24/09/2007 Pg.
nadrukkelijk gebruik van de met de stad geassocieerde zwanenmy-
then. Om een reden die we nog niet begrepen werd de zwaan een cruciaal aspect van de hele onderneming. Waarschijnlijk grepen de Teutonen hier andermaal terug op hun eigen overlevering, en op de Germaanse mythologie ter plaatse.
De missie
Kleef speelt, zo lijkt het dus, op twee punten een belangrijke rol: ten eerste als geografische en economische doorgangsroute naar de Lage Landen en de Noordzee (de ‘Poort van Kleef’). Ten tweede als een symbolische doorgang. De bij de Germanen heilige rivier de Rijn heeft hierin een aanzienlijk aandeel. Wanneer de pactleden van Woeringen rond 1309 belast worden met het vervoer van een belangrijke kostbaarheid uit Marie¨nburg gaat er dan ook een sterke symbolische geladenheid van uit. De missie, die via de Kleefse gebieden over de waterwegen naar Neder- land gaat, heeft veel weg van de heropvoering van een mythe. Hier wordt niet zomaar iets vervoerd. De omslachtige weg over de ri- vieren is niet toevallig, er wordt bewust gerefereerd aan oude zwaanriddersagen. Waarom? Heeft het te maken met de oude af- spraken tussen de hertogen en de Teutonen; werd het verbond uit de tijd van Hendrik de Kruisvaarder herdacht? Gaat het om het Pact van Woeringen, dat de Duitse Orde middels Kleef in contact had gebracht met de Brabantse machthebbers? Of heeft het te ma- ken met de lading die werd versleept, dus met de schat zelf? Mis- schien zegt het feit dat de reis naar de Nederlanden doelbewust in verband wordt gebracht met Lohengrinverhalen ons dat het een sacrale, dus heilige schat is. Een onbekend voorwerp dat alleen op ritualistische wijze versleept kan worden. Een vreemde delegatie beweegt zich door het Kleefse, belast met een onbekende missie. Waarheen gaat de reis? Waarheen anders dan de stad van de hertog, het bolwerk dat aan Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de leden van het Pact asiel had verleend? Het kan niet anders of de
‘Zwijnen’ van Woeringen zoeken hun thuisbasis op. Jan van der Eerden associeert de eerste zwaanridders met steden- bouwers en ziet de Lohengrinsage als volgt: ‘Uit het optreden van de zwanenridders in het kader van hun opdracht de stichting van nieuwe steden te stimuleren zou later de sage zijn ontstaan van Lohengrin, die wel wordt gezien als de personificatie van zowel Turketul alsook de zwanenridders na hem.’48 Zwaanridder Turke- tul werd, zo zagen we, in verband gebracht met de Duitse keizer Hendrik I. In zijn werk toont Van der Eerden aan dat Lohengrin (als belichaming van stedenstichter) nadrukkelijk geassocieerd werd met de nieuwe stad Den Bosch.
Den Bosch als eindpunt van de legendarische Zwaanridder. Was de Duitse Lohengrinsage feitelijk een symbolische hervertelling van deze geheime missie naar Brabant?
Laten we voorlopig de hypothese aannemen dat de schat na het uitroeien van de tempelridders in het geniep werd overgebracht naar Duitsland; ongetwijfeld naar Marie¨nburg, de nieuwe hoofd- zetel van de Duitse Orde. Daar werd hij bewaard totdat de Balti- sche kruistocht kort daarop een duistere wending nam en de orde onder pauselijke curatele kwam te staan. Toen werd besloten dat de erfenis van de tempeliers moest worden verborgen, het liefst zo ver mogelijk weg. De schat werd vervolgens naar het westen ge- voerd, weg van het front. Hij werd van zetel naar zetel gebracht, Berlijn, Keulen, Bremen, steeds in het diepste geheim, totdat ont- wikkelingen ertoe noopten een meer permanente bergplaats te vin- den. De betrokkenheid van de Brabantse hertog en zijn bevriende edelen leidde ertoe dat de relatief nieuwe en sterk beveiligde vesting ’s-Hertogenbosch in aanmerking kwam als verstopplaats. Daar zal hij, zoals we nog zullen zien, onder de hoede komen van een spe- ciaal daarvoor opgericht genootschap. Bovendien was de omge- ving van de stad al het decor van een belangrijke gemeenschap van de Duitse Orde. Zo werd besloten de schat te verbergen in een verre, onbekende buitenpost van de ordestaat; een onopval- lende nederzetting in het westen, in een plaatsje van bijzondere betekenis voor de Teutonen, een plek die bovendien onder bescher- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
ming van de hertogen stond, ver weg van alle strijdperikelen. Niet
naar de Duitse ridders in Gemert, die in deze tijd nog wel eens te kampen hadden met de herenboeren die hen het bezit betwistten, maar naar het al opgerichte Duitse Huis bij Den Bosch. Het plaatselijke commandeurshuis, misschien wel voor dit soort situaties in het leven geroepen, werd belast met het bewaken van de belangrijke schatten uit het Heilige Land. Het werd daarmee de nieuwe Tempelberg, de burcht van Zion, oftewel: Zionsburg. Is het dorp Vught, dat de daaropvolgende eeuwen de aandacht zal trekken van veroveraars, koningshuizen en schatzoekers, dat tot ver in de zeventiende eeuw bekend zal staan als de ‘kluis van Vught’ dus de ware verblijfplaats van de tempeliersschat? Het is mogelijk, zoals we eerder hebben gezien, dat Vught vanaf het jaar 1200 al een prominente rol speelde in de intrige, maar zeker is dit niet. Veeleer springt het jaartal 1300 in het oog. Wel- licht werd het commandeurshuis al in 1200 opgericht, maar over de eerste 100 jaar is niets bekend. De positie van het Huis nam pas vanaf de beginjaren van de veertiende eeuw in waarde toe. Vanaf deze tijd werd het plotseling door grote namen geprotegeerd. Van- af 1300, toen plaatselijke regenten geld roken in de opeens wel- varende commanderij, werd er van hogerhand ingegrepen. Deze situatie duurde honderden jaren voort. Nog in 1608, toen de plaat- selijke fiscus belastingen van de Duitse Orde wilde innen, ver- scheen daar plotseling een bevelschrift van aartshertogen Albrecht en Isabella aan de eerste deurwaarder, de Raad van Brabant, om aan de regenten van Vught kenbaar te maken, dat zij hun aanslag in bede van de pachter commandeur van Vught ongedaan dienden te maken, aangezien goederen van de Duitse Orde krachtens privi- lege waren vrijgesteld van alle beden en contributie¨n. Met enige ironie doet dit denken aan de FIOD die eeuwen later bij de Marggraffs voor de deur staat, met even weinig resultaat. Marggraff zelf merkte gnuivend op: ‘Meer dan twintig mensen stonden aan mijn deur in Vught. En ik moet zeggen: zelden zo’n schorem op mijn terrein gezien.’ Waarschijnlijk zonder het te ver- moeden zette hij daarmee een traditie voort die rond het jaar was begonnen.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Maar waarom per se Vught? En waarom het relatief kwetsbare
commandeurshuis?
Hier schoot ons de oude cultusplaats weer te binnen. Kan het zijn dat de plek bij de Duitsers, wellicht in oeroude Germaanse tijden, al bekend was? Ging het er niet zozeer om dat de schat in een vesting bewaakt werd, maar op een symbolisch belangrijke plek? Maar er was tot nu toe sprake van een Keltisch heiligdom, niet van een Germaans heiligdom. Het werd tijd om hier nog eens goed naar te kijken.
De Machutusverering
Tolheffing was niet de enige manier om aan geld te komen. Vught was in de Middeleeuwen een belangrijke bedevaartplaats voor Ma- chutusverering. Machutus (ook bekend als Malo, Maclou of Ma- clovius) was een heilige die op verschillende plekken in Europa werd vereerd. Men vermoedt dat hij rond het jaar 520 in Wales geboren werd en met de Heilige Brandaan de oversteek naar Frankrijk maakte. De legende gaat dat de monniken op zoek waren naar het Eiland van de Gezegenden, maar in plaats daarvan strand- den ze in Frankrijk. Daar stichtte Machutus een naar hem ge- noemde stad: Saint-Malo.
In 1410 werd in Vught een aan Machutus gewijde kluis gesticht op het kerkhof bij de eerste Sint Pieterskerk op het Maurickplein. Zowel de kerk als het kerkhof zijn allang verdwenen en de Machu- tuskluis ligt vermoedelijk begraven onder de A2. De Kluis werd te allen tijde beheerd door kluizenaressen. Vught was, zo schrijft Van Dijck, ‘het belangrijkste centrum voor het kluizenaarschap in de huidige provincie Brabant.’
Bedevaartgangers bezochten Machutus ter genezing van rachi- tis, ook wel Engelse ziekte genoemd. Deze ziekte ontstaat door een tekort aan vitamine D en calcium en komt vooral voor bij kinde- ren. In de achttiende en negentiende eeuw kwam de ziekte veel- vuldig voor in Londen en andere Engelse steden, vandaar de naam. De aandoening werd ook wel de Ziekte van Sint Machuut Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
genoemd. Een tekort aan vitamine D tast de botten aan en veroor-
zaakt op den duur kreupelheid. De eerste berichten over Machu- tusbedevaarten naar Vught stammen uit het begin van de zeven- tiende eeuw. De plotselinge toeloop van pelgrims had met devotie weinig te maken. Het ging in eerste instantie om een restauratie van de strooien St. Pieterskerk: in een verzoekschrift aan de bisschop van ’s-Hertogenbosch vroegen de Vughtse parochianen hulp bij het herstel van de kerk die door brand en storm ernstig beschadigd was. Het bisdom stelde voor de al bestaande Machutuskluis gron- dig te exploiteren en zo voldoende geld in te zamelen. Den Bosch had op dit punt al grote successen geboekt, te oordelen naar de scharen pelgrims die de stad in de voorbije eeuwen veelvuldig had- den aangedaan. Het lukte. De kluis, die sinds mensenheugenis door twee kluizenaressen beheerd werd, groeide uit tot een befaamde pelgrimsplaats en na verloop van tijd werd de onderneming zo profijtelijk dat het de spuigaten uit begon te lopen. In feite ver- schilde de Machutusverering niet veel van de offeranden bij Empel, waar grote hoeveelheden gouden en zilveren munten zijn opgegra- ven. Op beide plaatsen werden de goden door betaling gunstig ge- stemd. Nadat verschillende mensen de gang van zaken in Vught bekritiseerd hadden, stelde het bisdom, dat zijn handen in on- schuld waste, een onderzoek in. De zaakgelastigde rapporteur no- teerde in zijn verslag dat de offeranden (= de prijs die bezorgde ouders voor geleverde diensten moesten betalen) in dezelfde doos werden gedeponeerd als waarin zich de relieken van de Heilige Machutus bevonden. Dit cynisme, dat van de reliekschrijn een kasregister maakte, ging zelfs de Bossche clerus te ver. De Machu- tusverering in Vught werd onder bisschoppelijke curatele ge- plaatst. Niet dat de opgelegde maatregelen veel resultaat boekten; zelfs na de inname van Den Bosch door de Gereformeerden bleven de bedevaarten naar Vught plaatsvinden. Ofschoon de protestan- ten herhaaldelijk pogingen ondernamen de cultus te verbieden duurde het nog vijftig jaar voordat de aan de verering verbonden huisjes in beslag werden genomen. Zelfs daarna bleek de Machu- tuscultus niet uit te roeien. De onderneming verplaatste zich naar schuurkerken in de omgeving en bleef tot in de achttiende eeuw Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
vrolijk bestaan. Verschillende pastoors behoedden de heilige voor
de ondergang. In 1707 is er nog sprake van een kapel waar de bedevaartgangers op Goede Vrijdag, of twee of drie vrijdagen in mei, omheen kropen.
De pastoor van de Petruskerk, ene Lips, probeerde de Machutus- dienst in de negentiende eeuw in ere te herstellen. Hij liet de relie- ken door de bisschop authentiek verklaren (hoe weten we niet) en breidde bovendien de reikwijdte van de heilige uit. Voortaan genas Machutus ook zenuwzieken en konden de landbouwers eveneens op zijn voorspraak rekenen. Machutus bleek wonderwel in staat de oogst te behoeden en het vee van ziekten te vrijwaren. Met al die agrarie¨rs in de omgeving was dat natuurlijk niet slecht bedacht. De successen van Lips waren betrekkelijk: in het begin van de twin- tigste eeuw bloedde de cultus dood. De heilige had namelijk nog een talent, een waarop Lips niet had gerekend: hij genas kinderen die in bed plasten. En met die beddenpisser, zoals men hem ook wel noemde, wilden de deftig geworden Vughtenaren liever niet geas- socieerd worden.
Opmerkelijk is dat de met de Vughtse Machutusverering geassoci- eerde dagen, Goede Vrijdag en de dagen in mei, helemaal niets met Machutus te maken hebben: de heilige viert zijn dag op 15 novem- ber. Pas in de negentiende eeuw ging iemand zich in de eigenlijke Machutus verdiepen en ging de feestdag een rol van betekenis spe- len.
Zou het kunnen dat met de heilige Machutus in feite de heidense Magusanus werd bedoeld? We hebben gezien dat de Romeinen hun goden vaak gelijkschakelden aan plaatselijke Keltische en Ger- maanse goden. Dit om de culturele annexatie van vreemde volke- ren te vergemakkelijken. De eerste christenen deden precies het- zelfde. Er zijn talloze voorbeelden bekend van christelijke gebou- wen die op eerdere heilige plaatsen werden gebouwd. Het Vaticaan zelf is gebouwd op een tempel die oorspronkelijk aan de Perzische god Mithras was gewijd. De geboortedag van Mithras, 25 decem- ber, was in vroeger tijden de kortste dag van het jaar, maar dus ook de dag waarop de dagen weer langer werden. Deze dag werd der- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
halve gezien als de terugkeer van de zon, met andere woorden: de
geboorte van het licht. Vandaar dat de geboorte van de lichtgod Mithras op deze dag werd geplaatst. De verering van Mithras was waarschijnlijk de meest succesvolle uit de geschiedenis: de religie, die het 3000 jaar heeft volgehouden, was zo wijdverspreid dat de vroege christenen er een harde dobber aan hadden om de komst van de nieuwe god en zijn zoon Christus te verkondigen. De chris- tenen gingen er daarom toe over de oude riten en gebruiken te adopteren. De geboorte van Jezus werd daarop op 25 december geplaatst in een poging Mithras van de troon te stoten. Op dezelfde wijze werd Jezus’ wederopstanding in verband ge- bracht met de komst van de lente. Pasen was in heel Europa en het Midden-Oosten een belangrijke religieuze gebeurtenis. De natuur leefde na de doodse winter opnieuw op. De Grieken en Romeinen kenden Demeter en Persephone, godinnen van de vruchtbaarheid en de wedergeboorte. De Germanen hadden ook een vruchtbaar- heidsgodin, Ostara genaamd. Hiervan is het Duitse woord voor Pasen afgeleid: Oster, en ook het Engelse woord Easter. Tot de parafernalia van de godin Ostara behoorden onder andere het ei (universeel symbool voor de wedergeboorte) en de haas. Zo komen wij aan de Paashaas, die eieren in de tuin verstopt. Dit verschijnsel heet transvaluatie. Het maakte het mogelijk dat er op plaatsen die met Keltische cultusplekken werden geassocieerd (zoals Orthen, Engelen en Empel rond Den Bosch) al rond het jaar 800 kerken verschenen, dus lang voordat de stad Den Bosch ge- sticht werd. We weten dat de oorspronkelijke Lambertuskerk in Vught ook rond deze tijd werd opgericht; op een dergelijke cultus- plek wellicht?
Is het mogelijk dat het Maurickplein in Vught, ooit geassocieerd met een Keltische, dan wel Germaanse cultusplaats gewijd aan een godheid, later geromaniseerd tot Hercules Magusanus, door de eerste christenen is geadopteerd? Op de fundamenten van deze aan Magusanus of Magusus gewijde cultusplek werd (naast een kerkje) een aan Machutus gewijde kapel gesticht, later gee¨xploi- teerd als bedevaartplaats voor vrome pelgrims. De bedevaartgan- gers die vanaf het begin van de jaartelling Magusanus vereerden, Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
gingen van lieverlee Machutus vereren, een nogal arbitraire Bre-
tonse heilige. De geschiedenis van Machutus, teruggevoerd op het Keltische Wales, doet in een aantal opzichten denken aan verhalen uit de Keltische mythen. Te denken valt aan de pogingen van Ma- chuut en zijn vrienden om het Eiland der Gezegenden te vinden: een nadrukkelijk Keltisch motief. Het heeft er alle schijn van dat de Machutuslegende (misschien op zichzelf al een verkapte Keltische legende) er door de eerste evangelisten is bijgesleept om van de Vughtse cultusplek een christelijke bedevaartplaats te maken. (‘De god die jullie Magusanus noemen, noemen wij Machutus’, enzovoort). Het bewuste eiland, wellicht de motte bij Maurick, was dan oorspronkelijk een plaatselijk Avalon, een Eiland der Ge- zegenden. Dit klinkt gewaagd, maar dat is het niet. Nomadische Indo-Europese volkeren, waaronder de Kelten en de Germanen, namen hun mythologie met zich mee en pasten die toe op geogra- fische kenmerken ter plaatse. Een verhoging in het moeras, mis- schien in de loop der tijd door mensenhanden opgehoopt, werd dan het nieuwe Avalon. Eenzelfde kunstmatige ophoging in het moeras vinden we in het Engelse Glastonbury, dat tot op heden met Avalon geassocieerd wordt. Ook op deze heuvel is in christe- lijke tijden een kerkgebouw neergezet.
De etymologie van de naam Magusanus is waarschijnlijk terug te voeren op een Latijns woord dat ‘de rijke’ of ‘de vermogende’ betekent. Het betreft hier dus een naam die pas later door Romei- nen is toegekend aan een oudere (Keltische?) godheid. Een tweede mogelijkheid is echter dat het woord afkomstig is van een samen- stelling van magus en senos.49 Beide woorden komen zowel voor in het Keltisch als in het Germaans. De betekenis van het woord magus, dat in verschillende uitingsvormen voorkomt in het Iers, Bretons, Cornish en Welsh, is ‘jong’ of ‘jongeling’. In het Ger- maans, met vergelijkbare vormen in het Gotisch, Angelsaksisch en Oudnoors, heeft het dezelfde betekenis. Het woord senos vinden we in het Latijn als senex (‘oud’, denk aan ‘senior’ of ‘seniel’) maar eveneens in het Germaans en Keltisch. Ook hier betekent het ‘oud’. Magusanus kan in deze zin wel vertaald worden als ‘de levens- krachtige oudere’ of juist omgekeerd: ‘de jongeling met de levens- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
ervaring van een oudere man’. Uit de zesde eeuw is een Welshe
inscriptie bekend waarop de naam als persoonsnaam voorkomt: Mavohe[ni]. Het Welsh is een zeer oude Keltische taal en de tekst uit de zesde eeuw bewijst dat de naam al heel lang als persoons- naam circuleert. De naam wordt in Engelse commentaren vertaald als ‘Old lad’. Deze link met Wales is gezien de Welshe afkomst van Machutus natuurlijk interessant. Ook de overstap van Machutus naar Bretagne kan duiden op een linguı¨stisch-geografische verbas- tering.
