuis. Jaren later, toen de vloer moest worden vernieuwd, ontdekte men op dezelfde plaats een bizar houten beeldje van de gekruisigde Christus. De kruisheren stuurden een bericht van de wonderlijke vondst naar de bisschop van Luik, die op 13 april 1517 een aflaatakte ver- leende, waarmee hij de toestroom van pelgrims hoopte te stimule- ren.120 Dezelfde truc was jaren eerder met succes toegepast op het Mirakelbeeld in de Sint-Jan, dus waarom niet. Grootste pleitbezor- ger van de hostielegende was een Duitse kruisheer, Arnoldus Hertz- worms genaamd. De aflaatregeling schijnt de uitbreiding van de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
kloosterkerk tot gevolg te hebben gehad, maar het Wonderkruis
moest het in populariteit afleggen tegen het befaamde Mariabeeld. Het beeldje zelf is uiterst vreemd. Het lijkt op een vergroeide boomwortel en doet wel denken aan een misgeboorte. Het is on- geveer 15 centimeter groot. Pater H. Linnebank oppert dat het ge- maakt is van alruin.121 Alruin is de knolvormige wortel van een plant die rond de Middellandse Zee groeit: de mandragora (in het Engels mandrake). De vorm van deze wortel doet uit zichzelf al aan een mannetje denken; de naam is waarschijnlijk afgeleid van een woord dat ‘manswortel’ betekent. Bij de Germanen was de bewer- king ervan in mensachtige figuurtjes erg populair. Het Wonderkruis is echter te specifiek een menselijke gestalte om door de natuur te zijn voortgebracht. Niettemin bleven de kruis- heren het zien als ‘een onverklaarde, wonderlijke zaak’. Volgens de verhalen bleef het beeldje groeien totdat het in 1629, bij de verove- ring van Den Bosch, met de vluchtende kruisheren naar Uden ging, waar het tot op de dag van vandaag in de kloosterkerk wordt be- waard. Architect Jan van der Eerden vraagt zich echter af of het wel een Christusbeeldje is. Hij schrijft: ‘de houding van het lichaam hoeft daar niet op te wijzen en bovendien draagt het geen door- nenkroon. Achter en boven het hoofd zit een getormenteerde strang die samen met een strang achter de benen zeker wel de suggestie oproept van een kruishout. Maar dit verticale ‘kruishout’ is wel erg krom en bovendien loopt het achter het lichaam niet door, terwijl een horizontale dwarsbalk zelfs geheel ontbreekt.’ Vreemd genoeg doet het Wonderkruis veel meer denken aan de gekruisigde Wodan, of Odin. Odin, de oppergod in de Noordse en Germaanse mythologie, verwierf de Runen der Wijsheid door zich aan een boom (in sommige gevallen Yggdrasil, de wereldboom) te laten ophangen: Negen nachten hing hij aan de boom, gewond door een speer, ‘mijzelf geofferd aan mijzelf’. Om uit de bron van wijsheid te mogen drinken offerde Odin bovendien een oog aan de dwerg Mimir. Net als de aanvoerder van de Bataven, Julius Civilis, had hij dus maar e´e´n oog. Aan het beeldje is niet te zien of een oog lijkt te ontbreken. Wel wordt het beschreven als een beeltenis waar- van het rechteroog is blindgeslagen.122 We herinneren ons ook het Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
belang van Hercules Magusanus in de streek: bij de Germaanse
stammen uit de regio heette Hercules oorspronkelijk Donar – de zoon van Wodan. Wij denken dan ook dat het in de Bossche Kruis- kerk gevonden Wonderkruis in werkelijkheid een afbeelding van Wodan is, de Germaanse oppergod.
Zou het Wonderkruis dat nu in Uden bewaard wordt het Ge- heim van Zionsburg kunnen zijn? Volgens het verhaal werd het al aan het begin van de zestiende eeuw gevonden. De kruisheren in Uden beweren zelf echter dat de aflaat van de bisschop uit Luik pas in 1570 werd toegekend, dus omstreeks de tijd dat Maschereel commandeur in het Bossche werd. Maschereel kan het de kruis- heren in bewaring hebben gegeven. Wellicht hebben ze het onder de vloer verstopt en in 1629 de stad uit gesmokkeld. De legende is er dan later bijbedacht om de ‘vondst’ te verklaren. Dit zou duiden op een bijzondere betrokkenheid van de kruisbroeders bij Masche- reel (en misschien ook de Duitse Orde). We brengen in herinnering dat de kruisheren het hamerkruis van de tempeliers en de johan- nieters droegen en dat de oprichter Cellesius tijdens de Derde Kruistocht op het idee kwam. In Den Bosch was er mogelijk sprake van een innige band tussen de kloosterlingen en de commandeur van de Duitse Orde. Maschereel werd in hun Kruiskerk begraven. De tegenwoordige Kruiskerk is al de derde op die plaats. De graven zijn verdwenen, net als alle andere aanwijzingen betreffende de vroegste gebruikers. Alleen het oorspronkelijke koor is bewaard gebleven.
Maar zelfs de huidige Kruiskerk (die uit 1916 stamt) heeft boven de poorten nog steeds een hamerkruis: en wel het zwarte hamer- kruis van de Duitse Orde.
Aangenomen dat het Wonderkruis niet het Geheim is, wat ge- beurde er dan toen Maschereel stierf? Allereerst vermaakte hij het Maschereelshuis niet aan zijn familie, maar aan de commanderij. Volgens een codicil op zijn testament lag hij enige tijd op een ziek- bed in Aarle, in het huis van zijn neef Johan Cortenbach. Het na- gelaten bezit betreft vooral goederen in Nuenen en Casteren. Doodziek werd hij teruggebracht naar Den Bosch, waar hij Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
april stierf. In eerste instantie kwam zijn huis aan Cortenbach, ver-
volgens aan Werner Huyn van Anstenraidt, eveneens familie van de Maschereels en landscommandeur van de balije Alden-biessen. Omdat het commandeurshuis van Vught nog steeds in puin lag, wees Van Anstenraidt het toe aan de volgende commandeur: Johan Raedt van Frenz. Vanaf dit moment waren de Vughtse comman- deurs geen priesters meer. Ze bleven tot de officie¨le liquidatie van het Huis in het Maschereelshuis wonen. De Lambertuskerk werd in 1615 herbouwd. Maar de commanderij niet. In feite bleef het terrein braakgrond, hoewel het uiteindelijk verhuurd werd aan een landbouwer die er een klein huisje optrok. In de loop der jaren werd de aanspraak op Vught aangevochten door de staatse autoriteiten. In 1629 werd ze verbeurd verklaard en nooit teruggegeven. De Duitse Orde hield ten slotte de eer aan zichzelf. In 1663 werd de commanderij bij openbaar opbod ver- kocht en hield zij de facto op te bestaan. ‘...de naam van Vught,’ schrijft Hezenmans, ‘verdween uit de registers, en zelfs uit de his- torie der Orde.’ De Reformatie, zo leek het, maakte in alle opzich- ten een einde aan de macht van de Duitse Orde en wiste de eens zo cruciale commanderij uit het collectieve geheugen. En het Geheim?
Nam Maschereel het mee in zijn graf, gaf hij het aan de volgende commandeur, of aan de Zwanenbroeders, of verborg hij het ergens in de stad? Zijn testament van 12 april maakt geen melding van geheime documenten of andere geheime zaken. Werd het, evenals het Mirakelbeeld en het Wonderkruis, in 1629 de stad uitgesmok- keld, misschien zelfs door de kruisheren? Niemand lijkt het te we- ten.
