Diplomatiek incident
Enige weken geleden kreeg ik een uitnodiging voor een receptie waar ik de consul van de Verenigde Staten zou ontmoeten. Die kwam van Milaan naar Venetië om een nieuwe consul in die stad te zoeken. Omdat een Amerikaanse vriendin van me die ook in Venetië woonde volgens mij geknipt was voor die baan, besloot ik er met haar heen te gaan, in de hoop haar te kunnen aanbevelen. Bovendien was er met een pen onder aan mijn uitnodiging geschreven: 'Zou u misschien geïnteresseerd zijn in deze functie?'
De receptie werd gehouden in een galerie aan het Canal Grande. Toen ik binnenkwam was het zaaltje gevuld met zo'n vijftig mensen, van wie ik slechts één herkende. Ik nam een glas mineraalwater aan en keek om me heen. De vrouwen vielen, net als het Gallië van Caesar, in drie delen uiteen. Je had de lange blondines, allemaal met namen als Muffy en Alison, en allemaal met een zijden sjaal die met zorg over hun schouders was gedrapeerd. Dan had je de oudere vrouwen, meest met kort, grijs haar en die intense gezichtsuitdrukking die getuigde van chirurgische bijstand. En dan had je nog het stelletje bergachtig dikke vrouwen van alle leeftijden. Er leken maar twee soorten mannen rond te lopen: sjofele figuren op sportschoenen en mannen in driedelig pak, in de meeste gevallen zo te zien pakken die ze voor hun pensionering ook al gedragen hadden en die nu of te groot of te klein waren.
Mijn vriendin was laat, maar iemand had Benjy meegenomen, een Norfolk-terriër, dus ik stond er niet helemaal alleen voor. In een andere ruimte werd geapplaudisseerd. Ik liep naar de deur. De consul, een jongeman met kort, zwart haar, begon zijn presentatie met het voorlezen van de Thanksgiving toespraak van de president. Onze president prees de lange geschiedenis van raciale harmonie in de Verenigde Staten, iets, zo liet hij ons weten, wat we allemaal huldigden. Omdat mijn gedachten afdwaalden naar slavernij en het uitroeien van de Indianen, besloot ik mijn huldeblijk voor me te houden. Onze president had het ook tot drie keer toe over God, dus ik ging weer terug naar de keuken voor wat mineraalwater en een babbeltje met Benjy.
Toen de lezing voorbij was en het applaus afgelopen, begon de consul uit te leggen wat er allemaal bij de openstaande functie kwam kijken. De consul zou Amerikanen moeten helpen die waren beroofd of om een andere reden in de problemen zaten, hij of zij zou de Italiaanse bureaucratie het hoofd moeten bieden en misschien af en toe moeten regelen dat een Amerikaan die in Venetië was overleden naar Amerika werd teruggevlogen. De consul merkte dat zijn gehoor op dit laatste reageerde en verklaarde, met de warmte in zijn stem die Amerikanen gebruiken om blijk te geven van hun oprechtheid, dat het salaris weliswaar niet geweldig was, maar dat de secundaire arbeidsvoorwaarden niets te wensen overlieten: veel feesten en recepties, en de consul zou tevens bezoekende senatoren en congresleden in de stad mogen rondleiden. Bij dat laatste stelde ik me voor dat ik een of andere met rundvlees volgestopte schurk iets zou moeten uitleggen als: 'Nee, senator, dat is geen winkelcentrum, maar een kerk.' Ik ging weer op zoek naar Benjy, en vermaakte me met hem tot het laatste applaus was weggestorven.
Eindelijk was het voorbij. Mijn vriendin was niet komen opdagen. Ik zocht mijn jas op, sloeg mijn sjaal om en liep naar de uitgang. Beleefd bedankte ik mijn gastvrouw en ik zei dat ik helaas moest gaan.
'Gaat u niet naar de functie solliciteren?' vroeg ze.
Ik glimlachte met de warmte die Amerikanen gebruiken om blijk te geven van hun oprechtheid, zei: 'Ik zou nog liever mijn haar in brand steken,' bedankte haar nogmaals en ging weer naar huis.