Het feit dat de Machutusverering in Vught vooral plaatsvond op Goede Vrijdag en bepaalde dagen in mei is dan als volgt te verkla- ren: op genoemde dagen werden door de plaatselijke bewoners vruchtbaarheidsriten gehouden, riten die met de lente en de weder- geboorte te maken hadden. In pogingen de bewoners te bekeren werd de lokale godheid gelijkgeschakeld aan de Welshe Machutus. Dat zijn feestdag eigenlijk 15 november was, werd als een bijzaak beschouwd.
De Bataven
De stap van een Keltisch heiligdom naar een Germaans heiligdom is niet zomaar gemaakt. Kelten zijn geen Germanen. Hoewel er sprake was van een intensieve culturele uitwisseling zijn het toch echt twee verschillende volkeren. De Germanen woonden ruwweg boven de Rijn, in het noorden van Europa. Maar de heiligdommen rond Den Bosch, zoals de Tempel van Empel, leveren een probleem op. Zoals gezegd doen grote muntvondsten het vermoeden rijzen dat het hier ab origine Keltische nederzettingen betreft, waarschijn- lijk in de open lucht gecultiveerd door de Eburonen. Maar de god Hercules Magusanus was geen Keltische, maar een Germaanse god. Werd er dus een Germaanse god vereerd in een Keltisch heilig- dom? Dat lijkt niet waarschijnlijk.
Aannemelijker is dat het hier gaat om een opeenvolging van culturen. De oudste gebruikers van de cultusplaats waren vermoe- delijk Kelten. Zij hebben hun gebruiksvoorwerpen en hun munt- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
geld achterlaten. Wellicht zijn het ook de stichters van het heilig-
dom geweest, al valt dit niet met zekerheid te zeggen omdat de Kelten geen religieuze gebouwen oprichtten, maar hun goden in de open lucht aanbeden. Dit deden de Germanen trouwens ook. Ze kozen voor hun godsdienst speciale plekken onder de blote hemel, zoals open plekken in het woud, waterbronnen en natuur- lijke verhogingen als heuvels en terpen. Het waren de Romeinen die de eerste tempels bouwden, al deden ze dit vaak op plaatsen die door de veroverde volkeren al als heilig waren aangewezen. In Empel en in Vught zien we op dezelfde plaats zowel Romeinse funderingen als Keltische gebruiksvoorwerpen. In het geval van de laatste twee is het echter een beetje anders gegaan. Het waren waarschijnlijk niet de Romeinen die de Tempel van Empel ge- bouwd hebben, maar de Bataven.
Wie waren de Bataven?
De Bataven of Batavieren behoorden aan het begin van de jaar- telling tot de vroegste bewoners van Nederland. Julius Caesar be- schrijft ze in zijn De Bello Gallico (‘Over de Gallische Oorlog’) als een stam die woont op een eiland waar de Maas en de Waal samen- komen. De locatie van dit eiland is onbekend. Er is wel eens ge- dacht aan het Gelderse Rossum als vroegste bewoning, daar hier veel munten zijn opgegraven die lijken op die in het gebied van de aan de Bataven verwante Chatten.50 Geschiedschrijver Tacitus zegt dat de Bataven de moedigste stam in het gebied waren. Omdat ze de Rijndelta in Nederland bevolkten, zijn Nederlanders wel ge- neigd de Batavieren als hun voorouders te zien. Niet voor niets noemden we onze hoofdstad in Nederlands-Indie¨ Batavia, en toen Holland in 1795 in een revolutionaire crisis terechtkwam heette het land de Bataafse Republiek. Net als de Kelten vereerden de Bataven hun goden in de open lucht, in bossen of bij rivieren. Toen ze in 12 voor Christus door de Romeinen onderworpen wer- den, veranderden ze in bondgenoten van het Romeinse Rijk. Ze werden vrijgesteld van belastingen en dienden vaak als elitetroepen in het Romeinse leger. In die hoedanigheid streden ze vaak te´gen Keltische en Germaanse volkeren als de Marsen en Cherusken. Het bestaan van de Bataven in de geschiedschrijving hebben we Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
vooral (of eigenlijk uitsluitend) te danken aan de Romeinse histo-
ricus Publius Cornelius Tacitus, die rond het jaar 100 na Christus de Bataafse Opstand te boek stelde. Zo’n 40 jaar eerder, in het jaar 69, voerde het stamhoofd van de Bataven, Julius Civilis genaamd, zijn volk aan tegen de Romeinen. De Bataafse Opstand is wel eens gelauwerd als de eerste Nederlandse vrijheidsstrijd. Hij zou, net als de 80-jarige oorlog en de strijd van de Patriotten voortkomen uit de wens om een onafhankelijk volk te zijn. Dit is een vertekend beeld. De Bataven maakten ten tijde van de opstand immers al zo’n 100 jaar deel uit van het Romeinse Rijk. De naam Julius Civilis is zo Romeins als het maar kan. In feite is het een titel: de familienaam Julius wijst op een burgerrechtverlening door een kei- zer uit het Julische Huis, en Civilis lijkt erop te wijzen dat de Ro- meinen hem als een beschaafde, brave burger beschouwden.51 Ta- citus schrijft dat hij intelligenter was dan je van een barbaar mocht verwachten. De opstand onder Julius Civilis kwam dan ook veeleer voort uit politieke ontwikkelingen in Rome. De troonopvolging confronteerde Civilis met de grilligheid van verschillende keizers, die hem beurtelings beloonden en veroordeelden. Toen Vitellius de keizerstroon besteeg verslechterde de verstandhouding snel. Vitel- lius had geen boodschap aan de vriendelijke bejegening van de Bataven door zijn voorgangers: hij ronselde onder dwang soldaten, zelfs kinderen en ouden van dagen, en stond oogluikend toe dat zijn rekruteringsofficiers zich misdroegen. Dit bleef uiteraard niet zonder gevolgen.
Civilis belegde een nachtelijke spoedvergadering in wat Tacitus een sacrum nemus noemt: een heilig woud. In het Nederlands ver- basterden de woorden tot Schakerbos of Schakenbos, en werd daarmee ten onechte geassocieerd met de Hollandse heerlijkheid Schakenbos bij Voorburg (de naam ‘Voorburg’ komt verderop nog wel terug, zoals we zullen zien). Veel waarschijnlijker is dat het bos zich in het land van Maas en Waal bevond: in Gelderland of Brabant. In elk geval betoogde Civilis tijdens het inderhaast georganiseerde bacchanaal dat het tijd was geworden tegen de Romeinen in het verweer te komen. Met de Romeinen bedoelde hij evenwel keizer Vitellius, en niet de Romeinen in het algemeen. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Het kwam erop neer dat de Bataven zich aansloten bij de factie van
Vespasianus, de troonpretendent. Voorlopig althans. Mogelijk hielden de Bataven er een meer ambitieuze agenda op na, waarin zij zich op een later tijdstip helemaal van Rome zouden losmaken. Toen de troonsopvolging beslecht werd konden de oproerlingen het excuus niet meer volhouden en keerden zij zich openlijk tegen de Romeinen. De Bataven wisten zich een tijdlang goed staande te houden in Nederland: met name omdat ze het belang van de water- wegen (de Rijn) inzagen en deze hardnekkig in hun beheer hielden. Pas bij het bolwerk van de Germaanse Treveri (Trier) werden de opstandelingen tot staan gedwongen. Kort daarna werd er een vermeend vredesverdrag gesloten, vermeend omdat het relaas van Tacitus opeens (midden in een zin) ophoudt als de twee legeraan- voerders op een opgebroken brug over een niet nader geı¨dentifi- ceerd riviertje in de Betuwe op het punt staan te onderhandelen. Vught als Germaanse cultusplaats
In deze tijd van verzoening tussen de Bataven en de Romeinen deed een nieuwe term zijn intrede: de Oppidum Batavorum. Hiermee werd geen Bataafse nederzetting bedoeld, maar een bestuurlijk centrum in het gebied van Maas en Waal dat door Romeinen be- stierd werd. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om Bataafs-Ro- meinse handelsnederzettingen. Hieruit valt af te leiden dat de Ba- taven zich hadden laten romaniseren. Het idee bij de Tempel van Empel, en mogelijk ook in soortgelijke nederzettingen in de streek, is dat het een geromaniseerde tempel is: een heiligdom gebouwd door inheemse Bataven in Romeinse stijl. Het bouwwerk bevat dus zowel Romeinse als Bataafse kenmerken.
Maar de Bataven, tekenen we hier nogmaals aan, waren ge´e´n Kelten. Hoewel er historici zijn die dit betwisten, waren de Bataven vermoedelijk een West-Germaanse stam die is terug te voeren op de Chatten. De Chatten leefden in Duitsland en duiken in de geschie- denis vaak op als een berucht Germaans volk dat zich in het Rijn- gebied ophield. De Bataven zouden een fractie zijn die na een con- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
flict van de Chatten waren afgesplitst. Deze theorie, dat de Bataven
dus Germanen en geen Kelten waren, sluit aan bij het feit dat zij rond Den Bosch een Germaanse godheid vereerden. Mogelijk kun- nen we stellen dat de heiligdommen van oudsher in gebruik waren van Keltische stammen, en dat deze door de Bataven verdrongen zijn. De Bataven gingen ertoe over de oeroude cultusplekken als de hunne te adopteren en hier de verering voort te zetten, zij het onder auspicie¨n van hun eigen, aanverwante goden. Welke goden de Kelten daar vereerden weten we niet. Maar bij de Bataven zal het denkelijk Donar (Thor), de oorlogsgod van de Germanen, zijn geweest. Donar was de zoon van oppergod Wo- dan. Hij werd geassocieerd met de lucht, de donder, de vruchtbaar- heid en de wet. Donderdag (Donar-dag of Thursday, Thor’s Day) is naar hem genoemd. Hij ging doorgaans gekleed in een gordel van kracht, zijn belangrijkste attribuut was een hamer. Vaak wordt hij gezien als de ordebrenger, die de chaos verslaat. Vanwege zijn reputatie als mannetjesputter werd hij door de Romeinen gelijkge- steld met Hercules.
Het centrum van zijn cultus lag hoogstwaarschijnlijk in Nijme- gen, dat de Romeinen Noviomagus Batavodurum (Novio Magu- sanus?) noemden. Dat hij in Empel vereerd werd, leiden onderzoe- kers af uit het feit dat er een inscriptie gevonden werd, neergepend door een Bataafse legionair, Julius Genialis. De inscriptie luidt: Voor Hercules Magusanus. Door Julius Genialis, veteraan van het Tiende Legioen, bijgenaamd het Dubbele, het Rechtvaardige en het Trouwe, is een gelofte gaarne, met genoegen en met reden ingelost. Het Tiende Legioen was het legioen dat de Bataafse Op- stand kwam onderdrukken. Ook werd er bij Empel een beeldje van Hercules Magusanus gevonden. De naam Magusanus, zo zagen we, komt waarschijnlijk uit het Latijn en betekent ‘de rijke’ of ‘de vermogende’. Zo kwamen de Romeinen, toen ze de Bataafse Do- nar wilden classificeren, op Hercules Magusanus. Joost van den Vondel noemt hem de ‘Duitse Hercules’. De naam heeft in deze vorm (Hercules Magusanus) een groot verspreidingsgebied, niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland en Zwitserland tot aan Rome toe. Dit valt te verklaren door het eerder genoemde feit Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dat de Bataven vaak toetraden tot het Romeinse leger, dat hen over
heel Europa bracht. We hebben ook gezien dat de cultusplaatsen vaak het slachtoffer werden van christelijke missionarissen die de streek wilden kerstenen. Zo werd een heiligdom in Ruimel, aan Magusanus gewijd, door Willibrord vernield om er een kerk op te bouwen. En de cultusplaats in Elst in de Betuwe die net als Empel van behoorlijke omvang was, bevond zich onder de hervormde kerk.
Samenvattend kunnen we opperen dat er – in elk geval bij Empel – een cultusplek lag die eerst door de Kelten en vervolgens door de Germanen als belangrijk heiligdom werd gezien. Hans Teitler vraagt zich in De opstand der ‘Batavieren’ af of de Tempel van Empel niet gelijkgeschakeld kan worden met het door Tacitus ge- noemde Sacrum Nemus (‘heilig bos’). Met andere woorden: het heilige woud waar de Bataaf Julius Civilis opriep tot de opstand tegen de Romeinen. Toen de Bataven en Romeinen na de opstand weer tot elkaar kwamen, werd het heiligdom in de open lucht een stenen tempel met Romeinse invloeden. Ook Nico Roymans en Ton Derks speculeren hierover in een boek over Empel: ‘Tacitus noemt helaas niet de godheid die hier [in het Sacrum Nemus] werd vereerd, doch het feit dat er een stam- vergadering werd gehouden waar een oorlogsverklaring werd uit- gegeven, wijst op de oorlogsgod Hercules Magusanus. Over het uiterlijk van de cultusplaats weten we slechts dat bomen er een belangrijke plaats innamen. Verder kan er in die tijd (69 na Chr.) reeds een kleine tempel hebben gestaan, zoals te Elst is aangetoond. Naar de locatie van deze historische cultusplaats kunnen we slechts gissen. Nemen we echter aan dat het hier inderdaad gaat om een van de belangrijke inheemse Hercules-heiligdommen, dan behoort Empel (naast Elst) tot de potentie¨le kandidaten voor de plaats waar de Bataven in 69 hun bekende opstand tegen de Romeinen uitrie- pen.’53 In dezelfde publicatie zinspelen Willy Groenman-van Waa- teringe en Jan-Peter Pals op dezelfde mogelijkheid. Een onderzoek naar de vegetatie rondom het heiligdom verleidt de auteurs ertoe de aangetroffen bosvegetatie in verband te brengen met berichten van Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
klassieke schrijvers over de locatie van inheemse cultusplaatsen in
heilige wouden. Ze concluderen: ‘Op grond van pollenanalytische gegevens zou gesteld kunnen worden dat de bosvegetatie [in Em- pel] mede bepalend is geweest voor de beslissing juist op deze plek een heiligdom in te richten. De inheemse bevolking kan zelfs de eikenpopulatie (...) bewust hebben bevorderd door het verwijde- ren van andere houtsoorten. Volgens Tacitus vormden bossen bij de Germaanse bevolking de plaats bij uitstek voor de locatie van cultusplaatsen. Een concreet voorbeeld dat betrekking heeft op de Bataven is het Sacrum Nemus waarin de Bataafse leider Julius Civilis en zijn aanhang hun nachtelijke vergadering houden. In een andere passage, die verwijst naar een situatie in Noord-Duits- land, is sprake van een bos gewijd aan Hercules (Silvam Herculi).’ Is dit inderdaad het geval, dan betekent dit dat het bewuste heiligdom een veel grotere rol speelde dan tot nog toe werd aange- nomen. Het zou kunnen verklaren waarom de streek voor de latere Duitse Orde een plek van groot belang was. Mogelijk werd het beschouwd als een ankerplaats voor de Germanen, een plek waar- aan de latere Germanen hun identiteit ontleenden: de oergrond. Dat dit in Nederland lag, deed niet ter zake: de Bataven waren Germanen, en nog lang geen Nederlanders. Een heilig landschap
Wij vragen ons dus af of het centrum van de cultusplaats niet in Vught lag, op het Maurickplein waar Romeinse funderingen zijn opgedoken en waar later de Machutusverering plaatshad; of bij Maurick zelf, op het kunstmatige eiland waar de motte zich be- vond. Op deze plaatsen is nauwelijks archeologisch onderzoek ge- daan; zelfs de indrukwekkende partij schedels die in mei 1989 op het Maurickplein werd opgegraven, was een trouvaille: men was bezig met onderhoud aan de A2.54 Het is natuurlijk interessant om je af te vragen wat er op deze locaties nog allemaal in de grond kan zitten, maar aan het feit dat dit onderzoek nog niet gebeurd is ontlenen wij het recht er vrijelijk over te speculeren. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Als de cultusplek zich wel in Empel bevond, o´f als Jan van der
Eerden gelijk heeft en het heiligdom was Den Bosch zelf, dan nog kunnen we onszelf op het hoofd krabben. Dan lijkt deze concen- tratie van heilige plaatsen en klassieke vondsten in Vught, Gestel en omstreken te wijzen op een landschap dat als geheel een opvallend sacraal karakter had. Was misschien de hele streek rond Den Bosch een heilige plek?
Van der Eerden lijkt hier wel van overtuigd te zijn als hij schrijver Anton Verhagen citeert: ‘Juist deze delta van het stroomgebied van de rivieren Aa en de Dommel, die in hun eigen stroomgebied weer werden gevoed door talloze kleine rivieren en beken, hadden voor de prehistorische mens een grote betekenis, niet alleen qua voedsel vergaren, maar ook in relatie tot goden en mythen. Ze beschouw- den het ineenstromen van het rivierwater als de levensadem van hun voortbestaan.’ En verder: ‘Zo weten we dat op de ‘‘Romeins- Gallische’’ cultusplaats op ‘‘de Werf’ in Empel, niet alleen een tem- pel stond, maar enkele decennia daarvoor de toenmalige inheemse bevolking (...) deze donk als offerplaats gebruikte.’ Van der Eerden benadrukt het belang van de delta: ‘Dit was (...) de plek waar de twee rivieren Dommel en Aa samenvloeien tot de Dieze, die vier kilometer naar het noorden uitmondde in de Maas via een delta van een zevental kleine stroompjes, die werd gemarkeerd door de tempel van Magusanus en een ongewoon aantal Keltische neder- zettingen.’ Daar komt bij dat de naam ‘Dieze’ verondersteld wordt ‘heilige rivier’ te betekenen.55 Ook de Maas wordt, in samenspel met de Schelde en de Rijn, wel gezien als een belangrijke mythische rivier. Maakten Empel, Vught en Den Bosch deel uit van een cultus- plaats die veel groter en veelomvattender was dan we dachten? Is hier sprake van een soort geografisch tempelcomplex, een heilig landschap dat de hele streek omvat?
Dit plaatst het geheel in een ander daglicht. Globaal gezien is er dan sprake van een noord-zuid-as waarlangs zich een aantal op- merkelijke heiligdommen bevinden. Beginnend in Vught (en ko- mend uit het zuiden) begeeft een reiziger zich dan langs de as naar het noorden: over een weg die al eeuwenlang in gebruik is. Deze weg wordt op een paar plekken herinnerd aan zijn betekenis in de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Oudheid. Zo loopt er vlak onder Den Bosch (in het Bossche Broek)
nog een oude Romeinse weg naar Vught (Maurick om precies te zijn) die zeer waarschijnlijk in het verlengde lag van deze noord- zuid-route. Later maakte de weg deel uit van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella.