In de twintig jaar na de dood van Maschereel werd de staatse dreiging steeds ree¨ler en de prioriteit van alle betrokkenen ver- schoof naar zaken als oorlog, verdediging van soevereine rechten en lijfsbehoud. Er volgde een tijd van verandering, onzekerheid en onrust. Rond 1608 gebeurde er dan ook iets opmerkelijks: het Ge- heim van Zionsburg raakte zoek.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De zoektocht begint
Het Beleg van ’s-Hertogenbosch
Een inwoner van ’s-Hertogenbosch die in mei 1629 wandelend langs de zuidelijke stadswal een blik over de kantelen had gewor- pen, zou ongetwijfeld de schrik van zijn leven hebben gehad. In het drassige landschap dat zich voor hem uitstrekte zou hij een reus- achtig leger hebben gezien: een afschrikwekkende krijgsmacht met duizenden manschappen, paarden, kanonnen en huifkarren. In de verte, op de Vughterheide, zou hij de rookpluimen van een groot legerkamp hebben kunnen ontwaren, de lichten van ontelbare vu- ren en flambouwen. Hij zou misschien het gehinnik van paarden hebben gehoord, de rauwe echo’s van gebiedende stemmen, het gedreun van marcherende laarzen, het geknars van wielen en het geklingel van schoppen, bijlen en houwelen. Wellicht zou hij glim- pen hebben opgevangen van molens, dijken en vreemde inundatie- werken.
Wat hij zag was het leger van Frederik Hendrik, de Stedendwin- ger. Frederik Hendrik was de jongste zoon van Willem van Oranje. Waar zijn oudere broer Maurits en ook Hohenlohe in de voorbije jaren gefaald hadden, zou hij slagen: hij zou de onneembare en onbereikbare stad Den Bosch veroveren en onderwerpen. Op april van dat jaar was in de stad het bericht doorgedrongen dat het leger van de staatsen, zo’n 25.000 man, onderweg was en dat het bij Grave een brug over de Maas had gebouwd. Niet minder dan 150 schepen, beladen met oorlogstuig, kwamen over de Maas aan- varen en meerden aan in een naburige haven. Het Spaanse garni- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
zoen dat in de stad legerde, was nauwelijks voldoende om de vijand
uit het noorden het hoofd te bieden. De hoop dat de Stedendwinger misschien Wezel of Breda zou belegeren werd twee dagen later definitief tenietgedaan: Frederik Hendrik had het gemunt op Den Bosch, en dit keer zou zelfs het onbegaanbare moeras rond de stad hem niet tegenhouden. Vrijwel direct na aankomst begon hij met het aanleggen van een indrukwekkende circumvallatielinie, een manshoge dijk met een ontstellende lengte van zo’n 50 kilometer. De linie was meer dan een gevechtswal, het was een dijk die zijn ingenieurs in staat stelde het hele drassige gebied tot de laatste druppel leeg te pompen. Dit staaltje belegeringskunst zorgde er niet alleen voor dat zijn leger zich met kanonnen en al naar de stadsmuren kon bewegen zonder in de modder weg te zakken, het zorgvuldig weggevoerde water zette al het land rond de dijk blank, zodat een te hulp snellend ontzettingsleger hem niet in de rug kon aanvallen. De linie werd ook nog eens omgeven door een smal kanaal waarover kleine scheepjes de bevoorrading konden verzor- gen. Het ontstellende karwei werd in minder dan drie weken ge- klaard.
Het leger bivakkeerde in het gedregde land binnen de dijk. De belegeraars waren onderverdeeld in vijf kwartieren: kolonel Wil- lem Pijnssen bij Vlijmen, graaf Johan Albert van Solms bij Engelen, graaf Willem van Nassau bij Orthen, graaf Ernst Casimir van Nas- sau bij Hintham, baron Johan Wolfert van Brederode bij Den Dun- gen en Frederik Hendrik bij Vught.123 Ditmaal was geldgebrek niet aan de orde: Piet Hein had de Spaanse Zilvervloot veroverd en met die buit betaalden de staatsen hun omvangrijke belegering. Stad na stad viel onder de voortmarcherende noordelijke legers. Dankzij het werk van schrijver Peter-Jan van der Heijden124 kun- nen we ons een voorstelling maken van het leven binnen de Bossche stadsmuren: het aanvankelijke optimisme van de Bosschenaren en de Spaanse troepen, dat langzaam omsloeg in moedeloosheid toen bleek dat Frederik Hendrik zich niet liet wegjagen, zoals zijn voor- gangers Maurits en Hohenlohe. Naarmate de belegering voort- duurde, raakte de stad vergeven van nagelbijtende katholieken. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Levensmiddelen werden in toenemende mate gerantsoeneerd en de
prijzen schoten omhoog. Woekeraars hadden de tijd van hun le- ven, totdat het stadsbestuur ingreep. Ontzettingstroepen kwamen druppelsgewijs de stad binnen, maar konden niet voorkomen dat het geuzenleger langzaam oprukte naar de stadsmuren. Het ge- wilde ontzet van graaf Hendrik van den Bergh (bizar genoeg een volle neef van Frederik Hendrik)125 liet op zich wachten. De Bos- schenaren lieten regelmatig hun kanonnen bulderen om de vijand bij hun werkzaamheden te hinderen, maar dat leverde weinig re- sultaat op. Af en toe klom men in de toren van de Sint-Jan om een goed uitzicht te hebben, en ongetwijfeld kon men dan de Vughtse Lambertustoren zien, van waaraf vijandelijke wachtposten terug- staarden naar de stad. Over en weer werden signaalvuren ontsto- ken: op de Sint-Jan en op de toren van Breda, om te melden dat boden de linies doorbroken hadden. Eind mei, toen ook aan staatse zijde de eerste schoten vielen, lagen er zoveel soldaten rond de muren dat er voor spionnen en boodschappers geen doorkomen meer aan was.
De maand juni werd in beslag genomen door beschietingen en het aanleggen van loopgraven rond de stad; deze maakten het voor de Hollanders mogelijk om steeds dichter bij de stad te komen en daar kanonnen in stelling te brengen. Kogels en vuurballen dron- gen steeds verder in de stad door. Per dag werd zo’n 600 kilo lood afgevuurd. Ongelukkige burgers verloren ledematen of werden fi- naal doormidden geschoten. Toen het Spaanse ontzettingsleger van graaf van den Bergh in juli eindelijk arriveerde, braken er felle ge- vechten uit, maar zelfs toen zette de belegering door. Op 19 juli kwam Frederik Hendrik tot vlak voor de poorten: het werd ieder- een duidelijk dat hij zich niet liet weerhouden. Eind juli verdween het ontzettingsleger weer: de belegeraars zaten te goed verschanst. Kasteel Maurick: het hoofdkwartier van Frederik Hendrik Tijdens het beleg van Den Bosch verbleef aanvoerder Frederik Hendrik in Vught, van waaruit hij de stad het best kon bestoken. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Aanvankelijk bivakkeerde hij op de Vughterheide, een spookachtig
heidegebied ten zuidwesten van Den Bosch, niet ver van Zions- burg. Ongeveer daar waar in het jaar 1600 de Slag van Lekkerbeet- je had plaatsgevonden: een van de laatste, zo niet he´t laatste grote riddergevecht van de Middeleeuwen.
