Arme mensen

 

Gewoonlijk roept de naam Venetië allerlei beelden op: kostbare juwelen, palazzi, aristocraten in overdadige carnavalskledij, dansend op een bal. Of hij roept visioenen op van weelderige specerijen, glorieuze schilderijen, fluweel, overvloed in al zijn verschijningsvormen. Hij kan echter ook tegenovergestelde beelden oproepen: ziekten, de zwarte dood. Eén beeld dat zelden opduikt als de magische naam Venetië wordt aangeroepen, is dat van armoede - hoewel er echt wel armoede te vinden is tussen de palazzi en fraaie huizen van La Serenissima. Je hebt de ongewilde armoede van oude mensen, die zich gedwongen zien te overleven op een mager staatspensioentje, en je hebt de gewilde armoede van rijke mensen die ten prooi zijn gevallen aan de krankzinnige ondeugd van de gierigheid: die twee verschijningsvormen hebben gemeen dat ze onzichtbaar blijven, verscholen achter deuren van huizen en deuren van schaamte.

De enige vorm van armoede die voor iedereen zichtbaar is, zowel voor inwoners als voor toeristen, is die van bedelaars, hoewel het feit dat hun armoede openbaar is allerminst garandeert dat deze ook echt is. Jarenlang was het zo dat een aantal bedelaars in verschillende delen van de stad hun vaste plek hadden, een plek die bij hen hoorde, maar, zoals zo vaak gebeurt in deze tijd: de lokale krachten zijn verdrongen door de instroom van een soort gastarbeiders.

Eerst de lokale krachten. Op de Ponte Sant' Antonio, een paar honderd meter van de Rialto, zit vaak een grijze man van in de zestig, ineengedoken, met het stompje van zijn ene arm als een puppy op schoot. De andere hand houdt hij boven zijn hoofd om voorbijgangers een aalmoes af te bedelen. Hij is een seizoensarbeider; hij zit er alleen als het koud is, maar hij heeft nooit een jasje aan, ongetwijfeld om het hele tafereel extra huiveringwekkend te maken.

Hardnekkige geruchten willen dat hij op Burano woont, waar hij vele huizen zou bezitten. Met de kerst stopte mijn vriend Roberto hem vijfduizend lire toe, niet vanwege zijn armoede maar bij wijze van compensatie voor het gebrek aan trots waarmee hij zichzelf zo te kijk zet.

Dan heb je de vrouw met het donkere haar, van wie beweerd wordt dat ze lerares was, tot een man twintig jaar geleden haar hart brak. Sindsdien schuifelt ze heen en weer over de Strada Nuova, met gebogen hoofd, haar gang vertraagd door de medicijnen die de artsen van de Gezondheidsdienst besloten hebben haar te geven. In die twintig jaar heb ik haar ouder zien worden, ongetwijfeld Oost-Indisch blind voor hetzelfde proces bij mijzelf; ik heb de kringen onder haar ogen donkerder zien worden, ik heb haar haar zien groeien en dan weer kort zien worden als iemand het voor haar had afgeknipt of, wie zal het zeggen, als ze er zelf het mes in had gezet.

Soms klampt ze mensen aan en vraagt duizend lire of een sigaret. Ik rook niet, dus ik geef haar altijd een briefje van duizend, dat ik met een glimlach in haar hand leg terwijl ik probeer haar aan te kijken. Eén keer was ik zonder tasje van huis gegaan en kon ik slechts vijfhonderd lire vinden, maar dat wilde ze niet hebben. 'Mi servono mille lire,' zei ze halsstarrig, verdrietig dat dat haar geweigerd werd. Niet boos. Verdrietig. Hoeveel beter zou boosheid zijn geweest.

Een andere schuifelaar is de eivormige jongeman in overall, die vaak een beschilderd gezicht heeft, of woest gekleurd haar. Volgens de plaatselijke mythe zou hij jaren geleden een reis naar het Verre Oosten hebben gemaakt. Hij ging als intelligente jongeman en kwam terug in deze meelijwekkende toestand: hij had zijn verstand geofferd aan de drugsgoden van India. Hij vraagt niet meer om geld en lijkt de laatste jaren iets kalmer geworden. Soms zie je hem languit in een portiek liggen, glimlachend naar de mensen die langslopen, niet dreigender dan een kat.

In mijn herinnering leeft nog altijd het beeld van mijn lieveling, de witharige vrouw die jaren onder aan de Ponte delle Erbe heeft gestaan, niet ver van de Casa di Cura van het Ospedale van SS Giovanni e Paolo, waar men zei dat ze woonde. Ze droeg altijd pantoffels en een ochtendjas, en schoof in de loop van de dag met de zon mee, langzaam langs het kanaal richting Campo Santa Marina. Haar hand bleef ze al die tijd ophouden. Zo ongeveer om het halfjaar verdween ze voor een dag of wat, waarna ze weer op haar post terugkeerde, met een nieuw permanentje. Inmiddels is ze er al jaren niet meer, maar de mensen herinneren zich haar nog en praten nog over haar met grote vertedering.

De nieuwen ontbreekt het aan charme. Fantasie of flair hebben ze nog minder. De meesten zijn zigeuners, voor het merendeel van één groep of familie, want ik zie hen altijd met zijn allen tegelijk aankomen, punctueel als Duitse fabrieksarbeiders: elke dag lopen ze even na negenen vanuit het station naar de Strada Nuova. Op het Campo Sant'

Angelo gaan ze uit elkaar en vertrekt ieder naar zijn of haar vaste plek, om later voor een picknicklunch bijeen te komen op het Campo Santa Maria Nova.

Wat mij aan hen opvalt is hun enorme georganiseerdheid: ze lijken allemaal dezelfde bordjes bij zich te hebben, meestal met de hand geschilderd maar soms ook geprint, in grote koeienletters, elk met dezelfde zorgvuldig gemaakte grammaticafouten. 'Ho tre bambino,' 'Sono profogo dal Bosnia'. En ze vallen geregeld terug op de herhaling waar de dichter van Beowulf zich ook graag van bediende in: 'Hofame! Daar vallen weinig spelfouten mee te maken. Hoewel die mensen er al zijn zolang als ik me kan herinneren, zijn ze een paar jaar geleden opeens Bosnische vluchtelingen geworden. Maar al stellen ze nu dan moslims voor die lijden om hun geloof, onder in hun hoed of beker leggen ze allemaal een bidprentje met een bont geschilderde Madonna.

Een paar maanden geleden stapten ze opeens over op een andere tactiek, wat ik nogal verrassend vond in Italië, het enige land waarvan gezegd wordt dat de baby er nog aanbeden wordt. Alle baby's, of ze nu op de schouder werden meegezeuld, aan de borst, of op de rug van hun moeder, waren binnen een week verdwenen. En werden stuk voor stuk vervangen door puppy's.

En de Italianen? Die geven. Ze gooien een paar honderd lire in die bekers of hoeden, vaak zelfs duizend lire, of nog meer. Moeders geven geld aan hun kinderen en zeggen dat ze dat aan de bedelaar moeten geven. Ik heb geen idee of de puppy's meer opbrengen dan de baby's. Voor Italië, en voor ons allemaal, hoop ik van niet.