Nieuwe buren

 

Een paar maanden geleden verhuisde ik, als zoveelste gevolg van de huisvestingsramp die twee jaar van mijn leven heeft geruïneerd, naar een huurappartement niet ver van dat waar ik vijftien jaar gewoond heb. Dit nieuwe appartement is groter, lichter en hoger; eigenlijk is het prachtig, met uitzicht op de klokkentoren van zowel de San Marco als de Santi Apostoli.

Hetzelfde raam dat uitzicht biedt op de klokkentoren van de San Marco, kijkt ook uit op de binnenplaats van Palazzo Boldü. Dat gebouw is zo beroemd dat als ik aan een Venetiaan moet uitleggen waar ik woon, ik alleen maar hoef te zeggen dat ik vlak bij Palazzo Baldü woon, dan kan hij me precies plaatsen op de stadsplattegrond die we allemaal in ons hoofd meedragen.

Palazzo Baldü is namelijk het psychiatrisch centrum, de inrichting waar de verschillende zwervende zieken van de stad dagelijks komen voor de medicijnen, de therapie of de gesprekken die ze nodig hebben om de dag door te komen. Het officiële gekkenhuis op San Clemente is jaren geleden gesloten als gevolg van een wet die bedoeld was om geesteszieken weer bij de maatschappij te betrekken, en hen weer deel te laten uitmaken van de samenleving.

Of het zo werkt of niet, weet ik niet. Of die arme zielen beter af zijn nu die gekkenhuizen hun deuren hebben gesloten - ik heb geen idee. Het enige wat ik weet is wat ik zie vanuit het raam van mijn studeerkamer, en wat ik hoor door alle andere ramen.

De deuren van het palazzo gaan om acht uur 's morgens open voor patiënten, maar voor dat tijdstip kan het personeel al naar binnen door de enorme houten poortdeuren die de binnenplaats scheiden van het kleine campiello van Santa Maria Nova. De eerste rusteloze patiënten zijn er al om een uur of vijf, althans in de lente en de zomer, en maken me elke morgen wakker met hun gesprekken en liedjes en verhitte woordenwisselingen. Hoe hartstochtelijk of kalm de gesprekken die ik hoor ook zijn, hoe boos de woorden ook klinken, ze zijn altijd geschreven voor één stem, want ze praten zelden met elkaar als ze buiten de muren van Palazzo Baldü zijn.

Wie het zijn of waarom ze daarheen gaan - ik heb geen idee. Er wordt wel geroddeld, en ik ben ervan overtuigd dat ik elk verhaal dat over elk van hen verteld wordt te horen zou kunnen krijgen, maar een soort bescheidenheid weerhoudt me ervan om vragen te stellen, al was het maar aan mijn buren, die al jaren in hun nabije omgeving wonen. Zo heb je de donkerharige vrouw die ik nu al dertig jaar heen en weer zie lopen door de Strada Nuova - merkwaardig genoeg is zij ouder geworden terwijl ik uiteraard dezelfde ben gebleven. Dan heb je de vrouw die met de regelmaat van een metronoom van de ene voet op de andere hipt, niet te verwarren met de vrouw die zich met kleine robotpasjes verplaatst. En dan heb je nog Laura: robuust, blond, rond de veertig. Ze zit de hele dag op de binnenplaats, eindeloos te roken, en ik heb haar nooit een woord met wie dan ook zien wisselen.

Op een dag, vorige week, hoorde ik buiten luide stemmen. Erdoor aangetrokken liep ik naar het raam en keek naar de binnenplaats. Twee mannen en een vrouw waren bij Laura aan tafel komen zitten. Laura had een klein, opgezet diertje voor zich neergezet, te klein om van zo veraf de soort te kunnen onderscheiden. 'O Laura, che bella! 'Laura, fammi vedere, che bella! Een paar minuten vormde een zwijgende Laura het middelpunt van hun luid uitgesproken, oprechte bewondering, waarna ze haar opgezette diertje aan de een na de ander doorgaf, terwijl alle drie er de loftrompet over staken en haar voorhielden hoe ze wel niet bofte dat ze zo'n mooi diertje had. Om beurten hielden ze het met veel zorg vast en ze betoonden het allemaal hetzelfde respect; met een relikwie of een pasgeboren baby hadden ze niet voorzichtiger kunnen zijn.

Uiteindelijk nam Laura het opgezette diertje weer over en zette het weer voor zich op de tafel. Ze bood een van de mannen een sigaret aan; hij nam hem aan en zij gaf hem een vuurtje, en ik wendde me af en begon te huilen.