Het slagveld, dat nagenoeg geen sporen heeft nagelaten, diende Frederik Hendrik tot kampement totdat hij zijn intrek nam op het naburige adellijke landgoed: het Heymshuis, vandaag de dag beter bekend als kasteel Maurick. Toen Frederik Hendrik tijdens het beleg van Den Bosch van het kasteel zijn hoofdkwartier maakte, was hij niet de eerste. Jonker Arndt Heym, een neef van Aert, had het huis al twee keer moeten verlaten omdat Prins Maurits, de broer van Frederik, het in en 1602 voor hetzelfde doel opeiste. Toen Frederiks admiraliteit van Maurick haar thuis maakte, besloot Jonker Hendrik Heym, de zoon van Arndt, het kasteel te ontvluchten. Hij zocht toevlucht binnen de stadsmuren. Frederik zelf woonde in een van de torens, vanwaar hij een goed uitzicht had over de belegeringswerken van Den Bosch. Het was vanuit dit kasteel met haar bewogen geschie- denis dat de strijd om de stad van start ging. Frederik zat daar niet in zijn eentje. Zijn secretaris was de be- faamde schrijver Constantijn Huygens, en deze kreeg het naburige landhuis Muyserick toegewezen. Ook kasteel Nieuw-Herlaer werd geconfisqueerd.127 De Heren van Herlaer troffen we al aan in de Sint-Jorisstraat en op andere plaatsen in Den Bosch. Het kasteel bij Gestel werd de residentie van nieuwsgierige ramptoeristen als de koning van Bohemen en zijn vrouw. De aanwezigheid van deze vorst verbaasde ons in eerste instantie. De officie¨le koning van Bohemen was op dat moment Ferdinand III. Diens broer Leopold werd in 1641 grootmeester van de Duitse Orde. Was Frederik Hendrik in het gezelschap van afgevaardigden van de Duitse Orde? De koning van Bohemen, wordt er gezegd, wenste het strijd- toneel ‘in ogenschouw te nemen’. Het is verleidelijk te denken dat orderidders uit Mergentheim zich in de nabijheid van de stad ves- tigden om erbij te zijn wanneer deze viel. We weten dat de uittocht van het Spaanse garnizoen na de verovering werd ‘gadegeslagen’ Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
door vele Europese nobelen.128 Op de Vughtse Heide werd voor de
gelegenheid een soort grenspost opgericht, een kamp van waaruit de aanwezige bermtoeristen de verslagen katholieken aan zich voorbij konden zien trekken. Wilden ze erop toezien dat het Ge- heim niet naar buiten werd gesmokkeld?
Het idee dat Frederik zat opgezadeld met waarnemers van de Duitse Orde is aantrekkelijk – en niet ondenkbaar. Maar koning Ferdinand II stond aan de zijde van de katholieken en zond zelfs versterkingen naar het Spaanse leger. Wat deed hij in het gevolg van Frederik? Nader onderzoek wees uit dat er met de ‘koning van Bohemen’ de ‘Winterkoning’ Friedrich V werd bedoeld, zo ge- noemd omdat hij slechts een winter lang koning was geweest. Frie- drich was een calvinist die op de troon was gezet om te voorkomen dat de aartsreactionaire Ferdinand de Bohemers zou onderwerpen. De zet liep uit op een catastrofe. De calvinisten werden op een verpletterende manier verslagen en Friedrich week uit naar Hol- land. De opstand van de Bohemers wordt wel gezien als het begin van de afschuwelijke Dertigjarige Oorlog. Friedrich was overigens familie van de Van Nassaus en getrouwd met Elizabeth Stuart, de dochter van James I van Engeland. Hij liefhebberde in esoterische zaken en zijn hof in Heidelberg was een centrum van occultisme, rozenkruisers en vrijmetselarij. Friedrich is binnen de wereld van de rozenkruisers dan ook geen onbekende figuur. Er wordt over hem beweerd129 dat zijn besluit om de kroon van Bohemen op te pakken een idee was dat hem door anonieme rozenkruisers werd opgedrongen. Toen we wat meer graafwerk verrichtten, bleek dat Friedrich afkomstig was uit het Beierse Huis van Wittelsbach. De Wittelsbachers waren we´l weer leden van de Duitse Orde. Een lid van de familie zou een eeuw later zelfs tot grootmeester worden uitgeroepen. Het zou interessant zijn te weten wat hij bij het beleg van ’s-Hertogenbosch kwam doen.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De Oranjes na Willem de Zwijger
Vanaf 1600 zien we geen banden meer tussen de Duitse Orde en de Nederlanden. Het Duitse Huis in Utrecht had zich officieel van de orde afgescheiden. Van een openlijke samenwerking, zoals in de tijd van de Hanze, is in deze tijd geen sprake meer. Er wordt zelfs oorlog gevoerd wanneer de Hollanders een conflict met Denemar- ken uitbuiten om zich als nieuwe soevereine staat te doen gelden. Maar zijn daarmee ook alle geheime afspraken van tafel? We ver- geten iets. De Duitse Orde transformeerde zich, zoals we hebben gezien, in de zestiende eeuw tot de ‘ordestaat’ Pruisen. Deze nieuwe legitimatie als hertogdom zorgde ervoor dat de orde een openlijker internationaal beleid kon voeren. Er mag na Willem de Zwijger dan geen sprake meer zijn van deals tussen de Oranjes en de Duitse ridders, de verbintenissen tussen de Oranjes en Pruisen zijn legen- darisch. Nederlanders weten maar al te goed hoe nauw de banden zijn tussen Nederland en de Duits-Pruisische adel. Een aardig voor- beeld mag deze ‘Duitsheid’ illustreren. Wij waren aanvankelijk van mening dat koningin Beatrix beschermvrouwe was van het Duitse Huis in Utrecht. Toen we hiernaar informeerden, bleek dit abso- luut niet het geval te zijn. De Oranje-Nassaus, zo liet Utrecht ons weten, ko´nden helemaal geen lid worden. Het Duitse Huis in Utrecht laat alleen maar Nederlandse adel toe en het Nederlandse koningshuis is overduidelijk Duitse adel. Volgens de strenge wetten van de adel wordt blauw bloed via de vaderlijke lijn doorgegeven: koningin Beatrix is dus niet van Nederlandse adel, evenmin als haar moeder en grootmoeder!
