Het Casino

 

Mijn eerste kennismaking met het plaatselijke Casino vond bijna twintig jaar geleden plaats, toen ik naar Venetië vluchtte nadat Khomeini aan de macht was gekomen in Iran en ik, in de nasleep van de revolutie, het land moest verlaten. Het Casino leek, in die tijd, een gelegenheid waar een vluchteling wel naartoe zou willen, en dus gingen we erheen, maar bij de deur werden we geweigerd omdat mijn metgezel geen jasje droeg. Ik probeerde nog te betogen dat wij, als vluchtelingen, toch een speciale behandeling verdienden, maar alle moeite was vergeefs. We gaven onze nederlaag toe, gingen terug naar het hotel en hij haalde zijn jasje op. Ik ben vergeten hoeveel we die nacht verloren hebben. Na het verliezen van huis, bezittingen en carrière was het in onze ogen een schijntje. Maar ik herinner me nog wel dat ik bedacht dat er in de straten van revolutionair Isfahan veel meer leven was geweest, dat de mensen daar in elk geval hardop spraken en plezier leken te hebben in waar ze mee bezig waren, al was dat de afbraak van een regering.

In de volgende decennia had ik geen rechtstreekse ervaring met het Casino, hoewel ik de mensen die erheen gingen om te gokken heel goed leerde kennen. Tien jaar lang gaf ik les in Vicenza, een stad op ongeveer een uur reizen van Venetië, en nam ik vier avonden per week de trein van 22.04 uur terug naar Venetië, waar ik dan om 23.03 uur op station Santa Lucia aankwam - als er tenminste niet werd gestaakt, als het niet mistig was, als er geen ongelukken gebeurd waren of zich een van de vele andere oorzaken van vertraging had voorgedaan. Als we op tijd aankwamen, en ik als een haas naar de halte rende, kon ik net vaporetto nr.1 halen, die om 23.06 uur van het station vertrok. In het begin was ik me slechts vaag bewust van de mensen die uitstapten bij San Marcuola, de boothalte voor het Casino, maar na een poosje begonnen mij bepaalde gemeenschappelijke eigenschappen op te vallen, en binnen enige maanden pikte ik hen er feilloos uit.

De mannen leken allemaal haarlak te gebruiken, want hoe hard het ook waaide, hun kapsel leek er nooit enige hinder van te ondervinden. De meesten droegen een jas, en in de jaren dat dat in de mode was, een jas van nappa. Daaronder droegen ze altijd een colbertje en een das. De meesten hadden ringen om de vingers, meestal om hun pink, vaak met buitensporig grote stenen. Bij de vrouwen was sprake van iets meer variatie, vermoedelijk omdat zij konden kiezen uit verschillende haarlengtes of de keus hadden tussen een broek of een rok, hoewel ze vrijwel allemaal voor het laatste kozen. Ze leken allemaal jonger dan de mannen die ze vergezelden en droegen meestal bont, en toen dat in de mode was la pelliccia ecologica (ecologisch bont), in wilde kleuren en patronen. Hun schoenen hadden altijd hoge hakken en hun nagels leken nogal wat aandacht en tijd te vergen, evenals trouwens hun make-up.

Ongeveer een jaar vermaakte ik me met stilletjes wedden wie bij San Marcuola zou uitstappen, maar ik begon op een gegeven moment zo irritant almaar te winnen dat ik dat opgaf, ze niet langer bestudeerde en mijn aandacht weer richtte op de verlichte ramen van de palazzi waar we op onze tocht over het Canal Grande langskwamen.

Mijn belangstelling werd hernieuwd vanwege Zanzibar. In 1992 kwam de politie, na meer dan een maand van infiltreren en surveilleren, met Operatie Zanzibar, die de vorm kreeg van een blikseminval in het Casino al Lido. Er werden zeven croupiers gearresteerd, die er allemaal van beschuldigd werden te hebben gestolen van het Casino. Na meer dan vijf jaar - voor Italiaanse justitiebegrippen een vloek en een zucht - zal nu dan door het hof van appèl over de laatste van de zeven worden geoordeeld. Daar ik mogelijke stof voor een boek rook, besloot ik mijn belangstelling voor het Casino te hernieuwen.

