Het geheim van Zionsburg
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Voor de serveersters van Cafe´ Roels in Den
Bosch
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
J o r i s va n O s e n J u r r i a a n M a e
s s e n
Het geheim van
Zionsburg
De Heilige Graal, de Oranjes en de intrige achter een duistere
ridderorde
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Dit boek is gepubliceerd door
Tirion Uitgevers BV
Postbus 3740 AH Baarn
www.tirionuitgevers.nl
Omslagontwerp: Hans Britsemmer
Typografie: Pre Press
ISBN 978 90 4391 222 NUR Ó 2007 Tirion Uitgevers BV, Baarn
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar
gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke
andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van
de uitgever.
No part of this book may be reproduced in any form by print,
photocopy, microfilm or any other means without prior written
permission from the publisher.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten van derden zo goed
mogelijk te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te
kunnen doen gelden, kunnen zich tot de uitgever wenden. Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
I n h o u d
Inleiding
De dood van een vrek
De geheimzinnige baron
‘Iedereen in Brabant weet wel iets van Ewald Marggraff’
Een moordzaak
Schatten uit een ver verleden
In de Germaanse wouden
Germanen betreden de geschiedschrijving
Romeinen en Germanen
Het begin van de Grote Volksverhuizing
De avonturen van de Goten
De erfopvolgers van Europa
Jaren van duisternis
De Duitse Orde
Opkomst van de ridder-monnik
De Gouden Eeuw van de kruisridder
Het verlies van Palestina
De Duitse Orde
Hermann von Salza: de macht achter vele
tronen
De Baltische Kruistocht
De ordestaat
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Go¨tterda¨mmerung
De Hanze en het Teutoonse expansieplan
Gotlandvaarders
De dubbelkoppige adelaar: De band tussen de Hanze en de Duitse
Orde
De Hanzedag
De Hanze in de Nederlanden
De Duitse Orde in Nederland
Teutoonse legenden
Opkomst van de hertogen
De avonturen van Hendrik de Kruisvaarder De Duitse Orde bemoeit
zich met Nederland Hertog Jan I
De Slag van Woeringen
Het raadsel Vught
De Duitsers komen
Natte voeten
Vught als Keltische cultusplaats
Het mysterie van de twee kerken
Zionsburg en de Duitse Orde in Vught
De riddercommanderij van Gemert
Reilen en zeilen van de Vughtse Comman-
derij
Het geheim van Vught
Het pact van Woeringen
Het geval Floris V
The Usual Suspects
De eerste verdachte: Gijsbrecht van Amstel De tweede verdachte: Jan
van Cuyk
De derde verdachte: Jan van Heusden
De vierde verdachte: Jan van Arkel
Helias, de Zwaanridder van Kleef
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Vragen...
De geheime missie
De vijfde verdachte: Dirk van Brederode
Brandend ivoor: opkomst van de Zwijnen
Crisisjaren
Pruisenreizen
Zwaanridders uit Kleef
De missie
De Machutusverering
De Bataven
Vught als Germaanse cultusplaats
Een heilig landschap
Missie geslaagd?
Zwanen en zwijnen
Geheime Genootschappen
Opkomst van de Broederschap
De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap
Maria Teutonica: Het Mirakelbeeld van de Zoete Lieve Vrouw van
’s-Hertogenbosch
Cultusplaats van kooplieden
Leden van de broederschap
Bekende koppen
De Zwanenbroeders
Jheronimus Bosch, de verborgen dissident Criticus van zijn tijd
De uil bij Bosch
De Bruiloft van Kana
De verdwenen stichters
Duitsers in het werk van Bosch?
De schat van Vught in gevaar
Kasteel Maurick als onderkomen voor de
Duitse Orde
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De kluis van Vught
Een wisseling van de wacht: Brabant en Gelre Maarten van Rossum
Van Rossum als pion van Spanje
Van Rossum als pion van Gelre
De archieven van de Duitse Orde
Het Archief van Luther van Brunswijk
Willem van Oranje
Het Huis Oranje
De broedertwist:
Willem van Oranje-Nassau en Filips II
Alva en de Spaanse Furie
Geldschieters achter de coulissen
Oude en nieuwe verbonden
Hendrik van Brederode
Filips van Hohenlohe
Een gevaarlijke bondgenoot
De Tuin der Lusten
De Aanbidding der Wijzen
Bisschop Sonnius, de spion van Filips
Het Pact van Woeringen?
Balthazar Gerards, de Lee Harvey Oswald
van de Lage Landen
Conclusies
Het geheim van Zionsburg gaat naar Den
Bosch
Na de brand
De Duitse Orde en de Reformatie
Albrecht von Brandenburg en zijn missie
Floris Maschereel als bewaker van het
Geheim
Zwarte Ruiters
Nieuwsgierige Spanjaarden
De kruisheren
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De zoektocht begint
Het Beleg van ’s-Hertogenbosch
Kasteel Maurick: het hoofdkwartier van
Frederik Hendrik
De Oranjes na Willem de Zwijger
De verovering van ’s-Hertogenbosch
De Broederschap en haar vijanden
Johan Wolfert van Brederode en Cornelis
van Cuyk
Ruzie
De eerste schatzoeker: Victor van Beughem Oranje en Pruisen
Pruisen na de Reformatie
Johan Maurits de Braziliaan
De Nieuwe Hanze
Nieuwe vergezichten
Johan Maurits als Teutoonse ridder
Pruisen en Brandenburg
Zionsburg en de schatzoekers
Kuchlinus: de Wachter op Zions muren
Bewoners van Zionsburg
De tweede schatzoeker: De Dikke Hertog
Staatsgrepen van de Oranjes
De derde schatzoeker: Willem Arnold Alting Lamoraal von Geusau
De vierde schatzoeker: Koning Willem II van Oranje
Nog meer Pruisen
Pruisische spionnen
De vijfde schatzoeker: de familie Marggraff Familievetes
Oranjes, Pruisen, Zwanenbroeders
Een andere Duitse Orde
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De Duitse Orde en het nazisme
De zesde schatzoeker: de nazi’s
De SS in Vught
Marggraff en de nazi’s
Na de oorlog
Imperium mundi
De laatste schatzoeker: de Duitse Orde
Meer Bilderberg
Het Teutoonse Woud in Amerika
Een Teutoonse doodscultus
De Federal Reserve
De anti-Marggraff-campagne
De overval
Een mysterie van twintig eeuwen
Een duur stukje serviesgoed
Propagandisten van de Duitse Orde
De geboorte van het Duitse ridderschap
Guillaume d’Orange
De Duitse Graal
Het lot van Zionsburg
Inferno
Zionsburg in de steigers
Het Geheim
Een Onheilige Graal
Noten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
I n l e i d i n g
De brand
In de ochtend van 7 december 2003, om zeven minuten voor half negen
om precies te zijn, kwam bij de Vughtse brandweer het be- richt
binnen dat er in het centrum van Vught een gebouw in lich- terlaaie
stond. Het was zondag en menigeen zal de slaap nog in de ogen
hebben gehad.
Wat was er aan de hand? Een toevallige passant, een dorpsbe- woner
uit de Kievitstraat, kwam die ochtend uit de nachtdienst en reed
met de auto naar huis. Het was een kille, maar zonnige dag. Er lag
wat ijle nevel in de velden maar verder was het helder. Op de A bij
Vught zag hij een vreemde rookpluim omhoog kringelen, niet ver van
de oude Lambertuskerk: een hoekige toren uit 1521 sinds eeuwen
beroofd van zijn spits. Hij draaide de N65 op waar een mistige walm
over de weg het zicht bemoeilijkte. De stugge witte rook deed hem
veronderstellen dat er een naburige matrassenwin- kel in brand
stond. Omdat het hem inviel dat er op die vroege ochtend maar
weinig mensen op de been waren om de brand te zien besloot hij zelf
poolshoogte te nemen. Hij verliet de N65 en sloeg de Helvoirtseweg
in. Deze straat voerde hem langs het cen- trum naar de Lambertus,
die hij als een donkere toren boven de daken kon zien uitsteken.
Daar aangekomen zag hij dat de situatie erger was dan hij dacht.
Het ging niet om de matrassenwinkel. Het betrof het monumentale
landhuis op de hoek van de Taalstraat en de Helvoirtseweg. Het
huis, dat hij vaak gezien had maar waarvan hij de naam niet kende,
stond op een weelderig landgoed tegenover de Lambertuskerk. Het
werd omgeven door oeroude beukenbo- men, Noorse esdoorns en dicht
struikgewas, maar de vlammen Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234
mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
waren aan de achterkant duidelijk te zien.
De benedenverdieping
stond in brand en het vuur had twee serres van hun ramen beroofd.
Uit het dak stegen hagelwitte rookwolken op. De Vughtenaar reed
naar de voorzijde, waar het kasteeltje aan het einde van een lange
oprijlaan beter te zien was. Omdat daar nog niemand te bekennen
was, pakte hij zijn telefoon en belde het alarmnummer, waar zijn
melding om 08.23 uur binnenkwam. Zo goed en zo kwaad als het ging
probeerde hij de brandweer uit te leggen om welk huis het ging. Op
dat moment zag hij hoe de vlammen zich over het monumentale pand
begonnen te versprei- den. Na te hebben opgehangen stapte hij uit
en liep het terrein op, waar nu ook andere mensen waren verschenen.
Een jogger was een kijkje komen nemen; een vrouw met een hondje
kwam het erf opgewandeld. Zij was al verschillende huizen afgelopen
om te bel- len, maar er had niemand opengedaan. Verschillende
andere men- sen verschenen, auto’s stopten bij de oprijlaan. Of er
nog iemand in het huis was wist niemand. Er was geen teken van
leven. Op het erf stonden verscheidene auto’s geparkeerd, maar die
zaten onder het mos. Er werd koortsachtig overleg gepleegd: moesten
ze proberen de massieve eikenhouten voordeur te forceren? Op dat
moment arriveerde de eerste politiewagen. Voordat de agenten de
tijd kregen om uit te stappen explodeerden de ramen aan de voorkant
en schoten de eerste vlammen uit het dak. De vuurtongen likten aan
het kleine, feee¨rieke torentje aan de oost- gevel. Het werd
gevaarlijk. De politie dirigeerde de omstanders weg van het huis en
toen de brandweer met twee wagens het terrein op kwam rijden werd
de brand een zaak van hulpverleners. De brandweer ging direct aan
het werk. Er werden pionnen uitgezet, ramptoeristen verjaagd,
slangen uitgerold. De waterleidingen in de Taalstraat werden in
werking gesteld en al snel kon er met blussen worden begonnen. Op
het erf ontstond consternatie. Nog steeds wist niemand of zich in
het huis nog mensen bevonden. Moest de brandweer niet eens een
kijkje gaan nemen? Het huis zelf verried niets: de ramen op de
begane grond waren donker en niemand had een spoor van de bewoners
aangetroffen. Of er ergens licht had gebrand konden de omwonenden
niet zeggen. Maar het was zon- Tirion – Literair Klassiek – 157 x
234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dagochtend: de bewoners konden in hun bed
door de brand zijn
verrast.
De brandweer nam een moeilijke beslissing: niemand zou het huis
betreden. Het instortingsgevaar was te groot. Daarbij maakte de
omvang van de brand het onwaarschijnlijk dat zich binnen de muren
nog overlevenden bevonden.
De vlammen lieten zich moeilijk bedwingen, ook nadat er meer
politie en meer brandweer was gearriveerd. De sinister opdoe- mende
gevel leek het oplaaiende vuur te verdedigen tegen de water-
stralen. Het was alsof het huis wilde dat wat zich binnen de hoge
muren bevond, in de vlammen ten onder ging. Het huis, zo moet het
de brandweerlieden zijn voorgekomen, wilde afbranden. Om een uur of
negen moest er een hoogwerker aan te pas komen om de inmiddels
uitslaande brand van bovenaf te bestrijden. Zelfs daarna duurde het
karwei nog uren.
Om kwart over negen hield de doodvermoeide Vughtenaar uit de
Kievitstraat het voor gezien. Hij stapte in zijn auto en reed naar
huis. Later zou hij te horen krijgen dat er we´l iemand in het huis
was geweest.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg
gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De dood van een vrek
De geheimzinnige baron
Het buitengoed Zionsburg stamde uit het einde van de negentiende
eeuw. Het verving een landhuis met dezelfde naam dat daar eeu- wen
had gestaan en in de loop der tijd in verval was geraakt. De eerste
steen werd op 16 augustus 1882 gelegd door Lodewijk ‘Loke’
Marggraff, het vierjarige zoontje van Johan Lodewijk, de jurist en
grootgrondbezitter die het een jaar eerder bij opbod had gekocht.
In de beginjaren van de twintigste eeuw was Taalstraat 149 een
idyllisch, bijna sprookjesachtig kasteel met een prachtige tuin en
een door hoge lindebomen omgeven oprijlaan. Het indruk- wekkende
grachtenstelsel, aangelegd door Johan Marggraff zelf, werd
beschaduwd door de overvloedige bladerkronen van eiken, ceders,
beuken en paardekastanjes. Ansichtkaarten uit die tijd la- ten het
huis zien als een parmantige, bijna barokke woning in neo-
renaissancestijl, blakend in het gouden licht van het fin de
sie`cle. De twee serres zijn weelderig begroeid met klimop en
haagwinde. Op het terras staan palmen. Een van de architecten,
verantwoorde- lijk voor het feitelijke ontwerp, was de befaamde
Haagse architect J.J. van Nieukerken. Van Nieukerken had zijn faam
opgebouwd met het hoofdkantoor van Shell in Den Haag, het
Badpaviljoen van Domburg en het Koninklijk Instituut voor de Tropen
te Amster- dam. Op de originele geveltekeningen verschijnen no´g
twee namen: die van vader en zoon Stracke´, twee van de grootste
beeldhouwers en meubelmakers van hun tijd. Een voormalige tuinman
beweert dat het huis rijkelijk versierd was met symbolen uit
bijbelse mythen Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre
Press Zeist
24/09/2007 Pg.
en de vrijmetselarij. Zionsburg was zo’n
wijdverbreid begrip dat
het daadwerkelijke adres in de loop der jaren in onbruik raakte.
Het visitekaartje van Lodewijk vermeldde enkel de naam van het
Huis. Het landgoed besloeg zo’n 8 hectare en bestond naast het
kasteeltje uit een koetshuis en dienstbodewoning, stallen, garage
en een oranjerie. Griekse goden van sneeuwwit marmer uit de
zeventiende eeuw sierden de gazons. Zionsburg zelf bevatte hoge,
luxueuze kamers met gesneden houtwerk, uitgebreide lambrisering en
kristallen kroonluchters. Een journalist die halverwege de jaren
negentig van de vorige eeuw een kijkje mocht nemen maakt gewag van
nissen met fluwelen zitbankjes, schitterende lampen, serviezen,
vazen, pronte kasten en originele schilderijen.1 Er was een immense
bibliotheek met kostbare werken van honderden jaren oud. Naar de
collectie kunstwerken kan alleen worden gegist. Vijftig jaar lang
woonde in dit huis, dat steeds meer tot een spookachtige ruı¨ne
verviel, een eenzame en mysterieuze multimil- jonair, Ewald
Marggraff genaamd.
Het huis stond tegenover een oude kerktoren, de Sint Lambertus. De
Lambertuskerk is het oudste monument van Vught en mogelijk een van
de eerste gebouwen in het dorp. Bij restauraties werden sporen
gevonden van een oeroude tufstenen kerk die vermoedelijk tot de
negende eeuw is terug te voeren. In 1562 zette een bliksem- schicht
in de kerktoren (ook wel de Vughtertoren genoemd) de spits en het
dak in vlammen. In 1601, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, brandde
het kerkgebouw achter de toren nog een keer in zijn geheel af. Ook
het eerste huis op het landgoed Zionsburg werd door een brand
verwoest: in 1542 was het door Gelderse roofrid- ders in de as
gelegd. Branden zijn Vught niet vreemd. Beide gebouwen, Zionsburg
en de Lambertuskerk, zijn een straatlengte verwijderd van het
Vughtse centrum. Het dorp zelf ligt even ten zuiden van
’s-Hertogenbosch en is op zich niet bijzon- der interessant. Het is
vooral een rustieke, landelijke forensenge- meente. Een slaapstadje
waar voor de uitgaande jeugd niet bijster veel te beleven is en dat
het moet hebben van de pastorale rust en de nabijheid van een
Bourgondische stad. Het is een aangename, bos- Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
rijke gemeente die naast plaatsen als
Bloemendaal en Wassenaar
voortdurend figureert op lijsten van rijkste gemeenten van Neder-
land. Enkele jaren geleden werd het verkozen tot meest aantrekke-
lijke dorp van het land.
Dit was echter niet altijd het geval. Vught is ook een oud dorp met
een bewogen verleden. Ondanks de relatief onbelangrijke po- sitie
die het in de geschiedenis inneemt, bevond het zich vrijwel
voortdurend op het grensgebied van strijdende partijen. Altijd lag
het in de vuurlinie. Van de eindeloze conflicten tussen de graaf-
schappen Brabant en Gelre tot aan Operatie Market Garden: steeds
scheen het zich ongelukkigerwijs tussen twee vuren te bevin- den.
Iedere keer als het nabije ’s-Hertogenbosch onder beleg kwam te
liggen maakten de belegeraars het zich gerieflijk in de Vughtse
periferie. Het naburige kasteel Maurick diende meer dan eens als
onderkomen voor illustere figuren als Prins Maurits, opperbevel-
hebber van het staatse leger en zoon van Willem van Oranje, en
Generaal Pichegru, aanvoerder van de Fransen in dienst van de
Revolutie. Het dorp is vaker in de as gelegd dan Rome. Door een
bizarre speling van het lot is Vught door de jaren heen het decor
geweest van een concentratiekamp, een krankzinnigengesticht en een
gevangenis. Het mag zich vandaag de dag verheugen in het feit de
zwaarst beveiligde gevangenis van het land te bezitten: drugs-
baronnen, maffiabonzen, Al Ouaida-terroristen, ze hebben er alle-
maal gezeten. Een bekende plaatselijke kunstenaar beschreef Vught
als getekend door de drie V’s: Voorburg (het gesticht), Vos- seveld
(de gevangenis) en Kamp Vught (het concentratiekamp). Toch is het
over het geheel genomen een wat slaperig plaatsje waar- mee op het
eerste gezicht niet veel aan de hand is. Maar schijn bedriegt.
De Marggraffs waren van meet af aan, dat wil zeggen het moment dat
zij Huize Zionsburg betrokken, de vreemde eend in de bijt. Over de
familie was toen al weinig bekend. Een Marggraff was in de
negentiende eeuw burgemeester van Vught geweest, maar veel meer
wist men over het van oorsprong Pruisische geslacht eigenlijk niet
te vertellen. Voor de Vughtenaren waren de Marggraffs een Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
bron van allerlei indianenverhalen. Zowel
de familie als het huis
zelf lokte de fraaiste geruchten uit. Om te beginnen wist men niet
zeker hoe de juristenfamilie aan haar geld was gekomen. Het ex-
cessieve grondbezit – het verhaal ging dat je over de gronden van
Marggraff naar Frankrijk of Duitsland kon lopen – riep sappige
vertelsels op over schimmige transacties en uitbuitingspraktijken.
Het feit dat de familie zich in toenemende mate terugtrok uit het
publieke leven versterkte het beeld dat er op Zionsburg iets niet
pluis was. Had Marggraff I nog een redelijk actieve rol gespeeld in
het dorpsleven, zijn zoon Loke werd met het slijten van de jaren
een beruchte recluse. Hoofdoorzaak schijnt zijn oorlogsverleden te
zijn geweest. Lodewijk Marggraff zou zich schuldig hebben ge- maakt
aan Duitse sympathiee¨n en collaboratie. Er zou sprake zijn van een
NSB-lidmaatschap. Zionsburg was een verradersnest dat met regelmaat
hoge SS-officieren had mogen verwelkomen. Loke zou zijn geld hebben
verdiend aan lucratieve contractjes met de nazi’s enzovoort. Na de
oorlog was de fiscus er kind aan huis, het- geen de verdenking
voedde dat de familie op een oneerlijke, mis- schien zelfs
onethische manier aan haar geld was gekomen. Geen van deze
verdachtmakingen is ooit bewezen. Wel moet ge- zegd worden dat de
Marggraffs zelf weinig hebben bijgedragen aan het ontzenuwen van de
praatjes. Met name de derde Marggraff, geboren in 1923, was een
kluizenaar en een misantroop die zich jarenlang opsloot in zijn
eigen burcht. Zelfs goedbedoelende dor- pelingen kwamen maar weinig
te weten over de eenzame grond- eigenaren. Veel buurtbewoners
herinneren zich het kasteeltje als een plek waar je niet in de
buurt mocht komen. Een hoge afraste- ring en een steeds dichter
wordende haag van bomen en onkruid onttrok de kapitale villa aan
het zicht. In 1954 ging het landgoed over op de volwassen kinderen
van Lodewijk: vier dochters en e´e´n zoon. Een tweede zoon overleed
op jonge leeftijd aan een verkeerde inenting met koepokstof. De
overlevende zoon, Ewald Marggraff (Marggraff III), kocht zijn
zusters uit zodat het erfgoed niet zou worden opgedeeld. Op
31-jarige leeftijd kwam hij daarmee in bezit van een astronomische
erfenis, waar hij de rest van zijn leven als een bloedhond over zou
waken.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Het was vooral deze derde Marggraff
waaromheen de wildste ge-
ruchten ontstonden.
‘Iedereen in Brabant weet wel iets van Ewald Marggraff’ Ewald
Marggraff was een krenterige, giftige, vermoedelijk homo- seksuele
baron met de Monegaskische nationaliteit, die zich bij voorkeur als
vrouw verkleedde, zijn geld in dubbele wanden in zijn huis bewaarde
en die zijn uitgestrekte landerijen liet verloede- ren om de
gemeente een hak te zetten.
Dit vat wel een beetje samen hoe er de afgelopen vijftig jaar naar
Marggraff gekeken is. Sommige dingen zijn waar (hij had de Mo-
negaskische nationaliteit), andere dingen niet (de travestie is
ver- moedelijk niet waar), maar veruit het meeste is nog altijd een
mys- terie. Wie was hij? Om te beginnen was hij geen baron. De
familie was niet van adel. Baron was een bijnaam, geen titel. Zijn
achter- naam komt van ‘Markgraaf’, een adellijke graad die vooral
in Duitsland veel aanzien had. De Hohenzollerns van Brandenburg
waren markgraven voordat zij koningen werden. ‘De Mark’, werd Ewald
door zijn pachters wel genoemd. Zijn voornaam, een Ger- maanse
tweestammige naam, betekent ironisch genoeg ‘de naar de wet
heersende’. Zelf beweerde hij genoemd te zijn naar een oud- oom:
een vrederechter uit ’s-Hertogenbosch, maar het is ook denk- baar
dat hij zijn naam te danken heeft aan de geheimzinnige Wil- helm
Ewald von Glockmann, een vriend van de familie. Een Von Glockmann
was de ontwerper van het familiewapen. Dit wapen, een blauw schild
met drie gouden klokjes, werd in recente jaren ongeveer synoniem
aan ‘Verboden Toegang’. Waar het bekende gele hekwerk verscheen,
voorzien van het wapenschild, daar was het uitkijken geblazen.
Over zijn vermogen lopen de schattingen zo ver uiteen dat het
ondoenlijk is er een gemene deler uit te halen. Sommigen beweren
dat hij multimiljardair was, anderen menen dat hij ‘slechts’ enkele
miljoenen had. Marggraff hing een beetje de Prins Bernhard uit
wanneer men naar zijn banksaldo informeerde. Hij gaf dan erg Tirion
– Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
bescheiden schattingen en deed het soms
voorkomen alsof hij aan
de rand van een faillissement verkeerde. Ook nu nog is het giswerk.
Voorzichtige schattingen maken van Ewald Marggraff meervoudig
miljonair. Zijn geld zat niet in dubbele wanden van zijn huis. Het
stond op bankrekeningen verspreid over verschillende landen als
Zwitserland, Monaco, Luxemburg en de Kaaimaneilanden. Zijn vermogen
was gespreid over banken, fondsen en aandelen. Iets meer is bekend
over zijn grondbezit. Het zou vervelend worden om de lange lijsten
van onroerend goed op te sommen (alleen rond Den Bosch bezat hij al
21 landgoederen) maar we kunnen volstaan met te zeggen dat hij het
equivalent van zo’n 1200 voet- balvelden bezat. En dat waren alleen
nog maar zijn binnenlandse bezittingen.
Afgezien van de liquide middelen en de hectaren waren er de
schatkamers van Zionsburg zelf. Spaarzame bezoekers werden ge-
confronteerd met kamers volgepropt met onbetaalbare kunstvoor-
werpen. Een buurvrouw die soms te gast was zag op een keer stapels
schilderijen, ingepakt met bruin papier, tegen de muren staan. Het
waren kostbare werken die Marggraff naar een restau- rateur had
laten brengen maar nooit had uitgepakt. Marggraff voegde er bij die
gelegenheid nogal achteloos aan toe dat hij op zolder nog een stel
Rembrandts en Van Dijcks had staan. Dit kan grootspraak zijn
geweest, maar gevreesd mag worden dat hij de waarheid sprak. ‘Dat
waren geen kopietjes,’ verzekerde de buur- vrouw. Met zijn huisraad
sprong Ewald net zo gedachteloos om als met de vele huizen die hij
her en der liet verpauperen. De buur- vrouw herinnerde zich een
incident waarbij de grondbezitter zijn hondje aan een blikje
sardientjes liet likken. ‘Maar meneer Marg- graff,’ reageerde ze,
‘dat is toch gevaarlijk; die blikjes zijn vlijm- scherp.’ Marggraff
pakte het blikje zonder te antwoorden op en smeet het achter zich
op een kast.