In de Middeleeuwen bevond zich aan de weg, vlak onder Vught, een tolhuis. Deze plaats wordt nog steeds aangeduid door een huis langs de A2 dat ‘de Oude Tol’ heet. Een stukje verder passeert de automobilist een voornaam landhuis dat duidelijk de naam ‘Voor- burg’ draagt. Dit oude landhuis heeft haar naam gegeven aan psy- chiatrisch ziekenhuis Voorburg, nu Reinier van Arkel genaamd (overigens naar een nazaat van Jan van Arkel). Waarom het land- huis Voorburg genoemd werd is onbekend, maar een reiziger in Romeinse tijden moet langs dit punt gekomen zijn. Is het mogelijk dat de naam is afgeleid van een veel ouder gebouw dat een voor- burcht was? Een voorburcht voor de heilige plek wellicht? Kan er een poort of een ander bouwwerk gestaan hebben dat de overgang naar een sacraal gebied markeerde, een gebied dat volgens de Kel- ten, Romeinen of Germanen aan de goden behoorde? De A2 volgt voor een groot deel de oude weg totdat hij vlak voor de stad afbuigt in de Ring. De oorspronkelijke weg voerde echter rechtdoor, dwars door het oude centrum van Vught. Eerst langs het Maurickplein met de latere Machutuskluis en vervolgens langs Zionsburg en de Lambertuskerk. Van speciale betekenis wordt nu een citaat van Hezenmans over het latere landhuis Zionsburg, in 1663 gebouwd door Cornelis Kuchlinus: ‘Ongeveer op [de] grond- slagen [van het Duitse Commandeurshuis] werd een landhuis op- getrokken, dat den naam Sions-burg ontving. Was dat eene herin- nering aan het eerste Duitsche Huis in Jerusalem? Of een zinspeling op zijn ligging in de nabijheid van Den Bosch, vroeger het Roma Belgica, thans, in de taal van sommigen, een ander Jerusalem, waarvan dat nieuwe landhuis de voorburcht vertegenwoordigen moest?’ (cursivering door de auteurs).
De bezienswaardigheden naast het pad negerend (de motte bij Maurick, de nederzettingen bij Gestel) sjokte de reiziger verder over de modderige Taalstraat en stuitte uiteindelijk op ’s-Hertogen- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
bosch. Als we Jan van der Eerden mogen geloven was dit in voor-
historische tijden een kleine nederzetting met een Keltisch heilig- dom op de plek waar nu de markt is. De Vughterstraat viel toen nog buiten de stadsgrens en maakte deel uit van de noord-zuid- route. Den Bosch kan natuurlijk gezien worden als een uitsluitend strategische vesting waar geen hocus-pocus aan te pas hoeft te komen. Maar een stad als hoger gelegen cultusplaats (‘dichter’ bij de goden) en een stad als hoger gelegen, verdedigbare burcht hoe- ven elkaar niet uit te sluiten. Eerder liggen ze in elkaars verlengde. Van der Eerden erkent: ‘Deze cultusplaats moet voor de omvor- ming tot stedelijke nederzetting ideaal hebben gelegen in het stroomgebied van de Maas.’
Nog verder naar het noorden zou de reiziger uiteindelijk op Empel en vervolgens op de Maas zijn gestuit. Doorkruiste een rei- ziger in het begin van onze jaartelling een heilig woud? Was hij een pelgrim die, reizend door Vught, ’s-Hertogenbosch en Empel, ach- tereenvolgens een voorportaal, een heiligdom en het heilige der heilige betrad? Deze hie¨rarchie kan zich natuurlijk door de eeuwen heen verplaatst hebben, van Empel naar Vught of omgekeerd. Missie geslaagd?
Komen we terug op de vraag of het feit dat Vught een mogelijk belangrijke cultusplaats was, een rol heeft gespeeld in de komst van Duitse ridders in het dorp en het verbergen van een geheim. De vondsten van Germaans wapentuig bij Empel en Vught doen dat wel vermoeden. Deze vondsten zijn tamelijk uniek in Neder- land en vinden alleen parallellen in Noord-Duitse grafvelden. Daarnaast lijken de opgegraven voorwerpen (votiefgaven als mun- ten, penningen, zwaarden, bijlen en stukken plaatpantser) erop te wijzen dat het hier een militair heiligdom betrof. Voorwerpen van meer huiselijke of vrouwelijke aard (zoals terracotta beeldjes en versieringen) zijn er niet of nauwelijks gevonden. Afbeeldingen op munten hebben een overwegend krijgshaftig karakter en laten vooral getuigde paarden en militaire attributen zien. Daarbij is de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
in hoofdzaak vereerde godheid zowel bij de Germanen als bij de
Romeinen een god van de oorlog. We herinneren ons dat de Duitse Orde voluit de Fratres Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teutoni- corum, en vandaar ook wel de Teutoonse Orde genoemd werden. De middeleeuwse Duitsers grepen in hun identificatie dus terug op hun Germaanse voorouders, de Teutonen. Ook is het een feit dat het de Chatten waren die in het Teutoburgerwoud de slag met de Romeinen uitvochten. Kunnen de Teutoonse ridders zich hun oude cultusplekken herinnerd hebben? Nam met name de omgeving van Vught voor de kruisvaarders in 1200 nog steeds een belangrijke plaats in? Zo belangrijk dat zij werd uitgekozen als de bergplaats van een uiterst geheime en gewichtige schat? Waren de ‘Zwijnen’ van het Pact van Woeringen erbij betrok- ken? Vandaag de dag draagt het Bossche Stadhuis aan de Markt nog steeds een windvaan die door sommige historici als een zwij- nenkop wordt beschreven. Een herinnering aan de hertogen uit de veertiende eeuw. Precies dezelfde windvaan vinden we echter terug in de nabije omgeving, en wel op de Lambertuskerk in Vught. Eindigde hier de missie van de pactleden? Lag de legendarische ‘schat van de tempeliers’ in het Duitse Huis aldaar, of mogelijk in de heilige motte van Kasteel Maurick? Het was een vraag die we nu nog niet konden beantwoorden, maar die in de loop van ons onderzoek steeds meer op de voorgrond trad. Laten we eens kijken wat er vervolgens gebeurt. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk Zwanen en zwijnen
Geheime Genootschappen
Wie vandaag de dag door de Bossche binnenstad loopt en zich in de Hinthamerstraat waagt (door sommigen wel de endeldarm van de stad genoemd), ziet daar een eigenaardig uitziend pand, in neogo- tische stijl opgetrokken met vier ietwat verweerde beelden en bo- venop een koperen zwaan, de vleugels gespreid. Een vreemd relie¨f- werk siert de grijze gevel: een door distels omgeven lelie met daar- onder het woord Sicut. De vier beelden stellen roemruchte figuren uit vervlogen tijden voor: drie ervan zijn Floris van Egmond, Ge- rard van Uden en Gijsbert van der Poorten. Het vierde is niemand minder dan Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands. Wat hebben deze figuren gemeen? Ze waren allemaal lid van een raadselachtig genootschap, bekend als de Illustre (illustere) Lieve Vrouwe Broederschap te ’s-Hertogenbosch, ook wel de Zwanen- broeders genoemd.57 Het vreemd aandoende pand is het Zwanen- broedershuis. Het staat op de plaats waar het geheimzinnige ge- nootschap al honderden jaren bijeenkomt. Het genootschap zou een elitegroep zijn, de Bossche Illuminati, waar machtige zaken- lieden samenkomen om over de toekomst van Nederland te be- schikken. Anderen zijn van mening dat het hier de nakomelingen betreft van de tempeliers, de vrijmetselaars of de zwaanridders. Wie waren de Zwanenbroeders? Waarom duiken ze in de ge- schiedenis steeds weer op, en hoe komt het dat een overstelpende hoeveelheid bekende en machtige personen uit de Europese ge- schiedenis voorkomt op hun ledenlijst?
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Opkomst van de Broederschap
Bij het bekijken van de verschillende geestelijke en seculiere broe- derschappen uit de twaalfde en dertiende eeuw krijgen we nogal eens de indruk dat het hier om niet meer gaat dan de behoefte van mannen om met elkaar in een clubje te zitten en onder het mom van een of andere klerikale doctrine een wijntje te drinken, een kaartje te leggen en het buikje rond te eten. Dat deze mondiale behoefte wordt opgesmukt met een arsenaal aan ceremonie¨le plichtplegin- gen en geheime wachtwoorden om de onderneming een air van geloofwaardigheid te geven, hoeft niet te verbazen. Hoe meer ge- heimzinnigheid hoe beter. In het bourgondische Den Bosch, waarin de kathedrale basiliek van Sint-Jan al vanaf het leggen van de eerste steen omgeven is geweest door kroegen en herbergen, is de aanwe- zigheid van dergelijke gezelschappen dan ook nauwelijks opmerke- lijk te noemen. Toch schijnen de broederschappen uit de late Mid- deleeuwen uit meer te hebben bestaan dan esoterische opschik. Het feit dat een van deze gezelligheidsclubjes in het jaar van schrijven haar 689-jarige bestaan viert en kan bogen op het lidmaatschap van zo ongeveer de voltallige koninklijke familie, toont wel aan dat de socie¨teiten meer omvatten dan wekelijkse pokeravondjes, bingowedstrijden en slemppartijen.
Een van deze gezelschappen, de Illustre Lieve Vrouwe Broeder- schap, ook wel de Zwanenbroeders, is van belang voor ons ver- haal. Het is deze broederschap die met kop en schouders boven de andere uitsteekt.
Waar kwamen ze vandaan, die broederschappen? Dr. G.C.M. van Dijck, de biograaf van de Lieve Vrouwe Broe- derschap, plaatst de opkomst van de geestelijke en meer antikleri- kale broederordes in een kader van economische bloei en sociale bewustwording. Hij laat de intrede van de broederschappen gelijke tred houden met de groei van ’s-Hertogenbosch en de daarmee gepaard gaande stratificatie van bevolkingsgroepen.58 De stad als autonoom cultureel-economisch orgaan was een betrekkelijk nieuw fenomeen in het Nederland van de twaalfde eeuw. Bevol- kingsgroepen die voorheen hun hie¨rarchie gespiegeld zagen in het Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
feodale middeleeuwse landschap, zaten ineens met z’n allen op een
kluitje en moesten nieuwe vormen vinden om de eigen identiteit en soevereiniteit te handhaven. De kerk, de adel, de middenklasse en de onderlaag, allemaal moesten ze zich bezinnen op hun plaats in deze nieuwe samenleving. De veertiende eeuw kenmerkt zich door proletarisch ellebogenwerk, adellijke staatsgrepen, klerikaal ge- konkel en het aftasten van grenzen. De oligarchie was niet langer onbetwist: de sociale onderklasse deed zich gelden door het invoe- ren van ambachtsgilden, de middenklasse eiste inspraak en ook de geestelijkheid liet op alle mogelijke manieren van zich horen. Ee´n manier om zich te laten horen en zich binnen de veranderende samenleving overeind te houden, was de oprichting van broeder- schappen die zich enerzijds lieerden aan een geestelijk substraat en anderzijds een gedegen socialistisch gezicht lieten zien. Houd reke- ning met ons, wilden ze zeggen. De dichotomie van zowel kerke- lijke als seculiere eigenschappen moest veroordeling door de kerk voorkomen. Door zich onder de hoede van de intens populaire Maria te scharen en de bevordering van de godsvrucht tot een van de doelstellingen te maken, maakten deze groeperingen zich kerkelijke goedkeuring en de sympathie van de bevolking eigen. Deze mariale verering was in Den Bosch even aanwezig als in an- dere steden en de behoefte van verschillende bevolkingsgroepen om zich middels een semi-kerkelijke broederschap te verenigen maakte hier dankbaar gebruik van.
In deze context ontstond in 1318 de Illustre Lieve Vrouwe Broe- derschap te ’s-Hertogenbosch.
De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap
De stichting van de broederschappen gaat met de nodige vraag- tekens gepaard. De oprichtingsoorkonde stamt uit 1318 en laat qua duidelijkheid niets te wensen over: Bossche clerici en scholas- tici (scolares, Van Dijck denkt aan scholieren, dus aankomende clerici) komen plechtig bijeen om met goedkeuring van de bisschop van Luik een broederschap ter ere van de Maagd Maria in het leven Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
te roepen. De oorkonde, voorzien van alle benodigde zegels, be-
schrijft netjes en nauwgezet de kerkelijke en geldelijke verplichtin- gen van aspirant-leden. De statuten inaugureren een hie¨rarchische structuur en een globale doelstelling. Wat we nı´e´t weten is wie de opstellers van de oorkonde zijn en waar hij precies is opgesteld. Afgezien van het jaartal 1318 ontbreekt een exacte datum. Als oprichter wordt pas veel later ene Gerard van Uden genoemd, maar hoewel deze naam regelmatig opduikt in de annalen van de stad, wordt er in de statuten van de broederschap zelf hardnekkig over gezwegen. Ook zijn er berichten die erop wijzen dat de broe- derschap in feite al lang vo´o´r 1318 bestond, maar pas in dit jaar officieel om toestemming vroeg. In 1518, dus twee eeuwen later, zegt de bisschop van Luik dat de orde ‘na lange tijd gefungeerd te hebben’ in 1318 toegelaten en goedgekeurd is. Kort samengevat stellen de kronieken dus dat er omstreeks het jaar 1318 in ’s-Hertogenbosch een broederschap wordt opgericht die zich tot doel stelt de verering van de Maagd Maria te institutiona- liseren en te verspreiden. Een citaat uit de statuten laat wat dat betreft aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Het is redelijk en waardig dat, als wij de Zoon prijzen, wij ook de Moeder prijzen uit eerbied tot haar Zoon. Want zo willen wij haar eren, die als mid- delares tussen God en mensen tussenbeide komt, voortdurend op ons zondaars lettend en naarstig voorspreker bij Hem, die zij heeft voortgebracht.’
Naast het aanbidden van Christus via zijn moeder worden er geen andere doelstellingen genoemd. Van een zorg voor zieken, armen en gewonden, zoals dit in het Heilige Land wel gebruikelijk was, is geen sprake. De broederschap zal niet uitblinken in naasten- liefde. De spirituele roeping was waarschijnlijk oprecht, maar het oprichten van een dergelijke broederschap was voor verschillende sociale bevolkingsgroepen dus ook een manier om zich in de groei- ende stad staande te houden. De broederschap had haar eigen kapel in de noordzijde van de Sint-Janskathedraal, in de loop der jaren steeds aangepast en herbouwd. De kapel, vandaag de dag nog te bezichtigen, lijkt aanvankelijk in bruikleen te zijn verstrekt, Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
maar werd vanaf de bouw feitelijk als een kerk binnen een kerk
beschouwd, en dus als toebehorend aan de broederschap. Hoewel de broederschap in haar statuten vermeldt dat alleen gees- telijken toegang hebben tot het lidmaatschap, zien we dat zij in het verloop van de eeuw ook vrouwen en lieden uit de sociale boven- laag gaat aantrekken. Blijkbaar vergaat het de broeders zo goed dat ze, uit noodzaak of opportunisme, tevens welgestelde burgers zoals ridders en notabelen binnenhalen. Door schenkingen, renten, cijnzen en de verkoop van aflaten rolt het geld binnen, en met het geld de privileges.
Een ander vermeldenswaardig feit is de gelukkige vondst van het zogenaamde ‘Mirakelbeeld’ van de Zoete Lieve Vrouw in 1380. Het verhaal gaat dat in dat jaar een hevig verweerd Mariabeeld werd gevonden in een hoek van de bouwloods van de kathedraal. Het houten beeld werd bijna in stukken gehakt omdat het zo lelijk was, maar een zekere Theodoricus Loetius ontfermde zich over het beeld en zorgde ervoor dat het een plekje kreeg in de Sint-Janska- thedraal. Een kapelaan die zich ergerde aan de wanstaltigheid van de Maria wilde het daar weghalen, maar naar verluidt was het beeld plotseling zo zwaar geworden dat niemand erin slaagde het te verplaatsen. Dit vreemde feit werd prompt toegeschreven aan een goddelijk ingrijpen, zodat het beeld werd omgedoopt tot Mi- rakelbeeld en het is sindsdien niet meer uit de Sint-Jan weg te den- ken. In de jaren na de vondst werden niet minder dan honderd wonderlijke voorvallen op conto van het beeld geschreven, en in korte tijd groeide het object uit tot het boegbeeld van de broeder- schap, die haar voortbestaan daarmee nog eens bezegelde. Rond 1370 verschijnt er een vignet van een door distels omgeven lelie, een soort logo waarvan het credo is ontleend aan het Hoog- lied: Sicut lilium inter spinas, oftewel: als een lelie tussen de door- nen. De dichter van het Hooglied zegt letterlijk: ‘Als een lelie tussen dorens, zo is mijn liefste tussen de meisjes.’ De blanke lelie is een oud symbool van zuiverheid en maagdelijkheid en dus al vroeg in verband gebracht met Maria. De aartsengel Gabrie¨l, die aan Maria de geboorte van Christus aankondigt, verschijnt vaak met een lelie Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
in de hand. In de Middeleeuwen werd een lelie in die context over
het algemeen begrepen als verwant aan de Heilige Maagd. Het beeld is duidelijk: Maria, als verpersoonlijking van reinheid en schoonheid te midden van de stekelige verdorvenheid van de we- reld. Het beeldmerk met het woord Sicut siert nadrukkelijk de gevel van het huidige Bossche Zwanenbroedershuis. Zo luidt in grote lijnen de ietwat vrome geschiedenis van de Lieve Vrouwe Broederschap te ’s-Hertogenbosch. Ons onderzoek bracht echter een paar verbazingwekkende feiten aan het licht. Het eerste feit betreft opmerkelijk genoeg Jan van Cuyk, lid van het Pact met de hertog en de Duitse Orde. We hebben gezien dat Van Cuyk belast was met het onderwerpen van de Bossche gilden. De Van Cuyks waren aan het begin van de veertiende eeuw na- drukkelijk in de stad aanwezig. Als stichter van de broederschap wordt ene Gerard of Gerardus van Uden genoemd. In de loop van ons onderzoek naar deze figuur en zijn familie ontdekten we een klein boekwerkje van de Van Uden Stichting60, waaruit blijkt dat de familie van Uden direct afstamde van het geslacht van Cuyk. Uit het onderzoek van de auteur is ook gebleken dat het geslacht Van Uden vo´o´r het jaar 1288 helemaal nergens voorkomt in Bossche documenten. De schrijver vervolgt met te zeggen dat de voornamen van de leden van de familie Van Cuyk precies corresponderen met die van de Van Uden-familie. Daarnaast verklaart de schrijver dat ‘alle Van Uden’s, die als schepenen van Den Bosch bekend zijn een wapen voerden, dat in zijn grondvorm precies gelijk is aan het tegenwoordige wapen van Cuyk, afkomstig van hun vroeger gra- venhuis... Hieruit is zonder twijfel af te leiden, dat de oorspronke- lijke heren van Uden behoorden tot de familie der Graven van Cuyk.’