Na het fiasco met Willem van Oranje begonnen de Duitsers zich opnieuw intensief met de Oranjes bezig te houden. Vanaf Frederik Hendrik is er opnieuw een duidelijke Teutoonse invloed te bespeu- ren. Het Staatse leger bestond in de laatste jaren van de zestiende eeuw vooral uit Duitse huurlingen.130 In een rap tempo werden er talloze Hollands-Pruisische betrekkingen aangeknoopt. In het ver- loop van de zeventiende eeuw, waarin de Oranjes weinig subtiele pogingen deden om het stadhouderschap te bemachtigen en de Staten-Generaal de grootste moeite had om de intens populaire Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Oranjekliek buiten de deur te houden, deden de Nassaus herhaal-
delijk (onophoudelijk) een beroep op de Pruisen. Verderop zullen we nog aantonen dat de Oranjes tot op de dag van vandaag verte- genwoordigers zijn van de Teutoonse agenda. De verovering van ’s-Hertogenbosch
We verlieten het staatse leger op het ogenblik dat de Spaanse ont- zettingstroepen, die er niet slaagden de staatse linies te doorbreken, de aftocht bliezen. Aanvoerder Hendrik van den Bergh schreef om te voorkomen dat hij van verraad werd verdacht (hij was immers familie van Frederik Hendrik) een apologie waarin hij verklaarde dat de door Frederik opgeworpen dijk en de omringende inunda- ties het hem onmogelijk maakten een fatsoenlijke belegering op poten te zetten. Met die verklaring was Den Bosch op zichzelf aangewezen. De verdedigers van de stad werden door de aanblik van het vertrekkende leger dusdanig gedemoraliseerd, dat er van krachtige uitvallen nauwelijks nog sprake was. De Bossche bur- gers, die teleurstelling op teleurstelling hadden moeten verwerken, konden de berichten over ontzettingslegers niet meer horen en toen er krijgsgevangenen kwamen aanzetten met rooskleurige verhalen, werden ze uit frustratie doodgeslagen. Toen op 13 augustus de stadsgracht bereikt werd, was Frederik zo enthousiast dat hij de Staten-Generaal berichtte dat hij binnen twee weken zeker de stadsmuur onder handen zou kunnen nemen. Op 31 augustus brak er in de stad ook nog eens een muiterij uit toen een aantal Duitse(!) huursoldaten weigerden nog een poot uit te steken. De honger was groot. Bewoners aten hun eigen kat op en loslopende honden waren hun leven niet zeker. Op 11 september werd er een bres geslagen in Bastion Vught, een kardinaal punt in de Bossche verdedigingswal. Een enorme explosie, veroorzaakt door een zorgvuldig ingegraven mijn, sloeg een gapend gat in de stadsmuur en maakte een eind aan de Bossche verdediging. Er restte Den Bosch niets anders dan over de capitulatie te onderhan- delen. Frederik Hendrik was niet te beroerd om in het capitulatie- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
verdrag te laten opnemen dat de katholieken na de inname vrijelijk
de stad mochten verlaten. Onder die voorwaarden gaf Den Bosch zich op 14 september over aan de Hollanders. Den Bosch capituleerde en jonker Hendrik Heym kreeg eindelijk zijn uitgewoonde en danig verbouwde kasteel terug. De vestingmu- ren rond het eiland waren gesloopt en de bijgebouwen werden her- steld met stenen muren. Hendrik koos ervoor de katholieken trouw te blijven en mocht geen functies meer vervullen in Den Bosch. De zware belastingen en de geringe inkomsten uit zijn boer- derijen betekenden evenwel het einde van de Heyms. Op 19 september wandelde Frederik Hendrik de Sint-Jan binnen en woonde er, in een danig beschadigde kerk, de eerste protestantse dienst bij. De machtige Moerasdraak was gevallen; Vondel had weer wat te doen en schreef er een leuk gedicht over. De Broederschap en haar vijanden
Hoe was het de Lieve Vrouwe Broederschap intussen vergaan? Hoe waren de Bossche broeders de oorlogsjaren doorgekomen, en wat gebeurde er toen ’s-Hertogenbosch na 1629 in protestantse handen overging?
Even een korte terugblik:
In de zestiende eeuw zien we allereerst een stabilisatie, vervol- gens een terugloop van het aantal leden. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de Lieve Vrouwe Broederschap aan populariteit inboet en dat de organisatie daarmee op haar retour is. Niets is minder waar. De broeders, die zich een eeuw eerder nog zo hadden inge- spannen om leden te werven en procuratoren aan te stellen, lijken zich totaal geen zorgen te maken. Er worden geen pogingen onder- nomen om de socie¨teit met nieuwe belangstellenden aan te vullen. De administratieve rompslomp levert te veel gezeur op, en als er al geen sprake is van een ledenstop, dan wel van een gematigd en- thousiasme ten aanzien van nieuwe leden (het ledental liep al in de duizenden). Geld is er bovendien genoeg. De broederschap was aan het bankieren geslagen en Van Dijck spreekt in zijn boek Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van een ‘laatmiddeleeuws grootbedrijf met een omzet van duizen-
den guldens, geleid door bekwame juristen en bijgestaan door er- varen rentmeesters’. Andere grote steden leenden bij de broeders. De Staten van Brabant klopten regelmatig op de deur. Er wordt, zo blijkt, simpelweg op de lauweren gerust. Als Maarten Luther begin zestiende eeuw zijn inktpot naar de duivel smijt, komt de Lieve Vrouwe Broederschap voor nieuwe uitdagingen te staan, zoals we intussen hebben gezien. De onrusten bleven, ook in de daaropvolgende jaren; daar konden de katholie- ke Spanjaarden, die de Zuidelijke Nederlanden onder hun gelede- ren rekenden, niets aan veranderen. De eenheid die tot dan toe de broederschap had gekenmerkt, ging verloren in onderlinge twisten toen enkele leden zich openlijk calvinistisch verklaarden. Een niet te herstellen schisma zou je zeggen, zeker als de stad in 1629 door staatse troepen op de Spanjaarden wordt veroverd. Concreet betekende deze protestantse invasie, die door de overwe- gend katholieke Bosschenaren allerminst als een bevrijding werd ervaren, dat de stad een religieus klysma onderging. Het roomse bolwerk werd grotendeels ont-katholiekt. De bisschop lichtte zijn hielen, er volgde een uittocht van dominicanen en jezuı¨eten. Gezien deze onverkwikkelijke gebeurtenissen lijkt het voor de hand te liggen dat de broederschap, beroofd van kerk en processie, door de staatsen ontbonden wordt, zoals dat in andere steden ook het gevolg was geweest. In Maastricht bijvoorbeeld werden verge- lijkbare katholieke socie¨teiten door de Staten-Generaal opgedoekt. In de rest van Den Bosch werd het katholieken verboden om hun geloof openlijk uit te oefenen, zodat er in de stad tal van schuil- kerken ontstonden. Maar om de een of andere reden mocht de broederschap blijven bestaan!
Zelfs wanneer dit niet het geval was geweest, zou je zeggen dat de devote broeders weigerden om onder dergelijke beknottende voorwaarden door te gaan. Ketterse protestanten toelaten, dat was natu´u´rlijk ondenkbaar! Wat had het voortbestaan voor zin als de belangrijkste drijfveer – de Mariaverering – in het vervolg achterwege werd gelaten?
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Ongetwijfeld betekende dit het definitieve einde van de Illustre
Lieve Vrouwe Broederschap te ’s-Hertogenbosch! Maar nee.
Want in 1641 vraagt een handjevol niet-katholieken om toege- laten te worden tot de broederschap. Een van deze belangstellen- den was ene Johan Wolfert van Brederode, de gouverneur van de stad. Van Brederode? Jawel, het betreft hier inderdaad niemand minder dan een familielid van Hendrik van Brederode, de Grote Geus. Het is uitgerekend deze telg uit het befaamde geslacht die het voortbestaan van de broederschap verzekert. Het vervolg is schokkend: in plaats van voor de eer te bedanken nemen de broeders het verzoek in behandeling! Op 27 februari 1642 stemde de broederschap met een kleine meerderheid van stemmen in met het toelaten van protestanten tot het genootschap. Van de 51 leden waren er 28 vo´o´r de motie. Van degenen die tegen stemden (waaronder opmerkelijk genoeg de commandeur van de Duitse Orde te Vught, Diederik Steven van Ruysschenberg) moest het leeuwendeel het veld ruimen. De toelating maakte het nood- zakelijk dat de statuten werden aangepast en op dezelfde dag als de verrassende stemmingsuitslag werd er al een opzet geproclameerd waarin de ‘eenheid en vriendschap’ tussen de christenen voorop werd gesteld. De nieuwe orde zou bestaan uit achttien katholieke en achttien protestantse broeders, vermeerderd met maximaal Zwanenbroeders, van elk geloof twee. Na die verklaring stond de deur open voor niet-katholieke leden van ieder allooi, en de ‘ket- terse’ aspirant-leden stroomden daarop toe. Dat dit in verschil- lende hoeken kwaad bloed zette, schijnt de broeders niet te hebben gedeerd: de broederschap bleef bestaan, dat was het belangrijkste. Niet alleen het feit dat de katholieke broederschap een voortzet- ting onder die voorwaarden accepteerde is verbazingwekkend, maar ook dat de protestanten, die er niet voor terugschrokken kerken te plunderen, het genootschap lieten voortbestaan – en er zelfs aan meededen!