Een spotprent uit de jaren tachtig toont Marggraff als een vampier,
zittend op een troon van schedels. Twee andere prenten hebben het
gemunt op zijn beleid monumentale panden in zijn bezit te laten
verloederen. Op een ervan is een spookachtige oprijlaan (van Tirion
– Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Zionsburg?) getekend met griezelige
monsters in de bomen. Een
onderschrift luidt: ‘Spoken, geesten en vampiers bestaan niet
meer....’ Een volgende tekening laat een nachtelijk kerkhof zien.
De tekst leest: ‘...Marggraven echter wel.’ Op de drie kruizen
staat ‘Kaathoven’, ‘Parva Domus’ en ‘Elzenburg’; drie van de
historische buitengoedjes die onder beheer van Marggraff ter ziele
zijn gegaan. Parva Domus (‘Klein Huisje’) stond honderden jaren
lang op het landgoed Zionsburg totdat Marggraff het vervallen huis
in na een lange strijd met de gemeente liet slopen. De
oorspronkelijke naam was ‘In den Prince van Orangie¨n’, naar Willem
van Oranje, wiens secretaris het huis in de zestiende eeuw
bewoonde. Waarom liet hij zijn vele bezittingen verpauperen?
Groeiden ze hem boven het hoofd?
Zijn hele leven lang was Marggraff in een verbeten strijd ver-
wikkeld met de gemeente Vught, die hij er onder andere van be-
schuldigde zijn oudoom de burgemeester te hebben weggepest, en die
zijn familie op tal van manieren had dwarsgezeten. Ewald was van
huis uit jurist en wist onteigeningsprocedures tot in het onein-
dige uit te stellen. Het verwaarlozen van zijn bezittingen was voor
hem een spel. Desgevraagd verklaarde hij ‘natuurlijk’ aan kapitaal-
vernietiging te doen. ‘Het tuig van de overheid moet op de
kniee¨n,’ was een van zijn gevleugelde uitspraken. Om de een of
andere reden koesterde hij tevens een vreselijke haat jegens
katholieken. De geestelijkheid moest worden opgeknoopt. Hijzelf
kwam van een overwegend protestantse familie uit het Pruisische
Maagden- burg.
Ook zijn eigen kasteel verwaarloosde hij. Bezoekers zagen de gaten
in de muren zitten. Naarmate Marggraff zich meer en meer uit de
wereld terugtrok veranderde zijn landgoed langzaam in een oerwoud.
Het park werd overwoekerd door hoog gras en onkruid. De door mos
aangetaste Griekse beelden kwijnden weg in het stru- weel of vielen
om. Het koetshuis en de oranjerie verzakten tot ruı¨nes waar de
wind doorheen gierde. De toegangspoort met na- tuurstenen pijlers
uit het begin van de negentiende eeuw bood na verloop van tijd
enkel nog toegang tot een naargeestig huis dat er meestentijds
verlaten bij lag.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Marggraff werd mensenschuw en was over het
algemeen niet ge-
diend van pottenkijkers of ongewenste bezoekers. De Vughtse jeugd
kon daarover meepraten. Een jongen uit het dorp die het waagde
beukennootjes op te rapen van de oprijlaan werd door Marggraff in
de kraag gegrepen en hardhandig wegge- werkt. Hij had geluk:
Marggraff stond erom bekend overtreders met een geladen geweer van
zijn land te jagen. Zelfs zijn hondje Fokkie was volgens sommigen
gemeen.
Krakers van zijn leegstaande panden liet hij er door knokploe- gen
uitzetten. Toen een groepje archeologen zich op de Kopse Hof bij
Nijmegen op zijn land begaf omdat hier Romeinse vondsten waren
gedaan dreigde hij hen met een bulldozer weg te schoffelen. De
Romeinen konden wat hem betreft het schompes krijgen. Pre-
historische grafheuvels moesten wijken voor de bouw van zestig luxe
villa’s. Daarnaast was hij de gesel van boeren en pachters die zijn
land bewerkten. Wanneer hij hen niet met uitzetting dreigde liet
hij de boerderijen zodanig verpauperen dat de meeste huurders de
moed opgaven. Hij werd ervan beschuldigd illegaal mest te dumpen
(volgens de berichten met medeweten van zijn vriend, motelmagnaat
Gerrit van der Valk) zodat zijn pachters in feite op een mestvaalt
woonden. Reagerend op de beschuldigingen verviel Marggraff in een
van zijn legendarische tirades en brulde dat ‘de varkensboeren, de
gemeente, de boeren en de Pachtwet’ het op hem hadden voorzien. In
latere jaren bezocht hij zijn verwilderde land- goederen niet meer.
Ook zijn appartement in Monaco, waar hij naar verluidt Prins
Rainier wel eens tegen het lijf liep, zag hem in de loop der tijd
steeds minder.
Uiteindelijk, zo wil de legende, werd Marggraff een anachro- nisme:
een feodale herenboer die zich in de twintigste eeuw pro- beerde
staande te houden. Ondanks zijn gewiekste juridische vos-
senstreken leek hij weinig op te hebben met de moderne tijd. Zo
verdween hij uit het zicht: hij teerde weg in zijn burcht en leek
samen met het geheimzinnige landhuis weg te zakken in het laatste
stukje middeleeuwse grond van Nederland. In november 2003 trad hij
voor het laatst in de openbaarheid. In het achtste deel van de
Vughtse Historische Reeks werd een artikel Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
gewijd aan Zionsburg; hij verscheen met
zijn zus op de presentatie
in het Historisch Museum. Op die zesde november was het de hier-
boven genoemde buurvrouw die de laatste foto nam van Ewald.
Merkwaardig genoeg is er op deze foto een omineuze veeg te zien;
een onverklaarbare lichtflits die Marggraff, zittend in zijn stoel,
bijna onzichtbaar maakt. Precies een maand later, in de nacht van 6
op 7 december, brak er door een onbekende oorzaak brand uit in
Zionsburg.
Toen deze in de late namiddag van de volgende dag eindelijk was
geblust, werd op de begane grond, in de hal naast de trap, het
levenloze lichaam van de Vughtse baron gevonden. Zijn identiteit
kon alleen door zijn gebit worden bevestigd. Naast hem lag zijn
hondje Fokkie. Marggraff was 80 jaar en de laatste mannelijke telg
van zijn lijn: met hem stierf de naam uit. Zijn bezittingen, de
schil- derijen en de roemruchte bibliotheek, waren in vlammen opge-
gaan.
Willem Frederik Ewald Marggraff, ‘door een enkeling geliefd en door
velen gehaat’, was dood. Nederland juichte: Prinses Ma´xima beviel
diezelfde dag van een dochtertje. Zij werd Amalia genoemd, naar de
vrouw van Stedendwinger Frederik Hendrik van Oranje- Nassau. Het
feit dat Frederik Hendrik en een aantal van zijn naza- ten tijd
hebben doorgebracht op Zionsburg was niet de laatste van een lange
reeks toevalligheden in dit verhaal. Een moordzaak
Gezien Marggraffs geheimzinnige reputatie tijdens zijn leven is het
misschien niet verwonderlijk dat er na zijn dood verschillende ge-
ruchten de ronde deden over de wijze waarop hij was gestorven. Maar
deze keer kwamen de verhalen niet alleen van babbelzieke
Vughtenaren. ‘Onze broer is vermoord,’ riepen de nog levende
zusters Marggraff.
In de maanden na de brand kwamen er omstandigheden boven tafel die
zijn plotselinge dood verdacht maakten en die de toe- dracht van de
ramp met nieuwe feiten een andere wending gaven. Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Omwonenden wisten er opeens meer van.
Marggraffs tuinman en
duvelstoejager kwam met boude beweringen. Men was niet verge- ten
dat de grootgrondbezitter in de jaren negentig een keer in zijn
eigen woning was gemolesteerd. Die gebeurtenis was nooit opge-
helderd. Ook wisten de zusters te melden dat Ewald in het jaar voor
zijn dood door onbekenden was bedreigd: ‘Hij kreeg een jaar geleden
een dreigbrief. Een man wilde 50.000 gulden van hem. Als Ewald niet
zou betalen, zou zijn huis in de fik worden gestoken. Die man heeft
het gedaan. Er zijn ook andere mensen die ons verteld hebben dat ze
dit zeker weten. Maar de politie doet er niets mee. Onze broer werd
een paar jaar geleden ook al aange- vallen in zijn huis. Hij werd
vreselijk toegetakeld door de daders. Ook toen wilde de politie
niet luisteren.’ Het bedoelde incident vond plaats in de nacht van
27 op 28 april 1994. Het gebeurde een maand nadat Marggraff een
reeks open- hartige interviews had gegeven aan een journalist van
het Brabants Dagblad. Een onbekend aantal personen drong rond half
een ’s nachts het huis binnen en bond de baron aan handen en voeten
vast. De volgende ochtend om half tien werd hij door een werk-
nemer bewusteloos aangetroffen. Marggraff werd vervolgens met
ernstige hoofdwonden overgebracht naar het ziekenhuis. Volgens de
politie zou het gaan om een roofoverval, hoewel er tot op de dag
van vandaag niet bekend is wat er is meegenomen – als er al iets is
meegenomen. Het huis zou van onder tot boven doorzocht zijn, maar
er zouden slechts wat sieraden zijn ontvreemd. Ondanks het feit dat
de overvallers ‘de complete woning’ overhoop haalden, zagen ze de
onbetaalbare kunstwerken die door het huis verspreid lagen over het
hoofd. Aangezien het slachtoffer urenlang (ruim negen uur volgens
de krant) gekneveld en bewusteloos op de vloer had gelegen, hadden
de daders alle kans gehad om de veronder- stelde Rembrandts weg te
slepen. Hier werd echter nooit melding van gemaakt. Ook werden er
geen sporen gevonden van inbraak, hetgeen tot de veronderstelling
leidde dat Marggraff de daders zelf had binnengelaten. Ewald
ontkende dit met klem. Volgens de buur- vrouw beweerde Marggraff
dat hij in zijn salon in een stoel zat en Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
plotseling een klap op zijn hoofd kreeg.
Hij zou van de hele overval
niets hebben meegemaakt.
Kende Marggraff de daders? De baron stond erom bekend zelfs buren
en kennissen niet binnen te laten. Zou hij de deuren dan hebben
geopend voor een stel vreemden? Midden in de nacht? De indruk
ontstond dat het wel degelijk bekenden betrof en dat Zions- burg
met een specifieke reden was doorzocht, alsof de daders er- gens
naar op zoek waren. Maar wat?
Door deze overval uit 1994 kwam de brand in een ander licht te
staan. Allereerst waren er de omstandigheden rond de ramp zelf. Er
kwam zware kritiek op de besluiten van de brandweer, die had
geweigerd het pand te betreden. Nog afgezien van de oorzaken van de
brand beweerden de gezusters Marggraff dat zijn dood in de vlammen
niet nodig was geweest. ‘De brandweer heeft niet alles gedaan om
het te voorkomen,’ beweerden ze. ‘De klusjesman was er op tijd bij,
hij had de sleutel van de voordeur. Maar van de brandweer mocht hij
die niet openmaken. Ewald lag net achter de voordeur, hij had gered
kunnen worden.’
De brandweer pareerde de aanval met de bewering dat de brand al te
veel om zich heen had gegrepen om een reddingspoging te
verantwoorden. Een woordvoerder zei: ‘Gelet op de felheid van de
brand was overleven in dit pand niet meer mogelijk. Bovendien was
rond half negen niet duidelijk of er iemand in het pand aan- wezig
was. Omstanders gaven aan dat de heer Marggraff mogelijk in Monaco
zou verblijven.’ Gezien het feit dat Marggraff al jaren niet meer
in Monaco kwam, is dit niet waarschijnlijk. En wat de felheid van
de brand betreft, getuigen verklaren dat de brand zich
hoofdzakelijk op de eerste verdieping afspeelde. De bovenverdieping
stond in brand maar de begane grond niet. Op foto’s die tijdens het
blussen ge- nomen zijn is inderdaad te zien hoe de brand zich op de
eerste etage bevindt; de ramen op de begane grond zijn donker en
intact. Toch werd het lichaam van Marggraff op luttele meters van
de voordeur gevonden. Als hij beneden was geweest tijdens de brand,
waarom had hij dan de deur niet bereikt?
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Was Marggraff al dood voordat de brand
uitbrak? Of was hij
bedwelmd en voor dood achtergelaten?
De hoog oplaaiende emoties leidden enkele weken later op dins- dag
23 december tot een bijeenkomst in de Vughtse brandweerka- zerne.
Daar gaf de brandweer toe klusjesman Emile van Uden de toegang te
hebben ontzegd. Het gevaar voor een eventuele ‘flash- over’ maakte
het onverantwoord om het pand binnen te gaan. Hoewel
brandweercommandant Van der Vossen de toedracht van minuut tot
minuut opsomde wist hij de argwaan van het pu- bliek niet weg te
nemen.
Die argwaan was nog groter waar het de mogelijkheid van een
misdrijf betrof. De politie sloot dit aanvankelijk uit. Bij
onderzoek van de technische recherche werden er geen vluchtige
stoffen aan- getroffen die op brandstichting wezen. De
patholoog-anatoom voegde daaraan toe dat er op het lichaam van
Marggraff geen uitwendig letsel was geconstateerd: wel inwendig
letsel veroor- zaakt door koolmonoxide. Het slachtoffer was dus
door rookver- stikking om het leven gekomen.
Een getuige wist te vermelden dat Marggraff de laatste jaren vaak
in een stoel op de benedenverdieping sliep. Een buurtbewoner wist
zeker dat de brand daar ook begonnen was, en wel in de keuken.
Lijnrecht tegenover deze verklaringen staan de beweringen van
nabestaanden. Marggraff zou in de jaren tot aan zijn dood meer-
dere malen zijn bedreigd.
Twee jaar na de brand kwam ene B.R.4, een ‘persoonlijke vriend’ van
Ewald, met opzienbarende getuigenissen. B.R., die aan zijn
voormalige werkgever een uitgebreide website heeft gewijd, ver-
klaarde uit angst voor represailles gezwegen te hebben, maar nu was
hij bereid het een en ander uit de doeken te doen. Zijn woor- den
brachten de zaak opnieuw aan het rollen. B.R. kwam naar eigen
zeggen in 1989 als tuinman in dienst van het landgoed en
ontwikkelde zich in de daaropvolgende jaren tot een trouwe
huisvriend. ‘Ik weet al geruime tijd dat er meer is voor- afgegaan
aan de brand,’ vertelde hij op 23 november 2005 aan het Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Brabants Dagblad. De grootgrondbezitter
zou zijn afgeperst. De
tuinman zelf zou door onbekende lieden zijn klemgereden en be-
dreigd. Bovendien zou hij door onverlaten benaderd zijn om hem bij
een overval te betrekken. Gesteund door deze beweringen eisten de
erven van Marggraff dat het onderzoek zou worden heropend. De
Brabantse politie voelde daar niets voor, dus zocht B.R. het
hogerop. De minister moest er aan te pas komen en op 15 maart van
het daaropvolgende jaar kon het Brabants Dagblad melden dat er
inderdaad nieuw onderzoek op poten stond. Dit was gebeurd op
voorspraak van commissaris van de koningin Hanja Maij-Weg- gen, die
door B.R. persoonlijk was aangeschreven. Het verhaal dat de brand
door een defecte kachel was ontstaan verdween voor- lopig in de
kast. Tot nu toe heeft dit tweede onderzoek, voor zover bekend,
geen nieuwe feiten opgeleverd.
Marggraff zelf ligt sinds 5 maart 2004 begraven op eigen grond. Een
kronkelend bospad, ontoegankelijk voor het publiek, voert naar een
stille plek in het park. Daar, binnen een ring van taxusbo- men,
staat een ruw bewerkte betonnen zuil zonder naam of epitaaf. Het
was de plaats waar de Marggraffs hun honden begroeven. Sinds 2004
ligt de grootgrondbezitter er zelf. Zijn begrafenis schiep een
precedent: inwoners van Vught en Cromvoirt met een flinke lap grond
kunnen zich voortaan in de eigen achtertuin laten begra- ven.
Het tekstloze graf verraadt niets over het leven van de Vughtse
baron. Had hij zijn geheimen hierin meegenomen? Schatten uit een
ver verleden
Het is zeer wel mogelijk dat B.R. het een en ander verzint (al wekt
hij niet die indruk). We hebben als schrijvers niet de pretentie
een moord op te lossen. Het is niet zozeer de persoon Marggraff die
ons onderzoek zal tekenen, als wel het landgoed dat hij bewoonde.
Een paar aspecten van de zaak zijn echter zo geheimzinnig dat het
ons tot onderzoek aanspoorde. Het mysterie Marggraff eindigt niet
bij Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press
Zeist
24/09/2007 Pg.
zijn geheimzinnige dood. Er is meer te
vertellen over de baron en
zijn landgoed. Zo waren de Marggraffs lid van de geheimzinnige
Zwanenbroeders in Den Bosch, een middeleeuwse organisatie waarvan
allerlei hoogwaardigheidsbekleders (niet in de laatste plaats het
koningshuis) nog steeds contribuant zijn. Na de oorlog werden zij
plotseling van de ledenlijst geschrapt. Daarnaast kwamen we
erachter dat de geruchten rond Zions- burg niet met de familie
Marggraff begonnen waren. Het landgoed is al veel langer een plek
van raadsels en geheimen. Vele eeuwen lang deden er verhalen de
ronde over grote schatten, vreemde gods- dienstige rituelen en
onderaardse gangen. Waar kwamen die ver- halen vandaan?
Zionsburg, zo bleek, was in de Middeleeuwen een comman- deurshuis
van de Duitse Orde: na de tempeliers en de hospitaal- ridders de
derde grote ridderorde uit de tijd van de kruistochten. Net als bij
de tempelridders zijn er over de Duitse ridders talloze legenden in
omloop: over verborgen kruisvaardersschatten, Ger- maanse
heiligdommen en de Heilige Graal zelf. We kwamen erach- ter dat de
meest succesvolle van de drie orden evenveel (zoniet meer)
aanspraak maakt op het bezit van deze legendarische voor- werpen.
De naam Zionsburg zou verwijzen naar de berg in Jeruza- lem, waar
de Duitse kruisridders enige tijd hebben doorgebracht. Daarnaast
bleek het voormalige commandeurshuis meer gehei- men te herbergen
dan we hadden kunnen vermoeden. Zionsburg speelde in de
geschiedenis een grote rol van betekenis: steeds weer verschijnt
het in de kijker van uiteenlopende historische figuren. Koningen en
schatzoekers blijken door de eeuwen heen buitenge- woon
geı¨nteresseerd in het landhuis. Het komt nadrukkelijk voor in
geheime rapporten van de Gestapo. De geruchten dat het tijdens de
bezetting een hoofdkwartier van de SS was blijven hardnekkig. Ook
de aanwezigheid van de Bossche Zwanenbroeders en die van
invloedrijke adellijke families in de streek bleek geen toeval.
Vught lijkt een gewoon slaperig Brabants dorp, maar er is iets niet
in de haak. Waarom bijvoorbeeld, zijn er twee parochieker- ken? Kan
dit te maken hebben met de aanwezigheid van de ge- heimzinnige
ridderorde die als eerste het landgoed Zionsburg be- Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
woonde? Wat had deze in Vught te zoeken?
Waarom waren de
ridders tegelijkertijd pastoors van de nabije Lambertuskerk, die
door een ondergrondse gang met Zionsburg verbonden was? En waarom
bleven ze bestaan toen de Duitse Orde in Europa al geen rol van
betekenis meer speelde? Werd er in Zionsburg oorlogsbuit of een
ander geheim bewaard? We zullen in het verloop van dit verhaal veel
over het Geheim van Zionsburg speculeren. Naarmate er meer feiten
en incongruenties boven tafel kwamen, gingen we onszelf prikkelende
vragen stellen: kon er een verband zijn tussen deze zaken uit een
roemrucht verleden en de meer re- cente ontwikkelingen? Johan
Marggraff liet het eerste Zionsburg in 1880 slopen. Hij gaf echter
de nadrukkelijke opdracht dat be- paalde delen van het oude huis
moesten blijven staan en liet in de koopakte opnemen dat alle op
het terrein gevonden schatten zijn eigendom werden. Waarom deed hij
dat? Was het om dezelfde reden dat Ewald in zijn testament wilde
zetten dat er tot 99 jaar na zijn dood niets aan Zionsburg mocht
veranderen? Wat was er in de kelder verstopt? En wat stond er in de
archieven die na de brand heimelijk uit het huis zijn
weggehaald?
Om deze vragen te beantwoorden moesten we terug in het ver- leden,
niet alleen in dat van Vught, maar ook in dat van de Duitse
ridderorde. Met Zionsburg als leidraad begonnen we aan een ont-
hullende zoektocht in de geschiedenis. Om te ontdekken wie de
Teutonen waren en hoe zij zich konden ontwikkelen tot een vrees-
wekkende kruisvaardersgrootmacht gingen we ons bezighouden met de
oude Germanen. Het beeld dat langzaam uit deze zoektocht naar voren
kwam was niet zelden verbluffend. In die apocalyptische brand van
december 2003 ging wellicht veel meer verloren dan kroonluchters,
Chinese vazen en kostbare Rembrandts. Marggraff zat misschien wel
op een van de grootste geheimen uit de geschiedenis.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg
gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk In de Germaanse wouden
Germanen betreden de geschiedschrijving
Het lijkt misschien overdreven om voor het oplossen van een een-
entwintigste-eeuws mysterie tweeduizend jaar terug te gaan in de
tijd. De Germanen ontpopten zich echter als een steeds terugke-
rende factor in onze zoektocht, en om tot een goed begrip van de
latere Duitse Orde te komen is het noodzakelijk wat meer over hen
te weten.
Voor de oorsprong van deze Noord-Europese stammen kunnen we
oneindig ver teruggaan in de geschiedenis, naar de Keltische en
Indo-europese volkeren uit de Oudheid, maar een handig begin- punt
vormen de annalen van Romeinse geschiedschrijvers als Ta- citus,
Lucanus en zelfs Julius Caesar. Het is een ongelukkig maar
onvermijdelijk gegeven dat de geschiedenis van beschavingen ten
tijde van de antieke Oudheid werd geschreven door de overwin-
naars, dus door degenen die hen door hun culturele en militaire
overwicht de baas waren. Rond het begin van de jaartelling waren
dat onbetwistbaar de Romeinen. Het Romeinse rijk strekte zich uit
van de Europese westkust tot aan de Aziatische steppen, en in het
zuiden tot aan de Sahara. De Romeinen hadden in hun verove-
ringsdrift vrijwel alle Europese volken aan zich weten te onderwer-
pen. Over de Kelten weten we het een en ander omdat de Romeinse
veldheer Julius Caesar een verslag schreef over zijn militaire cam-
pagnes tegen dit volk. Dat deze verslagen vrijwel altijd uitpakken
in het voordeel van de Romeinen hoeft ons niet te verbazen. Daar-
bij komt nog dat de Germanen tot aan de derde eeuw na Christus
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
een mondelinge overlevering kenden, en
geen schrift. Wanneer we
iets te weten willen komen over de vroegste geschiedenis van de
Kelten en de Germanen, zitten we dus opgescheept met de eenzij-
dige verklaringen van geletterde beschavingen, zoals die van de
Grieken en de Romeinen.
Toch kunnen wij, dankzij recente opgravingen en onderzoeken, wel
het een en ander over de Germanen aan de weet komen. En wat we
zeker weten is dat het juist Germanen waren die over het Ro- meinse
rijk het laatste woord hadden. Het waren de Westgoten, een Germaans
volk, die in het jaar 410 Rome veroverden en daarmee een einde
maakten aan de Romeinse beschaving. En het zijn de- zelfde
Germaanse stammen die Europa gevormd hebben tot wat het vandaag is.
Hun invloed op de Europese beschavingsgeschiede- nis kan nauwelijks
worden onderschat.
Aan die verovering ging wel het nodige vooraf. Waar het woord
Germanen vandaan komt is niet bekend. Als een Germaanse reiziger
door een passant als ‘Germaan’ was aange- sproken had hij
waarschijnlijk fronsend achteromgekeken. Ger- manen noemden
zichzelf niet zo, maar het is waarschijnlijk dat de Keltische
volkeren die naam hebben bedacht (en niet, zoals wel gedacht wordt,
de Romeinen). Geopperd is dat de naam Germani zoveel betekent als
‘vreemde buren’. De Gallische (Franse) Kelten noemden de Germanen
ook wel naar de stam waarmee ze het meest in contact stonden: de
Alemannen, waarin we nu nog het woord Allemagne herkennen. Tijdens
de Gallische Oorlogen nam Caesar de naam Germani over en voor het
gemak duidde hij daar- mee alle volken ten oosten van de Rijn aan,
ze daarmee onderschei- dend van de Kelten. Aldus werd een
bevolkingsgroep samengepakt waarover men eigenlijk heel weinig
wist; misschien was het ook maar beter er niet te veel over te
weten. Hoewel de pakweg twee miljoen Germanen veel overeenkom- sten
vertoonden in gebruiken en levensstijl, zagen zij zich evenmin als
Germanen als Peruanen, Brazilianen en Argentijnen zich van- daag de
dag Zuid-Amerikanen zouden noemen. We kunnen wel stellen dat ze
door zowel de Kelten als de Romeinen gevoeglijk Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
over e´e´n kam werden geschoren. Maar er
was niet zoiets als een
collectieve volkswil, nog niet. Vermoedelijk waren de Germanen
voornamelijk barbaarse, vervaarlijke lieden, en waren de meeste
mensen blij dat zij zich achter het ondoordringbare Europese woud
verstopten.