Aanvankelijk was mijn belangstelling die van een onderzoeker die geïnteresseerd is in feiten, blote feiten - het soort reisgidsinformatie dat vaak reuze interessant blijkt te zijn. Het Casino in Ca' Vendramin Calergi aan het Canal Grande, het paleis waar Richard Wagner in 1883 is gestorven, werd in 1945 geopend en biedt tegenwoordig werk aan bijna vierhonderd mensen. De meesten van hen komen uit Venetië en tweehonderdtachtig werken als croupier. In een gemiddeld jaar verdient het Casino honderdzestig miljard lire, waarvan de helft rechtstreeks naar de Comune di Venezia gaat, om althans voor een deel de landelijke bezuinigingen te compenseren. Er gaan per jaar meer dan een half miljoen mensen naar het Casino, volgens de eigen telling van het Casino zelfs zeshonderddertigduizend - vooral Italianen, en daarvan de meeste uit de Veneto. Omdat mijn rekenmachine slechts ruimte biedt aan acht decimalen, weet ik niet wat ik met al die nullen aan moet, maar als ik honderdzestig door zeshonderddertig deel, krijg ik 0,254 - al heb ik geen idee of dat betekent dat de gemiddelde bezoeker 254 lire lichter wordt, of 254.000. Maar waar de komma ook komt te staan, het is zo klaar als een klontje dat het Casino in elk geval wint.

Niet dat het hier een waarheid betreft die tot de bezoekers van het Casino schijnt te zijn doorgedrongen: die worden kennelijk, ergens, aangetrokken door de hoop dat zij die ene uitverkorene zijn, degene die door het lot is aangewezen om te winnen, en wel heel veel. Dat bleek ook wel op de avond dat ik eindelijk naar het Casino ging om de sfeer te proeven en intussen eens wat beter te kijken naar al die mensen die ik jaren uit de vaporetto nr. 1 had zien stappen. Voor de bezoekers het palazzo binnen gaan, moeten ze 18.000 lire entree betalen, maar aangezien dat hun in staat stelt een van de mooiste palazzi van de stad te betreden, is dat geld in elk geval goed besteed.

Het eerste wat iedereen opvalt die het palazzo binnen gaat, is het uitzicht op het Canal Grande door de ramen aan de voorkant. Je kijkt daar tegen het Palazzo Belloni-Battagia aan. Helaas wordt het uitzicht meestal belemmerd door kettingrokende taxichauffeurs die bij de glazen deuren aan de waterkant staan, wachtend op iemand die terug wil naar het station, of naar Piazzale Roma, of misschien naar huis, ergens in de stad. Als je die enorme, hoge ruimte betreedt zie je onwillekeurig zangers met maskers voor je, of misschien wel een koor van weesmeisjes die een cantata van Vivaldi zingen, speciaal voor een of andere feestdag gecomponeerd. Maar het eerste wat je in werkelijkheid hoort is het gekletter van munten in de bakjes van de honderden fruitmachines, die in rijen langs de muren van een lange reeks kamers links van de ingang staan. Soms worden de gedempte stemmen van de spelers overstemd door een belletje dat een nieuwe overwinning op de godin Fortuna meldt.

Aan het eind van deze hal is een lange balie, waarachter ingetogen geklede portiers de paspoorten of identiteitskaarten van de bezoekers controleren en hun details in de computer invoeren: geboorteplaats, leeftijd, nationaliteit. Daarna staat het de bezoeker vrij om naar de bovenverdiepingen te gaan, waar de chique spellen worden gespeeld: chemin de fer, roulette, blackjack.

Het overheersende gevoel dat je bekruipt in al die vertrekken daarboven - schitterende, enorme ruimtes, gedecoreerd met de schoonheid en overdaad van eeuwen - is het besef van een geloof dat zich zijn eigen futiliteit heeft gerealiseerd en erin berust. Mannen - en de spelers hier zijn bijna louter mannen - zitten of staan rond de tafels, geconcentreerd op het spel, het draaiende rad, het omdraaien van een kaart. Omdat gokken mij nooit een sikkepit heeft geïnteresseerd, zegt het mij net zo weinig als bodybuilden of het bidden van de rozenkrans. Deze drie activiteiten lijken met elkaar gemeen te hebben dat ze de tijd verdrijven en de hoop bieden dat hun beoefening tot een of andere verlossing zal leiden. Bodybuilders krijgen tenminste nog een fysieke verandering te zien en oude vrouwen die hun kralen tellen kunnen dat doen zonder hun wekelijkse boodschappengeld te verspelen; het is echter onduidelijk wat er aan positiefs uit gokken voortkomt. Maar zoals ik al zei: gokken is iets wat me nooit geïnteresseerd heeft, dus de verleidingen ervan ontgaan mij ook ten enenmale.

Net als in de James Bond-films zijn de tafels hier met groen vilt bedekt en dragen de croupiers een zwart strikje.

In een land van opvallend knappe mannen springen de meeste croupiers eruit, misschien door de strenge elegantie van hun uniform of misschien vanwege de al even strenge elegantie van hun houding. In schril contrast daarmee hebben de meeste spelers iets vaag liederlijks, alsof ze al heel lang niet geslapen hebben of weken sporadisch en slecht hebben gegeten.