Waarom? Niemand die het weet. Mogelijk probeerde gouver- neur Van Brederode de sympathie van de Bossche bovenlaag te verkrijgen door zich aan de broederschap te binden. In het licht Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van de eerdergenoemde contacten tussen Oranje, Brederode en de
Bossche broeders valt deze actie echter weer op zijn plek: de over- eenkomst uit 1562, waarin Willem van Oranje het voortbestaan van de broederschap verzekerde in ruil voor inzage in het ledenbe- stand, werd in 1641 door de nazaat van Hendrik van Brederode gee¨erbiedigd: afspraak is afspraak.
Laten we nog eens kijken wat er met de Brederodes en zijn vrien- den gebeurd was.
Johan Wolfert van Brederode en Cornelis van Cuyk In de vijftiende eeuw promoveerde het geslacht Van Brederode in de persoon van Reinout I van Brederode tot de orde van het Gul- den Vlies. Zijn kleinzoon Reinout III zou in 1555 vier zwanen ten geschenke geven aan de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch: hetzelfde jaar waarin ook Floris Maschereel toetrad en vier zwanen aan de broederschap schonk. Een kleine eeuw later zou ook de gebooren graeff van Hollandt, aanvoerder van de compagnie van Brederode en gouverneur van ’s-Hertogenbosch Johan Wolfert van Brederode een eeuwenlang taboe doorbreken: in 1641 verzocht de protestantse gouverneur vriendelijk te worden toegelaten tot de broederschap. Welke motief lag ten grondslag aan zijn aanvraag om lid te worden van de strikt katholieke broederschap? W. Meindersma denkt in zijn Her- vormde Gemeente het antwoord te weten. Johan Wolfert was lid van de Waalse gemeente, die bekendstond om haar tolerante hou- ding in godsdienstige zaken. De gouverneur was de katholieken dus goedgezind, verklaart Meindersma, en meldde zich om deze reden aan bij de Bossche broeders.
Dr. G.C.M. van Dijck zet echter grote vraagtekens bij deze hypo- these: ‘Het is waarschijnlijk dat Van Brederode wist dat velen van zijn familieleden lid waren geweest van de Broederschap of haar begunstigd hadden. Of was zijn verzoek meer bedoeld als poging de invloedrijke bovenlaag van de stedelijke samenleving nog meer op zijn hand te krijgen?’ Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Dit laatste lijkt ons eveneens onwaarschijnlijk, aangezien de gou-
verneur door zijn aanmelding juist een diepe tweespalt had veroor- zaakt in de broederschap, en de toch al gespannen verhoudingen tussen katholieken en protestanten op scherp had gezet. Zijn ver- zoek te worden toegelaten tot de elitaire club betekende immers het startsein voor een fikse ruzie die zeker vijf jaar zou voortslepen. Daarnaast had Johan Wolfert zelf al genoeg uitstekende contacten opgedaan. Hij was gehuwd met de zus van Johan Maurits van Nassau-Siegen en had zij aan zij met ‘de Braziliaan’ gevochten tijdens de belegering van Den Bosch.
In The Sign of Four laat Arthur Conan Doyle zijn Sherlock Hol- mes verklaren: ‘When you have eliminated the impossible, whate- ver remains, however improbable, must be the truth.’133 Als we deze wijze van redeneren volgen, komen we maar tot e´e´n conclusie: Johan Wolfert wist precies waar hij mee bezig was toen hij het lidmaatschap aanvroeg. Als het niet welgezindheid was jegens de katholieken, of de wens promotie te maken in de Bossche elite, dan rest ons immers nog maar e´e´n ander motief: hij wilde de broeder- schap juist uiteensplijten om zelf de teugels in handen te nemen! De Zwijnen van Woeringen waren kennelijk niet blij met de staat waarin de broederschap verkeerde en dat had niets te maken met de religieuze gezindheid van haar leden. De protestantse overwin- naars hadden de broederschap immers evengoed kunnen verbie- den, zoals bijna alle andere paapse instanties in de jaren na de belegering zonder blikken of blozen naar de prullenbak waren ver- wezen. Het doel lijkt dus vooral infiltratie te zijn geweest en wel- licht onbelemmerde inzage in de archieven. Het is interessant in dit verband te wijzen op een schilderij genaamd ‘De Zwijnekop’, dat tot aan de negentiende eeuw tot de inventarisatie behoorde totdat het werd verkocht in 1818. Is het mogelijk dat Van Brederode het doek bij zijn toelating tot de broederschap aan zijn kersverse mede- broeders ten geschenke gaf? Dit lijkt niet vergezocht, want het was deze Johan Wolfert die aan het hoofd stond van de Compagnie van Brederode, die ook in de zeventiende eeuw nog het zwijnshoofd op het vaandel afbeeldde. We kunnen ons niet aan de indruk onttrek- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
ken dat de Zwijnen onder leiding van de familie Van Brederode
nog altijd een oeroude agenda uitvoerden. Niet lang nadat Johan Wolfert de knuppel in het hoenderhok had gegooid, trad er een andere oudgediende (ook uit een berucht ge- slacht) naar voren om in de voetsporen van zijn voorvaderen te treden.
Cornelis van Cuyk was sinds 1643 advocaat-fiscaal van de Raad van Brabant in Den Haag en was uitgezonden naar Den Bosch om toe te zien op de verdeling van ‘geestelijke goederen en de rand- gebieden’. Volgens dr. V.A.M. Beermann behoorde ‘Van Cuyk tot degenen die Stad en Meierij regelmatig bezochten en krachtig me- dehielpen aan de opbouw van het Staatsche gezag aldaar. Hij maakt de indruk een ijverig en doortastend ambtenaar en tevens van een papenhater te zijn’.
Ruim drie eeuwen daarvoor was het Jan van Cuyk geweest die de Heer van Brederode in het complot tegen Floris V had geı¨nteres- seerd. Nu was het een Van Brederode die een Van Cuyk naar de Meierij haalde. Dit wijst er ook op dat de stamhouders van het oude Pact van Woeringen na al die tijd allesbehalve van elkaar vervreemd waren.
