Het geheim van Zionsburg
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Voor de serveersters van Cafe´ Roels in Den Bosch
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
J o r i s va n O s e n J u r r i a a n M a e s s e n
Het geheim van
Zionsburg
De Heilige Graal, de Oranjes en de intrige achter een duistere ridderorde
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Dit boek is gepubliceerd door
Tirion Uitgevers BV
Postbus 3740 AH Baarn
www.tirionuitgevers.nl
Omslagontwerp: Hans Britsemmer
Typografie: Pre Press
ISBN 978 90 4391 222 NUR Ó 2007 Tirion Uitgevers BV, Baarn
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
No part of this book may be reproduced in any form by print, photocopy, microfilm or any other means without prior written permission from the publisher.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten van derden zo goed mogelijk te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de uitgever wenden. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
I n h o u d
Inleiding
De dood van een vrek
De geheimzinnige baron
‘Iedereen in Brabant weet wel iets van Ewald Marggraff’
Een moordzaak
Schatten uit een ver verleden
In de Germaanse wouden
Germanen betreden de geschiedschrijving
Romeinen en Germanen
Het begin van de Grote Volksverhuizing
De avonturen van de Goten
De erfopvolgers van Europa
Jaren van duisternis
De Duitse Orde
Opkomst van de ridder-monnik
De Gouden Eeuw van de kruisridder
Het verlies van Palestina
De Duitse Orde
Hermann von Salza: de macht achter vele
tronen
De Baltische Kruistocht
De ordestaat
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Go¨tterda¨mmerung
De Hanze en het Teutoonse expansieplan
Gotlandvaarders
De dubbelkoppige adelaar: De band tussen de Hanze en de Duitse Orde
De Hanzedag
De Hanze in de Nederlanden
De Duitse Orde in Nederland
Teutoonse legenden
Opkomst van de hertogen
De avonturen van Hendrik de Kruisvaarder De Duitse Orde bemoeit zich met Nederland Hertog Jan I
De Slag van Woeringen
Het raadsel Vught
De Duitsers komen
Natte voeten
Vught als Keltische cultusplaats
Het mysterie van de twee kerken
Zionsburg en de Duitse Orde in Vught
De riddercommanderij van Gemert
Reilen en zeilen van de Vughtse Comman-
derij
Het geheim van Vught
Het pact van Woeringen
Het geval Floris V
The Usual Suspects
De eerste verdachte: Gijsbrecht van Amstel De tweede verdachte: Jan van Cuyk
De derde verdachte: Jan van Heusden
De vierde verdachte: Jan van Arkel
Helias, de Zwaanridder van Kleef
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Vragen...
De geheime missie
De vijfde verdachte: Dirk van Brederode
Brandend ivoor: opkomst van de Zwijnen
Crisisjaren
Pruisenreizen
Zwaanridders uit Kleef
De missie
De Machutusverering
De Bataven
Vught als Germaanse cultusplaats
Een heilig landschap
Missie geslaagd?
Zwanen en zwijnen
Geheime Genootschappen
Opkomst van de Broederschap
De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap
Maria Teutonica: Het Mirakelbeeld van de Zoete Lieve Vrouw van ’s-Hertogenbosch
Cultusplaats van kooplieden
Leden van de broederschap
Bekende koppen
De Zwanenbroeders
Jheronimus Bosch, de verborgen dissident Criticus van zijn tijd
De uil bij Bosch
De Bruiloft van Kana
De verdwenen stichters
Duitsers in het werk van Bosch?
De schat van Vught in gevaar
Kasteel Maurick als onderkomen voor de
Duitse Orde
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De kluis van Vught
Een wisseling van de wacht: Brabant en Gelre Maarten van Rossum
Van Rossum als pion van Spanje
Van Rossum als pion van Gelre
De archieven van de Duitse Orde
Het Archief van Luther van Brunswijk
Willem van Oranje
Het Huis Oranje
De broedertwist:
Willem van Oranje-Nassau en Filips II
Alva en de Spaanse Furie
Geldschieters achter de coulissen
Oude en nieuwe verbonden
Hendrik van Brederode
Filips van Hohenlohe
Een gevaarlijke bondgenoot
De Tuin der Lusten
De Aanbidding der Wijzen
Bisschop Sonnius, de spion van Filips
Het Pact van Woeringen?
Balthazar Gerards, de Lee Harvey Oswald
van de Lage Landen
Conclusies
Het geheim van Zionsburg gaat naar Den
Bosch
Na de brand
De Duitse Orde en de Reformatie
Albrecht von Brandenburg en zijn missie
Floris Maschereel als bewaker van het
Geheim
Zwarte Ruiters
Nieuwsgierige Spanjaarden
De kruisheren
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De zoektocht begint
Het Beleg van ’s-Hertogenbosch
Kasteel Maurick: het hoofdkwartier van
Frederik Hendrik
De Oranjes na Willem de Zwijger
De verovering van ’s-Hertogenbosch
De Broederschap en haar vijanden
Johan Wolfert van Brederode en Cornelis
van Cuyk
Ruzie
De eerste schatzoeker: Victor van Beughem Oranje en Pruisen
Pruisen na de Reformatie
Johan Maurits de Braziliaan
De Nieuwe Hanze
Nieuwe vergezichten
Johan Maurits als Teutoonse ridder
Pruisen en Brandenburg
Zionsburg en de schatzoekers
Kuchlinus: de Wachter op Zions muren
Bewoners van Zionsburg
De tweede schatzoeker: De Dikke Hertog
Staatsgrepen van de Oranjes
De derde schatzoeker: Willem Arnold Alting Lamoraal von Geusau
De vierde schatzoeker: Koning Willem II van Oranje
Nog meer Pruisen
Pruisische spionnen
De vijfde schatzoeker: de familie Marggraff Familievetes
Oranjes, Pruisen, Zwanenbroeders
Een andere Duitse Orde
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De Duitse Orde en het nazisme
De zesde schatzoeker: de nazi’s
De SS in Vught
Marggraff en de nazi’s
Na de oorlog
Imperium mundi
De laatste schatzoeker: de Duitse Orde
Meer Bilderberg
Het Teutoonse Woud in Amerika
Een Teutoonse doodscultus
De Federal Reserve
De anti-Marggraff-campagne
De overval
Een mysterie van twintig eeuwen
Een duur stukje serviesgoed
Propagandisten van de Duitse Orde
De geboorte van het Duitse ridderschap
Guillaume d’Orange
De Duitse Graal
Het lot van Zionsburg
Inferno
Zionsburg in de steigers
Het Geheim
Een Onheilige Graal
Noten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
I n l e i d i n g
De brand
In de ochtend van 7 december 2003, om zeven minuten voor half negen om precies te zijn, kwam bij de Vughtse brandweer het be- richt binnen dat er in het centrum van Vught een gebouw in lich- terlaaie stond. Het was zondag en menigeen zal de slaap nog in de ogen hebben gehad.
Wat was er aan de hand? Een toevallige passant, een dorpsbe- woner uit de Kievitstraat, kwam die ochtend uit de nachtdienst en reed met de auto naar huis. Het was een kille, maar zonnige dag. Er lag wat ijle nevel in de velden maar verder was het helder. Op de A bij Vught zag hij een vreemde rookpluim omhoog kringelen, niet ver van de oude Lambertuskerk: een hoekige toren uit 1521 sinds eeuwen beroofd van zijn spits. Hij draaide de N65 op waar een mistige walm over de weg het zicht bemoeilijkte. De stugge witte rook deed hem veronderstellen dat er een naburige matrassenwin- kel in brand stond. Omdat het hem inviel dat er op die vroege ochtend maar weinig mensen op de been waren om de brand te zien besloot hij zelf poolshoogte te nemen. Hij verliet de N65 en sloeg de Helvoirtseweg in. Deze straat voerde hem langs het cen- trum naar de Lambertus, die hij als een donkere toren boven de daken kon zien uitsteken. Daar aangekomen zag hij dat de situatie erger was dan hij dacht. Het ging niet om de matrassenwinkel. Het betrof het monumentale landhuis op de hoek van de Taalstraat en de Helvoirtseweg. Het huis, dat hij vaak gezien had maar waarvan hij de naam niet kende, stond op een weelderig landgoed tegenover de Lambertuskerk. Het werd omgeven door oeroude beukenbo- men, Noorse esdoorns en dicht struikgewas, maar de vlammen Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
waren aan de achterkant duidelijk te zien. De benedenverdieping
stond in brand en het vuur had twee serres van hun ramen beroofd. Uit het dak stegen hagelwitte rookwolken op. De Vughtenaar reed naar de voorzijde, waar het kasteeltje aan het einde van een lange oprijlaan beter te zien was. Omdat daar nog niemand te bekennen was, pakte hij zijn telefoon en belde het alarmnummer, waar zijn melding om 08.23 uur binnenkwam. Zo goed en zo kwaad als het ging probeerde hij de brandweer uit te leggen om welk huis het ging. Op dat moment zag hij hoe de vlammen zich over het monumentale pand begonnen te versprei- den. Na te hebben opgehangen stapte hij uit en liep het terrein op, waar nu ook andere mensen waren verschenen. Een jogger was een kijkje komen nemen; een vrouw met een hondje kwam het erf opgewandeld. Zij was al verschillende huizen afgelopen om te bel- len, maar er had niemand opengedaan. Verschillende andere men- sen verschenen, auto’s stopten bij de oprijlaan. Of er nog iemand in het huis was wist niemand. Er was geen teken van leven. Op het erf stonden verscheidene auto’s geparkeerd, maar die zaten onder het mos. Er werd koortsachtig overleg gepleegd: moesten ze proberen de massieve eikenhouten voordeur te forceren? Op dat moment arriveerde de eerste politiewagen. Voordat de agenten de tijd kregen om uit te stappen explodeerden de ramen aan de voorkant en schoten de eerste vlammen uit het dak. De vuurtongen likten aan het kleine, feee¨rieke torentje aan de oost- gevel. Het werd gevaarlijk. De politie dirigeerde de omstanders weg van het huis en toen de brandweer met twee wagens het terrein op kwam rijden werd de brand een zaak van hulpverleners. De brandweer ging direct aan het werk. Er werden pionnen uitgezet, ramptoeristen verjaagd, slangen uitgerold. De waterleidingen in de Taalstraat werden in werking gesteld en al snel kon er met blussen worden begonnen. Op het erf ontstond consternatie. Nog steeds wist niemand of zich in het huis nog mensen bevonden. Moest de brandweer niet eens een kijkje gaan nemen? Het huis zelf verried niets: de ramen op de begane grond waren donker en niemand had een spoor van de bewoners aangetroffen. Of er ergens licht had gebrand konden de omwonenden niet zeggen. Maar het was zon- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dagochtend: de bewoners konden in hun bed door de brand zijn
verrast.
De brandweer nam een moeilijke beslissing: niemand zou het huis betreden. Het instortingsgevaar was te groot. Daarbij maakte de omvang van de brand het onwaarschijnlijk dat zich binnen de muren nog overlevenden bevonden.
De vlammen lieten zich moeilijk bedwingen, ook nadat er meer politie en meer brandweer was gearriveerd. De sinister opdoe- mende gevel leek het oplaaiende vuur te verdedigen tegen de water- stralen. Het was alsof het huis wilde dat wat zich binnen de hoge muren bevond, in de vlammen ten onder ging. Het huis, zo moet het de brandweerlieden zijn voorgekomen, wilde afbranden. Om een uur of negen moest er een hoogwerker aan te pas komen om de inmiddels uitslaande brand van bovenaf te bestrijden. Zelfs daarna duurde het karwei nog uren.
Om kwart over negen hield de doodvermoeide Vughtenaar uit de Kievitstraat het voor gezien. Hij stapte in zijn auto en reed naar huis. Later zou hij te horen krijgen dat er we´l iemand in het huis was geweest.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De dood van een vrek
De geheimzinnige baron
Het buitengoed Zionsburg stamde uit het einde van de negentiende eeuw. Het verving een landhuis met dezelfde naam dat daar eeu- wen had gestaan en in de loop der tijd in verval was geraakt. De eerste steen werd op 16 augustus 1882 gelegd door Lodewijk ‘Loke’ Marggraff, het vierjarige zoontje van Johan Lodewijk, de jurist en grootgrondbezitter die het een jaar eerder bij opbod had gekocht. In de beginjaren van de twintigste eeuw was Taalstraat 149 een idyllisch, bijna sprookjesachtig kasteel met een prachtige tuin en een door hoge lindebomen omgeven oprijlaan. Het indruk- wekkende grachtenstelsel, aangelegd door Johan Marggraff zelf, werd beschaduwd door de overvloedige bladerkronen van eiken, ceders, beuken en paardekastanjes. Ansichtkaarten uit die tijd la- ten het huis zien als een parmantige, bijna barokke woning in neo- renaissancestijl, blakend in het gouden licht van het fin de sie`cle. De twee serres zijn weelderig begroeid met klimop en haagwinde. Op het terras staan palmen. Een van de architecten, verantwoorde- lijk voor het feitelijke ontwerp, was de befaamde Haagse architect J.J. van Nieukerken. Van Nieukerken had zijn faam opgebouwd met het hoofdkantoor van Shell in Den Haag, het Badpaviljoen van Domburg en het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amster- dam. Op de originele geveltekeningen verschijnen no´g twee namen: die van vader en zoon Stracke´, twee van de grootste beeldhouwers en meubelmakers van hun tijd. Een voormalige tuinman beweert dat het huis rijkelijk versierd was met symbolen uit bijbelse mythen Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
en de vrijmetselarij. Zionsburg was zo’n wijdverbreid begrip dat
het daadwerkelijke adres in de loop der jaren in onbruik raakte. Het visitekaartje van Lodewijk vermeldde enkel de naam van het Huis. Het landgoed besloeg zo’n 8 hectare en bestond naast het kasteeltje uit een koetshuis en dienstbodewoning, stallen, garage en een oranjerie. Griekse goden van sneeuwwit marmer uit de zeventiende eeuw sierden de gazons. Zionsburg zelf bevatte hoge, luxueuze kamers met gesneden houtwerk, uitgebreide lambrisering en kristallen kroonluchters. Een journalist die halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw een kijkje mocht nemen maakt gewag van nissen met fluwelen zitbankjes, schitterende lampen, serviezen, vazen, pronte kasten en originele schilderijen.1 Er was een immense bibliotheek met kostbare werken van honderden jaren oud. Naar de collectie kunstwerken kan alleen worden gegist. Vijftig jaar lang woonde in dit huis, dat steeds meer tot een spookachtige ruı¨ne verviel, een eenzame en mysterieuze multimil- jonair, Ewald Marggraff genaamd.
Het huis stond tegenover een oude kerktoren, de Sint Lambertus. De Lambertuskerk is het oudste monument van Vught en mogelijk een van de eerste gebouwen in het dorp. Bij restauraties werden sporen gevonden van een oeroude tufstenen kerk die vermoedelijk tot de negende eeuw is terug te voeren. In 1562 zette een bliksem- schicht in de kerktoren (ook wel de Vughtertoren genoemd) de spits en het dak in vlammen. In 1601, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, brandde het kerkgebouw achter de toren nog een keer in zijn geheel af. Ook het eerste huis op het landgoed Zionsburg werd door een brand verwoest: in 1542 was het door Gelderse roofrid- ders in de as gelegd. Branden zijn Vught niet vreemd. Beide gebouwen, Zionsburg en de Lambertuskerk, zijn een straatlengte verwijderd van het Vughtse centrum. Het dorp zelf ligt even ten zuiden van ’s-Hertogenbosch en is op zich niet bijzon- der interessant. Het is vooral een rustieke, landelijke forensenge- meente. Een slaapstadje waar voor de uitgaande jeugd niet bijster veel te beleven is en dat het moet hebben van de pastorale rust en de nabijheid van een Bourgondische stad. Het is een aangename, bos- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
rijke gemeente die naast plaatsen als Bloemendaal en Wassenaar
voortdurend figureert op lijsten van rijkste gemeenten van Neder- land. Enkele jaren geleden werd het verkozen tot meest aantrekke- lijke dorp van het land.
Dit was echter niet altijd het geval. Vught is ook een oud dorp met een bewogen verleden. Ondanks de relatief onbelangrijke po- sitie die het in de geschiedenis inneemt, bevond het zich vrijwel voortdurend op het grensgebied van strijdende partijen. Altijd lag het in de vuurlinie. Van de eindeloze conflicten tussen de graaf- schappen Brabant en Gelre tot aan Operatie Market Garden: steeds scheen het zich ongelukkigerwijs tussen twee vuren te bevin- den. Iedere keer als het nabije ’s-Hertogenbosch onder beleg kwam te liggen maakten de belegeraars het zich gerieflijk in de Vughtse periferie. Het naburige kasteel Maurick diende meer dan eens als onderkomen voor illustere figuren als Prins Maurits, opperbevel- hebber van het staatse leger en zoon van Willem van Oranje, en Generaal Pichegru, aanvoerder van de Fransen in dienst van de Revolutie. Het dorp is vaker in de as gelegd dan Rome. Door een bizarre speling van het lot is Vught door de jaren heen het decor geweest van een concentratiekamp, een krankzinnigengesticht en een gevangenis. Het mag zich vandaag de dag verheugen in het feit de zwaarst beveiligde gevangenis van het land te bezitten: drugs- baronnen, maffiabonzen, Al Ouaida-terroristen, ze hebben er alle- maal gezeten. Een bekende plaatselijke kunstenaar beschreef Vught als getekend door de drie V’s: Voorburg (het gesticht), Vos- seveld (de gevangenis) en Kamp Vught (het concentratiekamp). Toch is het over het geheel genomen een wat slaperig plaatsje waar- mee op het eerste gezicht niet veel aan de hand is. Maar schijn bedriegt.
De Marggraffs waren van meet af aan, dat wil zeggen het moment dat zij Huize Zionsburg betrokken, de vreemde eend in de bijt. Over de familie was toen al weinig bekend. Een Marggraff was in de negentiende eeuw burgemeester van Vught geweest, maar veel meer wist men over het van oorsprong Pruisische geslacht eigenlijk niet te vertellen. Voor de Vughtenaren waren de Marggraffs een Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
bron van allerlei indianenverhalen. Zowel de familie als het huis
zelf lokte de fraaiste geruchten uit. Om te beginnen wist men niet zeker hoe de juristenfamilie aan haar geld was gekomen. Het ex- cessieve grondbezit – het verhaal ging dat je over de gronden van Marggraff naar Frankrijk of Duitsland kon lopen – riep sappige vertelsels op over schimmige transacties en uitbuitingspraktijken. Het feit dat de familie zich in toenemende mate terugtrok uit het publieke leven versterkte het beeld dat er op Zionsburg iets niet pluis was. Had Marggraff I nog een redelijk actieve rol gespeeld in het dorpsleven, zijn zoon Loke werd met het slijten van de jaren een beruchte recluse. Hoofdoorzaak schijnt zijn oorlogsverleden te zijn geweest. Lodewijk Marggraff zou zich schuldig hebben ge- maakt aan Duitse sympathiee¨n en collaboratie. Er zou sprake zijn van een NSB-lidmaatschap. Zionsburg was een verradersnest dat met regelmaat hoge SS-officieren had mogen verwelkomen. Loke zou zijn geld hebben verdiend aan lucratieve contractjes met de nazi’s enzovoort. Na de oorlog was de fiscus er kind aan huis, het- geen de verdenking voedde dat de familie op een oneerlijke, mis- schien zelfs onethische manier aan haar geld was gekomen. Geen van deze verdachtmakingen is ooit bewezen. Wel moet ge- zegd worden dat de Marggraffs zelf weinig hebben bijgedragen aan het ontzenuwen van de praatjes. Met name de derde Marggraff, geboren in 1923, was een kluizenaar en een misantroop die zich jarenlang opsloot in zijn eigen burcht. Zelfs goedbedoelende dor- pelingen kwamen maar weinig te weten over de eenzame grond- eigenaren. Veel buurtbewoners herinneren zich het kasteeltje als een plek waar je niet in de buurt mocht komen. Een hoge afraste- ring en een steeds dichter wordende haag van bomen en onkruid onttrok de kapitale villa aan het zicht. In 1954 ging het landgoed over op de volwassen kinderen van Lodewijk: vier dochters en e´e´n zoon. Een tweede zoon overleed op jonge leeftijd aan een verkeerde inenting met koepokstof. De overlevende zoon, Ewald Marggraff (Marggraff III), kocht zijn zusters uit zodat het erfgoed niet zou worden opgedeeld. Op 31-jarige leeftijd kwam hij daarmee in bezit van een astronomische erfenis, waar hij de rest van zijn leven als een bloedhond over zou waken.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Het was vooral deze derde Marggraff waaromheen de wildste ge-
ruchten ontstonden.
‘Iedereen in Brabant weet wel iets van Ewald Marggraff’ Ewald Marggraff was een krenterige, giftige, vermoedelijk homo- seksuele baron met de Monegaskische nationaliteit, die zich bij voorkeur als vrouw verkleedde, zijn geld in dubbele wanden in zijn huis bewaarde en die zijn uitgestrekte landerijen liet verloede- ren om de gemeente een hak te zetten.
Dit vat wel een beetje samen hoe er de afgelopen vijftig jaar naar Marggraff gekeken is. Sommige dingen zijn waar (hij had de Mo- negaskische nationaliteit), andere dingen niet (de travestie is ver- moedelijk niet waar), maar veruit het meeste is nog altijd een mys- terie. Wie was hij? Om te beginnen was hij geen baron. De familie was niet van adel. Baron was een bijnaam, geen titel. Zijn achter- naam komt van ‘Markgraaf’, een adellijke graad die vooral in Duitsland veel aanzien had. De Hohenzollerns van Brandenburg waren markgraven voordat zij koningen werden. ‘De Mark’, werd Ewald door zijn pachters wel genoemd. Zijn voornaam, een Ger- maanse tweestammige naam, betekent ironisch genoeg ‘de naar de wet heersende’. Zelf beweerde hij genoemd te zijn naar een oud- oom: een vrederechter uit ’s-Hertogenbosch, maar het is ook denk- baar dat hij zijn naam te danken heeft aan de geheimzinnige Wil- helm Ewald von Glockmann, een vriend van de familie. Een Von Glockmann was de ontwerper van het familiewapen. Dit wapen, een blauw schild met drie gouden klokjes, werd in recente jaren ongeveer synoniem aan ‘Verboden Toegang’. Waar het bekende gele hekwerk verscheen, voorzien van het wapenschild, daar was het uitkijken geblazen.
Over zijn vermogen lopen de schattingen zo ver uiteen dat het ondoenlijk is er een gemene deler uit te halen. Sommigen beweren dat hij multimiljardair was, anderen menen dat hij ‘slechts’ enkele miljoenen had. Marggraff hing een beetje de Prins Bernhard uit wanneer men naar zijn banksaldo informeerde. Hij gaf dan erg Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
bescheiden schattingen en deed het soms voorkomen alsof hij aan
de rand van een faillissement verkeerde. Ook nu nog is het giswerk. Voorzichtige schattingen maken van Ewald Marggraff meervoudig miljonair. Zijn geld zat niet in dubbele wanden van zijn huis. Het stond op bankrekeningen verspreid over verschillende landen als Zwitserland, Monaco, Luxemburg en de Kaaimaneilanden. Zijn vermogen was gespreid over banken, fondsen en aandelen. Iets meer is bekend over zijn grondbezit. Het zou vervelend worden om de lange lijsten van onroerend goed op te sommen (alleen rond Den Bosch bezat hij al 21 landgoederen) maar we kunnen volstaan met te zeggen dat hij het equivalent van zo’n 1200 voet- balvelden bezat. En dat waren alleen nog maar zijn binnenlandse bezittingen.
Afgezien van de liquide middelen en de hectaren waren er de schatkamers van Zionsburg zelf. Spaarzame bezoekers werden ge- confronteerd met kamers volgepropt met onbetaalbare kunstvoor- werpen. Een buurvrouw die soms te gast was zag op een keer stapels schilderijen, ingepakt met bruin papier, tegen de muren staan. Het waren kostbare werken die Marggraff naar een restau- rateur had laten brengen maar nooit had uitgepakt. Marggraff voegde er bij die gelegenheid nogal achteloos aan toe dat hij op zolder nog een stel Rembrandts en Van Dijcks had staan. Dit kan grootspraak zijn geweest, maar gevreesd mag worden dat hij de waarheid sprak. ‘Dat waren geen kopietjes,’ verzekerde de buur- vrouw. Met zijn huisraad sprong Ewald net zo gedachteloos om als met de vele huizen die hij her en der liet verpauperen. De buur- vrouw herinnerde zich een incident waarbij de grondbezitter zijn hondje aan een blikje sardientjes liet likken. ‘Maar meneer Marg- graff,’ reageerde ze, ‘dat is toch gevaarlijk; die blikjes zijn vlijm- scherp.’ Marggraff pakte het blikje zonder te antwoorden op en smeet het achter zich op een kast.