Romeinen en Germanen
Het was vooral Julius Caesar die de Germanen een stem gaf door in
zijn De Bello Gallico over hen te schrijven. Daarin vertelt hij
over zijn roemruchte campagnes tegen de Kelten tussen 58 en 51 voor
Christus. Zijn kroniek was feitelijk niet meer dan een propagan-
dastunt voor hemzelf en verbloemde op slinkse wijze het opportu-
nisme van de onderneming. Na Caesar is het hek van de dam. Allerlei
historici wagen zich aan een beschrijving van deze schrik-
aanjagende noorderburen die zelfs Caesar niet had kunnen be-
dwingen, en kort daarop doen alle mogelijke geruchten de ronde. Een
bekend citaat van de onvermijdelijke leunstoelantropoloog Tacitus –
die feitelijk alles van horen zeggen had – is als volgt: ‘Wat de
Germanen zelf betreft, ik denk dat het aannemelijk is dat zij een
inheems volk zijn en dat er zeer weinig buitenlands bloed is
geı¨ntroduceerd door invasies of door vriendelijke betrekkingen met
naburige volken. (...) Wie zou er, nog afgezien van de gevaren van
die vreselijke en onbekende zee, Azie¨, Afrika of zelfs Italie¨
willen verlaten om naar Germanie¨ te trekken met dat onherberg-
zame landschap en zijn woeste klimaat? Voor iedereen die er niet is
geboren, is dat onvruchtbare oord een treurig land om in te wonen
en zelfs om te zien.’ Maar Tacitus, Lucanus en anderen kunnen niet
maskeren dat ze over de noordelijke volkeren eigenlijk heel weinig
weten. Sterker nog, lange tijd vermoeden Grieken en Romeinen dat de
ondoor- dringbare noordelijke wouden bevolkt worden door wezens met
paardenhoeven en reusachtige oren. Zij hebben geen superlatieven
genoeg om de barbaarsheid van de noorderlingen te benadrukken.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Halve wilden die in de lange winternachten
niets beters te doen
hebben dan zich ongecontroleerd voort te planten. Dollemannen met
weinig of geen impulsbeheersing die met de billen bloot door de
velden rennen en die je liever niet in het donker tegen het lijf
loopt. Recentelijk is dit beeld bijgesteld in het voordeel van de
Germanen, die er al heel vroeg een nauwkeurige kalender en een
uitgebreid wetboek op nahielden.
Maar het beeld dat beklijft is dat van angstaanjagende barbaarse
troepen die moordend en plunderend de grenzen van het Rijk bin-
nenstormen, of die in het beste geval de duistere wouden in het
noorden bevolken.
De beruchte Varusslag in het jaar 9 na Christus geldt als voor-
beeld van de ondoordringbaarheid van het Germaanse woud. De
Romeinse keizer Augustus zag in de Germanen een belediging voor de
Romeinse overheersing en probeerde Germanie¨ wel degelijk bij het
Romeinse rijk te annexeren. Hij stoorde zich aan het feit dat de
noordelijke grens van het rijk niet een zee was, zoals in het
westen, en stuurde zijn veldheer Quintilius Varus naar het
noordelijke woud om af te rekenen met het Germaanse stamhoofd
Arminius en zijn Cherusken. Varus onderschatte de Germanen danig.
Armi- nius, die in het Romeinse legioen gediend had, wist Varus in
een hinderlaag te lokken. Toen de keizer daarop het afgehakte hoofd
van Varus kreeg opgestuurd, gooide hij het in een vlaag van woede
door de kamer en riep: Quinctili Vare, legiones redde!
(‘Quinctilius Vares, geef mij mijn legioenen terug!’). Nog jaren
daarna trof de Romeinse aanvoerder Germanicus in het
Teutoburgerwoud6 de gruwelijke sporen aan van de vernietigende
slag: verbleekte ge- raamten, doorkliefde schedels en de rottende
lichamen van gesneu- velde soldaten die in de bomen waren
opgehangen. Na die slag waren de opeenvolgende keizers opeens van
mening dat Germanie¨ de moeite niet waard was en dat het land ten
noorden van de Rijn niets te bieden had wat voor de Romeinen
interessant was. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre
Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Het begin van de Grote Volksverhuizing
Aan het begin van onze jaartelling landden de Goten uit Skanza
(Scandinavie¨) op de kust van Polen, waarna ze gestaag naar het
zuiden trokken. Net als hun voorgangers kregen ze daar met an- dere
volkeren te maken,7 en het was niet zonder slag of stoot dat de
Goten zich op het Europese vasteland wisten te vestigen. Maar het
waren uiteindelijk weer de Romeinen met wie de grootste conflic-
ten werden uitgevochten.
Ondanks de vele pogingen van de Romeinen om de Germaanse stammen te
beteugelen, in te dammen en tegen elkaar uit te spelen kwamen de
Germanen uiteindelijk toch naar het zuiden. Het voor- naamste
motief hiertoe was het zoeken naar nieuwe landbouw- gronden, niet
de val van het Romeinse imperium. Ze staken de Rijn en de Donau
over, doorbraken de Romeinse verdedigingsli- nies en stroomden in
groten getale het rijk binnen. Goten en Van- dalen in het oosten,
de Franken en Saksen in het westen en daar tussenin de Alemannen,
de Burgunden en de Langobarden. Het was de tijd van grote Germaanse
allianties en stamverbonden, en die luidden de ondergang van het
Romeinse rijk in. Dit klinkt spectaculair, alsof van de ene op de
andere dag hele horden Ger- maanse krijgers aan de horizon
opdoemden, maar in werkelijkheid vond deze volksverhuizing veel
geleidelijker plaats. Het kostte de Goten zo’n tweehonderd jaar om
– etappegewijs – de afstand af te leggen. Ze trokken per keer zo’n
dertig, veertig kilometer naar het zuiden, vestigden zich ergens,
en trokken verder wanneer de gron- den waren uitgeput of wanneer de
bevolkingsconcentratie te groot werd. De hele tocht duurde
generaties. In 175 na Christus zakten ze verder af naar het zuiden.
Net als de Kimbren tweehonderd jaar eerder gingen ze eerst naar het
zuidoosten, waar ze in 257 de Zwarte Zee bereikten. Ze vestigden
zich in de huidige Oekraı¨ne en bleven van daaruit de Romeinen
bestoken. In tegenstelling tot de opgejaagde Kimbren vonden ze hier
een thuis. Ze wisten zich er eeuwenlang te handhaven, en halverwege
de achttiende eeuw werd hier nog Gotisch gesproken. Zij waren de
eersten die (door tussen- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm
(L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
komst van bisschop Wulfila) met het
christendom in aanraking
kwamen. Over Wulfila zullen we het later nog hebben. Zoals gezegd
was het expanderende front tegen de Romeinen op zich geen motief om
de barre tocht naar het zuiden te ondernemen. De Germanen werden in
het noorden van Europa grotendeels met rust gelaten, dus een
massale Germaanse campagne tegen een ver verwijderd Rome lijkt
uiterst onwaarschijnlijk. Ze maken eerder de indruk van een in het
nauw gedreven kat, die briesend en klau- wend uithaalt naar zijn
belagers. Als de Germanen Rome bestor- men, is dat omdat ze als
zigeuners door het hele continent gejaagd zijn en geen andere keus
meer hebben dan zich op de uitstralings- haard van alle vervolging
te storten. Maar ook in deze opinie, die in veel opzichten zeker
steekhoudend is, kunnen we te ver door- schieten. Het is modieus
geworden om de Germanen van hun strijdlust te beroven, hun martiale
vlechten te kortwieken en hen als vredelievende nomaden af te
schilderen die bijna per ongeluk over de Romeinse puinhopen
struikelen. De plunderende Westgo- tische horde onder leiding van
de beruchte Alarik wordt naar mo- derne maatstaven een kudde
inschikkelijke christenen die verbaasd met de ogen knipperend door
de straten van een reeds verloren beschaving slenteren.
Zeker waren de Germanen agrarie¨rs die een betere toekomst
probeerden te bereiden voor hun geslacht, maar zij waren ook
krijgers en veroveraars. Een effectief oorlogsapparaat zoals de Ro-
meinen dat door de eeuwen heen hadden opgezet wordt niet zo- maar
onder de voet gelopen. Het gaat misschien te ver om de Ger- manen
in hun expansiewoede van een vooropgezet plan te voor- zien – een
agenda zullen ze er misschien niet op na hebben gehou- den. Maar
dat wil niet zeggen dat de Germanen bij het aanbreken van de vierde
eeuw totaal gespeend waren van eendracht en doel- gerichtheid. Wat
we zien is dat zich tijdens die omzwervingen nieu- we sociale
klassen gaan vormen. De gewelddadige verovering van een vreemd en
vijandelijk gebied dat bovendien een hoog bescha- vingsniveau
bezit, gaat niet zonder slag of stoot. Een geslaagde invasie vergt,
dat wisten ook de Romeinen heel goed, organisatie en tactisch
inzicht. Dat wil zeggen dat de Germanen lang niet zo Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
verdeeld en onbesuisd waren als vaak wordt
gedacht. Van een
Germaanse eenheid is bij de aanvang van de volksverhuizing wel-
licht geen sprake geweest, maar de lange reis naar het zuiden en de
vele aanvaringen met vreemde volkeren hebben van de Germanen een
ondernemend en zelfbewust volk gemaakt. De avonturen van de
Goten
Wat de zich groeperende Germanen ook goed uitkwam was het feit dat
Rome door interne strubbelingen verdeeld werd. Waren het eerst de
Germaanse stammen geweest die door inwendige verdeeld- heid geen
vuist konden maken tegen de Romeinse bezetter, nu waren het de
Romeinen zelf die gebukt gingen onder burgeroor- logen en
machtspolitieke ontwikkelingen. Onder bewind van on- der andere de
wijze koning Athanarik begonnen de eens verspreide noordelijke
stammen de underdogpositie van zich af te schudden. Een soevereine
houding ten opzichte van Rome was niet langer ondenkbaar.
Zo rond het jaar 270 is er sprake van een opsplitsing van de
Gotische immigranten. Voor het gemak wordt er een onderscheid
gemaakt tussen de Oostgoten (of Ostrogoten) in de Oekraı¨ne en de
Westgoten (of Visigoten) dichter bij huis in het Donaugebied. De
oorspronkelijke benaming had niets met hun woongebied te ma- ken,
maar omdat de Westgoten in de loop der tijd naar het westen trokken
en zich in de zesde eeuw in Spanje en Frankrijk vestigden, wordt
deze naam gehandhaafd.
Aanvankelijk verging het beide volkeren dus goed, ondanks de
onevenwichtige verhouding met de Romeinen. Er werd lustig han- del
gedreven en de Oostgoten lieten zich gaandeweg kerstenen. Vanaf de
derde eeuw werden sommige Germanen zelfs in het Ro- meinse rijk
opgenomen op voorwaarde dat zij de grenzen verde- digden tegen
andere barbaarse stammen. Er zijn voorbeelden te over van Goten en
Franken die hoge posities bekleden binnen de staat. Het
indrukwekkende beschavingsniveau van met name de Goten in het
oosten van Europa is te danken aan hun nauwe be- Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
trekkingen met de Romeinen, en aan de
vruchtbare gronden die zij
deelden met geciviliseerde buren als de Scythen, de Bastarnen en
zelfs de Grieken. Het kan niet anders of het cultuurrijke gebied
dat al eeuwen bezocht werd door kooplieden, reizigers en denkers
van uiteenlopende beschavingen heeft zjin vruchten afgeworpen. De
Oostgermanen toonden zich leergierig en namen gretig nieuwe
vondsten en technieken over. Het Gotische schrift werd voor het
eerst hier in gebruik gesteld. Stamhoofden werden koningen, hut-
ten werden paleizen: de zogenaamde Gotenburchten die in de rot- sen
werden uitgehakt. Het is in het zuiden van Rusland en daar- omtrent
dat de Germanen ophouden natuurvolken te zijn. Maar de rust was van
korte duur. Net toen er in 369 een wankele vrede werd bereikt
tussen de Westgoten en de Romeinen dook er een nieuwe vijand op in
het oosten die roet in het eten gooide: de Hunnen.
De Hunnen, de ‘gesel van de Goten’ waren een Oost-Aziatisch
ruitervolk. Hoewel we hebben gezien dat de Noord-Europese vol-
keren zich al vo´o´r het begin van de jaartelling door het
continent gaan begeven, zijn het toch de Hunnen die
verantwoordelijk wor- den gesteld voor de Grote Volksverhuizing
tussen de vierde en de zevende eeuw na Christus.
In het kort komt het erop neer dat de Hunnen, aan Turken ver- wante
nomaden die de steppen in Midden- en Oost-Azie¨ bevolk- ten, Europa
binnenvielen en daar de aanwezige Germaanse volks- stammen
opjaagden. Maar wat minder bekend is, is dat de Hunnen op hun beurt
werden verdreven door andere Aziatische volken die zich in de
vierde eeuw in westelijke richting begaven. De bewoners van de
Euraziatische laagvlakten waren bij de Grote Muur door de Chinezen
verslagen en ze hadden geen andere keus dan zich al vechtend een
weg naar Europa te banen. Er ontstond simpel gezegd een
domino-effect waarbij het ene volk door het andere werd ver- jaagd
en er een soort stoelendans ontstond tussen Kelten, Germa- nen,
Slaven en anderen.
De eersten die de Hunnen tegenkwamen, waren natuurlijk de
Oostgoten. De ontmoeting verliep desastreus: het rijk van de Goten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
werd op een afschuwelijke manier onder de
voet gelopen. Koning
Ermanarik (die onder de naam Jo¨rmunrek zou voortleven in de Edda8)
werd volgens sommige lezingen vermoord, volgens andere pleegde hij
zelfmoord.9 Slechts een handjevol Goten overleefde de apocalyps;
zij trokken zich terug in een kleine kolonie in het zuiden van de
Krim, waar zij tot in de achttiende eeuw standhielden. De Westgoten
hadden geen keus dan zich westwaarts op Romeins ge- bied te
begeven. Daar werden ze echter door de Romeinen tegen-
gehouden.
Toch leek de val van het Romeinse rijk onvermijdelijk. Roemruchte
tijdgenoten, waaronder de Gotische koning Alarik, zouden het on-
vermijdelijke bespoedigen. Keizer Theodosius geldt als degene die
een laatste krampachtige poging deed om Rome in zijn oude groot-
heid te herstellen. Bij zijn dood in 395 verdeelde hij het rijk
onder zijn twee (incompetente) zonen, wat erop neerkwam dat het
eens machtige Romeinse imperium in twee stukken werd geslagen: het
Oost-Romeinse en het West-Romeinse rijk. Aangezien Theodosius er
niet in slaagde een mondige en capabele nakomeling op de troon te
zetten (zijn zoon Arcadius was zo goed als achterlijk) werd de
macht in Rome min of meer overgedragen aan Flavius Stilico, de
hoogste legeraanvoerder. Een wrang en saillant feit was dat
Stilico, die dus de taak kreeg Rome tegen de Germanen te
beschermen, een geromaniseerde Vandaal en du´s een Germaan was. Het
was Stilico die het opnam tegen de grote Westgotische koning
Alarik: twee Germanen dus, met een vreemde fascinatie voor elkaar,
die elkaar op Romeins grondgebied bevochten. De een vocht voor de
Goten, de ander voor Rome.
Alarik kwam uit een Westgotisch koningsgeslacht. Hij was be- slist
geen barbaars stamhoofd van de oude stempel, maar een ver- licht
aanvoerder die het christendom had omhelsd. Zijn geslacht stond in
zo’n hoog aanzien dat hij al bij zijn aantreden kon rekenen op de
steun van alle onderhorige Gotische stammen. Alarik was er al in
geslaagd om – vrijwel zonder enige moeite – het kansloze
Griekenland aan zich te onderwerpen, toen hij verder naar het
westen trok, nog altijd op zoek naar een eigen koninkrijk. Alarik
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
liet Oost-Europa voor wat het was (een
enclave van schijnbaar
onhandelbare en onverslaanbare Hunnen) en zocht de strijd met Rome.
Hij had een belangrijke les geleerd: vreedzame agrarische volkeren
worden onder de voet gelopen, het waren de vooruitstre- vende,
oorlogvoerende plunderaars die kregen wat ze wilden. Zijn volk, de
Germanen, kon zich in het Europa van de vijfde eeuw niet langer in
de wouden verschuilen. Vroeg of laat zou er een volk komen – de
Sarmaten, de Franken, de Hunnen – dat hen uit hun woongebied zou
verdrijven. Als de Germanen geen opgejaagde nomaden en paria’s
wilden blijven moesten zij zich de eigenschap- pen van
oorlogszuchtige veroveraars eigen maken: daadkracht, ambitie,
intrige, opportunisme en Realpolitik. De oude goden vol- deden niet
meer. Oude gebruiken en gewoonten moesten worden afgelegd. Als het
christendom de nieuwe machtsfactor zou worden, dan werden de Goten
christenen. De Goten moesten volwassen en alert worden, wilden zij
een rol van betekenis gaan spelen. Alarik begreep dat hij in een
cruciale tijd leefde. Het Romeinse rijk was aan het verbrokkelen:
maar wie zouden de brokken onder elkaar verdelen? Het ging om de
erfopvolging van Europa, en niet minder. De Germanen mochten onder
geen beding de geslagen hond zijn. Zijn volk moest zich, door een
overwogen mengeling van geweld en diplomatie, een stuk van de
aangesneden Europese taart toe- eigenen. Zij die vragen, worden
overgeslagen. Dit had een verwarrende tijd tot gevolg: een
schoorvoetende oorlog vertroebeld door wisselende verbonden en
loyaliteitscon- flicten. Jarenlang speelden Alarik en Stilico een
soort kat-en-muis- spel; toen, in 410, moest Rome er eindelijk aan
geloven. Stilico werd door verwikkelingen binnen Rome vermoord en
de stad was rijp voor de val. De Goten trokken Italie¨ binnen.
Alarik belegerde de verdeelde stad twee jaar voor hij definitief
toesloeg. In een zet waar Hermann von Salza later trots op zou
zijn, wees hij een Romeinse tegenkeizer aan die aanhang onder het
volk verwierf alvorens de poort voor hem te openen. Na nog wat
politiek ge- konkel werd de daad voltrokken die al tientallen jaren
in het ver- schiet had gelegen: Rome werd veroverd door de
Westgoten. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press
Zeist
24/09/2007 Pg.
Christenen of niet, de veroveraars
gedroegen zich als echte plunde-
raars en de Eeuwige Stad werd drie dagen lang geteisterd door
verkrachtingen, vernielingen en andere misdaden. Maar na die drie
dagen verliet Alarik de stad en trok verder Italie¨ in. Slechts een
paar weken later stierf hij, aan een ziekte of vergiftigd door een
vrouw. Om zijn graf tegen ontheiliging te beschermen verleg- den
zijn kameraden tijdelijk het riviertje de Busento, begroeven hem in
de bedding en lieten het graf vervolgens overstromen. De slaven die
zijn grafkuil gegraven hadden, werden verdronken. Het lichaam van
de grote koning der Germanen is nooit gevonden. De erfopvolgers van
Europa
Wat gebeurde er vervolgens? Hoe werd Europa verdeeld? Het Romeinse
rijk, met name het West-Romeinse deel, mod- derde nog een aantal
jaren voort. De laatste West-Romeinse keizer, die in 476 de troon
besteeg, was zelfs de moeite van het vermoor- den niet meer waard.
Het Oost-Romeinse rijk, met Constantinopel als nieuwe hoofdstad,
had minder te kampen met invallende Ger- manen en bleef tot 1453 in
gewijzigde vorm bestaan. Maar in wezen was Rome de overleden oom om
wiens erfenis nog lange tijd fel gestreden werd. In een poging een
uiterst ondoorzichtig tijdsgewricht samen te vatten kunnen we
stellen dat het verloop van de vijfde eeuw uitmondde in een
getouwtrek tussen de over- gebleven Romeinen, de nog altijd
ontzagwekkende Hunnen en vooral de verschillende Germaanse volkeren
als de Franken, Bur- gunden, Sueven, Vandalen en Goten. In het
noordoosten speelden heidense Germaanse stammen als de Langobarden
en de Bajuwa- ren nog een rol.
De Vandalen, de Germanen die het westen van Polen bewoon- den,
waren al in 406 in gezelschap van de Sueven de Rijn over- gestoken.
Na een kort verblijf in Gallie¨ stootten ze door naar Spanje en
vervolgens naar het noorden van Afrika. De Sueven bleven in het
Spaanse achter en verbleven rond het jaar 526 onge- veer in het
huidige Portugal. De Vandalen, onder leiding van ko- Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
ning Geiserik, veroverden het
legendarische Carthago in Tunesie¨
en stichtten in Noord-Afrika hun eigen rijk. Van daaruit speelden
ze het klaar om het westelijke Middellandse-Zeegebied onder hun
bewind te brengen en in het jaar 455 nog eens de stad Rome te
plunderen. Dat de Vandalen sindsdien hun naam hebben gegeven aan
iedereen die een zinloze vernieling begaat, zegt in dit opzicht
genoeg.
Andere Noord-Duitse stammen – de Angelen, de Juten en de Saksen,
zochten de oversteek naar Engeland en beleefden in hun nieuwe
Angelsaksische koninkrijk avonturen die een heel andere mythische
overlevering voort zou brengen. De rol van de Hunnen was snel
uitgespeeld: zelfs onder aanvoe- ring van de verschrikkelijke
Attila konden de Aziatische ruiters niet meer op tegen de Europese
volken die zich tegen hen begonnen te verdedigen. De Oostgoten die
zich aanvankelijk aan hun zijde had- den geschaard, trokken zich
uit de coalitie terug en begonnen hun eigen belangen na te streven.
In 451 vielen de Hunnen Gallie¨ bin- nen, bereikten Parijs, maar
werden in een vermeende slag op de Catalaunische Velden11 door een
gecombineerde leger van West- goten en Romeinen teruggedrongen.
Attila’s zonen konden het niet eens worden over de erfopvolging en
het rijk der Hunnen stortte na 454 ineen. De Oostgoten hielden zich
nog een tijd staande door Italie¨ binnen te vallen en daar een
eigen keizer in het zadel te hel- pen: Theodorik de Grote. Daar
bleven ze totdat de Longobarden, zelf verdreven uit het noorden van
Europa, het land rond 560 in bezit namen.
De Longobarden waren de hekkensluiters van de Grote Volks-
verhuizing. De stoelendans was voorbij. William Manchester schrijft
over dit slotakkoord: ‘In de jaren daarna werden [de Hun- nen] in
de vernietiging van de laatste resten beschaving geholpen door
Goten, Alanen, Bourgondie¨rs, Thuringi, Friezen, Gepiden, Sueven,
Alemannen, Angelen, Saksen, Juten, Longobarden, He- rulie¨rs,
Quaden en Magyaren. De etnische stormvloed kwam toen in de
veroverde landen tot rust; duisternis daalde neer over het
verwoeste, roerige continent, een duisternis die pas verdreven
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
werd toen veertig generaties middeleeuwers
hun meelijwekkende
bestaan geleden hadden, en waren heengegaan.’ Wie hebben we nog
over?
De Westgoten, die onder Alarik de stad Rome hadden veroverd en nog
steeds in Italie¨ zaten. Het verhaal over hen gaat min of meer als
volgt: de Westgoten verlieten Italie¨ twee jaar na de dood van
Alarik en gingen naar Gallie¨. Daar veroverden zij verschillende
steden en slaagden erin een eigen koninkrijk op te richten. Het
Tolosaanse rijk, met de stad Toulouse als hoofdstad, was jammer
genoeg geen erg lang leven beschoren. Maar ditmaal waren het geen
Romeinen of Slavische steppenvolken die het feest kwamen
versjteren, maar de Germaanse Franken. De Franken, afkomstig van
Germaanse stammen aan de Rijn, hadden zich in de voor- gaande vier
eeuwen nog niet echt laten gelden. Maar het feit dat Gallie¨ in de
loop der eeuwen Frankrijk zou gaan heten verraadt al wat er op het
punt stond te gebeuren.
Vo´o´r de val van Rome hadden de Franken zich voornamelijk
verdienstelijk gemaakt in het Romeinse leger. De Frankische veld-
heer Arbogast verdedigde in dienst van de Romeinse keizers Gallie¨
en Spanje tegen de usurpator Maximus. Dit had tot gevolg dat
Arbogast in feite grote delen van het West-Romeinse rijk onder zijn
bewind had. De Franken waren het dus gewend om in West- Europa de
scepter te zwaaien. Hadden de Goten via talloze om- zwervingen en
onder de grootste ontberingen eindelijk een rustig plekje gevonden,
de Franken waren simpelweg de Rijn overgesto- ken om zich op het
Gallische grondgebied te nestelen. Het zijn de Franken (en
misschien de Angelsaksen) die als de winnaars van de
Volksverhuizing worden gezien. In de tweede helft van de vijfde
eeuw breidden ze onder leiding van Clovis hun macht in Gallie¨ uit
ten koste van de Westgoten. De Goten dreigden de enigen te zijn die
geen stoel hadden toen in het midden van de vijfde eeuw de muziek
werd uitgezet.