Inderdaad: sinds de oprichting van de broederschap duikt de naam Van Uden veelvuldig op. Hoewel inmiddels vaststaat dat Jan van Cuyk was belast met het organiseren van een centralistisch stadsorgaan, blijkt uit alles dat sommige mensen beslist niet wilden dat de naam Van Cuyk aan de broederschap werd verbonden. Het feit dat de naam Van Uden pas tijdens en na de oprichting van de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Zwanenbroeders in de archieven verschijnt, ondersteunt deze stel-
ling. Een soortgelijke naamsverwisseling treffen we aan bij de com- mandeurspost van de Duitse Orde te Bekkevoort, waar vanaf een commandeur genoemd wordt met de naam Jehan van Leeuwe. Deze figuur blijkt niemand minder te zijn dan de beruchte Jan van Heelu, de ‘man van Woeringen’.
De geheimzinnige oprichter van de Illustre Lieve Vrouwe Broe- derschap, Gerard van Uden, is dus niemand anders dan Otto van Cuyk, of misschien zelfs (want we herinneren ons dat de broeder- schap al vo´o´r de officie¨le oprichtingsdatum actief was) Jan van Cuyk zelf!
Ook frappant is dat de vroegst genoemde commandeurs van de Duitse Orde te Vught, omstreeks 1374, ook twee Van Udens zijn: Arnd in 1374 en Jan in 1387. Zouden deze Van Udens zijn voort- gekomen uit de Van Cuyks in Den Bosch? Zouden het met andere woorden ook schuilnamen zijn?
De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap van Den Bosch, opge- richt door het Pact van Woeringen. Dat geeft te denken. Dat geldt ook voor het tijdstip waarop dit gebeurt: de beginjaren van de veertiende eeuw, dus rond de tijd waarin het Pact belast werd met het geheim van Vught. De hele opzet suggereerde een betrokken- heid van zowel het Pact en de hertog als de Duitse Orde. Daarnaast was er die vreemde naam: Zwanenbroeders. Natuurlijk vroegen we ons af of er een connectie kon zijn met de zwaanridders uit Kleef en de schat in Vught.
Maria Teutonica: Het Mirakelbeeld van de Zoete Lieve Vrouw van ’s-Hertogenbosch
Het tweede feit betreft de legende van het Mirakelbeeld. We heb- ben verhaald hoe ene Theodoricus Loetius zich over het afgedankte beeld ontfermde, en dat het uitgroeide tot een lucratieve attractie voor bedevaartgangers. De bekendste Bossche legende laat echter e´e´n feit onvermeld: de genoemde Theodoricus Loetius was koster Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
van de broederschap! Een gelukkig toeval, of een handige ingreep
van de Bossche broeders? Ook hier zat meer achter. Het Mirakelboek of, volledig, Mirakelen van Onse Lieve Vrouwe tot ’s-Hertoghenbosch, is een verslag gevuld met wonde- ren, toegeschreven aan het Mariabeeld in Den Bosch. De wonder- lijke voorvallen, chronologisch geordend in 600 versregels, wis- selen elkaar met een verbazingwekkende snelheid af; in het dikke boekwerk zien blinden plotseling het licht, worden vrome kinderen gered van een wisse dood en gaan stormen even snel liggen als ze zijn opgestoken. Het boek wordt al sinds de veertiende eeuw ten- toongesteld in de Sint-Janskathedraal. Op het voorblad staart de Lieve Vrouwe ons aan, in haar armen de verlosser, ondeugend uitkijkend vanonder een blinkend gouden kroontje. Deze combinatie van een Mariabeeld en een getuigschrift van haar wonderen bleek uiterst effectief. Pelgrims trokken in drom- men naar ’s-Hertogenbosch, om eer te bewijzen aan het beeld en hopelijk verlost te worden van hun kwalen. Opmerkelijker nog dan de wonderen die in het boek aan de orde komen, is het feit dat ze stuk voor stuk worden toegeschreven aan deze ‘Bossche Maria’ – een obscuur beeldje van eikenhout, dat weinig gelijkenis vertoont met de Heilige Moeder van de roomse kerk, maar wel is uitgerust met haar goddelijke krachten. De ves- tingstad ’s-Hertogenbosch was in haar verering van de Heilige Moeder volstrekt niet uniek: in de dertiende eeuw doken overal Mariabeeldjes op, elk met een arsenaal van wonderen. Het is niet onbelangrijk hierbij op te merken dat de meeste hiervan op of nabij belangrijke handelsroutes van middeleeuws Noordwest-Europa verschenen, vooral in het hertogdom Brabant en in Kleef. Een groep onderzoekers van dit merkwaardige verschijnsel typeert het als volgt: ‘De weg van devoties was tevens die van de handel’. Het was gebruikelijk dat de pelgrims hun lof in de vorm van goederen en geld uitten.
Volgens kunsthistorici werd de Lieve Vrouwe van Den Bosch ergens tussen 1280 en 1320 vervaardigd: rond dezelfde tijd dat de broederschap ontstond die haar naam draagt. Over de maker van het beeld is evenwel niets bekend, behalve dat hij zijn atelier moet Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
hebben gehouden in het land van Kleef. Uit vergelijkend onderzoek
is gebleken dat de Bossche Maria opvallend veel gelijkenis vertoont met andere Mariabeelden die rond 1300 op verschillende plaatsen langs de Rijn, Maas en Waal opdoken: stuk voor stuk vruchten van dezelfde boom, aldus de kunsthistorici. Het is bekend dat dit soort religieuze kunstvoorwerpen in belangrijke Nederrijnse handelsste- den zoals Wesel, Kleef en Kalkar zeer in trek waren en de productie van deze voorwerpen dus ook uit deze gebieden afkomstig was. Van slechts e´e´n ander beeld weten we met zekerheid dat het van dezelfde maker afkomstig is. In het Mayer museum te Antwerpen wordt een Mariabeeld tentoongesteld dat een treffende gelijkenis vertoont met de Bossche Maria: hetzelfde snijwerk is gebruikt en dit specifieke beeld heeft nagenoeg dezelfde uiterlijke kenmerken. In de museumcatalogus wordt deze H. Maagd gedateerd tussen 1300 en 1330 en algemeen omschreven als Duits. Op het beeld is in elk geval een dubbelkoppige adelaar geschilderd. Volgens het Mirakelboek zelf werd de eikenhouten ‘Maria van ’s-Hertogenbosch’ op een kille januaridag door een jonge knecht gevonden bij de bouw van de Sint-Jan. De nietsvermoedende knaap was in een bouwloods op zoek naar brandhout en vond tussen de werkmaterialen een onooglijk, beschimmeld beeldje van een vrouw. De verbaasde knecht vond het beeld zo lelijk dat hij zijn bijl ter hand nam om het te splijten voor het vuur. Maar – God zij geloofd – juist toen de jonge knaap de bijl wilde laten neervallen kwam de bouwmeester het vertrek binnen en wist het beeld op het nippertje in veiligheid te brengen. Nadat hij het beeld van de ver- nietiging had gered, riep hij uit: ‘Ongelukkige! Wat gaat gij begin- nen! Ziet ge niet, dat het een beeld is van de Moeder Gods?’ Op deze vermaning liet de bouwmeester een niet mis te verstane draai om de oren volgen. De knecht had aan het voorval een gloeiend rode wang overgehouden, maar het beeld was gered. Na de ontdekking spoedde de bouwmeester zich naar een kerk- broeder genaamd Woutke, en overhandigde hem ogenblikkelijk het verweerde Mariabeeld. De broeder op zijn beurt wendde zich vertwijfeld tot de koster van de Lieve Vrouwe Kapel, die de broeder Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de opdracht gaf het beeld te plaatsen in de kersverse kapel van de
Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, die later zou worden omge- doopt tot Sacramentskapel.
De genoemde broeder Woutke stelt historici enigszins voor een raadsel. In de archieven van de broederschap komt er geen lidmaat voor met die naam, noch in enig ander stadsdocument uit die tijd. Het begint erop te lijken dat de ware stichters van de cultusplaats wederom verzonnen personages gebruikten om elke hint van di- recte betrokkenheid te kunnen ontkennen. Echter, een andere hoofdpersoon in de lokale Mariasage vinden wij wel met naam en toenaam terug in de kerkregisters van weleer. Het betreft hier de eerdergenoemde koster, Dirk van Loet (Loe- tius). Nader onderzoek naar deze figuur heeft onthuld dat hij een prominent lid was van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, een gezworene van de eerste orde. In het Mirakelboek wordt hij in elk geval neergezet als een autoriteit, tot wie broeder Woutke zich telkenmale wendt nadat hij het beeld in handen krijgt. Uit de sage blijkt telkens dat, hoewel Woutke het beeld in de Broederschaps- kapel plaatst, hij hiervoor eerst verlof vraagt aan de koster van de broederschap.
Mensen die hun neus ophaalden voor de Bossche Maria werden zonder pardon getroffen door ziekte of dood. Het aantal sterfge- vallen in het begin van de Lieve-Vrouwesage is ronduit stuitend: in het Mirakelboek valt te lezen hoe een vrouw, nadat ze had ver- klaard hoe lelijk het beeld wel niet was, ter plekke neerzakte op de koude kerkvloer en doodziek naar huis werd weggedragen. Pas nadat ze drie geldstukken had geschonken aan de kapel, begon haar toestand enigszins te verbeteren. Minder berouwvolle (of ver- mogende) lieden kwamen op gruwelijke wijze aan hun einde als ze het in hun hoofd hadden gehaald het heilige beeld te bespotten. De overlevingskansen van een rijke zondaar waren dus aanzienlijk groter dan die van een arme. Een veelzeggende anekdote in dit verband handelt over een vrouw die haar huis op een goede dag in lichterlaaie aantrof. Wanhopig begon ze te bidden tot Maria en beloofde met haar hand op het hart een kostbaar wassen huis te schenken aan de Broederschapskapel. Plotseling doofde het vuur, Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
waarna de vrouw getrouw haar belofte vervulde. Niet lang daarna
vond er in de kapel een opmerkelijke gebeurtenis plaats: een vrouw die de kostbaarheden aan het bewonderen was, liep op broeder Woutke af en stelde een onwaarschijnlijk dappere vraag – name- lijk, of de broeder het wassen huis misschien aan de voeten van Maria had gelegd om geld van de mensen te krijgen. Een impliciete beschuldiging aan het adres van de broeder. Deze barstte hierop in woede uit en blafte de vrouw toe dat ze maar beter uit kon kijken en niet te veel moest zeggen, als ze prijs stelde op haar gezondheid. Dit is een uiterst merkwaardige passage – volledig uit de toon met de rest van het boek.
Pas nadat Maria (of liever de Mariabroederschap) de mensen op het hart had gedrukt dat er met het haar niet te sollen viel, kwamen de eerste meldingen binnen van heilzame mirakelen. Het vroegst opgetekende wonder dat wordt toegeschreven aan de Zoete Lieve Moeder, is opmerkelijk genoeg afkomstig uit Vught, waar op 22 september 1381 een verlamde dame, Hadewich Heijnendochter, de vrouw van ene Jan Timmerman, in haar dro- men door de Bossche Maria wordt bezocht. De verschijning maakt zichzelf kenbaar en verzoekt de arme vrouw met klem een wassen been te schenken in ’s-Hertogenbosch, ter ere van haar weldoen- ster. De vrouw doet wat haar is opgedragen en geneest van al haar kwalen.
Het feit dat het allereerste wonder plaatsvindt in Vught, kan veelzeggend worden genoemd, vooral als we in het achterhoofd houden dat de commanderij van de Duitse Orde op dat moment een belangrijk regionaal centrum was, van waaruit allerlei reli- gieuze zaken werden geregeld en actief handel werd bedreven. Maar het wordt allemaal nog veel interessanter: de echtgenoot van de gezegende vrouw Hadewich, Jan Timmerman, wordt in de archieven van de Vughtse commanderij regelmatig genoemd als schepen van Vught in de periode 1357-1369. Jan is in deze archie- ven betrokken bij diverse financie¨le transacties van de Duitse Orde. Dit alles wordt nog eens bevestigd door de vele andere cultus- plaatsen in het hertogdom waarvan Teutoonse betrokkenheid ach- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
ter de schermen niet ter discussie staat. Zo werd de Mariacultus in
het plaatsje Handel vanaf 1366 door de Teutonen gereguleerd en stichtte de orde in het Gelderse Rhenen een cultus rondom de hei- lige Cunera. In ordestaat Gemert zaten de Teutonen achter een cultus van het Miraculeuze Kruis en in Geldrop achter die van de Heilige Brigida. In dit licht is de Mariacultus van ’s-Hertogenbosch gemakkelijk te begrijpen, hoewel zij in dit rijtje niettemin een uit- zonderlijke plaats inneemt. Bovendien laat de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap wat betreft rijkdom en invloed alle andere Mariabroederschappen ver achter zich. Hieruit blijkt dat de Teu- tonen duidelijk de voorkeur gaven aan Den Bosch. Om hun eigen betrokkenheid bij het ontstaan ervan te verduisteren werd de le- gende van de Bossche Maria in het leven geroepen. Tot slot moet nog worden opgemerkt dat de commandeur in Vught in het jaar 1381 ene Arndt van Uden is, terwijl een priester genaamd Jan van Uden rond dezelfde tijd de scepter zwaait over de nabijgelegen Lambertuskerk – wellicht twee verwanten van broe- derschapsoprichter Gerardus van Uden (alias Jan van Cuyk). Ook elders treffen we telgen van de ‘Van Udens’ aan in de hoedanigheid van commandeur: in het hart van het hertogdom zetelt bijvoor- beeld ene Godevaart van Uden in het huis van de Duitse Orde te Bekkevoort. Is het toeval dat zowel de oprichter van de broeder- schap als de commandeur van de Duitse Orde in Vught dezelfde naam dragen? Hoe is het mogelijk dat er dubbelkoppige adelaars op de mantel van Maria zijn ingenaaid, terwijl dit zinnebeeld in Den Bosch officieel pas in zwang raakte tijdens het bewind van Karel V, ruim anderhalve eeuw later?
Werd de Mariacultus van de Bossche broederschap dus opgezet en gefinancierd door de Hanze? We vroegen ons af of er aanwijzin- gen in het Mirakelboek te vinden waren die dit vermoeden zouden ondersteunen.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Cultusplaats van kooplieden
‘14 juni 1383: Andries Lessijn, woonachtig te Koningsbergen in Pruisen, voer op 15 oktober 1382 met een kogschip of hulleke geheten vanuit Vlaanderen op de terugweg naar Lijfland, beladen met zout en bemand met tweee¨ndertig man. De schipper was Eve- raad van Herwarden. Er stak een grote storm op en het schip maakte ernstig water, waarop zij allen Maria van ’s-Hertogen- bosch aanriepen en een bedevaart beloofden. Terstond werd het rustig en helder weer en konden zij hun reis vervolgen.’ (Uit het Mirakelboek van Onze Lieve Vrouwe te ’s-Hertogen- bosch – 1381-1603.)
Toen we het Mirakelboek aan een nauwkeurig onderzoek onder- wierpen en een studie maakten van de pelgrims die al die offers brachten aan de Bossche Maria, viel ons op hoeveel van deze vrome lieden lid waren van de Duitse Hanze. Een vluchtige be- schouwing van het mirakelboek onthulde ten minste twintig won- deren waarbij Duitse kooplieden betrokken waren. In zowat alle gelederen van de middeleeuwse handelsfederatie werd de Bossche Maria aangeroepen als het noodlot dreigde toe te slaan. Hanzeschippers uit alle uithoeken van de Germaanse ordestaten dachten specifiek aan de Maria van Den Bosch wanneer zij in nood verkeerden. Toen ene Godschalk Redegis bijvoorbeeld, woonach- tig in ordestaat Lijfland, met een lading pels uitvoer naar Wismar, werd zijn kogge getroffen door zwaar noodweer. De voltallige be- manning riep toen de Maria van ’s-Hertogenbosch aan en prompt ging de storm liggen. Na afloop ondernam Godschalk een bede- vaart naar de stad en offerde goud en zilver. Een andere Gotland- vaarder, woonachtig te Pruisen, offerde zelfs een compleet kogge- schip van zilver ‘en veel geld’ na van de verdrinkingsdood te zijn gered. De broederschap mocht zich verheugen in een aanzwellende stroom Hanzeleden, terwijl de schatkist almaar in gewicht toenam. We weten inderdaad dat de Bosschenaren driftig handelden over de rivieren, met name in laken en linnen. In het jaar 1363 verleende de Deense koning Waldemar III de stad van de hertog het recht om Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
een ‘factorij’ op Schonen te stichten. Van daaruit voeren de koggen
natuurlijk af en aan over de gehele omtrek van de Oostzee, richting Engeland, de Baltische staten en Pruisen. In een bewaarde rekening van de Duitse Orde in Marie¨nburg uit het begin van de veertiende eeuw lezen wij dat de ridders geregeld ‘Bussche lakens’61 impor- teerden. Hierbij moet de Vughtse commanderij wel betrokken zijn geweest, gezien haar nabijheid tot de stad en haar onderhorigheid aan de hoofdzetel van de Duitse Orde in het oosten. Ook Hanzekooplieden die zich in de nesten hadden gewerkt konden rekenen op de goddelijke steun van de Lieve Vrouwe: zo lezen wij in mirakel nr. 28 dat Peter Poelman, een koopman woon- achtig in Pruisen, uit zijn boeien werd bevrijd door de Lieve Vrouwe nadat hij op verdenking van spionage in Mechelen was vastgezet. Maria verscheen aan hem in zijn cel, de verbaasde man verzoekend naar Den Bosch te komen en vooral niet te vergeten zijn portemonnee mee te nemen.
In een ander verhaal raakt een Hollandse koopman verzeild in een gevecht met de Denen op Schonen. Hij werd getroffen door een pijl in zijn linkerslaap: ‘Na een uur voor dood gelegen te hebben dacht hij aan Maria van ’s-Hertogenbosch en beloofde haar een bedevaart, waarop hij weer kon spreken’ (Mirakel nr. 295). De Hanzelieden stonden overduidelijk in de gunst van de Heilige Moe- der.
In Mirakel nr. 56 vinden wij een mariale interventie waarbij letterlijk alle vijandelijke zeerovers het leven laten ten gunste van de Teutoonse zeevaarders, die hun reis veilig konden voortzetten zodat de kostbare lading alsnog behouden op de plaats van be- stemming aankwam. Zo wemelt het in het mirakelboek van de koggeschepen en schenkt men het eigen gewicht in goud en zilver als dank voor Maria’s bemoeienissen op zee. Het begon er verdacht sterk op te lijken dat er bepaalde mensen in de buurt waren die een welvarend Den Bosch en Vught wilden garanderen. Die mensen onderhielden uitstekende contacten met Hanzeleden (blijkens de vele Hanzewonderen) en hielden vanaf een veilige plek in de buurt een oogje op de winkel.