Een spotprent uit de jaren tachtig toont Marggraff als een vampier, zittend op een troon van schedels. Twee andere prenten hebben het gemunt op zijn beleid monumentale panden in zijn bezit te laten verloederen. Op een ervan is een spookachtige oprijlaan (van Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Zionsburg?) getekend met griezelige monsters in de bomen. Een
onderschrift luidt: ‘Spoken, geesten en vampiers bestaan niet meer....’ Een volgende tekening laat een nachtelijk kerkhof zien. De tekst leest: ‘...Marggraven echter wel.’ Op de drie kruizen staat ‘Kaathoven’, ‘Parva Domus’ en ‘Elzenburg’; drie van de historische buitengoedjes die onder beheer van Marggraff ter ziele zijn gegaan. Parva Domus (‘Klein Huisje’) stond honderden jaren lang op het landgoed Zionsburg totdat Marggraff het vervallen huis in na een lange strijd met de gemeente liet slopen. De oorspronkelijke naam was ‘In den Prince van Orangie¨n’, naar Willem van Oranje, wiens secretaris het huis in de zestiende eeuw bewoonde. Waarom liet hij zijn vele bezittingen verpauperen? Groeiden ze hem boven het hoofd?
Zijn hele leven lang was Marggraff in een verbeten strijd ver- wikkeld met de gemeente Vught, die hij er onder andere van be- schuldigde zijn oudoom de burgemeester te hebben weggepest, en die zijn familie op tal van manieren had dwarsgezeten. Ewald was van huis uit jurist en wist onteigeningsprocedures tot in het onein- dige uit te stellen. Het verwaarlozen van zijn bezittingen was voor hem een spel. Desgevraagd verklaarde hij ‘natuurlijk’ aan kapitaal- vernietiging te doen. ‘Het tuig van de overheid moet op de kniee¨n,’ was een van zijn gevleugelde uitspraken. Om de een of andere reden koesterde hij tevens een vreselijke haat jegens katholieken. De geestelijkheid moest worden opgeknoopt. Hijzelf kwam van een overwegend protestantse familie uit het Pruisische Maagden- burg.
Ook zijn eigen kasteel verwaarloosde hij. Bezoekers zagen de gaten in de muren zitten. Naarmate Marggraff zich meer en meer uit de wereld terugtrok veranderde zijn landgoed langzaam in een oerwoud. Het park werd overwoekerd door hoog gras en onkruid. De door mos aangetaste Griekse beelden kwijnden weg in het stru- weel of vielen om. Het koetshuis en de oranjerie verzakten tot ruı¨nes waar de wind doorheen gierde. De toegangspoort met na- tuurstenen pijlers uit het begin van de negentiende eeuw bood na verloop van tijd enkel nog toegang tot een naargeestig huis dat er meestentijds verlaten bij lag.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Marggraff werd mensenschuw en was over het algemeen niet ge-
diend van pottenkijkers of ongewenste bezoekers. De Vughtse jeugd kon daarover meepraten. Een jongen uit het dorp die het waagde beukennootjes op te rapen van de oprijlaan werd door Marggraff in de kraag gegrepen en hardhandig wegge- werkt. Hij had geluk: Marggraff stond erom bekend overtreders met een geladen geweer van zijn land te jagen. Zelfs zijn hondje Fokkie was volgens sommigen gemeen.
Krakers van zijn leegstaande panden liet hij er door knokploe- gen uitzetten. Toen een groepje archeologen zich op de Kopse Hof bij Nijmegen op zijn land begaf omdat hier Romeinse vondsten waren gedaan dreigde hij hen met een bulldozer weg te schoffelen. De Romeinen konden wat hem betreft het schompes krijgen. Pre- historische grafheuvels moesten wijken voor de bouw van zestig luxe villa’s. Daarnaast was hij de gesel van boeren en pachters die zijn land bewerkten. Wanneer hij hen niet met uitzetting dreigde liet hij de boerderijen zodanig verpauperen dat de meeste huurders de moed opgaven. Hij werd ervan beschuldigd illegaal mest te dumpen (volgens de berichten met medeweten van zijn vriend, motelmagnaat Gerrit van der Valk) zodat zijn pachters in feite op een mestvaalt woonden. Reagerend op de beschuldigingen verviel Marggraff in een van zijn legendarische tirades en brulde dat ‘de varkensboeren, de gemeente, de boeren en de Pachtwet’ het op hem hadden voorzien. In latere jaren bezocht hij zijn verwilderde land- goederen niet meer. Ook zijn appartement in Monaco, waar hij naar verluidt Prins Rainier wel eens tegen het lijf liep, zag hem in de loop der tijd steeds minder.
Uiteindelijk, zo wil de legende, werd Marggraff een anachro- nisme: een feodale herenboer die zich in de twintigste eeuw pro- beerde staande te houden. Ondanks zijn gewiekste juridische vos- senstreken leek hij weinig op te hebben met de moderne tijd. Zo verdween hij uit het zicht: hij teerde weg in zijn burcht en leek samen met het geheimzinnige landhuis weg te zakken in het laatste stukje middeleeuwse grond van Nederland. In november 2003 trad hij voor het laatst in de openbaarheid. In het achtste deel van de Vughtse Historische Reeks werd een artikel Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
gewijd aan Zionsburg; hij verscheen met zijn zus op de presentatie
in het Historisch Museum. Op die zesde november was het de hier- boven genoemde buurvrouw die de laatste foto nam van Ewald. Merkwaardig genoeg is er op deze foto een omineuze veeg te zien; een onverklaarbare lichtflits die Marggraff, zittend in zijn stoel, bijna onzichtbaar maakt. Precies een maand later, in de nacht van 6 op 7 december, brak er door een onbekende oorzaak brand uit in Zionsburg.
Toen deze in de late namiddag van de volgende dag eindelijk was geblust, werd op de begane grond, in de hal naast de trap, het levenloze lichaam van de Vughtse baron gevonden. Zijn identiteit kon alleen door zijn gebit worden bevestigd. Naast hem lag zijn hondje Fokkie. Marggraff was 80 jaar en de laatste mannelijke telg van zijn lijn: met hem stierf de naam uit. Zijn bezittingen, de schil- derijen en de roemruchte bibliotheek, waren in vlammen opge- gaan.
Willem Frederik Ewald Marggraff, ‘door een enkeling geliefd en door velen gehaat’, was dood. Nederland juichte: Prinses Ma´xima beviel diezelfde dag van een dochtertje. Zij werd Amalia genoemd, naar de vrouw van Stedendwinger Frederik Hendrik van Oranje- Nassau. Het feit dat Frederik Hendrik en een aantal van zijn naza- ten tijd hebben doorgebracht op Zionsburg was niet de laatste van een lange reeks toevalligheden in dit verhaal. Een moordzaak
Gezien Marggraffs geheimzinnige reputatie tijdens zijn leven is het misschien niet verwonderlijk dat er na zijn dood verschillende ge- ruchten de ronde deden over de wijze waarop hij was gestorven. Maar deze keer kwamen de verhalen niet alleen van babbelzieke Vughtenaren. ‘Onze broer is vermoord,’ riepen de nog levende zusters Marggraff.
In de maanden na de brand kwamen er omstandigheden boven tafel die zijn plotselinge dood verdacht maakten en die de toe- dracht van de ramp met nieuwe feiten een andere wending gaven. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Omwonenden wisten er opeens meer van. Marggraffs tuinman en
duvelstoejager kwam met boude beweringen. Men was niet verge- ten dat de grootgrondbezitter in de jaren negentig een keer in zijn eigen woning was gemolesteerd. Die gebeurtenis was nooit opge- helderd. Ook wisten de zusters te melden dat Ewald in het jaar voor zijn dood door onbekenden was bedreigd: ‘Hij kreeg een jaar geleden een dreigbrief. Een man wilde 50.000 gulden van hem. Als Ewald niet zou betalen, zou zijn huis in de fik worden gestoken. Die man heeft het gedaan. Er zijn ook andere mensen die ons verteld hebben dat ze dit zeker weten. Maar de politie doet er niets mee. Onze broer werd een paar jaar geleden ook al aange- vallen in zijn huis. Hij werd vreselijk toegetakeld door de daders. Ook toen wilde de politie niet luisteren.’ Het bedoelde incident vond plaats in de nacht van 27 op 28 april 1994. Het gebeurde een maand nadat Marggraff een reeks open- hartige interviews had gegeven aan een journalist van het Brabants Dagblad. Een onbekend aantal personen drong rond half een ’s nachts het huis binnen en bond de baron aan handen en voeten vast. De volgende ochtend om half tien werd hij door een werk- nemer bewusteloos aangetroffen. Marggraff werd vervolgens met ernstige hoofdwonden overgebracht naar het ziekenhuis. Volgens de politie zou het gaan om een roofoverval, hoewel er tot op de dag van vandaag niet bekend is wat er is meegenomen – als er al iets is meegenomen. Het huis zou van onder tot boven doorzocht zijn, maar er zouden slechts wat sieraden zijn ontvreemd. Ondanks het feit dat de overvallers ‘de complete woning’ overhoop haalden, zagen ze de onbetaalbare kunstwerken die door het huis verspreid lagen over het hoofd. Aangezien het slachtoffer urenlang (ruim negen uur volgens de krant) gekneveld en bewusteloos op de vloer had gelegen, hadden de daders alle kans gehad om de veronder- stelde Rembrandts weg te slepen. Hier werd echter nooit melding van gemaakt. Ook werden er geen sporen gevonden van inbraak, hetgeen tot de veronderstelling leidde dat Marggraff de daders zelf had binnengelaten. Ewald ontkende dit met klem. Volgens de buur- vrouw beweerde Marggraff dat hij in zijn salon in een stoel zat en Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
plotseling een klap op zijn hoofd kreeg. Hij zou van de hele overval
niets hebben meegemaakt.
Kende Marggraff de daders? De baron stond erom bekend zelfs buren en kennissen niet binnen te laten. Zou hij de deuren dan hebben geopend voor een stel vreemden? Midden in de nacht? De indruk ontstond dat het wel degelijk bekenden betrof en dat Zions- burg met een specifieke reden was doorzocht, alsof de daders er- gens naar op zoek waren. Maar wat?
Door deze overval uit 1994 kwam de brand in een ander licht te staan. Allereerst waren er de omstandigheden rond de ramp zelf. Er kwam zware kritiek op de besluiten van de brandweer, die had geweigerd het pand te betreden. Nog afgezien van de oorzaken van de brand beweerden de gezusters Marggraff dat zijn dood in de vlammen niet nodig was geweest. ‘De brandweer heeft niet alles gedaan om het te voorkomen,’ beweerden ze. ‘De klusjesman was er op tijd bij, hij had de sleutel van de voordeur. Maar van de brandweer mocht hij die niet openmaken. Ewald lag net achter de voordeur, hij had gered kunnen worden.’
De brandweer pareerde de aanval met de bewering dat de brand al te veel om zich heen had gegrepen om een reddingspoging te verantwoorden. Een woordvoerder zei: ‘Gelet op de felheid van de brand was overleven in dit pand niet meer mogelijk. Bovendien was rond half negen niet duidelijk of er iemand in het pand aan- wezig was. Omstanders gaven aan dat de heer Marggraff mogelijk in Monaco zou verblijven.’ Gezien het feit dat Marggraff al jaren niet meer in Monaco kwam, is dit niet waarschijnlijk. En wat de felheid van de brand betreft, getuigen verklaren dat de brand zich hoofdzakelijk op de eerste verdieping afspeelde. De bovenverdieping stond in brand maar de begane grond niet. Op foto’s die tijdens het blussen ge- nomen zijn is inderdaad te zien hoe de brand zich op de eerste etage bevindt; de ramen op de begane grond zijn donker en intact. Toch werd het lichaam van Marggraff op luttele meters van de voordeur gevonden. Als hij beneden was geweest tijdens de brand, waarom had hij dan de deur niet bereikt?
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Was Marggraff al dood voordat de brand uitbrak? Of was hij
bedwelmd en voor dood achtergelaten?
De hoog oplaaiende emoties leidden enkele weken later op dins- dag 23 december tot een bijeenkomst in de Vughtse brandweerka- zerne. Daar gaf de brandweer toe klusjesman Emile van Uden de toegang te hebben ontzegd. Het gevaar voor een eventuele ‘flash- over’ maakte het onverantwoord om het pand binnen te gaan. Hoewel brandweercommandant Van der Vossen de toedracht van minuut tot minuut opsomde wist hij de argwaan van het pu- bliek niet weg te nemen.
Die argwaan was nog groter waar het de mogelijkheid van een misdrijf betrof. De politie sloot dit aanvankelijk uit. Bij onderzoek van de technische recherche werden er geen vluchtige stoffen aan- getroffen die op brandstichting wezen. De patholoog-anatoom voegde daaraan toe dat er op het lichaam van Marggraff geen uitwendig letsel was geconstateerd: wel inwendig letsel veroor- zaakt door koolmonoxide. Het slachtoffer was dus door rookver- stikking om het leven gekomen.
Een getuige wist te vermelden dat Marggraff de laatste jaren vaak in een stoel op de benedenverdieping sliep. Een buurtbewoner wist zeker dat de brand daar ook begonnen was, en wel in de keuken.
Lijnrecht tegenover deze verklaringen staan de beweringen van nabestaanden. Marggraff zou in de jaren tot aan zijn dood meer- dere malen zijn bedreigd.
Twee jaar na de brand kwam ene B.R.4, een ‘persoonlijke vriend’ van Ewald, met opzienbarende getuigenissen. B.R., die aan zijn voormalige werkgever een uitgebreide website heeft gewijd, ver- klaarde uit angst voor represailles gezwegen te hebben, maar nu was hij bereid het een en ander uit de doeken te doen. Zijn woor- den brachten de zaak opnieuw aan het rollen. B.R. kwam naar eigen zeggen in 1989 als tuinman in dienst van het landgoed en ontwikkelde zich in de daaropvolgende jaren tot een trouwe huisvriend. ‘Ik weet al geruime tijd dat er meer is voor- afgegaan aan de brand,’ vertelde hij op 23 november 2005 aan het Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Brabants Dagblad. De grootgrondbezitter zou zijn afgeperst. De
tuinman zelf zou door onbekende lieden zijn klemgereden en be- dreigd. Bovendien zou hij door onverlaten benaderd zijn om hem bij een overval te betrekken. Gesteund door deze beweringen eisten de erven van Marggraff dat het onderzoek zou worden heropend. De Brabantse politie voelde daar niets voor, dus zocht B.R. het hogerop. De minister moest er aan te pas komen en op 15 maart van het daaropvolgende jaar kon het Brabants Dagblad melden dat er inderdaad nieuw onderzoek op poten stond. Dit was gebeurd op voorspraak van commissaris van de koningin Hanja Maij-Weg- gen, die door B.R. persoonlijk was aangeschreven. Het verhaal dat de brand door een defecte kachel was ontstaan verdween voor- lopig in de kast. Tot nu toe heeft dit tweede onderzoek, voor zover bekend, geen nieuwe feiten opgeleverd.
Marggraff zelf ligt sinds 5 maart 2004 begraven op eigen grond. Een kronkelend bospad, ontoegankelijk voor het publiek, voert naar een stille plek in het park. Daar, binnen een ring van taxusbo- men, staat een ruw bewerkte betonnen zuil zonder naam of epitaaf. Het was de plaats waar de Marggraffs hun honden begroeven. Sinds 2004 ligt de grootgrondbezitter er zelf. Zijn begrafenis schiep een precedent: inwoners van Vught en Cromvoirt met een flinke lap grond kunnen zich voortaan in de eigen achtertuin laten begra- ven.
Het tekstloze graf verraadt niets over het leven van de Vughtse baron. Had hij zijn geheimen hierin meegenomen? Schatten uit een ver verleden
Het is zeer wel mogelijk dat B.R. het een en ander verzint (al wekt hij niet die indruk). We hebben als schrijvers niet de pretentie een moord op te lossen. Het is niet zozeer de persoon Marggraff die ons onderzoek zal tekenen, als wel het landgoed dat hij bewoonde. Een paar aspecten van de zaak zijn echter zo geheimzinnig dat het ons tot onderzoek aanspoorde. Het mysterie Marggraff eindigt niet bij Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
zijn geheimzinnige dood. Er is meer te vertellen over de baron en
zijn landgoed. Zo waren de Marggraffs lid van de geheimzinnige Zwanenbroeders in Den Bosch, een middeleeuwse organisatie waarvan allerlei hoogwaardigheidsbekleders (niet in de laatste plaats het koningshuis) nog steeds contribuant zijn. Na de oorlog werden zij plotseling van de ledenlijst geschrapt. Daarnaast kwamen we erachter dat de geruchten rond Zions- burg niet met de familie Marggraff begonnen waren. Het landgoed is al veel langer een plek van raadsels en geheimen. Vele eeuwen lang deden er verhalen de ronde over grote schatten, vreemde gods- dienstige rituelen en onderaardse gangen. Waar kwamen die ver- halen vandaan?
Zionsburg, zo bleek, was in de Middeleeuwen een comman- deurshuis van de Duitse Orde: na de tempeliers en de hospitaal- ridders de derde grote ridderorde uit de tijd van de kruistochten. Net als bij de tempelridders zijn er over de Duitse ridders talloze legenden in omloop: over verborgen kruisvaardersschatten, Ger- maanse heiligdommen en de Heilige Graal zelf. We kwamen erach- ter dat de meest succesvolle van de drie orden evenveel (zoniet meer) aanspraak maakt op het bezit van deze legendarische voor- werpen. De naam Zionsburg zou verwijzen naar de berg in Jeruza- lem, waar de Duitse kruisridders enige tijd hebben doorgebracht. Daarnaast bleek het voormalige commandeurshuis meer gehei- men te herbergen dan we hadden kunnen vermoeden. Zionsburg speelde in de geschiedenis een grote rol van betekenis: steeds weer verschijnt het in de kijker van uiteenlopende historische figuren. Koningen en schatzoekers blijken door de eeuwen heen buitenge- woon geı¨nteresseerd in het landhuis. Het komt nadrukkelijk voor in geheime rapporten van de Gestapo. De geruchten dat het tijdens de bezetting een hoofdkwartier van de SS was blijven hardnekkig. Ook de aanwezigheid van de Bossche Zwanenbroeders en die van invloedrijke adellijke families in de streek bleek geen toeval. Vught lijkt een gewoon slaperig Brabants dorp, maar er is iets niet in de haak. Waarom bijvoorbeeld, zijn er twee parochieker- ken? Kan dit te maken hebben met de aanwezigheid van de ge- heimzinnige ridderorde die als eerste het landgoed Zionsburg be- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
woonde? Wat had deze in Vught te zoeken? Waarom waren de
ridders tegelijkertijd pastoors van de nabije Lambertuskerk, die door een ondergrondse gang met Zionsburg verbonden was? En waarom bleven ze bestaan toen de Duitse Orde in Europa al geen rol van betekenis meer speelde? Werd er in Zionsburg oorlogsbuit of een ander geheim bewaard? We zullen in het verloop van dit verhaal veel over het Geheim van Zionsburg speculeren. Naarmate er meer feiten en incongruenties boven tafel kwamen, gingen we onszelf prikkelende vragen stellen: kon er een verband zijn tussen deze zaken uit een roemrucht verleden en de meer re- cente ontwikkelingen? Johan Marggraff liet het eerste Zionsburg in 1880 slopen. Hij gaf echter de nadrukkelijke opdracht dat be- paalde delen van het oude huis moesten blijven staan en liet in de koopakte opnemen dat alle op het terrein gevonden schatten zijn eigendom werden. Waarom deed hij dat? Was het om dezelfde reden dat Ewald in zijn testament wilde zetten dat er tot 99 jaar na zijn dood niets aan Zionsburg mocht veranderen? Wat was er in de kelder verstopt? En wat stond er in de archieven die na de brand heimelijk uit het huis zijn weggehaald?
Om deze vragen te beantwoorden moesten we terug in het ver- leden, niet alleen in dat van Vught, maar ook in dat van de Duitse ridderorde. Met Zionsburg als leidraad begonnen we aan een ont- hullende zoektocht in de geschiedenis. Om te ontdekken wie de Teutonen waren en hoe zij zich konden ontwikkelen tot een vrees- wekkende kruisvaardersgrootmacht gingen we ons bezighouden met de oude Germanen. Het beeld dat langzaam uit deze zoektocht naar voren kwam was niet zelden verbluffend. In die apocalyptische brand van december 2003 ging wellicht veel meer verloren dan kroonluchters, Chinese vazen en kostbare Rembrandts. Marggraff zat misschien wel op een van de grootste geheimen uit de geschiedenis.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk In de Germaanse wouden
Germanen betreden de geschiedschrijving
Het lijkt misschien overdreven om voor het oplossen van een een- entwintigste-eeuws mysterie tweeduizend jaar terug te gaan in de tijd. De Germanen ontpopten zich echter als een steeds terugke- rende factor in onze zoektocht, en om tot een goed begrip van de latere Duitse Orde te komen is het noodzakelijk wat meer over hen te weten.
Voor de oorsprong van deze Noord-Europese stammen kunnen we oneindig ver teruggaan in de geschiedenis, naar de Keltische en Indo-europese volkeren uit de Oudheid, maar een handig begin- punt vormen de annalen van Romeinse geschiedschrijvers als Ta- citus, Lucanus en zelfs Julius Caesar. Het is een ongelukkig maar onvermijdelijk gegeven dat de geschiedenis van beschavingen ten tijde van de antieke Oudheid werd geschreven door de overwin- naars, dus door degenen die hen door hun culturele en militaire overwicht de baas waren. Rond het begin van de jaartelling waren dat onbetwistbaar de Romeinen. Het Romeinse rijk strekte zich uit van de Europese westkust tot aan de Aziatische steppen, en in het zuiden tot aan de Sahara. De Romeinen hadden in hun verove- ringsdrift vrijwel alle Europese volken aan zich weten te onderwer- pen. Over de Kelten weten we het een en ander omdat de Romeinse veldheer Julius Caesar een verslag schreef over zijn militaire cam- pagnes tegen dit volk. Dat deze verslagen vrijwel altijd uitpakken in het voordeel van de Romeinen hoeft ons niet te verbazen. Daar- bij komt nog dat de Germanen tot aan de derde eeuw na Christus Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
een mondelinge overlevering kenden, en geen schrift. Wanneer we
iets te weten willen komen over de vroegste geschiedenis van de Kelten en de Germanen, zitten we dus opgescheept met de eenzij- dige verklaringen van geletterde beschavingen, zoals die van de Grieken en de Romeinen.
Toch kunnen wij, dankzij recente opgravingen en onderzoeken, wel het een en ander over de Germanen aan de weet komen. En wat we zeker weten is dat het juist Germanen waren die over het Ro- meinse rijk het laatste woord hadden. Het waren de Westgoten, een Germaans volk, die in het jaar 410 Rome veroverden en daarmee een einde maakten aan de Romeinse beschaving. En het zijn de- zelfde Germaanse stammen die Europa gevormd hebben tot wat het vandaag is. Hun invloed op de Europese beschavingsgeschiede- nis kan nauwelijks worden onderschat.
Aan die verovering ging wel het nodige vooraf. Waar het woord Germanen vandaan komt is niet bekend. Als een Germaanse reiziger door een passant als ‘Germaan’ was aange- sproken had hij waarschijnlijk fronsend achteromgekeken. Ger- manen noemden zichzelf niet zo, maar het is waarschijnlijk dat de Keltische volkeren die naam hebben bedacht (en niet, zoals wel gedacht wordt, de Romeinen). Geopperd is dat de naam Germani zoveel betekent als ‘vreemde buren’. De Gallische (Franse) Kelten noemden de Germanen ook wel naar de stam waarmee ze het meest in contact stonden: de Alemannen, waarin we nu nog het woord Allemagne herkennen. Tijdens de Gallische Oorlogen nam Caesar de naam Germani over en voor het gemak duidde hij daar- mee alle volken ten oosten van de Rijn aan, ze daarmee onderschei- dend van de Kelten. Aldus werd een bevolkingsgroep samengepakt waarover men eigenlijk heel weinig wist; misschien was het ook maar beter er niet te veel over te weten. Hoewel de pakweg twee miljoen Germanen veel overeenkom- sten vertoonden in gebruiken en levensstijl, zagen zij zich evenmin als Germanen als Peruanen, Brazilianen en Argentijnen zich van- daag de dag Zuid-Amerikanen zouden noemen. We kunnen wel stellen dat ze door zowel de Kelten als de Romeinen gevoeglijk Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
over e´e´n kam werden geschoren. Maar er was niet zoiets als een
collectieve volkswil, nog niet. Vermoedelijk waren de Germanen voornamelijk barbaarse, vervaarlijke lieden, en waren de meeste mensen blij dat zij zich achter het ondoordringbare Europese woud verstopten.