Nu zouden ze sleutelposities innemen in het zeventiende-eeuwse ’s-Hertogenbosch en haar Illustre Broederschap: Johan Wolfert van Brederode als gouverneur van de stad, Cornelis van Cuyk als afgevaardigde van de Staten in de Meierij. Ruzie
Er was wel kritiek. Een predikant van de gereformeerde gemeen- schap, Cornelis Lemannus genaamd, schreef een hevig veront- waardigde brief aan zijn leermeester Gisbertus Voetius (Gijsbert Voet) in een poging de zaak publiekelijk aan de kaak te stellen. Voetius, zelf predikant maar ook hoogleraar theologie, had zich in 1642 berucht gemaakt door als eerste het werk van Rene´ Des- cartes te verbieden en te verketteren. Dit gebeurde ironisch genoeg Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
in Utrecht, dezelfde stad waarin de cartesiaanse filosofie voor het
eerst openlijk werd onderwezen. De hoogleraar meende, en niet geheel onterecht, dat cartesianisme uiteindelijk zou leiden tot athe- isme, en de strijd die hij daarop met de filosoof uitvocht ontaardde in een persoonlijke en verbitterde vete. Descartes noemde hem in een van zijn brieven ‘de meest pedante man op aarde’. Lemannus betichtte de broederschap ervan trouw te blijven aan de Spaanse koning en vroeg Voetius hoe het in vredesnaam moge- lijk was dat een organisatie die zo indruiste tegen de Republiek onverlet kon blijven bestaan. Voetius, die gewend was hevig te fulmineren tegen alles dat naar katholicisme rook, explodeerde: De Definitie ende beschrijvinge van de Fraterniteyt met hare Re- quisita, blies hij, roept luyde dat se forma, objecto, fine, efficiente, Roomsch-pauselijck ende Afgodisch is ende volgens dien in se et per se mala, pessima, abominanda, detestanda.135 Gereformeerden die zich met de broederschap inlieten, maakten zich dus zelf schul- dig aan afgoderij ende ’t Antichristendom, aldus Voetius. Voetius wist waarover hij sprak. Hij kende de stad Den Bosch: als legerpredikant had hij de belegering door Frederik Hendrik van dichtbij meegemaakt. Toen de stad op 14 september van het ge- noemde jaar viel, was hij van de partij. Hij bracht vervolgens zeker een jaar in de veroverde stad door.
Hij was er openlijk op tegen dat Frederik Hendrik de Bossche- naren het behoud van vrije godsdienstbeleving aanbood. In de te volgen jaren trok hij zich de situatie in Den Bosch persoonlijk aan, waarschijnlijk omdat het de openbare disputen over afgoderij, die onder zijn supervisie aan de Utrechtse Academie werden gehouden, in de kaart speelde. Wanneer Voetius in Utrecht tekeerging tegen diverse vormen van afgoderij, wekte hij de indruk het eigenlijk over de Bossche broederschap te hebben.
Om zich tegen het verbale geweld teweer te stellen riepen de Bosschenaren de hulp in van Samuel Maresius, predikant van de Waalse gemeente te ’s-Hertogenbosch. Vanaf 1642 was hij de grote voorvechter van de broederschap en de tegenstander van Voetius. In een poging de broeders te verdedigen beklemtoonde hij ironisch genoeg het wereldlijke karakter van de broederschap, en het feit Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dat zij zich in de loop van haar ontwikkeling aan het juk van de
katholieke kerk had weten te ontworstelen. Het ging, zo betoogde hij, om een overwegend maatschappelijke en politieke groepering. Het insigne van de lelie tussen de doornen was geen symbool voor Maria, maar voor politieke vrede en eendracht (wat hij zich daarbij voorstelde mag Joost weten). De broederschap deed enkel in haar voorkomen nog denken aan roomse tijden, maar betrof in de kern een seculiere organisatie die zich onledig hield met armoedebestrij- ding en liefdadigheidswerk. De maaltijden, de merktekens en de Mariadevotie waren overblijfselen van een katholiek verleden en moesten worden gezien als ceremoniee¨n die hun betekenis verloren hadden.
Opsmuk, meer niet.
Daar trapte Voetius niet in. In niet mis te verstane termen maakte hij Maresius duidelijk dat degenen die zich met de broederschap inlieten verraad pleegden aan God. De onenigheid duurde vier jaar. Zelfs Descartes ging zich ermee bemoeien. Op de hoogte gebracht van de Bossche situatie stuurde hij Maresius, in wie hij een bondgenoot herkende tegen de twist- zieke Voetius, een polemiek waarin hij tegen de Utrechtse hoog- leraar tekeerging. In zijn betoog noemt hij Voetius onverbloemd een leugenaar, verwijt hij hem zich blind te staren op de uiterlijke kenmerken van de broederschap en voorbij te gaan aan het eigen- lijke doel, de eendracht tussen christenen. In het voetspoor van zijn ‘vriend’ Maresius noemt hij de broederschap een zuiver politieke groepering. Onnodig te vermelden dat Voetius niet gecharmeerd was van deze bijdrage.
Een poging om ook Constantijn Huygens bij de kloppartij te betrekken faalde: Huygens liet zich niet voor een karretje spannen. Een synode, belegd in Harderwijk, besloot dat er een speciale commissie aan te pas moest komen om het conflict te beslechten. Bij het uitblijven van een spoedig oordeel werd door de broeders nog geprobeerd een commissie in het leven te roepen, waarbij de uitspraak al van tevoren vaststond. Deze tweede commissie kwam op 4 april 1644 in de stad aan. Op 13 april werd in de Sint-Jans- kerk – en in afwezigheid van de eigenlijke commissie – tot een Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
voorlopig akkoord gekomen. Het vonnis? Over de broederschap
moest geen ruzie meer worden gemaakt.
Eind goed al goed, meende de Bosschenaren, maar de kwestie zou zich nog twee jaar voortslepen. Ondanks de felle kritieken van Voetius en anderen weigerden de verschillende synoden tot een beslissende uitspraak te komen. Blijkbaar was het, ook voor staatse instanties, wenselijk of zelfs belangrijk dat de Lieve Vrouwe Broederschap kon blijven voortbestaan. In 1645 veroordeelde de Staten-Generaal bovendien een werkje uit de kringen van Voetius dat ten doel had de broederschap in een kwaad daglicht te stellen. Een Bossche synode, bedoeld om de zaak op te helderen, werd echter op het laatste moment afgelast. Hoewel Lemannus nog een- maal van zich liet horen en daarmee het akkoord van 1644 aan zijn laars lapte, stierf de discussie een stille dood – zonder dat het ooit tot een officie¨le uitspraak kwam. We kunnen niettemin stellen dat de broederschap als winnaar uit de strijd kwam: Voetius en de zijnen werden in wezen tot humorloze zeurpieten bestempeld en de broeders mochten in hun nieuwe gedaante blijven bestaan. We benadrukken nogmaals het unieke karakter van deze ont- wikkeling in een tijd waarin dergelijke godsdienstige twisten alles- behalve luchtig werden opgevat. Het gezag van de Zwanenbroe- ders (geruggensteund door de Oranjes en de Pruisen/Duitse Orde) was zo groot dat een grootmacht als Voetius gewoon opzij kon worden geveegd.
Die nieuwe gedaante kreeg in de volgende drie eeuwen (waar Van Dijck vluchtig doorheen bladert) steeds meer het aanzicht van een billionair boys club. De aristocratie is oververtegenwoordigd, zo blijkt uit de lange lijsten adellijke leden, en alleen rijke en invloed- rijke personen worden nog toegelaten.