Natuurlijk ontbreken ook de Hanzelieden uit Kleef en omgeving Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
niet: vanuit Wesel brengen vele lieden een bezoekje aan het Mira-
kelbeeld en worden aanzienlijke schenkingen gedaan aan de broe- derschap.
Het Mirakelbeeld behartigde dus vooral, zo lezen we, de belan- gen van Hanzeleden. In het Mirakelboek van ’s-Hertogenbosch worden slechts 11(!) Bosschenaren genoemd. Vanwaar dan precies de keuze voor ’s-Hertogenbosch? Waarom werd het Mirakelbeeld in de Broederschapskapel beschouwd als principaal centrum van verering voor de Duitse kooplieden? Men kon de Heilige Moeder natuurlijk overal vereren. Zou het niet voor de hand liggen een Mariabeeld of relikwie op een gunstiger gelegen locatie te plaatsen, zoals het eiland Schonen of volwaardige Han- zesteden aan de grote rivieren?
Leden van de broederschap
Dat een lidmaatschap van de Illustre Lieve Vrouwebroederschap van ’s-Hertogenbosch in de vijftiende eeuw erg gewild was, blijkt uit de eindeloze lijsten geestelijken, bisschoppen, vorsten, ridders, jonkheren, kamerlingen, muntmeesters, medici, secretarissen en andere leden uit de Europese hofkringen. Van Dijck licht een aantal namen uit de registers om dit feit mee aan te tonen: Helena van Kleef, hertogin van Brunswijk; Johanna gravin van Megen; graaf Jan en gravin Johanna van Spanheym; Margaretha weduwe van de paltsgraaf van Beieren; Robert paltsgraaf van Beieren; Frederik markgraaf van Baden; hertog Jacob van Savoye graaf van Romont; Philips graaf van Vernenburg, en Agnes de Bourbon. De lijst gaat door.
Een uitzonderlijke plaats in de contributie wordt ingenomen door een vooraanstaande Europese familie, namelijk het Huis van Kleef. Leden uit deze familie waren bijna oververtegenwoor- digd in de lijsten van contribuanten (tot aan 1530). Onder de geestelijkheid vinden we lieden van diverse pluimage: zowel franciscanen als dominicanen schreven zich in als lid, later gevolgd door kartuizers en kruisheren. Bekeerde joden waren lid. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Daarnaast vinden we in toenemende mate de aanwezigheid van
klerikale randfiguren als kanunniken, kosters en begijnen. De plooibaarheid van de oprichtingsstatuten werd nog verder be- proefd toen ook leden van de sociale middenklasse werden toege- laten: ambachtslieden als bakkers, smeden, tingieters en school- meesters waren welkom zolang ze hun zeven stuivers maar mee- brachten. Lombarden, Italiaanse geldschieters met een discutabele reputatie op het gebied van woekerpraktijken werden sans geˆne toegelaten tot de Mariadevotie. Zelfs tollenaars, die er in het Nieu- we Testament niet bepaald florissant vanaf komen, mochten lid worden, mits zij een oogje toeknepen wanneer het de import van voor de broeders bestemde goederen betrof. Het succes in het aantrekken van nieuwe leden leidde ertoe dat er personen werden aangesteld die elders de belangen van de broeder- schap moesten behartigen. Deze personen werden procuratoren of provisoren genoemd. Hun taak bestond er, naast het waarnemen van de Bossche belangen, in om zoveel mogelijk nieuwe leden te werven. De ijver van deze propagandisten leverde de nodige nieu- we contribuanten op, met name in Keulen, zoals we nog zullen zien.
Dat de financie¨le huishouding onder het groeiend aantal leden er niet op achteruit ging, blijkt onder andere uit het feit dat de broe- derschap eind vijftiende eeuw steeds vaker als grootschalige geld- schieter naar voren trad. Voorbeelden van deze transacties zijn karig en het is veelbetekenend dat zelfs dr. G.C.M. van Dijck, ge- machtigd historicus van de illustere broederschap, geen inzage kreeg in de goed gesloten kist waarin het ‘kapitaal’ van de broeders zich bevond.62 Van Dijck besluit zijn hoofdstuk over dit onder- werp met de schalkse opmerking dat het optreden als kapitaal- krachtige geldschieter ‘wellicht verder [gaat] dan de religieuze in- spiratie van de broederschap aanvankelijk bedoeld heeft’. Ook be- tekenisvol is overigens dat er in de broederschap nauwelijks sprake is geweest van een spiritueel-literaire ontwikkeling, zoals bij de meeste andere geestelijke orden wel gebruikelijk was. Er zijn voor- beelden te vinden van het feit dat de proosten kostbare literaire werken gewoon doorverkochten. De behoefte om zich in geeste- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
lijke kwesties te verdiepen schijnt niet hoog in het vaandel te heb-
ben gestaan.
Blijft de vraag waarom er op het Europese toneel zoveel belang- stelling bestond voor het lidmaatschap van een verder onaanzien- lijke lokale broederschap.
Chroniqueur Van Dijck komt nogal naı¨ef uit de hoek wanneer hij stelt dat de Mariadevotie de voornaamste trekpleister was van het Bossche genootschap. Hij heeft zonder twijfel gelijk als hij stelt dat Jan Modaal werd aangetrokken door de aflaten en het prestige om de eigen naam tussen vorsten en bisschoppen te zien, maar voor gerenommeerde Europese vorstenhuizen kan dit toch nauwelijks een serieuze drijfveer zijn geweest. Voorts wekt hij de indruk zijn opdrachtgevers niet te willen schofferen wanneer hij zegt dat louter ethische, esthetische of politieke beweegredenen van aspirant-le- den niet getolereerd werden door de broederschap, ‘afgezien nog van het feit dat aan dergelijke puur seculariserende krachten geen behoefte bestond’. Dit lijkt ons een voorbeeld waarbij de waarheid omwille van de vroomheid verborgen wordt. Het belang van de stad Den Bosch is zelf onderwerp van enige discussie: enerzijds wordt de stad gezien als een wat middelmatige provinciestad ver weg van de belangrijke Europese centra, ander- zijds is het een aanzienlijke handelsstad met een kosmopolitische uitstraling die alleen onderdoet voor Utrecht. Erasmus volgde er zijn priesteropleiding.
De betrokkenheid van de Hanze en de Duitse Orde bij de broe- derschap zou de interesse van Europese machthebbers we´l verkla- ren.
Bekende koppen
Geen beschrijving van de Lieve Vrouwe Broederschap zou com- pleet zijn zonder het vermelden van het meest vermaarde lid: Jhe- ronimus van Aken, beter bekend als Jeroen Bosch. De wereldbe- roemde schilder, die omstreeks 1456 in ’s-Hertogenbosch werd ge- boren, was een tijdgenoot van Erasmus en mag met recht de huis- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
schilder van de broeders genoemd worden; dit terwijl de hoeveel-
heid werk voor de broederschap beperkt was. Zijn familie, de fa- milie van Aken, duikt vanaf 1430 met grote regelmaat in de lijsten op, en zijn grootvader Jan wordt in dat jaar bovendien genoemd als restaurateur en schilder in dienst van de broederschap. Daarna ontpoppen verschillende andere familieleden zich als aan de broe- ders verwante kunstenaars.
Jeroen verschijnt voor het eerst in 1486 op de ledenlijst, eerst als buitenlid, later als gezworen broeder. Opmerkelijk is dat hij al korte tijd later als eregast verschijnt bij de zwanenmaaltijd, waar- over we het nog zullen hebben. De eerste taak van een gezworene was het ‘laken te leggen’. Dit hield in feite in dat hij geacht werd voor zijn medebroeders een banket te organiseren, een soort house- warming party. In de zomer van 1488 wordt Jeroen vermeld als gastheer van deze maaltijd, een rol die hij later nog tweemaal zou vervullen. Maar zijn voornaamste taak was natuurlijk zijn werk als kunstenaar. Dit werk beperkte zich niet tot het maken van schilde- rijen; hij ontwierp een glasraam, een stel wapenschilden en een kruis. In zijn schilderwerken verwijst hij, tenminste volgens de of- ficie¨le lezingen, een enkele keer naar de broederschap. Op zijn drie- luik Ecce Homo, waarschijnlijk in opdracht van een van de broe- ders gemaakt, verschijnen twee personen die het merkteken dra- gen: de lelie tussen de doorns.
Al met al zijn er ongeveer dertig archiefdocumenten bewaard gebleven waarin de naam van Jeroen Bosch wordt vermeld, ge- spreid over een periode van 42 jaar.63 Het betreft hier met name transacties met betrekking tot pacht, vastgoed en lijfrentes; over de opdrachten die Bosch als schilder kreeg is nog minder bekend. We weten dat Bosch in 1504 van Filips de Schone (hertog van Brabant en Bourgondie¨, aartshertog van Oostenrijk en later koning van Aragon en Castilie¨) de opdracht kreeg een drieluik te vervaardigen, Het laatste oordeel, en dat hij dus onder koningen en edelen een gerespecteerde figuur was. Ook na zijn dood bleef het werk van Bosch gewild in Europese vorstenhuizen. De Spaanse koning Filips II was een grote fan van Bosch en liet zijn kloosterpaleis het Esco- riaal in Madrid volhangen met zijn werken: zelfs de koninklijke Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
slaapkamer in Madrid was naar verluid verluchtigd met de helse en
duivelse voorstellingen. Veel Spanjaarden menen zelfs nu nog dat Bosch (of ‘El Bosco’) een Spaanse schilder is. Je zou dus verwach- ten dat het werk van Bosch (die zichzelf naar zijn geboortestad noemde) ook bij zijn stadgenoten een bijzondere plek innam, en dat zijn schilderwerken veelvuldig voorkomen in de kapel van de Sint-Janskathedraal, maar dit is niet het geval. Jeroen werd gee¨erd als lid van de broederschap en in 1516 met de gebruikelijke plicht- plegingen begraven, maar zijn status als schilder werd in die tijd niet als iets bijzonders gezien. De indruk ontstaat dat hij als huis- schilder op gelijke voet stond met andere ambachtslieden die als smid of beeldhouwer voor de broederschap optraden. Pas later kreeg hij de roem die hij nu nog heeft.
Een van de andere illustere figuren die door de broederschap werd binnengehaald was niemand minder dan de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje. Over het lidmaatschap van Oranje is de nodige onduidelijkheid. Zijn inschrijving is nooit boven water gekomen maar in een in 1562 geschreven brief wordt hij aangesproken als ‘ons mede swaenbroeder’. In deze brief wordt hij gewezen, aller- eerst op de droevige omstandigheid dat zijn schoonfamilie (de Van Egmonds) het wat de donaties betreft een beetje laten afweten, vervolgens op het feit dat hij als gezworen broeder ze´lf ook ver- plicht is de broederschap contributie te sturen. Oranje was ge- trouwd met Anna van Egmond (ook bekend als Anna van Buren), en het Huis van Egmond was sinds jaar en dag een beneficiant van de Zwanenbroeders. Maar niet altijd van harte. De graven van Buren doorzagen het trucje van de broeders en met name de wedu- we van graaf Maximiliaan van Egmond, Franc¸oise de Lannoy, schijnt zich te hebben gee¨rgerd aan de pretentieuze banketten. Van- af 1550 konden de Bossche broeders van het Huis Egmond zelfs geen armetierige kip meer lospeuteren. Dus probeerden ze in om de jongste heer van Buren, Willem van Oranje, op zijn plichten te wijzen. De brief uit dat jaar heeft echter meer weg van een smeekbede dan een bevelschrift.
Willem van Oranje zag er, zo gaat de officie¨le versie, de humor Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
wel van in en beloofde de broeders de traditie in ere te herstellen.
Aan deze belofte hield hij zich totdat hij vier jaar later andere zaken aan zijn hoofd kreeg. Tegen het einde van de zestiende eeuw, met de komst van de Spanjaarden, werden de zwanenmaaltijden, waar- over straks meer, steeds moeilijker vol te houden en in 1600 was het gebruik zo gedesintegreerd dat de Zwanenbroeders zelf nauwe- lijks nog wisten hoe het allemaal ook alweer begonnen was. Toch waren de daaropvolgende gebeurtenissen zo frappant dat het de moeite loont hier dieper op in te gaan. De schijnbaar verwaarloos- bare rol die het Huis van Oranje speelde in het voortbestaan van de broederschap, alsmede de opmerkelijke ontwikkelingen ten tijde van de Reformatie, leverden bij nader inzien een beeld op dat ons onderzoek in onverwachte richting zou sturen. De Zwanenbroeders
In de loop van de geschiedenis van de broederschap gebeurt er iets vreemds. Een geheimzinnige eretitel doet zijn intrede: die van ‘Zwanenbroeder’. Wat begint als een bijnaam groeit uit tot een als eerbewijs verleende titel. De zwanenmaaltijden gaan een be- langrijke plaats innemen in de liturgie van de broeders, en de Zwa- nenbroederschap wordt een felbegeerd en door geheimzinnigheid omgeven fenomeen.
Wat zijn die Zwanenbroeders?
De term swaenbrueder of zwaanbroeder duikt in 1488 plotseling op en raakt daarna steeds meer in zwang. Ene Jan van Erp schenkt in dat jaar een zwaan (een in die tijd uiterst kostbaar stukje pluim- vee) aan de broeders en verdient het daardoor als eerste met de titel te worden aangeduid. Daarna wordt het schenken van zwanen in toenemende mate een belangrijke gewoonte en vervolgens zelfs een plicht. Zo lezen we in de rekeningen van de broederschap op januari 1507 up den heyligen Drie Coningen avont, dat Frederik van Egmond, graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Cranendonk etc., aan de proosten van de broederschap belooft Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
jaarlijks op Kerstmis twee zwanen via de rentmeester te leveren ten
behoeve van de zwanenmaaltijd tegen het nieuwe jaar. We hebben al gezien dat het gewoonte werd om aspirant-leden te verplichten een luisterrijk banket voor te zetten. Jeroen Bosch deed het bij zijn intrede in 1488. Die maaltijden, waarbij eerst nog werd gegeten wat de pot schafte, werden in de loop der tijd steeds spec- taculairder. Terwijl de armen in de vijftiende eeuw van de honger omkwamen, gingen de broeders steeds hogere eisen stellen aan de samenstelling van de dis. Uit de voorschriften blijkt dat nieuwe leden geacht werden de inaugurele braspartijen op te schikken met ‘goed brood, bier, soep, haring, bokking, olie, kabeljauw... zoveel schotels als nodig zijn’. Daarnaast verwachtte men een ex- quise keur aan wildbraad en gevogelte. Wie hieraan niet kon of wilde voldoen, kon rekenen op de royale boete van zes Rijnsgul- dens. Ziekteverzuim was geen excuus.
Binnen deze uitdijende traditie gaat de zogenaamde zwanen- maaltijd een steeds grotere plaats innemen. Tot de tweede helft van de zestiende eeuw houden de broeders zo’n tien maaltijden per jaar, waarvan de zwanenmaaltijd de zesde is. De herkomst van deze maaltijd is niet helemaal duidelijk. Simpel gezegd gaat het om een jaarlijks feestmaal waar een of meerdere zwanen het – schijnbaar symbolische – hoofdgerecht vormen, waarbij het kenne- lijk van groot belang is dat de zwanen een schenking betreffen. Sommige historici64 voeren het gebruik terug op een familievete, waarbij een niet nader genoemde Bosschenaar als intercedent op- treedt om de twistende Coptyten en de Becquerlingen met elkaar te verzoenen. De jaarlijkse maaltijd werd dus belegd als een poging om de vrede tussen twee Bossche families te bewaren. De dis werd verzorgd door de Zwanenbroeders. De link met de Lieve Vrouwe Broederschap wordt niet duidelijk, noch wordt de rol van de Zwa- nenbroeders, die blijkbaar als arbiters optreden, hier uitgelegd. Van Dijck65 geeft een andere verklaring. Hij zegt dat de traditie het gevolg is van het feit dat bepaalde leden (uit eigen beweging) een zwaan cadeau gaven aan de broeders, zomaar. Dat het om een zwaan gaat, duidt op niets meer dan dat het een dure, prestigieuze vogel betreft waarmee de schenker te kennen wilde geven dat hij Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
het zich kon veroorloven poenige donaties te doen. Wat begon als
een incidenteel aardigheidje groeide langzaam uit tot een vast ge- bruik. Het komt erop neer dat de broeders, die het zich ongetwij- feld lieten smaken, de gelegenheid gingen aangrijpen om van de schenking een vastomlijnd ritueel te maken. Iemand die de broe- ders een zwaan gaf mocht zich ‘Zwanenbroeder’ noemen. Van Dijck impliceert dat het om een handigheidje gaat: invloedrijke of welgestelde personen die om wat voor reden dan ook geen lid konden worden, werden door de schenking aan de broederschap gelieerd – en via een omweg dus toch lid. De eretitel was een lok- kertje, een middel om gewenste kandidaten middels een foefje op de ledenlijst te zetten. Zwanenbroeders konden lid zijn zonder aan de liturgische verplichtingen te voldoen. Dat maakte het lidmaat- schap aantrekkelijk voor mensen die geen tijd hadden voor kleri- kale verplichtingen. De klerikale drempel werd als het ware weg- genomen, zodat de broederschap toegang kreeg tot invloedrijke figuren zonder zich door de eigen statuten bezwaard te zien. De Zwanenbroeders hadden met de eigenlijke broederschap en haar idealen dus weinig te maken. Het werd een orde binnen een orde, die ertoe bijdroeg dat de broederschap in toenemende mate een elitair karakter ging vertonen.
Na tot deze ontnuchterende conclusie te zijn gekomen stelt Van Dijck dat er van een symbolische betekenis van de zwanenmaaltijd geen enkele sprake is: ‘Iedere vergelijking met de zogenaamde Zwanenorden, zoals die onder hoogadellijke kringen in Pruisen en Kleef bestonden, lijkt, hoe aantrekkelijk en verleidelijk dan ook, een gekunstelde en onverantwoorde manipulatie.’ Gezien de belangrijke plaats die het Huis van Kleef in de broederschap in- neemt is dit een opmerkelijke uitspraak te noemen. Zeker na wat we tot nu toe over de zwaanridders en het Pact van Woeringen vernomen hebben.