Romeinen en Germanen
Het was vooral Julius Caesar die de Germanen een stem gaf door in zijn De Bello Gallico over hen te schrijven. Daarin vertelt hij over zijn roemruchte campagnes tegen de Kelten tussen 58 en 51 voor Christus. Zijn kroniek was feitelijk niet meer dan een propagan- dastunt voor hemzelf en verbloemde op slinkse wijze het opportu- nisme van de onderneming. Na Caesar is het hek van de dam. Allerlei historici wagen zich aan een beschrijving van deze schrik- aanjagende noorderburen die zelfs Caesar niet had kunnen be- dwingen, en kort daarop doen alle mogelijke geruchten de ronde. Een bekend citaat van de onvermijdelijke leunstoelantropoloog Tacitus – die feitelijk alles van horen zeggen had – is als volgt: ‘Wat de Germanen zelf betreft, ik denk dat het aannemelijk is dat zij een inheems volk zijn en dat er zeer weinig buitenlands bloed is geı¨ntroduceerd door invasies of door vriendelijke betrekkingen met naburige volken. (...) Wie zou er, nog afgezien van de gevaren van die vreselijke en onbekende zee, Azie¨, Afrika of zelfs Italie¨ willen verlaten om naar Germanie¨ te trekken met dat onherberg- zame landschap en zijn woeste klimaat? Voor iedereen die er niet is geboren, is dat onvruchtbare oord een treurig land om in te wonen en zelfs om te zien.’ Maar Tacitus, Lucanus en anderen kunnen niet maskeren dat ze over de noordelijke volkeren eigenlijk heel weinig weten. Sterker nog, lange tijd vermoeden Grieken en Romeinen dat de ondoor- dringbare noordelijke wouden bevolkt worden door wezens met paardenhoeven en reusachtige oren. Zij hebben geen superlatieven genoeg om de barbaarsheid van de noorderlingen te benadrukken. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Halve wilden die in de lange winternachten niets beters te doen
hebben dan zich ongecontroleerd voort te planten. Dollemannen met weinig of geen impulsbeheersing die met de billen bloot door de velden rennen en die je liever niet in het donker tegen het lijf loopt. Recentelijk is dit beeld bijgesteld in het voordeel van de Germanen, die er al heel vroeg een nauwkeurige kalender en een uitgebreid wetboek op nahielden.
Maar het beeld dat beklijft is dat van angstaanjagende barbaarse troepen die moordend en plunderend de grenzen van het Rijk bin- nenstormen, of die in het beste geval de duistere wouden in het noorden bevolken.
De beruchte Varusslag in het jaar 9 na Christus geldt als voor- beeld van de ondoordringbaarheid van het Germaanse woud. De Romeinse keizer Augustus zag in de Germanen een belediging voor de Romeinse overheersing en probeerde Germanie¨ wel degelijk bij het Romeinse rijk te annexeren. Hij stoorde zich aan het feit dat de noordelijke grens van het rijk niet een zee was, zoals in het westen, en stuurde zijn veldheer Quintilius Varus naar het noordelijke woud om af te rekenen met het Germaanse stamhoofd Arminius en zijn Cherusken. Varus onderschatte de Germanen danig. Armi- nius, die in het Romeinse legioen gediend had, wist Varus in een hinderlaag te lokken. Toen de keizer daarop het afgehakte hoofd van Varus kreeg opgestuurd, gooide hij het in een vlaag van woede door de kamer en riep: Quinctili Vare, legiones redde! (‘Quinctilius Vares, geef mij mijn legioenen terug!’). Nog jaren daarna trof de Romeinse aanvoerder Germanicus in het Teutoburgerwoud6 de gruwelijke sporen aan van de vernietigende slag: verbleekte ge- raamten, doorkliefde schedels en de rottende lichamen van gesneu- velde soldaten die in de bomen waren opgehangen. Na die slag waren de opeenvolgende keizers opeens van mening dat Germanie¨ de moeite niet waard was en dat het land ten noorden van de Rijn niets te bieden had wat voor de Romeinen interessant was. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Het begin van de Grote Volksverhuizing
Aan het begin van onze jaartelling landden de Goten uit Skanza (Scandinavie¨) op de kust van Polen, waarna ze gestaag naar het zuiden trokken. Net als hun voorgangers kregen ze daar met an- dere volkeren te maken,7 en het was niet zonder slag of stoot dat de Goten zich op het Europese vasteland wisten te vestigen. Maar het waren uiteindelijk weer de Romeinen met wie de grootste conflic- ten werden uitgevochten.
Ondanks de vele pogingen van de Romeinen om de Germaanse stammen te beteugelen, in te dammen en tegen elkaar uit te spelen kwamen de Germanen uiteindelijk toch naar het zuiden. Het voor- naamste motief hiertoe was het zoeken naar nieuwe landbouw- gronden, niet de val van het Romeinse imperium. Ze staken de Rijn en de Donau over, doorbraken de Romeinse verdedigingsli- nies en stroomden in groten getale het rijk binnen. Goten en Van- dalen in het oosten, de Franken en Saksen in het westen en daar tussenin de Alemannen, de Burgunden en de Langobarden. Het was de tijd van grote Germaanse allianties en stamverbonden, en die luidden de ondergang van het Romeinse rijk in. Dit klinkt spectaculair, alsof van de ene op de andere dag hele horden Ger- maanse krijgers aan de horizon opdoemden, maar in werkelijkheid vond deze volksverhuizing veel geleidelijker plaats. Het kostte de Goten zo’n tweehonderd jaar om – etappegewijs – de afstand af te leggen. Ze trokken per keer zo’n dertig, veertig kilometer naar het zuiden, vestigden zich ergens, en trokken verder wanneer de gron- den waren uitgeput of wanneer de bevolkingsconcentratie te groot werd. De hele tocht duurde generaties. In 175 na Christus zakten ze verder af naar het zuiden. Net als de Kimbren tweehonderd jaar eerder gingen ze eerst naar het zuidoosten, waar ze in 257 de Zwarte Zee bereikten. Ze vestigden zich in de huidige Oekraı¨ne en bleven van daaruit de Romeinen bestoken. In tegenstelling tot de opgejaagde Kimbren vonden ze hier een thuis. Ze wisten zich er eeuwenlang te handhaven, en halverwege de achttiende eeuw werd hier nog Gotisch gesproken. Zij waren de eersten die (door tussen- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
komst van bisschop Wulfila) met het christendom in aanraking
kwamen. Over Wulfila zullen we het later nog hebben. Zoals gezegd was het expanderende front tegen de Romeinen op zich geen motief om de barre tocht naar het zuiden te ondernemen. De Germanen werden in het noorden van Europa grotendeels met rust gelaten, dus een massale Germaanse campagne tegen een ver verwijderd Rome lijkt uiterst onwaarschijnlijk. Ze maken eerder de indruk van een in het nauw gedreven kat, die briesend en klau- wend uithaalt naar zijn belagers. Als de Germanen Rome bestor- men, is dat omdat ze als zigeuners door het hele continent gejaagd zijn en geen andere keus meer hebben dan zich op de uitstralings- haard van alle vervolging te storten. Maar ook in deze opinie, die in veel opzichten zeker steekhoudend is, kunnen we te ver door- schieten. Het is modieus geworden om de Germanen van hun strijdlust te beroven, hun martiale vlechten te kortwieken en hen als vredelievende nomaden af te schilderen die bijna per ongeluk over de Romeinse puinhopen struikelen. De plunderende Westgo- tische horde onder leiding van de beruchte Alarik wordt naar mo- derne maatstaven een kudde inschikkelijke christenen die verbaasd met de ogen knipperend door de straten van een reeds verloren beschaving slenteren.
Zeker waren de Germanen agrarie¨rs die een betere toekomst probeerden te bereiden voor hun geslacht, maar zij waren ook krijgers en veroveraars. Een effectief oorlogsapparaat zoals de Ro- meinen dat door de eeuwen heen hadden opgezet wordt niet zo- maar onder de voet gelopen. Het gaat misschien te ver om de Ger- manen in hun expansiewoede van een vooropgezet plan te voor- zien – een agenda zullen ze er misschien niet op na hebben gehou- den. Maar dat wil niet zeggen dat de Germanen bij het aanbreken van de vierde eeuw totaal gespeend waren van eendracht en doel- gerichtheid. Wat we zien is dat zich tijdens die omzwervingen nieu- we sociale klassen gaan vormen. De gewelddadige verovering van een vreemd en vijandelijk gebied dat bovendien een hoog bescha- vingsniveau bezit, gaat niet zonder slag of stoot. Een geslaagde invasie vergt, dat wisten ook de Romeinen heel goed, organisatie en tactisch inzicht. Dat wil zeggen dat de Germanen lang niet zo Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
verdeeld en onbesuisd waren als vaak wordt gedacht. Van een
Germaanse eenheid is bij de aanvang van de volksverhuizing wel- licht geen sprake geweest, maar de lange reis naar het zuiden en de vele aanvaringen met vreemde volkeren hebben van de Germanen een ondernemend en zelfbewust volk gemaakt. De avonturen van de Goten
Wat de zich groeperende Germanen ook goed uitkwam was het feit dat Rome door interne strubbelingen verdeeld werd. Waren het eerst de Germaanse stammen geweest die door inwendige verdeeld- heid geen vuist konden maken tegen de Romeinse bezetter, nu waren het de Romeinen zelf die gebukt gingen onder burgeroor- logen en machtspolitieke ontwikkelingen. Onder bewind van on- der andere de wijze koning Athanarik begonnen de eens verspreide noordelijke stammen de underdogpositie van zich af te schudden. Een soevereine houding ten opzichte van Rome was niet langer ondenkbaar.
Zo rond het jaar 270 is er sprake van een opsplitsing van de Gotische immigranten. Voor het gemak wordt er een onderscheid gemaakt tussen de Oostgoten (of Ostrogoten) in de Oekraı¨ne en de Westgoten (of Visigoten) dichter bij huis in het Donaugebied. De oorspronkelijke benaming had niets met hun woongebied te ma- ken, maar omdat de Westgoten in de loop der tijd naar het westen trokken en zich in de zesde eeuw in Spanje en Frankrijk vestigden, wordt deze naam gehandhaafd.
Aanvankelijk verging het beide volkeren dus goed, ondanks de onevenwichtige verhouding met de Romeinen. Er werd lustig han- del gedreven en de Oostgoten lieten zich gaandeweg kerstenen. Vanaf de derde eeuw werden sommige Germanen zelfs in het Ro- meinse rijk opgenomen op voorwaarde dat zij de grenzen verde- digden tegen andere barbaarse stammen. Er zijn voorbeelden te over van Goten en Franken die hoge posities bekleden binnen de staat. Het indrukwekkende beschavingsniveau van met name de Goten in het oosten van Europa is te danken aan hun nauwe be- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
trekkingen met de Romeinen, en aan de vruchtbare gronden die zij
deelden met geciviliseerde buren als de Scythen, de Bastarnen en zelfs de Grieken. Het kan niet anders of het cultuurrijke gebied dat al eeuwen bezocht werd door kooplieden, reizigers en denkers van uiteenlopende beschavingen heeft zjin vruchten afgeworpen. De Oostgermanen toonden zich leergierig en namen gretig nieuwe vondsten en technieken over. Het Gotische schrift werd voor het eerst hier in gebruik gesteld. Stamhoofden werden koningen, hut- ten werden paleizen: de zogenaamde Gotenburchten die in de rot- sen werden uitgehakt. Het is in het zuiden van Rusland en daar- omtrent dat de Germanen ophouden natuurvolken te zijn. Maar de rust was van korte duur. Net toen er in 369 een wankele vrede werd bereikt tussen de Westgoten en de Romeinen dook er een nieuwe vijand op in het oosten die roet in het eten gooide: de Hunnen.
De Hunnen, de ‘gesel van de Goten’ waren een Oost-Aziatisch ruitervolk. Hoewel we hebben gezien dat de Noord-Europese vol- keren zich al vo´o´r het begin van de jaartelling door het continent gaan begeven, zijn het toch de Hunnen die verantwoordelijk wor- den gesteld voor de Grote Volksverhuizing tussen de vierde en de zevende eeuw na Christus.
In het kort komt het erop neer dat de Hunnen, aan Turken ver- wante nomaden die de steppen in Midden- en Oost-Azie¨ bevolk- ten, Europa binnenvielen en daar de aanwezige Germaanse volks- stammen opjaagden. Maar wat minder bekend is, is dat de Hunnen op hun beurt werden verdreven door andere Aziatische volken die zich in de vierde eeuw in westelijke richting begaven. De bewoners van de Euraziatische laagvlakten waren bij de Grote Muur door de Chinezen verslagen en ze hadden geen andere keus dan zich al vechtend een weg naar Europa te banen. Er ontstond simpel gezegd een domino-effect waarbij het ene volk door het andere werd ver- jaagd en er een soort stoelendans ontstond tussen Kelten, Germa- nen, Slaven en anderen.
De eersten die de Hunnen tegenkwamen, waren natuurlijk de Oostgoten. De ontmoeting verliep desastreus: het rijk van de Goten Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
werd op een afschuwelijke manier onder de voet gelopen. Koning
Ermanarik (die onder de naam Jo¨rmunrek zou voortleven in de Edda8) werd volgens sommige lezingen vermoord, volgens andere pleegde hij zelfmoord.9 Slechts een handjevol Goten overleefde de apocalyps; zij trokken zich terug in een kleine kolonie in het zuiden van de Krim, waar zij tot in de achttiende eeuw standhielden. De Westgoten hadden geen keus dan zich westwaarts op Romeins ge- bied te begeven. Daar werden ze echter door de Romeinen tegen- gehouden.
Toch leek de val van het Romeinse rijk onvermijdelijk. Roemruchte tijdgenoten, waaronder de Gotische koning Alarik, zouden het on- vermijdelijke bespoedigen. Keizer Theodosius geldt als degene die een laatste krampachtige poging deed om Rome in zijn oude groot- heid te herstellen. Bij zijn dood in 395 verdeelde hij het rijk onder zijn twee (incompetente) zonen, wat erop neerkwam dat het eens machtige Romeinse imperium in twee stukken werd geslagen: het Oost-Romeinse en het West-Romeinse rijk. Aangezien Theodosius er niet in slaagde een mondige en capabele nakomeling op de troon te zetten (zijn zoon Arcadius was zo goed als achterlijk) werd de macht in Rome min of meer overgedragen aan Flavius Stilico, de hoogste legeraanvoerder. Een wrang en saillant feit was dat Stilico, die dus de taak kreeg Rome tegen de Germanen te beschermen, een geromaniseerde Vandaal en du´s een Germaan was. Het was Stilico die het opnam tegen de grote Westgotische koning Alarik: twee Germanen dus, met een vreemde fascinatie voor elkaar, die elkaar op Romeins grondgebied bevochten. De een vocht voor de Goten, de ander voor Rome.
Alarik kwam uit een Westgotisch koningsgeslacht. Hij was be- slist geen barbaars stamhoofd van de oude stempel, maar een ver- licht aanvoerder die het christendom had omhelsd. Zijn geslacht stond in zo’n hoog aanzien dat hij al bij zijn aantreden kon rekenen op de steun van alle onderhorige Gotische stammen. Alarik was er al in geslaagd om – vrijwel zonder enige moeite – het kansloze Griekenland aan zich te onderwerpen, toen hij verder naar het westen trok, nog altijd op zoek naar een eigen koninkrijk. Alarik Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
liet Oost-Europa voor wat het was (een enclave van schijnbaar
onhandelbare en onverslaanbare Hunnen) en zocht de strijd met Rome. Hij had een belangrijke les geleerd: vreedzame agrarische volkeren worden onder de voet gelopen, het waren de vooruitstre- vende, oorlogvoerende plunderaars die kregen wat ze wilden. Zijn volk, de Germanen, kon zich in het Europa van de vijfde eeuw niet langer in de wouden verschuilen. Vroeg of laat zou er een volk komen – de Sarmaten, de Franken, de Hunnen – dat hen uit hun woongebied zou verdrijven. Als de Germanen geen opgejaagde nomaden en paria’s wilden blijven moesten zij zich de eigenschap- pen van oorlogszuchtige veroveraars eigen maken: daadkracht, ambitie, intrige, opportunisme en Realpolitik. De oude goden vol- deden niet meer. Oude gebruiken en gewoonten moesten worden afgelegd. Als het christendom de nieuwe machtsfactor zou worden, dan werden de Goten christenen. De Goten moesten volwassen en alert worden, wilden zij een rol van betekenis gaan spelen. Alarik begreep dat hij in een cruciale tijd leefde. Het Romeinse rijk was aan het verbrokkelen: maar wie zouden de brokken onder elkaar verdelen? Het ging om de erfopvolging van Europa, en niet minder. De Germanen mochten onder geen beding de geslagen hond zijn. Zijn volk moest zich, door een overwogen mengeling van geweld en diplomatie, een stuk van de aangesneden Europese taart toe- eigenen. Zij die vragen, worden overgeslagen. Dit had een verwarrende tijd tot gevolg: een schoorvoetende oorlog vertroebeld door wisselende verbonden en loyaliteitscon- flicten. Jarenlang speelden Alarik en Stilico een soort kat-en-muis- spel; toen, in 410, moest Rome er eindelijk aan geloven. Stilico werd door verwikkelingen binnen Rome vermoord en de stad was rijp voor de val. De Goten trokken Italie¨ binnen. Alarik belegerde de verdeelde stad twee jaar voor hij definitief toesloeg. In een zet waar Hermann von Salza later trots op zou zijn, wees hij een Romeinse tegenkeizer aan die aanhang onder het volk verwierf alvorens de poort voor hem te openen. Na nog wat politiek ge- konkel werd de daad voltrokken die al tientallen jaren in het ver- schiet had gelegen: Rome werd veroverd door de Westgoten. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Christenen of niet, de veroveraars gedroegen zich als echte plunde-
raars en de Eeuwige Stad werd drie dagen lang geteisterd door verkrachtingen, vernielingen en andere misdaden. Maar na die drie dagen verliet Alarik de stad en trok verder Italie¨ in. Slechts een paar weken later stierf hij, aan een ziekte of vergiftigd door een vrouw. Om zijn graf tegen ontheiliging te beschermen verleg- den zijn kameraden tijdelijk het riviertje de Busento, begroeven hem in de bedding en lieten het graf vervolgens overstromen. De slaven die zijn grafkuil gegraven hadden, werden verdronken. Het lichaam van de grote koning der Germanen is nooit gevonden. De erfopvolgers van Europa
Wat gebeurde er vervolgens? Hoe werd Europa verdeeld? Het Romeinse rijk, met name het West-Romeinse deel, mod- derde nog een aantal jaren voort. De laatste West-Romeinse keizer, die in 476 de troon besteeg, was zelfs de moeite van het vermoor- den niet meer waard. Het Oost-Romeinse rijk, met Constantinopel als nieuwe hoofdstad, had minder te kampen met invallende Ger- manen en bleef tot 1453 in gewijzigde vorm bestaan. Maar in wezen was Rome de overleden oom om wiens erfenis nog lange tijd fel gestreden werd. In een poging een uiterst ondoorzichtig tijdsgewricht samen te vatten kunnen we stellen dat het verloop van de vijfde eeuw uitmondde in een getouwtrek tussen de over- gebleven Romeinen, de nog altijd ontzagwekkende Hunnen en vooral de verschillende Germaanse volkeren als de Franken, Bur- gunden, Sueven, Vandalen en Goten. In het noordoosten speelden heidense Germaanse stammen als de Langobarden en de Bajuwa- ren nog een rol.
De Vandalen, de Germanen die het westen van Polen bewoon- den, waren al in 406 in gezelschap van de Sueven de Rijn over- gestoken. Na een kort verblijf in Gallie¨ stootten ze door naar Spanje en vervolgens naar het noorden van Afrika. De Sueven bleven in het Spaanse achter en verbleven rond het jaar 526 onge- veer in het huidige Portugal. De Vandalen, onder leiding van ko- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
ning Geiserik, veroverden het legendarische Carthago in Tunesie¨
en stichtten in Noord-Afrika hun eigen rijk. Van daaruit speelden ze het klaar om het westelijke Middellandse-Zeegebied onder hun bewind te brengen en in het jaar 455 nog eens de stad Rome te plunderen. Dat de Vandalen sindsdien hun naam hebben gegeven aan iedereen die een zinloze vernieling begaat, zegt in dit opzicht genoeg.
Andere Noord-Duitse stammen – de Angelen, de Juten en de Saksen, zochten de oversteek naar Engeland en beleefden in hun nieuwe Angelsaksische koninkrijk avonturen die een heel andere mythische overlevering voort zou brengen. De rol van de Hunnen was snel uitgespeeld: zelfs onder aanvoe- ring van de verschrikkelijke Attila konden de Aziatische ruiters niet meer op tegen de Europese volken die zich tegen hen begonnen te verdedigen. De Oostgoten die zich aanvankelijk aan hun zijde had- den geschaard, trokken zich uit de coalitie terug en begonnen hun eigen belangen na te streven. In 451 vielen de Hunnen Gallie¨ bin- nen, bereikten Parijs, maar werden in een vermeende slag op de Catalaunische Velden11 door een gecombineerde leger van West- goten en Romeinen teruggedrongen. Attila’s zonen konden het niet eens worden over de erfopvolging en het rijk der Hunnen stortte na 454 ineen. De Oostgoten hielden zich nog een tijd staande door Italie¨ binnen te vallen en daar een eigen keizer in het zadel te hel- pen: Theodorik de Grote. Daar bleven ze totdat de Longobarden, zelf verdreven uit het noorden van Europa, het land rond 560 in bezit namen.
De Longobarden waren de hekkensluiters van de Grote Volks- verhuizing. De stoelendans was voorbij. William Manchester schrijft over dit slotakkoord: ‘In de jaren daarna werden [de Hun- nen] in de vernietiging van de laatste resten beschaving geholpen door Goten, Alanen, Bourgondie¨rs, Thuringi, Friezen, Gepiden, Sueven, Alemannen, Angelen, Saksen, Juten, Longobarden, He- rulie¨rs, Quaden en Magyaren. De etnische stormvloed kwam toen in de veroverde landen tot rust; duisternis daalde neer over het verwoeste, roerige continent, een duisternis die pas verdreven Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
werd toen veertig generaties middeleeuwers hun meelijwekkende
bestaan geleden hadden, en waren heengegaan.’ Wie hebben we nog over?
De Westgoten, die onder Alarik de stad Rome hadden veroverd en nog steeds in Italie¨ zaten. Het verhaal over hen gaat min of meer als volgt: de Westgoten verlieten Italie¨ twee jaar na de dood van Alarik en gingen naar Gallie¨. Daar veroverden zij verschillende steden en slaagden erin een eigen koninkrijk op te richten. Het Tolosaanse rijk, met de stad Toulouse als hoofdstad, was jammer genoeg geen erg lang leven beschoren. Maar ditmaal waren het geen Romeinen of Slavische steppenvolken die het feest kwamen versjteren, maar de Germaanse Franken. De Franken, afkomstig van Germaanse stammen aan de Rijn, hadden zich in de voor- gaande vier eeuwen nog niet echt laten gelden. Maar het feit dat Gallie¨ in de loop der eeuwen Frankrijk zou gaan heten verraadt al wat er op het punt stond te gebeuren.
Vo´o´r de val van Rome hadden de Franken zich voornamelijk verdienstelijk gemaakt in het Romeinse leger. De Frankische veld- heer Arbogast verdedigde in dienst van de Romeinse keizers Gallie¨ en Spanje tegen de usurpator Maximus. Dit had tot gevolg dat Arbogast in feite grote delen van het West-Romeinse rijk onder zijn bewind had. De Franken waren het dus gewend om in West- Europa de scepter te zwaaien. Hadden de Goten via talloze om- zwervingen en onder de grootste ontberingen eindelijk een rustig plekje gevonden, de Franken waren simpelweg de Rijn overgesto- ken om zich op het Gallische grondgebied te nestelen. Het zijn de Franken (en misschien de Angelsaksen) die als de winnaars van de Volksverhuizing worden gezien. In de tweede helft van de vijfde eeuw breidden ze onder leiding van Clovis hun macht in Gallie¨ uit ten koste van de Westgoten. De Goten dreigden de enigen te zijn die geen stoel hadden toen in het midden van de vijfde eeuw de muziek werd uitgezet.