John Donne schrijft: 'Zij is alle staten en alle prinsen, ik. Verder is er niets.' Hoewel Donne het over de liefde heeft, hangt dezelfde zekerheid dat er verder niets is als een doorzichtige wolk boven die tafels, want de spelers zijn nergens anders in geïnteresseerd dan in het draaien van het rad of in de kaart die op het punt staat te worden omgedraaid. Aan een van de roulettetafels zag ik hoe een pas gearriveerde speler naar een stapeltje groene fiches wees die schijnbaar op het groene vilt waren achtergelaten. 'O, die zijn van mij,' zei een jongeman in een slecht zittend grijs pak, die aan de andere kant van de tafel stond. Zwijgend schoof de nieuwkomer de fiches over de tafel naar de jongeman toe, die niet de moeite nam hem te bedanken en zich volstrekt niet druk leek te maken over het feit dat hij zo opging in het spel dat hij 600.000 lire aan fiches had laten liggen, en straal was vergeten.

Ik heb me door mensen die in het Casino werken laten vertellen dat het de mensen die daarheen gaan, of althans degenen die naar boven gaan, niet echt om het winnen te doen is: alleen het spelen zelf interesseert hen. In het geval van die jongeman aan de roulettetafel leek het erop dat het hem koud zou laten of hij won of niet, omdat ook de gedachte dat hij geld kon verliezen hem op geen enkele manier raakte.

Dat is eigenlijk ook de belangrijkste indruk die blijft hangen na een avondje in het Casino: de volslagen afwezigheid van iets wat op vreugde lijkt, of zelfs maar op enthousiasme, bij al die mannen die daar komen om te gokken. Ik heb nooit het geringste blijk van emotie gezien, niet als het harkje van de croupier een maandsalaris van de tafel schoof, noch als het een winnaar het equivalent toeschoof van de aanbetaling op een appartement. Hun gezichten, uitdrukkingsloos geworden door iets wat verder gaat dan verveling, deden me denken aan bankpersoneel dat getuige is van het stijgen en dalen van de prijzen van aandelen wereldwijd, waarbij fortuinen heen en weer worden geschoven - zij doen dat met eenzelfde onaangedaanheid als waarmee croupiers hun fiches over het groene vilt heen en weer schuiven.

Terwijl het balletje op de tafel rammelend naar zijn bestemming rolde, liet ik mijn ogen gaan naar de fresco's op het plafond, en vandaar naar de wanden van de verrukkelijke sala giochi waar al die donker geklede mannen bijeen stonden. Links boven mij keek het portret van een bepruikte edelman met een afkeurend mondje op ons neer. Weerloos tegenover zijn onuitgesproken beschuldiging verliet ik de zaal en ik ging naar beneden om een kijkje te nemen bij de fruitautomaten.

De fruitautomaten, die in 1991 zijn ingevoerd, nemen nu zo'n dertig procent van de inkomsten van het Casino voor hun rekening, en zelfs als je er maar even langsloopt begrijp je al hoe dat kan. Want daar staan de Venetianen, zo nonchalant gekleed alsof ze even de deur uit zijn gegaan voor een kop koffie in de bar op de hoek, en niet die rijke lefgozers uit Milaan of Modena, die op één avond zonder blikken of blozen met gemak vijftig miljoen lire verspelen. Nee, op de begane grond zie je dezelfde vrouwen die op de Rialtomarkt staan te kijven over de prijs van de vis, dezelfde oude vrouwtjes die klagen hoe moeilijk het is om rond te komen met een staatspensioentje van 700.000 lire per maand. De meesten zijn inderdaad, weinig verrassend, vrouwen, en de meesten zijn de veertig al enige tijd gepasseerd.

Hier hoef je de regels van het spel niet te leren, hier hoef je je kansen niet te berekenen of, zoals veel mannen aan de roulettetafel doen, in zorgvuldig afgeschermde notitieboekjes allerlei duistere getallen neer te krabbelen. Het enige wat je hier hoeft te doen is bij een automaat fiches van duizend lire halen, die een voor een in de helverlichte machine werpen en de hendel overhalen. De gecomputeriseerde automaten zijn zo afgesteld dat ze 93 procent aan de spelers terugbetalen. Klinkt goed. Maar dat betekent ook dat iedereen die daar speelt statistisch gegarandeerd zeven procent van zijn inzet verliest, ongeacht hoe lang hij doorspeelt, ongeacht hoeveel of hoe weinig hij in die machine werpt.

Hoewel ook hier geen vreugde te bespeuren valt, is er tenminste nog sprake van enig menselijk contact, want die vrouwen komen vaak met hun tweeën binnen, en terwijl hun armen de lucht in gaan en trekken en trekken en trekken, kletsen ze met hun vriendin over de prijs van de vis op de Rialtomarkt. Althans, daar ga ik maar van uit, want het is te pijnlijk om te veronderstellen dat ze het ook wel eens zouden kunnen hebben over de problemen die je hebt als je rond moet komen van een pensioentje van 700.000 lire per maand.