In een verwoede poging Gallie¨ te behouden gingen de Franken de
strijd aan met zo ongeveer alle naburige Germaanse stammen. De
Alemannen, de Thuringen, de Burgunden en de Westgoten Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
moesten het ontgelden. De laatsten moesten
hun Zuid-Franse
grondgebieden prijsgeven en zich in Spanje terugtrekken. In het
jaar 507 maakten ze een terugtrekkende beweging over de Pyrene-
ee¨n, waarna hen niets anders restte dan van Spanje hun thuis te
maken. Toledo, niet Toulouse, werd de nieuwe residentie van de
Westgotische koningen; het Tolosaanse rijk werd het Toledaanse
rijk. In Spanje waren de Goten de eersten om een eigen natie te
stichten, een koninkrijk dat enerzijds naar Romeins model ge- maakt
was, maar dat vooral een voorafschaduwing vormde van hoe de
middeleeuwse koningen zich zouden presenteren. Het ver- haal gaat
dat Koning Leodevild als eerste de Germaanse pels af- wierp om zich
in het purper te hullen, een voorrecht dat alleen aan de Romeinse
keizers was voorbehouden. Leodevild plaatste zich op een troon en
liet gouden munten slaan met zijn beeltenis. Daar bleef het niet
bij: van de Westgotische koningen stamt het idee dat de koning na
God de opperste heerser op aarde was, een begrip dat pas door de
guillotines van de Franse Revolutie ongedaan werd gemaakt. In
Spanje werden voor het eerst steden gebouwd, en niet alleen maar
ingenomen. Gelet op de talloze archeologische vondsten kunnen we
zeggen dat deze steden belangrijke internatio- nale handelscentra
waren.
De Westgotische monarchie bleef overeind tot het gebied in door
invallende Moren werd overrompeld. En met die gebeurtenis kwam er
een einde aan de geschiedenis van de Goten. Althans voorlopig.
Jaren van duisternis
Rest ons nog de Franken.
De Franken (hun naam betekent ‘de Vrijen’) deden hun naam eer aan.
Zij slaagden er ondanks de oprukkende islamitische strijders in hun
rijk te behouden. Tijdens de Volksverhuizing hadden zij zich nog
opportunistischer betoond dan hun andere Germaanse broe- ders, en
misschien ligt in het feit dat zij zich regelmatig bij de Romeinen
aansloten wel de sleutel tot hun succes. De Frankische Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
invasie verliep bijna stilletjes. Zo
stilletjes dat het wellicht beter is
om van een integratie te spreken in plaats van een invasie. Waar de
Goten met een hoop kabaal het Romeinse rijk waren binnenge-
drongen, daar slopen de Franken haast op hun tenen de beschaving
binnen. Het leek erop dat zij zich genoeglijk in het Gallische
gebied hadden genesteld toen de Romeinen – die hun handen vol
hadden aan de Gotische stammen – even niet opletten. Hoe dan ook,
de Frankische stammen zaten waar ze wilden en gingen nergens meer
naartoe. Onder koning Clovis (482-511), die uit het geslacht van de
Merowingen stamde, werden de verschil- lende stammen verenigd. Het
Merowingische koningschap legde de fundering voor de verdere
geschiedenis van Frankrijk, en daar- mee Europa. Clovis was net als
Alarik en Leodevild een pragmati- cus die heel goed inzag in welke
richtingen de machtspolitieke ont- wikkelingen zich gingen bewegen.
De Franken namen het christen- dom van de kerk over en Frankrijk
werd katholiek. Twintig jaar na de ondergang van het Westgotische
rijk versloeg de Frankische leider Karel Martel de Moren bij
Poitiers. In 768 trad er een Fran- kische koning op om wie niemand
meer heen kon: Karel de Grote (of ‘Charlemagne’ – 742-814) de
kleinzoon van Karel Martel. In 774 onderwierp hij de Langobarden.
In 785 zaaide hij onder de Germaanse stammen ten noorden van
Frankrijk dood en verderf, en wel op zo’n ongekende schaal dat de
vrome koning voor altijd bekend zal staan als de ‘Saksenslachter’.
Om een voorbeeld te stel- len liet hij op e´e´n dag niet minder dan
45.000 gevangengenomen Saksen onthoofden. Hij breidde zijn rijk
naar het noorden toe uit en stichtte bisdommen waaronder Paderborn,
Osnabru¨ck, Mu¨n- ster en Bremen. In het jaar 772 verklaarde een
officie¨le christelijke alliantie onder de Frankische keizer Karel
de Grote de in Noord- Duitsland woonachtige stammen de oorlog. De
Franken hadden een heuse etnische zuivering in gang gezet, waarbij
onnoemelijk veel Saksen het leven lieten. Hoewel dit wordt
beschouwd als het begin van het einde van de Saksische
onafhankelijkheid, bleef re- gionaal verzet tegen de Frankische
overheersers schering en inslag. Tien jaar en vele veldslagen
later, werd Saksen eindelijk gean- Tirion – Literair Klassiek – 157
x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
nexeerd, alhoewel regionaal verzet bleef
bestaan tot zeker 804.
Karel zelf werd in het jaar 800 in Rome tot keizer gekroond. Het
leed geen twijfel wie het in het nieuwe Europa van de achtste eeuw
voor het zeggen had.
Als we over de Grote Volksverhuizingen lezen, krijgen we soms de
indruk dat er na de ondergang van de Gotische rijken aan de Mid-
dellandse Zee geen Germaan meer over is. Alle boeken praten over de
Germanen die uit Duitsland weggingen, maar we lezen niets over wie
er achterbleven. We vernemen over verlaten dorpen en over
noordelijke woongebieden waaruit zo ongeveer iedereen ver- trokken
was. Was Germanie¨ een niemandsland geworden? Wie zaten er
eigenlijk nog in Duitsland? Bestonden er wel Duitsers, of waren het
allemaal Franken geworden, gedwongen vazallen van het Grote
Karolingische Rijk? Zo ja, wat gebeurde er dan tussen 700 en 1160,
toen de Duitsers met het oprichten van de Hanze een nieuwe
wereldmacht werden? Wat gebeurde er tussen de slacht- partij van
Karel de Grote en de opkomst van de eerste Hanzeste- den? Wie waren
de Duitse ridders die slechts een paar jaren na die oprichting met
koggeschepen naar de Orie¨nt voeren? Het stellen van deze vragen,
alsmede het onderzoek naar het Germaanse hiaat tussen 700 en 1160,
zou ons op het spoor bren- gen van een onthutsende en omvangrijke
intrige. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press
Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De Duitse Orde
Opkomst van de ridder-monnik
In de tweede helft van de twaalfde eeuw maakten de Germanen een
indrukwekkende comeback. Nadat ze in de achtste eeuw door de
Franken verslagen en vernederd waren, doken ze in 1189 tegen ieders
verwachting op voor de kust van Palestina. Op de een of andere
manier waren ze hun verdeeldheid en hun onderworpen- heid te boven
gekomen en verenigden ze zich onder de officieuze verzamelnaam
‘Teutonen’. Hoewel de Duitse kruisvaardersvloot in eerste instantie
slechts enkele koopvaardijschepen betrof, zou de organisatie die de
Germanen op het punt stonden op te richten, onvoorstelbare
proporties aannemen.
De Duitse Orde behoort, samen met de orde van de tempeliers en de
hospitaalridders of johannieters tot de drie grootste geestelijke
ridderorden uit de westerse geschiedenis. Ze wordt vaak gezien als
het ondergeschoven Pruisische broertje van de tempelridders, hoe-
wel de Duitse Orde op veel manieren een langer leven beschoren was
dan haar grote broer. De eerste vermelding van de Duitse Orde,
voluit de Fratres Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teuto- nicorum,
vinden wij in de annalen van de kruistochten, waarin gesproken
wordt over de vestiging van een veldhospitaal, in 1189, opgericht
door ‘inwoners’ van Bremen en Lu¨beck in het Heilige Land (in
kronieken wordt zowel gesproken van kooplieden en edelen, als van
ridders, en er is bijzonder weinig te vinden over de identiteit van
deze eerste immigranten). Van oorsprong was deze orde, net als haar
twee voorgangers, een zogenoemd geeste- Tirion – Literair Klassiek
– 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
lijke hospitaalbroederschap. Twee jaar
later bevestigde paus Cle-
mentius III deze broederschap als de Fratrum Theutonicorum Ec-
clesiae S. Mariae Hiersolymitanae. In de loop van de strijd om het
Heilige Land werden verschillende orden opgericht, waarvan er drie
uiteindelijk standhielden. Zo was er dus de befaamde orde der
tempeliers, waarover inmiddels bibliotheken zijn volgeschre- ven.
Ook was daar de orde van Sint Johannes, een op liefdadigheid
gerichte organisatie met het oog op armenzorg. En ten slotte was
daar de Duitse Orde.
Het idee van een geestelijke ridderorde (dus een kloosterorde
waarvan de leden het ridderschap combineren met het ambt van
clericus) levert naar huidige maatstaven een vreemd beeld op: dat
van de vechtende monnik. Hoewel de katholieke kerk zelden van
ruimdenkendheid is beticht en altijd een strijdbare houding heeft
gekend ten opzichte van andere religies, schijnen zelfs de weinig
fijnbesnaarde Middeleeuwen gewetensbezwaren te hebben gehad bij het
idee van een bloedvergietende geestelijke. Maar daar kwam in de
twaalfde eeuw verandering in.
De tempelridders waren de eerste danig gedisciplineerde en ge-
encadreerde strijdmachten in West-Europa sinds de Romeinen. Over de
eerste successen in de Orie¨nt zullen we niet te veel uitwij- den.
In juli 1099 bestormden de kruisvaarders Jeruzalem en maak- ten
daarmee een begin met een westerse hegemonie die eeuwenlang zou
duren.
Expedities naar het Heilige Land waren half idealistisch en half
commercieel. Zo ook de kruistochten. Voor veel Franse kruisvaar-
ders (Franken) werd Palestina een nieuw thuis. Menige kruisvaar-
der was op pad gestuurd als boetedoening voor begane misdaden, en
veel van de achterblijvers in Palestina waren misdadigers die zich
er wel voor hoedden om terug te keren naar het land dat hen in de
boeien had geslagen. Palestina bood hen een heel nieuwe wereld, een
piratennest ver van de wetsdienaren van Frankrijk. Toen Boudewijn
II in 1118 het koningschap over Jeruzalem erfde van Boudewijn I,
kreeg hij een land te besturen dat veel weg had van het Wilde
Westen.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Boudewijns opluchting dat iemand zich met
de zaak komt bezig-
houden was bijna voelbaar toen hij ene Hugo de Payens en zijn
kompanen in Jeruzalem ontving. Het plan van Hugo: de oprichting van
een broederschap van ridders die de pelgrims in het Heilige Land
tegen onverlaten zou beschermen. De geschiedenis van deze ridders
is zo vaak beschreven dat wij ons ervan afmaken met een karige
samenvatting. Het aanbod van de negen avonturiers bracht de koning
in zo’n jubelstemming dat hij bevel gaf een vleugel van zijn
paleis, de al-Aqsa moskee, te ontruimen en er de ridders in onder
te brengen. De al-Aqsa moskee werd verondersteld gebouwd te zijn op
de resten van de legendarische tempel van Salomo, het onderkomen
van de Ark des Verbonds, en deze veronderstelling gaf de
broederschap haar naam: de Orde van de Arme Ridders van Christus en
de Tempel van Salomo, kortweg Tempelridders of Tempeliers. Een
document uit 1123 noemt Hugo de Payens als de Magister Militum
Templi: Meester van de Tempelridders. De negen vrijbuiters met hun
armetierige lompen en stoffige voorko- men hadden zich geen beter
onderkomen kunnen wensen. Hun avonturen werden voortaan
gesubsidieerd door zowel de koning als de patriarch van
Jeruzalem.
Al vo´o´r de kruistocht was er een aan Sint Johannes de Almonieter
gewijd hospitaal voor pelgrims in Jeruzalem, vlakbij de Heilige
Grafkerk. Een hospitaal moeten we zien als meer dan alleen een
ziekenzaal voor zieken en gewonden. Het had veel weg van een
gasthuis, een ontmoetingsplek voor christenen, een soort ‘ons-
kent-ons’, een home away from home. Dit eerste hospitaal was al in
1070 opgericht door kooplieden uit Amalfi die vermoedelijk een gat
in de markt hadden ontdekt. In het jaar 1100 wordt ene frater
Gerard, over wie verder weinig bekend is, als Meester genoemd. Toen
het veroverde Jeruzalem na 1099 begon vol te stromen met
enthousiaste bedevaartgangers, speelde Gerard handig in op de
groeiende behoefte van bezoekers en immigranten. Als een echte
pr-man reorganiseerde hij de nieuwe orde, verruilde Sint Johannes
de Almonieter voor de beter in de markt liggende Johannes de Doper
en speelde het klaar dat het hospitaal binnen een jaar of Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
tien uitgroeide tot een gerespecteerde
orde die in 1113 de speciale
bescherming van de paus genoot. Het is niet ondenkbaar dat de
ridders van Hugo de Payens werden ingezet om dit en andere als
paddestoelen uit de grond schietende hospitalen te verdedigen. Het
groeien van de hospitalen, alsmede de groeiende schare pel- grims,
maakte een uitbreiding van de ridderorde noodzakelijk. In
tegenstelling tot frater Gerard schijnen Hugo’s ambities op dit ge-
bied enigszins bescheiden te zijn geweest. De tempeliers begonnen
zichzelf pas als een volwaardige religieuze orde te zien toen zij
een bezoek brachten aan Bernard van Clairvaux, een van de meest
invloedrijke geestelijken van zijn tijd. Hugo had sterke banden met
Bernard en zijn aanvankelijke verzoek was niet gering: kon de abt
niet oproepen tot een nieuwe kruistocht, zodat zijn clubje van
ridders de beschikking kreeg over nieuwe rekruten? Wat hij kreeg
was meer dan alleen militaire versterking. Het verzoek schijnt
Bernard op een lumineus idee te hebben gebracht. Het door hem
geschreven pamflet: De Laude Novae Militiae, kan zo ongeveer gezien
worden als het geboortebewijs van de riddermon- nik, de strijdende
geestelijke. Niet alleen beschreef Bernard de nieu- we, op de
cistercie¨nzers gestoelde leefregels voor de orde, waarmee hij
zowel de tempelridders als de kruisvaarders van een raamwerk
voorzag, hij legitimeerde eigenhandig het hele idee van een heilige
oorlog. Het verdelgen van Saracenen en andere heidenen was niet
alleen een noodzaak, maar zelfs een heilige plicht. Dit staaltje
chris- telijke propaganda sprak zozeer tot de verbeelding dat de
ridder- monnik bijna van de ene op de andere dag een geaccepteerd,
zelfs bejubeld beeld werd. Bernard voorzag de hele onderneming van
een moreel substraat dat zo invloedrijk werd dat zelfs de Duitse
Orde zich er in zijn Baltische kruistocht nog door gesteund zag:
‘Wie tegen ons vecht, vecht tegen Christus’, was het motto. Het
idee van strijders die door bloedvergieten het rijk Gods deelachtig
worden vindt tot in onze tijd weerklank, zowel in het Midden-
Oosten als in de moderne westerse samenleving aan weerszijden van
de Atlantische Oceaan. Het gaat vermoedelijk niet te ver wan- neer
we stellen dat de meeste geestelijke ridderorden uit de Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
twaalfde eeuw hun legitimatie te danken
hadden aan het pamflet
van de eerbiedwaardige abt.
Het directe gevolg was dat de tot dan toe door armoede en be-
scheidenheid gekenmerkte tempelridders als helden gelauwerd werden,
en Hugo de Payens kon zich vanaf dat moment verheugen in een
toestroom van belangstellenden. De uitbreiding van de rid- derorde
kwam gestaag op gang en groeide in de daaropvolgende eeuw uit tot
een indrukwekkend en wijdverbreid instituut. De al- ternatieve
hie¨rarchie van de commanderijen en de toegekende pri- vileges
waren zo omvangrijk dat er wel gesproken is van een kerk binnen een
kerk, een staat binnen een staat. De Gouden Eeuw van de
kruisridder
Een onverwacht neveneffect van de nieuwe kruistochten was dat de
tempeliers zich vanaf 1136 (het jaar waarin Hugo de Payens stierf)
geflankeerd zagen door een geduchte concurrent: de orde der
hospitaalridders. Inderdaad betrof het hier de orde van frater
Gerard, die onder leiding van zijn opvolger frater Raymond du Puy
een explosieve groei had doorgemaakt. Bedolven onder privileges en
geruggensteund door het pamflet van Bernard van Clairvaux wisten
zij in recordtijd uit te groeien tot een orde die in maar liefst
twintig grote bolwerken in de Orie¨nt bezat. Hadden de
tempelridders een sneeuwwitte mantel met een rood kruis, de
hospitaalridders gingen gehuld in een habijt bestaande uit een
zwarte mantel met een wit kruis. Hun hie¨rarchische structuur be-
gon in de loop van de twaalfde eeuw ook steeds meer te lijken op
dat van hun rivalen in de Tempel. Hun rivaliserende verhouding is
misschien enigszins te vergelijken met die tussen Coca Cola en
Pepsi Cola: beide serveren dezelfde bruine priklimonade maar de
kleurtjes op de verpakking zijn net iets anders. In het voetspoor
van deze nieuwe ridderorden volgden talloze kleinere en minder
succes- volle genootschappen die allemaal min of meer hetzelfde
doel voor ogen hadden.
Een kleine tweehonderd jaar verging het beide orden goed. De Tirion
– Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
gelofte van armoede werd zo handig
geı¨nterpreteerd dat er onge-
kende rijkdommen konden worden verzameld, en in de jaren die
volgden op het decreet van Bernard en de door Innocentius II uit-
gevaardigde bul (die stelde dat de ridders van de Tempel alleen aan
Rome onderhorig waren) werd de orde tot een bekend Europees
verschijnsel.
De ridderorden werden handig in het regelen van hun eigen zaak-
jes. In plaats van Arabieren in de pan te hakken, zoals het een
fatsoenlijk christen betaamde, begonnen ze handel te drijven met
hun mohammedaanse tegenstanders. De ridders leerden Arabisch, namen
kennis en vaardigheden over van de moslims en brachten die kennis
tot uitvoer.
Er is in de loop der tijd veel geschreven over de legendarische
schatten van de tempeliers, een idee dat beelden oproept van ver-
gaarde kostbaarheden, opgeslagen in grotten en tempels, ongeveer
zoals de schat in Ali Baba en de veertig rovers. Het geld van de
tempelridders is wel gezien als een verborgen piratenschat, een
berg goud die, als je de schatkaart maar had, gevonden en opge-
graven kon worden met de magische spreuk ‘Sesam open u’. Maar als
de ridderorden uit de twaalfde eeuw iets geleerd hadden was het wel
dat geld moet rollen. Geld brengt geld voort. Een onuitgespro- ken
motto zou Murphy’s Gouden Regel geweest kunnen zijn: hij die het
Goud heeft maakt de Regels.
De arme ridders die naar Palestina waren gereisd om pelgrims te
beschermen en de Wil van God te doen, ontpopten zich ter plaatse
als bankiers, financiers, investeerders en uiteindelijk als
renteniers. Zelfs Arabische kooplieden stortten hun geld in de
kluizen van de tempelridders, natuurlijk tegen een fikse rente.
Zowel de tempeliers als de hospitaalridders begrepen dat zolang het
geld binnen de ge- lederen blijft circuleren, het alleen nog maar
meer wordt. Zij moch- ten dan elkaars geduchte concurrenten zijn,
samen beheersten ze de markt. En zij zorgden ervoor dat dit zo
bleef. Religie en politieke voorkeuren werden bijzaak. Als de
Arabie- ren blijk gaven van speciaal talent op financieel en
administratief gebied, werden zij aangesteld als secretaris of
boekhouder, heiden Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L)
Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
of niet. Tijdgenoten die in die gang van
zaken een kwalijke discre-
pantie zagen werden doodgezwegen.
Hun macht in het Heilige Land was onbetwist. De hospitaalrid- ders
waren samen met de tempelridders de grootgrondbezitters, en stegen
zo in aanzien dat zelfs de geestelijkheid, om wier aanwezig- heid
in Palestina het toch allemaal te doen was geweest, haar greep op
de orden verloor. In 1154 probeerde de begrijpelijk geı¨rriteerde
Patriarch van Jeruzalem de expansiedrift van de ridders te beteu-
gelen, maar het gevolg was dat de hospitaalridders met veel kabaal
en geschreeuw zijn preken kwamen verstoren, terwijl zij samen met
de tempeliers pijlen afschoten naar de congregatie. Toen de Patri-
arch het daaropvolgende jaar ten einde raad een bezoek bracht aan
Rome in een poging de paus te overtuigen kwam hij tot de ontdek-
king dat de hospitaalridders hem voor waren geweest. De orde was
hem stiekem achterna gereisd en had van de paus een imprimatur
verkregen waarin de privileges van de ridders nog eens werden
bevestigd.
De ridders, zo leek het, waren machtiger dan de kerk die zij
verdedigden en waren schatplichtig aan niemand. Zelfs hun ge-
zworen onderhorigheid aan Rome zou in daaropvolgende jaren een punt
van discussie worden.
Het verlies van Palestina
De ommekeer begon met het verlies van Palestina zelf. In veel op-
zichten hadden de kruisvaarders dat verlies aan zichzelf te danken.
Een organisatie die zo machtig en soeverein is, trekt
onherroepelijk machtswellustelingen aan, avonturiers met geen
andere agenda dan zelfverrijking. Mensen als Guy de Lusignan en de
krankzin- nige roofridder Reynald de Chatillon waren kruisvaarders
van de oude stempel, die hun macht nog op de oude manier wilden be-
reiken: op het slagveld. Ze verstoorden de lucratieve maar delicate
relatie tussen de christenen en de Saracenen en speelden met hun
brute, ondoordachte aanvallen op Arabische karavanen de zich
hergroeperende islam in de kaart. Een aantal ongelukkige campag-
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
nes tegen de Saracenen later in de
twaalfde eeuw deden het islami-
tische verzet oplaaien en uiteindelijk heroverde de legendarisch
Saladin in 1187 de stad Jeruzalem op de kruisvaarders. Zelfs een
nieuwe kruistocht onder Koning Richard Leeuwenhart kon niet
voorkomen dat de christelijke hegemonie in het Heilige Land haar
langste tijd had gehad.
Zowel de hospitaalridders als de tempelridders hadden in Pales-
tina op het verkeerde paard gewed en werden in de daaropvol- gende
eeuw gedwongen zich geleidelijk aan uit het Heilige Land terug te
trekken. De versplintering van waarden en saamhorigheid, de
saamhorigheid die in het begin van de kruistochten nog zo aan-
wezig was, leidde er aan het begin van de dertiende eeuw toe dat de
christenheid geen vuist meer kon maken. Kruisvaarders en ridder-
orden bestreden elkander even hardnekkig als de Saracenen. De eens
uitgestrekte christelijke grondgebieden in de Orie¨nt beperkten
zich tot een armzalige kuststrook van niet meer dan tien kilometer
landinwaarts. Nieuwe kruistochten werden steeds minder succes- vol:
de rek was er uit in de laatste jaren van de dertiende eeuw. In
1291 kwam de genadeslag, toen een reusachtig leger van sultan
al-Ashraf de stad Akko met de grond gelijkmaakte en alle
overgebleven kruisvaarders uit het Heilige Land verdreef. De
tempeliers en de hospitaalridders trokken zich terug op Cy- prus,
maar omdat hun raison d’eˆtre met het verlies van Palestina
verdwenen was, duurde het niet lang voordat er aan het bestaans-
recht van de tempelorde geknaagd werd. In navolging van de Duit- se
Orde probeerden zij in Europa voet aan de grond te krijgen, maar
daar sloeg de publieke opinie om.
De tempeliers vonden een nieuwe thuisbasis in het zuiden van
Frankrijk, alwaar hun belevenissen tot aan hun beruchte onder- gang
in oktober 1307 nog altijd stof opleveren voor talloze boeken en
buitenissige theoriee¨n over de aard en de geheime bergplaats van
hun rijkdommen.
De hospitaalridders waren een milder lot beschoren. Nadat de
tempelridders op last van de Franse koning Filips de Schone waren
uitgeroeid, hief paus Clemens V deze orde officieel op en wees hij
hun overgebleven goederen toe aan de hospitaalridders (e´n, zoals
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
we nog zullen zien, aan de Duitse Orde).
Tussen 1309 en zaten ze op het eiland Rhodos, waar ze in 1582 door
de Turken werden verjaagd. Daarna wisten de hospitaalridders zich
voorgoed te vestigen op Malta. De Maltezer ridders bestaan tot op
de dag van vandaag.
Palestina werd echter bevolkt door nog een derde ridderorde; een
broederschap die, ofschoon de meest machtige en invloedrijke van de
orden, vrijwel onbesproken is gebleven. De Duitse Orde
Als we in het jaar 1300 een blik zouden werpen op een kaart van
Europa waarop de gebieden van de drie ridderorden waren aange-
geven, zouden we het volgende zien: de minuscule rode vlek in de
Middellandse Zee is Rhodos, een onzekere vesting van de hospi-
taalridders waarin ze zich na hun gedwongen vertrek uit Palestina
hebben teruggetrokken. De wat grotere rode gebieden in het zui- den
van Frankrijk, de Languedoc, en die stipjes in de rest van
Frankrijk vormen het trotse bezit van de tempeliers. De legendari-
sche ridders mogen dan nog zeven jaar van hun bezittingen genie-
ten. Die immense, dieprode, uitgesponnen veeg over het hele noor-
den van Europa die bijna de hele kaart bestrijkt, die bijna van de
randen lijkt te druppelen, is geen inktvlek. Het is de ordestaat,
het reusachtige landgoed van de Duitse Orde. Het is de grootste
Euro- pese verovering sinds de Romeinen, die pas honderden jaren
later door Napoleon enigszins gee¨venaard zal worden. De Baltische
kruistocht wordt wel gezien als de grootste koloni- ale successtory
uit de Middeleeuwen. Hoe kwam de Duitse Orde aan dit ontzaglijke
gebied?