In een verwoede poging Gallie¨ te behouden gingen de Franken de strijd aan met zo ongeveer alle naburige Germaanse stammen. De Alemannen, de Thuringen, de Burgunden en de Westgoten Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
moesten het ontgelden. De laatsten moesten hun Zuid-Franse
grondgebieden prijsgeven en zich in Spanje terugtrekken. In het jaar 507 maakten ze een terugtrekkende beweging over de Pyrene- ee¨n, waarna hen niets anders restte dan van Spanje hun thuis te maken. Toledo, niet Toulouse, werd de nieuwe residentie van de Westgotische koningen; het Tolosaanse rijk werd het Toledaanse rijk. In Spanje waren de Goten de eersten om een eigen natie te stichten, een koninkrijk dat enerzijds naar Romeins model ge- maakt was, maar dat vooral een voorafschaduwing vormde van hoe de middeleeuwse koningen zich zouden presenteren. Het ver- haal gaat dat Koning Leodevild als eerste de Germaanse pels af- wierp om zich in het purper te hullen, een voorrecht dat alleen aan de Romeinse keizers was voorbehouden. Leodevild plaatste zich op een troon en liet gouden munten slaan met zijn beeltenis. Daar bleef het niet bij: van de Westgotische koningen stamt het idee dat de koning na God de opperste heerser op aarde was, een begrip dat pas door de guillotines van de Franse Revolutie ongedaan werd gemaakt. In Spanje werden voor het eerst steden gebouwd, en niet alleen maar ingenomen. Gelet op de talloze archeologische vondsten kunnen we zeggen dat deze steden belangrijke internatio- nale handelscentra waren.
De Westgotische monarchie bleef overeind tot het gebied in door invallende Moren werd overrompeld. En met die gebeurtenis kwam er een einde aan de geschiedenis van de Goten. Althans voorlopig.
Jaren van duisternis
Rest ons nog de Franken.
De Franken (hun naam betekent ‘de Vrijen’) deden hun naam eer aan. Zij slaagden er ondanks de oprukkende islamitische strijders in hun rijk te behouden. Tijdens de Volksverhuizing hadden zij zich nog opportunistischer betoond dan hun andere Germaanse broe- ders, en misschien ligt in het feit dat zij zich regelmatig bij de Romeinen aansloten wel de sleutel tot hun succes. De Frankische Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
invasie verliep bijna stilletjes. Zo stilletjes dat het wellicht beter is
om van een integratie te spreken in plaats van een invasie. Waar de Goten met een hoop kabaal het Romeinse rijk waren binnenge- drongen, daar slopen de Franken haast op hun tenen de beschaving binnen. Het leek erop dat zij zich genoeglijk in het Gallische gebied hadden genesteld toen de Romeinen – die hun handen vol hadden aan de Gotische stammen – even niet opletten. Hoe dan ook, de Frankische stammen zaten waar ze wilden en gingen nergens meer naartoe. Onder koning Clovis (482-511), die uit het geslacht van de Merowingen stamde, werden de verschil- lende stammen verenigd. Het Merowingische koningschap legde de fundering voor de verdere geschiedenis van Frankrijk, en daar- mee Europa. Clovis was net als Alarik en Leodevild een pragmati- cus die heel goed inzag in welke richtingen de machtspolitieke ont- wikkelingen zich gingen bewegen. De Franken namen het christen- dom van de kerk over en Frankrijk werd katholiek. Twintig jaar na de ondergang van het Westgotische rijk versloeg de Frankische leider Karel Martel de Moren bij Poitiers. In 768 trad er een Fran- kische koning op om wie niemand meer heen kon: Karel de Grote (of ‘Charlemagne’ – 742-814) de kleinzoon van Karel Martel. In 774 onderwierp hij de Langobarden. In 785 zaaide hij onder de Germaanse stammen ten noorden van Frankrijk dood en verderf, en wel op zo’n ongekende schaal dat de vrome koning voor altijd bekend zal staan als de ‘Saksenslachter’. Om een voorbeeld te stel- len liet hij op e´e´n dag niet minder dan 45.000 gevangengenomen Saksen onthoofden. Hij breidde zijn rijk naar het noorden toe uit en stichtte bisdommen waaronder Paderborn, Osnabru¨ck, Mu¨n- ster en Bremen. In het jaar 772 verklaarde een officie¨le christelijke alliantie onder de Frankische keizer Karel de Grote de in Noord- Duitsland woonachtige stammen de oorlog. De Franken hadden een heuse etnische zuivering in gang gezet, waarbij onnoemelijk veel Saksen het leven lieten. Hoewel dit wordt beschouwd als het begin van het einde van de Saksische onafhankelijkheid, bleef re- gionaal verzet tegen de Frankische overheersers schering en inslag. Tien jaar en vele veldslagen later, werd Saksen eindelijk gean- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
nexeerd, alhoewel regionaal verzet bleef bestaan tot zeker 804.
Karel zelf werd in het jaar 800 in Rome tot keizer gekroond. Het leed geen twijfel wie het in het nieuwe Europa van de achtste eeuw voor het zeggen had.
Als we over de Grote Volksverhuizingen lezen, krijgen we soms de indruk dat er na de ondergang van de Gotische rijken aan de Mid- dellandse Zee geen Germaan meer over is. Alle boeken praten over de Germanen die uit Duitsland weggingen, maar we lezen niets over wie er achterbleven. We vernemen over verlaten dorpen en over noordelijke woongebieden waaruit zo ongeveer iedereen ver- trokken was. Was Germanie¨ een niemandsland geworden? Wie zaten er eigenlijk nog in Duitsland? Bestonden er wel Duitsers, of waren het allemaal Franken geworden, gedwongen vazallen van het Grote Karolingische Rijk? Zo ja, wat gebeurde er dan tussen 700 en 1160, toen de Duitsers met het oprichten van de Hanze een nieuwe wereldmacht werden? Wat gebeurde er tussen de slacht- partij van Karel de Grote en de opkomst van de eerste Hanzeste- den? Wie waren de Duitse ridders die slechts een paar jaren na die oprichting met koggeschepen naar de Orie¨nt voeren? Het stellen van deze vragen, alsmede het onderzoek naar het Germaanse hiaat tussen 700 en 1160, zou ons op het spoor bren- gen van een onthutsende en omvangrijke intrige. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De Duitse Orde
Opkomst van de ridder-monnik
In de tweede helft van de twaalfde eeuw maakten de Germanen een indrukwekkende comeback. Nadat ze in de achtste eeuw door de Franken verslagen en vernederd waren, doken ze in 1189 tegen ieders verwachting op voor de kust van Palestina. Op de een of andere manier waren ze hun verdeeldheid en hun onderworpen- heid te boven gekomen en verenigden ze zich onder de officieuze verzamelnaam ‘Teutonen’. Hoewel de Duitse kruisvaardersvloot in eerste instantie slechts enkele koopvaardijschepen betrof, zou de organisatie die de Germanen op het punt stonden op te richten, onvoorstelbare proporties aannemen.
De Duitse Orde behoort, samen met de orde van de tempeliers en de hospitaalridders of johannieters tot de drie grootste geestelijke ridderorden uit de westerse geschiedenis. Ze wordt vaak gezien als het ondergeschoven Pruisische broertje van de tempelridders, hoe- wel de Duitse Orde op veel manieren een langer leven beschoren was dan haar grote broer. De eerste vermelding van de Duitse Orde, voluit de Fratres Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teuto- nicorum, vinden wij in de annalen van de kruistochten, waarin gesproken wordt over de vestiging van een veldhospitaal, in 1189, opgericht door ‘inwoners’ van Bremen en Lu¨beck in het Heilige Land (in kronieken wordt zowel gesproken van kooplieden en edelen, als van ridders, en er is bijzonder weinig te vinden over de identiteit van deze eerste immigranten). Van oorsprong was deze orde, net als haar twee voorgangers, een zogenoemd geeste- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
lijke hospitaalbroederschap. Twee jaar later bevestigde paus Cle-
mentius III deze broederschap als de Fratrum Theutonicorum Ec- clesiae S. Mariae Hiersolymitanae. In de loop van de strijd om het Heilige Land werden verschillende orden opgericht, waarvan er drie uiteindelijk standhielden. Zo was er dus de befaamde orde der tempeliers, waarover inmiddels bibliotheken zijn volgeschre- ven. Ook was daar de orde van Sint Johannes, een op liefdadigheid gerichte organisatie met het oog op armenzorg. En ten slotte was daar de Duitse Orde.
Het idee van een geestelijke ridderorde (dus een kloosterorde waarvan de leden het ridderschap combineren met het ambt van clericus) levert naar huidige maatstaven een vreemd beeld op: dat van de vechtende monnik. Hoewel de katholieke kerk zelden van ruimdenkendheid is beticht en altijd een strijdbare houding heeft gekend ten opzichte van andere religies, schijnen zelfs de weinig fijnbesnaarde Middeleeuwen gewetensbezwaren te hebben gehad bij het idee van een bloedvergietende geestelijke. Maar daar kwam in de twaalfde eeuw verandering in.
De tempelridders waren de eerste danig gedisciplineerde en ge- encadreerde strijdmachten in West-Europa sinds de Romeinen. Over de eerste successen in de Orie¨nt zullen we niet te veel uitwij- den. In juli 1099 bestormden de kruisvaarders Jeruzalem en maak- ten daarmee een begin met een westerse hegemonie die eeuwenlang zou duren.
Expedities naar het Heilige Land waren half idealistisch en half commercieel. Zo ook de kruistochten. Voor veel Franse kruisvaar- ders (Franken) werd Palestina een nieuw thuis. Menige kruisvaar- der was op pad gestuurd als boetedoening voor begane misdaden, en veel van de achterblijvers in Palestina waren misdadigers die zich er wel voor hoedden om terug te keren naar het land dat hen in de boeien had geslagen. Palestina bood hen een heel nieuwe wereld, een piratennest ver van de wetsdienaren van Frankrijk. Toen Boudewijn II in 1118 het koningschap over Jeruzalem erfde van Boudewijn I, kreeg hij een land te besturen dat veel weg had van het Wilde Westen.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Boudewijns opluchting dat iemand zich met de zaak komt bezig-
houden was bijna voelbaar toen hij ene Hugo de Payens en zijn kompanen in Jeruzalem ontving. Het plan van Hugo: de oprichting van een broederschap van ridders die de pelgrims in het Heilige Land tegen onverlaten zou beschermen. De geschiedenis van deze ridders is zo vaak beschreven dat wij ons ervan afmaken met een karige samenvatting. Het aanbod van de negen avonturiers bracht de koning in zo’n jubelstemming dat hij bevel gaf een vleugel van zijn paleis, de al-Aqsa moskee, te ontruimen en er de ridders in onder te brengen. De al-Aqsa moskee werd verondersteld gebouwd te zijn op de resten van de legendarische tempel van Salomo, het onderkomen van de Ark des Verbonds, en deze veronderstelling gaf de broederschap haar naam: de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo, kortweg Tempelridders of Tempeliers. Een document uit 1123 noemt Hugo de Payens als de Magister Militum Templi: Meester van de Tempelridders. De negen vrijbuiters met hun armetierige lompen en stoffige voorko- men hadden zich geen beter onderkomen kunnen wensen. Hun avonturen werden voortaan gesubsidieerd door zowel de koning als de patriarch van Jeruzalem.
Al vo´o´r de kruistocht was er een aan Sint Johannes de Almonieter gewijd hospitaal voor pelgrims in Jeruzalem, vlakbij de Heilige Grafkerk. Een hospitaal moeten we zien als meer dan alleen een ziekenzaal voor zieken en gewonden. Het had veel weg van een gasthuis, een ontmoetingsplek voor christenen, een soort ‘ons- kent-ons’, een home away from home. Dit eerste hospitaal was al in 1070 opgericht door kooplieden uit Amalfi die vermoedelijk een gat in de markt hadden ontdekt. In het jaar 1100 wordt ene frater Gerard, over wie verder weinig bekend is, als Meester genoemd. Toen het veroverde Jeruzalem na 1099 begon vol te stromen met enthousiaste bedevaartgangers, speelde Gerard handig in op de groeiende behoefte van bezoekers en immigranten. Als een echte pr-man reorganiseerde hij de nieuwe orde, verruilde Sint Johannes de Almonieter voor de beter in de markt liggende Johannes de Doper en speelde het klaar dat het hospitaal binnen een jaar of Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
tien uitgroeide tot een gerespecteerde orde die in 1113 de speciale
bescherming van de paus genoot. Het is niet ondenkbaar dat de ridders van Hugo de Payens werden ingezet om dit en andere als paddestoelen uit de grond schietende hospitalen te verdedigen. Het groeien van de hospitalen, alsmede de groeiende schare pel- grims, maakte een uitbreiding van de ridderorde noodzakelijk. In tegenstelling tot frater Gerard schijnen Hugo’s ambities op dit ge- bied enigszins bescheiden te zijn geweest. De tempeliers begonnen zichzelf pas als een volwaardige religieuze orde te zien toen zij een bezoek brachten aan Bernard van Clairvaux, een van de meest invloedrijke geestelijken van zijn tijd. Hugo had sterke banden met Bernard en zijn aanvankelijke verzoek was niet gering: kon de abt niet oproepen tot een nieuwe kruistocht, zodat zijn clubje van ridders de beschikking kreeg over nieuwe rekruten? Wat hij kreeg was meer dan alleen militaire versterking. Het verzoek schijnt Bernard op een lumineus idee te hebben gebracht. Het door hem geschreven pamflet: De Laude Novae Militiae, kan zo ongeveer gezien worden als het geboortebewijs van de riddermon- nik, de strijdende geestelijke. Niet alleen beschreef Bernard de nieu- we, op de cistercie¨nzers gestoelde leefregels voor de orde, waarmee hij zowel de tempelridders als de kruisvaarders van een raamwerk voorzag, hij legitimeerde eigenhandig het hele idee van een heilige oorlog. Het verdelgen van Saracenen en andere heidenen was niet alleen een noodzaak, maar zelfs een heilige plicht. Dit staaltje chris- telijke propaganda sprak zozeer tot de verbeelding dat de ridder- monnik bijna van de ene op de andere dag een geaccepteerd, zelfs bejubeld beeld werd. Bernard voorzag de hele onderneming van een moreel substraat dat zo invloedrijk werd dat zelfs de Duitse Orde zich er in zijn Baltische kruistocht nog door gesteund zag: ‘Wie tegen ons vecht, vecht tegen Christus’, was het motto. Het idee van strijders die door bloedvergieten het rijk Gods deelachtig worden vindt tot in onze tijd weerklank, zowel in het Midden- Oosten als in de moderne westerse samenleving aan weerszijden van de Atlantische Oceaan. Het gaat vermoedelijk niet te ver wan- neer we stellen dat de meeste geestelijke ridderorden uit de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
twaalfde eeuw hun legitimatie te danken hadden aan het pamflet
van de eerbiedwaardige abt.
Het directe gevolg was dat de tot dan toe door armoede en be- scheidenheid gekenmerkte tempelridders als helden gelauwerd werden, en Hugo de Payens kon zich vanaf dat moment verheugen in een toestroom van belangstellenden. De uitbreiding van de rid- derorde kwam gestaag op gang en groeide in de daaropvolgende eeuw uit tot een indrukwekkend en wijdverbreid instituut. De al- ternatieve hie¨rarchie van de commanderijen en de toegekende pri- vileges waren zo omvangrijk dat er wel gesproken is van een kerk binnen een kerk, een staat binnen een staat. De Gouden Eeuw van de kruisridder
Een onverwacht neveneffect van de nieuwe kruistochten was dat de tempeliers zich vanaf 1136 (het jaar waarin Hugo de Payens stierf) geflankeerd zagen door een geduchte concurrent: de orde der hospitaalridders. Inderdaad betrof het hier de orde van frater Gerard, die onder leiding van zijn opvolger frater Raymond du Puy een explosieve groei had doorgemaakt. Bedolven onder privileges en geruggensteund door het pamflet van Bernard van Clairvaux wisten zij in recordtijd uit te groeien tot een orde die in maar liefst twintig grote bolwerken in de Orie¨nt bezat. Hadden de tempelridders een sneeuwwitte mantel met een rood kruis, de hospitaalridders gingen gehuld in een habijt bestaande uit een zwarte mantel met een wit kruis. Hun hie¨rarchische structuur be- gon in de loop van de twaalfde eeuw ook steeds meer te lijken op dat van hun rivalen in de Tempel. Hun rivaliserende verhouding is misschien enigszins te vergelijken met die tussen Coca Cola en Pepsi Cola: beide serveren dezelfde bruine priklimonade maar de kleurtjes op de verpakking zijn net iets anders. In het voetspoor van deze nieuwe ridderorden volgden talloze kleinere en minder succes- volle genootschappen die allemaal min of meer hetzelfde doel voor ogen hadden.
Een kleine tweehonderd jaar verging het beide orden goed. De Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
gelofte van armoede werd zo handig geı¨nterpreteerd dat er onge-
kende rijkdommen konden worden verzameld, en in de jaren die volgden op het decreet van Bernard en de door Innocentius II uit- gevaardigde bul (die stelde dat de ridders van de Tempel alleen aan Rome onderhorig waren) werd de orde tot een bekend Europees verschijnsel.
De ridderorden werden handig in het regelen van hun eigen zaak- jes. In plaats van Arabieren in de pan te hakken, zoals het een fatsoenlijk christen betaamde, begonnen ze handel te drijven met hun mohammedaanse tegenstanders. De ridders leerden Arabisch, namen kennis en vaardigheden over van de moslims en brachten die kennis tot uitvoer.
Er is in de loop der tijd veel geschreven over de legendarische schatten van de tempeliers, een idee dat beelden oproept van ver- gaarde kostbaarheden, opgeslagen in grotten en tempels, ongeveer zoals de schat in Ali Baba en de veertig rovers. Het geld van de tempelridders is wel gezien als een verborgen piratenschat, een berg goud die, als je de schatkaart maar had, gevonden en opge- graven kon worden met de magische spreuk ‘Sesam open u’. Maar als de ridderorden uit de twaalfde eeuw iets geleerd hadden was het wel dat geld moet rollen. Geld brengt geld voort. Een onuitgespro- ken motto zou Murphy’s Gouden Regel geweest kunnen zijn: hij die het Goud heeft maakt de Regels.
De arme ridders die naar Palestina waren gereisd om pelgrims te beschermen en de Wil van God te doen, ontpopten zich ter plaatse als bankiers, financiers, investeerders en uiteindelijk als renteniers. Zelfs Arabische kooplieden stortten hun geld in de kluizen van de tempelridders, natuurlijk tegen een fikse rente. Zowel de tempeliers als de hospitaalridders begrepen dat zolang het geld binnen de ge- lederen blijft circuleren, het alleen nog maar meer wordt. Zij moch- ten dan elkaars geduchte concurrenten zijn, samen beheersten ze de markt. En zij zorgden ervoor dat dit zo bleef. Religie en politieke voorkeuren werden bijzaak. Als de Arabie- ren blijk gaven van speciaal talent op financieel en administratief gebied, werden zij aangesteld als secretaris of boekhouder, heiden Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
of niet. Tijdgenoten die in die gang van zaken een kwalijke discre-
pantie zagen werden doodgezwegen.
Hun macht in het Heilige Land was onbetwist. De hospitaalrid- ders waren samen met de tempelridders de grootgrondbezitters, en stegen zo in aanzien dat zelfs de geestelijkheid, om wier aanwezig- heid in Palestina het toch allemaal te doen was geweest, haar greep op de orden verloor. In 1154 probeerde de begrijpelijk geı¨rriteerde Patriarch van Jeruzalem de expansiedrift van de ridders te beteu- gelen, maar het gevolg was dat de hospitaalridders met veel kabaal en geschreeuw zijn preken kwamen verstoren, terwijl zij samen met de tempeliers pijlen afschoten naar de congregatie. Toen de Patri- arch het daaropvolgende jaar ten einde raad een bezoek bracht aan Rome in een poging de paus te overtuigen kwam hij tot de ontdek- king dat de hospitaalridders hem voor waren geweest. De orde was hem stiekem achterna gereisd en had van de paus een imprimatur verkregen waarin de privileges van de ridders nog eens werden bevestigd.
De ridders, zo leek het, waren machtiger dan de kerk die zij verdedigden en waren schatplichtig aan niemand. Zelfs hun ge- zworen onderhorigheid aan Rome zou in daaropvolgende jaren een punt van discussie worden.
Het verlies van Palestina
De ommekeer begon met het verlies van Palestina zelf. In veel op- zichten hadden de kruisvaarders dat verlies aan zichzelf te danken. Een organisatie die zo machtig en soeverein is, trekt onherroepelijk machtswellustelingen aan, avonturiers met geen andere agenda dan zelfverrijking. Mensen als Guy de Lusignan en de krankzin- nige roofridder Reynald de Chatillon waren kruisvaarders van de oude stempel, die hun macht nog op de oude manier wilden be- reiken: op het slagveld. Ze verstoorden de lucratieve maar delicate relatie tussen de christenen en de Saracenen en speelden met hun brute, ondoordachte aanvallen op Arabische karavanen de zich hergroeperende islam in de kaart. Een aantal ongelukkige campag- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
nes tegen de Saracenen later in de twaalfde eeuw deden het islami-
tische verzet oplaaien en uiteindelijk heroverde de legendarisch Saladin in 1187 de stad Jeruzalem op de kruisvaarders. Zelfs een nieuwe kruistocht onder Koning Richard Leeuwenhart kon niet voorkomen dat de christelijke hegemonie in het Heilige Land haar langste tijd had gehad.
Zowel de hospitaalridders als de tempelridders hadden in Pales- tina op het verkeerde paard gewed en werden in de daaropvol- gende eeuw gedwongen zich geleidelijk aan uit het Heilige Land terug te trekken. De versplintering van waarden en saamhorigheid, de saamhorigheid die in het begin van de kruistochten nog zo aan- wezig was, leidde er aan het begin van de dertiende eeuw toe dat de christenheid geen vuist meer kon maken. Kruisvaarders en ridder- orden bestreden elkander even hardnekkig als de Saracenen. De eens uitgestrekte christelijke grondgebieden in de Orie¨nt beperkten zich tot een armzalige kuststrook van niet meer dan tien kilometer landinwaarts. Nieuwe kruistochten werden steeds minder succes- vol: de rek was er uit in de laatste jaren van de dertiende eeuw. In 1291 kwam de genadeslag, toen een reusachtig leger van sultan al-Ashraf de stad Akko met de grond gelijkmaakte en alle overgebleven kruisvaarders uit het Heilige Land verdreef. De tempeliers en de hospitaalridders trokken zich terug op Cy- prus, maar omdat hun raison d’eˆtre met het verlies van Palestina verdwenen was, duurde het niet lang voordat er aan het bestaans- recht van de tempelorde geknaagd werd. In navolging van de Duit- se Orde probeerden zij in Europa voet aan de grond te krijgen, maar daar sloeg de publieke opinie om.
De tempeliers vonden een nieuwe thuisbasis in het zuiden van Frankrijk, alwaar hun belevenissen tot aan hun beruchte onder- gang in oktober 1307 nog altijd stof opleveren voor talloze boeken en buitenissige theoriee¨n over de aard en de geheime bergplaats van hun rijkdommen.
De hospitaalridders waren een milder lot beschoren. Nadat de tempelridders op last van de Franse koning Filips de Schone waren uitgeroeid, hief paus Clemens V deze orde officieel op en wees hij hun overgebleven goederen toe aan de hospitaalridders (e´n, zoals Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
we nog zullen zien, aan de Duitse Orde). Tussen 1309 en zaten ze op het eiland Rhodos, waar ze in 1582 door de Turken werden verjaagd. Daarna wisten de hospitaalridders zich voorgoed te vestigen op Malta. De Maltezer ridders bestaan tot op de dag van vandaag.
Palestina werd echter bevolkt door nog een derde ridderorde; een broederschap die, ofschoon de meest machtige en invloedrijke van de orden, vrijwel onbesproken is gebleven. De Duitse Orde
Als we in het jaar 1300 een blik zouden werpen op een kaart van Europa waarop de gebieden van de drie ridderorden waren aange- geven, zouden we het volgende zien: de minuscule rode vlek in de Middellandse Zee is Rhodos, een onzekere vesting van de hospi- taalridders waarin ze zich na hun gedwongen vertrek uit Palestina hebben teruggetrokken. De wat grotere rode gebieden in het zui- den van Frankrijk, de Languedoc, en die stipjes in de rest van Frankrijk vormen het trotse bezit van de tempeliers. De legendari- sche ridders mogen dan nog zeven jaar van hun bezittingen genie- ten. Die immense, dieprode, uitgesponnen veeg over het hele noor- den van Europa die bijna de hele kaart bestrijkt, die bijna van de randen lijkt te druppelen, is geen inktvlek. Het is de ordestaat, het reusachtige landgoed van de Duitse Orde. Het is de grootste Euro- pese verovering sinds de Romeinen, die pas honderden jaren later door Napoleon enigszins gee¨venaard zal worden. De Baltische kruistocht wordt wel gezien als de grootste koloni- ale successtory uit de Middeleeuwen. Hoe kwam de Duitse Orde aan dit ontzaglijke gebied?