Hoewel het zwanenmotief pas in 1488 opduikt, hebben we ge- zien dat het al aan het begin van de veertiende eeuw een rol speelt. Rond 1320, twee jaar na de officie¨le oprichting van de broeder- schap, verschijnt er bovendien een werk van een onbekende scri- bent dat als doel heeft de Brabantse machthebbers terug te voeren Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
op een achtenswaardige voorzaat: Brabon Silvius, de Brabantse
Zwaanridder. Rond het jaar 1320 vindt de hertog het blijkbaar opeens belangrijk dat hij zijn geslacht aan dat van notabele zwaan- ridders kan verbinden. ‘...er zijn een aantal omstandigheden,’ meldde historicus J. Blo¨te in een voordracht aan het begin van de twintigste eeuw, ‘die er op wijzen dat de afkomst der hertogen van een zwaanridder omstreeks 1325 nog tamelijk recent was. We kun- nen op genealogische en andere gronden aantonen, dat tot diep in de twaalfde eeuw [de hertogen van Brabant] geen zwaanridder van welk soort ook tot hun voorvader rekenden, en ook anderen hen niet van die afkomst beschouwden. In de dertiende eeuw echter gelden ze als zodanig.’ Maar de zwaan gaat wel verder terug. Hen- drik I van Brabant, de kruisvaarder die voor het eerst contacten aanknoopte met de Duitse Orde, trouwde met een achternicht van Godfried van Bouillon en adopteerde deze legendarische fi- guur als zijn eigen voorvader. Rond dezelfde tijd geeft Hendrik opdracht tot een reeks kruisvaartromans die zijn geslacht moeten verheerlijken. Tot die romans behoren de verhalen over Helias de Zwaanridder. Het allerbelangrijkste is natuurlijk de niet weg te wuiven relatie met de Duitse Orde, de Hanze en de missie van de pactleden. Rond 1309 vervoert het Pact via Kleef een geheime schat naar Brabant, vermoedelijk eerst naar Den Bosch en vervolgens naar de Duitsers in Vught. Zeer korte tijd later wordt er in datzelfde Den Bosch door diezelfde pactleden een mariaal broederschap op- gericht dat uit Zwanenbroeders bestaat en dat in grote mate ge- steund wordt door Hanzeleden uit Kleef (de Duitse Orde). De broeders ‘vinden’ een Mariabeeld dat toevallig ook uit Kleef komt en dat de organisatie van de nodige fondsen voorziet. In korte tijd kan deze provinciale vereniging bogen op het lidmaat- schap van zo ongeveer de complete Europese jetset. De Kleefse adel meldt zich massaal aan en hetzelfde geldt voor de Duitse comman- deurs uit Vught en Gestel, die ook in latere jaren nog veelvuldig op de contributielijsten figureren. Omgekeerd zijn de eerste comman- deurs uit Vught geen Duitsers maar Van Udens: Van Cuyks dus. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Toeval? De vraag stellen is hem beantwoorden.
Dit lijkt ons een aardig alternatief: om de uiterst belangrijke schat van de tempeliers veilig te stellen wordt er na aankomst in Vught een broederschap opgericht, bestaande uit zowel leken als geestelijken, die als taak heeft deze te beheren en te beschermen. De geestelijke elite van de voogdschap (lees: de ingewijden) worden uitverkoren om de kostbaarheid, in bewaring gegeven door de machtige Duitse Orde, koste wat kost te bewaken. Zij zijn de pries- ters van de geheime, mogelijk heilige tempeliersschat. De schat wordt vervolgens veilig opgeborgen: in het comman- deurshuis (het latere Zionsburg) of in het naburige Kasteel Mau- rick, waarvan alle volgende bewoners (van de Liescaps uit de veer- tiende tot aan de Van Lanschotten uit de eenentwintigste eeuw) Zwanenbroeders zullen zijn.
Wat er daar ook bewaard wordt, in de daaropvolgende eeuwen zal Vught de interesse wekken van de meest duistere, gevaarlijke en opmerkelijke figuren.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk Jheronimus Bosch, de
verborgen dissident
Criticus van zijn tijd
Zoals gezegd was de familie van Jeroen Bosch, de familie van Aken, al vroeg bij de broederschap betrokken. Verschillende leden van dit opmerkelijk artistieke geslacht, waaronder de grootvader, de vader en enkele ooms van Jeroen, waren lid en nauw verbonden met de activiteiten van de Lieve Vrouwe Broederschap. Oorspronkelijk kwam de familie uit de Duitse stad Aken en was via Nijmegen rond 1427 in Den Bosch terechtgekomen. Jan van Aken, de grootvader van de schilder, bezat in die tijd percelen in de Vughterstraat en deed naar verluidt zaken met een zekere Gerard van Cranenborch, een smid wiens familie ook in het eerste kwart van de vijftiende eeuw naar de Brabantse stad was gekomen. Er is geopperd67 dat deze samenwerking het gevolg was van een af- komst uit hetzelfde gebied: de naam Cranenborch zou mogelijk afstammen van de Kranenburg bij Kleef. In elk geval trad Jan van Aken al in 1430 toe tot de broederschap en in datzelfde jaar kreeg hij opdracht om een nis en enkele processieattributen op te schil- deren. Het kruisigingstafereel in het Bacxkoor in de Sint-Jan is mogelijk van zijn hand. Gedurende een periode van 25 jaar bleef hij in dienst van de broederschap en in die tijd staat hij bekend als ‘meester’ Jan van Aken. We weten niet precies wat de criteria wa- ren om deze titel te bemachtigen, maar het is frappant dat zijn wereldberoemde kleinzoon zelden met deze naam werd aangespro- ken. Ook kreeg Jheronimus niet de eerbied en de bewegingsvrijheid die zijn grootvader wel had ontvangen. We krijgen de indruk dat Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
de broederschap maar schoorvoetend gebruikmaakte van zijn
diensten, hem inhuurde voor kleine reparaties, maar hem zelden of nooit belangrijke opdrachten toespeelde. Hij was dan misschien een duivelmaker, maar ook een duvelstoejager. De ‘Dante van de schilderkunst’ werd door zijn ordegenoten blijkbaar niet op waar- de geschat.
Waarom niet?
Was hij, zoals zoveel beroemde kunstenaars, zijn tijd vooruit? Was hij te vernieuwend, een enfant terrible? Of was er iets anders aan de hand?
Laten we eens kijken naar zijn schilderijen. Bosch is zonder twijfel een van de bekendste Nederlandse schilders uit de Late Middeleeuwen. Zijn schilderijen zijn raadselachtige werken, vol met bizarre taferelen, fantastische fabeldieren en gru- welijke monsters. Hoewel hij in principe tot de laatste van de Vlaamse primitieven wordt gerekend doet zijn werk in niets den- ken aan zijn grote voorgangers. Bosch lijkt in zijn schilderwerk met alle tradities te hebben gebroken. Kunsthistorici weten zich vaak geen raad met zijn oeuvre: in boeken over de vijftiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst wordt hij simpelweg buiten beschou- wing gelaten omdat zijn werk ‘een universum op zichzelf’ zou vor- men.68 Zijn werk staat bol van de iconografie en het is verleidelijk om in al die minieme details verborgen boodschappen te zien, va- rie¨rend van sektarische mystiek tot alchemistische geheimtaal. Het is hachelijk om in die beschouwingen het kaf van het koren te scheiden. Veelvuldig worden dergelijke afbeeldingen een grab- belton voor onderzoekers die in Bosch een fundering voor hun these zien, en we ontkomen er misschien niet aan om in dezelfde kuil te vallen. Laten we daarom dit schoentje zelf aantrekken en een nadere, zij het behoedzame, blik op zijn werk werpen. Bosch’ rol als algemeen criticus van bedrog, corruptie en heb- zucht staat buiten kijf. Hij was ontegenzeggelijk een strenge en gewetensvolle moralist die onvermoeibaar de dwaasheden van zijn tijd aan de kaak stelde. Wat de humanist Erasmus door het geschreven woord deed, dat deed Bosch door zijn schilderijen. Mis- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
schien zag hij zichzelf als de Heilige Antonius die hij zo vaak af-
beeldde: als een man die ondanks het spervuur van duivelse be- proevingen waaronder hij gebukt gaat, overeind blijft en zich door vroom doorzettingsvermogen afzijdig houdt van de verschij- ningsvormen van het kwaad. En deze verschijningsvormen waren er te over. In de tijd waarin Bosch leefde had men te maken met plunderingen, pestepidemiee¨n, vreemde mogendheden en een grote sociale en geestelijke onzekerheid. In de middeleeuwse gedachte- wereld werd de mens wel gezien als een reiziger die op het rechte pad moest blijven terwijl hij aan alle kanten belaagd werd door demonische bedreigingen en verleidingen. Bij Bosch komt deze rei- ziger meerdere malen voor in de vorm van een pelgrim of een mars- kramer die het kwaad van zijn tijd de rug toekeert. Ook bestond er een uitgebreide beeldentaal om duivelse zaken en zondige buitensporigheden mee aan te duiden, en van deze alle- gorische taal maakt Bosch veelvuldig gebruik. Wat ons nu als ge- heimzinnig en esoterisch voorkomt, werd in de Middeleeuwen vrij- wel universeel begrepen als moraliserende, soms grappige verwij- zingen naar contemporaine zondigheden. Zoals ook onderzoekers in de toekomst er ongetwijfeld grote moeite mee zullen hebben onze huidige beeldentaal (moderne kunst, cartoons, commercials, bioscoopfilms) met al haar popculture referenties in de juiste con- text te plaatsen.
Om bij het voorbeeld van de eerdergenoemde marskramer te blijven: de reiziger of landloper (die bij Bosch in verschillende hoe- danigheden maar altijd in dezelfde pose voorkomt) is omgeven door beesten en voorwerpen die meer doen dan de lege ruimten opvullen. Hoewel je de schilder zou kunnen beschuldigen van een soort horror vacui, hebben al zijn pieterige haantjes, uiltjes, hond- jes en aapjes een weloverwogen plek in de compositie. Allemaal hebben ze het doel de argeloze beschouwer te wijzen op zijn inhe- rente zondigheid en de kwalijke aanvechtingen die hij dient te weerstaan.
Kijken we naar het cirkelvormige schilderij De Marskramer. Het werk is een van de vele middeleeuwse prenten waarop de mars- kramerfiguur voorkomt; het wordt ook wel De Verloren Zoon of Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De Landloper genoemd. Er is een armoedig geklede man te zien
met een rieten korf op de rug die over een pad naar een hek loopt. Hij kijkt om naar een vervallen huis op de achtergrond. De op het eerste gezicht eenvoudige afbeelding is doordrenkt met symboliek. De kruik op de nok van het huis is een symbool voor verspilling. Het hek is in sommige lezingen de toegang tot een beter leven, in andere juist een hindernis op de weg. De beestjes om hem heen zijn onschuldig en potsierlijk genoeg, maar wijzen in feite op de ge- varen die de feilbare middeleeuwse mens – de pelgrim of landloper – op zijn levenspad het hoofd moet bieden. De haan op het erf is een middeleeuws zinnebeeld van dwaasheid, vechtlust, hoogmoed, onkuisheid en vraatzucht.70 De varkens aan de trog verbeelden de mens die is gehecht aan aardse ijdelheden.71 De hond is een ver- persoonlijking van de duivel. Dr. Eric de Bruyn, die De Marskramer uitvoerig geanalyseerd heeft, verklaart het schilderij als volgt. De marskramer was een rondtrekkende koopman die dorpen en jaarmarkten afstruinde om de koopwaar uit zijn rieten mand te slijten. Hij had zowel positieve als negatieve betekenissen: hij kon staan voor bedrog, domheid, wellust, dronkenschap of hebzucht, maar ook voor een berouwvolle zondaar of een navolger van Christus. De marskra- mer op dit schilderij schijnt op het eerste gezicht een positief beeld naar voren te brengen: dat van de berouwvolle mens die het zon- dige leven (de herberg) achter zich laat en gebukt onder de last van zijn begane zonden (de rugzak) het lijden accepteert. De hond met de stekelhalsband die de marskramer dreigt te bijten, is inderdaad een duivels beest waarvoor hij op zijn hoede moet zijn. (Daar komt nog bij dat reizende marskramers zo vaak door gemene honden gebeten werden dat de twee veelvuldig als een spreekwoordelijk duo werden afgebeeld: de marskramer en zijn tegenspeler de hond hoorden bij elkaar). De hoed die hij voor het lichaam in de hand houdt zou een toespeling zijn op het woord ‘voorhoede’ even- als op de uitdrukking voorhoedich zijn, het op zijn hoede zijn voor de duivelse verlokkingen. De herberg op de achtergrond is om verschillende voor de hand liggende aanwijzingen een bordeel (het knuffelige stelletje in de deuropening, de vogelkooi als wel- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
bekend symbool voor een hoerenhuis).73 Alles wijst erop dat Bosch
met het schilderij een exemplarische zondaar wilde weergeven die zijn oude leven de rug toekeert om de weg naar verlossing te be- wandelen.
Een ander interessant schilderij dat door De Bruyn is uitgeplozen is de Hooiwagen-triptiek. De Hooiwagen is een uit de kluiten ge- wassen drieluik volgepropt met figuranten, roerige taferelen en ge- beurtenissen. Op het middenpaneel wordt de aandacht getrokken door een grote hooiberg op wielen die deel lijkt uit te maken van een wanordelijke processie waarvan we maar een deel te zien krij- gen. De optocht lijkt niettemin een vervolg te krijgen in het rechter- zijluik, waar hij zich gestaag in de richting van de hel begeeft. De wagen wordt getrokken door demonische wezens met dierenkop- pen en bestormd door een woedende menigte met rieken. Een wat kalmere stoet volgt de hooiwagen terwijl de rest van het schilderij wordt bezet door taferelen die duiden op ondeugdelijke bezighe- den. De Bruyn toont aan dat het hooi in vroeger tijden geassocieerd werd met bedrog en de verwerpelijkheid van al het aardse. De uit- drukking ‘het is alles hooi’ betekent min of meer dat aardse goede- ren en ijdelheden even waardeloos zijn als gedroogd gras. Een uit 1559 daterende voorstelling waarop zich rond de afgebeelde hooi- wagen allerhande zondigheden afspelen, brengt het hooimotief in relatie tot onder meer hoogmoed, zedeloosheid, het dienen van twee heren, de blindheid voor eigen gebreken en het uitbuiten van de sociaal zwakken. De hooiwagen was dus een zinnebeeld dat mensen opriep niet naar wereldse kostbaarheden te streven, daar de liefde voor geld alleen maar kon ontaarden in bovengenoemde onbetamelijkheden. Het is zelfs mogelijk dat er in de jaarlijkse Bos- sche Mariaprocessie een hooiwagen meereed die precies dit princi- pe moest uitdrukken. De lieden die op de triptiek van Bosch achter een hooiwagen aansjokken, moeten dus gezien worden als de gees- telijke en wereldlijke heersers die zich hebben laten verleiden door hebzucht en het streven naar aards goed. Dat hooi als materieel bezit (geld) werd gezien wordt nog eens bevestigd in de kleinere sce`nes op de voorgrond. Door Bosch en zijn tijdgenoten gewraakte personen als kwakzalvers, zigeuners74 en andere figuren uit op Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
materieel gewin, worden bijna allemaal voorgesteld als in het bezit
zijnd van waardeloos hooi.
Rechts onderin laat een schijnbaar gezapige monnik zich bedie- nen door nonnen die ijverig een zak aan zijn voeten volstoppen met hooi: de vadsig geworden kerk die haar positie misbruikt om zich te verrijken. (Zelfs de ingetogen De Bruyn verwijst naar Freud als hij in de worst, die e´e´n van de nonnen van de passerende muzikant wil bemachtigen, een fallussymbool ziet; blijkbaar is de vrouw uit op seksueel vertier.) Nu we weten dat het hooi voor het slijk der aarde staat, begrijpen we ook waarom de meute probeert de wagen te bestormen. Evenmin is het een raadsel waarom de wagen door duivels wordt voortgetrokken.
De uil bij Bosch
Bosch bedient zich dus van bekende symbolen om zijn afkeer uit te spreken over ontoelaatbare sociale misstanden. Wie eenmaal be- kend raakt met deze symbolen herkent ook in veel ander werk van Bosch dezelfde beeldtaal. Bepaalde voorwerpen, dieren en kleder- drachten keren steeds terug om dezelfde gedachten tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld daarvan is het gebruik van de uil in het werk van Bosch. De uil heeft in de middeleeuwse iconografie goede en slechte eigenschappen, maar staat toch voornamelijk bekend als een boosaardig en lichtschuw wezen dat beurtelings de duivel en de zondaar symboliseert: beiden houden zich liever op in de duisternis dan in het licht. Op de hooiwagen verschijnt een steenuil, die De Bruyn interpreteert als een beeld van bedrieglijke verleiding. Maar de uil komt vaker voor, en meestal in een negatieve betekenis. De Bruyn: ‘Uilen komen bij Bosch (...) steevast voor in een context van zondigheid en het diabolische en bovendien treedt de uil in de laatmiddeleeuwse literatuur zo vaak op als metafoor voor de dui- vel dat hier duidelijk sprake is van een topos.’ De uil heeft vrijwel uitsluitend een passieve rol. Hij zit ergens weggedoken in een hoek of op een takje toe te kijken, en we kunnen stellen dat de uil op het toneel verschijnt als er een zondige of ondeugdelijke gebeurtenis Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
plaatsvindt. De sinistere uil is altijd getuige van zondigheid. Hij zit
in het mandje van de Goochelaar, die de massa misleidt met zijn balletje-balletjespel; in een ronde nis boven de kwakzalverspraktij- ken in De Keisnijding; hij zit op het hoofd van een van de demonen die Antonius bedreigt in De verzoeking van Antonius; opnieuw op het hoofd van een van de dwazen op Het Concert in het ei; in de top van de mast in Het Narrenschip enzovoort. Soms aast hij op een koolmees, zoals bij de marskramer en op het Sint-Hieronymus- paneel, hetgeen kan duiden op de duivelse uil die eeuwig speurt naar de kwetsbare mens. Op een internetsite dicht Thijs Jaspers de uil de volgende rol toe: ‘De uil is het symbool van de een of andere zonde die het daglicht niet kan verdragen; of van de lichtschuwe mens. Volk dat niet deugt heette ‘ volc dat met den ule vliegen en lopen by nacht’’. Soms werd de uil als lokvogel gebruikt, dat maakte hem tot de verzinnebeelding van de verleidelijke zonde of van de tot een zonde verleidende mens. De stuntelige, fladderende bewegingen van de uil in het daglicht maakten hem voor de middeleeuwers tot een zinnebeeld van de dwaasheid, de zotheid en de daaraan verwante domheid. In de Zuid-Nederlandse uitdrukking ‘‘iemand bekijken gelijk een uil’’, betekent het laatste woord ‘‘dwaas’’. Het gezegde ‘‘de uil kijkt uit de mouw’’ betekende ‘‘de dwaasheid treedt aan het licht’’, nu zeggen we ‘ de aap komt uit de mouw’’. De aap als schoolvoorbeeld van een mal dier werd dus voorafgegaan door de uil.’ Hij vervolgt: ‘Bosch kende de uil tevens als erotisch sym- bool. Ook de volkstaal kende en kent de uil in geslachtelijke zin. Heuheu, huben en huybert zijn oude woorden voor ‘‘roede’’ en de Zuid-Nederlandse spreekwijze ‘‘die meid heeft haar uil laten vlie- gen’’ wil zeggen dat ze haar maagdelijkheid heeft verloren. Dat hij, een nachtdier, als onkuis symbool werd gebruikt, komt natuurlijk omdat de nacht het gunstige getij is voor het bedrijven van de erotiek.’