Wat meteen opvalt als we de Duitse Orde onder de loep nemen, is dat
ze in het Heilige Land, waar deze orde in 1190 werd opgericht, maar
bar weinig invloed heeft gehad op de gang van zaken. Keer op keer
lezen we over de wapenfeiten van de tempeliers en de grootschalige
militaire campagnes van de johannieters, maar over Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de Teutoonse verrichtingen in het land dat
de kruisvaarders Outre-
mer noemden, vernemen we weinig tot niets. Toch wordt de Duitse
Orde in e´e´n adem genoemd met de hospitaalridders en de tempe-
liers als de derde grote geestelijke ridderorde uit de
Middeleeuwen. Had de Duitse Orde een vooruitziende blik toen ze
haar aandacht begon te richten op Noord-Europa in plaats van het
Heilige Land? Wat mogelijk begon als een appeltje voor de dorst
eindigde als een kolossale kruistocht tegen de Noordelijke
Saracenen: de Balten. Het is verleidelijk om hierin een sluwe
exodus te zien, als ratten die een zinkend schip verlaten. Zagen de
Teutoonse ridders, die tot de verdediging van Palestina zo goed als
niets hebben bijgedragen, hun toekomst in Europa? Waaruit bestond
deze Teutoonse tak van de legendarische ridderorden? Waar kwam ze
zo opeens vandaan, en waar is ze gebleven?
Om deze vragen te beantwoorden moeten we eerst terug naar Bremen en
Lu¨beck, vanwaar eind twaalfde eeuw, dus lang nadat de
tempelridders van het Heilige Land hun thuis hadden gemaakt, enkele
Duitse kooplieden naar Palestina vertrokken en daar, naar verluidt
op het strand bij Akko, een provisorisch hospitaal opricht- ten.
Het ging om niet meer dan een tent, gemaakt van de zeilen van hun
schepen. Wat goed genoeg is voor Salomo is goed genoeg voor ons,
moeten ze gedacht hebben. Acht jaar later werden deze koop- lieden
vergezeld door Duitse edellieden, meegekomen met de Duit- se
kruistocht, die het hospitaal omvormden tot een militaire ridder-
orde: de Teutoonse Ridders van het Heilige Mariahospitaal van
Jeruzalem, later wel bekend als de Duitse Orde. De orde was alleen
toegankelijk voor leden van de Duitse adel. In de eerste jaren na
de oprichting verkreeg de orde min of meer dezelfde rechten en
vrij- heden als de tempeliers.
Net als haar twee concurrenten bestond de Duitse Orde uit twee
divisies: ridders en priesters. Beiden waren gebonden aan de ge-
loften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Zwaard en kruis
versmolten in hun hand tot het instrument waarmee korte metten
gemaakt kon worden gemaakt met het heidendom. Zo werd in het jaar
1198 besloten dat de orde, naast de hospitaaldienst, voortaan ook
krijgsdienst zou verrichten. Het zwarte kruis, het embleem van
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de orde, was bedoeld als tegenhanger van
het rode kruis dat de
tempeliers op hun witte banieren en schilden droegen. Het IJzeren
Kruis van de orde is nog steeds het embleem van het Duitse leger.
Het was in die tijd traditie om broederschappen, die oorspronke-
lijk enkel hospitaalwerk verrichtten, bij pauselijk decreet ook
mili- tair werk te laten doen. Het specifiek Duitse karakter van
deze relatief nieuwe orde en de bescherming die zij genoot van de
Duitse keizer en andere Duitse heersers stelde haar bovendien in
staat een onafhankelijk positie in te nemen ten opzichte van de
andere orga- nisaties in het Heilige Land: de johannieters en de
tempeliers. Het was Heinrich Walpot von Bassenheim, de eerste
grootmees- ter van de orde, die ervoor verantwoordelijk wordt
gehouden de oorspronkelijke statuten te hebben vervaardigd. Deze
statuten kwamen erop neer dat de orde, zoals gezegd, voorts zou
bestaan uit twee afzonderlijke takken: priesters en ridders. Beide
werden bij toetreding verplicht gesteld de drievoudige
kloosterlijke geloften af te leggen van armoede, kuisheid en
gehoorzaamheid. Tevens moes- ten zij van nobele afkomst zijn en –
niet onbelangrijk – van Duitsen bloed. Voor de priesters gold dit
laatste gebod overigens niet. Daar stond tegenover dat priesters
niet in aanmerking kwamen voor be- langrijke bestuurlijke functies
binnen de orde. Later werd er nog een derde groep gevormd,
bestaande uit zogenaamde dienstbare broeders (lees: informanten)
die overigens slechts als ‘halve leden’ werden beschouwd.
Het is goed om hier een moment stil te staan bij de oorspronke-
lijke hie¨rarchische structuur van de orde, aangezien deze niet zou
vervluchtigen maar, zoals we zullen zien, door de eeuwen heen ge-
handhaafd bleef.
De ‘meester’ (pas veel later omgedoopt tot ‘grootmeester’) werd,
net als bij de johannieters, voor het leven gekozen. Alleen geharde
ridders, en bovendien lieden die algemeen respect genoten, kwa- men
voor deze hoge post in aanmerking. Andere titels waren
Deutschmeister of Hochmeister, en het ambt van grootmeester stond
later bekend als een Hoch- und Deutschmeister. De linker- hand van
de meester, de commandeur, was zijn plaatsvervanger bij afwezigheid
en stond aan het hoofd van de priesterdivisie. Als de Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
commandeur de linkerhand was van de
meester, dan was de maar-
schalk zijn rechter. Hij ging over de ridders, de huurlingen en de
bewapening: zaken waarmee de orde zich steeds serieuzer ging
bezighouden. Naarmate zij groter werd, werden provinciale mees-
ters aangewezen voor de landen waar zij zich zouden vestigen. De
hie¨rarchische structuur en tweedeling van ridders en priesters
werd ook in de lokale afdelingen in stand gehouden, hoewel de
functies van maarschalk en commandeur vaak samenvielen. Von Walpots
opvolger, meester Otto von Kerpen, zou de macht en status van de
orde vergroten, alsook zijn opvolger, de derde meester Herman Bart.
Echter, de verdiensten van de vierde grootmeester Herman von Salza
(meester van 1209 tot 1239) zouden die van zijn ambts- voorgangers
en opvolgers ruimschoots overtreffen. Hoe dan ook, de golf van
ridders en pelgrims uit Europa in het kielzog van de Derde
Kruistocht betekende meer inkomsten en materie¨le steun voor de
orde, die zich in een relatief kort tijdsbestek fors
uitbreidde.
Ondanks de groei van de Deutschritter in de Orie¨nt schijnt hun
aanwezigheid toch altijd te zijn overschaduwd door die van hun
voorgangers. In de kronieken van die tijd zijn het veelal de tempe-
liers en de johannieters die met de eer gaan strijken. Bij alle
belang- rijke veldslagen zijn het de twee eerdere ridderorden die
haantje de voorste spelen, die de grootste wapenfeiten verrichten
en die in de loop van de geschiedenis het vaakst voor het voetlicht
treden. De Duitse tegenwoordigheid bij belangrijke campagnes is
vaak margi- naal. Zelfs wanneer de onderling bekvechtende orden
voor de ver- andering besluiten de handen ineen te slaan, zoals bij
de belegering van hun hoofdstad Akko in 1291, laten de Teutoonse
ridders het een beetje afweten. Akko was zo ongeveer het symbool
van de christelijke hegemonie in de Orie¨nt, en toen deze stad
onder vuur kwam te liggen van de Mameloeken snelden de
kruisvaarders toe om deze cruciale vesting met hand en tand te
verdedigen. Alle orden waren vertegenwoordigd; de tempeliers
stuurden alle be- schikbare mankrachten. Maar toen de Duitse
grootmeester Kon- rad von Feuchtwangen kwam opdraven bracht hij
niet meer dan Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre
Press Zeist
24/09/2007 Pg.
een handjevol broeders mee. De Teutonen,
hoewel niet zonder
wapenfeiten, maken altijd de indruk wel iets anders aan hun hoofd
te hebben.
Was dit euvel te wijten aan een gebrek aan middelen, of hield de
Duitse Orde er een eigen agenda op na? Wanneer we de ontlui- kende
orde onder de loep nemen, komt er een aantal eigenaardig- heden
tevoorschijn, eigenaardigheden die erop lijken te wijzen dat de
Duitsers op een andere manier te werk gingen dan hun broeders uit
de Tempel.
Hermann von Salza: de macht achter vele tronen Al in 1228, een
kleine dertig jaar na de oprichting van de orde, vindt er een reeks
opmerkelijke gebeurtenissen plaats. Rond deze tijd ontmoeten we de
formidabele Hermann von Salza, de vierde grootmeester van de orde,
maar in feite de grote man achter de hele organisatie. Onder zijn
leiding bereikte deze grote hoogten, en het is ook niet onmogelijk
dat Von Salza het brein was achter de Bal- tische kruistocht.
Hermann von Salza wordt wel een van de meest invloedrijke mensen
van zijn tijd genoemd. Hij was voor de Duitse keizer wat Richelieu
was voor Lodewijk XIII en Karl Rove voor George W. Bush. Hij kwam
uit Beieren, en ondanks het feit dat hij niet van adel was, bleek
hij al vroeg bekend met de zeden en normen aan het Duitse hof. Om
de een of andere reden vond hij zowel gehoor bij de paus als bij de
grote keizer Frederik Barbarossa, alsmede bij diens opvolger, wiens
vertrouweling hij schijnt te zijn geweest. Hij stond op goede voet
met zowel keizer Frederik II als met paus Gregorius IX en wist door
zijn kundige bemiddeling de twee heersers, die voortdurend met
elkaar overhoop lagen, enigszins in toom te hou- den. We mogen
aannemen dat Von Salza arbeidde voor de instand- houding van een
relatieve eenheid van staat en kerk en dat hem een goede relatie
tussen de keizer van het Heilige Roomse Rijk en de paus voor ogen
stond. Hoezeer Von Salza’s inspanningen door beide kemphanen werd
gewaardeerd, mag blijken uit de vele pau- Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
selijke bevestigingen (maar liefst 32),
maar ook uit de toezeggingen
van privileges – 13 in totaal – die keizer Frederik II aan de orde
toekende. Von Salza doet in veel opzichten denken aan Umberto Eco’s
Baudolino, de slimme intrigant die op bijna nonchalante wijze
koningen en veldslagen beı¨nvloedt zonder zelf ooit in het daglicht
te treden. Zijn finest hour diende zich aan in de vorm van de Zesde
Kruistocht in 1228. Keizer Frederik kwam in dat jaar aan in
Palestina, dit tot groot ongenoegen van de aanwezige Franken. De
gee¨xcommuniceerde Frederik II van Hohenstaufen was uit ander hout
gesneden dan veel van zijn voorgangers. Hij had Sicilie¨ gee¨rfd
van zijn moeder en stak zijn bewondering voor de Moren niet onder
stoelen of banken. Hij sprak vloeiend Ara- bisch, ging gekleed als
een emir en droeg naar verluidt zelfs koran- teksten op zijn
mantel. Mede hierom noemden zijn tegenstanders hem de antichrist,
terwijl de Saracenen juist van hem gecharmeerd waren.
Door zijn achtergrond en zijn coulante houding ten opzichte van de
heidenen wist hij een onwaarachtige deal te sluiten met de sul-
tan: de keizer kwam in het bezit van Nazareth, de vestingen van
Montfort en Toron en niet in de laatste plaats het heilige
Jeruzalem. Sterker nog, Frederik wist een vrijgeleide naar
Jeruzalem los te krijgen door bemachtiging van een smalle strook
land die van Jaffa aan de kust naar de Heilige Stad liep.
De man achter dit huzarenstukje? Hermann von Salza. Von Salza
maakte zich als raadsman onmisbaar voor de keizer. De gewiekste
edelman wist hem zo ver te krijgen dat hij bij de paus het recht
lospeuterde om de witte mantels te dragen, een recht dat voorheen
enkel aan de tempelridders was voorbehouden. Het slimme plan om de
kroon van Jeruzalem in handen te krijgen door Frederik met de
dochter van koning John de Brienne te laten trouwen? Waarschijnlijk
van Von Salza. Het gaat niet te ver Von Salza als de rechterhand
van de keizer te beschouwen. In 1226 had deze Hermann en zijn
opvolgers tot prinsen van het keizerrijk be- noemd, mede om het
feit dat Von Salza op goede voet stond met de paus, die hem
overigens het ene privilege na het andere verleende. Iemand die in
die tijd als spreekbuis en bemiddelaar fungeert tussen Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de keizer en de paus heeft het beslist
niet slecht getroffen. Von Salza
was raadsman, denktank en spion tegelijk. Op instigatie van deze
Baudolino nam Frederik bezit van het Hospitaal in Jeruzalem en
schonk hij het paleis van Manoir-le-Roi aan de Duitse Orde. Toen
Frederik in de Heilige Grafkerk de kroon van Jeruzalem op zijn
hoofd plantte was dat in het bijzijn van Von Salza en de Teutoonse
broeders. De Duitse Orde had in de Heilige Stad het rijk alleen. Zo
zout hadden de tempelridders het nog nooit gegeten. Groot- meester
Pierre de Montaigu werd zo chagrijnig dat hij de sultan voorstelde
om keizer Frederik te laten vermoorden. Geen goed idee. De sultan
stuurde de brief door aan Frederik, die na zijn terugkeer in
Italie¨ alle bezittingen van de tempeliers confisqueerde. Dat de
tempeliers daarop terugsloegen door de Teutoonse ridders uit de
stad Akko te kegelen, maakte al bijna niet meer uit; de
Deutschritter hadden hun interesse al verlegd naar een ander ont-
ginningsgebied: het barre noorden van Europa. De Baltische
Kruistocht
De kruistocht tegen de ‘Noordelijke Saracenen’ werd vermoedelijk
meer gevoed door Duitse expansiedrift dan door christelijke bevlo-
genheid. Al in die dagen schijnt er zoiets als een Drang nach Osten
te hebben bestaan. In de eerste jaren van de Baltische kruistocht
trok deze zowel missionarissen aan als Duitse notabelen op zoek
naar land en avontuur. Net als in het Heilige Land werd de missie
gelegitimeerd door het substraat van Bernard van Clairvaux en de
Kerk. Wie tegen de kruisvaarders vocht, vocht immers tegen de
Heiland zelf, en dat maakte de annexatie van onchristelijke gebie-
den toch een stuk legaler. De noordoostelijke gebieden van Europa,
te weten Pruisen, Polen en de huidige Baltische staten Litouwen,
Estland en Letland, zaten tjokvol heidenen die het tenslotte aan
hun eigen goddeloosheid te danken hadden dat ze door christelijke
invasietroepen werden overrompeld. Kortom, de Balten vroegen er
gewoon om te worden bekeerd; zo niet goedschiks, dan kwaad-
schiks.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De werkelijke kruistocht, die rond 1230
gestalte kreeg onder de
visionaire Hermann von Salza, werd in 1147 voorafgegaan door een
oproep aan alle Duitsers om korte metten te maken met de heidense
volkeren ten oosten van de Elbe. Met name Pruisen, van oorsprong
het gebied van de West-Baltische stam de Pruzzen, bleek moeilijk te
kerstenen. De man achter deze aansporing was niemand anders dan de
abt van Clairvaux, en in 1201 resulteerde deze op- roep in de
vestiging van de stad Riga aan de monding van de Dvina, in het
huidige Letland. De stichter van Riga was Albrecht von Buxho¨vden,
die daarop de aartsbisschop van de nieuwe kolo- nie zou worden.
Hoewel de bekering van plaatselijke heidenen voorspoedig verliep,
was Riga in de begindagen weinig meer dan een christelijke enclave,
omgeven door diepe naaldwouden waarin het heidendom welig tierde.
Om het voortbestaan van Riga zeker te stellen richtte Albrecht in
1204 een nieuwe ridderorde op: die van de Schwertbru¨der, de
zwaardbroeders.
Gemodelleerd naar bestaande ridderorden als de tempeliers (ge- huld
in een wit habijt met een rood zwaard en een rood kruis op de
linkerschouder) wisten de zwaardbroeders de enclave uit te breiden
en te consolideren, en wel zodanig dat de Teutoonse ridders onder
Von Salza genoeg heil zagen in de operatie om van de noordooste-
lijke staten het nieuwe Outremer te maken. Het werd tijd dat de
Duitse Orde zich begon uit te breiden. De Teutoonse ridders moes-
ten naar het noorden voor nieuwe kansen en avonturen. De eerste
gelegenheid diende zich aan toen de Hongaarse koning Andreas II de
hulp van de Duitse Orde inriep bij het verdedigen van
Oost-Transsylvanie¨, dat onder dreiging lag van Turkse aanvallen.
De ridders namen de uitnodiging dankbaar aan en namen prompt bezit
van het gebied, dat in de daaropvolgende jaren volstroomde met
Duitse kolonisten. In 1225 werd het de koning te gortig: met een
groot leger drong hij het gebied, dat de Duitsers Burzenland waren
gaan noemen, binnen en gooide de kolonisten er zonder pardon uit.
In zijn wiek geschoten moest Von Salza uitwijken naar nieuw
terrein. Het terrein waarop hij zijn blik richtte was het noorden
van Polen. Daar, besloot hij, lag hun nieuwe thuis. Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De onderneming kreeg, dat zal niemand
verbazen, de hartelijke
groeten van de paus en geruggensteund door kerk en staat kon de
invasie van start gaan. De voorhoede werd geleid door de gretige
Hermann Balke, die wel de Pizarro van de Baltische landen wordt
genoemd.16 In 1231 bond Balke de strijd aan met de heidense
Prusiskai – de Duitsers noemden hen de Pruzzen – en zaaide dood en
verderf onder de overrompelde stammen in het noorden van Polen.
De kruistocht verliep voorspoedig. In 1239, het jaar waarin zo- wel
Balke als Von Salza stierf, bezaten de kruisvaarders het hele
gebied tussen de rivieren Vistula en Niemen, hadden ze een flink
aantal nieuwe steden en commanderijen opgericht, en waren vrij- wel
alle stammen in het gebied bekeerd of uitgeroeid. Een kust- strook
van zo’n 150 mijl was in het bezit van de Duitsers, een vol- maakte
uitvalsbasis voor expedities naar het binnenland. Een nieu- we
staatsvorm zag het daglicht: de ordestaat werd in het leven ge-
roepen; een vinding die op conto van de Teutoonse ridders
geschreven kan worden. De ordestaat was in wezen een onafhan-
kelijke oligarchie bestuurd door een adellijke Duitse ridderkaste.
Duitse en Nederlandse kolonisten werden in drommen toegelaten en
kregen land om te ontginnen. Een andere belangwekkende ont-
wikkeling was de opname van de zwaardbroeders in de Duitse Orde in
1237. De toekomst zag er, kortom, rooskleurig uit. Pas toen de
kruisvaarders hun territorium ten koste van de Rus- sen wilden
uitbreiden ontmoetten zij echte tegenstand. De ortho-
dox-christelijke Russen waren bepaald geen heidense wilden die in
bossen en hutten leefden, en de campagnes naar het oosten zouden in
de loop van de volgende twee eeuwen herhaaldelijk uitlopen op een
drama.
In 1240 staken de Teutoonse ridders de rivier de Narva over in een
onbesuisde poging om de stad Novgorod in te nemen. Dat bleek te
hoog gegrepen. Novgorod werd geregeerd door Prins Ale- xander
Yaroslavovitch, beter bekend als Alexander Nevski, die de
zwaarbeladen ridders uitdaagde om het bevroren Peipusmeer over te
steken. Het vervolg laat zich raden. De aanstormende Teutonen
zakten met paarden en al door het ijs en verdronken in het ijskoude
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
water. De nederlaag sprak ook in latere
tijden nog zodanig tot de
verbeelding dat de Drang nach Osten na 1240 flink bekoelde. De
Duitsers moesten zich tevredenstellen met hun veroveringen in het
noorden.
Aangemoedigd door deze en andere Teutoonse nederlagen kwa- men de
overwonnen Pruisische stammen in opstand en er was een nieuwe
kruistocht voor nodig – in 1254 – om de orde te herstellen. In deze
tijd was de Duitse Orde zo’n geducht orgaan geworden, met
commanderijen in heel Noord-Europa, dat zij in de tweede helft van
de dertiende eeuw, ondanks herhaalde oppositie van re- bellerende
stammen, oppermachtig bleef.
De snelheid waarmee de Duitse Orde zich in Europa uitbreidde is
indrukwekkend. Ongeveer halverwege Von Salza’s bewind strek- ten de
bezittingen van de Duitse Orde zich uit van Slovenie¨ tot
Thu¨ringen, van Beieren tot aan Tirol, met huizen in Praag en We-
nen; om maar te zwijgen van de vestigingen in de buitenste ge-
bieden van het Byzantische Rijk (Griekenland, Roemenie¨). Aan het
eind van de dertiende eeuw had de orde 300 afzonderlijke provincies
in bezit, verspreid over het gehele Europese continent. Geen
geringe prestatie. Niet lang na Von Salza’s dood begon de orde ook
voet aan de grond te krijgen in de Nederlanden. De tempeliers
moeten afgunstig hebben toegekeken hoe de Duitse Orde almaar
groter, rijker en invloedrijker werd. Hoeveel forten de tempeliers
ook innamen (vaak met grof geweld), hun invloed en bezit bleef
jammerlijk achter bij die van de Duitse Orde, die gestaag en over
het algemeen zonder al te veel bloedvergieten haar macht
consolideerde in Europa.
Veroverde gebieden werden gecultiveerd en uitgebreid. We mo- gen
hier wel spreken van een soort ‘terravorming’ waarbij Duitse
kolonisten de geannexeerde gebieden in bezit namen en ze om-
vormden tot akkerland. De dichte wouden werden gekapt, moeras- sen
drooggelegd en de gewonnen grond viel onder de ploeg. Bijna honderd
steden en zeker duizend nederzettingen zagen het daglicht onder
auspicie¨n van de orde. Edellieden stroomden van alle kanten toe en
vestigden zich ter plaatse als de nieuwe adel. Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De ordestaat
De Teutonen hadden in de Levant het een en ander opgestoken van de
tempelridders en begonnen in hun nieuwe leefgebied ook te
bankieren. De Duitse Orde bracht een eigen munt uit en maakte de
ordestaat tot een aantrekkelijk ontginningsgebied voor koop- lieden
en handelaren. Ze verkreeg de alleenhandel in graan, amber en
andere producten. Ze exporteerde hout, zilver, zout, huiden,
paarden en valken op grote schaal. Daarnaast importeerde ze on- der
andere koper en wijn, en wol uit Engeland. Mede dankzij de gunsten,
diplomatiek afgedwongen door Von Salza, steeg de Duitse Orde
gedurende de dertiende eeuw interna- tionaal snel in aanzien; tal
van gronden, goederen en privileges vielen haar ten deel. Zij mocht
eigen priesters aanstellen en stond, hoewel zij officieel
verantwoording moesten afleggen aan de paus, niet onder enige
bisschoppelijke macht.
De commanderij van Marie¨nburg, het statussymbool van de orde en
min of meer haar hoofdkwartier,18 hield het midden tussen een fort,
een paleis en een klooster en overtrof in veel opzichten de pracht
en praal van veel Europese vorstenhuizen. Verschillende koningen
kwamen een kijkje nemen en keerden terug met verhalen over
luisterrijke paleizen en opgestapelde kostbaarheden. Marie¨n- burg
werd een soort Camelot, een plaats waar de grootmeesters
resideerden, waar spelen en zangwedstrijden werden gehouden, waar
landdagen werden georganiseerd.
Het zwaard werd in die tijd echter niet neergelegd; er vielen ook
in eigen huis nog voldoende heidenen te kerstenen. De orde kende in
die periode zware tijden waarbij veel ridders omkwamen, maar we
mogen nooit uit het oog verliezen dat tegenover elke openlijke
(militaire) nederlaag van de orde een politieke en economische
overwinning stond. Waar we de Duitse Orde ook tegenkomen in de
geschiedenis, telkens weer weet zij zich in de meest penibele en
hopeloze tijden te handhaven en zelfs munt te slaan uit de veran-
derlijke tijden. Wat ook bijdroeg aan het succes van de orde was de
beproefde methode van incorporatie en samenwerking naar het
voorbeeld van Von Salza. Het gebrek hieraan kan worden gere- Tirion
– Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
kend tot een van de belangrijkste oorzaken
van het verval van de
tempeliers, die zich altijd hadden opgesteld als een kleine, agres-
sieve en relatief hermetische orde. De Duitse Orde daarentegen
opereerde precies omgekeerd: door haar alomtegenwoordigheid en haar
op diplomatie gestoelde politiek waren de ridders in elk segment
van de macht vertegenwoordigd en strekte de orde haar invloed uit
tot ver voorbij de kerk. De neiging om met alle winden mee te
waaien zou in de verdere geschiedenis van de Teutoonse ridders nog
van belang blijken.
Meer naar het oosten was het niet allemaal peis en vree, maar de
Teutoonse opmars was in die dagen niet te stoppen. Toch lijkt de
orde nog iets anders te hebben opgestoken van de kruistochten in
Palestina: het ironische feit dat de ridderorden hun bestaansrecht
juist ontleenden aan het feit dat sommige gebieden juist nog niet
gekerstend waren. Zolang er nog wouden te kappen waren en heidenen
om te bekeren, hadden de ridders een geldige reden voor hun
aanwezigheid. Zij vormden de frontlinie, de enige verde-
digingshaag tussen de christenen en de eeuwige dreiging van aan-
stormende wilden. Zolang er heidenen bestonden, bestond de orde. De
tempeliers, die in West-Europa geen Saracenen hadden om te
bevechten, hielden op te bestaan. Dankzij de aanhoudende drei- ging
van rebellerende Balten en plunderende Tartaren behield de Duitse
Orde haar macht, haar status en de goedkeuring van Rome.