Wat meteen opvalt als we de Duitse Orde onder de loep nemen, is dat ze in het Heilige Land, waar deze orde in 1190 werd opgericht, maar bar weinig invloed heeft gehad op de gang van zaken. Keer op keer lezen we over de wapenfeiten van de tempeliers en de grootschalige militaire campagnes van de johannieters, maar over Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de Teutoonse verrichtingen in het land dat de kruisvaarders Outre-
mer noemden, vernemen we weinig tot niets. Toch wordt de Duitse Orde in e´e´n adem genoemd met de hospitaalridders en de tempe- liers als de derde grote geestelijke ridderorde uit de Middeleeuwen. Had de Duitse Orde een vooruitziende blik toen ze haar aandacht begon te richten op Noord-Europa in plaats van het Heilige Land? Wat mogelijk begon als een appeltje voor de dorst eindigde als een kolossale kruistocht tegen de Noordelijke Saracenen: de Balten. Het is verleidelijk om hierin een sluwe exodus te zien, als ratten die een zinkend schip verlaten. Zagen de Teutoonse ridders, die tot de verdediging van Palestina zo goed als niets hebben bijgedragen, hun toekomst in Europa? Waaruit bestond deze Teutoonse tak van de legendarische ridderorden? Waar kwam ze zo opeens vandaan, en waar is ze gebleven?
Om deze vragen te beantwoorden moeten we eerst terug naar Bremen en Lu¨beck, vanwaar eind twaalfde eeuw, dus lang nadat de tempelridders van het Heilige Land hun thuis hadden gemaakt, enkele Duitse kooplieden naar Palestina vertrokken en daar, naar verluidt op het strand bij Akko, een provisorisch hospitaal opricht- ten. Het ging om niet meer dan een tent, gemaakt van de zeilen van hun schepen. Wat goed genoeg is voor Salomo is goed genoeg voor ons, moeten ze gedacht hebben. Acht jaar later werden deze koop- lieden vergezeld door Duitse edellieden, meegekomen met de Duit- se kruistocht, die het hospitaal omvormden tot een militaire ridder- orde: de Teutoonse Ridders van het Heilige Mariahospitaal van Jeruzalem, later wel bekend als de Duitse Orde. De orde was alleen toegankelijk voor leden van de Duitse adel. In de eerste jaren na de oprichting verkreeg de orde min of meer dezelfde rechten en vrij- heden als de tempeliers.
Net als haar twee concurrenten bestond de Duitse Orde uit twee divisies: ridders en priesters. Beiden waren gebonden aan de ge- loften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Zwaard en kruis versmolten in hun hand tot het instrument waarmee korte metten gemaakt kon worden gemaakt met het heidendom. Zo werd in het jaar 1198 besloten dat de orde, naast de hospitaaldienst, voortaan ook krijgsdienst zou verrichten. Het zwarte kruis, het embleem van Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de orde, was bedoeld als tegenhanger van het rode kruis dat de
tempeliers op hun witte banieren en schilden droegen. Het IJzeren Kruis van de orde is nog steeds het embleem van het Duitse leger. Het was in die tijd traditie om broederschappen, die oorspronke- lijk enkel hospitaalwerk verrichtten, bij pauselijk decreet ook mili- tair werk te laten doen. Het specifiek Duitse karakter van deze relatief nieuwe orde en de bescherming die zij genoot van de Duitse keizer en andere Duitse heersers stelde haar bovendien in staat een onafhankelijk positie in te nemen ten opzichte van de andere orga- nisaties in het Heilige Land: de johannieters en de tempeliers. Het was Heinrich Walpot von Bassenheim, de eerste grootmees- ter van de orde, die ervoor verantwoordelijk wordt gehouden de oorspronkelijke statuten te hebben vervaardigd. Deze statuten kwamen erop neer dat de orde, zoals gezegd, voorts zou bestaan uit twee afzonderlijke takken: priesters en ridders. Beide werden bij toetreding verplicht gesteld de drievoudige kloosterlijke geloften af te leggen van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Tevens moes- ten zij van nobele afkomst zijn en – niet onbelangrijk – van Duitsen bloed. Voor de priesters gold dit laatste gebod overigens niet. Daar stond tegenover dat priesters niet in aanmerking kwamen voor be- langrijke bestuurlijke functies binnen de orde. Later werd er nog een derde groep gevormd, bestaande uit zogenaamde dienstbare broeders (lees: informanten) die overigens slechts als ‘halve leden’ werden beschouwd.
Het is goed om hier een moment stil te staan bij de oorspronke- lijke hie¨rarchische structuur van de orde, aangezien deze niet zou vervluchtigen maar, zoals we zullen zien, door de eeuwen heen ge- handhaafd bleef.
De ‘meester’ (pas veel later omgedoopt tot ‘grootmeester’) werd, net als bij de johannieters, voor het leven gekozen. Alleen geharde ridders, en bovendien lieden die algemeen respect genoten, kwa- men voor deze hoge post in aanmerking. Andere titels waren Deutschmeister of Hochmeister, en het ambt van grootmeester stond later bekend als een Hoch- und Deutschmeister. De linker- hand van de meester, de commandeur, was zijn plaatsvervanger bij afwezigheid en stond aan het hoofd van de priesterdivisie. Als de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
commandeur de linkerhand was van de meester, dan was de maar-
schalk zijn rechter. Hij ging over de ridders, de huurlingen en de bewapening: zaken waarmee de orde zich steeds serieuzer ging bezighouden. Naarmate zij groter werd, werden provinciale mees- ters aangewezen voor de landen waar zij zich zouden vestigen. De hie¨rarchische structuur en tweedeling van ridders en priesters werd ook in de lokale afdelingen in stand gehouden, hoewel de functies van maarschalk en commandeur vaak samenvielen. Von Walpots opvolger, meester Otto von Kerpen, zou de macht en status van de orde vergroten, alsook zijn opvolger, de derde meester Herman Bart. Echter, de verdiensten van de vierde grootmeester Herman von Salza (meester van 1209 tot 1239) zouden die van zijn ambts- voorgangers en opvolgers ruimschoots overtreffen. Hoe dan ook, de golf van ridders en pelgrims uit Europa in het kielzog van de Derde Kruistocht betekende meer inkomsten en materie¨le steun voor de orde, die zich in een relatief kort tijdsbestek fors uitbreidde.
Ondanks de groei van de Deutschritter in de Orie¨nt schijnt hun aanwezigheid toch altijd te zijn overschaduwd door die van hun voorgangers. In de kronieken van die tijd zijn het veelal de tempe- liers en de johannieters die met de eer gaan strijken. Bij alle belang- rijke veldslagen zijn het de twee eerdere ridderorden die haantje de voorste spelen, die de grootste wapenfeiten verrichten en die in de loop van de geschiedenis het vaakst voor het voetlicht treden. De Duitse tegenwoordigheid bij belangrijke campagnes is vaak margi- naal. Zelfs wanneer de onderling bekvechtende orden voor de ver- andering besluiten de handen ineen te slaan, zoals bij de belegering van hun hoofdstad Akko in 1291, laten de Teutoonse ridders het een beetje afweten. Akko was zo ongeveer het symbool van de christelijke hegemonie in de Orie¨nt, en toen deze stad onder vuur kwam te liggen van de Mameloeken snelden de kruisvaarders toe om deze cruciale vesting met hand en tand te verdedigen. Alle orden waren vertegenwoordigd; de tempeliers stuurden alle be- schikbare mankrachten. Maar toen de Duitse grootmeester Kon- rad von Feuchtwangen kwam opdraven bracht hij niet meer dan Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
een handjevol broeders mee. De Teutonen, hoewel niet zonder
wapenfeiten, maken altijd de indruk wel iets anders aan hun hoofd te hebben.
Was dit euvel te wijten aan een gebrek aan middelen, of hield de Duitse Orde er een eigen agenda op na? Wanneer we de ontlui- kende orde onder de loep nemen, komt er een aantal eigenaardig- heden tevoorschijn, eigenaardigheden die erop lijken te wijzen dat de Duitsers op een andere manier te werk gingen dan hun broeders uit de Tempel.
Hermann von Salza: de macht achter vele tronen Al in 1228, een kleine dertig jaar na de oprichting van de orde, vindt er een reeks opmerkelijke gebeurtenissen plaats. Rond deze tijd ontmoeten we de formidabele Hermann von Salza, de vierde grootmeester van de orde, maar in feite de grote man achter de hele organisatie. Onder zijn leiding bereikte deze grote hoogten, en het is ook niet onmogelijk dat Von Salza het brein was achter de Bal- tische kruistocht.
Hermann von Salza wordt wel een van de meest invloedrijke mensen van zijn tijd genoemd. Hij was voor de Duitse keizer wat Richelieu was voor Lodewijk XIII en Karl Rove voor George W. Bush. Hij kwam uit Beieren, en ondanks het feit dat hij niet van adel was, bleek hij al vroeg bekend met de zeden en normen aan het Duitse hof. Om de een of andere reden vond hij zowel gehoor bij de paus als bij de grote keizer Frederik Barbarossa, alsmede bij diens opvolger, wiens vertrouweling hij schijnt te zijn geweest. Hij stond op goede voet met zowel keizer Frederik II als met paus Gregorius IX en wist door zijn kundige bemiddeling de twee heersers, die voortdurend met elkaar overhoop lagen, enigszins in toom te hou- den. We mogen aannemen dat Von Salza arbeidde voor de instand- houding van een relatieve eenheid van staat en kerk en dat hem een goede relatie tussen de keizer van het Heilige Roomse Rijk en de paus voor ogen stond. Hoezeer Von Salza’s inspanningen door beide kemphanen werd gewaardeerd, mag blijken uit de vele pau- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
selijke bevestigingen (maar liefst 32), maar ook uit de toezeggingen
van privileges – 13 in totaal – die keizer Frederik II aan de orde toekende. Von Salza doet in veel opzichten denken aan Umberto Eco’s Baudolino, de slimme intrigant die op bijna nonchalante wijze koningen en veldslagen beı¨nvloedt zonder zelf ooit in het daglicht te treden. Zijn finest hour diende zich aan in de vorm van de Zesde Kruistocht in 1228. Keizer Frederik kwam in dat jaar aan in Palestina, dit tot groot ongenoegen van de aanwezige Franken. De gee¨xcommuniceerde Frederik II van Hohenstaufen was uit ander hout gesneden dan veel van zijn voorgangers. Hij had Sicilie¨ gee¨rfd van zijn moeder en stak zijn bewondering voor de Moren niet onder stoelen of banken. Hij sprak vloeiend Ara- bisch, ging gekleed als een emir en droeg naar verluidt zelfs koran- teksten op zijn mantel. Mede hierom noemden zijn tegenstanders hem de antichrist, terwijl de Saracenen juist van hem gecharmeerd waren.
Door zijn achtergrond en zijn coulante houding ten opzichte van de heidenen wist hij een onwaarachtige deal te sluiten met de sul- tan: de keizer kwam in het bezit van Nazareth, de vestingen van Montfort en Toron en niet in de laatste plaats het heilige Jeruzalem. Sterker nog, Frederik wist een vrijgeleide naar Jeruzalem los te krijgen door bemachtiging van een smalle strook land die van Jaffa aan de kust naar de Heilige Stad liep.
De man achter dit huzarenstukje? Hermann von Salza. Von Salza maakte zich als raadsman onmisbaar voor de keizer. De gewiekste edelman wist hem zo ver te krijgen dat hij bij de paus het recht lospeuterde om de witte mantels te dragen, een recht dat voorheen enkel aan de tempelridders was voorbehouden. Het slimme plan om de kroon van Jeruzalem in handen te krijgen door Frederik met de dochter van koning John de Brienne te laten trouwen? Waarschijnlijk van Von Salza. Het gaat niet te ver Von Salza als de rechterhand van de keizer te beschouwen. In 1226 had deze Hermann en zijn opvolgers tot prinsen van het keizerrijk be- noemd, mede om het feit dat Von Salza op goede voet stond met de paus, die hem overigens het ene privilege na het andere verleende. Iemand die in die tijd als spreekbuis en bemiddelaar fungeert tussen Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de keizer en de paus heeft het beslist niet slecht getroffen. Von Salza
was raadsman, denktank en spion tegelijk. Op instigatie van deze Baudolino nam Frederik bezit van het Hospitaal in Jeruzalem en schonk hij het paleis van Manoir-le-Roi aan de Duitse Orde. Toen Frederik in de Heilige Grafkerk de kroon van Jeruzalem op zijn hoofd plantte was dat in het bijzijn van Von Salza en de Teutoonse broeders. De Duitse Orde had in de Heilige Stad het rijk alleen. Zo zout hadden de tempelridders het nog nooit gegeten. Groot- meester Pierre de Montaigu werd zo chagrijnig dat hij de sultan voorstelde om keizer Frederik te laten vermoorden. Geen goed idee. De sultan stuurde de brief door aan Frederik, die na zijn terugkeer in Italie¨ alle bezittingen van de tempeliers confisqueerde. Dat de tempeliers daarop terugsloegen door de Teutoonse ridders uit de stad Akko te kegelen, maakte al bijna niet meer uit; de Deutschritter hadden hun interesse al verlegd naar een ander ont- ginningsgebied: het barre noorden van Europa. De Baltische Kruistocht
De kruistocht tegen de ‘Noordelijke Saracenen’ werd vermoedelijk meer gevoed door Duitse expansiedrift dan door christelijke bevlo- genheid. Al in die dagen schijnt er zoiets als een Drang nach Osten te hebben bestaan. In de eerste jaren van de Baltische kruistocht trok deze zowel missionarissen aan als Duitse notabelen op zoek naar land en avontuur. Net als in het Heilige Land werd de missie gelegitimeerd door het substraat van Bernard van Clairvaux en de Kerk. Wie tegen de kruisvaarders vocht, vocht immers tegen de Heiland zelf, en dat maakte de annexatie van onchristelijke gebie- den toch een stuk legaler. De noordoostelijke gebieden van Europa, te weten Pruisen, Polen en de huidige Baltische staten Litouwen, Estland en Letland, zaten tjokvol heidenen die het tenslotte aan hun eigen goddeloosheid te danken hadden dat ze door christelijke invasietroepen werden overrompeld. Kortom, de Balten vroegen er gewoon om te worden bekeerd; zo niet goedschiks, dan kwaad- schiks.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De werkelijke kruistocht, die rond 1230 gestalte kreeg onder de
visionaire Hermann von Salza, werd in 1147 voorafgegaan door een oproep aan alle Duitsers om korte metten te maken met de heidense volkeren ten oosten van de Elbe. Met name Pruisen, van oorsprong het gebied van de West-Baltische stam de Pruzzen, bleek moeilijk te kerstenen. De man achter deze aansporing was niemand anders dan de abt van Clairvaux, en in 1201 resulteerde deze op- roep in de vestiging van de stad Riga aan de monding van de Dvina, in het huidige Letland. De stichter van Riga was Albrecht von Buxho¨vden, die daarop de aartsbisschop van de nieuwe kolo- nie zou worden. Hoewel de bekering van plaatselijke heidenen voorspoedig verliep, was Riga in de begindagen weinig meer dan een christelijke enclave, omgeven door diepe naaldwouden waarin het heidendom welig tierde. Om het voortbestaan van Riga zeker te stellen richtte Albrecht in 1204 een nieuwe ridderorde op: die van de Schwertbru¨der, de zwaardbroeders.
Gemodelleerd naar bestaande ridderorden als de tempeliers (ge- huld in een wit habijt met een rood zwaard en een rood kruis op de linkerschouder) wisten de zwaardbroeders de enclave uit te breiden en te consolideren, en wel zodanig dat de Teutoonse ridders onder Von Salza genoeg heil zagen in de operatie om van de noordooste- lijke staten het nieuwe Outremer te maken. Het werd tijd dat de Duitse Orde zich begon uit te breiden. De Teutoonse ridders moes- ten naar het noorden voor nieuwe kansen en avonturen. De eerste gelegenheid diende zich aan toen de Hongaarse koning Andreas II de hulp van de Duitse Orde inriep bij het verdedigen van Oost-Transsylvanie¨, dat onder dreiging lag van Turkse aanvallen. De ridders namen de uitnodiging dankbaar aan en namen prompt bezit van het gebied, dat in de daaropvolgende jaren volstroomde met Duitse kolonisten. In 1225 werd het de koning te gortig: met een groot leger drong hij het gebied, dat de Duitsers Burzenland waren gaan noemen, binnen en gooide de kolonisten er zonder pardon uit. In zijn wiek geschoten moest Von Salza uitwijken naar nieuw terrein. Het terrein waarop hij zijn blik richtte was het noorden van Polen. Daar, besloot hij, lag hun nieuwe thuis. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De onderneming kreeg, dat zal niemand verbazen, de hartelijke
groeten van de paus en geruggensteund door kerk en staat kon de invasie van start gaan. De voorhoede werd geleid door de gretige Hermann Balke, die wel de Pizarro van de Baltische landen wordt genoemd.16 In 1231 bond Balke de strijd aan met de heidense Prusiskai – de Duitsers noemden hen de Pruzzen – en zaaide dood en verderf onder de overrompelde stammen in het noorden van Polen.
De kruistocht verliep voorspoedig. In 1239, het jaar waarin zo- wel Balke als Von Salza stierf, bezaten de kruisvaarders het hele gebied tussen de rivieren Vistula en Niemen, hadden ze een flink aantal nieuwe steden en commanderijen opgericht, en waren vrij- wel alle stammen in het gebied bekeerd of uitgeroeid. Een kust- strook van zo’n 150 mijl was in het bezit van de Duitsers, een vol- maakte uitvalsbasis voor expedities naar het binnenland. Een nieu- we staatsvorm zag het daglicht: de ordestaat werd in het leven ge- roepen; een vinding die op conto van de Teutoonse ridders geschreven kan worden. De ordestaat was in wezen een onafhan- kelijke oligarchie bestuurd door een adellijke Duitse ridderkaste. Duitse en Nederlandse kolonisten werden in drommen toegelaten en kregen land om te ontginnen. Een andere belangwekkende ont- wikkeling was de opname van de zwaardbroeders in de Duitse Orde in 1237. De toekomst zag er, kortom, rooskleurig uit. Pas toen de kruisvaarders hun territorium ten koste van de Rus- sen wilden uitbreiden ontmoetten zij echte tegenstand. De ortho- dox-christelijke Russen waren bepaald geen heidense wilden die in bossen en hutten leefden, en de campagnes naar het oosten zouden in de loop van de volgende twee eeuwen herhaaldelijk uitlopen op een drama.
In 1240 staken de Teutoonse ridders de rivier de Narva over in een onbesuisde poging om de stad Novgorod in te nemen. Dat bleek te hoog gegrepen. Novgorod werd geregeerd door Prins Ale- xander Yaroslavovitch, beter bekend als Alexander Nevski, die de zwaarbeladen ridders uitdaagde om het bevroren Peipusmeer over te steken. Het vervolg laat zich raden. De aanstormende Teutonen zakten met paarden en al door het ijs en verdronken in het ijskoude Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
water. De nederlaag sprak ook in latere tijden nog zodanig tot de
verbeelding dat de Drang nach Osten na 1240 flink bekoelde. De Duitsers moesten zich tevredenstellen met hun veroveringen in het noorden.
Aangemoedigd door deze en andere Teutoonse nederlagen kwa- men de overwonnen Pruisische stammen in opstand en er was een nieuwe kruistocht voor nodig – in 1254 – om de orde te herstellen. In deze tijd was de Duitse Orde zo’n geducht orgaan geworden, met commanderijen in heel Noord-Europa, dat zij in de tweede helft van de dertiende eeuw, ondanks herhaalde oppositie van re- bellerende stammen, oppermachtig bleef.
De snelheid waarmee de Duitse Orde zich in Europa uitbreidde is indrukwekkend. Ongeveer halverwege Von Salza’s bewind strek- ten de bezittingen van de Duitse Orde zich uit van Slovenie¨ tot Thu¨ringen, van Beieren tot aan Tirol, met huizen in Praag en We- nen; om maar te zwijgen van de vestigingen in de buitenste ge- bieden van het Byzantische Rijk (Griekenland, Roemenie¨). Aan het eind van de dertiende eeuw had de orde 300 afzonderlijke provincies in bezit, verspreid over het gehele Europese continent. Geen geringe prestatie. Niet lang na Von Salza’s dood begon de orde ook voet aan de grond te krijgen in de Nederlanden. De tempeliers moeten afgunstig hebben toegekeken hoe de Duitse Orde almaar groter, rijker en invloedrijker werd. Hoeveel forten de tempeliers ook innamen (vaak met grof geweld), hun invloed en bezit bleef jammerlijk achter bij die van de Duitse Orde, die gestaag en over het algemeen zonder al te veel bloedvergieten haar macht consolideerde in Europa.
Veroverde gebieden werden gecultiveerd en uitgebreid. We mo- gen hier wel spreken van een soort ‘terravorming’ waarbij Duitse kolonisten de geannexeerde gebieden in bezit namen en ze om- vormden tot akkerland. De dichte wouden werden gekapt, moeras- sen drooggelegd en de gewonnen grond viel onder de ploeg. Bijna honderd steden en zeker duizend nederzettingen zagen het daglicht onder auspicie¨n van de orde. Edellieden stroomden van alle kanten toe en vestigden zich ter plaatse als de nieuwe adel. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De ordestaat
De Teutonen hadden in de Levant het een en ander opgestoken van de tempelridders en begonnen in hun nieuwe leefgebied ook te bankieren. De Duitse Orde bracht een eigen munt uit en maakte de ordestaat tot een aantrekkelijk ontginningsgebied voor koop- lieden en handelaren. Ze verkreeg de alleenhandel in graan, amber en andere producten. Ze exporteerde hout, zilver, zout, huiden, paarden en valken op grote schaal. Daarnaast importeerde ze on- der andere koper en wijn, en wol uit Engeland. Mede dankzij de gunsten, diplomatiek afgedwongen door Von Salza, steeg de Duitse Orde gedurende de dertiende eeuw interna- tionaal snel in aanzien; tal van gronden, goederen en privileges vielen haar ten deel. Zij mocht eigen priesters aanstellen en stond, hoewel zij officieel verantwoording moesten afleggen aan de paus, niet onder enige bisschoppelijke macht.
De commanderij van Marie¨nburg, het statussymbool van de orde en min of meer haar hoofdkwartier,18 hield het midden tussen een fort, een paleis en een klooster en overtrof in veel opzichten de pracht en praal van veel Europese vorstenhuizen. Verschillende koningen kwamen een kijkje nemen en keerden terug met verhalen over luisterrijke paleizen en opgestapelde kostbaarheden. Marie¨n- burg werd een soort Camelot, een plaats waar de grootmeesters resideerden, waar spelen en zangwedstrijden werden gehouden, waar landdagen werden georganiseerd.
Het zwaard werd in die tijd echter niet neergelegd; er vielen ook in eigen huis nog voldoende heidenen te kerstenen. De orde kende in die periode zware tijden waarbij veel ridders omkwamen, maar we mogen nooit uit het oog verliezen dat tegenover elke openlijke (militaire) nederlaag van de orde een politieke en economische overwinning stond. Waar we de Duitse Orde ook tegenkomen in de geschiedenis, telkens weer weet zij zich in de meest penibele en hopeloze tijden te handhaven en zelfs munt te slaan uit de veran- derlijke tijden. Wat ook bijdroeg aan het succes van de orde was de beproefde methode van incorporatie en samenwerking naar het voorbeeld van Von Salza. Het gebrek hieraan kan worden gere- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
kend tot een van de belangrijkste oorzaken van het verval van de
tempeliers, die zich altijd hadden opgesteld als een kleine, agres- sieve en relatief hermetische orde. De Duitse Orde daarentegen opereerde precies omgekeerd: door haar alomtegenwoordigheid en haar op diplomatie gestoelde politiek waren de ridders in elk segment van de macht vertegenwoordigd en strekte de orde haar invloed uit tot ver voorbij de kerk. De neiging om met alle winden mee te waaien zou in de verdere geschiedenis van de Teutoonse ridders nog van belang blijken.