Jaspers zet ook de nodige vraagtekens bij De Tuin der Lusten, een van de bekendere werken van Bosch. Hij vraagt zich af of het middenpaneel, waarop het aardse paradijs is afgebeeld, niet eerder een poel van verderf moet voorstellen, gezien de grote hoeveelheid Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
naakte en wulpse figuren. Ook hier duikt de uil meermalen op. Een
ander werk van Bosch waarin de uil een nadrukkelijke rol speelt, is een schets, getiteld: Het veld heeft ogen, het woud heeft oren. In deze schets zien we een bosschage met twee oren en een veld be- spikkeld met ogen. In het midden staat een dode holle boom met een loerende uil erin. De uil slaat ons vanuit het duister gade, en met hem de hele schepping. Dr. Paul Vandenbroeck: ‘De uil is het beeld van het bedreigende en misleidende. (...) Hij is de bespieder die de onoplettende in het verderf poogt te storten...’. Ook is de uil een liefhebber van geheimen en een verdoezelaar van de waarheid: ‘De waarheid is naakt en zij wil ontdekt worden en niet verborgen blijven. Zij gelijkt op de mus en niet op de uil: zij vliegt openlijk in het daglicht onder mensen. De uil lijkt op de leugen: zij vliegt ’s nachts en gedraagt zich heimelijk.’ Leuk om te weten is dat er op het e´e´n-dollarbiljet ook een minu- tieus uiltje verborgen is, en wel in de rechterbovenhoek. Het is bijna alsof Bosch eraan te pas is gekomen om het slijk der aarde op deze manier te verluchtigen. Samenvattend kunnen we dus zeggen dat Jeroen Bosch gebruik- maakte van heersende opvattingen en door de samenleving geac- cepteerde gemeenplaatsen om de dwaalwegen van zijn tijd weer te geven. Daarbij speelt met name de bedrieglijkheid een rol. Perso- nen worden weergegeven als deugdelijk, vroom of zelfs paaps, ter- wijl kleine details (zoals uilen en hondjes) verraden dat het hier om zondaars of huichelaars gaat. Net als bij Dante blijken pausen en kloosterlingen maar al te vaak net zulke ketters te zijn als het ge- boefte onder de laagste bevolkinggroep. Schijnbaar vrome voor- stellingen krijgen zo een andere, minder sacrale betekenis. Dit laatste wordt meer dan duidelijk als we een minder bekend schilderij van Bosch onder de loep nemen: De Bruiloft van Kana. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De Bruiloft van Kana
Helaas konden we geen afbeelding van dit bijzondere schilderij opnemen in dit boek. We zouden de lezer daarom willen vragen om het op internet of in een boek op te zoeken. De overgebleven versies van dit schilderij zijn gemaakt door navol- gers, maar kunsthistorici zijn het er over het algemeen over eens dat het kopiee¨n zijn van een verloren gegaan origineel van Bosch. Het hier besproken schilderij is dat uit het Museum Boymans-van Beu- ningen in Rotterdam. Op het eerste gezicht verbeeldt de schilder het verhaal uit het Johannes-evangelie waarin Jezus water in wijn verandert. Volgens Johannes was dit het eerste van de machtige werken waarmee Jezus zijn glorie openbaarde. In een vreemd aan- doend vertrek waarvan we alleen de achterwand zien, zit een groep bruiloftsgasten aan een L-vormige tafel. Onder de gasten in mid- deleeuwse kledij bevinden zich Jezus en zijn moeder, het bruidspaar en een tiental anderen. Daaromheen lopen bedienden en op een verhoging aan de achterwand zit een doedelzakspeler. Op de voor- grond schenkt een dienstknecht de wonderlijke wijn in een kruik. Het schilderij bevat te veel wonderlijke details om allemaal op te noemen, maar een paar zaken springen er toch uit. Het vertrek heeft meer weg van een heidense tempel dan van een feestzaaltje op het Palestijnse platteland. De discipelen zijn nergens te beken- nen. En voor een bijbels tafereel heeft het wel erg veel occulte en heidense symbolen. Helemaal achterin in een doorkijkje staat een wandmeubel (een altaar, een trisoor?) met eigenaardige voorchris- telijke voorwerpen; om het hoekje staat een eenzame figuur met een stok (een toverstaf?) die een bezwerend gebaar lijkt te maken naar de sce`ne op de voorgrond. Voor de tafel staat een kind met een opgeheven kelk en een krans om zijn hoofd. Maar het schouwspel wordt pas echt verdacht als we op de achtergrond van het decor, verscholen achter een pilaar, een uil zien zitten. En zoals we hebben vastgesteld verschijnt de uil bij Bosch alleen daar, waar zich onver- kwikkelijke dingen afspelen: zaken die het daglicht niet verdragen. Wiens bruiloft er hier ook gevierd wordt, het is in ieder geval geen zaligmakende gebeurtenis.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Wat wilde Bosch ons hier zeggen? Dat het hier helemaal geen hei-
lige gebeurtenis betreft, maar een onheilige? Het is in de schilderkunst uit de late Middeleeuwen en de Re- naissance niet ongebruikelijk om taferelen te allegoriseren. Actuele gebeurtenissen, zoals een bruiloft of een overlijden, werden gerela- teerd aan een mythologische of bijbelse aangelegenheid om de ge- beurtenis een verheven karakter te geven, of deze zelfs gelijk te schakelen aan een historisch of bovenzinnelijk precedent. Meestal hebben deze taferelen dan ook een vroom karakter. Maar in De Bruiloft van Kana heeft dit vrome karakter een ietwat vreemde nasmaak. De eigenaardigheden op het schilderij lijken erop te wij- zen dat Bosch minder geı¨nteresseerd was in het illustreren van een bijbels verhaal dan in het toepassen van dit verhaal op een speci- fieke eigentijdse context. Betreft het hier een allegorie, waarbij Bosch eigenlijk een andere gebeurtenis ten tonele voert? De verschillende details zouden er dan op wijzen dat het een in zijn ogen onoorbare aangelegenheid betreft, een die zijn kritiek verdient.
Maar wie of wat bekritiseert hij? Vanzelfsprekend niet de bij- belse gebeurtenis. Maar wat dan? Andere zaken op het schilderij vallen op. De tafels zijn leeg. De wijn die in de kruik wordt ge- schonken lijkt meer op water dan op wijn. Is dat het? Verandert de wijn weer in water? Is dit zijn manier om te vertellen dat de goddelijke boodschap, de Heilige Geest, wordt verdoezeld ten be- hoeve van materieel gewin? Als dit inderdaad het geval is, betreft het hier een omgekeerde bruiloft van Kana. Het wonder wordt ongedaan gemaakt. De Geest wordt weer tot stof – tot as. Tolnay80 tracht de onvolkomenheden te verklaren door het schilderij terug te voeren op een citaat uit 1 Korintie¨rs 10:21: ‘Gij kunt niet drinken uit de beker van de Heer, e´n uit die van duivels; gij kunt niet deel nemen aan de dis van de Heer, e´n aan de dis van duivels.’ Fraenger81 bevestigt dat dit citaat het uitgangspunt van Bosch is geweest bij het schilderen van De Bruiloft. Gesuggereerd wordt dus dat de bruiloftsgasten deelnemen aan een godslasterlijk maal. De bruiloft is een onzalige verbintenis. Er wordt een duivels pact gesloten.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Maar welk pact neemt Bosch op de korrel? Met andere woorden:
van wiens bruiloft zijn we hier getuige? Misschien vinden we een aanwijzing in de spijzen die op de achtergrond worden opgediend. Op een van de schalen die worden binnengedragen zien we een zwaan.
Hierbij denken we natuurlijk meteen aan de zwanenmaaltijden, waarbij de zwaan werd opgediend als onderdeel van de Bossche traditie. Jeroen Bosch was, dat hebben we gezien, lid van de Zwa- nenbroeders. Maar hij lijkt de zwaan in zijn schilderijen juist te verketteren.
Voor zover bekend duikt de zwaan in het werk van Bosch, be- halve in De Bruiloft van Kana, vijf keer op. In De Tuin der Lusten zwemt hij in een van de vijvers van het aardse paradijs. Hij maakt hier een vrij onschadelijke indruk, maar gezien de nabijheid van uilen en ander gedierte van verdachte herkomst moet getwijfeld worden aan zijn rol in het geheel. Een ronduit louche rol speelt hij in De Verzoeking van Antonius, het naargeestige drieluik in Lissabon. Op een relie¨f van de bouwvallige zuil op het middenpa- neel wordt de zwaan als gift of offer aangeboden aan een afgod die een aap, een hond of een zwijn kan voorstellen. Op de rest van de zuil zijn taferelen afgebeeld die met het Gouden Kalf te maken hebben, en in die context geplaatst verwijst het zwaanoffer moge- lijk naar afgoderij. Dat het ook hier een kwalijke gebeurtenis be- treft, bevestigt het uiltje dat vanuit een nis toekijkt. Kijken we nogmaals naar De Marskramer, de pelgrim die de corruptie de rug toekeert, dan zien we ook hier weer de zwaan, namelijk op het uithangbord van de herberg. Hetzelfde uithang- bord vinden we in De Bekoring van Antonius (Amsterdam): achter Antonius, die biddend op de voorgrond zit, staat een eigenaardig gebouw dat toeloopt in het reusachtige hoofd van een vrouw. In het huis staat een naakte dame, en op het uithangbord prijkt we- derom de zwaan. Verschillende historici zijn het erover eens dat het ook hier om een bordeel gaat. Bijna onzichtbaar is het zwaantje op het uithangbord op de triptiek met de Drie Koningen in Madrid, helemaal weggestopt achter in het veld.
In een artikel over het gebruik van de zwaan bij Bosch schrijft Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Th. P. van Baaren: ‘Aangezien de herhaalde combinatie van zwaan
en verdacht huis geen toeval kan zijn, kan de vraag opkomen of de schilder zich wel zo thuis heeft gevoeld in dat illustere gezelschap met zijn kern van Bossche notabelen, en of hij niet misschien zijn onlustgevoelens die hij niet goed openlijk kon uiten heeft afgerea- geerd door op zijn schilderijen de zwaan een slechte naam te geven. Vooral het feit dat hij de zwaan met voorliefde afbeeldt op uithang- borden van ongure herbergen, kan in die richting doen denken, want op deze manier worden al die verdachte herbergen annex bordeel een satire op de statige behuizing van de Zwanenbroeders en hun feestelijke pronkmaaltijden.’ Een smakelijk detail is overigens dat er bij recente restauraties aan het Bossche pand Hinthamerstraat 107 de zeventiende-eeuwse muurschildering is blootgelegd van een vogel in een kooitje. Zoals we eerder hebben gezien is dit een voor die tijd bekend herken- ningsteken voor een bordeel. In plaats van het bekende gordijntje was het ’t kooitje dat open en dicht ging. Wanneer het kooitje openstond, wanneer het met een ander woord ‘gelicht’ was, bete- kende dit dat de zaak open for business was. Was het kooitje dicht, dan was de dame bezet (hier zou het woord ‘lichtekooi’ vandaan komen). De muurschildering is vandaag de dag nog te bezichtigen. Aardig om te weten is dat dit zeventiende-eeuwse huis van plezier pal tegenover het Zwanenbroedershuis staat. In het Middelnederlands was ‘zwaan’ (of swaentje) ook een be- naming voor een prostituee. Deze dubbele betekenis, plus het feit dat Bosch als lid van de Zwanenbroeders heel goed wist wat er zich daar afspeelde, kan de scherpzinnige moralistische schilder niet ontgaan zijn. Dat hij aan de opgediende zwaan een negatieve be- tekenis toedicht, wordt bevestigd door het halve maantje dat op de zwanenborst geschilderd is. De halve maan komt bij Bosch talloze malen voor, en of het nu wijst op een ketters teken (de islam) of een middeleeuws symbool voor losbandigheid, het heeft onveranderd een negatieve betekenis. Speciaal in De Bruiloft van Kana lijkt Bosch het op zijn eigen broodheren te hebben voorzien. De Schotse Lynda Harris zegt in haar boek over Bosch:83 ‘Bosch was duidelijk in staat om, zonder in moeilijkheden te komen, zijn Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
ware gevoelens over de rituelen en ceremoniee¨n van zijn broeder-
schap in verf uit te drukken, want voor zover wij weten kwam er van geen van zijn tijdgenoten ooit kritiek op zijn schilderijen. Maar hij kon zijn opinies niet op enigerlei andere wijze blootgeven. Naar buiten toe had hij geen andere keus dan deel te nemen aan juist die ceremoniee¨n waar hij een afkeer van had en voor te wenden dat hij ze apprecieerde. Hij moet zichzelf smerig en hypocriet hebben ge- voeld als hij deelnam aan de feestmalen en rituelen die hij zo duide- lijk verafschuwde.’ Van Baaren besluit zijn artikel als volgt: ‘Het traditionele beeld van Jeroen Bosch als vroom en dankbaar lid van een religieuze broederschap vertoont zoveel lekken dat het nodig op de helling moet.’
Wat was het dat Bosch ons met de Bruiloft wilde zeggen? Zwanen waren, wanneer we zijn iconografie moeten geloven, hoeren. Hoe- reerde de broederschap met iemand? Met wie dan? Laten we nog eens goed naar het schilderij kijken. Naast de zwaan wordt er no´g een schaal binnengedragen. Op deze schaal zien we onmiskenbaar een zwijnenkop, ook weer met het halve maantje. De zwaan en de zwijnenkop hebben we al eerder samen gezien. De zwanen hebben, zoals we al vaststelden, via Van Cuyk, Van Arkel en Van Heusden een relatie met het Huis van Kleef, de Duitse Orde en de tempeliersschat. De zwijnenkop was het herken- ningsteken van de Brabantse hertog en het Pact van Woeringen. Dus zijn we weer terug bij de twee wapenbroeders: de voormalige Hanze en de Duitse ridders enerzijds, de vroegere hertogen en de stad Den Bosch anderzijds! De Bruiloft van Kana is dus de bruiloft tussen de Duitse Orde en de Zwanenbroeders; of mogelijk die tussen het Pact van Woeringen en de bewakers van de schat. Probeert Bosch met zijn schilderij het feit te berispen dat er tus- sen de twee handjeklap werd gespeeld? Als we het werk nogmaals terugkoppelen naar het citaat uit Korintie¨rs, dan lijkt hij te sugge- reren dat de bruiloftsgasten van twee walletjes eten: van de Heer e´n van de duivel. Zijn medebroeders uit de broederschap, zegt hij, dienen twee heren.
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
De verdwenen stichters
Wat weten we nog meer over De Bruiloft van Kana? Over de opdrachtgever is niets bekend. Toch kunnen we, als we wat dieper graven, een aantal dingen aan de weet komen over de betrokken personen. Binnen het oeuvre van Bosch nemen de zo- genaamde stichtersportretten een aparte plaats in. Op deze werken lieten de opdrachtgevers zichzelf door de schilder portretteren. Vaak verschenen zij dan op de buitenluiken van het middenpaneel, maar soms ook op het hoofdpaneel zelf. We noemden al de Ecce Homo uit Boston waarop figuren te zien zijn die het broeder- schapsinsigne dragen, de lilium inter spinas. Door recent onder- zoek is vast komen te staan dat de opdrachtgever ene Pieter van Os is. Van Os was de stadssecretaris en een mede-Zwanenbroeder. Hij heeft zichzelf laten afbeelden op de binnenzijde van het linker- paneel, knielend en de handen gevouwen. Achter hem staat zijn naamheilige, de heilige Petrus (Pieter = Petrus). Op het tegenover- liggende luik is zijn vrouw afgebeeld, Henrixke van Langel. Op de buitenkant van de luiken, die dus zichtbaar worden als je het schil- derij dichtklapt, is de schoonfamilie van Pieter weergegeven. Zijn schoonvader Franco van Langel was overigens ook een gezworen lid van de broederschap. Pieter van Os had het werk besteld ter nagedachtenis aan zijn vrouw en hun overleden kind.84 De op- drachtgevers op de Ecce Homo uit Boston werden pas in 1983 in ere hersteld toen ze bij een restauratie tevoorschijn kwamen. Ze waren in de zeventiende eeuw overgeschilderd. Dit laatste is door de eeuwen heen vaker voorgekomen. Dona- teurs en opdrachtgevers werden van de schilderijen verwijderd door wegschrapen van de verf of door overschilderen. Waarom? Wie zou het in zijn hoofd halen om de werken van een gevierd schilder op zo’n manier te bekladden? Geopperd is dat de identiteit en de betekenis van deze donateurs in de loop der tijd verloren ging en dat latere eigenaren hen als hinderlijk gingen ervaren. Ze waren storend voor de compositie. Of ze leidden de aandacht af van het hoofdpaneel. Bizar genoeg was dit reden om deze oorspronkelijke eigenaars onzichtbaar te maken door ze achter grove toevoegingen Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
in dezelfde stijl te laten verdwijnen. Slachtoffer van dit iconoclasme
waren onder meer De Calvarie in Brussel, de Sint-Jan de Doper in Madrid en de Gekruisigde Martelares in het Dogenpaleis te Vene- tie¨. Op de laatste is nog duidelijk te zien dat op de zijluiken oor- spronkelijk twee geknielde schenkers waren geschilderd. Mogelijk zijn deze twee figuren door Bosch zelf verwijderd, misschien omdat de opdrachtgevers zich terugtrokken of om een andere reden uit beeld verdwenen. In ieder geval vinden we meerdere voorbeelden van werken waaruit de oorspronkelijke donateurs verdwenen zijn. De stichter op Johannes de Doper in de Woestenij is op een wel heel opzichtige manier overgeschilderd: hij is weggemoffeld onder een bizarre distelplant met kolossale vruchten. Dit laatste schilderij vormde samen met Johannes op Patmos de luiken van het Maria- retabel van de Lieve Vrouwe Broederschap. Dit lot onderging ook De Bruiloft van Kana. Hier betrof het echter niet de zijluiken, maar het schilderij zelf. De Bruiloft heeft een bewogen geschiedenis achter de rug. In de negentiende eeuw werd het herontdekt toen het onder een portret tevoorschijn kwam dat er overheen was geschilderd. Het schilderij was niet in een goede staat: vaststaat dat de bovenhoeken zijn afgezaagd en dat er linksonder in de achttiende eeuw twee hondjes zijn bijgeschilderd, vermoedelijk om de lege tegelvloer op te vullen. Blijkbaar vonden de achttiende-eeuwse eigenaren dat de composi- tie niet kloppend was, en dat er op de linker onderhoek iets ont- brak. Bovendien is het werk op een aantal plekken onhandig ge- restaureerd zodat een aantal details is verdwenen, wat tot ver- keerde conclusies heeft geleid. Op een zestiende-eeuwse kopie van het origineel ontbreken de hondjes, hetgeen bevestigt dat dit latere toevoegingen zijn. Ook laat de kopie zien dat er in de rechterboven- hoek oorspronkelijk twee muzikanten hebben gezeten in plaats van e´e´n.