Go¨tterda¨mmerung
De ordestaat bereikte haar hoogtepunt aan het einde van de veer-
tiende eeuw. Daarna ging het gestaag bergafwaarts. Arrogante
Hochmeisters en ongelukkige campagnes tegen de oosterburen zorgden
voor de geleidelijke desintegratie van de Teutoonse over- heersing.
Ook van binnenuit werd de orde aangevreten. Gekers- tende heersers
keerden zich tegen hun meesters. De diplomatie werd overboord
gegooid, tot schade van de Duitsers. Toen de over- moedige
grootmeester Ulrich von Juningen het in 1410 bij het Pruisische
Tannenberg liet aankomen op een allesbepalende con- Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
frontatie met Baltische rebellen onder
leiding van koning Wlady-
slaw, leden de Duitse ridders een verpletterende nederlaag. Ulrich
was zo onbezonnen geweest om de subtiele politiek van zijn broer
Konrad, die hij als Grootmeester was opgevolgd, in te ruilen voor
drieste veldslagen. Hij had de les van Hermann von Salza niet
begrepen en in 1410 betaalde de Duitse Orde de prijs. Achttien-
duizend ridders verloren het leven, Ulrich zelf werd wreed ver-
moord.
Marie¨nburg viel datzelfde jaar.
Wat de ondergang bespoedigde, was het feit dat de tegenstanders van
de Teutoonse ridders na 1400 niet langer Saracenen waren. Het waren
gekerstende vijanden die niet Christus, maar wel het juk van de
orde van zich wilden afschudden. Daarbij zorgde de pest met als
gevolg een kwijnende Europese bevolking voor econo- mische malaise.
De kruistocht verloor zijn glans en trok nauwelijks nog
belangstellenden. Deze en andere tekorten speelden de ver-
deeldheid in de kaart, zoals dat ook in de Orie¨nt het geval was
geweest. De orde kon zich geen grote militaire campagnes meer
veroorloven en de ridders verscholen zich in hun individuele for-
ten, de ordeburchten. In 1450 was de orde met een derde gekrom-
pen.
De volwassen geworden Pruisen gingen er in 1440 toe over hun eigen
bond op te richten, een nauwelijks verholen poging om de ordestaat
teniet te doen. Hulpeloos keken de ridders toe. Meer oorlogen en
verdeeldheid volgden. Het verloop van de vijftiende eeuw stond in
het teken van een geleidelijke terugtocht. In namen de Russen
opnieuw bezit van de Baltische staten. In de zestiende eeuw gaven
de Teutonen opnieuw blijk van hun opportu- nistische aard door het
protestantisme te omarmen. Luther zelf had zich herhaaldelijk
geı¨nteresseerd getoond in de orde en in ging de orde voor de
lutherse bijl.
Voor het behoud van de ordestaat mocht het allemaal niet meer
baten. De Pruisen, de Russen, de Zweden en de Denen, iedereen rook
de ondergang van de Teutoonse grootmacht en na een laatste Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Pyrrusoverwinning in 1562 werd de orde,
althans wat de geschie-
denisboeken betreft, zo goed als ontbonden. Dit is wat de
geschiedenis ons in grote lijnen vertelt. Maar eindigt ons verhaal
daarmee? Verdween de orde daadwer- kelijk uit beeld? Of werd er een
voortzetting gevonden die groten- deels uit de annalen is gebleven,
verborgen in de schaduwen van het Europese strijdtoneel?
We probeerden uit te zoeken hoe invloedrijk de Duitse Orde in feite
was. Al snel bleek dat de Duitse kruisvaarders in hun opmars niet
alleen stonden.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De Hanze en het
Teutoonse expansieplan
Gotlandvaarders
Wij weten niet wie zij waren, deze stichters van de Duitse Orde in
het Heilige Land. Wat hen dreef is in nevelen gehuld. De boeken
zijn hardnekkig verdeeld over hun identiteit: het ene spreekt over
‘geestelijken’, het andere slechts over ‘bewoners’; maar de meeste
historici spreken toch over ‘kooplieden’. Waar alle bronnen het
over eens zijn, is dat de stichters afkomstig waren uit Noordwest-
Duitsland: de steden Bremen en Lu¨beck om precies te zijn. Wat we
met zekerheid weten, is dat deze kooplieden aan de wieg hebben
gestaan van de Duitse Orde in het Heilige Land en dat ze zich ter
plaatse onmiddellijk beijverden voor het welzijn van Duitse
kruisvaarders. De orde zou in de eerste jaren een soort liefdadig-
heidsorganisatie zijn ten behoeve van de troepen overzee. Onder-
zoeker van de Duitse Orde J.C.A. Hezenmans schrijft: ‘Door mede-
lijden bewogen, bij het gezicht van zoveel jammeren, sloegen de
kooplieden en scheepvoerders van Bremen en Lu¨beck een veldhos-
pitaal op, met de zeilen hunner schepen, werwaarts zij de zieken en
stervenden overbrachten, die zij verpleegden met eene zorg en lief-
derijkheid, welke naar het schijnt onder de mannen het meest bij de
Duitschers wordt aangetroffen.’ Dit idee past prachtig in de
theorie van de nobele, zij het ietwat ruwe veroveringstocht van het
Heilig Land, zoals naar voren is geschoven door de meeste
historici. Wat bewoog deze avonturiers om hun tenten op te slaan in
dit door oorlog verscheurde land? Was het inderdaad medelijden?
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
In het begin van ons onderzoek leek een
antwoord op deze vraag
niet al te relevant. Er was niet zoveel reden om aan te nemen dat
het hier veel anders was gesteld dan met de twee andere ordes, de
johannieters en de tempelridders. Werd ook de Duitse Orde niet
aangestoken door het religieuze vuur van de paus? De bekende mix
van motieven: de ellende aan het thuisfront in combinatie met
religieuze vervoering bewoog deze mensen ertoe zich zo ver van huis
te wagen, het onbekende tegemoet.
Maar ons onderzoek wijst uit dat bij de oprichting van de Duitse
Orde minder nobele redenen een grotere rol speelden. Bij nadere
beschouwing blijkt het hier namelijk helemaal niet te gaan om een
stel avonturiers. Niet eens om idealisten. Hoewel de namen van de
stichters ons niet zijn overgeleverd hebben wij een belangrijke
aan- wijzing in handen voor de afkomst van deze pioniers. Een
vluchtige beschouwing van de steden Bremen en Lu¨beck ont- hult dat
dit al vroeg in de Middeleeuwen belangrijke kuststeden waren. Al
sinds de tiende eeuw was hier sprake van booming han- delsverkeer,
met name vanuit Denemarken en Gotland. Deze ge- bieden lagen boven
het uiterste noordwesten van het tegenwoordi- ge Duitsland en
bleken uitstekende springplanken voor handels- verkeer met de
omringende landen. Tot aan de elfde eeuw was de handel in dit
gebied vooral in handen geweest van de Goten en voornamelijk
gericht op Rusland. Duitse kooplieden namen het initiatief om met
de Goten te onderhandelen. Deze varende koop- lieden kwamen bijeen
in gilden en vormden genootschappen, naar het voorbeeld van de oude
Saksische en Gotische allianties. We weten dat de clanhoofden zich
hevig tegen de tirannie van de Fran- ken hadden verzet en dat de
latere Frankische keizers, ondanks herhaaldelijke pogingen, nooit
echt vat hebben kunnen krijgen op deze stammen. De relatief
onafhankelijke status die de Noord- Duitse stamhoofden genoten
heeft ze geen windeieren gelegd. De autonome lokale vorsten bleken
een machtsfactor in Duitsland en die factor steeg gestaag. Dat
bleek zeer gunstig voor de handel. De genootschappen van reizende
kooplieden heetten ‘Hanzen’. Het woord Hanze betekent ‘groep’ of
‘gemeenschap’ en is afgeleid Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234
mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van het Oudgermaanse woord Hansa, dat
zoveel betekent als ‘or-
ganisatie’ of ‘schare’. De Hanze, of mercatores in hensa Theutoni-
corum was echter geen organisatie in de gebruikelijke zin van het
woord: ze was geen officie¨le rechtspersoon maar bestond in plaats
daarvan uitsluitend bij de gratie van de eensgezindheid onder haar
leden. Men was niet in het bezit van een eigen zegel, hetgeen in
die tijd zeer ongebruikelijk was. Ook had men geen leger: nog onge-
bruikelijker. Omdat de leden van de Hanze zich gesteund wisten door
de machtige Duitse adel, en inmiddels in het bezit waren ge- komen
van een geschikte haven aan de Oostzee, zaten zij met steeds meer
zelfvertrouwen aan de onderhandelingstafel. Speciaal voor de handel
met de Baltische landen werd later door de Saksische hertog Hendrik
de Leeuw in 1159 de stad Lu¨beck gesticht. Met name deze stad
speelde in dit verband al in de vroege Middeleeuwen een be-
langrijke rol. Later, in 1226, werd de stad tot vrije rijksstad
ver- heven. Door haar snelle opbloei groeide ze ten slotte uit tot
de grootste handelsstad van Noord-Europa. Vanuit Lu¨beck en andere
steden vertrokken schepenvol handelswaar (zijde, linnen, bier, wijn
enzovoort) naar de Baltische landen en zelfs naar Rusland. Ook was
er druk verkeer met de Scandinavische landen. Nog geen twee jaar na
de stichting van Lu¨beck werd door dezelfde Hendrik de Leeuw ‘Het
genootschap van kooplieden van het Heilige Roomse Rijk die Gotland
bezochten’ opgericht. Deze Hendrik was een bijzondere man. Hij was
hertog van Bei- eren en Saksen: een Saksisch clanhoofd van de oude
stempel. Hij speelde handjeklap met niemand minder dan de paus en
de Engelse koning Richard Leeuwenhart: twee mannen die zeker niet
vies waren van de incidentele kruistocht. Het mag ons daarom niet
verbazen dat de Hanze al vroeg een kantoor had in Londen. Het jaar
1161 wordt beschouwd als de officie¨le stichting van de zoge-
noemde Hanze, het Noord-Duitse verbond van handelaren dat ruim drie
eeuwen de gehele streek en grote gebieden daarbuiten economisch zou
beheersen. Sommige geschiedschrijvers zien deze gebeurtenis als de
stichting van een soort rudimentaire Europese Unie. Enkele decennia
later bestond de Hanze al uit meer dan der- tig Duitse steden,
hoofdzakelijk kuststeden. Met de Gotlanders Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
werd vervolgens door de Hanze een
eeuwigdurende, zeer winst-
gevende vrede gesloten – waarbij zij haar privileges in de Oostzee-
handel opgaf en in ruil daarvoor vrije toegang kreeg tot Lu¨beck.
Het is moeilijk voor te stellen, maar gedurende de veertiende tot
de zestiende eeuw waren niet minder dan 200 steden lid van de
Hanze. Een groot aantal steden was automatisch vanaf het begin lid
– omdat haar handelaren in het buitenland toegelaten werden tot de
handelsposten en daar gebruikmaakten van de Hanzeprivi- leges.
De dubbelkoppige adelaar: De band tussen de Hanze en de Duitse
Orde
De vroege Hanze maakt dus de indruk een enigszins rommelige
organisatie te zijn geweest. Niets is minder waar. Een
uitgestippeld beleid lag ten grondslag aan de handelsfederatie. Dit
komt tot uit- drukking in een wapen dat steevast gebruikt zou
worden om ste- den aan te duiden die bij de handelsfederatie
betrokken waren: de dubbelkoppige adelaar. Ee´n lichaam, twee
hoofden. Voordat deze adelaar aan het begin van de vijftiende eeuw
werd overgenomen door de keizer als het zinnebeeld van het Heilige
Roomse Rijk, hadden allerlei Hanzesteden het fabeldier opgenomen in
hun stads- wapen.
Deelde Lu¨beck het wapen uit aan bevriende steden? Het lijkt er wel
op, want hoewel het wapen al een tijdlang bestond en vermoe- delijk
ontleend is aan de Byzantijnen, zien we het vooral terug bij de
vroege Hanzesteden. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de
twee koppen duiden op twee afzonderlijke organisaties. Dat is niet
zo gek als we nagaan dat het Hanzeleden waren die ervoor
verantwoordelijk worden gehouden in het Heilige Land de Duitse Orde
te hebben gesticht. Het dier mag dan over twee koppen be- schikken,
er is maar e´e´n lichaam. Dit zou duiden op een centrale
doelstelling voor beide partijen.
Steeds lag het gevaar van interne verdeeldheid op de loer. De
diversiteit van belangen bij de aangesloten steden was zondermeer
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de zwakte binnen het Hanzeverbond. Zeker
is het dat in de eerste
helft van de vijftiende eeuw het aantal Hanzesteden sterk groeide.
Een uitzonderingspositie binnen het verbond werd ingenomen door de
grootmeester van de Duitse Orde, die als rechtspersoon lid was.
Hierdoor konden in principe al zijn onderdanen (lees: de gehele
Duitse Orde) een beroep doen op de Hanzeprivileges. En dat deden ze
dan ook, veelvuldig. De band tussen de twee organisaties is zelfs
zo hecht, dat men met recht kan spreken van een twee- eenheid: de
dubbelkoppige adelaar. Men had geen passender sym- bool kunnen
kiezen om deze bruiloft van belangen in uit te druk- ken.
Deze symbiotische relatie blijkt ondermeer overtuigend uit het feit
dat de veroveringen van de orde in bijna alle gevallen vergezeld
gingen van een opstart van handelsposten, geleid door Hanze-
kooplui. In het geval van Torun bijvoorbeeld, dat tijdens de Bal-
tische kruistochten in 1233 in het bezit van de Teutoonse ridders
kwam, ontstond aan de voet van het fort een compleet nieuw stads-
deel, waar de Hanze zich even later vestigde. Een ander voorbeeld:
toen de Duitse Orde de stad Danzig stichtte aan het begin van de
veertiende eeuw, werd deze rond 1360 lid van de Hanze. Weer een
ander voorbeeld: in 1252 bouwde de Orde van het Zwaard, de
militaristische tak van de Duitse Orde, een kasteel aan de monding
van de rivier Dane´; en toen ook de Hanze daar twee jaar later
neerstreek, groeide de vesting uit tot een volwaardige Hanzestad.
De stad Elbing werd in 1237 gelijktijdig gesticht door de Land-
meister van de Duitse Orde en de kooplieden uit Lu¨beck. De vesti-
gingen aan de kust schoten als paddestoelen uit de grond. Deze min
of meer willekeurige greep uit de middeleeuwse geschiedenis toont
aan hoezeer de Duitse Orde en de Hanze waren vervlochten.
Bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op de Baltische
veroveringstochten. Dit betekent echter niet dat de relatie in vre-
destijd daarom minder sterk was. Er zijn talloze voorbeelden te
noemen van vreedzame annexaties die de orde ondernam, daarbij op de
voet gevolgd door Hanzekooplieden en vice versa. Sterker nog: van
de 200 steden die in de veertiende en vijftiende eeuw bij de Hanze
waren aangesloten, hebben we slechts met moeite een enke- Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
le uitzondering op deze regel kunnen
vinden – en zelfs in deze
spaarzame gevallen stond het niet vast dat er geen onderlinge be-
moeienissen waren.
De relatie tussen de Duitse Orde en de Hanze is dus hecht. Hun
wortels groeien gelijk op en hun beider opkomst (en latere teloor-
gang) loopt nagenoeg parallel. Het was de Hanze die met haar
schepen naar het Heilige Land voer en onder wier tentzeilen de
Duitse Orde tot ontwikkeling kwam. We weten dus dat de ‘bewo- ners
uit Lu¨beck en Bremen’ die in 1190 de Duitse Orde stichtten,
Hanzeleden waren die over een flinke vloot beschikten. Het is op-
merkelijk dat toonaangevende studies weliswaar op samenwerking
wijzen, maar niet spreken over de directe samenhang van beide
partijen; men waagt zelfs geen poging om de stichting van de Duit-
se Orde te beschouwen als een logisch uitvloeisel van de bestaande
Hanze of omgekeerd, hetgeen opmerkelijk is gezien de vele aanwij-
zingen die deze bewering lijken te staven. We hebben gezien dat de
handelsroutes van de Hanze vanaf het midden van de twaalfde eeuw
fors werden uitgebreid; ze bezat bij voorbeeld al in 1260 kantoren
in Londen en Brugge en zocht voort- durend naar nieuwe
handelshorizonten. Ook weten we dat de Got- landvaarders een niet
geringe militaristische inslag hadden, aange- zien ze op weg naar
Palestina nog even Portugal aandeden en daar slag leverden met hun
concurrenten, de Moren, die gezien werden als een bedreiging voor
het handelsbeleid van de Duitsers. De offi- cie¨le reden voor deze
slachtingen was natuurlijk wederom ‘kruis- tocht’. Opvallend detail
is dat hertog Hendrik I van Brabant al in 1197 de Bremers en
Lu¨beckers hielp bij deze antimoorse expedi- ties. We zullen deze
hertog nog vaker tegenkomen. Volgens Heinz Stoob, schrijver van de
meest uitgebreide studie over dit onderwerp, vertrokken er aan het
einde van de twaalfde eeuw vele vloten in de richting van
Portugal.20 Ee´n daarvan brak los van de overige vloten, en voer
naar het Heilige Land. Het is waarschijnlijk dat deze vloot van
Gotlandvaarders niet op eigen initiatief de barre tocht ondernam,
in een wilde vlaag van avon- tuurzucht. Zij had hiertoe vooraf
opdracht gekregen van Lu¨beck. Tirion – Literair Klassiek – 157 x
234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Welke andere stad uit Noord-Duitsland
beschikte immers over een
vloot groot genoeg om een dergelijke expeditie naar het Heilige
Land te ondernemen? De kruistochten boden de kooplieden de
mogelijkheden om allerlei handelsbetrekkingen aan te knopen on- der
bescherming van de pauselijke stoottroepen. De formering van een
ridderorde, met alle militaire middelen tot haar beschikking, was
natuurlijk een uitstekende manier om de handelswaar te be-
schermen. En hoewel zij openlijk de Saracenen bestreed, dreef zij
onder tafel naarstig handel met hen. Door zich aan te sluiten bij
de Heilige Strijd kreeg de Duitse handelsfederatie de mogelijkheid
om land te veroveren van waaruit vele handelsroutes open kwamen te
liggen die vroeger ontoegankelijk waren. Een mooie illustratie van
het verschil tussen de tempeliers en de Teutonen is de vestiging
van hun hoofdkwartier, respectievelijk in Jeruzalem en Akko. De
tem- peliers namen het Heilige (maar verder nogal armoedige)
Jeruza- lem in, de Duitse Orde nam in eerste instantie bezit van de
havens der Saracenen in Akko. De stichters van de Duitse Orde
vestigden zich niet in Jeruzalem, het belangrijke politieke en
religieuze cen- trum, zij bleven hangen bij de steigers. Niet
verwonderlijk wanneer we in beschouwing nemen dat vrijwel al het
internationale han- delsverkeer plaatsvond vanuit deze essentie¨le
kustplaats. Een open verbinding met het Ottomaanse Rijk werd ineens
mogelijk, en ook met Griekenland en andere landen. Het gaat niet te
ver als we zeggen dat de Duitse Orde het vrij aardig deed daar in
Outremer. Niettemin heeft het er alle schijn van dat de Duitsers er
hun gezicht lieten zien om als ridderorde door het Vaticaan erkend
te worden, enkel en alleen om in het noorden van Europa hun slag te
slaan. De Germanen, zouden we kunnen zeggen, heroverden
Noord-Europa via een omweg. De Hanzedag
We weten nu dat de oprichters van de Duitse Orde hun wortels hadden
in een dynamisch en economisch zeer welvarend handels- gebied. Of
het nu in de visserij was of in de import en export van Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
graan, de omzet groeide en om dat in stand
te houden begon ook de
noodzaak van allianties, van een gezamenlijke ‘politiek’ te ont-
staan.
De spin in het web was vanaf het begin Lu¨beck. Deze stad was
gesticht om zo veel mogelijk handelsschepen te accommoderen en is
door de eeuwen heen de centrale Hanzestad gebleven. Hier klopte het
administratieve hart van de Hanze. En het was deze stad van waaruit
de grote koggen (zoals de Hanzeschepen ook werden genoemd) naar het
Heilige Land voeren. Tevens werden hier de grote Hanzedagen
gehouden en de belangrijkste vergade- ringen bijeengeroepen. Al
spoedig hield de Hanze haar jaarlijkse Hanzedag, een bijeenkomst
van de leden waarbij politiek werd be- sproken. Een gezamenlijke
politiek, die voor alle betrokkenen voordelig moest uitwerken; en
hoewel de besluiten officieel bij meerderheid van stemmen werden
genomen, gebeurde het wel dat tegenstemmers dusdanig onder druk
werden gezet dat men toch het gewenste resultaat kreeg. Hieruit
blijkt dat er in de Hanzedag een centraal orgaan bestond dat een
vooropgezet beleid uitvoerde. Ee´n manier om elk protest in de kiem
te smoren, was dreigen tegen- stemmers uit de Hanze te zetten. Wie
niet meewerkte kon dus zomaar uit het verbond worden gezet, hetgeen
bijvoorbeeld Bre- men driemaal overkwam.
Hoewel er vanuit de Hanzesteden ook regionale belangen mee-
speelden, werd er niettemin een collectieve taart gegeten waar alle
partijen van mee smulden. Maar vaker dan de vaste Hanzedagen werden
regionale bijeenkomsten gehouden. Over het algemeen on- derscheidt
men drie verschillende machtsgroepen binnen de Hanze: er was een
Rijnlandse groep, die de handel op en over de Rijn in handen had.
Er was een Wendisch verbond, dat het mono- polie bezat op de handel
van en naar de Baltische landen. De derde, en veruit belangrijkste
groep, bestond hoofdzakelijk uit Pruisen, die onder andere de
graanhandel regisseerden. Deze laatste, Prui- sische groep werd
vertegenwoordigd door de grootmeester van de Duitse Orde en zijn
gevolg. Sommige leden klaagden erover dat de orde te centralistisch
van aard zou zijn en een al te dominante positie innam binnen de
Hanzedag. Maar dit toch al zwakke pro- Tirion – Literair Klassiek –
157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
test verstomde ten slotte volledig, omdat
iedereen ook wel begreep
dat zonder de militaire assistentie van de orde de handel spoedig
ten prooi zou vallen aan piraten en ander zeeschuim. Terwijl de
meeste aangesloten Hanzesteden feodaal van karakter waren, was
Lu¨beck een van de weinige ‘vrije’ steden, een stad van het Heilige
Roomse Rijk, die alleen verantwoording had af te leg- gen aan de
keizer. Maar we hebben al gezien dat zelfs deze verant- woording
alleen op papier bestond. In de praktijk behield Lu¨beck een
volstrekt onafhankelijke positie binnen het Rijk. Natuurlijk was de
Hanze niet zonder vijanden. Zij had echter een wapen dat machtiger
was dan zwaarden, namelijk het wapen van de boycot. Het kwam
geregeld voor dat rebellerende leden economisch werden geboycot,
hetgeen in de meeste gevallen ge- noeg reden was voor de afvallige
partij om snel bakzeil te halen. Maar de provocaties waren in een
enkel geval ook afkomstig van niet-leden, op wie de dreiging van
boycot geen effect sorteerde, zoals in het geval van de koning van
Denemarken, Waldemar At- terdag. Deze koning had de opkomst en
enorme macht van de Hanze met lede ogen aangezien en zag zijn
economisch belang ernstig bedreigd door Duitse kooplieden, die
inmiddels (we schrij- ven begin veertiende eeuw) de handel op de
Oostzee monopoliseer- den. Tegelijkertijd was de koning, in weerwil
van zijn edelen en adviseurs, te trots om zich aan te sluiten. In
plaats daarvan was Waldemar erop gebrand de handel langs de Deense
kusten voor zichzelf terug te winnen, wat de Hanze weer razend
maakte. Een militair conflict leek niet te voorkomen. In 1361,
direct na afloop van onderhandelingen om de vrede te bewaren, sloeg
de Deense koning toe. Hij plunderde de Hanzestad Visby, de
hoofdstad van Gotland.
Lu¨beck was furieus en het Wendische verbond pleitte op een in
allerijl georganiseerde Hanzedag voor directe militaire actie. De
andere twee verbonden, de Rijnlandse en Pruisische, twijfelden nog.
De grootmeester van de Duitse Orde was bevriend met Wal- demar,
maar was tevens de belangrijkste leverancier van wapens voor het
prive´-leger van de Hanze. Ondanks de verdeeldheid van de
Hanzeleden ten aanzien van het conflict, werd er toch besloten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
om tot actie over te gaan. 52
koggeschepen, elk uitgerust met meer
dan 100 manschappen, voeren vanuit Lu¨beck richting Denemar- ken,
vergezeld van 104 kleinere schepen. In eerste instantie verliep de
militaire campagne voor de Hanze- schepen voorspoedig: Duitsers
belegerden Kopenhagen en namen bezit van de stad. Na de stad te
hebben geplunderd, trokken de Hanzesoldaten verder om de Deense
forten langs de kust aan te vallen. Het plan was om zich aan te
sluiten bij een Zweedse vloot die de Hanze zou ondersteunen in de
veroveringstocht, maar die vervolgens nergens te bekennen was.