Meer naar het oosten was het niet allemaal peis en vree, maar de Teutoonse opmars was in die dagen niet te stoppen. Toch lijkt de orde nog iets anders te hebben opgestoken van de kruistochten in Palestina: het ironische feit dat de ridderorden hun bestaansrecht juist ontleenden aan het feit dat sommige gebieden juist nog niet gekerstend waren. Zolang er nog wouden te kappen waren en heidenen om te bekeren, hadden de ridders een geldige reden voor hun aanwezigheid. Zij vormden de frontlinie, de enige verde- digingshaag tussen de christenen en de eeuwige dreiging van aan- stormende wilden. Zolang er heidenen bestonden, bestond de orde. De tempeliers, die in West-Europa geen Saracenen hadden om te bevechten, hielden op te bestaan. Dankzij de aanhoudende drei- ging van rebellerende Balten en plunderende Tartaren behield de Duitse Orde haar macht, haar status en de goedkeuring van Rome. Go¨tterda¨mmerung
De ordestaat bereikte haar hoogtepunt aan het einde van de veer- tiende eeuw. Daarna ging het gestaag bergafwaarts. Arrogante Hochmeisters en ongelukkige campagnes tegen de oosterburen zorgden voor de geleidelijke desintegratie van de Teutoonse over- heersing. Ook van binnenuit werd de orde aangevreten. Gekers- tende heersers keerden zich tegen hun meesters. De diplomatie werd overboord gegooid, tot schade van de Duitsers. Toen de over- moedige grootmeester Ulrich von Juningen het in 1410 bij het Pruisische Tannenberg liet aankomen op een allesbepalende con- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
frontatie met Baltische rebellen onder leiding van koning Wlady-
slaw, leden de Duitse ridders een verpletterende nederlaag. Ulrich was zo onbezonnen geweest om de subtiele politiek van zijn broer Konrad, die hij als Grootmeester was opgevolgd, in te ruilen voor drieste veldslagen. Hij had de les van Hermann von Salza niet begrepen en in 1410 betaalde de Duitse Orde de prijs. Achttien- duizend ridders verloren het leven, Ulrich zelf werd wreed ver- moord.
Marie¨nburg viel datzelfde jaar.
Wat de ondergang bespoedigde, was het feit dat de tegenstanders van de Teutoonse ridders na 1400 niet langer Saracenen waren. Het waren gekerstende vijanden die niet Christus, maar wel het juk van de orde van zich wilden afschudden. Daarbij zorgde de pest met als gevolg een kwijnende Europese bevolking voor econo- mische malaise. De kruistocht verloor zijn glans en trok nauwelijks nog belangstellenden. Deze en andere tekorten speelden de ver- deeldheid in de kaart, zoals dat ook in de Orie¨nt het geval was geweest. De orde kon zich geen grote militaire campagnes meer veroorloven en de ridders verscholen zich in hun individuele for- ten, de ordeburchten. In 1450 was de orde met een derde gekrom- pen.
De volwassen geworden Pruisen gingen er in 1440 toe over hun eigen bond op te richten, een nauwelijks verholen poging om de ordestaat teniet te doen. Hulpeloos keken de ridders toe. Meer oorlogen en verdeeldheid volgden. Het verloop van de vijftiende eeuw stond in het teken van een geleidelijke terugtocht. In namen de Russen opnieuw bezit van de Baltische staten. In de zestiende eeuw gaven de Teutonen opnieuw blijk van hun opportu- nistische aard door het protestantisme te omarmen. Luther zelf had zich herhaaldelijk geı¨nteresseerd getoond in de orde en in ging de orde voor de lutherse bijl.
Voor het behoud van de ordestaat mocht het allemaal niet meer baten. De Pruisen, de Russen, de Zweden en de Denen, iedereen rook de ondergang van de Teutoonse grootmacht en na een laatste Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Pyrrusoverwinning in 1562 werd de orde, althans wat de geschie-
denisboeken betreft, zo goed als ontbonden. Dit is wat de geschiedenis ons in grote lijnen vertelt. Maar eindigt ons verhaal daarmee? Verdween de orde daadwer- kelijk uit beeld? Of werd er een voortzetting gevonden die groten- deels uit de annalen is gebleven, verborgen in de schaduwen van het Europese strijdtoneel?
We probeerden uit te zoeken hoe invloedrijk de Duitse Orde in feite was. Al snel bleek dat de Duitse kruisvaarders in hun opmars niet alleen stonden.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De Hanze en het
Teutoonse expansieplan
Gotlandvaarders
Wij weten niet wie zij waren, deze stichters van de Duitse Orde in het Heilige Land. Wat hen dreef is in nevelen gehuld. De boeken zijn hardnekkig verdeeld over hun identiteit: het ene spreekt over ‘geestelijken’, het andere slechts over ‘bewoners’; maar de meeste historici spreken toch over ‘kooplieden’. Waar alle bronnen het over eens zijn, is dat de stichters afkomstig waren uit Noordwest- Duitsland: de steden Bremen en Lu¨beck om precies te zijn. Wat we met zekerheid weten, is dat deze kooplieden aan de wieg hebben gestaan van de Duitse Orde in het Heilige Land en dat ze zich ter plaatse onmiddellijk beijverden voor het welzijn van Duitse kruisvaarders. De orde zou in de eerste jaren een soort liefdadig- heidsorganisatie zijn ten behoeve van de troepen overzee. Onder- zoeker van de Duitse Orde J.C.A. Hezenmans schrijft: ‘Door mede- lijden bewogen, bij het gezicht van zoveel jammeren, sloegen de kooplieden en scheepvoerders van Bremen en Lu¨beck een veldhos- pitaal op, met de zeilen hunner schepen, werwaarts zij de zieken en stervenden overbrachten, die zij verpleegden met eene zorg en lief- derijkheid, welke naar het schijnt onder de mannen het meest bij de Duitschers wordt aangetroffen.’ Dit idee past prachtig in de theorie van de nobele, zij het ietwat ruwe veroveringstocht van het Heilig Land, zoals naar voren is geschoven door de meeste historici. Wat bewoog deze avonturiers om hun tenten op te slaan in dit door oorlog verscheurde land? Was het inderdaad medelijden?
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
In het begin van ons onderzoek leek een antwoord op deze vraag
niet al te relevant. Er was niet zoveel reden om aan te nemen dat het hier veel anders was gesteld dan met de twee andere ordes, de johannieters en de tempelridders. Werd ook de Duitse Orde niet aangestoken door het religieuze vuur van de paus? De bekende mix van motieven: de ellende aan het thuisfront in combinatie met religieuze vervoering bewoog deze mensen ertoe zich zo ver van huis te wagen, het onbekende tegemoet.
Maar ons onderzoek wijst uit dat bij de oprichting van de Duitse Orde minder nobele redenen een grotere rol speelden. Bij nadere beschouwing blijkt het hier namelijk helemaal niet te gaan om een stel avonturiers. Niet eens om idealisten. Hoewel de namen van de stichters ons niet zijn overgeleverd hebben wij een belangrijke aan- wijzing in handen voor de afkomst van deze pioniers. Een vluchtige beschouwing van de steden Bremen en Lu¨beck ont- hult dat dit al vroeg in de Middeleeuwen belangrijke kuststeden waren. Al sinds de tiende eeuw was hier sprake van booming han- delsverkeer, met name vanuit Denemarken en Gotland. Deze ge- bieden lagen boven het uiterste noordwesten van het tegenwoordi- ge Duitsland en bleken uitstekende springplanken voor handels- verkeer met de omringende landen. Tot aan de elfde eeuw was de handel in dit gebied vooral in handen geweest van de Goten en voornamelijk gericht op Rusland. Duitse kooplieden namen het initiatief om met de Goten te onderhandelen. Deze varende koop- lieden kwamen bijeen in gilden en vormden genootschappen, naar het voorbeeld van de oude Saksische en Gotische allianties. We weten dat de clanhoofden zich hevig tegen de tirannie van de Fran- ken hadden verzet en dat de latere Frankische keizers, ondanks herhaaldelijke pogingen, nooit echt vat hebben kunnen krijgen op deze stammen. De relatief onafhankelijke status die de Noord- Duitse stamhoofden genoten heeft ze geen windeieren gelegd. De autonome lokale vorsten bleken een machtsfactor in Duitsland en die factor steeg gestaag. Dat bleek zeer gunstig voor de handel. De genootschappen van reizende kooplieden heetten ‘Hanzen’. Het woord Hanze betekent ‘groep’ of ‘gemeenschap’ en is afgeleid Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van het Oudgermaanse woord Hansa, dat zoveel betekent als ‘or-
ganisatie’ of ‘schare’. De Hanze, of mercatores in hensa Theutoni- corum was echter geen organisatie in de gebruikelijke zin van het woord: ze was geen officie¨le rechtspersoon maar bestond in plaats daarvan uitsluitend bij de gratie van de eensgezindheid onder haar leden. Men was niet in het bezit van een eigen zegel, hetgeen in die tijd zeer ongebruikelijk was. Ook had men geen leger: nog onge- bruikelijker. Omdat de leden van de Hanze zich gesteund wisten door de machtige Duitse adel, en inmiddels in het bezit waren ge- komen van een geschikte haven aan de Oostzee, zaten zij met steeds meer zelfvertrouwen aan de onderhandelingstafel. Speciaal voor de handel met de Baltische landen werd later door de Saksische hertog Hendrik de Leeuw in 1159 de stad Lu¨beck gesticht. Met name deze stad speelde in dit verband al in de vroege Middeleeuwen een be- langrijke rol. Later, in 1226, werd de stad tot vrije rijksstad ver- heven. Door haar snelle opbloei groeide ze ten slotte uit tot de grootste handelsstad van Noord-Europa. Vanuit Lu¨beck en andere steden vertrokken schepenvol handelswaar (zijde, linnen, bier, wijn enzovoort) naar de Baltische landen en zelfs naar Rusland. Ook was er druk verkeer met de Scandinavische landen. Nog geen twee jaar na de stichting van Lu¨beck werd door dezelfde Hendrik de Leeuw ‘Het genootschap van kooplieden van het Heilige Roomse Rijk die Gotland bezochten’ opgericht. Deze Hendrik was een bijzondere man. Hij was hertog van Bei- eren en Saksen: een Saksisch clanhoofd van de oude stempel. Hij speelde handjeklap met niemand minder dan de paus en de Engelse koning Richard Leeuwenhart: twee mannen die zeker niet vies waren van de incidentele kruistocht. Het mag ons daarom niet verbazen dat de Hanze al vroeg een kantoor had in Londen. Het jaar 1161 wordt beschouwd als de officie¨le stichting van de zoge- noemde Hanze, het Noord-Duitse verbond van handelaren dat ruim drie eeuwen de gehele streek en grote gebieden daarbuiten economisch zou beheersen. Sommige geschiedschrijvers zien deze gebeurtenis als de stichting van een soort rudimentaire Europese Unie. Enkele decennia later bestond de Hanze al uit meer dan der- tig Duitse steden, hoofdzakelijk kuststeden. Met de Gotlanders Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
werd vervolgens door de Hanze een eeuwigdurende, zeer winst-
gevende vrede gesloten – waarbij zij haar privileges in de Oostzee- handel opgaf en in ruil daarvoor vrije toegang kreeg tot Lu¨beck. Het is moeilijk voor te stellen, maar gedurende de veertiende tot de zestiende eeuw waren niet minder dan 200 steden lid van de Hanze. Een groot aantal steden was automatisch vanaf het begin lid – omdat haar handelaren in het buitenland toegelaten werden tot de handelsposten en daar gebruikmaakten van de Hanzeprivi- leges.
De dubbelkoppige adelaar: De band tussen de Hanze en de Duitse Orde
De vroege Hanze maakt dus de indruk een enigszins rommelige organisatie te zijn geweest. Niets is minder waar. Een uitgestippeld beleid lag ten grondslag aan de handelsfederatie. Dit komt tot uit- drukking in een wapen dat steevast gebruikt zou worden om ste- den aan te duiden die bij de handelsfederatie betrokken waren: de dubbelkoppige adelaar. Ee´n lichaam, twee hoofden. Voordat deze adelaar aan het begin van de vijftiende eeuw werd overgenomen door de keizer als het zinnebeeld van het Heilige Roomse Rijk, hadden allerlei Hanzesteden het fabeldier opgenomen in hun stads- wapen.
Deelde Lu¨beck het wapen uit aan bevriende steden? Het lijkt er wel op, want hoewel het wapen al een tijdlang bestond en vermoe- delijk ontleend is aan de Byzantijnen, zien we het vooral terug bij de vroege Hanzesteden. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de twee koppen duiden op twee afzonderlijke organisaties. Dat is niet zo gek als we nagaan dat het Hanzeleden waren die ervoor verantwoordelijk worden gehouden in het Heilige Land de Duitse Orde te hebben gesticht. Het dier mag dan over twee koppen be- schikken, er is maar e´e´n lichaam. Dit zou duiden op een centrale doelstelling voor beide partijen.
Steeds lag het gevaar van interne verdeeldheid op de loer. De diversiteit van belangen bij de aangesloten steden was zondermeer Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de zwakte binnen het Hanzeverbond. Zeker is het dat in de eerste
helft van de vijftiende eeuw het aantal Hanzesteden sterk groeide. Een uitzonderingspositie binnen het verbond werd ingenomen door de grootmeester van de Duitse Orde, die als rechtspersoon lid was. Hierdoor konden in principe al zijn onderdanen (lees: de gehele Duitse Orde) een beroep doen op de Hanzeprivileges. En dat deden ze dan ook, veelvuldig. De band tussen de twee organisaties is zelfs zo hecht, dat men met recht kan spreken van een twee- eenheid: de dubbelkoppige adelaar. Men had geen passender sym- bool kunnen kiezen om deze bruiloft van belangen in uit te druk- ken.
Deze symbiotische relatie blijkt ondermeer overtuigend uit het feit dat de veroveringen van de orde in bijna alle gevallen vergezeld gingen van een opstart van handelsposten, geleid door Hanze- kooplui. In het geval van Torun bijvoorbeeld, dat tijdens de Bal- tische kruistochten in 1233 in het bezit van de Teutoonse ridders kwam, ontstond aan de voet van het fort een compleet nieuw stads- deel, waar de Hanze zich even later vestigde. Een ander voorbeeld: toen de Duitse Orde de stad Danzig stichtte aan het begin van de veertiende eeuw, werd deze rond 1360 lid van de Hanze. Weer een ander voorbeeld: in 1252 bouwde de Orde van het Zwaard, de militaristische tak van de Duitse Orde, een kasteel aan de monding van de rivier Dane´; en toen ook de Hanze daar twee jaar later neerstreek, groeide de vesting uit tot een volwaardige Hanzestad. De stad Elbing werd in 1237 gelijktijdig gesticht door de Land- meister van de Duitse Orde en de kooplieden uit Lu¨beck. De vesti- gingen aan de kust schoten als paddestoelen uit de grond. Deze min of meer willekeurige greep uit de middeleeuwse geschiedenis toont aan hoezeer de Duitse Orde en de Hanze waren vervlochten. Bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op de Baltische veroveringstochten. Dit betekent echter niet dat de relatie in vre- destijd daarom minder sterk was. Er zijn talloze voorbeelden te noemen van vreedzame annexaties die de orde ondernam, daarbij op de voet gevolgd door Hanzekooplieden en vice versa. Sterker nog: van de 200 steden die in de veertiende en vijftiende eeuw bij de Hanze waren aangesloten, hebben we slechts met moeite een enke- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
le uitzondering op deze regel kunnen vinden – en zelfs in deze
spaarzame gevallen stond het niet vast dat er geen onderlinge be- moeienissen waren.
De relatie tussen de Duitse Orde en de Hanze is dus hecht. Hun wortels groeien gelijk op en hun beider opkomst (en latere teloor- gang) loopt nagenoeg parallel. Het was de Hanze die met haar schepen naar het Heilige Land voer en onder wier tentzeilen de Duitse Orde tot ontwikkeling kwam. We weten dus dat de ‘bewo- ners uit Lu¨beck en Bremen’ die in 1190 de Duitse Orde stichtten, Hanzeleden waren die over een flinke vloot beschikten. Het is op- merkelijk dat toonaangevende studies weliswaar op samenwerking wijzen, maar niet spreken over de directe samenhang van beide partijen; men waagt zelfs geen poging om de stichting van de Duit- se Orde te beschouwen als een logisch uitvloeisel van de bestaande Hanze of omgekeerd, hetgeen opmerkelijk is gezien de vele aanwij- zingen die deze bewering lijken te staven. We hebben gezien dat de handelsroutes van de Hanze vanaf het midden van de twaalfde eeuw fors werden uitgebreid; ze bezat bij voorbeeld al in 1260 kantoren in Londen en Brugge en zocht voort- durend naar nieuwe handelshorizonten. Ook weten we dat de Got- landvaarders een niet geringe militaristische inslag hadden, aange- zien ze op weg naar Palestina nog even Portugal aandeden en daar slag leverden met hun concurrenten, de Moren, die gezien werden als een bedreiging voor het handelsbeleid van de Duitsers. De offi- cie¨le reden voor deze slachtingen was natuurlijk wederom ‘kruis- tocht’. Opvallend detail is dat hertog Hendrik I van Brabant al in 1197 de Bremers en Lu¨beckers hielp bij deze antimoorse expedi- ties. We zullen deze hertog nog vaker tegenkomen. Volgens Heinz Stoob, schrijver van de meest uitgebreide studie over dit onderwerp, vertrokken er aan het einde van de twaalfde eeuw vele vloten in de richting van Portugal.20 Ee´n daarvan brak los van de overige vloten, en voer naar het Heilige Land. Het is waarschijnlijk dat deze vloot van Gotlandvaarders niet op eigen initiatief de barre tocht ondernam, in een wilde vlaag van avon- tuurzucht. Zij had hiertoe vooraf opdracht gekregen van Lu¨beck. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Welke andere stad uit Noord-Duitsland beschikte immers over een
vloot groot genoeg om een dergelijke expeditie naar het Heilige Land te ondernemen? De kruistochten boden de kooplieden de mogelijkheden om allerlei handelsbetrekkingen aan te knopen on- der bescherming van de pauselijke stoottroepen. De formering van een ridderorde, met alle militaire middelen tot haar beschikking, was natuurlijk een uitstekende manier om de handelswaar te be- schermen. En hoewel zij openlijk de Saracenen bestreed, dreef zij onder tafel naarstig handel met hen. Door zich aan te sluiten bij de Heilige Strijd kreeg de Duitse handelsfederatie de mogelijkheid om land te veroveren van waaruit vele handelsroutes open kwamen te liggen die vroeger ontoegankelijk waren. Een mooie illustratie van het verschil tussen de tempeliers en de Teutonen is de vestiging van hun hoofdkwartier, respectievelijk in Jeruzalem en Akko. De tem- peliers namen het Heilige (maar verder nogal armoedige) Jeruza- lem in, de Duitse Orde nam in eerste instantie bezit van de havens der Saracenen in Akko. De stichters van de Duitse Orde vestigden zich niet in Jeruzalem, het belangrijke politieke en religieuze cen- trum, zij bleven hangen bij de steigers. Niet verwonderlijk wanneer we in beschouwing nemen dat vrijwel al het internationale han- delsverkeer plaatsvond vanuit deze essentie¨le kustplaats. Een open verbinding met het Ottomaanse Rijk werd ineens mogelijk, en ook met Griekenland en andere landen. Het gaat niet te ver als we zeggen dat de Duitse Orde het vrij aardig deed daar in Outremer. Niettemin heeft het er alle schijn van dat de Duitsers er hun gezicht lieten zien om als ridderorde door het Vaticaan erkend te worden, enkel en alleen om in het noorden van Europa hun slag te slaan. De Germanen, zouden we kunnen zeggen, heroverden Noord-Europa via een omweg. De Hanzedag
We weten nu dat de oprichters van de Duitse Orde hun wortels hadden in een dynamisch en economisch zeer welvarend handels- gebied. Of het nu in de visserij was of in de import en export van Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
graan, de omzet groeide en om dat in stand te houden begon ook de
noodzaak van allianties, van een gezamenlijke ‘politiek’ te ont- staan.
De spin in het web was vanaf het begin Lu¨beck. Deze stad was gesticht om zo veel mogelijk handelsschepen te accommoderen en is door de eeuwen heen de centrale Hanzestad gebleven. Hier klopte het administratieve hart van de Hanze. En het was deze stad van waaruit de grote koggen (zoals de Hanzeschepen ook werden genoemd) naar het Heilige Land voeren. Tevens werden hier de grote Hanzedagen gehouden en de belangrijkste vergade- ringen bijeengeroepen. Al spoedig hield de Hanze haar jaarlijkse Hanzedag, een bijeenkomst van de leden waarbij politiek werd be- sproken. Een gezamenlijke politiek, die voor alle betrokkenen voordelig moest uitwerken; en hoewel de besluiten officieel bij meerderheid van stemmen werden genomen, gebeurde het wel dat tegenstemmers dusdanig onder druk werden gezet dat men toch het gewenste resultaat kreeg. Hieruit blijkt dat er in de Hanzedag een centraal orgaan bestond dat een vooropgezet beleid uitvoerde. Ee´n manier om elk protest in de kiem te smoren, was dreigen tegen- stemmers uit de Hanze te zetten. Wie niet meewerkte kon dus zomaar uit het verbond worden gezet, hetgeen bijvoorbeeld Bre- men driemaal overkwam.
Hoewel er vanuit de Hanzesteden ook regionale belangen mee- speelden, werd er niettemin een collectieve taart gegeten waar alle partijen van mee smulden. Maar vaker dan de vaste Hanzedagen werden regionale bijeenkomsten gehouden. Over het algemeen on- derscheidt men drie verschillende machtsgroepen binnen de Hanze: er was een Rijnlandse groep, die de handel op en over de Rijn in handen had. Er was een Wendisch verbond, dat het mono- polie bezat op de handel van en naar de Baltische landen. De derde, en veruit belangrijkste groep, bestond hoofdzakelijk uit Pruisen, die onder andere de graanhandel regisseerden. Deze laatste, Prui- sische groep werd vertegenwoordigd door de grootmeester van de Duitse Orde en zijn gevolg. Sommige leden klaagden erover dat de orde te centralistisch van aard zou zijn en een al te dominante positie innam binnen de Hanzedag. Maar dit toch al zwakke pro- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
test verstomde ten slotte volledig, omdat iedereen ook wel begreep
dat zonder de militaire assistentie van de orde de handel spoedig ten prooi zou vallen aan piraten en ander zeeschuim. Terwijl de meeste aangesloten Hanzesteden feodaal van karakter waren, was Lu¨beck een van de weinige ‘vrije’ steden, een stad van het Heilige Roomse Rijk, die alleen verantwoording had af te leg- gen aan de keizer. Maar we hebben al gezien dat zelfs deze verant- woording alleen op papier bestond. In de praktijk behield Lu¨beck een volstrekt onafhankelijke positie binnen het Rijk. Natuurlijk was de Hanze niet zonder vijanden. Zij had echter een wapen dat machtiger was dan zwaarden, namelijk het wapen van de boycot. Het kwam geregeld voor dat rebellerende leden economisch werden geboycot, hetgeen in de meeste gevallen ge- noeg reden was voor de afvallige partij om snel bakzeil te halen. Maar de provocaties waren in een enkel geval ook afkomstig van niet-leden, op wie de dreiging van boycot geen effect sorteerde, zoals in het geval van de koning van Denemarken, Waldemar At- terdag. Deze koning had de opkomst en enorme macht van de Hanze met lede ogen aangezien en zag zijn economisch belang ernstig bedreigd door Duitse kooplieden, die inmiddels (we schrij- ven begin veertiende eeuw) de handel op de Oostzee monopoliseer- den. Tegelijkertijd was de koning, in weerwil van zijn edelen en adviseurs, te trots om zich aan te sluiten. In plaats daarvan was Waldemar erop gebrand de handel langs de Deense kusten voor zichzelf terug te winnen, wat de Hanze weer razend maakte. Een militair conflict leek niet te voorkomen. In 1361, direct na afloop van onderhandelingen om de vrede te bewaren, sloeg de Deense koning toe. Hij plunderde de Hanzestad Visby, de hoofdstad van Gotland.