De Zwanenbroederschap, die sinds de Reformatie op een laag pitje was gezet, werd in 1733 in volle glorie hersteld. Er volgde een korte opleving waarin de broeders er nog in slaagden de prins van Holstein-Beck en de bisschop van Lu¨beck voor het lidmaatschap te interesseren. Pas aan het begin van de negentiende eeuw wordt het weer interessant als de Zwanenbroeders opnieuw openlijk banden Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
aangaan met het Huis van Oranje: Koning Willem II wordt lid, en
sindsdien zijn leden van het koninklijk huis niet meer weg te den- ken uit de ledenlijst. Prins Bernhard, prinses Juliana en prins Claus waren Zwanenbroeders; koningin Beatrix is lid en ook haar zoon Willem Alexander is tot het genootschap toegetreden. De eerste schatzoeker: Victor van Beughem Terug naar het Geheim van Zionsburg. Na 1629 raakte de com- manderij in verval: zonder het geheim dat zij eeuwen lang had be- waard, verloor het Huis zijn bestaansrecht. De periode vanaf de liquidatie wordt gekenmerkt, zoals we zullen zien, door de zoek- tocht van enkelingen; individuen van uiteenlopende achtergronden en motieven, die het op zich namen het Geheim van Zionsburg te doorgronden.
Eerste in die lange rij schatzoekers is ene Victor van Beughem. Drs. A.C.M. Kappelhof schrijft: ‘In de zeventiende eeuw bezat de Duitse Orde een ‘‘resident’’ in Den Haag, een agent die de belangen van de orde behartigde bij de regeringsinstanties van de Republiek, terwijl men zich bij juridische problemen placht te wenden tot een advocaat in Den Bosch.’137 Victor van Beughem was beide: een bekende Bossche advocaat en resident van de Duitse Orde te Den Haag. Preciezer gezegd was hij ‘Raad van Zijne Serenissime (Door- luchtige) Hoogheid de Prins Palatin’, de grootmeester van de rid- derlijke Duitse Orde.
De bedoelde ‘Prins Palatin’ was ofwel Lodewijk Anton van Palts-Neuburg ofwel zijn opvolgende broer: Frans Lodewijk van Palts-Neuburg; waarschijnlijk was het de eerste. Lodewijk Anton was bisschop van Worms, zijn broer Frans Lodewijk aartsbisschop van Trier en Mainz. Hun beider vader was keurvorst van de Palts en hertog van Gulik en Berg. Een palts (het woord is afgeleid van het Latijnse palatium: paleis) was een koninklijk verblijf in het Duitse Rijk. In Duitsland bestond een heel netwerk van paltsen. De palts Neuburg lag in een van de belangrijkste districten, name- lijk Beieren. De keurvorsten, zo weten we, waren verantwoordelijk Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
voor het kiezen van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Tot
deze keurvorsten behoorden onder meer de paltsgraven aan de Rijn en de markgraaf van Brandenburg. We weten intussen dat de Duitse Orde een grote vinger in de pap had bij deze verkiezing. Wat is er bekend over Victor van Beughem, afgevaardigde van de Duitse Orde?
Hij was schrijver en ordinaris-gecommiteerde der Staten van Brabant. Van 1691 tot aan zijn dood in 1715 was hij lid van de Lieve Vrouwe Broederschap. Zijn familie is terug te voeren op niemand minder dan Filips de Goede, hertog van Bourgondie¨, va- der van Karel de Stoute, grootvader van Filips de Schone en over- grootvader van Karel V. Filips de Goede had nog een andere zoon: Lodewijk. Deze trouwde met Beatrix, vrouwe van Bodeghem. Bodeghem is een dorp vlakbij Brussel. Hun zoon heette Hendrich van Bodeghem. De naam verbasterde in de loop der jaren tot Beug- hem en maakte Victor tot een directe afstammeling van Filips de Goede.
Van Beughem werd door tijdgenoten beschouwd als een briljant jurist, maar was vooral een invloedrijke man. Hij hield niet alleen pleidooien voor de rechter, maar ook namens de Staten van Bra- bant bij de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden. Victor had dus contacten op het hoogste niveau in Den Haag. Zijn beste vriend, mr. Gerard Kuysten, was raadsman van de Staten-Generaal bij de Hanzesteden Lu¨beck, Hamburg en Bremen. Toeval? Blijkbaar drong het in de loop van de zeventiende eeuw eindelijk tot de orde door dat er met de opheffing van het Huis in Vught iets belangrijks verloren was gegaan. Van Beughem werd belast met het opsporen van, allereerst, de archieven van de Duitse Orde. Dit kan betekenen dat de archieven het Geheim vormden, het kan ook betekenen dat de archieven opheldering moesten geven over de verblijfplaats van het Geheim. Er werd in 1662 een inventarisatie gemaakt. Ee´n van de inventarisaties onder Van Beughem vond plaats in het Zwanenbroedershuis. Blijkbaar (en niet zonder reden) verdacht Van Beughem de broeders ervan iets van het Geheim af te weten. Helaas voor hem waren de rekeningen van de broederschap tussen 1629 en 1642 spoorloos verdwenen: precies de periode Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
waarin ook het Geheim van Zionsburg verdween. Iemand had
sporen uitgewist.
Van Beughem zette een speurtocht op touw waarbij hij de sporen van Maschereel en andere betrokkenen nauwkeurig volgde. Zo kocht hij in korte tijd een flink aantal panden aan. Onder de moge- lijke verdachten schaarde hij ook families als de Heyms, de heren van Maurick die in de oorlog naar Den Bosch gevlucht waren. In 1685 kocht hij een huis aan de Postelstraat dat eens aan de familie Heym had behoord. Van Beughem redeneerde dat het Geheim tussen 1543 (na de vernietiging door Maarten van Rossum) en 1577 (de vernietiging door de staatsen) op kasteel Maurick in vei- ligheid was gebracht. De Heyms immers, waren Zwanenbroeders en traden vaak op als beschermelingen van de Vughtse priesters en de Kluizenaressen. Een Jan Heym, prominent lid van de familie in Maurick, wordt bovendien in verschillende bronnen genoemd als lid van de Duitse Orde in Maastricht.
Er waren meer huizen in de buurt waarin hij belang stelde: zo waren er de panden van Proening van Deventher, de Heren van Herlaer – vlakbij Maurick. Een van die panden was de Munt op de hoek van de Postelstraat. Dit was in 1571 door Duitse soldaten overvallen en om de een of andere reden doorzocht. Later hield de hertog van Medinaceli, de opvolger van Alva, daar zijn verblijf. Een ander huis dat Van Beughem aankocht, stond in de Wolven- hoek en had de intrigerende naam het Zwijnshoofd. Vermoedde hij hier een link met de Zwanenbroeders? Daar vlakbij bezat hij in 1712 nog een huis dat Achter het Wild Varken heette. Het laatste had toebehoord aan Nicolaas van der Stegen: inderdaad, de secre- taris van Willem de Zwijger.
Na zijn dood werd hij begraven in de Sint-Janskathedraal, sa- men met zijn tweede vrouw. Op zijn grafzerk staat zijn betrokken- heid bij de Duitse Orde vermeld.