Maar de meest verrassende openbaring komt van een getekende kopie uit het Louvre in Parijs. Deze tekening wekt sterk de indruk gemaakt te zijn in een vroeg stadium, dus vo´o´rdat er een flink aantal veranderingen was aangebracht op het origineel. De teke- ning (een exacte reproductie van het oorspronkelijke werk?) ont- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
hult enkele belangrijke details die eeuwenlang voor ons verborgen
zijn gebleven. Meest in het oog springend is het feit dat er op de lege tegelvloer opeens twee figuren staan, in plaats van de achttiende- eeuwse hondjes. De voorste figuur, een kanunnik, lijkt te knielen terwijl er achter hem een soort bisschop staat met een kerkmodel in zijn hand. Van de zijluiken van de Ecce Homo in Boston weten we dat dit zeer waarschijnlijk een stichtersportret is: de donateur die zichzelf in ootmoedige pose heeft laten uitbeelden terwijl zijn naamheilige, met mijter en kerkje, behoedend achter hem staat. Zou deze, lang geleden verwijderde, figuur de opdrachtgever van het schilderij kunnen zijn?
Door de hondjes op het oorspronkelijke schilderij heen zien we de vloertegels. Dat betekent dat toen de hondjes er in de achttiende eeuw op werden geschilderd, de twee figuren al van de voorgrond verdwenen waren. De restaurateurs verbaasden zich over de lege plek en achtten het opportuun er twee schattige hondjes in te plaat- sen. Maar wanneer de oorspronkelijke schenker en zijn naamhei- lige zijn weggehaald, is moeilijk te bepalen. Als het inderdaad de opdrachtgever betreft, wie was hij dan, en waarom is hij uit het tafereel verwijderd?
We kunnen hier misschien licht op werpen door een poging te doen de identiteit van de patroonheilige te ontdekken. Aangezien de schutspatroon meestal een naamgenoot is van de schenker, zou het mogelijk moeten zijn hier meer over aan de weet te komen. Heiligen zijn doorgaans te herkennen aan de parafernalia die ze bij zich dragen. Mijter en staf duiden op een bisschop. Het kerk- model wijst erop dat de bedoelde persoon een kerkbouwer of een kerkstichter is. Het gaat dus om de combinatie van mijter en kerk. Voor zover we hebben kunnen vaststellen komen er verschillende heiligen in aanmerking, zoals Willibrordus, Amandus en Ludgerus. Alledrie zijn het bisschoppen, en alledrie dragen het model van een kerk. Willibrordus lijkt onwaarschijnlijk omdat het kerkje dat hij draagt de Utrechtse Domtoren moet voorstellen. De andere twee, Amandus en Ludgerus, zijn ook niet echt veelbelovend. Kerkbeel- den van de twee heiligen staan in elkaars nabijheid opgesteld in de Sint-Janskathedraal. In de rekeningen van de Lieve Vrouwe Broe- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
derschap en de Bossche protocollen vinden we tweemaal de naam
Amant terug. In beide gevallen betreft het collega’s van Bosch, schilders op de loonlijst van de broeders. In 1502 duikt ene Amant Herpetss, ook wel bekend als Amand Herbertssoen van Valencijn, op als nieuwe poorter van de stad ’s-Hertogenbosch. Amant, ver- moedelijk een Fransman (Valencijn = Valenciennes, val aux cygnes: vallei van de zwanen) was een bedrijvige Bossche schilder en tijd- genoot van Jeroen Bosch. Elders (in de rekeningen van het fiscale jaar 1504/1505) komt ene Amanden voor in verband met de stof- fering van een beeld van Sint Anna. Het lijkt er echter op dat deze Amanden dezelfde is als Amant Herpetss. Hij wordt ook wel Amant die Maelre genoemd (een maelre is een schilder, Bosch wordt zelf regelmatig aangeduid als ‘Jeroen Maelder’). Amant was geen gezworene van de broederschap en wordt ook niet ge- noemd als betrokken bij de Zwanenbroeders.85 Aangezien hij zelf schilder was, lijkt het onwaarschijnlijk dat hij de opdrachtgever van de Bruiloft is geweest.
Ludgerus dan? Daar komen we vooralsnog ook niet echt verder mee. Een andere mogelijkheid is de heilige Lambertus. Ook Lam- bertus heeft regelmatig de mijter en het kerkmodel als kenmer- kende attributen. Met deze parafernalia verschijnt hij tenminste op een van de koorbanken van de Sint-Jan. Dan gaat het wellicht helemaal niet om een naamgenoot, maar om de patroonheilige van de parochia Sancti Lamberti in Vucht, de Lambertusparochie in Vught. Met andere woorden: het Duitse Huis. Kan de knielende kanunnik een priester van de Lambertuskerk en dus een comman- deur van de Duitse Orde zijn? Het blijft onwaarschijnlijk dat een geestelijke, of om het even welke donateur, zichzelf zou willen laten afbeelden op een schilderij dat zoveel kritische noten bevat. Het bezit zoveel uitheemse elementen dat de schenker zich er hoe dan ook niet comfortabel zou hebben gevoeld. Dit doet vermoeden dat de schenker misschien helemaal geen schenker is, of dat het schil- derij niet in opdracht is vervaardigd. Met het in beeld brengen van de patroonheilige en de kanunnik kan Bosch de werkelijke stichters hebben laten zien: niet die van het schilderij, maar die van de Zwa- nenbroeders aan de dis. De ‘priesters van Lambertus’ (de laatste Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
was ook de patroon van het bisdom waaronder Den Bosch resi-
deerde) zijn degenen die het uitgebeelde huwelijk tussen Zwanen en Zwijnen gesanctioneerd hebben. Zij zijn, zegt Bosch, niet zozeer de stichters, als wel de aanstichters van de onheilige verbintenis op het doek.
Duitsers in het werk van Bosch?
Hoewel de zwaan en de uil nog volop ruimte bieden voor interpre- tatie, duiken er beelden op die minder aan de verbeelding overla- ten, en die in het ontoegankelijke oeuvre van Bosch zelfs schok- kend rechtdoorzee zijn.
Bosch heeft de neiging om personen en thema’s in zijn werk zowel te verhullen als te openbaren. Snoodaards die een al te nega- tieve betekenis krijgen, worden zorgvuldig buiten de aandacht ge- houden, krijgen een uiltje of een hondje als gezelschap of worden op een contextuele manier in een kwaad daglicht gezet. Over hun functie kan worden gediscussieerd, de slimme Bosch kan zich altijd indekken (‘uiltje, wat nou uiltje?’). Soms echter duikt er een figuur op die in een zodanige positie wordt geplaatst dat er aan zijn ver- dorvenheid niet kan worden getwijfeld. Iemand die Jezus knevelt en hem een doornenkroon op het hoofd zet, kan moeilijk voor een jofele vent doorgaan. Als deze figuranten daarbij een expliciet in- signe dragen, kan er aan de bedoelingen van de schilder niet wor- den getornd: hij heeft een specifieke persoon op het oog. Dit is het geval op een van de schilderijen die het lijden van Jezus als onderwerp hebben. Het betreft De Doornenkroning uit het Escoriaal in Madrid, waarop de Heiland omgeven is door een vijf- tal folteraars met snode blikken. Er zijn verschillende versies van het schilderij bekend, een aantal ervan afkomstig van navolgers. De slechteriken op De Doornenkroning dragen verschillende in- signes die op hun identiteit wijzen: met de ronde schildjes worden over het algemeen joden aangeduid, met de al eerder genoemde sikkeltjes ketters of andere heidense booswichten. Maar een van de figuren draagt een wel heel nadrukkelijk herkenningsteken: de Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
dubbelkoppige adelaar. De dubbele adelaar dankt Den Bosch aan
keizer Maximiliaan, die de stad op 28 juli 1508 het recht verleende de keizerlijke adelaar aan het stadswapen toe te voegen. Het was dus een ereteken, een pronkbeeld. Wij weten intussen dat het om leden van de Hanze gaat.
Op De Doornenkroning en zijn navolgers draagt de onverlaat in de rechterbovenhoek o´f een joods schildje o´f een opzichtige Duitse adelaar. Natuurlijk waren er geen Duitsers aanwezig bij de kruisi- ging. Het is ook niet waarschijnlijk dat een stichter of opdrachtge- ver zich wilde laten afbeelden als een van de folteraars van Chris- tus. Het ligt dus voor de hand dat Bosch een specifieke persoon of doelgroep in gedachten heeft; iemand uit zijn eigen tijd die naar zijn mening Christus verloochent.
De vraag is: wie?
Opvallend aan de verschillende versies van het schilderij is dat de compositie, de houding en de identiteit van de folteraars voortdu- rend veranderen, maar dat de figuur met de adelaar steeds dezelfde lijkt. Zijn gezicht is bovendien erg realistisch. Hebben navolgers het gezicht overgenomen omdat ze het mooi vonden of beeldt hij een specifieke (en bestaande) figuur uit? Op een versie van het schilderij die over het algemeen als het origineel wordt be- schouwd86 worden de folteraars nog op een meer ‘conventionele’ manier verketterd, namelijk met schildjes, sikkels en stekelige hals- kettingen. Op een andere versie, die uit het Escoriaal, zijn deze details echter vervangen door raadselachtige voorwerpen, waaron- der de Pruisische dubbelkoppige adelaar. Een tweede persoon draagt een eigenaardige scepter met aan het uiteinde een glazen bol waarin we een Mozesfiguurtje herkennen. Geopperd is dat het hier een politieke satire betreft, waarbij de man met de scepter de joodse priesterkaste vertegenwoordigt (en daarmee de religie) en de man met het adelaarsinsigne de wereldlijke macht (hier wordt de adelaar gezien als symbool voor de Romeinse keizers). Anderen verbinden aan de belangrijkste omstanders de drie Europese groot- machten Duitsland, Frankrijk en Spanje. Daarmee zouden de lan- Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
den dus worden neergezet als gretige beulen van het christelijke
gedachtegoed.
Duitsland en het idee van politieke satire komen vaker terug, aangeduid met de adelaar, steeds in een negatieve context, en wel op de Hooiwagen-triptiek. Wie sjokt er achter de hooiwagen aan? Een ruiter met een vaandel met daarop de dubbelkoppige adelaar. Achter hem zien we een vaandel met de fleur-de-lys, de Franse lelie. De Europese grootmachten dus, die zich laten leiden door het slijk der aarde. Is dat wat Bosch wilde zeggen, dat de vertegenwoordi- gers van die Europese staten verdorven machten zijn, corrupt en op geld belust? Bedoelde Bosch met de dubbelkoppige adelaar Duits- land, Den Bosch, de Duitse Orde of het hertogdom Bourgondie¨? Of wijst hij op omstandigheden binnen de eigen gelederen, en duiden de folteraars van Christus op expliciete personen in zijn eigen leef- wereld? In het laatste geval zou dit nogmaals betekenen dat Bosch als Zwanenbroeder op de hoogte was van de Duitse betrokkenheid bij de Lieve Vrouwe Broederschap, en dat ook dit het onderwerp van zijn kritiek is geweest. Al deze voorbeelden lijken er in ieder geval op te wijzen dat Jeroen Bosch nadrukkelijk optreedt als cri- ticaster van de wereldse doeleinden van clerici die pretenderen de Mariaverering voor te staan. In zijn werk voor de broederschap richt hij zich in meer specifieke zin op de huichelaars in zijn directe omgeving: de onderhandelaars, de woekeraars, de Duitse aandeel- houders. Denken we nog eens aan 2 Korintie¨rs (11:13): ‘Schijn- apostelen zijn het, die oneerlijk te werk gaan en zich voordoen als apostelen van Christus’.
Was de opdrachtgever van De Bruiloft van Kana een lid van de Zwanenbroeders, een vertegenwoordiger van de Bossche gezag- dragers of een ridder van de Duitse Orde? Werd het schilderij ver- vaardigd om de samenwerking tussen de stad Den Bosch en de Teutoonse handelsfederatie te bekrachtigen: was het in feite een document om het pact tussen de twee te bezegelen? Maar wat gebeurde er toen? Weigerde Bosch om zich voor het karretje van de Zwanenbroeders te laten spannen? Is de donateur van de Bruiloft in latere eeuwen verwijderd, of heeft de stichter Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
zichzelf laten verwijderen toen hij ontdekte dat hij deel uitmaakte
van een onzalige schildering, een werk dat door de obstinate Bosch was volgestopt met kritische voetnoten en heidense toevoegingen? De kopie uit het Louvre openbaart bovendien dat vrijwel alle kop- pen zijn overgeschilderd: om de identiteit van de betrokkenen te verheimelijken misschien?
Al deze aanwijzingen pleiten in elk geval niet voor een vrome beweging die zich ten doel stelt de belangen van Christus in het ondermaanse te behartigen. Moordenaars, samenzweerders, ge- heime afspraken, economische belangen, Hanzesteden, buiten- landse geldschieters. We moeten ons onderhand gaan afvragen welke rol ’s-Hertogenbosch feitelijk speelde in het middeleeuwse Europa. Hoe katholiek is Den Bosch eigenlijk? Is het inderdaad een ‘klein Rome’, of een soort religieus Las Vegas waarin een stel maffiosi, de amici degli amici, de handen ineenslaan om de vrome pelgrims geld uit de zak te kloppen? Zijn de stichters van Den Bosch ondernemende katholieken of opportunistische zakenlieden die zich onder het voorwendsel van een Mariadevotie verrijken? Zijn de Zwanenbroeders de devote clerici die ze beweren te zijn, of zijn het geharde entrepreneurs met een financie¨le agenda die met de Navolging van Christus bar weinig te maken heeft? De Bossche optimaten bouwden kerken, beelden en kapellen. Maar niet, zo kunnen we nog eens benadrukken, ter verering van Maria, maar ter verering van het Geld. De God van de Middeleeuwen was Mammon, en de Heilige Geest het pragmatisch cynisme van een Teutoonse handelsfederatie. Wat, kunnen we ons afvragen, ver- bergt de Bossche Maria onder haar rok?
En het gewone volk? De Bosschenaren? De gelovigen? Het schil- derij De Goochelaar van Jeroen Bosch staat ook nog bekend onder een andere titel: De wereld wil bedrogen worden. Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten
Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
Hoofdstuk De schat van Vught in
gevaar
Kasteel Maurick als onderkomen voor de Duitse Orde Na 1400 ging het met de Duitse Orde in Oost-Europa steeds slech- ter. De ordestaat werd aan alle kanten bedreigd en ingesloten. De Polen en de Litouwers werden almaar sterker en uiteindelijk be- sloten ze hun krachten te bundelen. Op 15 juli 1410 leidde dit tot de legendarische slag bij het Poolse dorpje Tannenberg. De Slag bij Tannenberg is een spannend verhaal en het loont zeker de moeite je hierin te verdiepen. Maar voor de Duitse Orde was de uitkomst somber. De Duitsers werden verpletterend verslagen. Alle ridders van de orde werden om het leven gebracht, ook de overmoedige grootmeester Ulrich von Jungingen. Een daaropvolgende verove- ring van Marie¨nburg werd op het nippertje voorkomen, maar daarmee was het met het goede nieuws ook gedaan. Tannenberg luidde het begin in van de trage teloorgang van de Duitse Orde. De gevolgen voor de balijen en commandeurshuizen in het wes- ten waren voelbaar. Er kwam steeds minder geld uit de Baltische staten, en de commanderijen schijnen op zichzelf aangewezen te zijn geweest. Op papier is dit voor Vught niet anders. Toch veran- derde er voor het Huis in Vught niet al te veel. Vught werd ge- protegeerd door de Lieve Vrouwe Broederschap, maar op de keper beschouwd was het altijd al een zeer bescheiden commanderij ge- weest die haar pastorale karakter nooit verloor. Bovendien schijnt het, in elk geval vanaf 1309, de bedoeling te zijn geweest dat het Huis zich gedeisd hield; wat Vught juist niet moest doen was de aandacht trekken. Toch moeten de verwikkelingen in Polen hun Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist
24/09/2007 Pg.
weerslag hebben gehad op de situatie in Vught. Honderd jaar lang
was geen enkele grootmeester de schat komen opeisen. De Duitse Orde had haar handen vol en nooit werd de situatie in het oosten zo bestendig dat de kust volkomen veilig werd verklaard. Het is ook denkbaar dat opeenvolgende grootmeesters niet van de schat op de hoogte zijn geweest. Voor zover we weten is er niemand naar komen zoeken. Na het verval van de Duitse Orde in de vijftiende eeuw veranderde dat. Een geheim dat misschien vergeten was, dat langzaam was weggezakt in de nevelen der tijd, kwam weer in de herinnering terug.
Kasteel Maurick in Vught hebben we voor het eerst gezien als mogelijke residentie van de heren van Vught, die door de hertog van Brabant werden verjaagd.
Rond 1300 was het in elk geval in handen van de familie Lie- scap. Zoals gezegd was het eiland in wezen een kunstmatige heu- vel, een motte. Het waren de Liescaps die het eiland onder hun hoede kregen en het oude poorthuis, dus de toegangspoort tot de motte, verbouwden tot een woonstede. Waarschijnlijk was het Maurick zoals dat door Liescap en zijn zoon Gijsbrecht begonnen werd, bedoeld als modieus landhuis dat alleen de uiterlijke kenmer- ken van een kasteel bezat.
Over de Liescaps valt te vertellen dat ze tot de aanzienlijkste families van Den Bosch behoorden en meerdere ‘stenen huysen’ in de stad bezaten. Liescap duidt eerder een functie aan dan een naam. De oorsprong van de naam kan gezocht worden in het oud-franse Liss-cep. ‘Cep’ betekent omsluiting en is afgeleid van het Latijnse ‘cippus’, dat onder andere palissade betekent. ‘Lisse’ is een technische term waarmee een houten constructie wordt aan- geduid die voornamelijk dient ter verdediging. Inderdaad waren de Liescaps betrokken geweest bij de bouw van de stadsmuren, het- geen wellicht verklaart waarom ze er niet voor terugdeinsden het kasteel in de waterrijke omgeving op te trekken. Als bouwmeesters en adviseurs waren ze bovendien betrokken bij de activiteiten rond de Sint-Janskathedraal. Ze waren – het zal de lezer niet verbazen – Zwanenbroeders en bestuurders van de tafels van de Heilige Geest, Tirion – Literair Klassiek – 157 x 234 mm (L) Pre Press Zeist