Lu¨beck was furieus en het Wendische verbond pleitte op een in allerijl georganiseerde Hanzedag voor directe militaire actie. De andere twee verbonden, de Rijnlandse en Pruisische, twijfelden nog. De grootmeester van de Duitse Orde was bevriend met Wal- demar, maar was tevens de belangrijkste leverancier van wapens voor het prive´-leger van de Hanze. Ondanks de verdeeldheid van de Hanzeleden ten aanzien van het conflict, werd er toch besloten Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
om tot actie over te gaan. 52 koggeschepen, elk uitgerust met meer
dan 100 manschappen, voeren vanuit Lu¨beck richting Denemar- ken, vergezeld van 104 kleinere schepen. In eerste instantie verliep de militaire campagne voor de Hanze- schepen voorspoedig: Duitsers belegerden Kopenhagen en namen bezit van de stad. Na de stad te hebben geplunderd, trokken de Hanzesoldaten verder om de Deense forten langs de kust aan te vallen. Het plan was om zich aan te sluiten bij een Zweedse vloot die de Hanze zou ondersteunen in de veroveringstocht, maar die vervolgens nergens te bekennen was. Rampspoed daalde neer op de vechtende kooplieden. Voornamelijk vanwege een tactische fout, namelijk het bevel om alle manschappen op het land een fort in te laten nemen. Op dat moment verschenen enkele Deense schepen die onmiddellijk het vuur openden op de verraste Hanze- soldaten. De koggeschepen van de Hanze zonken naar de zeebo- dem of dropen af. De strijd was verloren. Vervuld van schande, meer wrakhout dan schip, bereikten de resterende verslagenen Lu¨- beck. De ongelukkige aanvoerder werd publiekelijk onthoofd van- wege zijn incompetentie. Gelukkig waren er mannen als de groot- meester van de Duitse Orde. Deze hielden de economische betrek- kingen met Denemarken warm en bleven gestaag in gesprek met de Deense edellieden, die zich meer en meer ergerden aan hun hals- starrige vorst. De Duitse Orde was heer en meester, hier moordend en plunderend, en daar weer opererend met de fluwelen hand- schoen van diplomatie, al naar gelang de situatie. Koning Waldemar, gesterkt door zijn succes tegen de kooplieden, bleef de confrontatie zoeken: hij opende zelf de aanval en liet hier en daar Hanzeschepen tot zinken brengen. Ditmaal was de Hanze minder geneigd om ten strijde te trekken. Het verlies van de vorige zeeslag maakte dat zij haar vingers niet nogmaals aan de Deense koning wilde branden. Echter, de vele Deense provocaties lieten haar weinig keus. Opnieuw kwam de grootmeester van de Duitse Orde tussenbeide. Hij benaderde Waldemar met het verzoek zijn koers te wijzigen. Misschien liet de grootmeester doorschemeren dat hij de Hanzedag niet langer kon bedwingen. Wellicht liet hij het Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
voorkomen alsof de Hanze gereed was om de totale oorlog te ver-
klaren en suggereerde hij dat de Deense edellieden ook niet eeuwig in een staat van boycot wilden leven. Het was, kortom, een uiterst betreurenswaardige geschiedenis en bovendien slecht voor de han- del. Vooral dat laatste argument deed de koning uiteindelijk inbin- den. Bij thuiskomst bleken de edellieden, die uiteindelijk toch Han- zegezind waren, zich tegen hem te hebben gekeerd en kwam hij erachter dat ze een aanslag op zijn leven voorbereidden. Waldemar ontvluchtte de binnenlandse samenzwering en ging naar het huis van de grootmeester van de Duitse Orde. Door deze en soortgelijke interventies wist de Hanze haar macht in de regio te consolideren. De Hanze in de Nederlanden
Na de overwinning op Waldemar werden de vrijheden van alle deelnemende steden in de handel onvoorwaardelijk en ‘tot in de eeuwigen dage’ bezegeld in de Vrede van Stralsund: een verdrag tussen de Hanzesteden waarin de onderlinge afhankelijkheid nog eens werd bevestigd. De deelnemende partijen verwierven dankzij deze ‘vrede’ allerlei extra privileges van de Hanze, zoals het recht om in de Deense kustwateren te vissen. De knooppunten in het web van de Hanze, deze kralenketting van nederzettingen, werden vit- tes genoemd: permanente handelsnederzettingen van belangrijke Hanzesteden. Langs deze strategische punten vertakte het adernet- werk van de Hanze zich door nagenoeg het hele Europese conti- nent. Veel steden die waren aangesloten kregen een dergelijke vitte toegewezen van de Hanzedag: een afgepaald stuk grond met hui- zen en kramen, waar het eigen stadsrecht gold. Je zou ze kunnen vergelijken met ambassades. Het doel van de meeste Hanzesteden was om zelf een of meerdere vittes te bezitten, want dat betekende een eigen handelspost en een sterkere handelspositie in den vreemde: letterlijk vaste voet aan de grond. Maar een vitte was geen vrijblijvend geschenk van Lu¨beck aan de steden. In ruil voor deze royale gift werden de aangesloten steden in feite zelf vittes van Lu¨beck, die hen op haar beurt vrijheid van tol en privileges schonk. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze privileges maakten het vervolgens voor de Duitsers weer ge-
makkelijker om de rivieren en zeee¨n te bevaren. Er werd dus een wederzijds belang gediend, vastgelegd in contracten. Het gehele gebied dat we nu kennen als Noordwest-Europa werd in de loop van de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw economisch be- heerst door de Hanze. Geen wonder dat opvallend veel aan een rivier gelegen steden Hanzesteden waren. Ook in het gebied dat we nu kennen als Nederland.
Verscheidene steden hadden in de loop der tijd vittes gekregen van de Hanze, zoals Deventer, Utrecht, Tiel, Hasselt, Groningen, Zierikzee, Middelburg, Arnemuiden, Harderwijk, Zutphen, El- burg, Dordrecht en Amsterdam; en dat zijn er nog maar enkele. Om deze vergaande invloed van een buitenlandse handelsorgani- satie op de gemeentes te kunnen begrijpen, moeten we inzicht heb- ben in de organisatiestructuur van de Hanze. Dat is tamelijk lastig, want men moet diep graven om enkele sta- tuten te vinden waarin de afspraken tussen Hanzeleden onderling of met derden daadwerkelijk zijn opgeschreven. We weten inmid- dels dat de grotere internationale bijeenkomsten veelal plaatsvon- den in Lu¨beck en dat de ‘kleinere’ afspraken werden overgelaten aan de regionale Hanzeorganisaties. Deze regionalen waren des- tijds onderverdeeld in Drittels, of Quartiere. Overijssel bijvoor- beeld maakte onderdeel uit van de Keulse Drittel. Deventer was de voornaamste stad voor deze regio. Er zijn akten bewaard ge- bleven die de principaalsteden hun ‘bijsteden’ toezonden voor een ‘bespreking binnen haar muren’ of die dwingend tot betaling uit- nodigden. Zwolle heeft een stadsrekening uit 1549 waarmee in Overijssel Hanzebelasting werd geı¨nd.
Omdat Duitse kooplieden al in de elfde eeuw contacten hadden met de Friezen, die gezien werden als broeder-Germanen, was de toetreding van Nederlandse steden tot de Hanze een kleine stap. De nodige handelscontacten bestonden al vo´o´r de oprichting van de Hanze. De eerste contacten met de Friezen werden al in de elfde eeuw gelegd. De Friese kuststeden werden gebruikt als aanlegoe- vers voor de Duitse koggeschepen en werden in de loop van de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dertiende eeuw stuk voor stuk Hanzesteden. Men hoeft maar naar
de stadswapens van de Friese steden te kijken: vrijwel allemaal beelden ze de bekende dubbelkoppige adelaar van de Hanze af, een adelaar die pas later werd overgenomen door de Habsburgers en het Pruisische Rijk.
Het was een handelsoorlog die op meer dan e´e´n front werd uit- gevochten: ook vanuit het Rijn-Schelde-Maasgebied voeren de koggeschepen af en aan; zo zien we dat veel belangrijke steden langs de Waal en de Maas volwaardige Hanzesteden waren met eigen vittes op het schiereiland Schonen, ten zuiden van Zweden. Steden als Nijmegen, Arnhem, Utrecht, en zelfs Amsterdam be- hoorden allemaal tot het Hanzenetwerk.
Er was kortom een nieuwe macht opgestaan, opgebouwd in de Teutoonse wouden en gelegitimeerd in het Heilige Land. In betrek- kelijk korte tijd had de Hanze een groot economisch web gespon- nen in de Nederlanden, terwijl de Duitse Orde in het oosten veel land veroverde. Door de lucratieve aansluiting van de Nederlandse steden bij de Hanze, hadden zij ongewild een listige adder binnen- gelaten. Maar deze adder had twee koppen: zij kregen de Duitse Orde er gratis bij.
Via de Rijn trokken de Teutonen op naar Gelre, en verder, naar het hertogdom Brabant. Daar werden ze, zoals we zullen zien, gretig opgewacht door de lokale machthebbers. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De Duitse Orde in
Nederland
Teutoonse legenden
De Duitse Orde kan evenals de Maltezer ridders en met name de tempeliers bogen op een indrukwekkende reeks mythen, sagen en legenden. De orde zou fabelachtige rijkdommen bezitten: een ver- gaarde schat die nu eens in een burcht, dan weer in een berg wordt bewaard. De tempeliers hebben een schat, de Teutonen eveneens. De aard van deze schat varieert van oorlogsbuit uit Palestina of de Baltische staten tot een heilig object of een geheime, meestal godde- lijke kennis. De Teutoonse Ridders zouden de hoeders van een mysterieuze overlevering zijn, een wijsheid die de bezitter in staat stelt de wereldmacht naar zich toe te trekken. Net als bij de tem- pelridders is er sprake van een kostbaarheid die op heimelijke wij- ze, het liefst in het holst van de nacht, van hot naar her wordt gesleept.
In hoofdzaak betreft het echter een religieuze overlevering, een traditie toegespitst op gebeurtenissen in het Heilige Land. Alle drie de ridderorden vinden hier hun oorsprong, en de aan de orden verbonden legenden handelen dan ook over het algemeen over bijbelse mysteries. De verhalen met betrekking tot de tempeliers behoeven geen introductie. Vrijwel zonder uitzondering worden de tempelridders neergezet als de schutspatronen van heilige voor- werpen als de Ark des Verbonds, de tempelschatten uit de grotten van Salomo of de apocriefe Heilige Graal. In welke hoedanigheid ze ook optreden, bijna altijd gaat het om protagonisten in dienst van het christendom – of in elk geval van Christus zelf. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Een dergelijke rol krijgen ook de Duitse ridders met enige regel-
maat toebedeeld. Weliswaar worden ze vaak met de tempeliers verward (een bekende misvatting is dat ze een afsplitsing van de tempelridders zijn) maar daarnaast worden ze op eigen kracht ver- ondersteld de bezitters of bewakers van de Graal of de Ark te zijn. Helemaal onterecht is dit niet. Het is waar dat de orde van de tempeliers veel eerder werd opgericht dan de Duitse Orde: zij wa- ren de eerste Europese kruisvaarders in Jeruzalem en we mogen veronderstellen dat ze alles van waarde hebben weggesleept voor- dat de Teutonen onder Hermann von Salza in de Heilige Grafkerk het rijk alleen hadden. Toch valt de aanwezigheid van de Duitse adel in Palestina, juist door haar bescheidenheid, niet te onder- schatten. De Duitsers deden maar mondjesmaat mee aan de veld- tochten tegen de Saracenen, zoals we hebben gezien. Tot aanhou- dende irritatie van de overige kruisvaarders hielden ze zich meer bezig met het opzetten van lucratieve handeltjes dan met het fat- soenlijk over de kling jagen van goddeloze Arabieren. Natuurlijk deden de tempeliers en de johannieters hetzelfde, maar de Teuto- nen hielden niet eens de schijn op. De Duitsers onderhielden meer contacten met de plaatselijke autoriteiten dan de tempeliers in alle jaren daarvoor. Met name in Jeruzalem waren ze eerder gasten dan belegeraars. Het is dus moeilijk in te schatten hoeveel schatten, rijkdommen en relikwiee¨n de Duitse Orde uit de Orie¨nt heeft weten weg te voeren. Dat zich hieronder een Ark of een schat kan hebben bevonden is niet op voorhand uit te sluiten. Toch is er, juist met de Duitse Orde, iets vreemds aan de hand. Wat we tot nu toe over de orde hebben gezien wijst niet op een al te grote betrokkenheid bij bijbelse aangelegenheden. De Duitsers wa- ren rijkelijk laat in het opzetten van een kruistocht (er waren er al twee aan voorafgegaan). Het bevrijden van het Heilige Land was duidelijk niet het hoogst genoteerde agendapunt. Eenmaal ter plaatse blonken ze nu ook niet uit in geestdrift of kerkelijke bevlo- genheid. Ook later, tijdens de Baltische kruistocht, ging het hun niet om de kerstening van hun oosterburen, want zelfs nadat de Litouwers waren bekeerd, bleven ze dit land belegeren. De Duitse ridders, om het maar rechtuit te zeggen, gaven geen zier om peste- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
rige Mameloeken, heidense Pruzzen of het bezit van de Heilige
Stad. Ze kwamen een tijdje mooie sier maken om de paus zand in de ogen te strooien en gingen er weer vandoor zodra de situatie hen dat toestond. Om uitgerekend de Duitse ridderorde op te zadelen met het voogdijschap over de Ark lijkt dan een beetje ironisch. De tempeliers mogen dan later gnostische ketters worden, ze blijven in principe de voorvechters van Christus.
De Duitse Orde is duidelijk uit ander hout gesneden. Wat de Deutschritter kenmerkt (afgezien van hun zucht naar geld en grond) is de hardnekkigheid waarmee ze vasthouden aan hun Ger- maanse wortels. Ofschoon ze zich naar buiten toe profileren als de stoottroepen van Jezus (‘Wie tegen ons vecht, vecht tegen Chris- tus’) blijkt keer op keer de vereenzelviging met de Germanen van weleer. Alleen hun naam al, de Teutonen, verwijst heel nadrukke- lijk naar de voorvaderlijke stamverbanden waar de ridders nog steeds deel van meenden uit te maken. Hun god was niet die uit het Oude Testament, maar de Wodan uit het Germaanse pantheon. Rijkelijk laat stuitten we in ons onderzoek op het boek The Thousand Year Conspiracy uit 1943. Dit boek betoogt kortweg dat het nazisme niet in de jaren twintig van de vorige eeuw begon, maar in feite met de Teutoonse ridders uit de twaalfde eeuw. Het maakt aannemelijk dat er een Germaanse samenzwering bestaat die duizend jaar teruggaat. Paul Winkler, auteur van het boek, geeft ons een aanwijzing dat de Duitse Orde, hoewel listig geca- moufleerd als christelijke ridderorde, er een meer duistere agenda op nahield. Winkler: From the time of its founding, the Order had a ‘secret’ or ‘secrets’. These secrets are mentioned frequently, and in the rules of the Grand Master Konrad von Ehrlichshausen, it is clearly stated that ‘the Order’s secrets must never be revealed to laymen or before the servants.’ This cannot be a reference to the Order’s statutes as they were known to everyone. The ‘secrets’, then, can concern only a more detailed statement of the aims of expansion and conquest than was originally contained in the in- tentionally vague Bill of Rimini; or they might be related to the aim of protecting, in the Order’s capacity as a hospital, the caste inte- rests of the German Nobility.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De Duitse Orde was er dus op uit een nieuw Germaans rijk op te
bouwen voor de Duitse adel, en nı´e´t om het christendom te ver- spreiden. Maar vochten de Duitse ridders niet tegen de ‘noordelijke Saracenen’, dat heidense gespuis uit de Poolse en Baltische wou- den? Zeker, maar de Polen en de Balten waren geen Germaanse, maar Slavische volkeren. Zij werden al aan het begin van de Grote Volksverhuizing onder de voet gelopen en sindsdien als vijanden beschouwd. Om te beginnen is de Baltische godsdienst compleet anders dan die van de Germanen (die hun mythologie delen met de Scandinavische volkeren). De Balten waren de laatste Slavische bevolkingsgroep die zich tegen een gedwongen kerstening verzette. De mysteriereligie van de Balten kon zich vrij ontwikkelen tot om- streeks 1199. Dit was het jaar waarin de paus de aanzet gaf tot de militaire operaties om de Balten te bekeren. De Slaven kenden hun oorsprong in de Aziatische steppen, en hun pantheon was niet dat van de Teutonen. De Germanen beschouwden de Slaven (net als de nationaal-socialisten dat eeuwen later zouden doen) als een min- derwaardig ras. In veel opzichten zijn de volkeren uit de Baltische staten nooit echt gekerstend: tot op de dag van vandaag geloven sommige Litouwers dat een christen gevaar loopt als hij niet door de Zon beschermd wordt.
In zekere zin gold dit ook voor de Duitse ridders uit de twaalfde en dertiende eeuw. Er mochten dan vanaf 1420 officieel geen hei- denen meer in Europa zijn, het Vaticaan zou vreemd hebben opge- keken als het had geweten dat haar noordelijke stoottroepen hun heidense cultusplaatsen nog steeds in ere hielden. Verhalen omtrent de Germaanse wortels betreffen de initiatieriten van Duitse ridders, de krijgshandelingen en het leven na de dood. Nieuwe ridders wer- den gedwongen een heidense zwaarddans uit te voeren, waarbij zwaarden met het heft in de grond werden gestoken en de noviet zich tussen vervaarlijk priemende klingen moest begeven. Aan de vooravond van een grote slag werden er oorlogsgoden als Wodan en Donar aangeroepen. Veel Duitse ridders geloofden nog altijd dat zij naar het Walhalla gingen als zij op het slagveld sneuvelden. Cultusplaatsen die in voorchristelijke tijden van belang waren ge- weest werden niet vergeten. Heilige wouden, eiken, rivieren en Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
heuvels werden met respect bejegend. Het heilige centrum van de
Duitse ridders was niet Riga of zelfs Marie¨nburg. Het waren oude, open plaatsen in het Teutoburgerwoud, grafheuvels en rotsforma- ties als het bizarre Externsteine bij Detmold. De Externsteine be- staat uit een aantal natuurlijke zandstenen pilaren en is in feite het Stonehenge van Duitsland. Het zou een plek van verering zijn ge- weest voor de oude Teutonen. Centraal in deze verering stond de wereldboom Yggdrasil, de boom met drie wortels die de wereld van de mensen verbond met die van de goden. De boom fungeerde als de axis mundi, de as van de wereld. Bij de Germanen (net als bij veel andere oude culturen) was dit het centrum van alle dingen, de plaats waar de goden in contact kwamen met de mens. De god Wodan of Odin zou zichzelf aan de boom hebben gekruisigd in een poging goddelijke kennis deelachtig te worden. De Yggdrasil raakte later geabstraheerd tot een meer gestroomlijnde eik, een taxusboom of een pilaar, de Irminsul genoemd. Het woord komt uit het Oud-Saksisch en zou ‘Grote Pilaar’ betekenen. Externsteine was een van de plaatsen waar men de oorspronkelijke Irminsul lokaliseerde, maar deze theorie ontstond pas in de twintigste eeuw. Ingekerfd in een van de stenen is een relie¨f dat het omhakken van de Irminsul laat zien. Deze gebeurtenis wordt toegeschreven aan Karel de Grote in 772 en wordt gezien als de doodsteek voor de heidense Saksen. Daardoor is wel aangenomen dat deze symboli- sche daad bij de Externsteine heeft plaatsgehad. Er zijn bij Detmold echter geen archeologische vondsten aangetroffen die verder terug- gaan dan de elfde eeuw.
Het omhakken van de Irminsul, of dit nu een feitelijke gebeurte- nis was of niet, bleef de Germanen door het hoofd spoken. Er bleef een zeer sterke band bestaan met de cultusplaatsen, of dit nu bij Detmold of bij Paderborn was. Tegen de tijd dat de Germanen zich als christelijke paladijnen aandienen in de Orie¨nt, zijn Wodan en de Irminsul verre van vergeten.
Dit zijn vreemde berichten over een christelijke ridderorde die zich inzette voor de kerstening van Europa. Meer en meer kwam in ons onderzoek een beeld boven tafel dat niet strookte met de bekende Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
geschiedschrijving. Twee elementen speelden steeds weer een rol:
de genadeloze migratiepolitiek en de geruchten over een geheim- zinnige schat: een niet nader genoemde kostbaarheid die voor de Germanen van grote betekenis was.
Over deze schat zouden we later meer te weten komen. Maar om te beginnen waren er nog te veel zaken onduidelijk. Nog steeds was de volle omvang van de Duitse Orde ons niet helder. Als het de Germaanse kruisvaarders niet ging om het evangeliseren van de oosterburen, wat probeerden ze dan in Europa te bereiken? Wat zat er precies achter de schijnbaar vrome bedoelingen? Ging het om een simpel expansiebeleid, een ordinaire feodale machtspolitiek? We hebben gezien dat de Duitse Orde zich al kort na haar oprich- ting bezig ging houden met het verwerven van land en bezit. In heel Europa verschenen commanderijen en ordeburchten. Naarmate we meer te weten kwamen over de orde, ontdekten we dat de invloed van de Teutonen zich niet beperkte tot Duitsland, Polen en de Baltische gebieden. Er werd een luguber spel gespeeld met Europese grootmachten. Er stond, kennelijk al vanaf het prille be- gin, veel meer op het spel dan we aanvankelijk konden vermoeden. De Drang nach Osten was ook, en vooral, een Drang nach Westen. Om de Hanze een grotere daadkracht te geven moest de Duitse Orde zich een weg banen naar de Noordzee. De Oostzee was te perifeer en bovendien het eeuwige strijdtoneel van Russen, Denen en Zweden. Er waren belangrijke waterwegen te winnen. Dus moesten er nieuwe verbonden worden gesloten. De Nederlanden waren ook toen al een factor om rekening mee te houden: er was weliswaar nog lang geen sprake van een Nederlandse staat, maar de bewoners van de Lage Landen waren beslist geen weerloze Pruzzen. Toen de Teutonen toegang wilden tot de Noordzee be- sloten ze contacten aan te knopen met een man wiens macht in de Nederlanden juist een stijgende lijn vertoonde. Dit was het begin van een lange en sinistere relatie tussen Neder- land en de Duitse ridders. Een relatie die verregaande gevolgen had voor de geschiedenis van ons land. En het begon met de acquisitie van waterwegen in de twaalfde eeuw en de interventie van een Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
onverwachte partij. De poorten naar Nederland werden niet inge-
beukt zoals in Polen. Ze werden opengezet door de meest onwaar- schijnlijke figuur denkbaar: een Brabander... Opkomst van de hertogen
Nederland was in de twaalfde eeuw Nederland nog niet. De mo- derne Hollander is misschien geneigd om zijn land als een constant gegeven te beschouwen, met onveranderlijke grenzen. Een land dat er altijd is geweest en er altijd zal zijn. Maar in werkelijkheid is Nederland een relatief recente uitvinding. De huidige grenzen wer- den pas na de achttiende eeuw een feit; een gezamenlijke grondwet bestaat zelfs pas sinds de negentiende eeuw. Er was in de twaalfde eeuw sprake van verschillende hertogdom- men en graafschappen. Het ene ogenblik sloten ze handelscontrac- ten af, het volgende stonden ze elkaar als wilde honden naar het leven. De grootste kemphanen uit die tijd waren Brabant en Gelre. Het graafschap Gelre (ongeveer het huidige Gelderland) was in alle opzichten een cruciaal gebied: de grootste rivieren van het huidige Nederland stroomden vrijelijk door dit gebied. Zo ongeveer alle binnenvaart ging in die dagen vanuit het land van Kleef via de Rijn de Nederlanden binnen, door naar de Noordzee of afbuigend via de Maas. Hoewel het graafschap een relatief geringe omvang had, was het gebied geografisch gezien dus van zeer grote beteke- nis. En dat wisten de plaatselijke roofridders maar al te goed. Be- rovingen en absurde tolheffingen waren schering en inslag. In de vroege Middeleeuwen behoorde Gelre, net als Brabant, tot het op- perhertogdom Lotharingen en, eveneens als Brabant, tot het Hei- lige Roomse Rijk. Maar dit betekende geenszins dat de beide her- togen op goede voet stonden met elkaar. Er was al lange tijd sprake van een hevige onderlinge concurrentiestrijd en de situatie werd almaar grimmiger. Ieder was uit op zijn eigen belang en de e´e´n hoefde maar te niezen of de ander trok zijn zwaard. Een situatie kortom, zoals de Duitse Orde die graag zag. De twee Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
vechtende partijen Brabant en Gelre vroegen er gewoon om ge-
bruikt te worden.