Rampspoed daalde neer op de vechtende kooplieden. Voornamelijk
vanwege een tactische fout, namelijk het bevel om alle manschappen
op het land een fort in te laten nemen. Op dat moment verschenen
enkele Deense schepen die onmiddellijk het vuur openden op de
verraste Hanze- soldaten. De koggeschepen van de Hanze zonken naar
de zeebo- dem of dropen af. De strijd was verloren. Vervuld van
schande, meer wrakhout dan schip, bereikten de resterende
verslagenen Lu¨- beck. De ongelukkige aanvoerder werd publiekelijk
onthoofd van- wege zijn incompetentie. Gelukkig waren er mannen als
de groot- meester van de Duitse Orde. Deze hielden de economische
betrek- kingen met Denemarken warm en bleven gestaag in gesprek met
de Deense edellieden, die zich meer en meer ergerden aan hun hals-
starrige vorst. De Duitse Orde was heer en meester, hier moordend
en plunderend, en daar weer opererend met de fluwelen hand- schoen
van diplomatie, al naar gelang de situatie. Koning Waldemar,
gesterkt door zijn succes tegen de kooplieden, bleef de
confrontatie zoeken: hij opende zelf de aanval en liet hier en daar
Hanzeschepen tot zinken brengen. Ditmaal was de Hanze minder
geneigd om ten strijde te trekken. Het verlies van de vorige
zeeslag maakte dat zij haar vingers niet nogmaals aan de Deense
koning wilde branden. Echter, de vele Deense provocaties lieten
haar weinig keus. Opnieuw kwam de grootmeester van de Duitse Orde
tussenbeide. Hij benaderde Waldemar met het verzoek zijn koers te
wijzigen. Misschien liet de grootmeester doorschemeren dat hij de
Hanzedag niet langer kon bedwingen. Wellicht liet hij het Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
voorkomen alsof de Hanze gereed was om de
totale oorlog te ver-
klaren en suggereerde hij dat de Deense edellieden ook niet eeuwig
in een staat van boycot wilden leven. Het was, kortom, een uiterst
betreurenswaardige geschiedenis en bovendien slecht voor de han-
del. Vooral dat laatste argument deed de koning uiteindelijk inbin-
den. Bij thuiskomst bleken de edellieden, die uiteindelijk toch
Han- zegezind waren, zich tegen hem te hebben gekeerd en kwam hij
erachter dat ze een aanslag op zijn leven voorbereidden. Waldemar
ontvluchtte de binnenlandse samenzwering en ging naar het huis van
de grootmeester van de Duitse Orde. Door deze en soortgelijke
interventies wist de Hanze haar macht in de regio te consolideren.
De Hanze in de Nederlanden
Na de overwinning op Waldemar werden de vrijheden van alle
deelnemende steden in de handel onvoorwaardelijk en ‘tot in de
eeuwigen dage’ bezegeld in de Vrede van Stralsund: een verdrag
tussen de Hanzesteden waarin de onderlinge afhankelijkheid nog eens
werd bevestigd. De deelnemende partijen verwierven dankzij deze
‘vrede’ allerlei extra privileges van de Hanze, zoals het recht om
in de Deense kustwateren te vissen. De knooppunten in het web van
de Hanze, deze kralenketting van nederzettingen, werden vit- tes
genoemd: permanente handelsnederzettingen van belangrijke
Hanzesteden. Langs deze strategische punten vertakte het adernet-
werk van de Hanze zich door nagenoeg het hele Europese conti- nent.
Veel steden die waren aangesloten kregen een dergelijke vitte
toegewezen van de Hanzedag: een afgepaald stuk grond met hui- zen
en kramen, waar het eigen stadsrecht gold. Je zou ze kunnen
vergelijken met ambassades. Het doel van de meeste Hanzesteden was
om zelf een of meerdere vittes te bezitten, want dat betekende een
eigen handelspost en een sterkere handelspositie in den vreemde:
letterlijk vaste voet aan de grond. Maar een vitte was geen
vrijblijvend geschenk van Lu¨beck aan de steden. In ruil voor deze
royale gift werden de aangesloten steden in feite zelf vittes van
Lu¨beck, die hen op haar beurt vrijheid van tol en privileges
schonk. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press
Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze privileges maakten het vervolgens
voor de Duitsers weer ge-
makkelijker om de rivieren en zeee¨n te bevaren. Er werd dus een
wederzijds belang gediend, vastgelegd in contracten. Het gehele
gebied dat we nu kennen als Noordwest-Europa werd in de loop van de
twaalfde, dertiende en veertiende eeuw economisch be- heerst door
de Hanze. Geen wonder dat opvallend veel aan een rivier gelegen
steden Hanzesteden waren. Ook in het gebied dat we nu kennen als
Nederland.
Verscheidene steden hadden in de loop der tijd vittes gekregen van
de Hanze, zoals Deventer, Utrecht, Tiel, Hasselt, Groningen,
Zierikzee, Middelburg, Arnemuiden, Harderwijk, Zutphen, El- burg,
Dordrecht en Amsterdam; en dat zijn er nog maar enkele. Om deze
vergaande invloed van een buitenlandse handelsorgani- satie op de
gemeentes te kunnen begrijpen, moeten we inzicht heb- ben in de
organisatiestructuur van de Hanze. Dat is tamelijk lastig, want men
moet diep graven om enkele sta- tuten te vinden waarin de afspraken
tussen Hanzeleden onderling of met derden daadwerkelijk zijn
opgeschreven. We weten inmid- dels dat de grotere internationale
bijeenkomsten veelal plaatsvon- den in Lu¨beck en dat de ‘kleinere’
afspraken werden overgelaten aan de regionale Hanzeorganisaties.
Deze regionalen waren des- tijds onderverdeeld in Drittels, of
Quartiere. Overijssel bijvoor- beeld maakte onderdeel uit van de
Keulse Drittel. Deventer was de voornaamste stad voor deze regio.
Er zijn akten bewaard ge- bleven die de principaalsteden hun
‘bijsteden’ toezonden voor een ‘bespreking binnen haar muren’ of
die dwingend tot betaling uit- nodigden. Zwolle heeft een
stadsrekening uit 1549 waarmee in Overijssel Hanzebelasting werd
geı¨nd.
Omdat Duitse kooplieden al in de elfde eeuw contacten hadden met de
Friezen, die gezien werden als broeder-Germanen, was de toetreding
van Nederlandse steden tot de Hanze een kleine stap. De nodige
handelscontacten bestonden al vo´o´r de oprichting van de Hanze. De
eerste contacten met de Friezen werden al in de elfde eeuw gelegd.
De Friese kuststeden werden gebruikt als aanlegoe- vers voor de
Duitse koggeschepen en werden in de loop van de Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dertiende eeuw stuk voor stuk Hanzesteden.
Men hoeft maar naar
de stadswapens van de Friese steden te kijken: vrijwel allemaal
beelden ze de bekende dubbelkoppige adelaar van de Hanze af, een
adelaar die pas later werd overgenomen door de Habsburgers en het
Pruisische Rijk.
Het was een handelsoorlog die op meer dan e´e´n front werd uit-
gevochten: ook vanuit het Rijn-Schelde-Maasgebied voeren de
koggeschepen af en aan; zo zien we dat veel belangrijke steden
langs de Waal en de Maas volwaardige Hanzesteden waren met eigen
vittes op het schiereiland Schonen, ten zuiden van Zweden. Steden
als Nijmegen, Arnhem, Utrecht, en zelfs Amsterdam be- hoorden
allemaal tot het Hanzenetwerk.
Er was kortom een nieuwe macht opgestaan, opgebouwd in de Teutoonse
wouden en gelegitimeerd in het Heilige Land. In betrek- kelijk
korte tijd had de Hanze een groot economisch web gespon- nen in de
Nederlanden, terwijl de Duitse Orde in het oosten veel land
veroverde. Door de lucratieve aansluiting van de Nederlandse steden
bij de Hanze, hadden zij ongewild een listige adder binnen-
gelaten. Maar deze adder had twee koppen: zij kregen de Duitse Orde
er gratis bij.
Via de Rijn trokken de Teutonen op naar Gelre, en verder, naar het
hertogdom Brabant. Daar werden ze, zoals we zullen zien, gretig
opgewacht door de lokale machthebbers. Tirion – Literair Klassiek –
157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg
gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De Duitse Orde in
Nederland
Teutoonse legenden
De Duitse Orde kan evenals de Maltezer ridders en met name de
tempeliers bogen op een indrukwekkende reeks mythen, sagen en
legenden. De orde zou fabelachtige rijkdommen bezitten: een ver-
gaarde schat die nu eens in een burcht, dan weer in een berg wordt
bewaard. De tempeliers hebben een schat, de Teutonen eveneens. De
aard van deze schat varieert van oorlogsbuit uit Palestina of de
Baltische staten tot een heilig object of een geheime, meestal
godde- lijke kennis. De Teutoonse Ridders zouden de hoeders van een
mysterieuze overlevering zijn, een wijsheid die de bezitter in
staat stelt de wereldmacht naar zich toe te trekken. Net als bij de
tem- pelridders is er sprake van een kostbaarheid die op heimelijke
wij- ze, het liefst in het holst van de nacht, van hot naar her
wordt gesleept.
In hoofdzaak betreft het echter een religieuze overlevering, een
traditie toegespitst op gebeurtenissen in het Heilige Land. Alle
drie de ridderorden vinden hier hun oorsprong, en de aan de orden
verbonden legenden handelen dan ook over het algemeen over bijbelse
mysteries. De verhalen met betrekking tot de tempeliers behoeven
geen introductie. Vrijwel zonder uitzondering worden de
tempelridders neergezet als de schutspatronen van heilige voor-
werpen als de Ark des Verbonds, de tempelschatten uit de grotten
van Salomo of de apocriefe Heilige Graal. In welke hoedanigheid ze
ook optreden, bijna altijd gaat het om protagonisten in dienst van
het christendom – of in elk geval van Christus zelf. Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Een dergelijke rol krijgen ook de Duitse
ridders met enige regel-
maat toebedeeld. Weliswaar worden ze vaak met de tempeliers verward
(een bekende misvatting is dat ze een afsplitsing van de
tempelridders zijn) maar daarnaast worden ze op eigen kracht ver-
ondersteld de bezitters of bewakers van de Graal of de Ark te zijn.
Helemaal onterecht is dit niet. Het is waar dat de orde van de
tempeliers veel eerder werd opgericht dan de Duitse Orde: zij wa-
ren de eerste Europese kruisvaarders in Jeruzalem en we mogen
veronderstellen dat ze alles van waarde hebben weggesleept voor-
dat de Teutonen onder Hermann von Salza in de Heilige Grafkerk het
rijk alleen hadden. Toch valt de aanwezigheid van de Duitse adel in
Palestina, juist door haar bescheidenheid, niet te onder- schatten.
De Duitsers deden maar mondjesmaat mee aan de veld- tochten tegen
de Saracenen, zoals we hebben gezien. Tot aanhou- dende irritatie
van de overige kruisvaarders hielden ze zich meer bezig met het
opzetten van lucratieve handeltjes dan met het fat- soenlijk over
de kling jagen van goddeloze Arabieren. Natuurlijk deden de
tempeliers en de johannieters hetzelfde, maar de Teuto- nen hielden
niet eens de schijn op. De Duitsers onderhielden meer contacten met
de plaatselijke autoriteiten dan de tempeliers in alle jaren
daarvoor. Met name in Jeruzalem waren ze eerder gasten dan
belegeraars. Het is dus moeilijk in te schatten hoeveel schatten,
rijkdommen en relikwiee¨n de Duitse Orde uit de Orie¨nt heeft weten
weg te voeren. Dat zich hieronder een Ark of een schat kan hebben
bevonden is niet op voorhand uit te sluiten. Toch is er, juist met
de Duitse Orde, iets vreemds aan de hand. Wat we tot nu toe over de
orde hebben gezien wijst niet op een al te grote betrokkenheid bij
bijbelse aangelegenheden. De Duitsers wa- ren rijkelijk laat in het
opzetten van een kruistocht (er waren er al twee aan voorafgegaan).
Het bevrijden van het Heilige Land was duidelijk niet het hoogst
genoteerde agendapunt. Eenmaal ter plaatse blonken ze nu ook niet
uit in geestdrift of kerkelijke bevlo- genheid. Ook later, tijdens
de Baltische kruistocht, ging het hun niet om de kerstening van hun
oosterburen, want zelfs nadat de Litouwers waren bekeerd, bleven ze
dit land belegeren. De Duitse ridders, om het maar rechtuit te
zeggen, gaven geen zier om peste- Tirion – Literair Klassiek – 157
x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
rige Mameloeken, heidense Pruzzen of het
bezit van de Heilige
Stad. Ze kwamen een tijdje mooie sier maken om de paus zand in de
ogen te strooien en gingen er weer vandoor zodra de situatie hen
dat toestond. Om uitgerekend de Duitse ridderorde op te zadelen met
het voogdijschap over de Ark lijkt dan een beetje ironisch. De
tempeliers mogen dan later gnostische ketters worden, ze blijven in
principe de voorvechters van Christus.
De Duitse Orde is duidelijk uit ander hout gesneden. Wat de
Deutschritter kenmerkt (afgezien van hun zucht naar geld en grond)
is de hardnekkigheid waarmee ze vasthouden aan hun Ger- maanse
wortels. Ofschoon ze zich naar buiten toe profileren als de
stoottroepen van Jezus (‘Wie tegen ons vecht, vecht tegen Chris-
tus’) blijkt keer op keer de vereenzelviging met de Germanen van
weleer. Alleen hun naam al, de Teutonen, verwijst heel nadrukke-
lijk naar de voorvaderlijke stamverbanden waar de ridders nog
steeds deel van meenden uit te maken. Hun god was niet die uit het
Oude Testament, maar de Wodan uit het Germaanse pantheon. Rijkelijk
laat stuitten we in ons onderzoek op het boek The Thousand Year
Conspiracy uit 1943. Dit boek betoogt kortweg dat het nazisme niet
in de jaren twintig van de vorige eeuw begon, maar in feite met de
Teutoonse ridders uit de twaalfde eeuw. Het maakt aannemelijk dat
er een Germaanse samenzwering bestaat die duizend jaar teruggaat.
Paul Winkler, auteur van het boek, geeft ons een aanwijzing dat de
Duitse Orde, hoewel listig geca- moufleerd als christelijke
ridderorde, er een meer duistere agenda op nahield. Winkler: From
the time of its founding, the Order had a ‘secret’ or ‘secrets’.
These secrets are mentioned frequently, and in the rules of the
Grand Master Konrad von Ehrlichshausen, it is clearly stated that
‘the Order’s secrets must never be revealed to laymen or before the
servants.’ This cannot be a reference to the Order’s statutes as
they were known to everyone. The ‘secrets’, then, can concern only
a more detailed statement of the aims of expansion and conquest
than was originally contained in the in- tentionally vague Bill of
Rimini; or they might be related to the aim of protecting, in the
Order’s capacity as a hospital, the caste inte- rests of the German
Nobility.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De Duitse Orde was er dus op uit een nieuw
Germaans rijk op te
bouwen voor de Duitse adel, en nı´e´t om het christendom te ver-
spreiden. Maar vochten de Duitse ridders niet tegen de ‘noordelijke
Saracenen’, dat heidense gespuis uit de Poolse en Baltische wou-
den? Zeker, maar de Polen en de Balten waren geen Germaanse, maar
Slavische volkeren. Zij werden al aan het begin van de Grote
Volksverhuizing onder de voet gelopen en sindsdien als vijanden
beschouwd. Om te beginnen is de Baltische godsdienst compleet
anders dan die van de Germanen (die hun mythologie delen met de
Scandinavische volkeren). De Balten waren de laatste Slavische
bevolkingsgroep die zich tegen een gedwongen kerstening verzette.
De mysteriereligie van de Balten kon zich vrij ontwikkelen tot om-
streeks 1199. Dit was het jaar waarin de paus de aanzet gaf tot de
militaire operaties om de Balten te bekeren. De Slaven kenden hun
oorsprong in de Aziatische steppen, en hun pantheon was niet dat
van de Teutonen. De Germanen beschouwden de Slaven (net als de
nationaal-socialisten dat eeuwen later zouden doen) als een min-
derwaardig ras. In veel opzichten zijn de volkeren uit de Baltische
staten nooit echt gekerstend: tot op de dag van vandaag geloven
sommige Litouwers dat een christen gevaar loopt als hij niet door
de Zon beschermd wordt.
In zekere zin gold dit ook voor de Duitse ridders uit de twaalfde
en dertiende eeuw. Er mochten dan vanaf 1420 officieel geen hei-
denen meer in Europa zijn, het Vaticaan zou vreemd hebben opge-
keken als het had geweten dat haar noordelijke stoottroepen hun
heidense cultusplaatsen nog steeds in ere hielden. Verhalen omtrent
de Germaanse wortels betreffen de initiatieriten van Duitse
ridders, de krijgshandelingen en het leven na de dood. Nieuwe
ridders wer- den gedwongen een heidense zwaarddans uit te voeren,
waarbij zwaarden met het heft in de grond werden gestoken en de
noviet zich tussen vervaarlijk priemende klingen moest begeven. Aan
de vooravond van een grote slag werden er oorlogsgoden als Wodan en
Donar aangeroepen. Veel Duitse ridders geloofden nog altijd dat zij
naar het Walhalla gingen als zij op het slagveld sneuvelden.
Cultusplaatsen die in voorchristelijke tijden van belang waren ge-
weest werden niet vergeten. Heilige wouden, eiken, rivieren en
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
heuvels werden met respect bejegend. Het
heilige centrum van de
Duitse ridders was niet Riga of zelfs Marie¨nburg. Het waren oude,
open plaatsen in het Teutoburgerwoud, grafheuvels en rotsforma-
ties als het bizarre Externsteine bij Detmold. De Externsteine be-
staat uit een aantal natuurlijke zandstenen pilaren en is in feite
het Stonehenge van Duitsland. Het zou een plek van verering zijn
ge- weest voor de oude Teutonen. Centraal in deze verering stond de
wereldboom Yggdrasil, de boom met drie wortels die de wereld van de
mensen verbond met die van de goden. De boom fungeerde als de axis
mundi, de as van de wereld. Bij de Germanen (net als bij veel
andere oude culturen) was dit het centrum van alle dingen, de
plaats waar de goden in contact kwamen met de mens. De god Wodan of
Odin zou zichzelf aan de boom hebben gekruisigd in een poging
goddelijke kennis deelachtig te worden. De Yggdrasil raakte later
geabstraheerd tot een meer gestroomlijnde eik, een taxusboom of een
pilaar, de Irminsul genoemd. Het woord komt uit het Oud-Saksisch en
zou ‘Grote Pilaar’ betekenen. Externsteine was een van de plaatsen
waar men de oorspronkelijke Irminsul lokaliseerde, maar deze
theorie ontstond pas in de twintigste eeuw. Ingekerfd in een van de
stenen is een relie¨f dat het omhakken van de Irminsul laat zien.
Deze gebeurtenis wordt toegeschreven aan Karel de Grote in 772 en
wordt gezien als de doodsteek voor de heidense Saksen. Daardoor is
wel aangenomen dat deze symboli- sche daad bij de Externsteine
heeft plaatsgehad. Er zijn bij Detmold echter geen archeologische
vondsten aangetroffen die verder terug- gaan dan de elfde eeuw.
Het omhakken van de Irminsul, of dit nu een feitelijke gebeurte-
nis was of niet, bleef de Germanen door het hoofd spoken. Er bleef
een zeer sterke band bestaan met de cultusplaatsen, of dit nu bij
Detmold of bij Paderborn was. Tegen de tijd dat de Germanen zich
als christelijke paladijnen aandienen in de Orie¨nt, zijn Wodan en
de Irminsul verre van vergeten.
Dit zijn vreemde berichten over een christelijke ridderorde die
zich inzette voor de kerstening van Europa. Meer en meer kwam in
ons onderzoek een beeld boven tafel dat niet strookte met de
bekende Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press
Zeist
24/09/2007 Pg.
geschiedschrijving. Twee elementen
speelden steeds weer een rol:
de genadeloze migratiepolitiek en de geruchten over een geheim-
zinnige schat: een niet nader genoemde kostbaarheid die voor de
Germanen van grote betekenis was.
Over deze schat zouden we later meer te weten komen. Maar om te
beginnen waren er nog te veel zaken onduidelijk. Nog steeds was de
volle omvang van de Duitse Orde ons niet helder. Als het de
Germaanse kruisvaarders niet ging om het evangeliseren van de
oosterburen, wat probeerden ze dan in Europa te bereiken? Wat zat
er precies achter de schijnbaar vrome bedoelingen? Ging het om een
simpel expansiebeleid, een ordinaire feodale machtspolitiek? We
hebben gezien dat de Duitse Orde zich al kort na haar oprich- ting
bezig ging houden met het verwerven van land en bezit. In heel
Europa verschenen commanderijen en ordeburchten. Naarmate we meer
te weten kwamen over de orde, ontdekten we dat de invloed van de
Teutonen zich niet beperkte tot Duitsland, Polen en de Baltische
gebieden. Er werd een luguber spel gespeeld met Europese
grootmachten. Er stond, kennelijk al vanaf het prille be- gin, veel
meer op het spel dan we aanvankelijk konden vermoeden. De Drang
nach Osten was ook, en vooral, een Drang nach Westen. Om de Hanze
een grotere daadkracht te geven moest de Duitse Orde zich een weg
banen naar de Noordzee. De Oostzee was te perifeer en bovendien het
eeuwige strijdtoneel van Russen, Denen en Zweden. Er waren
belangrijke waterwegen te winnen. Dus moesten er nieuwe verbonden
worden gesloten. De Nederlanden waren ook toen al een factor om
rekening mee te houden: er was weliswaar nog lang geen sprake van
een Nederlandse staat, maar de bewoners van de Lage Landen waren
beslist geen weerloze Pruzzen. Toen de Teutonen toegang wilden tot
de Noordzee be- sloten ze contacten aan te knopen met een man wiens
macht in de Nederlanden juist een stijgende lijn vertoonde. Dit was
het begin van een lange en sinistere relatie tussen Neder- land en
de Duitse ridders. Een relatie die verregaande gevolgen had voor de
geschiedenis van ons land. En het begon met de acquisitie van
waterwegen in de twaalfde eeuw en de interventie van een Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
onverwachte partij. De poorten naar
Nederland werden niet inge-
beukt zoals in Polen. Ze werden opengezet door de meest onwaar-
schijnlijke figuur denkbaar: een Brabander... Opkomst van de
hertogen
Nederland was in de twaalfde eeuw Nederland nog niet. De mo- derne
Hollander is misschien geneigd om zijn land als een constant
gegeven te beschouwen, met onveranderlijke grenzen. Een land dat er
altijd is geweest en er altijd zal zijn. Maar in werkelijkheid is
Nederland een relatief recente uitvinding. De huidige grenzen wer-
den pas na de achttiende eeuw een feit; een gezamenlijke grondwet
bestaat zelfs pas sinds de negentiende eeuw. Er was in de twaalfde
eeuw sprake van verschillende hertogdom- men en graafschappen. Het
ene ogenblik sloten ze handelscontrac- ten af, het volgende stonden
ze elkaar als wilde honden naar het leven. De grootste kemphanen
uit die tijd waren Brabant en Gelre. Het graafschap Gelre (ongeveer
het huidige Gelderland) was in alle opzichten een cruciaal gebied:
de grootste rivieren van het huidige Nederland stroomden vrijelijk
door dit gebied. Zo ongeveer alle binnenvaart ging in die dagen
vanuit het land van Kleef via de Rijn de Nederlanden binnen, door
naar de Noordzee of afbuigend via de Maas. Hoewel het graafschap
een relatief geringe omvang had, was het gebied geografisch gezien
dus van zeer grote beteke- nis. En dat wisten de plaatselijke
roofridders maar al te goed. Be- rovingen en absurde tolheffingen
waren schering en inslag. In de vroege Middeleeuwen behoorde Gelre,
net als Brabant, tot het op- perhertogdom Lotharingen en, eveneens
als Brabant, tot het Hei- lige Roomse Rijk. Maar dit betekende
geenszins dat de beide her- togen op goede voet stonden met elkaar.
Er was al lange tijd sprake van een hevige onderlinge
concurrentiestrijd en de situatie werd almaar grimmiger. Ieder was
uit op zijn eigen belang en de e´e´n hoefde maar te niezen of de
ander trok zijn zwaard. Een situatie kortom, zoals de Duitse Orde
die graag zag. De twee Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm
(L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
vechtende partijen Brabant en Gelre
vroegen er gewoon om ge-
bruikt te worden.
Het hertogdom Brabant bestond in de vroege Middeleeuwen uit een
verzameling graafschappen, graafschappen die officieel deel
uitmaakten van Neder-Lotharingen, maar in werkelijkheid een re-
delijke mate van zelfbestuur uitoefenden. Op papier werd het ge-
bied bestuurd door de graven van Leuven en vanaf de twaalfde eeuw
kregen ze de felbegeerde hertogtitel toegewezen – waarmee ze min of
meer soevereine heersers werden. De eerste onder de Leuvense graven
die de titel van ‘hertog van Brabant’ mocht dragen was Godfried
III, die bijna vijftig jaar de scepter zwaaide (tot zijn dood in
1190). Aan het einde van zijn bewind reikte het hertogdom ongeveer
tot de zuidgrens van het huidige Noord-Brabant. Hij ging
bedachtzaam te werk en breidde zijn gebied langzaam maar zeker uit
naar het noorden. Als het tot spanningen kwam met bestaande
graafschappen greep Godfried niet direct naar het zwaard, maar koos
hij vaker voor het compro- mis. Het voordeel van deze handelswijze
was dat het maar zelden tot een gewapend conflict kwam, het nadeel
was dat de expansie nogal lang duurde. Daar kwam nog bij dat
Godfried veel meer oog had voor de versterking van het gebied
tussen Keulen en Brugge, dat in die dagen een belangrijke
handelsroute van het hertogdom was: ‘de Wereldweg’ heette het, of
‘een der slagaders der Europese economie’,21 zoals deze
verbindingsweg ook wel genoemd werd. De route liep over land vanaf
Keulen via Aken, Maastricht, Leu- ven, Brussel en Gent naar Brugge
aan de Noordzee. Maar de door- weg, via Noord-Limburg naar de Rijn,
werd sinds jaar en dag ge- blokkeerd door eigenwijze Limburgse
roofridders en nukkige Gel- derse graven.