De vraag is natuurlijk of de steekneuzerij van Victor van Beughem het Geheim ook heeft blootgelegd. Wat we zeker weten is dat hij rond 1700 landerijen begon op te kopen in Vught, vlakbij Maurick en Herlaer. Dit gebied, dat feitelijk deel uitmaakte van de vroegste Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
bewoning in de IJzertijd, stond in die tijd bekend als het Eentje. Dit
is afgeleid van Enode, wat woestenij of eenzaamheid betekent. Aan het einde van de zeventiende eeuw, niet lang nadat hij tot Zwanenbroeder was uitgeroepen, kocht Van Beughem maar liefst 33 hectare aan; precies het heilig landschap van Vught, met daarop de ijkpunten Maurick, Voorburg en Herlaer. Het is niet ondenk- baar dat hij zijn fondsen rechtstreeks van prins Palatin ontving, want het salaris van Victor was bij lange na niet toereikend voor een dergelijke aanschaf. Naast het land kocht Van Beughem ook het landgoed Bleijendijk. Blijkbaar zag Von Beughem, die jaren- lang de meest luxe herenhuizen in de stad had bezeten, wel heil in dat troosteloze moeras. Na de dood van Victor van Beughem zou het landgoed afwisselend aan Duitsers en Zwanenbroeders blijven toebehoren. Bleijendijk, dat later dus in handen zal vallen van een nieuwe generatie Zwanenbroeders, is samen met kasteel Maurick en Huize Zionsburg een van de plaatsen die het meest in aanmer- king komen voor de huidige verblijfplaats van het Geheim. Wat Van Beughem namelijk niet kon vermoeden, was dat het Geheim al door iemand anders was ontdekt en meegenomen. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk Oranje en Pruisen
Pruisen na de Reformatie
De geschiedenis en ontwikkeling van het vroege Pruisen is eigenlijk die van de Hohenzollern-dynastie. De Hohenzollerns (waarvan Albrecht von Brandenburg een telg was) waren in 1417 in het bezit geraakt van de mark Brandenburg. Brandenburg bracht enig aan- zien omdat het een electoraat was en de Hohenzollerns dus een stem kregen in het kiezen van de keizer. Maar hiermee was de familie niet tevreden. De mark als zodanig was niet veel meer dan een perifere, grotendeels onvruchtbare streek, gespeend van na- tuurlijke (verdedigbare) grenzen. Brandenburg bezat geen rivieren en kusten of een noemenswaardige industrie. Het kon dus geen groot leger bijeenbrengen. De Hohenzollerns moesten het hebben van sluwe manoeuvres en adellijke intriges. In de jaren na de Re- formatie wist de familie door het sluiten van tactische huwelijken in het bezit te komen van het hertogdom Pruisen en de gebieden rond Kleef. Het probleem was dat het gebied van de Hohenzollerns daarmee verspreid lag over het hele noorden van Duitsland. In het oosten doorsneed het uitgestrekte Polen de aansluiting met Prui- sen. De claims op deze gebieden werden bovendien hevig bestreden door andere Europese mogendheden.
In een berekende poging de invloed van Brandenburg naar het westen toe uit te breiden, werden er betrekkingen aangeknoopt met de calvinistische Rijnpalts en de protestantse Nederlanden. Al in 1605 kwam het tot een officieel verbond tussen de drie partijen. Holland kreeg hulp tegen de Spanjaarden en Brandenburg ver- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
kreeg een leger om de aanspraken op de Kleefse gebieden kracht bij
te zetten. Een bijkomend probleem was dat ook het hertogdom van Palts-Neuburg (dat later twee grootmeesters zou produceren) aan- spraak maakte op de belangrijke Kleefse corridor. Opmerkelijk genoeg leidde dit tot een tijdelijke overeenkomst tussen Branden- burg en Palts-Neuburg, waarin besloten werd het gebied gezamen- lijk te bezetten en de kwestie later te beslechten. Dit was een duide- lijk signaal aan de katholieke Habsburgers (en dus de keizer). Als we in gedachten houden dat de breuk tussen de Hohenzollerns en de Duitse Orde een kunstgreep was om de Habsburgse hegemonie te misleiden, krijgt deze alliantie tussen de noordelijke Hohenzol- lerns en de zuidelijke adel in Beieren extra betekenis. De papieren ruzie tussen de twee adellijke huizen borduurde mogelijkerwijs voort op het zogenaamde schisma van 1525. Hoewel de ma- noeuvre bijna escaleerde in een oorlog met de Habsburgers, wisten de twee pretendenten uiteindelijk beslag te leggen op de gebieden die daarop eerlijk werden verdeeld. Deze aanzienlijke winst ten spijt was Brandenburg nog niet uit de problemen: hoe moest de mark haar gebieden beschermen tegen vijanden? De afschuwelijke Dertigjarige Oorlog die kort daarop uitbrak, is op papier een Duitse godsdienstoorlog tussen de katholieken en de opkomende protestantse fracties binnen het Heilige Roomse Rijk, maar kan in feite rustig een familievete worden genoemd: een po- ging van de Habsburgse dynastie om haar greep op Europa te behouden. De kwestie Kleef en de politiek van met name de rivali- serende Hohenzollerns was voor de machtige Habsburgers reden om het tot een open conflict te laten aankomen. Omringende lan- den als Zweden, Denemarken, Frankrijk en Spanje werden in de strijd gezogen en transformeerden de vijandelijkheden tot een van de meest bloedige oorlogen uit de geschiedenis. Brandenburg kon zich op geen enkele wijze beschermen tegen de oprukkende legers. Hoewel in het centrum van het conflict, speelde het de heilige on- schuld. Het kon zich niet veroorloven voor de een te kiezen en daarmee de vernietigende woede van de ander op de hals te halen. In feite deed Brandenburg niets. Het snuffelde wat aan beide partij- en, huwelijkte dochters uit aan de protestanten, deed halfslachtige Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
concessies aan de katholieken, maar bleef over het algemeen neu-
traal. Gezien de cruciale rol die Brandenburg (te beginnen met Albrecht in 1525) gespeeld had in de aanloop naar de oorlog, is het niet verbazend dat de keizer hier niet intrapte. Toen hij rond 1629 aan de winnende hand kwam, waarschuwde hij de mark dat hij verregaande maatregelen zou treffen als het conflict eenmaal onder controle was. Dit vooruitzicht zorgde er mede voor dat Brandenburg een pact aanging met het protestantse Zweden, een coalitie die overigens geen lang leven beschoren was. Het pact was opgedrongen nadat rondschuimende Zweedse soldaten de stad Maagdenburg met de grond gelijk hadden gemaakt. Toen de kei- zerlijke troepen een tijdelijke opmars maakten, keerde Branden- burg zich weer tot de keizer. Dit heen en weer gefladder had onge- lukkige gevolgen: in de daaropvolgende jaren werd de mark door de twee legers herhaaldelijk gebrandschat. Alleen het hertogdom Pruisen, met nog steeds de hervormde Duitse Orde aan het roer, wist in die jaren met succes in de luwte te blijven. In zekere zin tekent deze geschiedenis de schaduwkanten van het Teutoonse opportunisme. Het ‘speciale pad’ (Sonderweg) waarmee Pruisen in latere tijd nogal eens werd vereenzelvigd, betekende in tijden van oorlog en opstandigheid dat het door Hermann von Salza geı¨ntroduceerde koorddansnummer een hachelijke onderne- ming werd. Op het ogenblik dat de Duitse Orde (in dit geval het Huis Hohenzollern) besloot zich in redelijke openheid een eigen staat toe te eigenen, werd het ook geacht deel te nemen aan con- flicten die de Europese toekomst bepaalden. De Dertigjarige Oor- log leerde de Teutonen dat ze niet zichtbaar en onzichtbaar tegelijk konden zijn. Het was een dure les. In de jaren tussen 1618 en verloor de helft van de bevolking van Brandenburg het leven. In de jaren na de Dertigjarige oorlog gebeurde er iets ongelofelijks. Niet alleen kwam Brandenburg/Pruisen de vernietiging te boven, tegen 1690 bezat de mark een geduchte legermacht, een kleine vloot in de Baltische Zee en een kolonie aan de westkust van Afri- ka; het electoraat was uitgegroeid tot een regionale machtheb- ber.139 Oorzaak van deze indrukwekkende omwenteling was het Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
optreden van Frederik Willem van Brandenburg, ook wel de Grote