Het hertogdom Brabant bestond in de vroege Middeleeuwen uit een verzameling graafschappen, graafschappen die officieel deel uitmaakten van Neder-Lotharingen, maar in werkelijkheid een re- delijke mate van zelfbestuur uitoefenden. Op papier werd het ge- bied bestuurd door de graven van Leuven en vanaf de twaalfde eeuw kregen ze de felbegeerde hertogtitel toegewezen – waarmee ze min of meer soevereine heersers werden. De eerste onder de Leuvense graven die de titel van ‘hertog van Brabant’ mocht dragen was Godfried III, die bijna vijftig jaar de scepter zwaaide (tot zijn dood in 1190). Aan het einde van zijn bewind reikte het hertogdom ongeveer tot de zuidgrens van het huidige Noord-Brabant. Hij ging bedachtzaam te werk en breidde zijn gebied langzaam maar zeker uit naar het noorden. Als het tot spanningen kwam met bestaande graafschappen greep Godfried niet direct naar het zwaard, maar koos hij vaker voor het compro- mis. Het voordeel van deze handelswijze was dat het maar zelden tot een gewapend conflict kwam, het nadeel was dat de expansie nogal lang duurde. Daar kwam nog bij dat Godfried veel meer oog had voor de versterking van het gebied tussen Keulen en Brugge, dat in die dagen een belangrijke handelsroute van het hertogdom was: ‘de Wereldweg’ heette het, of ‘een der slagaders der Europese economie’,21 zoals deze verbindingsweg ook wel genoemd werd. De route liep over land vanaf Keulen via Aken, Maastricht, Leu- ven, Brussel en Gent naar Brugge aan de Noordzee. Maar de door- weg, via Noord-Limburg naar de Rijn, werd sinds jaar en dag ge- blokkeerd door eigenwijze Limburgse roofridders en nukkige Gel- derse graven.
Hendrik, zijn ambitieuze zoon en gedoodverfde opvolger, keek toe hoe zijn vader met een slakkengang noordwaarts trok zonder ook maar een poging te doen om de Limburgers weg te vagen; hij probeerde zijn vader aan te sporen vlotter te handelen, meer spier- ballen te laten zien, maar vergeefs: Godfried was doof voor de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
argumenten van zijn eerzuchtige zoon. Maar Hendriks tijd brak
snel genoeg aan.
De avonturen van Hendrik de Kruisvaarder Toen Godfried te oud werd om te regeren liet zijn zoon Hendrik I (bijgenaamd ‘de kruisvaarder’, of de ‘strijdvaardige’) er als gevol- machtigd mederegent geen gras over groeien. Hij had als jonge knaap al een avontuurlijke en oorlogszuchtige natuur, en toen hij eindelijk iets in de melk te brokkelen had, trad hij direct zeer ener- giek naar voren en maakte haast om de bestaande expansiepolitiek te intensiveren. Deze telg uit het geslacht van de graven van Leuven was niet alleen troonopvolger, hij was – zoals zijn bijnaam al doet vermoeden – ook een gedreven kruisvaarder. Slechts weinigen van zijn voorgangers hadden zich ooit aan een kruistocht gewaagd en waren over het algemeen slechts geı¨nteresseerd in uitbreiding van het hertogdom zonder al te veel bloed aan hun handen te krijgen. Met Hendrik was het anders gesteld.
Hendrik had een scherp oog voor de opkomende economische machten in Europa. Met een vooruitziende blik had hij een stel kooplieden uit Lu¨beck een aantal schepen geschonken in de strijd tegen de Moren. Dit was in het jaar 1197. Eerder was hij op kruis- tocht gegaan met de bisschop van de Rijnstad Metz. Al snel bleek de jonge Hendrik met zijn vlugge verstand een uitstekend soldaat. Bovendien werd hij niet geplaagd door een geweten. Tijdens de kruistochten sloot hij vriendschap met de Germaanse afgevaardig- den, die het uitstekend met hem konden vinden. Men was zelfs zozeer over hem te spreken dat hij door de Teutonen tot leider werd uitgeroepen van de Heilige Strijd tegen de Turkse legers. On- der de wapenfeiten van Hendrik wordt de plundering van Beiroet gerekend, waar de kruisridders flink tekeer waren gegaan: vele Turken vielen onder zijn zwaard en onder die van zijn kameraden, de ridders van de Duitse Orde. Ook mag de betrokkenheid van Hendrik I bij de verovering van Constantinopel niet onvermeld Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
blijven – door een verbijsterde ooggetuige omschreven als ‘een ver-
schrikkelijke slachting’.
Deze kwaliteiten maakten hem tot een fijne vent, althans volgens de Duitse ridders. Hendrik werd in het kliekje opgenomen en we kunnen zeggen dat hij tot de eerste aandeelhouders van de orde- staat behoorde. Het is zeker niet ondenkbaar dat de relatie tussen de Teutoonse Orde en de Lage Landen begon met deze vriend- schap. We kunnen ons in elk geval moeiteloos indenken dat kruis- vaarder Hendrik de orde op zeker moment voorstelde om ook eens bij hem op bezoek te komen. Hij had, zo zal hij gezegd hebben, wat perikelen met zijn bovenbuurman, de hertog van Gelre, en wellicht konden hij en de Germanen iets voor elkaar betekenen? De Duitse Orde zal zeker oren hebben gehad naar zijn verhaal over Gelderse potentaten, gerieflijke waterwegen en nieuw te bou- wen steden.
Tegen de tijd dat de teugels van het hertogschap hem in handen waren gelegd, richtte Hendrik zijn pijlen onmiddellijk op de graaf- schappen ten noorden van zijn hertogdom. Het moest eens een keer afgelopen zijn met de Gelderse en Limburgse onbeschaamdheid. Hoogste tijd voor een aderlating. In het tweede jaar van zijn be- wind verwoestte Hendrik kastelen en burchten in het opstandige graafschap Limburg en verkocht ze weer terug aan zijn vijanden voor drie keer de oorspronkelijke prijs. De hertog had al snel naam gemaakt met deze gevreesde plunderingen. Daarnaast had hij al faam en respect verkregen vanwege zijn kruisvaarderschap, in die tijd een uiterst prestigieuze zaak. Reeds als plaatsvervangend her- tog streefde Hendrik ernaar, naast versterking van de handelsweg van Brugge naar Keulen, zijn heerschappij naar het grondgebied tussen Schelde en Rijn uit te breiden. De bestaande grenzen waren hem een te nauw maatpak. Hendrik begreep het belang van de rivierenstrook van Waal, Maas en Rijn voor een vrije doorvoer van producten. Deze waterwegen waren de natuurlijke handelsver- binding zowel naar het oosten en de Duitse noordkust, als naar het westen en de Noordzee. Wie het rivierengebied in handen had ver- wierf grote macht vanwege de handelsmogelijkheden die het bezit ervan met zich meebracht. Het mag ons daarom niet verbazen dat Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hendrik er alles aan deed om ook een deel van die waterige taart
op te eisen. Maar het hertogdom Gelre was een sterke en geslepen partij waarmee in geen geval te sollen viel. Hendrik was wat betreft landerijen en bezittingen nog steeds frustrerend ver van zijn doel verwijderd.
Maar hij had meer trucjes in zijn mouw. Hij herinnerde zich een klein leenbezit, weliswaar enige mijlen ten zuiden van het rivie- rengebied, maar toch ver ten noorden van zijn hertogdom. Dit leenbezit was genaamd Orthen. Godfried had zich nooit echt voor deze drassige uithoek geı¨nteresseerd, maar Hendrik besefte dat dit wel eens de beste kans was om in elk geval enige duurzame macht uit te oefenen in de nabijheid van de rivieren. In het jaar 1185, juist teruggekeerd van een kruisvaart, besloot hij het land Orthen om te vormen tot een heuse stad. De stichting van de stad ’s-Hertogenbosch was een feit, met alle stads- en handelsrechten die daarbij hoorden. Eindelijk had hij een buitenpost – een fort – aan de noordgrens van zijn hertogdom in bezit die de sleutel moest vormen tussen zijn rijk in het zuiden en de wereld van onbegrensde handelsmogelijkheden in het noorden. Maar Godfried hield zijn zoon nog altijd terug, bang voor een desastreuze, maar vooral onrendabele oorlog en Hendrik was gedurende deze daden nog altijd geen hertog. Toen hij zijn Hertogens Bosch stichtte, was het zijn vader Godfried die de feitelijke hertog was. In het jaar 1190 veranderde dit. De hertog van Neder-Lotharingen en Brabant, Godfried III, stierf. En de oude Godfried had zijn laat- ste adem nog niet uitgeblazen of Hendrik was al in de weer: hij hield onmiddellijk krijgsberaad. Nu was hij eindelijk vrij om zijn ambitieuze plannen te verwezenlijken. De bestaande grenzen moes- ten drastisch worden herzien. Dit was een moment waar Hendrik lang op had gewacht. Onmiddellijk na de bijzetting van zijn vader in de St. Pieterskerk van Leuven ging hij tot actie over. De aanwezigheid van de jonge hertog was een bron van veront- rusting voor de graaf van Gelre, die de bui al zag hangen. De relatie met Brabant was nooit warm geweest, maar ditmaal was de hertog wel erg dicht genaderd. Ook de graaf van Holland (toen nog een Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
relatief onbeduidend graafschap) keek gespannen toe. Hendrik op
zijn beurt beschouwde Gelre en Holland als struikelblokken in zijn opmars naar het noorden. Maar hij realiseerde zich dat hij het zich niet langer kon veroorloven om de agressieve expansie voort te zetten zoals hij dat gewend was, aangezien hij de zuidelijke Wereld- weg niet onbeschermd mocht laten. Openlijke strijd was dus geen optie. De enige andere mogelijkheid die hem openstond was een handelsoorlog.
Nu kwamen zijn contacten met de Duitse Orde hem pas echt goed van pas. Zoals we hebben gezien begon rond dezelfde tijd ook de machtige Hanze haar invloed op te eisen in het lokale bestuur van aangesloten steden: dezelfde Hanze waar Hendrik als kruisvaarder veelvuldig mee te maken had. In de Duitse Orde en de Hanze had hij zijn twee meest trouwe bondgenoten gevonden. De jonge hertog had op zijn reizen als kruisvaarder naar het Heilige Land contacten voor het leven gelegd; vanaf het moment dat Hendrik officieel de hertogstaf droeg, nodigde hij zijn brothers in arms al snel uit om commanderijen te bouwen in het hertogdom, zoveel als ze maar wilden. Hendriks opvolgers, Hendrik II en III, zouden zich later eveneens als trouwe beschermheren van de Teutoonse ridders op- werpen.
Het aantal Brabantse Hanzesteden nam in een korte tijd explo- sief toe. En de Duitse Orde was wat de hertog betrof een meer dan welkome gast. In haar kielzog verschenen allerlei commanderijen, her en der verspreid door het hertogdom, naar het voorbeeld van de nederzettingen in de Baltische gebieden. Zo eigenden de Teuto- nen zich vrijwel moeiteloos grote invloeden toe in de Lage Landen. De Deutschritter maakten het zich gemakkelijk in het gebied van hun kameraad de hertog. Beetje bij beetje wist de Duitse Orde haar invloed in de richting van de Noordzee uit te breiden. Een intrigerende aanwijzing voor de nauwe band tussen de her- tog en de orde troffen we aan in een boek over Brabantse wapen- kunde: het zegel van Hendrik I laat een adelaar zien, terwijl de wapens van de graven voor hem en de hertogen na hem consequent de leeuw uitbeeldden. De auteur merkt op: ‘Het zal bekend zijn dat Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
voor de hertogen van Brabant slechts de leeuw als wapenfiguur
bekend is en het waarom van de adelaar [in Hendriks zegel] is daarom een interessante maar voorlopig onoplosbare vraag.’ We zagen al dat de adelaar in die dagen hoofdzakelijk gebruikt werd als machtssymbool door de Hanze, zoals blijkt uit de ver- schijning van deze roofvogel in de wapens van de Nederlandse Hanzesteden. Waarom, vroegen wij ons af, zou ook Hendrik dit dier aanbrengen op zijn wapen? Zoals we inmiddels weten ver- kreeg Von Salza, grootmeester van de Duitse Orde, uit handen van de paus haar wapen: het gouden kruis van Jeruzalem beladen met de adelaar van het Duitse Rijk. Je zou dus kunnen zeggen dat Hendrik de adelaar had overgenomen als teken van trouw aan zijn Germaanse kameraden en wellicht om zijn schatplichtigheid aan de Saksische hertogen tot uitdrukking te brengen. Datzelfde kan trouwens worden gezegd van de leeuw als Brabants symbool. Die zou verwijzen naar de Saksische Hendrik de Leeuw, de stichter van Lu¨beck en degene die als eerste het verbond van Gotlandvaarders in het leven had geroepen.
De Duitse Orde bemoeit zich met Nederland We hebben gezien dat de Duitse Orde tijdens het bewind van groot- meester Hermann von Salza (1209-1239) vele landerijen en kaste- len in heel Europa bemachtigde, vergezeld van een massa privile- ges. We hebben ook gezien dat het thuisland Pruisen inmiddels helemaal gevestigd was als ordestaat. Hoewel zwaar bevochten en bestreden, wist de Duitse Orde op bijzonder slimme wijze de macht in handen te houden. Als kameleons gingen de ridders op in het gebladerte, namen de schutkleur aan van hun omgeving, hieven het zwaard hoog wanneer strijd geboden was, maar legden het neer als diplomatie en zachte pressie nodig werd geacht. En al die tijd bleef de orde als organisatie gewoon functioneren, met haar hie¨rarchische structuur intact.
Zo ook in de Nederlanden.
Onder het bewind van Hendrik de Kruisvaarder verschenen de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
eerste vestigingen en burchten van de Duitse Orde op Nederlandse
bodem. Zijn opvolgers zetten deze politiek voort. In 1220 schonk de Brabantse graaf Arnold III van Loon op aandringen van zijn heer en meester, hertog Hendrik, een bedevaartskapel met aanho- righeden in Rijkhoven (Bilzen) aan de orde. Tot 1795 zou ‘Alden Biesen’ (Oude Bilzen) de hoofdzetel van de orde in het hertogdom blijven. Deze landcommanderij was dus de hoofdzetel van de Duit- se Orde in het land van Maas en Rijn en telde een twaalftal com- manderijen (kastelen op het platteland of residenties in de stad), die elk weer werden beheerd door een commandeur ter plaatse. Ook in Utrecht werd een grote landcommanderij gevestigd, van waaruit belangrijke zaken werden gedaan met de hertog en anderen, vooral gericht op de noordelijke gewesten.
Hoe reageerden de plaatselijke vorsten op die plotselinge invasie van Duitse kruisvaarders in hun land? Zoals altijd wanneer de gasten welvarend zijn: ze dreven handel met de nieuwelingen. De Nederlandse grond bleek voor de orde een uitstekende voedings- bodem. De zeldzame keren dat we stuiten op conflicten tussen plaatselijke gezaghebbers en de Teutoonse indringers, komen de laatste altijd als winnaar uit de strijd. In veel gevallen wisten de commandeurs zich uit penibele situaties te redden door compro- missen te sluiten en ruilhandel te drijven met hun vijanden. In een aantal gevallen sluit de Duitse Orde zich zelfs aan bij de rivalise- rende partij. In een tijd waarin veel conflicten om het minste en geringste met de wapens werden uitgevochten, wist de orde haar belangen meestal zonder al te veel bloedvergieten zeker te stellen. Naar het voorbeeld van de ordestaat werden ook veel gebieden in de Nederlanden ingenomen. We kunnen niet genoeg benadruk- ken dat de soevereiniteit van de orde telkens door zowel kerkelijk als wereldlijk gezag werd bevestigd, desnoods door eigenhandig ingrijpen van hertogen, koningen en pausen. Of het nu gaat om de dertiende of de zeventiende eeuw, de situatie blijft nagenoeg hetzelfde. Adellijke grondbezitters schenken land aan de Duitse Orde in ruil voor lidmaatschap. In gemeentelijke en landelijke archieven treffen wij talloze van dergelijke transacties Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
aan. De adel en geestelijkheid stonden in contact en contract met de
orde, ter meerdere glorie van beide. Zo bestond er een eeuwenlange wederzijdse afhankelijkheid die in de loop van de tijd alleen maar sterker werd. Rivaliserende monarchen en adellijke families moch- ten hun twisten dan onverstoord voortzetten, de Duitse Orde bleef de lachende derde. Zoals we zien was hier het Von Salza-principe volop in werking. De orde kreeg van beide strijdende partijen schenkingen en privileges toebedeeld. In onze zoektocht naar de ontwikkeling van de Duitse Orde in Nederland stonden we keer op keer versteld van de enorme economische (en politieke) beteke- nis van de orde in de dertiende en veertiende eeuw en verder. Die invloed liet zich ook gelden in militaire aangelegenheden. De grootste en meest indrukwekkende zet van de Duitse Orde in Brabant liet niet lang op zich wachten.
Hertog Jan I
Het belang van de Nederlandse waterwegen voor de Hanze valt niet te onderschatten. Maar in tegenstelling tot Pruisen, Polen en de Baltische staten (waar de uitgestrekte bossen nog tjokvol met hei- denen zaten) konden de Teutonen in Nederland niet zomaar met een groot hakzwaard tekeergaan. De Lage Landen waren (relatief) beschaafd en een openlijke kruistocht was niet aan de orde. Wilden de Duitsers hier voet aan de grond krijgen, dan moest er op kou- senvoeten worden rondgeslopen. Het was een kruistocht van intri- ges, gesjoemel en omslachtige manipulaties; een intrige die de Ne- derlandse machthebbers als pionnen tegen elkaar uitspeelt. De volgende pion diende zich aan in de persoon van hertog Jan I. Zijn vader en grootvader hadden de machtspolitiek van hun voorganger onverminderd voortgezet. Het aantal Brabantse steden in het noorden was fors gestegen, en steeds meer land kwam toe aan de hertogen, totdat zelfs Tiel, de belangrijke stad aan de Waal, in Brabantse handen was gevallen. Maar het verzet tegen de agres- sieve Brabantse politiek groeide. Tegen de tijd dat hertog Hendrik III in 1261 overleed en er geen meerderjarige kandidaten voorhan- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
den waren in het geslacht van Leuven, zag graaf Otto II van Gelre
(in alliantie met de bisschop van Luik) zijn kans schoon. De recht- matige troonopvolger was nog niet meerderjarig, dus stelden de twee mannen alles in het werk om kandidaat voor het hertogschap te worden. Maar dat feest ging niet door: de plaatsvervangende regenten adviseerden de keizer van het Heilige Roomse Rijk tegen deelname van Gelre en de Luikse bisschop. Het was een uitge- maakte zaak: de heerschappij zou in handen blijven van de Leu- vense familie en in de tussentijd: ‘...hebben de Staten in Cortenberg onder luide bijval besloten, dat gij, Vrouwe, als hertoginne van Neder-Lotharingen en Brabant, tot aan de meerderjarigheid van den gerechtigde troonopvolger het land zult regeren.’ In de tussenliggende tijd werd de moeder van Jan dus aangewe- zen als ‘interim-manager’. In de jaren die volgden werd Jan klaar- gestoomd voor zijn toekomstige rol als hertog: hij leerde paard- rijden en alle finesses van het lanssteekspel; en hij kreeg de beste leraren die een jonge prins zich maar kon wensen. Ook sloot hij vriendschap met Jan van Heelu, een jonge edelman uit de omge- ving die hem van kindsbeen af terzijde stond. Samen reden ze mij- lenver te paard, smeedden plannen, dronken grote hoeveelheden bier en waren bedreven beoefenaars van de zwaardkunst. Intussen viel het dagelijks bestuur de hertogin niet makkelijk. Gelre aasde voortdurend op de Brabantse troon en de Limburgse struikrovers bleven een belasting voor de handel. Daar kwam nog bij dat de bisschop van Luik zich aansloot bij de vijanden van Brabant en alles in het werk stelde om de arme hertogin een hak te zetten. Maar op 29 juni 1267 was het dan eindelijk zover: Jan, juist meer- derjarig, werd in Leuven gekroond tot hertog. Aan zijn rechterzijde stond zijn vriend Jan van Heelu, die gedurende zijn gehele leven zijn meest invloedrijke adviseur zou zijn. Eenmaal gekroond wachtte hem een zware taak: de graaf van Gel- re en de bisschop van Luik hadden niet stilgezeten en plunderden met regelmaat de belangrijke handelssteden aan de Wereldweg van Keulen tot Brugge. De leeuw van Brabant brulde om wraak. Niet voor niets dat de tekst bovenop het wapen van de hertog luidde: Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Ziet den aanvoerder van de Brabantse heirban, genaamd de leeuw
en der wapenen God. Een van de eerste doorbraken die Jan als hertog forceerde betrof de versterking van de belangrijke buitenpost en Hanzestad Tiel, die al enige tijd onder het gezag van de Brabanders was gesteld. Dr. P.C. Boeren, schrijver van het spannende boek Een Nederlandse wacht aan de Rijn, zegt hierover: ‘De Brabantse landen beneden de Rijn zijn met elkaar verbonden door de smalle corridor van Tiel, de befaamde handelsstad: een kostbaar bezit, maar zeer precair vanwege de Gelderse buurmanschap.’ Jan liet zijn ridders openlijk aanrukken en zorgde ervoor dat een groot deel van de internationale handel deze havenstad zou aan- doen. Deze Brabantse ridders werden snel vergezeld door ridders van de Duitse Orde, die er een commanderij stichtten. Hoewel er geen sprake was van een open oorlog met Gelre, kan men zeker spreken van een koude oorlog, waarbij beide partijen elkaar ner- veus in de gaten hielden. Aanvankelijk voelde Jan zich ongemakke- lijk in zijn rol als hertog. Hij was net zestien geworden en er werd een hoop van hem verlangd. Bovendien was de veelbelovende jonge hertog nog een groentje op militair gebied. Hij was nooit op kruistocht gegaan, in tegenstelling tot veel van zijn voorgangers, zodat hij door de landgraven niet echt serieus werd genomen. Tot overmaat van ramp moest hij het nu ook een tijdlang stellen zonder de aanwezigheid van zijn hartskameraad Jan van Heelu. Van Heelu was namelijk in opleiding gegaan bij de ridders van de oos- terburen. Inderdaad, de grote vriend en raadgever van hertog Jan was een lid van de Duitse Orde.
In het levensverhaal van hertog Jan is de Duitse Orde als een scha- duw aanwezig. Bijna terloops en zonder enige uitleg duiken de Germanen op als een vrijwel onzichtbaar contingent dat steeds lijkt te profiteren van de successen van de hertog. Het lijkt daarbij alsof de Duitse Orde zich in zijn voetspoor bevindt, maar dat beeld is misleidend. De hertog was geen gok, maar een investering. Het pad dat Jan I van Brabant bewandelde was stap voor stap door de Teutonen uitgestippeld.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De hertog was de zoveelste marionet in het Teutoonse poppenspel.
Gebruikmakend van hun vriendschappen met eerdere hertogen rekruteerden zij Jan al vanaf zijn jeugdjaren, waarschijnlijk zonder dat hij het zich realiseerde. Allereerst werd Jan kruisvaarder. Om zijn naam te vestigen als volwaardige ridder en ervaring op te doen in de krijg, besloot Jan in 1276 op kruistocht te gaan. Doordat de kruistochten in het Heilige Land keer op keer op jammerlijke mis- lukkingen waren uitgedraaid, was het christenzwaard ditmaal ge- richt tegen de Moren in Spanje: de oude vijanden van de Hanze. De Heilige Strijd had zich verplaatst, maar werd nog altijd met de ge- bruikelijke wreedheid gevoerd. Dit strookte geheel met de doelstel- ling van de Hanze e´n de Duitse Orde: zij wilden de handel door- trekken naar zuidelijk Europa om zodoende hun invloed uit te breiden tot ver in het Middellandse-Zeegebied. Al een jaar na zijn aankomst in Spanje hield Jan het weer voor gezien. Hij had net lang genoeg aan de kruistocht meegedaan om tot ridder te worden geslagen, en daar was het hem uiteindelijk om te doen geweest. Bovendien was er thuis genoeg werk aan de winkel: de moeilijk- heden die Brabant ondervond met Gelre waren niet verdwenen, de Wereldweg werd nog altijd geteisterd door de adellijke roofridders van Limburg en ander gespuis. Brabant besefte hoeveel lucratieve handel zij hierdoor misliep. Dr. Boeren trekt een vergelijking met het symbool van Brabant: ‘De warande van Brabants leeuw is ge- tralied aan de Oostzijde, vanwaar zij het zonnelicht ontvangt. Ach- ter deze tralies loopt het dappere dier brullend op en neer om uit te breken naar de Rijn, zijn natuurlijke drinkplaats.’ Voordat Jan echter ook maar iets tegen de Gelderse graven kon uitrichten moest hij eerst de veiligheid van de Wereldweg aanpak- ken. Er waren talloze lieden die de handel over deze economische slagader blokkeerden, varie¨rend van ordinaire struikrovers en huursoldaten tot rijke Limburgse adel. Maar de grootste snood- aard van hen allemaal was de bisschop van Luik, broer van de Gelderse hertog. Hoewel paus Gregorius X de bisschop in een bul van afzetting uit de pauselijke bescherming geplaatst had, leek zelfs dat de bisschop niet te deren. Hij bleef zitten waar hij zat en bleef zich onophoudelijk schuldig maken aan plunderpraktijken. Na Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
diens dood in 1284 besloot hertog Jan de macht in Luik aan het