Hendrik, zijn ambitieuze zoon en gedoodverfde opvolger, keek toe
hoe zijn vader met een slakkengang noordwaarts trok zonder ook maar
een poging te doen om de Limburgers weg te vagen; hij probeerde
zijn vader aan te sporen vlotter te handelen, meer spier- ballen te
laten zien, maar vergeefs: Godfried was doof voor de Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
argumenten van zijn eerzuchtige zoon. Maar
Hendriks tijd brak
snel genoeg aan.
De avonturen van Hendrik de Kruisvaarder Toen Godfried te oud werd
om te regeren liet zijn zoon Hendrik I (bijgenaamd ‘de
kruisvaarder’, of de ‘strijdvaardige’) er als gevol- machtigd
mederegent geen gras over groeien. Hij had als jonge knaap al een
avontuurlijke en oorlogszuchtige natuur, en toen hij eindelijk iets
in de melk te brokkelen had, trad hij direct zeer ener- giek naar
voren en maakte haast om de bestaande expansiepolitiek te
intensiveren. Deze telg uit het geslacht van de graven van Leuven
was niet alleen troonopvolger, hij was – zoals zijn bijnaam al doet
vermoeden – ook een gedreven kruisvaarder. Slechts weinigen van
zijn voorgangers hadden zich ooit aan een kruistocht gewaagd en
waren over het algemeen slechts geı¨nteresseerd in uitbreiding van
het hertogdom zonder al te veel bloed aan hun handen te krijgen.
Met Hendrik was het anders gesteld.
Hendrik had een scherp oog voor de opkomende economische machten in
Europa. Met een vooruitziende blik had hij een stel kooplieden uit
Lu¨beck een aantal schepen geschonken in de strijd tegen de Moren.
Dit was in het jaar 1197. Eerder was hij op kruis- tocht gegaan met
de bisschop van de Rijnstad Metz. Al snel bleek de jonge Hendrik
met zijn vlugge verstand een uitstekend soldaat. Bovendien werd hij
niet geplaagd door een geweten. Tijdens de kruistochten sloot hij
vriendschap met de Germaanse afgevaardig- den, die het uitstekend
met hem konden vinden. Men was zelfs zozeer over hem te spreken dat
hij door de Teutonen tot leider werd uitgeroepen van de Heilige
Strijd tegen de Turkse legers. On- der de wapenfeiten van Hendrik
wordt de plundering van Beiroet gerekend, waar de kruisridders
flink tekeer waren gegaan: vele Turken vielen onder zijn zwaard en
onder die van zijn kameraden, de ridders van de Duitse Orde. Ook
mag de betrokkenheid van Hendrik I bij de verovering van
Constantinopel niet onvermeld Tirion – Literair Klassiek – 157 x
234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
blijven – door een verbijsterde ooggetuige
omschreven als ‘een ver-
schrikkelijke slachting’.
Deze kwaliteiten maakten hem tot een fijne vent, althans volgens de
Duitse ridders. Hendrik werd in het kliekje opgenomen en we kunnen
zeggen dat hij tot de eerste aandeelhouders van de orde- staat
behoorde. Het is zeker niet ondenkbaar dat de relatie tussen de
Teutoonse Orde en de Lage Landen begon met deze vriend- schap. We
kunnen ons in elk geval moeiteloos indenken dat kruis- vaarder
Hendrik de orde op zeker moment voorstelde om ook eens bij hem op
bezoek te komen. Hij had, zo zal hij gezegd hebben, wat perikelen
met zijn bovenbuurman, de hertog van Gelre, en wellicht konden hij
en de Germanen iets voor elkaar betekenen? De Duitse Orde zal zeker
oren hebben gehad naar zijn verhaal over Gelderse potentaten,
gerieflijke waterwegen en nieuw te bou- wen steden.
Tegen de tijd dat de teugels van het hertogschap hem in handen
waren gelegd, richtte Hendrik zijn pijlen onmiddellijk op de graaf-
schappen ten noorden van zijn hertogdom. Het moest eens een keer
afgelopen zijn met de Gelderse en Limburgse onbeschaamdheid.
Hoogste tijd voor een aderlating. In het tweede jaar van zijn be-
wind verwoestte Hendrik kastelen en burchten in het opstandige
graafschap Limburg en verkocht ze weer terug aan zijn vijanden voor
drie keer de oorspronkelijke prijs. De hertog had al snel naam
gemaakt met deze gevreesde plunderingen. Daarnaast had hij al faam
en respect verkregen vanwege zijn kruisvaarderschap, in die tijd
een uiterst prestigieuze zaak. Reeds als plaatsvervangend her- tog
streefde Hendrik ernaar, naast versterking van de handelsweg van
Brugge naar Keulen, zijn heerschappij naar het grondgebied tussen
Schelde en Rijn uit te breiden. De bestaande grenzen waren hem een
te nauw maatpak. Hendrik begreep het belang van de rivierenstrook
van Waal, Maas en Rijn voor een vrije doorvoer van producten. Deze
waterwegen waren de natuurlijke handelsver- binding zowel naar het
oosten en de Duitse noordkust, als naar het westen en de Noordzee.
Wie het rivierengebied in handen had ver- wierf grote macht vanwege
de handelsmogelijkheden die het bezit ervan met zich meebracht. Het
mag ons daarom niet verbazen dat Tirion – Literair Klassiek – 157 x
234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hendrik er alles aan deed om ook een deel
van die waterige taart
op te eisen. Maar het hertogdom Gelre was een sterke en geslepen
partij waarmee in geen geval te sollen viel. Hendrik was wat
betreft landerijen en bezittingen nog steeds frustrerend ver van
zijn doel verwijderd.
Maar hij had meer trucjes in zijn mouw. Hij herinnerde zich een
klein leenbezit, weliswaar enige mijlen ten zuiden van het rivie-
rengebied, maar toch ver ten noorden van zijn hertogdom. Dit
leenbezit was genaamd Orthen. Godfried had zich nooit echt voor
deze drassige uithoek geı¨nteresseerd, maar Hendrik besefte dat dit
wel eens de beste kans was om in elk geval enige duurzame macht uit
te oefenen in de nabijheid van de rivieren. In het jaar 1185, juist
teruggekeerd van een kruisvaart, besloot hij het land Orthen om te
vormen tot een heuse stad. De stichting van de stad
’s-Hertogenbosch was een feit, met alle stads- en handelsrechten
die daarbij hoorden. Eindelijk had hij een buitenpost – een fort –
aan de noordgrens van zijn hertogdom in bezit die de sleutel moest
vormen tussen zijn rijk in het zuiden en de wereld van onbegrensde
handelsmogelijkheden in het noorden. Maar Godfried hield zijn zoon
nog altijd terug, bang voor een desastreuze, maar vooral
onrendabele oorlog en Hendrik was gedurende deze daden nog altijd
geen hertog. Toen hij zijn Hertogens Bosch stichtte, was het zijn
vader Godfried die de feitelijke hertog was. In het jaar 1190
veranderde dit. De hertog van Neder-Lotharingen en Brabant,
Godfried III, stierf. En de oude Godfried had zijn laat- ste adem
nog niet uitgeblazen of Hendrik was al in de weer: hij hield
onmiddellijk krijgsberaad. Nu was hij eindelijk vrij om zijn
ambitieuze plannen te verwezenlijken. De bestaande grenzen moes-
ten drastisch worden herzien. Dit was een moment waar Hendrik lang
op had gewacht. Onmiddellijk na de bijzetting van zijn vader in de
St. Pieterskerk van Leuven ging hij tot actie over. De aanwezigheid
van de jonge hertog was een bron van veront- rusting voor de graaf
van Gelre, die de bui al zag hangen. De relatie met Brabant was
nooit warm geweest, maar ditmaal was de hertog wel erg dicht
genaderd. Ook de graaf van Holland (toen nog een Tirion – Literair
Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
relatief onbeduidend graafschap) keek
gespannen toe. Hendrik op
zijn beurt beschouwde Gelre en Holland als struikelblokken in zijn
opmars naar het noorden. Maar hij realiseerde zich dat hij het zich
niet langer kon veroorloven om de agressieve expansie voort te
zetten zoals hij dat gewend was, aangezien hij de zuidelijke
Wereld- weg niet onbeschermd mocht laten. Openlijke strijd was dus
geen optie. De enige andere mogelijkheid die hem openstond was een
handelsoorlog.
Nu kwamen zijn contacten met de Duitse Orde hem pas echt goed van
pas. Zoals we hebben gezien begon rond dezelfde tijd ook de
machtige Hanze haar invloed op te eisen in het lokale bestuur van
aangesloten steden: dezelfde Hanze waar Hendrik als kruisvaarder
veelvuldig mee te maken had. In de Duitse Orde en de Hanze had hij
zijn twee meest trouwe bondgenoten gevonden. De jonge hertog had op
zijn reizen als kruisvaarder naar het Heilige Land contacten voor
het leven gelegd; vanaf het moment dat Hendrik officieel de
hertogstaf droeg, nodigde hij zijn brothers in arms al snel uit om
commanderijen te bouwen in het hertogdom, zoveel als ze maar
wilden. Hendriks opvolgers, Hendrik II en III, zouden zich later
eveneens als trouwe beschermheren van de Teutoonse ridders op-
werpen.
Het aantal Brabantse Hanzesteden nam in een korte tijd explo- sief
toe. En de Duitse Orde was wat de hertog betrof een meer dan
welkome gast. In haar kielzog verschenen allerlei commanderijen,
her en der verspreid door het hertogdom, naar het voorbeeld van de
nederzettingen in de Baltische gebieden. Zo eigenden de Teuto- nen
zich vrijwel moeiteloos grote invloeden toe in de Lage Landen. De
Deutschritter maakten het zich gemakkelijk in het gebied van hun
kameraad de hertog. Beetje bij beetje wist de Duitse Orde haar
invloed in de richting van de Noordzee uit te breiden. Een
intrigerende aanwijzing voor de nauwe band tussen de her- tog en de
orde troffen we aan in een boek over Brabantse wapen- kunde: het
zegel van Hendrik I laat een adelaar zien, terwijl de wapens van de
graven voor hem en de hertogen na hem consequent de leeuw
uitbeeldden. De auteur merkt op: ‘Het zal bekend zijn dat Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
voor de hertogen van Brabant slechts de
leeuw als wapenfiguur
bekend is en het waarom van de adelaar [in Hendriks zegel] is
daarom een interessante maar voorlopig onoplosbare vraag.’ We zagen
al dat de adelaar in die dagen hoofdzakelijk gebruikt werd als
machtssymbool door de Hanze, zoals blijkt uit de ver- schijning van
deze roofvogel in de wapens van de Nederlandse Hanzesteden. Waarom,
vroegen wij ons af, zou ook Hendrik dit dier aanbrengen op zijn
wapen? Zoals we inmiddels weten ver- kreeg Von Salza, grootmeester
van de Duitse Orde, uit handen van de paus haar wapen: het gouden
kruis van Jeruzalem beladen met de adelaar van het Duitse Rijk. Je
zou dus kunnen zeggen dat Hendrik de adelaar had overgenomen als
teken van trouw aan zijn Germaanse kameraden en wellicht om zijn
schatplichtigheid aan de Saksische hertogen tot uitdrukking te
brengen. Datzelfde kan trouwens worden gezegd van de leeuw als
Brabants symbool. Die zou verwijzen naar de Saksische Hendrik de
Leeuw, de stichter van Lu¨beck en degene die als eerste het verbond
van Gotlandvaarders in het leven had geroepen.
De Duitse Orde bemoeit zich met Nederland We hebben gezien dat de
Duitse Orde tijdens het bewind van groot- meester Hermann von Salza
(1209-1239) vele landerijen en kaste- len in heel Europa
bemachtigde, vergezeld van een massa privile- ges. We hebben ook
gezien dat het thuisland Pruisen inmiddels helemaal gevestigd was
als ordestaat. Hoewel zwaar bevochten en bestreden, wist de Duitse
Orde op bijzonder slimme wijze de macht in handen te houden. Als
kameleons gingen de ridders op in het gebladerte, namen de
schutkleur aan van hun omgeving, hieven het zwaard hoog wanneer
strijd geboden was, maar legden het neer als diplomatie en zachte
pressie nodig werd geacht. En al die tijd bleef de orde als
organisatie gewoon functioneren, met haar hie¨rarchische structuur
intact.
Zo ook in de Nederlanden.
Onder het bewind van Hendrik de Kruisvaarder verschenen de Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
eerste vestigingen en burchten van de
Duitse Orde op Nederlandse
bodem. Zijn opvolgers zetten deze politiek voort. In 1220 schonk de
Brabantse graaf Arnold III van Loon op aandringen van zijn heer en
meester, hertog Hendrik, een bedevaartskapel met aanho- righeden in
Rijkhoven (Bilzen) aan de orde. Tot 1795 zou ‘Alden Biesen’ (Oude
Bilzen) de hoofdzetel van de orde in het hertogdom blijven. Deze
landcommanderij was dus de hoofdzetel van de Duit- se Orde in het
land van Maas en Rijn en telde een twaalftal com- manderijen
(kastelen op het platteland of residenties in de stad), die elk
weer werden beheerd door een commandeur ter plaatse. Ook in Utrecht
werd een grote landcommanderij gevestigd, van waaruit belangrijke
zaken werden gedaan met de hertog en anderen, vooral gericht op de
noordelijke gewesten.
Hoe reageerden de plaatselijke vorsten op die plotselinge invasie
van Duitse kruisvaarders in hun land? Zoals altijd wanneer de
gasten welvarend zijn: ze dreven handel met de nieuwelingen. De
Nederlandse grond bleek voor de orde een uitstekende voedings-
bodem. De zeldzame keren dat we stuiten op conflicten tussen
plaatselijke gezaghebbers en de Teutoonse indringers, komen de
laatste altijd als winnaar uit de strijd. In veel gevallen wisten
de commandeurs zich uit penibele situaties te redden door compro-
missen te sluiten en ruilhandel te drijven met hun vijanden. In een
aantal gevallen sluit de Duitse Orde zich zelfs aan bij de
rivalise- rende partij. In een tijd waarin veel conflicten om het
minste en geringste met de wapens werden uitgevochten, wist de orde
haar belangen meestal zonder al te veel bloedvergieten zeker te
stellen. Naar het voorbeeld van de ordestaat werden ook veel
gebieden in de Nederlanden ingenomen. We kunnen niet genoeg
benadruk- ken dat de soevereiniteit van de orde telkens door zowel
kerkelijk als wereldlijk gezag werd bevestigd, desnoods door
eigenhandig ingrijpen van hertogen, koningen en pausen. Of het nu
gaat om de dertiende of de zeventiende eeuw, de situatie blijft
nagenoeg hetzelfde. Adellijke grondbezitters schenken land aan de
Duitse Orde in ruil voor lidmaatschap. In gemeentelijke en
landelijke archieven treffen wij talloze van dergelijke transacties
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
aan. De adel en geestelijkheid stonden in
contact en contract met de
orde, ter meerdere glorie van beide. Zo bestond er een eeuwenlange
wederzijdse afhankelijkheid die in de loop van de tijd alleen maar
sterker werd. Rivaliserende monarchen en adellijke families moch-
ten hun twisten dan onverstoord voortzetten, de Duitse Orde bleef
de lachende derde. Zoals we zien was hier het Von Salza-principe
volop in werking. De orde kreeg van beide strijdende partijen
schenkingen en privileges toebedeeld. In onze zoektocht naar de
ontwikkeling van de Duitse Orde in Nederland stonden we keer op
keer versteld van de enorme economische (en politieke) beteke- nis
van de orde in de dertiende en veertiende eeuw en verder. Die
invloed liet zich ook gelden in militaire aangelegenheden. De
grootste en meest indrukwekkende zet van de Duitse Orde in Brabant
liet niet lang op zich wachten.
Hertog Jan I
Het belang van de Nederlandse waterwegen voor de Hanze valt niet te
onderschatten. Maar in tegenstelling tot Pruisen, Polen en de
Baltische staten (waar de uitgestrekte bossen nog tjokvol met hei-
denen zaten) konden de Teutonen in Nederland niet zomaar met een
groot hakzwaard tekeergaan. De Lage Landen waren (relatief)
beschaafd en een openlijke kruistocht was niet aan de orde. Wilden
de Duitsers hier voet aan de grond krijgen, dan moest er op kou-
senvoeten worden rondgeslopen. Het was een kruistocht van intri-
ges, gesjoemel en omslachtige manipulaties; een intrige die de Ne-
derlandse machthebbers als pionnen tegen elkaar uitspeelt. De
volgende pion diende zich aan in de persoon van hertog Jan I. Zijn
vader en grootvader hadden de machtspolitiek van hun voorganger
onverminderd voortgezet. Het aantal Brabantse steden in het noorden
was fors gestegen, en steeds meer land kwam toe aan de hertogen,
totdat zelfs Tiel, de belangrijke stad aan de Waal, in Brabantse
handen was gevallen. Maar het verzet tegen de agres- sieve
Brabantse politiek groeide. Tegen de tijd dat hertog Hendrik III in
1261 overleed en er geen meerderjarige kandidaten voorhan- Tirion –
Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
den waren in het geslacht van Leuven, zag
graaf Otto II van Gelre
(in alliantie met de bisschop van Luik) zijn kans schoon. De recht-
matige troonopvolger was nog niet meerderjarig, dus stelden de twee
mannen alles in het werk om kandidaat voor het hertogschap te
worden. Maar dat feest ging niet door: de plaatsvervangende
regenten adviseerden de keizer van het Heilige Roomse Rijk tegen
deelname van Gelre en de Luikse bisschop. Het was een uitge- maakte
zaak: de heerschappij zou in handen blijven van de Leu- vense
familie en in de tussentijd: ‘...hebben de Staten in Cortenberg
onder luide bijval besloten, dat gij, Vrouwe, als hertoginne van
Neder-Lotharingen en Brabant, tot aan de meerderjarigheid van den
gerechtigde troonopvolger het land zult regeren.’ In de
tussenliggende tijd werd de moeder van Jan dus aangewe- zen als
‘interim-manager’. In de jaren die volgden werd Jan klaar- gestoomd
voor zijn toekomstige rol als hertog: hij leerde paard- rijden en
alle finesses van het lanssteekspel; en hij kreeg de beste leraren
die een jonge prins zich maar kon wensen. Ook sloot hij vriendschap
met Jan van Heelu, een jonge edelman uit de omge- ving die hem van
kindsbeen af terzijde stond. Samen reden ze mij- lenver te paard,
smeedden plannen, dronken grote hoeveelheden bier en waren bedreven
beoefenaars van de zwaardkunst. Intussen viel het dagelijks bestuur
de hertogin niet makkelijk. Gelre aasde voortdurend op de Brabantse
troon en de Limburgse struikrovers bleven een belasting voor de
handel. Daar kwam nog bij dat de bisschop van Luik zich aansloot
bij de vijanden van Brabant en alles in het werk stelde om de arme
hertogin een hak te zetten. Maar op 29 juni 1267 was het dan
eindelijk zover: Jan, juist meer- derjarig, werd in Leuven gekroond
tot hertog. Aan zijn rechterzijde stond zijn vriend Jan van Heelu,
die gedurende zijn gehele leven zijn meest invloedrijke adviseur
zou zijn. Eenmaal gekroond wachtte hem een zware taak: de graaf van
Gel- re en de bisschop van Luik hadden niet stilgezeten en
plunderden met regelmaat de belangrijke handelssteden aan de
Wereldweg van Keulen tot Brugge. De leeuw van Brabant brulde om
wraak. Niet voor niets dat de tekst bovenop het wapen van de hertog
luidde: Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press
Zeist
24/09/2007 Pg.
Ziet den aanvoerder van de Brabantse
heirban, genaamd de leeuw
en der wapenen God. Een van de eerste doorbraken die Jan als hertog
forceerde betrof de versterking van de belangrijke buitenpost en
Hanzestad Tiel, die al enige tijd onder het gezag van de Brabanders
was gesteld. Dr. P.C. Boeren, schrijver van het spannende boek Een
Nederlandse wacht aan de Rijn, zegt hierover: ‘De Brabantse landen
beneden de Rijn zijn met elkaar verbonden door de smalle corridor
van Tiel, de befaamde handelsstad: een kostbaar bezit, maar zeer
precair vanwege de Gelderse buurmanschap.’ Jan liet zijn ridders
openlijk aanrukken en zorgde ervoor dat een groot deel van de
internationale handel deze havenstad zou aan- doen. Deze Brabantse
ridders werden snel vergezeld door ridders van de Duitse Orde, die
er een commanderij stichtten. Hoewel er geen sprake was van een
open oorlog met Gelre, kan men zeker spreken van een koude oorlog,
waarbij beide partijen elkaar ner- veus in de gaten hielden.
Aanvankelijk voelde Jan zich ongemakke- lijk in zijn rol als
hertog. Hij was net zestien geworden en er werd een hoop van hem
verlangd. Bovendien was de veelbelovende jonge hertog nog een
groentje op militair gebied. Hij was nooit op kruistocht gegaan, in
tegenstelling tot veel van zijn voorgangers, zodat hij door de
landgraven niet echt serieus werd genomen. Tot overmaat van ramp
moest hij het nu ook een tijdlang stellen zonder de aanwezigheid
van zijn hartskameraad Jan van Heelu. Van Heelu was namelijk in
opleiding gegaan bij de ridders van de oos- terburen. Inderdaad, de
grote vriend en raadgever van hertog Jan was een lid van de Duitse
Orde.
In het levensverhaal van hertog Jan is de Duitse Orde als een scha-
duw aanwezig. Bijna terloops en zonder enige uitleg duiken de
Germanen op als een vrijwel onzichtbaar contingent dat steeds lijkt
te profiteren van de successen van de hertog. Het lijkt daarbij
alsof de Duitse Orde zich in zijn voetspoor bevindt, maar dat beeld
is misleidend. De hertog was geen gok, maar een investering. Het
pad dat Jan I van Brabant bewandelde was stap voor stap door de
Teutonen uitgestippeld.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De hertog was de zoveelste marionet in
het Teutoonse poppenspel.
Gebruikmakend van hun vriendschappen met eerdere hertogen
rekruteerden zij Jan al vanaf zijn jeugdjaren, waarschijnlijk
zonder dat hij het zich realiseerde. Allereerst werd Jan
kruisvaarder. Om zijn naam te vestigen als volwaardige ridder en
ervaring op te doen in de krijg, besloot Jan in 1276 op kruistocht
te gaan. Doordat de kruistochten in het Heilige Land keer op keer
op jammerlijke mis- lukkingen waren uitgedraaid, was het
christenzwaard ditmaal ge- richt tegen de Moren in Spanje: de oude
vijanden van de Hanze. De Heilige Strijd had zich verplaatst, maar
werd nog altijd met de ge- bruikelijke wreedheid gevoerd. Dit
strookte geheel met de doelstel- ling van de Hanze e´n de Duitse
Orde: zij wilden de handel door- trekken naar zuidelijk Europa om
zodoende hun invloed uit te breiden tot ver in het
Middellandse-Zeegebied. Al een jaar na zijn aankomst in Spanje
hield Jan het weer voor gezien. Hij had net lang genoeg aan de
kruistocht meegedaan om tot ridder te worden geslagen, en daar was
het hem uiteindelijk om te doen geweest. Bovendien was er thuis
genoeg werk aan de winkel: de moeilijk- heden die Brabant ondervond
met Gelre waren niet verdwenen, de Wereldweg werd nog altijd
geteisterd door de adellijke roofridders van Limburg en ander
gespuis. Brabant besefte hoeveel lucratieve handel zij hierdoor
misliep. Dr. Boeren trekt een vergelijking met het symbool van
Brabant: ‘De warande van Brabants leeuw is ge- tralied aan de
Oostzijde, vanwaar zij het zonnelicht ontvangt. Ach- ter deze
tralies loopt het dappere dier brullend op en neer om uit te breken
naar de Rijn, zijn natuurlijke drinkplaats.’ Voordat Jan echter ook
maar iets tegen de Gelderse graven kon uitrichten moest hij eerst
de veiligheid van de Wereldweg aanpak- ken. Er waren talloze lieden
die de handel over deze economische slagader blokkeerden,
varie¨rend van ordinaire struikrovers en huursoldaten tot rijke
Limburgse adel. Maar de grootste snood- aard van hen allemaal was
de bisschop van Luik, broer van de Gelderse hertog. Hoewel paus
Gregorius X de bisschop in een bul van afzetting uit de pauselijke
bescherming geplaatst had, leek zelfs dat de bisschop niet te
deren. Hij bleef zitten waar hij zat en bleef zich onophoudelijk
schuldig maken aan plunderpraktijken. Na Tirion – Literair Klassiek
– 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
diens dood in 1284 besloot hertog Jan de
macht in Luik aan het